/ Language: Netherlands / Genre:det_crime / Series: Thora Gudmundsdottir

Het laatste ritueel

Y Sigurðardóttir


Yrsa Sigardurdóttir

Het laatste ritueel

31 oktober 2005

Proloog

Tryggvi, de conciërge, keek verbaasd om zich heen. Wat was dat voor geluid? Tussen het gebabbel van de schoonmaaksters door was een merkwaardig geluid hoorbaar vanuit het gebouw. Het klonk eerst ver weg, maar werd steeds duidelijker. Hij gebaarde de vrouwen dat zij stil moesten zijn en spitste zijn oren. De vrouwen keken elkaar met grote ogen aan en twee van hen sloegen een kruis. De conciërge zette zijn kopje neer en liep de gang in.

Tryggvi had van de rust genoten, voordat de schoonmaaksters binnengekomen waren. Hij had na zijn eerste kop koffie rustig bij het koffiezetapparaat gewacht tot de schoonmaaksters binnenkwamen. Hij was al meer dan dertig jaar conciërge bij het Instituut voor Geschiedenis en had in die tijd grote veranderingen meegemaakt. In het begin waren de vrouwen allemaal IJslands geweest en hadden ze aan een half woord genoeg gehad. Nu moest hij hen met gebaren en eenvoudige aanwijzingen aansturen. Het waren allemaal immigranten en voordat docenten en studenten het gebouw in stroomden, had hij zich net zo goed in Bangkok of Manilla kunnen wanen.

Toen de koffie klaar was, was Tryggvi met een gloeiend hete kop naar het venster in het verlaten gebouw gelopen, had naar buiten gekeken en het met sneeuw bedekte universiteitsterrein in zich opgenomen. Het was ongewoon koud en het witte tapijt schitterde. Overal was het nog stil. Het deed Tryggvi aan het geboortefeest van de Verlosser denken dat weer voor de deur stond en hij werd warm vanbinnen. Hij volgde een auto die de parkeerplaats op draaide. Dag kerstsfeer, dacht hij bij zichzelf. Tryggvi keek naar de bestuurder terwijl hij uitstapte, de auto afsloot en in de richting van het gebouw liep. Hij liet het gordijn vallen en liep bij het raam vandaan.

Hij hoorde de bestuurder van de auto in de verte de deur van het gebouw openen. Van alle hoogleraren, docenten, lectoren, administratieve krachten en andere collega’s, vond Tryggvi deze man verreweg het moeilijkst van allemaal. Hij heette Gunnar en klaagde eindeloos over het werk van de conciërge. Tryggvi verdroeg de arrogantie van die man niet en alleen al zijn aanwezigheid ergerde hem. Aan het begin van het trimester had deze hoogleraar Geschiedenis de schoonmaaksters ervan beschuldigd dat ze een oud, getypt artikel over Ierse monniken, de vroegste bewoners van IJsland, van hem hadden gestolen. Gelukkig werd het artikel gevonden en de zaak raakte in vergetelheid. Sindsdien had Tryggvi niet alleen een hekel aan hem gehad: hij verachtte de man gewoon. Waarom zouden Aziatische schoonmaaksters een of ander stom artikel over die monniken moeten stelen? Zelf had Tryggvi niet de minste belangstelling voor de schrijfsels van de hoogleraar. In zijn ogen was dit een laaghartige aanval op vrouwen die zich niet konden verdedigen.

Tryggvi had niet bepaald staan juichen, toen Gunnar vakgroepshoofd geworden was. Meteen daarop was Gunnar met hem komen praten over een paar veranderingen die hij noodzakelijk achtte. Zo wilde hij onder andere dat de schoonmaaksters zich tijdens het werk stilhielden. Tryggvi trachtte zonder succes aan deze blaaskaak uit te leggen dat hun gepraat niemand stoorde, aangezien er niemand in het gebouw was wanneer zij aan het werk waren. Behalve Gunnar dan, natuurlijk. Waarom ook moest hij zo nodig elke ochtend verschijnen nog voordat er bussen reden? Zoveel kon er toch niet te doen zijn? De mensheid zat heus niet in spanning te wachten op de laatste berichten over Ierse monniken op IJsland. Tryggvi was niet ingegaan op Gunnars verzoek om de vrouwen te vragen bij hun werk te zwijgen: hij wist niet hoe hij het onder woorden zou moeten brengen en daarnaast had hij er gewoon geen zin in. Hoewel hij zich een paar keer aan de taalproblemen geërgerd had, had hij de opgewektheid van deze hardwerkende vrouwen leren waarderen.

Vanmorgen waren ze niet anders dan gewoonlijk. Ze kwamen in de kleine koffiekamer bij elkaar en wensten hem met een zwaar accent in koor goedemorgen. Daarop volgde, zoals gewoonlijk, een hoop gegiechel. Tryggvi moest er zoals altijd om glimlachen. Ze trokken hun kleurige jassen uit, terwijl hij alles van een afstandje volgde. Een doodnormale dag, die nu een onverwachte wending leek te gaan nemen.

Tryggvi wrong zich tussen de vrouwen door naar de deur op de gang toe. Hij hoorde hoe het geluid langzaam veranderde van gesteun in een schreeuw. Tryggvi kon niet onderscheiden of het van een man of een vrouw kwam, en hij wist ook niet zeker of het wel menselijk was. Kon het zijn dat een of ander dier in het gebouw terechtgekomen was en zich verwond had? Hij had geen tijd om die gedachte de volle aandacht te geven, omdat er nu een enorme dreun volgde en iets viel en brak. Tryggvi rende snel de gang uit. Het lawaai scheen van de bovenste verdieping te komen, dus wendde hij zich vlug naar de trap en sprong die met twee treden tegelijk op. De vrouwen waren hem allemaal gevolgd en begonnen te gillen.

Er was geen twijfel dat het geschreeuw uit een van de werkkamers van de vakgroep Geschiedenis kwam. Tryggvi trok een sprintje en de vrouwen volgden hem op de hielen. Hij gooide de branddeur naar de gang met de werkkamers open en bleef stokstil staan; de vrouwen botsten achter hem op elkaar. Hij staarde recht voor zich uit.

De boekenkast lag op de vloer, en de hoofddocent zat op handen en voeten boven op de stapels boeken. Maar dat was niet de reden dat Tryggvi als aan de grond genageld bleef staan. Voor hem lag een lijk op de grond; het lag in het kleine printerhok en stak er half uit. Tryggvi voelde dat zijn maag zich omdraaide. Wat waren in hemelsnaam die pleisters over de ogen? Was er iets op de borst van het lijk gekrast? En de tong, wat was daarmee gedaan? De vrouwen keken over Tryggvi’s schouder mee en hij voelde hoe ze aan zijn overhemd trokken. Hij probeerde zich los te wurmen, maar zonder succes. Het vakgroepshoofd strekte zijn handen uit om hulp. De man scheen volkomen buiten zinnen van angst en hield, asgrauw in het gelaat, zijn andere hand op zijn hart. Hij kon zijn evenwicht nauwelijks bewaren en viel bijna om. Tryggvi weerstond de verleiding om de vrouwen weg te duwen en weg te rennen. Hij deed een stap naar voren en de vrouwen probeerden hem met nog meer ijver in de weg te zitten, maar hij schudde hen van zich af. Hij manoeuvreerde zich naast Gunnar, die iets tegen hem scheen te willen zeggen.

Hij kon van het onsamenhangend gemompel dat uit de man kwam, weinig maken. Toch begreep hij dat het lijk – het moest wel een lijk zijn: geen levend mens zag er zo uit – boven op Gunnar gevallen was, toen deze de deur naar het printerhok geopend had. Tryggvi keek onwillekeurig naar beneden naar dit toegetakelde lichaam.

Lieve God. Die zwarte pleisters over de ogen waren helemaal geen pleisters.

6 december 2005

1

Þóra Guðmundsdóttir veegde haastig een cornflake van haar ene broekspijp en streek haar kleren netjes voordat ze het advocatenkantoor binnenging. Ze kon ermee door. De ochtenddrukte om haar zesjarige dochter en zestienjarige zoon op tijd naar school te krijgen was achter de rug. Nu weigerde haar dochter opeens om roze te dragen, wat begrijpelijk zou zijn geweest als niet al haar kleren min of meer deze kleur hadden. Haar zoon daarentegen had het hele jaar vrolijk dezelfde versleten kleren gedragen, omdat er een doodshoofd op elk kledingstuk stond. Zijn grootste bijdrage aan dit bestaan was om zo nu en dan eens uit bed te komen. Þóra zuchtte bij de gedachte. Het was niet eenvoudig om een alleenstaande moeder met twee kinderen te zijn. Maar het was ook niet eenvoudig geweest toen ze nog getrouwd was. Het enige verschil was dat het geruzie van de echtelieden vroeger deel uitmaakte van de ochtendlijke bezigheden. De gedachte dat dat verleden tijd was, bracht haar in een beter humeur: een glimlach kroop langzaam om haar lippen en ze opende de deur.

‘Goedemorgen,’ zei ze opgewekt.

De secretaresse beantwoordde de groet niet, maar trok in plaats daarvan een gezicht. Ze keek niet op van haar beeldscherm en bleef de muis van haar computer mishandelen. Altijd even vrolijk, dacht Þóra. Vanbinnen vervloekte ze voor de zoveelste keer de problemen met hun secretaresse. Ze had het kantoor ongetwijfeld klanten gekost. Þóra kon zich geen klant herinneren die niet over het meisje geklaagd had. Ze was niet alleen onbeleefd, maar ook nog eens uitzonderlijk onaantrekkelijk. Het was niet eens zozeer het overgewicht als wel haar onverschilligheid ten aanzien van haar eigen uiterlijk. Daarbij kwam dat ze vaak op alles boos was en tegen iedereen bits. Om alles nog erger te maken – misschien uit pure baldadigheid – hadden haar ouders het meisje Bella genoemd. Als ze nu maar eens uit eigen beweging opzegde. Haar collega’s waren verre van tevreden over haar en ze gaf op geen enkele manier blijk over enige kwaliteit te beschikken. Niet dat Þóra zich een baan kon voorstellen waarin het meisje tot haar recht zou komen. Het was aan de andere kant onmogelijk haar te ontslaan.

Toen Þóra en haar compagnon Bragi, die ouder en meer ervaren was, hun krachten gebundeld hadden en een kantoor hadden geopend, waren ze zo van dit pand gecharmeerd geraakt dat ze hadden ingestemd met de clausule in het huurcontract dat de dochter van de verhuurder als secretaresse ingehuurd diende te worden. Toen hadden ze nog niet kunnen vermoeden in welke situatie ze zouden belanden. Het meisje had prachtige referenties van de makelaars die vroeger in het pand gezeten hadden. Þóra was er nu van overtuigd dat ze van deze prachtige plek aan de Skólavörðustígur gevlucht waren puur en alleen om van dit kreng van een secretaresse af te komen. Ze rolden vast nog om van het lachen over de referenties die Þóra en Bragi geslikt hadden. Þóra wist ook zeker dat ze, mochten ze ooit met deze zaak naar het gerecht gaan, de clausule zouden kunnen aanvechten op grond van het feit dat de referenties nogal twijfelachtig waren geweest. Maar daarmee zou ook het beetje reputatie dat ze nu opgebouwd hadden in rook opgaan: wie wil er nu advies van een advocatenkantoor dat zich in het bijzonder met contractrecht bezighoudt, terwijl het van zijn eigen contracten een puinhoop maakt? Maar toch: hoewel ze van haar af zouden kunnen komen, leek het er niet op dat goede administratieve krachten in rijen stonden te wachten.

‘Er heeft iemand voor je gebeld,’ mompelde Bella, die aan het beeldscherm gekleefd zat.

Þóra keek verwonderd op terwijl ze haar jack ophing. ‘O?’ antwoordde ze en ze voegde er met een sprankje hoop aan toe: ‘Heb je enig idee wie het was?’

‘Nee. Sprak Duits, geloof ik. Ik begreep hem in elk geval helemaal niet.’

‘Heeft hij gezegd of hij terug zou bellen?’

‘Weet ik niet. Ik heb de telefoon erop gegooid. Per ongeluk.’

‘In het onwaarschijnlijke geval dat deze man terugbelt ondanks het feit dat je de hoorn erop gegooid hebt, kun je hem dan tenminste naar mij doorverbinden? Ik heb in Duitsland gestudeerd en spreek wat Duits.’

‘Hrmf,’ gromde Bella. Ze haalde haar schouders op. ‘Misschien was het geen Duits. Het had best Russisch kunnen zijn. Het was in ieder geval een vrouw. Of een man.’

‘Bella, wie er ook belt – een vrouw uit Rusland of een man uit Duitsland of voor mijn part een hond uit Griekenland die in vreemde tongen spreekt – verbindt de persoon naar me door, oké?’ Þóra wachtte het antwoord niet af – ze verwachtte er geen – en ging in plaats daarvan linea recta haar sober ingerichte werkkamer in.

Ze ging zitten en zette de computer aan. Haar bureau was vandaag een minder erge puinhoop dan gewoonlijk. De dag ervoor had ze een uur besteed aan het ordenen van de stapel papieren die zich in de afgelopen maand opgestapeld had. Ze had ongewenste post en grappige berichten van vrienden en bekenden weggegooid. Er bleven drie telegrammen van cliënten over, eentje van haar vriendin Laufey, die zich in het weekend doorgaans nogal misdroeg, en tot slot eentje van de bank. Verdomme. Zeker alweer zo’n brief waarin stond dat ze te ver in het rood stond. Ze besloot de post maar niet open te maken.

De telefoon ging.

‘Advocatenkantoor Miðbær, met Þóra.’

‘Guten Tag. Frau Guðmundsdóttir?’

‘Guten Tag.’ Þóra zocht naar pen en papier. Hoogduits. Ze herinnerde zichzelf er meteen aan deze vrouw steeds met ‘Sie’ aan te spreken.

Þóra deed haar ogen weer dicht en hoopte dat het Duits dat ze goed onder de knie had gekregen toen ze aan de universiteit in Berlijn haar rechtenstudie afsloot, zou volstaan. Ze lette zo goed als ze kon op haar uitspraak. ‘Hoe kan ik u van dienst zijn?’

‘Mijn naam is Amelia Guntlieb. Ik heb uw naam gekregen van professor Anderheiß.’

‘Dat kan kloppen: hij was degene die mij in Berlijn college gaf.’ Þóra hoopte dat ze de juiste woorden gevonden had. Ze merkte hoe haar uitspraak achteruitgegaan was. Er deden zich op IJsland maar weinig gelegenheden voor om Duits te spreken.

‘Ja.’ Na een ongemakkelijke stilte ging de vrouw verder: ‘Mijn zoon is vermoord. Mijn man en ik hebben hulp nodig.’

Þóra probeerde snel na te denken. Guntlieb? Heette die Duitse student die vermoord was niet Guntlieb?

‘Hallo?’ De vrouw scheen niet zeker te weten of Þóra nog aan de lijn was.

Þóra haastte zich te antwoorden: ‘Pardon… uw zoon. Was dat hier op IJsland?’

‘Ja.’

‘Ik denk dat ik weet over welke moord u het hebt, maar ik moet toegeven dat ik daarover alleen via de media gehoord heb. Weet u zeker dat u de juiste persoon te pakken hebt?’

‘Ik hoop het. Wij zijn niet tevreden over het politieonderzoek.’

‘Nee?’ vroeg Þóra verbaasd. De politie had de zaak voortreffelijk opgelost, vond zij. De moordenaar was binnen drie dagen na die afschuwelijke moord gearresteerd. ‘U weet hopelijk dat ze een man in hechtenis hebben genomen?’

‘Dat is ons inderdaad bekend. We zijn er echter niet van overtuigd dat hij de schuldige is.’

‘Waarom niet?’ vroeg Þóra vol ongeloof.

‘We zijn er gewoon niet van overtuigd; meer valt daar niet over te zeggen.’ De vrouw kuchte beleefd. ‘We willen graag dat een ander de zaak bekijkt, iemand die neutraal is. Iemand die Duits spreekt.’ Stilte. ‘U zult wel begrijpen dat dit moeilijk voor ons is. Weer was het even stil. ‘Harald was onze zoon.’

Þóra trachtte haar medeleven te tonen door de toon van haar stem te verlagen en zachter te spreken. ‘Natuurlijk, natuurlijk, ik begrijp het heel goed. Ik heb zelf een zoon. Ik kan me natuurlijk geenszins in het verdriet van u en uw man verplaatsen, maar ik betuig u mijn innigste deelneming. Desalniettemin weet ik niet zeker of ík u kan helpen.’

‘Hartelijk dank voor uw warme woorden.’ De stem was ijskoud. ‘Professor Anderheiß beweert dat u over de eigenschappen beschikt die wij zoeken. Hij zei dat u vasthoudend en vastberaden was en niet snel tevreden met een antwoord.’ Stilte. Þóra kon zich niet aan de gedachte onttrekken dat Anderheiß zeker geen botte uitspraken had willen doen. De vrouw ging verder. ‘En hij noemde u ook sympathiek. Hij is een goede vriend van onze familie en we vertrouwen hem zeer. Bent u bereid de zaak op u te nemen? We zullen u rijkelijk betalen.’ De vrouw noemde een bedrag.

Het honorarium was ongelofelijk hoog en het maakte Þóra niet uit of daar nog btw af zou gaan. Een uurloon was meer dan de helft hoger dan wat Þóra gewend was. Daarnaast bood de vrouw een bonus aan, wanneer het onderzoek zou leiden tot de arrestatie van een ander dan degene die nu vastzat. De bonus was alleen al hoger dan Þóra’s hele jaarinkomen. ‘Wat verwacht u voor dit bedrag? Ik ben geen privédetective.’

‘We zijn op zoek naar iemand die de zaak opnieuw kan bekijken, het bewijsmateriaal onder de loep kan nemen en de conclusie van de politie kan evalueren.’ Wederom onderbrak de vrouw haar verhaal, voordat ze verder ging. ‘De politie weigert met ons te praten. Dat stoort ons.’

Hun zoon is vermoord en de politie houdt te veel voor zich, dat irriteert hen, dacht Þóra. ‘Ik zal over de zaak nadenken. Hebt u een telefoonnummer waarop ik u kan bereiken?’

‘Ja.’ De vrouw dreunde het nummer op. ‘Ik vraag u vriendelijk om niet al te veel bedenktijd te nemen. Ik ga naar andere manieren zoeken, als ik later vandaag niet van u gehoord heb.’

‘Maakt u zich geen zorgen: ik laat u spoedig weten wat mijn antwoord is.’

‘Frau Guðmundsdóttir, nog één belangrijk punt.’

‘Ja?’

‘We stellen één voorwaarde.’

‘En die is?’

Ze kuchte. ‘Wij willen als eerste bericht worden over alles wat u ontdekt, of het nu belangrijk is of niet.’

‘We moeten eerst zien of ik u van dienst kan zijn, voordat we in detail treden,’ antwoordde Þóra.

Ze namen afscheid van elkaar en Þóra hing op. Wat geweldig om de dag te beginnen door je als dienstmeid te laten behandelen. En om zo diep in het rood te staan. De telefoon ging weer. Þóra nam op.

‘Met de garage. Zeg, het ziet er iets slechter uit dan we dachten.’

‘Dus hij kan naar de schroothoop?’ antwoordde Þóra geïrriteerd. De auto had niet willen starten, toen ze de dag ervoor ’s middags boodschappen wilde gaan doen. Ze had herhaaldelijk geprobeerd hem aan de praat te krijgen, maar zonder succes. Ten slotte had ze het moeten opgeven en was de auto naar de garage gesleept. De automonteur had medelijden met haar gehad en haar een oud brik geleend, terwijl haar eigen auto in reparatie was. Op de voor- en achterkant van het wrak stond de naam ‘Garage Bibbi’ en de bekleding van de achterbank en de passagiersstoel voorin waren bedolven onder allerhande rotzooi, met name verpakkingen, losse onderdelen en lege colablikjes. Þóra liet zich dit alles welgevallen, omdat ze niet zonder auto kon.

‘Nou, veel scheelt het niet,’ antwoordde de man, nog steeds koeltjes. ‘Dit gaat nogal in de prijzen lopen.’ Daarna volgde een uiteenzetting met begrippen uit de wereld van auto-onderdelen waar Þóra maar weinig van begreep. Het bedrag dat volgde behoefde echter geen nadere uitleg.

‘Dank u wel. Repareert u hem maar.’

Þóra hing op. Ze keek in gedachten verzonken een paar minuten naar de telefoon. Kerst stond voor de deur met de daarbij behorende uitgaven: uitgaven voor kerstversiering, uitgaven voor cadeautjes, uitgaven voor feesten, uitgaven voor familiebezoeken en – gek genoeg – nog meer uitgaven. Van grote drukte op het kantoor was simpelweg geen sprake. Als ze deze Duitse opdracht zou accepteren, zou ze genoeg te doen hebben. De zaak zou bovendien al haar geldnood oplossen en nog veel meer dan dat. Ze zou zelfs met de kinderen op vakantie kunnen gaan. Er moesten toch plaatsen op aarde bestaan die geschikt waren voor een meisje van zes, een jongen van zestien én een vrouw van zesendertig. Sterker nog, ze zou het zich kunnen veroorloven een vent van zesentwintig mee te vragen om het gezelschap te completeren en de hoeveelheid seksuele activiteit weer op peil te brengen. Ze pakte de telefoon op.

Niet mevrouw Guntlieb, maar een dienstmeisje nam dit keer aan. Þóra vroeg naar de vrouw des huizes en hoorde al gauw voetstappen naderen, waarschijnlijk over een betegelde vloer. Een ijskoude stem kwam aan de telefoon.

‘Goedendag, Frau Guntlieb. U spreekt met Þóra Guðmundsdóttir uit IJsland.’

‘Ja.’ Na een korte stilte werd duidelijk dat de vrouw op dit moment niet van plan was meer te zeggen.

‘Ik heb besloten te proberen u te helpen.’

‘Mooi.’

‘Wanneer wilt u dat ik begin?’

‘Meteen. Ik heb net een tafel in een restaurant gereserveerd waar u de zaak met Matthias Reich kunt bespreken. Hij werkt voor mijn man. Hij is werkzaam op IJsland en beschikt over alle informatie die u niet kent. Hij kan u nader op de hoogte brengen van de zaak.’

De beschuldigende toon van de woorden ‘die u niet kent’ klonk bijna alsof Þóra er zich schuldig aan gemaakt had stomdronken op een kinderpartijtje te verschijnen. Þóra deed niettemin alsof er niets aan de hand was. ‘Ik begrijp het. Ik wil toch nog benadrukken dat ik niet zeker weet of ik u van dienst kan zijn.’

‘Dat zal vanzelf blijken. Matthias zal de overeenkomst die u dient te ondertekenen paraat hebben. Neemt u er de tijd voor hem goed door te lezen.’

Opeens had Þóra zin de vrouw te vertellen dat ze naar de pomp kon lopen. Dit soort aanmatiging en arrogantie verdroeg ze niet. Maar omdat het idee van een vakantie met de kinderen en een zesentwintigjarige man haar zo aantrok, slikte ze haar trots in en mompelde iets van instemming.

‘Zorg dat u om twaalf uur in Hotel Borg bent. Matthias kan u het een en ander vertellen dat niet in de kranten gestaan heeft. Een deel van deze informatie is niet geschikt voor publicatie.’

Þóra liepen de rillingen over de rug terwijl ze naar de stem van de vrouw luisterde. Die was zowel hard als gevoelloos, maar tegelijkertijd toch zo gebroken. Waarschijnlijk klonk men zo in zulke omstandigheden. Ze zweeg.

‘Hebt u dat meegekregen? Bent u bekend met dat hotel?’ Þóra was geneigd de hoorn erop te gooien. ‘Ja, ik denk van wel. Ik zal er zijn.’ Hoewel Þóra omwille van haar trots nog bedenkingen had willen opwerpen, wist ze zeker dat ze om twaalf uur in Hotel Borg zou zijn. Geen twijfel mogelijk.

2

Þóra keek op de klok en legde het dossier opzij waaraan ze had zitten werken. Nog een cliënt die niet onder ogen wilde zien dat zijn zaak hopeloos was. Ze was tevreden over zichzelf, had wat kleine klusjes geklaard zodat ze met Herr Matthias Reich kon vergaderen. Ze belde intern naar Bella.

‘Ik ga nu naar een vergadering in de stad. Ik weet niet hoe lang ik wegblijf, maar reken er maar niet op dat ik voor tweeën terug ben.’ Aan de andere kant van de lijn werd gegromd hetgeen Þóra als bevestiging interpreteerde. Jezus mina, hoe moeilijk was het om gewoon ‘ja’ zeggen?

Þóra nam haar tas en deed haar notitieboek in haar attachékoffer. Ze had al haar kennis over de zaak uit de media. Eigenlijk had ze de zaak gewoon niet gevolgd omdat ze er niet bijzonder in geïnteresseerd was. Ze herinnerde zich de belangrijkste punten: een buitenlandse student was vermoord, zijn lijk op onverklaarbare wijze verminkt en een drugsdealer, die bij hoog en bij laag zijn onschuld volhield, was gearresteerd. Er viel niet veel meer uit te halen.

Terwijl Þóra haar jas aantrok, nam ze zichzelf op in de grote spiegel. Ze wist dat het belangrijk was bij een eerste ontmoeting goed over te komen, niet in de laatste plaats als de persoon in kwestie in goede doen was. Kleren maken de man, zeggen degenen die het zich kunnen veroorloven. En aan de schoenen moet je dat kunnen zien. Dat had ze nooit begrepen. Haar schoenen waren gelukkig representatief en haar broekpak paste bij een eerbiedwaardige advocaat. Ze streek met haar vingers door haar lange, blonde haar.

Þóra rommelde in haar tas, vond uiteindelijk haar lippenstift en bracht die gehaast op haar lippen aan. Over het algemeen droeg ze maar weinig make-up: ze was ’s ochtends tevreden met dagcrème en mascara. Lippenstift had ze mee voor het geval zich onverwachts een of andere gelegenheid voordeed. Hij stond haar goed en ze voelde haar zelfvertrouwen toenemen. Ze was zo blij dat ze op haar moeder en niet op haar vader leek, die ooit gevraagd was als dubbelganger van Winston Churchill te poseren. Waarschijnlijk zouden maar weinigen haar mooi of elegant noemen, maar haar jukbeenderen en blauwe, amandelvormige ogen maakten haar toch bepaald aantrekkelijk. Ook had ze het geluk gehad dat ze haar lichaamslengte van haar moeders kant van de familie geërfd had; in elk geval vond ze zichzelf vrij groot.

Þóra groette haar collega’s en Bragi riep ‘Veel succes’ terug. Ze had hem van het telefoongesprek met mevrouw Guntlieb verteld en van de geplande bijeenkomst met Guntliebs vertegenwoordiger. Bragi had het allemaal heel spannend gevonden en meende dat het feit dat een buitenlandse cliënt contact opnam een duidelijk teken was dat ze op de juiste weg waren. Hij had meteen voorgesteld dat ze het woord International of Group aan de onopvallende naam van hun kantoor moesten toevoegen. Þóra hoopte dat Bragi een grapje had gemaakt, maar was daar toch niet zo zeker van.

De wind buiten werkte verfrissend. Het was in november ongewoon koud geweest, hetgeen op een lange en strenge winter wees. Nu moesten ze boeten voor het feit dat de zomer buitengewoon warm was geweest. Het leek Þóra dat het klimaat aan het veranderen was, of dat nu aan schommelingen in de weersomstandigheden te wijten was of aan het broeikaseffect. Omwille van haar kinderen hoopte ze dat het eerste het geval was, tegen beter weten in. Ze beschermde haar hoofd met de capuchon van haar jas, zodat ze niet met bevroren oren op haar afspraak zou verschijnen. Hotel Borg was zo dichtbij, dat het de moeite niet waard was om er met de auto van de garage heen te gaan. God mocht weten wat de Duitser zou denken, als hij haar dat wrak buiten zou zien parkeren. Haar schoenen zouden dat niet meer kunnen compenseren, dat was duidelijk.

Er waren nog geen zes minuten verstreken vanaf het moment dat ze het kantoor verlaten had totdat ze door de draaideur het hotel in ging.

Þóra keek om zich heen in het mooie restaurant. Ze ontdekte dat behalve het grote raam, dat op het regeringsgebouw en Austurvöllur uitkeek, weinig meer deed denken aan de jaren, toen ze bijna iedere zaterdagavond met haar vrienden doorbracht in Borg; vaak allemaal stomdronken. Toentertijd had ze nergens interesse in gehad, behalve misschien in hoe haar achterwerk eruitzag in de kleren die ze die avond droeg. ‘Broeikaseffect’ zou haar interesse niet gewekt hebben, behalve als naam van een band.

De Duitser zag eruit als een jaar of veertig. Hij zat rechtop op een beklede stoel en zijn brede schouders verborgen de rugleuning. Hij begon grijs te worden en dat gaf hem een vastberaden uiterlijk. Hij deed stijf en formeel aan, was gekleed in een grijs pak en droeg een stropdas in een stijl die niet bepaald kleurrijk genoemd kon worden. Þóra glimlachte en hoopte dat ze daardoor vriendelijk en geïnteresseerd overkwam en niet als een halfgare. De man stond op, haalde zijn servet van zijn schoot en legde het op tafel.

‘Frau Guðmundsdóttir.’ Een harde en koele intonatie.

Ze schudden elkaar de hand. ‘Herr Reich,’ mompelde Þóra in haar beste Duits. ‘Noemt u mij vooral Þóra,’ voegde ze eraan toe, ‘dat is ook eenvoudiger uit te spreken.’

‘Neem plaats,’ zei de man en hij ging zelf zitten, ‘en noem mij gerust Matthias.’

Ze lette erop dat ze rechtop zat en vroeg zich af wat de overige gasten van dit kaarsrechte koppel vonden; misschien vond hier een bijeenkomst plaats van de stichting voor mensen met een stalen spalk langs hun ruggengraat?

‘Mag ik je iets te drinken aanbieden?’ vroeg de man Þóra beleefd. De ober verstond klaarblijkelijk Duits, want hij draaide zich naar Þóra en wachtte op een antwoord.

‘Water, alstublieft. Mineraalwater.’ Ze herinnerde zich ineens hoe gek Duitsers daarop waren. Trouwens, het won op IJsland ook aan populariteit: tien jaar geleden zou het bij niemand die bij zijn volle verstand was, zijn opgekomen in een restaurant te betalen voor water dat in grote stralen uit de kraan kwam. Het was zonde om mineraalwater te kopen.

‘Ik begrijp dat je met mijn werkgevers – of liever: met mevrouw Guntlieb – gesproken hebt?’ vroeg Matthias Reich, toen de ober weg was.

‘Ja. Ze vertelde me dat ik verdere informatie van jou zou krijgen.’

Hij aarzelde en nam een slok van het kleurloze vocht in zijn glas. De luchtbellen verrieden dat hij eveneens mineraalwater genomen had. ‘Ik heb gegevens voor je verzameld en in een map gedaan. Je kunt hem meenemen en hem later bekijken, maar er zijn een paar punten die ik nu graag met je wil langslopen, als je dat goedvindt.’

‘Zeker,’ antwoordde Þóra meteen. Voordat Reich de gelegenheid kreeg verder te gaan, voegde ze er haastig aan toe: ‘Ik wil onder andere graag meer weten over de mensen voor wie ik ga werken. Dat is misschien niet van belang voor het onderzoek, maar wel voor mij. Frau Guntlieb noemde een heel interessant bedrag als betaling. Ik heb geen zin om erachter te moeten komen dat deze familie hier in feite de middelen niet toe heeft.’

‘Zij hebben de middelen hiertoe,’ zei hij en hij grijnsde. ‘Herr Guntlieb is bankier en de grootste aandeelhouder in de Anlegenbestandsbank in Beieren. Die bank heeft geen grote omzet, maar bedient grote bedrijven en welgestelde particulieren. Maak je geen zorgen: de familie Guntlieb is heel, heel goed gesitueerd.’

‘Ik begrijp het,’ zei Þóra, en ze bedacht dat dit meteen verklaarde waarom een dienstmeisje de telefoon opgenomen had.

‘Maar met hun kinderen heeft de familie Guntlieb heel wat minder geluk gehad. Ze hadden vier kinderen: twee zonen en twee dochters. De oudste zoon stierf tien jaar geleden bij een aanrijding en de oudste dochter werd zwaar gehandicapt geboren. Haar slechte gezondheid leidde tot haar dood. Nu is hun zoon Harald vermoord en de jongste dochter, Elisa, blijft als enige over. Dit heeft hen zwaar op de proef gesteld, zoals je je misschien wel kunt voorstellen.’

Þóra knikte en vroeg daarop aarzelend: ‘Wat deed Harald hier? Ik dacht dat er genoeg universiteiten in Duitsland met een goede vakgroep Geschiedenis waren.’

Te oordelen naar Matthias’ gelaatsuitdrukking, die steeds volkomen neutraal was, was dit een moeilijke vraag. ‘Dat weet ik eigenlijk niet. Hij was in de zeventiende eeuw geïnteresseerd en men heeft mij verteld dat hij bij een of ander vergelijkend onderzoek tussen het Europees continent en IJsland betrokken was. Hij kwam met een of ander uitwisselingsprogramma hiernaartoe, waarin door de universiteiten van München en Reykjavík samengewerkt werd.’

‘Wat voor vergelijkend onderzoek was dat? Ging het over regeringsvormen of iets van dien aard?’ vroeg Þóra.

‘Nee, het had meer te maken met religie.’ Hij nam een slok water. ‘We moeten misschien bestellen voordat we verder praten.’ Hij wenkte de ober die met twee menukaarten verscheen.

Þóra kreeg het gevoel dat er meer aan zijn haast ten grondslag lag dan plotselinge trek. ‘Religie, zeg je.’ Ze nam de kaart door. ‘Hoezo?’

Hij legde zijn kaart geopend op tafel. ‘Je hoort zulke zaken eigenlijk niet te bespreken terwijl je zit te eten, maar ik denk dat dit beter vroeger dan later moet gebeuren. Ik weet niet zeker of zijn studie-interesse iets met de moord te maken heeft.’

Þóra fronste haar wenkbrauwen. ‘Was het iets met de pest?’ vroeg ze. Dat was het enige wat haar te binnen schoot.

‘Nee, geen pest.’ Hij keek haar in de ogen. ‘De hetze omtrent hekserij. Martelingen en terechtstellingen. Niet erg prettig, allemaal. Helaas had Harald hiervoor grote belangstelling. Dat zit trouwens in de familie.’

Þóra knikte. ‘Ik begrijp het.’ Ze begreep het echter helemaal niet. ‘Misschien zouden we dit tot na het eten moeten uitstellen.’

‘Dat is niet eens nodig: de belangrijkste dingen zitten in de map die je straks mee kunt nemen.’ Hij pakte de menukaart weer. ‘Je krijgt later ook nog een paar dozen met spullen van Harald die de politie teruggegeven heeft. Daarbij zitten ook documenten over zijn scriptie die je meer directe informatie zullen verschaffen. Zijn computer wordt ook verwacht, evenals andere dingen die mogelijk enige aanwijzingen zouden kunnen leveren.’

Ze bekeken zwijgend het menu.

‘Vis,’ zei Matthias zonder op te kijken. ‘Jullie eten hier veel vis.’

‘Ja, dat klopt,’ was het enige dat Þóra wist te zeggen.

‘Ik kan vis niet zo waarderen,’ zei hij.

‘Geen enkele vis?’ Þóra sloeg de kaart dicht. ‘Ik vind het lekker en ik denk dan ook dat ik gebakken schol neem.’

Hij besloot uiteindelijk pizza te bestellen. Toen de ober weg was, vroeg Þóra waarom de familie meende dat de politie de verkeerde man in hechtenis genomen had.

‘Daar zijn verscheidene redenen voor. Ten eerste zou Harald zijn tijd niet aan geruzie met een of andere drugsdealer verdoen.’ Hij keek haar in de ogen. ‘Hij gebruikte af en toe drugs: dat was bekend. Hij dronk ook. Hij was jong. Maar daarom was hij nog geen drugsverslaafde of alcoholist.’

‘Dat is natuurlijk slechts een kwestie van wat je daaronder verstaat,’ zei Þóra. ‘Voor mij is herhaald drugsgebruik een verslaving.’

‘Ik weet het een en ander over drugsmisbruik.’ Hij zweeg weer, maar haastte zich eraan toe te voegen: ‘Niet uit eigen ervaring, maar vanwege mijn werk. Harald was geen junk: hij was zonder twijfel bezig er eentje te worden, maar hij was dat niet toen hij vermoord werd.’

Þóra besefte dat ze er geen idee van had waarom juist deze man aangewezen was naar IJsland te gaan. Toch zeker niet om haar alleen voor de lunch uit te nodigen en op IJslandse vis af te geven. ‘Wat is het precies dat je voor deze familie doet? Mevrouw Guntlieb zei dat je voor haar man werkte.’

‘Ik verzorg veiligheidszaken voor de bank. Dat houdt onder meer het screenen van aankomende werknemers in, aangevuld met diverse veiligheidsaangelegenheden binnen het bedrijf en de geldtransporten.’

‘Daar spelen drugs toch amper een grote rol bij?’

‘Nee. Ik doelde op mijn vorige baan. Ik heb twaalf jaar bij de recherche in München gewerkt.’ Hij keek haar recht aan. ‘Ik weet het een en ander over moordzaken en heb er niet de minste twijfel over dat het onderzoek naar de moord op Harald slordig afgehandeld is. Ik heb degene die met de zaak belast was niet vaak hoeven spreken om te zien dat hij geen idee had van wat hij aan het doen was.’

‘Hoe heet hij?’

Þóra begreep wie hij bedoelde, hoewel zijn uitspraak slecht was. Árni Bjarnason. Ze zuchtte. ‘Ik ken hem van andere zaken. Het is een ongelofelijke idioot. Een ramp dat juist hij op deze zaak gezet moest worden.’

‘Er zijn ook andere redenen waarom de familie gelooft dat de drugsdealer niets met deze vreselijke moord te maken heeft.’

Þóra keek op. ‘Zoals?’

‘Kort voor zijn dood heeft Harald veel geld uit het fonds dat op zijn naam staat opgenomen. Ze hebben niet kunnen achterhalen waar het geld gebleven is. Het was veel meer dan Harald voor het kopen van drugs nodig zou hebben gehad, zelfs al was hij van plan geweest de komende jaren high te zijn.’

‘Was hij soms met drugssmokkel bezig?’ vroeg Þóra en voegde eraan toe: ‘Of geldsmokkel of iets dergelijks?’

Matthias snoof. ‘Uitgesloten. Harald had geen geld nodig. Hij was zelf zeer bemiddeld: hij beschikte over een grote erfenis van zijn grootvader.’

‘Ik begrijp het.’ Þóra wilde liever niet met hem over dit onderwerp doorgaan, maar dacht erover na wat de jongen kon hebben bezield, misschien een verslaving aan spanning of eenvoudigweg pure gekte.

‘De politie heeft niet bewezen dat de drugsdealer het geld aangenomen heeft. De enige link die ze konden vinden tussen Harald en de drugsdealer, is dat hij af en toe drugs kocht.’

De ober bracht het eten en ze aten in stilte. Þóra voelde zich wat ongemakkelijk. Deze man was overduidelijk niet een van die types bij wie je makkelijk kon zwijgen. Ze was er nooit bijzonder goed in geweest om over koetjes en kalfjes te praten, ook al was de stilte om te snijden en daarom besloot ze meestal om zich maar stil te houden.

Ze bestelden koffie en al snel werden twee dampende koppen koffie gebracht, met een zilveren suikerpot en melkkannetje.

Þóra nam een slok van haar koffie en verbrak toen de stilte. ‘Had jij niet een overeenkomst waar ik naar moet kijken?’

De man pakte de attachékoffer die bij zijn stoel stond en pakte een dunne map. Hij reikte Þóra de map aan. ‘Neem de overeenkomst maar mee. We kunnen morgen datgene wat je wilt veranderen langslopen en ik leg dat dan aan meneer en mevrouw Guntlieb voor. Het is een redelijke overeenkomst en ik denk niet dat je er veel op aan te merken hebt.’ Hij boog weer voorover en pakte een andere, dikkere map. Hij legde die tussen hen in op tafel. ‘Neem dit ook mee. Dit is de map waar ik het eerder over had. Ik zou het op prijs stellen als je die doornam, voordat je een besluit neemt. Er zitten trieste en afschrikwekkende kanten aan deze zaak waarvan ik wil dat je ze van tevoren kent.’

‘Denk je dat ik er niet tegen zal kunnen?’ vroeg Þóra enigszins beledigd.

‘Ik weet het eerlijk gezegd niet. Daarom vraag ik je om die map door te nemen. Daarin zitten foto’s van de plaats van het misdrijf die niet bepaald aangenaam zijn en allerlei leesmateriaal dat niet veel beter is. Ik ben erin geslaagd verschillende onderzoeksgegevens in handen te krijgen met behulp van iemand die ik niet bij naam wil noemen.’ Hij legde zijn hand op de map. ‘Hierin kun je ook informatie over Haralds leven vinden. Slechts weinig mensen zijn hiervan op de hoogte en de informatie is niet geschikt voor gevoelige mensen. Ik vertrouw erop dat je, mocht je besluiten er nu een punt achter te zetten, hiermee vertrouwelijk om zult gaan. De familie stelt het niet op prijs dat deze informatie verspreid wordt.’ Hij haalde zijn hand van de map en keek haar aan. ‘Ik wil hun leed niet vergroten.’

‘Dat begrijp ik,’ antwoordde Þóra. ‘Ik kan je verzekeren dat ik in mijn werk niet slordig ben.’ Ze keek hem strak aan en voegde er vastberaden aan toe: ‘Nooit.’

‘Mooi.’

‘Maar gezien het feit dat jij dit alles verzameld hebt, vraag ik me af waarom jullie mij nog nodig hebben? Jij schijnt informatie in handen te kunnen krijgen waarvan ik niet zeker weet of ik dat zou kunnen.’

‘Wil je weten waarom we je nodig hebben?’

‘Dat heb ik je toch net gevraagd?’ antwoordde Þóra.

Hij ademde vlug door zijn neus. ‘Ik zal je vertellen waarom. Ik ben een buitenlander in dit land en daarbij ook nog Duitser. Er moet met diverse mensen gepraat worden die mij nooit de echt belangrijke informatie zullen geven. Ik heb aan de oppervlakte wat bij elkaar gescharreld en het merendeel van de informatie over Haralds persoonlijke omstandigheden heb ik in Duitsland verkregen. Ik ben echter niet iemand met wie mensen op hun gemak ongemakkelijke en ingewikkelde persoonlijke kwesties kunnen bespreken.’

‘Daar kan ik inkomen,’ flapte Þóra eruit.

De man glimlachte voor de eerste keer. Het verbaasde Þóra dat zijn glimlach mooi was, op de een of andere manier een echte glimlach, ondanks het feit dat zijn tanden ongewoon wit en recht waren. Ze kon niet anders dan terug glimlachen, maar voegde er niet helemaal op haar gemak aan toe: ‘Welke ongemakkelijke zaken moet ik dan met deze mensen bespreken?’

Reichs glimlach verdween abrupt en hij was weer serieus. ‘Wurgseks, zelfmutilatie, occultisme, verminkingen aan het eigen lichaam en andersoortig abnormaal gedrag van volkomen gestoorde individuen.’

Þóra was verbijsterd. ‘Ik weet niet zeker of ik helemaal begrijp waar dit alles heen gaat.’ Van wurgseks bijvoorbeeld had ze nog nooit gehoord: als dat iets met wurgen te maken had, zou zij liever nooit meer seks hebben.

Toen zijn glimlach opnieuw verscheen, was die niet zo vriendelijk als daarvoor. ‘O, je komt er nog wel achter; maak je maar geen zorgen.’

Ze dronken hun koffie op zonder een woord te zeggen; daarna nam Þóra de map en maakte aanstalten om terug naar kantoor te gaan. Ze spraken af om elkaar de volgende dag weer te ontmoeten en namen afscheid van elkaar.

Toen Þóra van tafel wegliep, legde hij haar een hand op de schouder. ‘Tot slot nog één ding, Frau Guðmundsdóttir.’

Ze draaide zich om.

‘Ik ben vergeten je te vertellen waarom ik ervan overtuigd ben dat de man die in hechtenis zit niet de moordenaar van Harald is.’

‘Waarom niet?’

‘Hij miste zijn ogen.’

3

Þóra was van nature niet bang voor diefstal, maar op de terugweg van de ontmoeting met Matthias hield ze haar tas in een ijzeren greep. Ze moest er niet aan denken de man te moeten opbellen en te bekennen dat de tas met de documenten gestolen was. Ze was daarom heel opgelucht, zodra ze het advocatenkantoor binnenging.

Een sterke rooklucht kwam haar tegemoet. ‘Bella, je weet dat het verboden is hierbinnen te roken.’

Bella sprong bij het raam weg en gooide geïrriteerd iets naar buiten. ‘Ik deed niets.’ Terwijl ze dit zei, kronkelde een dunne rooksliert uit haar mond omhoog.

Þóra zuchtte eens diep. ‘Oké, dan staat je mond in brand.’ Ze voegde eraan toe: ‘Doe het raam dicht en ga in de koffiekamer roken. Je kunt toch wel meer dan een beetje uit het raam hangen.’

‘Ik was niet aan het roken: ik was de duiven van de vensterbank aan het wegjagen,’ zei Bella chagrijnig. Ze ging aan haar bureau zitten zonder Þóra aan te kijken.

Þóra besloot het erbij te laten. De ervaring had haar geleerd dat het weinig zin had met het meisje te bekvechten. Ze ging haar werkkamer binnen en deed de deur achter zich dicht.

De map die Matthias haar had toevertrouwd, puilde helemaal uit en was van het stevigste soort. Hij was zwart van kleur wat gezien de inhoud van de map passend leek. De band had geen opschrift, ongetwijfeld omdat het moeilijk was een smaakvolle titel te vinden. ‘Harald Guntlieb bij leven en dood,’ mompelde Þóra voor zich uit toen ze de map opende en de keurig ingedeelde inhoudsopgave bekeek. De map was met tabbladen in zeven delen, op chronologische volgorde, ingedeeld: Duitsland, Militaire dienst, Universiteit van München, Universiteit van IJsland, Bankrekening, Politieonderzoek. Het zevende en laatste deel heette Autopsierapport. Ze besloot in dezelfde volgorde door de map te gaan als waarin die ingedeeld was. Ze keek op de klok en zag dat het even voor tweeën was. Ze zou het nauwelijks redden vóór vijf uur, wanneer ze haar dochter Sóley van de naschoolse opvang moest ophalen, tenzij ze er flink vaart mee zou maken. Þóra stelde het alarm van haar gsm in op kwart voor vijf en besloot de map vóór die tijd in hoofdlijnen door te nemen. Daarna zou ze de documenten mee naar huis nemen, hoewel zoiets niet gebruikelijk was wanneer het druk was op het kantoor. De inhoud was ongetwijfeld niet geschikt voor kinderen. Ze zocht het eerste tabblad op en begon de tekst vluchtig door te lezen.

Allereerst vond ze een gewaarmerkte kopie van het geboortebewijs van Guntlieb. Daarop stond te lezen dat mevrouw Amelia Guntlieb in München een gezonde jongen ter wereld gebracht had op 18 juni 1978. Als vader was de heer Johannes Guntlieb, bankier, opgegeven. Þóra kende het ziekenhuis waar Harald geboren was niet. Aan de naam te oordelen was het niet een van die grote openbare ziekenhuizen geweest en ze maakte daaruit op dat dit een of andere peperdure particuliere kliniek of kraamziekenhuis voor de beter gesitueerden was. Op de plaats waar je de geloofsovertuiging van het kind in kon vullen, was ‘rooms-katholiek’ geschreven. Als haar geheugen haar niet in de steek liet, wist Þóra nog dat een derde van de Duitsers rooms-katholiek was en dat de meeste katholieken vooral in het zuiden van Duitsland woonden. Toen Þóra in Duitsland studeerde, had het haar verbaasd hoeveel katholieken er waren. Ze had Duitsers vooral met het protestantse geloof geassocieerd en had gedacht dat katholieken hoofdzakelijk te vinden waren in de meer zuidelijk gelegen Europese landen, zoals Italië en Spanje en, niet te vergeten, Frankrijk.

Þóra bladerde verder.

De volgende bladzijden waren plastic fotohoezen met elk vier insteekvakjes. In elk vakje was een foto te vinden, met een strookje papier waarop de namen van de mensen op de foto stonden. De meeste waren van de familie Guntlieb en ze waren bij diverse gelegenheden genomen. Terwijl Þóra vlug door alle foto’s heen bladerde, zag ze dat Harald op elke foto te zien was. Naast de familiefoto’s waren er ook een paar schoolfoto’s van hem, netjes gekamd en gewassen als een onschuldig lammetje. Þóra dacht erover na waarom deze foto’s in de map zaten. Eén logische verklaring kon zijn om haar eraan te herinneren dat de vermoorde ooit een levend mens geweest was. Die bedoeling had het gewenste effect.

Op de eerste foto’s, die de oudste waren, stond een kleine, goed verzorgde jongen, ofwel samen met zijn broer, die twee of drie jaar ouder scheen te zijn, ofwel samen met zijn moeder. Het viel Þóra op hoe mooi Amelia Guntlieb was. Hoewel sommige foto’s nogal onscherp waren, was het zonneklaar dat dit een van die vrouwen was op wie ellende geen vat lijkt te hebben en die altijd elegant lijken zonder er veel moeite voor te hoeven doen. Þóra’s blik werd vooral naar een foto van moeder en zoon getrokken waar mevrouw Guntlieb zo te zien haar zoon leerde lopen. De foto was buiten in de tuin genomen en mevrouw Guntlieb hield de handen van Harald vast, terwijl hij als klunzige peuter van een jaar zijn eerste stapjes deed. Mevrouw Guntlieb glimlachte naar de fotograaf en het geluk straalde van haar mooie gezicht af. De ijskoude stem die Þóra door de telefoon over de oceaan heen gehoord had, leek niet bij deze verschijning te passen. De jongen was nog op de leeftijd dat het gezicht ongevormd is door de kaken, het stompe neusje en het babyvet. Toch kon je duidelijk de gelijkenis tussen moeder en zoon zien.

De volgende foto’s waren van Harald toen hij twee of drie jaar oud was. Nu leek hij nog meer op zijn moeder, hoewel niet in de zin dat hij meisjesachtig leek. Zijn moeder stond ook op die foto’s: eerst zwanger, daarna glimlachend met een baby op schoot, gewikkeld in een dikke doek. Op die foto stond Harald naast de stoel waarop zijn moeder zat en richtte zich op alsof hij probeerde te kijken naar het in het wit geklede kindje, zijn zus. Zijn moeder had haar arm om hem heen. Op het briefje onder de foto zag Þóra dat het meisje naar haar moeder Amelia vernoemd was, met toevoeging van een tweede naam: Maria. Dit was het meisje dat gestorven was aan een of andere aangeboren ziekte. Naar de foto te oordelen had de familie niet meteen geweten dat ze ziek was. De moeder leek in ieder geval volkomen gelukkig en onbezorgd. Op de volgende foto’s was het echter alsof er iets veranderd was. Mevrouw Guntlieb, die zonder uitzondering op alle foto’s breeduit glimlachte, leek afwezig en bedroefd. Op een van de foto’s had ze een nepglimlach opgezet, die haar ogen niet bereikte. Er was bovenal geen enkel contact tussen haar en Harald te zien zoals op eerdere foto’s. De kleine jongen leek bovendien terneergeslagen en hulpeloos. Het kleine meisje was nergens te bekennen.

Het leek alsof een paar bladzijden uit de familiegeschiedenis waren weggelaten, aangezien de volgende foto’s Þóra ten minste vijf jaar verder brachten. Het hoofdstuk begon met een geposeerde familiefoto, de eerste waarop ook meneer Guntlieb stond. Het was een waardig man om te zien, duidelijk iets ouder dan zijn vrouw. Alle personen op de foto waren op hun paasbest en de familie was inmiddels met een baby uitgebreid, die in de armen van haar moeder lag. Dit was ongetwijfeld de jongste dochter van het echtpaar, het enige kind dat nu nog in leven was. Het kleine, zieke meisje was nu weer aanwezig, ditmaal in een rolstoel. Er was geen medische achtergrond voor nodig om te begrijpen hoe ernstig haar handicap was, aangezien ze aan de stoel vastgebonden zat, met het hoofd naar achter en met open mond. Haar onderkaak liep niet recht naar beneden, maar naar de zijkant, wat duidelijk maakte dat het meisje er weinig controle over had. Dat gebrek aan controle leek ook voor haar armen en benen te gelden: haar ene onderarm zat tegen haar bovenarm aan geklemd en de hand zelf stond ongewoon dicht naar de arm toe gedraaid. De vingers van die hand stonden krom, zodat de hand op een klauw leek. De andere arm lag als het ware machteloos op haar schoot. Achter de rolstoel stond Harald, nu ongeveer acht jaar. Zijn gelaatsuitdrukking leek op geen enkele wijze op wat Þóra bij haar zoon op dezelfde leeftijd gezien had: het kind zag eruit alsof hij al een heel leven achter zich had. Hoewel de andere familieleden – zowel meneer en mevrouw Guntlieb als de oudere broer van Harald – ook niet echt een toonbeeld van vreugde waren, leek de jongen aandoenlijk in zijn ellende. Er was duidelijk iets gebeurd en Þóra vroeg zich af waarom zo’n jong kind zich de ziekte van zijn jongere zusje zo bijzonder aan kon trekken. Wellicht had hij met psychische problemen te kampen; zoiets was bij kinderen niet onbekend. Misschien was hij als kind zwaarmoedig geweest en was het samenvallen daarvan met de zorg om zijn jongere zusje hem te veel geworden. Als dat werkelijk het geval was, werd uit de volgende foto’s duidelijk dat het echtpaar daar niet mee uit de voeten kon. Op geen van de foto’s werd de jongen fysiek enige genegenheid getoond; hij stond altijd maar buiten het gezin, behalve in de weinige gevallen wanneer zijn broer naast hem stond. Het was alsof de moeder hem straal vergeten was of hem wilde negeren. Þóra vermaande zichzelf niet te veel conclusies aan de foto’s te verbinden. Ze toonden slechts een momentopname uit het leven van deze mensen en zouden nooit een reëel beeld kunnen geven van wat ze vonden of dachten.

Er werd op de deur geklopt en Bragi, Þóra’s compagnon en directeur van het advocatenkantoor, keek om de hoek. ‘Heb je even?’

Þóra knikte en Bragi kwam binnen. Hij was tegen de zestig, een gezet en rijzig man; een van die mensen die niet alleen lang waren, maar ook gewoon groot. Þóra vond dat hij het best dusdanig omschreven kon worden dat hij aan alle kanten met twee maten vergroot was: vingers, oren, neus en alles wat daarbij hoorde. Hij plofte neer in de stoel voor haar bureau en trok de map die Þóra aan het lezen was, naar zich toe. ‘Hoe ging het?’

‘Op die afspraak? Wel goed, geloof ik,’ antwoordde Þóra en keek naar Bragi die achteloos door de familiefoto’s bladerde die ze zojuist bekeken had.

‘Wat kijkt deze jongen triest,’ zei Bragi en wees naar een foto van Harald. ‘Is dit die vermoorde jongen?’

‘Ja,’ antwoordde Þóra. ‘Het zijn nogal bijzondere foto’s.’

‘Dat weet ik zo net nog niet. Je zou de foto’s uit mijn jeugd eens moeten bekijken. Ik was een heel zielig kind. Ongelukkig, in één woord hopeloos. De foto’s uit die tijd laten dat wel zien.’

Þóra reageerde niet. Ze was langzamerhand gewend geraakt aan de eigenaardigheden van Bragi. Het was zeker overdreven dat hij als jongen ongelukkig en hopeloos geweest zou zijn, net zoals het vele werk dat hij naar eigen zeggen naast zijn rechtenstudie had gedaan: elke nacht als nachtwacht bij de waag in de haven en in de weekeinden op vissersboten. Het leek haar dat geen van beide werkzaamheden bijzonder goed bij de man pasten. Hij had haar nooit anders dan goed behandeld, vooral sinds hij haar drie jaar geleden aangeboden had met hem een advocatenkantoor te beginnen, wat ze dankbaar aanvaard had. Ze werkte toentertijd op een middelgroot advocatenkantoor en was erg opgelucht dat ze daar weg kon; ze miste de gesprekken over zalmvisserij en stropdassen bij de koffiemachine als kiespijn.

Bragi schoof de map naar Þóra terug. ‘Ben je van plan om deze klus aan te nemen?’

‘Ja, ik denk van wel,’ antwoordde Þóra. ‘Het is weer eens iets anders. Het is altijd leuk om met iets onbekends geconfronteerd te worden.’

Bragi bromde iets. ‘Dat geldt niet voor iedereen, kan ik je zeggen. Ik vond het helemaal niet spannend om dit jaar met darmkanker geconfronteerd te worden, hoewel het natuurlijk niet volkomen nieuw voor me was.’

Þóra liet dat stokpaardje verder rusten en zei vlug: ‘Je weet wel wat ik bedoel.’

Bragi stond op. ‘Ja ja. Ik wilde je er alleen voor waarschuwen je er niet te veel van voor te stellen.’ Hij ging naar de deur, maar draaide zich in de deuropening om en voegde eraan toe: ‘Hoe zit dat: kun je Þór niet op een of andere manier bij deze zaak gebruiken?’

Þór was een onlangs afgestudeerd advocaat die pas een halfjaar bij hen gewerkt had. Hij was nogal een eenling en niet erg sociaal, maar al zijn werk was uitstekend, hoewel Þóra er niets in zag met hem samen te werken, mocht ze hulp nodig hebben. ‘Ik had zo gedacht hem meer in te zetten op andere zaken, zodat ik de vrijheid heb om me hierop te richten. Ik zit met genoeg klussen die hij met gemak kan afhandelen.’

‘Geen probleem; je regelt het maar zoals het jou het beste past.’

Þóra pakte de map opnieuw en bladerde vlug door de rest van de foto’s heen; ze zag hoe Harald volwassen werd en een heel aantrekkelijke man werd, met de lichte teint en het lichte haar van zijn moeder. Zijn vader had aanzienlijk donkerder wenkbrauwen en wimpers: zo’n gezicht dat niet goed in het geheugen blijft hangen. Op de laatste bladzijde stonden slechts twee foto’s, beide duidelijk in een fotozaak genomen. De ene was genomen bij het afstuderen, waarschijnlijk aan de universiteit van München, en de andere aan het begin of einde van de militaire dienst; Harald was in ieder geval in het uniform van het Duitse leger gekleed. Þóra had er niet genoeg kennis van om aan de hand van dat uniform te kunnen weten bij welke afdeling van het leger hij hoorde. Ze nam aan dat dit in de samenvatting over de militaire dienst thuishoorde die in de inhoudsopgave genoemd werd.

Op de volgende bladzijden was een kopie van Haralds cijferlijsten van diverse schoolstadia te vinden en het was duidelijk dat hij buitengewoon intelligent was. Hij had altijd uitstekende cijfers gehad en Þóra wist uit eigen ervaring dat je dat in het Duitse schoolsysteem niet zomaar voor elkaar kreeg. De laatste cijferlijst was van de universiteit van München, waar Harald zijn bachelorgraad in Geschiedenis behaald had, en dat was van hetzelfde kaliber. Zijn scriptie had beter gezegd het hoogst mogelijke cijfer gekregen. Te oordelen naar de jaartallen die op de verschillende documenten stonden, had Harald een tijdje van de studie vrij genomen, voordat hij zich weer aan de universiteit ingeschreven had. Waarschijnlijk had dat iets met de militaire dienst te maken. Þóra vond het nogal vreemd dat deze jongen ervoor gekozen had het leger in te gaan, nu ze wist hoe voortreffelijk zijn schoolresultaten waren. Hoewel er in Duitsland een dienstplicht was, was het kinderspel voor studenten om eronderuit te komen. Maar ook zijn rijke ouders hadden hem makkelijk onder zijn dienstplicht uit kunnen krijgen.

Þóra bladerde door naar een ander onderdeel van de map dat als titel Militaire dienst had. Het was een dun hoofdstuk, slechts een paar bladzijden. De eerste bladzijde was een kopie van Harald Guntliebs aanmelding bij de Bundeswehr, het Duitse leger, in 1999. Nu bleek dat hij zich bij Das deutsche Heer, de landmacht, aangemeld had. Ze vond het vreemd dat hij er niet voor gekozen had bij de luchtmacht of de marine te gaan. Þóra was ervan overtuigd dat hij met de invloed van zijn vader had kunnen kiezen bij welk onderdeel van het leger hij wilde gaan. De volgende bladzijde was een document dat aantoonde dat Haralds regiment naar Kosovo gestuurd zou worden en de derde en vierde pagina gingen over zijn ontslag uit het leger, zeven maanden later. Er werd geen verklaring voor dit ontslag gegeven, behalve dat er slordig ‘medizinische Gründe’, ‘op medische indicatie’, op geschreven was. In de marge van de kopie had iemand netjes een vraagteken gekrabbeld. Þóra vroeg zich af of dit het handschrift van Matthias was; voor zover zij wist had hij dit in zijn eentje samengesteld. Þóra maakte een notitie dat ze hem naar de precieze redenen voor het ontslag uit het leger moest vragen. Ze ging verder naar het volgende hoofdstuk.

Zoals het hoofdstuk over de militaire dienst, begon ook dit deel met een kopie van de aanmelding, ditmaal bij de universiteit van München. Het viel Þóra op dat die inschrijving slechts een maand na het ontslag uit het leger gedateerd was. Het zag er dus naar uit dat Harald betrekkelijk snel hersteld was nadat hij het leger verlaten had, als het werkelijk ziekte was geweest waardoor hij uit het leger gegaan was. Daarna kwamen een paar bladzijden die Þóra helemaal niet thuis kon brengen: de eerste was een kopie van de eerste bijeenkomst van een geschiedenisvereniging die Malleus Maleficarum heette; de tweede bevatte een aanbevelingsbrief van ene professor Chamiel die Harald de hemel in prees, en op sommige pagina’s stond naar het scheen informatie over studieonderdelen over de geschiedenis van de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw. Het was Þóra niet helemaal duidelijk of dat relevant was.

Als laatste trof ze een uit een Duitse krant geknipt artikel aan waarin de dood van een aantal jongeren als gevolg van bizarre seksuele activiteiten besproken werd. Uit het lezen daarvan maakte Þóra op dat deze activiteiten eruit bestonden de luchtwegen met een strop af te binden terwijl er gemasturbeerd werd. Dat moest de wurgseks zijn waarnaar Matthias verwezen had. Als het artikel serieus te nemen was, was dit geen ongebruikelijke bezigheid onder hen die door overmatig gebruik van drugs, alcohol en dergelijke dingen, problemen hebben met seks. Er was geen verklaring op het blad geschreven die het artikel op andere wijze met Harald in verband bracht, behalve dan dat een van de jongeren over wie het artikel ging, aan dezelfde universiteit gestudeerd had. De student werd niet met name genoemd, evenmin als een jaartal. Een connectie moest er toch wel zijn, aangezien dit artikel in de map zat. Þóra bladerde terug naar de foto van Haralds afstuderen die als laatste in het eerste hoofdstuk zat. Ze tuurde naar de foto en zag niets meer dan dat er een rode verkleuring op dat deel van de hals zat dat uit de kraag van zijn overhemd tevoorschijn kwam. Ze haalde de foto uit het mapje om er beter naar te kijken. De foto was helderder dan achter plastic, maar niet zo duidelijk dat Þóra zeker wist dat de kneuzing steeds roder aan het worden was. Ze noteerde dat ze Matthias ook hierover zou vragen.

Het laatste onderdeel dat in dit vreemde allegaartje van informatie over de universiteit van München te vinden was, betrof het voorblad van de scriptie voor zijn bachelorgraad in Geschiedenis. Te oordelen naar de titel van de scriptie ging het stuk over heksenvervolgingen in Duitsland, vooral en in het bijzonder de terechtstelling van kinderen die van toverij verdacht werden. Þóra huiverde. Ze was natuurlijk op de hoogte van heksenverbrandingen op IJsland door de geschiedenislessen uit haar middelbareschooltijd, maar kon zich niet herinneren dat er in dat verband kinderen genoemd waren. Het was haar nauwelijks ontgaan, hoewel ze toentertijd geschiedenis vreselijk vond. Er volgde geen andere informatie over de scriptie dan de eerste bladzijde. Þóra hield het er dan ook maar op dat de conclusie van de scriptie geweest was dat er geen kinderen verbrand waren. Vanbinnen wist ze toch wel dat dit niet het geval was. Ze begon het hoofdstuk over de universiteit van IJsland te lezen.

Daarin zat een kopie van een brief van de universiteit waarin Harald meegedeeld werd dat zijn aanvraag om ‘toegelaten te worden tot de mastersopleiding geschiedenis, gehonoreerd was en dat hij in de herfst van 2004 zijn studie aan de universiteit kon beginnen. Daarop volgde een uitdraai van de resultaten van de vakken die Harald afgerond had. Þóra zag aan de datum van de uitdraai dat het document na zijn dood uitgeprint was. Hoewel het Harald niet gelukt was veel semesters volledig af te ronden in de tijd dat hij op IJsland studeerde, waren de cijfers nog steeds erg hoog. Þóra kreeg het vermoeden dat hij het voor elkaar gekregen moest hebben zijn tentamens in het Engels af te leggen, aangezien hij voor zover zij wist geen IJslands kon. Het scheen haar toe dat hij behalve zijn masterscriptie nog tien studiepunten open had staan.

Er volgde een lijst met vijf namen. Het waren allemaal IJslanders en achter elke naam stond hun studie geschreven en iets wat geboortejaren zouden kunnen zijn. Er stond niets anders op de pagina en Þóra nam aan dat dit Haralds vriendenkring moest zijn: ze hadden allemaal ongeveer dezelfde leeftijd als hij. De namen waren: Marta Mist Eyjólfsdóttir, gender studies, geb. 1981; Brjánn Karlsson, geschiedenis, geb. 1981; Halldór Kristinsson, geneeskunde, geb. 1982; Andri Þórsson, scheikunde, geb. 1979; Bríet Einarsdóttir, geschiedenis, geb. 1983. Þóra bladerde door in de hoop dat er meer informatie over deze jongeren naar voren zou komen, maar dat was niet het geval: vervolgens kwam een uitdraai van het universiteitsterrein en de belangrijkste gebouwen. Er was een cirkel om de vakgroep geschiedenis en het Árni Magnússon-instituut gezet, en ook een cirkel om het hoofdgebouw van de universiteit. Weer nam Þóra aan dat Matthias die in het document getekend had. Daarop volgde een tweede uitdraai, van de website van de universiteit; Þóra doorlas de Engelse tekst die over de vakgroep Geschiedenis ging. Daarna kwam een soortgelijke pagina over studies voor buitenlandse studenten. Er viel weinig uit deze informatie op te maken.

Het laatste document in dit hoofdstuk was een uitdraai van een e-mail, verzonden vanaf het mailadres hguntlieb@hi.is, wat duidelijk het adres van Harald aan de universiteit was geweest. Bij het lezen van het bericht viel het Þóra op hoe onpersoonlijk de tekst was, hoewel het een brief van een zoon aan diens vader betrof. In weinig woorden ging de brief over hoezeer Harald het op IJsland naar zijn zin had: hij had zich in een praktisch onderkomen gevestigd enzovoorts. Het bericht eindigde ermee dat Harald zei een professor gevonden te hebben die de supervisie van zijn scriptie op zich zou nemen: professor Ólafsson. Volgens het bericht ging de scriptie over een vergelijking tussen heksenverbrandingen op IJsland en in Duitsland, en richtte het stuk zich met name op het feit dat de meesten van hen die op IJsland voor hekserij veroordeeld waren, mannen waren, anders dan in Duitsland gebeurde, waar het doorgaans om vrouwen ging. Hij sloot de brief met een groet af, maar Þóra werd getroffen door een postscriptum onder Haralds naam waarin het volgende stond: ‘Als je contact met mij wilt hebben, dan heb je nu mijn e-mailadres.’ Dat wees nou niet bepaald op veel liefde. Misschien had het ontslag uit het leger iets met dit slechte contact te maken. Hoe dan ook, zijn vader scheen naar de foto’s te oordelen niet de meest begripvolle persoon te zijn en hij was ongetwijfeld ontevreden over zijn nageslacht dat niet aan de eisen voldeed die aan hen gesteld waren.

Op de volgende bladzijde was er een kort antwoord van zijn vader, ook een uitdraai van een e-mail. Daarin stond: ‘Beste Harald, ik stel voor dat je je verre van dit scriptieonderwerp houdt. Het is slecht en niet geschikt om karakter mee op te bouwen. Ga verstandig met je geld om. Groet,’ en daaronder was een standaardondertekening met de volledige naam, functie en het adres van zijn vader. Dat was het dan, dacht Þóra. Wat een rotzak! Geen woord over dat hij het leuk vond iets van zijn zoon te horen noch dat hij hem bijzonder miste, laat staan dat hij met ‘papa’ of iets dergelijks ondertekend had. Het was duidelijk dat de relatie koel was, zo niet ijskoud. Daarnaast was het, als je erover nadacht, vreemd dat geen van beiden de groeten van of aan de moeder en de jongste zus deed. Þóra wist niet of er andere e-mailberichten tussen vader en zoon uitgewisseld waren; er zaten in ieder geval niet meer mails in de map.

Tot slot was er een uitdraai van de universiteit met een opsomming van verenigingen voor studenten en de titels van blaadjes die de studenten binnen de afzonderlijke vakgroepen uitgaven. Þóra liep de lijst na, maar zag niets belangwekkends tot onder aan de lijst; daar stond: ‘Malleus Maleficarum – vereniging van mensen die in geschiedenis en folklore geïnteresseerd zijn.’ Þóra keek op van het blad. Dat was dezelfde naam die op de gekopieerde notulen van de eerste bijeenkomst van een soortgelijke vereniging in de compilatie over de universiteit van München stond. Þóra bladerde terug om er zeker van te zijn dat dat klopte. Ze zag dat onder de naam van de vereniging op de IJslandse lijst met een potlood geschreven was ‘2004 errichtet’: in 2004 opgericht. Dat was nadat Harald aan de universiteit van IJsland begonnen was. Misschien had hij het initiatief genomen de vereniging op te richten? Dat was niet onwaarschijnlijk, behalve dat deze Malleus Maleficarum dan heel specifiek met geschiedenis en folklore te maken moest hebben. De naam kon natuurlijk verklaren wat voor vereniging het was, maar Þóra wist niets van Latijn. Ze bladerde door naar het vijfde hoofdstuk: dat over de bankrekeningen.

Het vijfde hoofdstuk was een dikke stapel papier die bestond uit afschriften van een bankrekening in het buitenland. Harald Guntlieb stond te boek als de rekeninghouder en er werden op het eerste gezicht enorme bedragen op de rekening bijgeschreven, hoewel er aan het einde van het laatste afschrift weinig meer op de rekening stond. Met een markeerstift waren sommige transacties gearceerd: in roze grote geldopnames en in geel stortingen van hoge bedragen. Þóra zag al vlug dat wat met geel aangestreept was steeds hetzelfde bedrag betrof, dat aan het begin van elke maand overgemaakt was. Dat was een flinke smak geld, meer dan Þóra in een halfjaar verdiende, zelfs als ze veel opdrachten had. Dit moesten wel betalingen zijn uit het fonds waarvan Matthias gezegd had dat Harald dat van zijn grootvader geërfd had. Het was niet onwaarschijnlijk dat de betalingen uit deze erfenis dusdanig geregeld waren dat Harald ze met vaste regelmaat uitgekeerd kreeg in plaats van alles in één keer in bezit te krijgen. In veel gevallen werden zulke regelingen getroffen, indien de erfgenaam jong was, en dan alleen tot een vastgestelde leeftijd bereikt was. De leeftijdsgrens hing ervan af hoe betrouwbaar de jongere persoon was om wie het ging. Men had Harald Guntlieb duidelijk als niet erg verantwoordelijk beschouwd. Þóra rekende uit dat hij zevenentwintig jaar geweest moest zijn toen hij stierf en nog niet het volledige beheer over zijn vermogen gekregen had. Toch hadden zich aanzienlijke bedragen op zijn rekening opgehoopt en het was duidelijk dat Haralds levensuitgaven ver onder datgene lagen wat hij elke maand tot zijn beschikking had.

Voor de gemarkeerde opnames gold iets volkomen anders. Ze waren heel verschillend en ze vonden zonder enige regelmatige tussenpozen plaats, voor zover Þóra kon zien. Er waren naast de meeste opnames opmerkingen geschreven, en waar dit niet al te grote opnames betrof las Þóra eroverheen. Een paar opmerkingen begreep Þóra meteen toen ze ze las: zo stond er bijvoorbeeld ‘bmw’ bij een grote uitgave aan het begin van augustus en Þóra concludeerde dat Harald op IJsland een auto gekocht had. Van andere opmerkingen kon ze helemaal niets maken: ‘Urteil G.G.’ stond bijvoorbeeld bij een enorme uitgave uit de tijd dat Harald nog in München studeerde. Urteil betekende ‘oordeel’ en het eerste dat bij Þóra opkwam was dat Harald iemand betaald had om de reden voor zijn ontslag uit het leger te verdoezelen. De datering klopte echter op geen enkele wijze en ze kon zich niet indenken waar ‘G.G.’ voor stond. Bij een andere uitgave stond Schädel, wat ‘schedel’ betekende; op een andere plaats ‘Gestell’ waarvan ze niet wist wat het betekende. Ze vond meer onsamenhangende uitgaven waar ze maar beter niet te veel tijd aan kon verspillen.

Þóra zag twee geldopnames die haar bijzondere belangstelling wekten. Bij de ene, die een paar jaar oud was en een bedrag van rond de tweeënveertigduizend euro betrof, stond alweer de Latijnse term Malleus Maleficarum en bij de andere, die veel recenter en hoger was, was een vraagteken geplaatst. Dat was waarschijnlijk het geld waarvan Matthias beweerde dat het verdwenen was, ruim driehonderdtienduizend euro. Het was niet vreemd dat Matthias eraan twijfelde dat zo’n bedrag zou zijn opgegaan aan drugs. De jongen had als een waanzinnige drugs moeten hebben gebruikt om dergelijke bedragen eraan uit te geven, zelfs al was hij in het gezelschap van Keith Richards geweest. Bovendien leek het, te oordelen naar deze bankrekening, te kloppen dat het Harald niet aan geld ontbroken had, ondanks uitgaven van dit kaliber.

Ze bladerde verder door de volgende bladzijden die een overzicht van het gebruik van Haralds creditcard lieten zien, een maand voordat hij stierf. Ze nam de gegevens door en zag dat het grootste deel was besteed in restaurants en cafés; er was een enkele uitgave in een kledingzaak. De restaurants hadden gemeen dat ze ‘trendy’ waren, zoals haar vriendin Laufey zou zeggen. Opmerkelijk weinig uitgaven waren in supermarkten gedaan. Þóra’s oog viel op een grote uitgave die medio september in Hotel Rangá gedaan was, een uitgave gespecificeerd met ‘Vliegschool’ en ook een veel lager bedrag in – nota bene – de kinderboerderij, gedateerd eind september. Verder waren er veel kleine uitgaven in een dierenwinkel in de omgeving van Reykjavík. Misschien had Harald van dieren gehouden of was hij bezig geweest zich bij een alleenstaande moeder in het gevlei te brengen. Nog iets om Matthias naar te vragen. Het hoofdstuk over Haralds financiën hield bij dit overzicht op. Þóra keek op de klok en zag dat ze prima opschoot.

Ze besloot de map even te laten voor wat die was. Ze draaide zich om naar haar computer en deed een poging om Malleus Maleficarum op het internet op te zoeken. Meer dan vijfenvijftigduizend webpagina’s stonden haar bij het afronden van de zoektocht ter beschikking. Ze vond er meteen een die er veelbelovend uitzag; uit de samenvatting van de inhoud van de pagina bleek dat de Latijnse term ‘Heksenhamer’ betekende en de titel was van een boek uit 1486. Þóra klikte de link aan en er verscheen een tekst in het Engels. De enige afbeelding op de pagina was een oude tekening die een geboeide vrouw liet zien, die aan een ladder vastgebonden leek te zitten. Twee mannen waren gehaast bezig de ladder rechtop te zetten en hem met de vrouw eraan naar een grote brandstapel te draaien, vóór de ladder. Het was duidelijk dat ze op het punt stonden haar levend te verbranden. De vrouw keek met open mond op naar de hemel, maar het was Þóra niet duidelijk of het de bedoeling was van de kunstenaar de vrouw God te laten aanroepen of om Hem te verwensen. Haar wanhoop was in elk geval duidelijk. Þóra printte de pagina uit en liep snel naar de printer, voordat Bella de papieren eruit zou kunnen halen. Het meisje was per slot van rekening ook nog eens gelovig.

4

Hoewel er vijf vellen uit de printer kwamen gerold, voldeed niet één aan Þóra’s verwachtingen. De homepage had duidelijk meer omvat dan waarvoor op het beeldscherm plaats was en Þóra begon op weg terug naar haar werkkamer de teksten te lezen.

In een korte inleiding werd verteld dat Malleus Maleficarum ongetwijfeld een van de beruchtste boeken in de geschiedenis van de mensheid was. Het was voor het eerst in 1486 uitgegeven en moest een handleiding voor onderzoeksrecht zijn; het moest degenen die daarin werkzaam waren, leren heksen te herkennen en te vervolgen. Er werd gezegd dat het boek er nadruk op legde dat zwarte kunst en diverse volksgebruiken voortaan als godslasterlijk beschouwd werden en dat daar in die tijd de doodstraf op stond: zij die daaraan schuldig bevonden werden moesten op een brandstapel verbrand worden. Het boek bleek in drie delen onderverdeeld te zijn. Het eerste deel was bedoeld om mensen erover te informeren dat tovenaars en heksen echt waren, en ook hoe abnormaal en duivels zoiets was. Vervolgens vertelde het werk dat alleen al het geloven in zwarte kunst godslasterlijk was, wat klaarblijkelijk iets nieuws was. In het tweede deel was een opsomming te vinden van verschrikkelijke verhalen over wat heksen zoal uitvoerden. Seks met duivelse schepsels vierde hierbij hoogtij. Het derde en laatste deel legde de basis voor gerechtelijke vervolging van heksen. Er werd benadrukt dat folteringen toegestaan waren om bekentenissen te krijgen en dat allen in staat geacht werden om tegen degene te getuigen die van dergelijke misdaden beschuldigd werd, ongeacht hun reputatie of iets anders wat een getuige in andere gevallen onbekwaam of bevooroordeeld maakte.

Er werd gezegd dat de schrijvers van de tekst twee dominicanen waren: Jakob Sprenger, de toenmalige rector magnificus van de universiteit in Keulen, en Heinrich Kramer, hoogleraar in de Godgeleerdheid aan de universiteit van Salzburg en aangesteld als ‘Inquisitor’ bij het onderzoeksgerechtshof in Tirol. Van laatstgenoemde werd verondersteld dat hij een groter aandeel in het geschrift had gehad, aangezien hij vanaf 1476 een aanzienlijke bijdrage aan de vervolging van heksen geleverd had. Het werk werd geacht geschreven te zijn op initiatief van de toenmalige paus, Innocentius viii, die te oordelen naar wat er over hem te lezen stond nu niet bepaald een charmant persoon was. Hij zou het startsein hebben gegeven voor de heksenjachten in Europa met de uitgave van een pauselijke verklaring op 5 december 1484, getiteld Daarin werd het onderzoeksgerechtshof toegestaan heksen te vervolgen en werd hekserij aan godslastering gelijkgesteld.

Deze paus probeerde, eenmaal op leeftijd gekomen, zijn eigen dood te voorkomen door het drinken van moedermelk en door bloedtransfusies. Het verzekerde hem niet van een vergroting van zijn hoeveelheid levensdagen, maar had daarentegen de dood van drie jongens van tien tot gevolg.

Þóra zag dat het boek snel verspreid was geraakt vanwege de opkomst van de boekdrukkunst en vanwege het feit dat de auteurs bekende en gerespecteerde mannen waren. Zowel katholieken als protestanten gebruikten het boek als uitgangspunt in de strijd tegen hekserij. Delen ervan kwamen terecht in de wetboeken van het Heilige Roomse Rijk, waaronder die van het huidige Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Zwitserland, Oost-Frankrijk, Nederland en delen van Italië. Þóra kon het maar nauwelijks geloven toen ze las dat het boek nog regelmatig opnieuw uitgegeven werd.

Ze legde de print weg. Dit was zeker interessant, maar een zeshonderd jaar oud boek wierp tegelijkertijd nauwelijks licht op de moord op Harald Guntlieb. Ze keek op de klok en zag dat ze nog maar een uur overhad. Ze niette de bladen aan elkaar, legde ze terzijde en trok de map over Harald weer naar zich toe. Ze bladerde naar het zesde hoofdstuk, het deel over het politieonderzoek.

Op het eerste gezicht was de samenvatting niet dik genoeg om alle details van de zaak in hun geheel te kunnen omvatten. Misschien was het Matthias niet gelukt meer dan een paar delen te krijgen; Þóra vond het trouwens sowieso moeilijk te geloven dat hij die in zijn bezit gekregen had zonder dat hij formeel had hoeven proberen ze in handen te krijgen. Ze las vlug de inhoud door die een kopie van politieverhoren bleek te zijn, een halve maand geleden bij ontvangst afgestempeld. Op dit gebied was ze thuis. Het was allemaal in het IJslands en misschien de reden waarom de familie Guntlieb besloten had een IJslander in de arm te nemen. Er was veel op de bladzijden gekrabbeld en het was duidelijk dat Matthias geprobeerd had zich erdoorheen te worstelen. Matthias had onder andere boven in de rechterhoek van de meeste rapporten een korte notitie geschreven waarin hij vastlegde wie elke keer aan het verhoren geweest was, en ook de relevantie van het gesprek voor de zaak. De meeste rapporten betroffen verhoren van Hugi Þórisson die nog steeds in hechtenis was en een uitspraak in de zaak afwachtte. Þóra vond het opmerkelijk dat hij bij de verhoren vanaf het begin de rechtspositie van verdachte en nooit die van getuige had gehad; iets had er dus voor gezorgd, dat hij van meet af aan als verdachte was aangemerkt. Aldus had hij overeenkomstig de IJslandse wet niet naar waarheid een verklaring hoeven afleggen, zoals voor een getuige geldt. Hij kon dus praktisch zeggen wat hij maar wilde, hoewel dat zijn belangen nauwelijks ten goede zou komen wanneer het tot een straf kwam: de rechters zouden namelijk nogal chagrijnig worden als verdachten zeiden dat ze ten tijde van de misdaad bij Donald Duck aten of iets dergelijks.

Þóra besefte hoe Matthias aan deze gegevens gekomen moest zijn. De raadsman van een verdachte heeft toegang tot de stukken van de politie aangaande de zaak in kwestie. De advocaat van Hugi Þórisson had dus toegang tot dit alles gehad. Þóra bladerde vlug door de rapporten op zoek naar een verhoor waar Hugi zijn advocaat bij zich gehad had, zodat ze zou kunnen zien wat voor advocaat dat was. Bij de eerste verhoren was Hugi alleen geweest. Dat was te verwachten: over het algemeen willen getuigen liever niet dat hun advocaat bij het begin van het onderzoek aanwezig is, waarschijnlijk omdat ze denken dat ze daarmee de verdenking op zichzelf laden. Wanneer alles zich verhardt naarmate het onderzoek vordert, wordt het hun echter vaak heet onder de voeten en maar al te vaak weigeren ze uiteindelijk uitspraken te doen zonder dat een advocaat ze ondersteunt. Ook bij Hugi was dit het geval geweest, want Þóra zag dat hij aan het einde van het onderzoek had besloten om zo’n raadsman te vragen. Hij had Finnur Bogason toegewezen gekregen. Þóra herkende de naam. Deze Finnur was een van die advocaten die hoofdzakelijk zaken behartigden waarin ze cliënten toegewezen kregen. Met andere woorden: niemand wendde zich uit eigen beweging tot deze advocaten. Þóra was ervan overtuigd dat hij Matthias voor het juiste bedrag de gegevens had gegeven. Tevreden over haar vermogen zo’n conclusie te trekken, begon ze de verhoren door te nemen.

De rapporten waren niet chronologisch gerangschikt, maar ingedeeld naar de persoon die het verhoor afgenomen had. Slechts eenmaal waren getuigen ondervraagd. Onder hen bevonden zich de conciërge van het instituut, schoonmaaksters, Haralds huurbaas, een taxichauffeur die hem en Hugi op die fatale avond opgepikt had, en dan nog een paar medestudenten en docenten van Harald. Het hoofd van de vakgroep Geschiedenis – degene die het lijk gevonden had – was tweemaal gehoord, aangezien hij de eerste keer dusdanig overstuur was dat er niets zinnigs uit hem te krijgen viel. Þóra had medelijden met de arme man: het was waarschijnlijk een afschuwelijke ervaring geweest. De ontsteltenis die zich meester van hem gemaakt had toen het lijk op hem gevallen was, droop dan ook van elke zin in het latere verhoor.

Daarna volgden degenen op wie de verdenking gerust had, tijdelijk althans. Onder hen bevond zich dus Hugi Þórisson, die bij hoog en laag zijn onschuld volhield. Þóra las vlug de meeste van zijn verhoren door. Hugi zei dat hij Harald op de avond in kwestie ontmoet had op een feestje in Skerjafjörður; ze waren even naar buiten gegaan en daar scheidden hun wegen, omdat Harald terug naar het feest wilde en Hugi naar de stad ging. Tijdens de eerste verhoren had Hugi weinig gezegd over waar hij en Harald samen heen gegaan waren: hij zei iets vaags over een ommetje over het kerkhof. Tijdens de latere verhoren, toen het hem duidelijk werd dat ze hem voor moord zouden moeten aanklagen, zei hij dat ze naar zijn huis aan de Hringbraut gegaan waren om de drugs te halen die Harald van hem wilde kopen. Hij zwoer bij hoog en laag dat hij Harald daarna niet meer gezien had: hij had geen zin meer om weer de stad in te gaan en was daarom thuisgebleven. Voor de rest van de avond kon hij geen geldig alibi verschaffen en hij gaf als excuus op dat hij die bewuste avond dronken en high geweest was. Hij zei dat hij dacht dat Harald terug naar het feest had willen gaan. Men scheen Hugi talloze keren gevraagd te hebben hoe hij zijn gedrag rond één uur in de nacht van zaterdag 29 op zondag 30 oktober verklaarde. Daaruit leidde Þóra af dat de autopsie dat als het waarschijnlijke tijdstip van overlijden had vastgesteld. Steeds weer werd de vraag herhaald waarom Hugi Harald de ogen had uitgestoken en waar hij ze gelaten had. Hugi gaf de hele tijd aan dat hij de ogen er niet uit gehaald had. Hij had geen ogen, behalve die van hemzelf natuurlijk. Þóra kon alleen maar medelijden hebben met deze arme kerel, als hij de waarheid vertelde. Ze had het vermoeden dat de man inderdaad niet gelogen had. Hoewel ze de zaak maar vluchtig doorgenomen had, bleef Þóra eraan twijfelen dat een slappeling, zoals Hugi scheen te zijn, na afloop van lange, eenzame en zware verhoren iets anders dan de waarheid kon volhouden.

Vrienden en kennissen van Harald die op het feestje in Skerjafjörður geweest waren, lagen eerst onder verdenking, maar waren later als getuige verhoord. Dat waren bij elkaar tien man, onder wie vier van de vijf jongeren die op de lijst met namen stonden waarop Þóra vóór in de map gestuit was. De enige naam die ontbrak was van de student geneeskunde, Halldór Kristinsson.

De feestgangers hielden allemaal hetzelfde verhaal vol: het feest begon om negen uur en was rond twee uur afgelopen, toen ze naar de stad terugreden. Harald had het feest om middernacht met Hugi verlaten, maar niemand leek te weten waarom. Men zei dat ze even weg wilden en in een taxi vertrokken waren die Hugi besteld had. Ongeveer twee uur later hadden ze het opgegeven nog te wachten en besloten zich naar de stad te haasten. Op de vraag of ze niet geprobeerd hadden Harald en Hugi te bellen, gaven ze vervolgens allemaal hetzelfde antwoord: de batterij van Haralds gsm was al vóór die avond leeg en Hugi had herhaalde telefoontjes op zijn gsm of zijn telefoon thuis niet beantwoord. Niemand had bij Harald thuis opgenomen, toen ze geprobeerd hadden daarheen te bellen. Een paar vragen gingen erover wanneer ze van de stad naar huis gegaan waren, maar vanwege het tijdskader waren deze vragen meer pro forma. Daaruit kwam naar voren dat er op verschillende tijdstippen mensen afgehaakt waren om naar huis te gaan, allemaal vóór vijf uur. De laatste mensen die naar huis gingen, waren de vrienden van de namenlijst en de vijfde, de geneeskundestudent, had zich in de stad bij hen gevoegd. Þóra bladerde door in de hoop dat hij eveneens verhoord was. Hij scheen de enige van het stel te zijn die niet op het feestje geweest was op het moment dat de moord begaan werd. Waar was hij toen geweest, dacht Þóra.

Het antwoord op die vraag was later in het hoofdstuk te vinden. Halldór was verhoord en daarbij kwam aan het licht dat hij tot middernacht in het academisch ziekenhuis in Fossvogur aan het werk geweest was, waar hij naast zijn studie werkte. Daarom was hij niet op het feest geweest. Daar viel volgens Halldór veel meer over te vertellen, dan dat hij daar een paar diensten per maand draaide: hij werkte daar wanneer iemand ziek geworden was of om andere redenen niet in staat was te werken. Hij had kleren bij zich gehad om zich te kunnen omkleden en toen hij in het ziekenhuis een douche genomen had en zich had omgekleed, had hij de bus naar het centrum genomen. Naar eigen zeggen was zijn auto kapot en hij had de naam van de garage opgegeven waar die op dat moment in reparatie was. Halldór had gezegd dat hij aan het begin van plan was geweest over te stappen en de bus te nemen die naar Skerjafjörður ging, maar hij had de laatste bus gemist en daarom besloten dan liever de stad in te gaan en in een café op de feestgangers te wachten dan zichzelf op een taxi te trakteren of erheen te lopen. Hij gaf aan dat hij ze gebeld had en ze hadden gezegd dat ze er nog lang niet waren. Hij had gemeend dat het een uur of één geweest was toen hij café De Koffiebrander binnenging, en hij had een biertje besteld terwijl hij wachtte. Tegen tweeën had hij eindelijk de feestgangers getroffen, toen ze in een taxi de stad in gekomen waren.

Een paar getuigenverklaringen volgden nu waarin met diverse docenten van de vakgroep Geschiedenis was gesproken. Deze informatie richtte zich hoofdzakelijk op wat de personen in kwestie van Harald wisten en ze vertelden allemaal hetzelfde verhaal: dat ze hem niet van buiten de universiteit kenden en weinig over hem te vertellen hadden. Iets anders waarnaar gevraagd werd, betrof een vergadering in Árnagarður op de avond dat Harald vermoord werd. De vergadering was gehouden om de samenwerking met een Noorse universiteit te vieren bij de aanvraag van een grote Erasmus-subsidie. Þóra las tussen de regels door dat deze ‘vergadering’ meer van een cocktailparty weghad en tot laat in de avond geduurd had. De laatste mensen waren niet voor middernacht weggegaan. De namen kende Þóra niet, behalve die van Gunnar, het vakgroepshoofd, en Þorbjörn Ólafsson, de hoogleraar die Haralds scriptiebegeleider was.

De laatste rapporten waren van een barkeeper uit De Koffiebrander en van de buschauffeur die Halldór van Fossvogur naar de stad gereden had. De barkeeper, die Björn Jónsson heette, had verklaard Halldór rond één uur op de bewuste avond bediend te hebben, daarna in datzelfde uur nog een paar keer en tot slot een laatste keer tegen tweeën, toen zijn vrienden erbij gekomen waren. Hij zei dat hij zich Halldór goed kon herinneren, aangezien hij die avond maar doordronk, veel sneller en meer dan normaal. De buschauffeur had ook verklaard dat hij zich Halldór als passagier op zijn laatste rit herinnerde: er zaten toen maar weinig mensen in de bus en ze waren begonnen te praten over de toestand in de gezondheidszorg en hoe slecht oude mensen eraan toe waren. Þóra kreeg de indruk dat deze Halldór een waterdicht alibi had net zoals Haralds andere vrienden, met uitzondering van Hugi.

Na deze rapporten volgden een paar bladzijden met gekopieerde foto’s die op de plaats van het misdrijf waren genomen. Ze waren onduidelijk en zwart-wit, maar toch duidelijk genoeg om een goede indruk van de gruwelijke aanblik te krijgen. Þóra begreep nu de ontsteltenis van de man die het lijk gevonden had en waagde te betwijfelen of hij deze gruwelen ooit volledig te boven zou komen. Þóra’s gsm herinnerde haar eraan dat het kwart voor vijf was. Ze haastte zich verder te gaan naar het laatste hoofdstuk, dat over de autopsie. Merkwaardig, dacht ze en ze stond op. Er zat niets achter het zevende tabblad: het hoofdstuk was leeg.

5

Þóra kwam op tijd bij de naschoolse opvang aan. Ze trof een andere moeder uit de klas van haar dochter op de parkeerplaats voor de school. De vrouw keek naar het logo op de auto van de garage en glimlachte; ze was er duidelijk van overtuigd dat Þóra een monteur van Bibbi aan de haak geslagen had. Þóra had er veel zin in om de vrouw de situatie meteen uit te leggen en duidelijk te maken dat zij en Bibbi slechts een zakelijke relatie hadden. Ze hield echter wijselijk haar mond en liep in plaats daarvan recht over het schoolplein. Sóley ging naar de Mýrarhús-school, die niet ver van de Skólavörðustígur lag: amper tien minuten rijden. Tijdens de scheiding van Hannes, ruim twee jaar geleden, had Þóra er veel moeite voor gedaan hun huis in Seltjarnarnes te behouden, hoewel ze daardoor in de grootste financiële problemen gekomen was met het uitkopen van Hannes. Ze kon er nu dankbaar om zijn dat het huis getaxeerd was, voordat de grote prijsstijgingen in vastgoed losgebarsten waren. Als ze op dit moment in scheiding zouden liggen, dan zou ze geen mogelijkheid hebben gehad het huis te houden. Dit ergerde Hannes natuurlijk enorm, aangezien hij groen van afgunst zag over hoeveel Þóra eraan verdiend moest hebben. Hoewel Þóra het huis niet zag als een investering maar als thuis, was ze blij dat ze er winst op had gemaakt, eigenlijk puur en alleen om het feit dat het hem zo irriteerde. Ze waren niet op goede voet uit elkaar gegaan, hoewel ze omwille van de kinderen probeerden op beleefde wijze contact te houden. Het was alsof ze twee vijandelijke buurlanden waren: zij was India en hij Pakistan: het borrelde onder de oppervlakte, hoewel het zelden tot een uitbarsting kwam.

Þóra ging naar binnen en keek de klas rond. Het merendeel van de kinderen was zo te zien al naar huis. Het verbaasde Þóra niet echt en ze kon de gedachte niet onderdrukken dat ze haar dochter niet voldoende tijd en aandacht gaf. Moeder, vrouw, meisje, ging het door haar heen, maar ze begreep dat ‘vrouw’ nauwelijks bij haar paste: ze had zelden een man ontmoet in de twee jaar die er sinds de scheiding verstreken waren. Plotseling kwam er een sterk verlangen in haar op om met een man van de liefde te genieten. Ze schudde het van zich af: dit was een ongeschikte plek om aan seks en aanverwante zaken te denken. Wat was er toch mis met haar?

‘Sóley!’ riep de vrouw die toezicht hield, toen ze Þóra in het oog gekregen had. ‘Je moeder is er.’

Het kleine meisje, dat met haar rug naar haar moeder toe zat, keek op van haar kralensnoer en draaide haar hoofd in de richting van Þóra. Ze glimlachte vermoeid en streek een lok haar uit haar ogen. ‘Hoi mama. Kijk eens: ik ben een kralenketting aan het rijgen.’ Þóra voelde een steek in haar hart en nam zich voor het meisje de volgende dag eerder op te halen.

Na een korte stop bij de supermarkt kwamen moeder en dochter ten slotte bij huis aan. Gylfi, haar zoon, was zo te zien thuis: dat was te merken aan de afgetrapte schoenen die midden in de hal op de vloer lagen en aan het donsjack dat achteloos op een haakje naast de deur gehangen was om vervolgens op de grond te vallen.

‘Gylfi!’ riep Þóra en ze bukte zich om de schoenen in het schoenenrek te zetten en de jas netjes op te hangen. ‘Hoe vaak moet ik je nog zeggen je jas en schoenen uit te trekken wanneer je thuiskomt?’

‘Ik versta je niet!’ hoorde ze vanuit het huis roepen.

Þóra sloeg haar ogen ten hemel. Er was geen hoop dat hij haar hoorde: de herrie van een of ander computerspel overstemde alles volkomen. ‘Zet dat zachter!’ riep ze terug. ‘Je beschadigt je gehoor!’

‘Kom hierheen! Ik versta je niet!’ was het antwoord dat teruggeschreeuwd werd.

‘O god,’ mompelde Þóra en ze trok haar jas uit. Haar dochter had vlug jas en schoenen uitgetrokken en Þóra verwonderde zich er voor de honderdste keer over hoe weinig broer en zus op elkaar leken. Haar dochter was heel netjes en had bijvoorbeeld als baby nauwelijks gekwijld. Haar zoon daarentegen wilde het liefst in een berg kleren wonen, zodat hij zich ’s avonds ongetwijfeld volkomen gelukkig in slaap kon laten vallen. Eén ding hadden ze echter gemeen en dat was een ongelooflijk geweten als het op school en huiswerk aankwam. Dat paste op een of andere manier heel goed bij het karakter van Sóley. Þóra vond het echter altijd nogal grappig wanneer Gylfi, met zijn lange, ongekamde haar en zijn kleren-met-doodshoofd, haast hysterisch werd omdat hij een opdracht op school had laten liggen of iets dergelijks. Þóra liep haar zoons kamer binnen. Gylfi zat als gelijmd aan het beeldscherm van zijn computer en hamerde op de muis. ‘Zet dat in godsnaam zachter, Gylfi,’ zei Þóra en ze moest haar stem wat verheffen, hoewel ze vlak naast haar zoon stond. ‘Ik hoor mijn eigen gedachten niet eens door al dat gekrijs.’

Zonder van het scherm op te kijken of met het gehamer op de muis op te houden zodat het verschil merkbaar was, reikte haar zoon met zijn linkerhand naar de knop van de luidspreker en zette hem zachter. ‘Beter?’ vroeg hij, nog steeds zonder op te kijken.

‘Ja, beter,’ antwoordde Þóra. ‘Zet hem nu uit en kom eten. Ik heb pasta gekocht en die is zo klaar.’

‘Ik wil alleen dit scherm afmaken,’ was het antwoord. ‘Nog twee minuten maar.’

‘Twee minuten dan,’ zei ze en ze draaide zich om. ‘Ik meen me te herinneren dat dat zo gaat: een, daarna twee. Dus niet een, drie, vier, vijf, zes en dan pas twee.’

‘Oké, oké,’ antwoordde haar zoon lichtgeraakt en ging verder met zijn spelletje.

Toen het eten een kwartier later op tafel stond, kwam Gylfi tevoorschijn en liet zich op zijn gewone plek neerploffen. Sóley was al gaan zitten en zat gapend voor haar bord. Þóra had geen zin om de maaltijd met problemen te beginnen door Gylfi eraan te herinneren dat hij er langer dan twee minuten over gedaan had om zijn ‘scherm’ af te maken. Ze was van plan hem aan het belang van familiemomenten te herinneren, toen haar gsm ging. Ze stond op om het telefoontje te beantwoorden. ‘Gaan jullie gewoon verder met eten en geen geruzie. Het is veel leuker als jullie vrienden zijn.’ Ze pakte haar telefoon van het keukenkastje, bekeek het nummer op het scherm maar dat was afgeschermd. Ze liep de keuken uit terwijl ze op de knop drukte om te antwoorden. ‘Met Þóra.’

‘Guten Abend, Frau Guðmundsdóttir,’ hoorde ze de droge stem van Matthias zeggen. Daarna vroeg hij of het slecht uitkwam.

‘Nee, geen probleem,’ loog Þóra. Ze dacht dat Matthias zich schuldig zou voelen als ze de waarheid zou zeggen: dat ze net wilde gaan eten. Hij was zo vreselijk beleefd, die man.

‘Heb je tijd gehad om naar de gegevens te kijken die ik je meegegeven had?’ vroeg hij toen.

‘Inderdaad ja, maar niet in detail,’ antwoordde Þóra. ‘Ik merkte meteen dat de onderzoeksrapportage van de politie niet volledig was. Ik stel voor dat er een formele aanvraag ingediend wordt om die in bezit te krijgen. Het is erg onhandig om er slechts delen van te hebben.’

‘Zeker.’ Een ongemakkelijke stilte volgde. Toen Þóra er iets aan wilde toevoegen, begon Matthias weer te praten.

‘Je hebt dus een besluit genomen?’

‘Over deze zaak, bedoel je?’ vroeg Þóra.

‘Ja,’ antwoordde hij kortaf. ‘Wil je hem op je nemen?’

Þóra aarzelde even voordat ze dat bevestigend beantwoordde. Ze meende dat ze Matthias, toen het hoge woord eruit was, van opluchting hoorde zuchten. ‘Sehr gut,’ zei hij ongewoon onbevangen.

‘Ik moet de overeenkomst inderdaad nog doornemen. Ik heb hem mee naar huis genomen om er vanavond naar te kijken. Als het klopt dat het een redelijk standaardcontract is, dan zie ik geen reden om hem morgen niet meteen te ondertekenen.’

‘Mooi.’

‘O ja, er was iets wat mij nieuwsgierig maakte: waarom zat het hoofdstuk over de autopsie niet in de map?’ Þóra wist dat dit best tot morgen had kunnen wachten, maar ze wilde het antwoord nu weten.

‘Er moest een bijzondere aanvraag ingediend worden om die gegevens in handen te krijgen en ik kreeg niet alles bij elkaar; alleen een losse compilatie van de belangrijkste details. Ik vond het echter een magere oogst en heb een aanvraag ingediend om de rapportage in zijn geheel te krijgen,’ antwoordde Matthias. ‘Het compliceerde de zaak zeker enigszins dat ik geen naaste verwant ben maar slechts een vertegenwoordiger van de verwanten, maar het is nu gelukkig voor elkaar. Daarom belde ik nu ook in plaats van erop te wachten om morgen van je te horen, zoals we besproken hadden.’

‘Hè?’ zei Þóra die de samenhang helemaal niet begreep.

‘Ik heb morgenochtend om negen uur een afspraak met de lijkschouwer die de autopsie op Harald verricht heeft. Hij zal de gegevens overhandigen en enige bijzonderheden met me nalopen. Ik wil graag dat je er samen met mij heen gaat.’

‘Aha,’ zei Þóra verbaasd. ‘Jaja, prima. Ik zal er zijn.’

‘Goed, ik haal je dan om half negen van je kantoor op.’

Þóra beet zich op de tong en had bijna gezegd dat ze over het algemeen nooit zo vroeg afspraken maakte. ‘Half negen. Tot dan.’

‘Frau Guðmundsdóttir,’ zei Matthias.

‘Noem mij Þóra: dat is veel eenvoudiger,’ viel Þóra hem in de rede. Ze voelde zich als een negentigjarige weduwe wanneer ze zo formeel aangesproken werd.

‘Þóra, dan,’ zei Matthias. ‘Nog één ding tot slot.’

‘Wat?’ vroeg Þóra nieuwsgierig.

‘Niet zwaar ontbijten morgen. Het zal nogal onsmakelijk worden.’

7 december 2005

6

Er waren ongetwijfeld veel eenvoudigere dingen in deze wereld dan een plek op de parkeerplaats van het Nationaal Ziekenhuis te vinden. Matthias vond er uiteindelijk eentje op aanzienlijke afstand van het gebouw dat onderdak bood aan het onderzoeksinstituut voor pathologie. Þóra was kort op kantoor geweest en had een brief aan de politie afgerond waarin ze een aanvraag indiende om als vertegenwoordiger van de familie de stukken over de zaak in bezit te krijgen. De brief zat in de envelop en in het bakje van Bella die er hopelijk vandaag mee naar de post zou gaan. Þóra besloot echter toch de kansen daarop te vergroten door een briefje op de envelop te plakken waarop stond: ‘Mag in geen geval voor het weekend op de post!’ Þóra had daarnaast de Luchtvaartschool opgebeld om navraag te doen naar de uitgave op Haralds creditcard in september. Ze had daar te horen gekregen dat Harald een klein vliegtuigje met piloot gehuurd had om op één dag naar Hólmavík en terug te vliegen. Þóra zocht Hólmavík op het internet op en het kostte niet veel tijd om te begrijpen wat Harald daar aangetrokken had: daar was een museum over hekserij in de Strandar-regio. Ze had vervolgens Hotel Rangá opgebeld om Haralds reizen daarheen na te trekken en ze had steeds te horen gekregen dat hij twee kamers voor twee nachten had gereserveerd en betaald; de namen op de reservering waren Harald Guntlieb en Harry Potter. Erg origineel. Ze vertelde Matthias hierover, evenals over Haralds reis naar Hólmavík, terwijl ze rondjes over het parkeerterrein reden.

‘Een hoop nieuwe informatie,’ zei Matthias en hij draaide de huurauto een net vrijgekomen parkeerplaats in.

Ze liepen in de richting van het huis dat voor het hoofdgebouw stond. Het had ’s nachts gesneeuwd en Matthias baande zich een weg over het pad dat zich daar gevormd had. Het weer was ruw en een bijtend koude noordenwind rukte aan Þóra’s haar. ’s Ochtends had ze besloten haar haar los te doen, maar ze kwam op dat besluit terug nu de wind haar haar in alle richtingen blies. Ik kom wel heel elegant op onze bestemming aan, dacht Þóra. Ze bleef even staan, draaide haar rug naar de wind toe en trachtte haar haar te beschermen door een sjaal om haar hoofd te wikkelen. Nadat ze dat gedaan had, liep ze met rasse schreden achter Matthias aan.

Toen ze uiteindelijk bij het huis aankwamen, keek hij voor de eerste keer op sinds ze bij de auto weggegaan waren. Hij keek lang heel geïnteresseerd naar de sjaal om haar hoofd. Ze kon zich goed voorstellen hoe aantrekkelijk ze eruitzag en kreeg dat bevestigd toen hij zijn wenkbrauwen optrok en zei: ‘Er is hierbinnen vast een toilet dat je kunt gebruiken.’

Þóra hield zichzelf in, hoewel ze hem graag een flinke sneer had gegeven. In plaats daarvan glimlachte ze alleen stijfjes naar hem en trok de deur open. Ze liep naar een vrouw die een leeg karretje voor zich uit duwde, en vroeg haar waar de arts te vinden was met wie ze een afspraak hadden. De vrouw vroeg hun eerst of hij hen verwachtte, maar toen wees ze hen in de richting van een werkkamer aan het einde van een gang. Ze zei hun ook even buiten te wachten, daar ze wist dat de arts nog niet terug was van een ochtendvergadering.

Þóra en Matthias gingen op twee versleten stoelen zitten die langs de muur van de gang stonden.

‘Ik wilde je niet beledigen. Sorry,’ zei Matthias zonder echter naar Þóra te kijken.

Þóra had geen zin om over haar uiterlijk te praten en reageerde niet. Ze haalde de sjaal zo waardig mogelijk van haar hoofd en legde hem op haar schoot. Ze reikte naar de stapel verscheurde tijdschriften die op een tafeltje tussen de stoelen lag.

‘Wat voor mensen lezen dit eigenlijk?’ mompelde ze terwijl ze door de stapel heen bladerde.

‘Ik denk dat degenen die hier terechtkomen, niet op zoek zijn naar leesmateriaal,’ antwoordde Matthias. Hij zat rechtop en keek recht voor zich uit.

Þóra legde de stapel geërgerd weg. ‘Nee, misschien niet.’ Ze keek op de klok en zei ongeduldig: ‘Waar blijft die man?’

‘Hij komt wel,’ was het antwoord kortaf. ‘Ik begin trouwens mijn bedenkingen over jou en deze bijeenkomst te krijgen.’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg ze geïrriteerd.

‘Ik denk dat dit erg onplezierig voor je zal zijn,’ antwoordde hij en hij draaide zich naar haar toe. ‘Je hebt geen enkele ervaring met de realiteit van dit soort zaken en ik weet niet zeker of dit wel handig is. Het zou het beste zijn als ik je gewoon zou vertellen wat ter sprake komt.’

Þóra keek hem scherp aan. ‘Ik heb twee kinderen gebaard met bijbehorende pijn, bloed, nageboorten, slijmvliezen en god mag weten wat. Ik overleef het heus wel.’ Ze vouwde haar armen over elkaar heen en draaide zich om. ‘En wat heb jij dan wel gedaan?’

Matthias scheen niet erg vrolijk te worden van deze indrukwekkende ervaringen van Þóra. ‘Van alles en nog wat. Ik wil je die dingen besparen; in tegenstelling tot jou heb ik er geen behoefte aan me daarvoor op de borst te kloppen.’

Þóra sloeg haar ogen ten hemel. Hij was nou niet bepaald een lolbroek, deze Duitser. Ze besloot liever de Wachttoren te bestuderen dan te proberen gesprekken met hem gaande te houden. Ze was halverwege een artikel over de verderfelijke invloed van de televisie op jongeren over de hele wereld toen een man in een witte jas door de gang in hun richting gestormd kwam. Hij was rond de zestig, begon aan zijn slapen grijs te worden maar was verder erg gebruind. Zijn ogen waren omgeven door kleine, witte lachrimpeltjes waaruit Þóra afleidde dat hij in de zon veel plezier gehad moest hebben. Hij bleef voor hen staan en Þóra en Matthias stonden beiden op.

‘Aangenaam,’ zei de man en hij reikte hun de hand. ‘Þráinn Hafsteinsson.’

Þóra en Matthias groetten hem en stelden zich voor.

‘Treedt binnen,’ zei de arts in het Engels zodat Matthias het kon begrijpen, en deed de deur naar zijn werkkamer open. ‘Mijn excuses dat ik zo laat was,’ voegde hij er in het IJslands aan toe en hij richtte zijn woorden tot Þóra.

‘Dat geeft niet,’ antwoordde ze. ‘Er liggen in de wachtkamer zoveel interessante tijdschriften; ik had het liefst nog wat langer willen wachten.’ Ze glimlachte naar hem.

De arts keek haar verwonderd aan. ‘Ja, precies.’ Ze gingen zijn werkkamer binnen waar weinig oppervlakte onbezet was. De wanden waren voor het grootste deel met boekenplanken vol vakliteratuur en tijdschriften in alle soorten en maten bedekt en er stond één enkele archiefkast tussen. De arts liep naar een groot bureau waarop alles keurig geordend was, en ging zitten terwijl hij hun vroeg plaats te nemen in twee stoelen die voor het bureau stonden. ‘Welnu.’ Hij legde beide handen op het bureaublad terwijl hij dat zei, als om er nadruk op te leggen dat nu hun eigenlijke afspraak zou beginnen. ‘Ik neem aan dat we dit gesprek in het Engels moeten voortzetten.’

Þóra en Matthias knikten.

Hij ging verder: ‘Dat zal geen probleem zijn, aangezien ik mijn vervolgopleiding in de Verenigde Staten gedaan heb. Duits heb ik echter niet gesproken sinds ik indertijd bij een mondeling tentamen Duits weggelopen ben, dus dat zal ik jullie besparen.’

‘Zoals ik u aan de telefoon vertelde is Engels prima,’ zei Matthias en Þóra trachtte niet te lachen om zijn zware Duitse accent.

‘Goed,’ zei de arts en hij pakte een gele archiefmap die boven op een stapel bladen voor hem op zijn bureau lag. Hij legde die voor zich neer en maakte aanstalten haar te openen. ‘Ik zou nu moeten beginnen met mezelf te verontschuldigen voor het feit dat het lang geduurd heeft om toestemming te krijgen om het autopsierapport in zijn geheel te laten zien.’ Hij glimlachte verontschuldigend naar hen. ‘De bureaucratie waarmee zulke zaken gepaard gaan is altijd groot en het is niet altijd duidelijk hoe daarmee omgegaan moet worden wanneer de omstandigheden zo ongebruikelijk zijn als in dit geval.’

‘Ongebruikelijk?’ zei Þóra verbaasd.

‘Ja,’ antwoordde de arts. ‘Ongebruikelijk in die zin dat de naaste verwanten er zowel voor kozen een vertegenwoordiger te benoemen om de uitkomsten van de autopsie te bestuderen als vanwege het feit dat het een buitenlands staatsburger betreft.’ Hij glimlachte weer naar hen.

Þóra lachte beleefd terug, maar zag vanuit haar ooghoeken dat Matthias’ gezicht als versteend was.

De arts keek weg en ging verder. ‘Welnu, het rode lint dat daarbij hoorde was niet het enige dat deze zaak bijzonder maakte en ik vind het correct dat jullie dat begrijpen voordat we beginnen.’ De arts keek hen aan en lachte weer. ‘Dit was namelijk de meest wonderlijke en ongewone autopsie die ik ooit meegemaakt heb en ik heb toch het een en ander gezien, toen ik nog studeerde.’

Þóra en Matthias zeiden niets en wachtten totdat hij verderging; Þóra duidelijk meer gespannen dan Matthias, die zo onbewogen bleef als een standbeeld.

De arts schraapte zijn keel en opende de archiefmap. ‘We zullen niettemin beginnen met datgene waarmee een dergelijke rapportage normaliter begonnen wordt.’

‘Zeker, ga uw gang,’ mompelde Matthias, maar Þóra probeerde haar teleurstelling te verbergen. Zij wilde juist de bijzonderheden horen.

‘Nu dan, de doodsoorzaak was verstikking door wurging,’ zei de arts en hij klopte zacht op de gele archiefmap. ‘Als we klaar zijn, zal ik u een kopie van het autopsierapport geven waarmee u onze bevindingen meer gedetailleerd kunt nagaan, als u daar behoefte aan hebt. Het belangrijkste punt wat betreft de doodsoorzaak richt zich op hoe de overledene gewurgd is: we geloven dat daartoe een riem van stof gebruikt is, niet van leer. Degene die dat gedaan heeft, heeft veel kracht gebruikt toen hij of zij die aansnoerde: de verwondingen aan de hals zijn ernstig. Het is echter niet onwaarschijnlijk dat de druk langer aangehouden is dan nodig was om hem te doden, om een of andere reden; waarschijnlijk door gewelddadige haat of agressie.’

‘Hoe weet u dat?’ vroeg Þóra.

De arts rommelde in de map en haalde er twee foto’s uit. Hij legde ze op tafel en draaide ze naar Þóra en Matthias toe. Ze toonden Haralds hals in ernstig toegetakelde toestand. ‘U ziet dat het vlees alleen aan de uiterste randen van het wurgkoord op een paar plaatsen meegegeven heeft, afgezien van het feit dat de huid door de wrijving verbrand is. Dat wijst erop dat de huidoppervlakte enigszins ruw geweest is. Gelet op hoe de verwonding was, schijnt ze niet regelmatig: ongelijkmatig verspreid, als je het precies zou moeten omschrijven.’ De arts onderbrak zijn relaas even terwijl hij naar de andere foto wees. ‘Iets anders opmerkelijks is dat hier, aan de onderkant van de hals, littekens van oudere verwondingen te vinden zijn: zeker niets ernstigs, maar toch interessant.’ Hij keek hen aan. ‘Weet u hier iets van?’

Matthias antwoordde het eerst. ‘Nee, niets.’ Þóra hield zich stil, hoewel ze kon raden waar die littekens van waren gekomen.

‘Dit heeft ongetwijfeld niets met de moord te maken, maar je weet maar nooit.’ De arts scheen verzoend met Matthias’ antwoord; hij ging er tenminste niet op door. Hij wees naar de tweede foto die eveneens van Haralds hals was, maar sterk vergroot. ‘Deze foto is erg verhelderend: hierop zie je hoe een of ander metalen voorwerp – een siergesp van een riem of een ander onbekend voorwerp aan de band die gebruikt is – zich in de hals van de vermoorde jongen geboord heeft. Als u goed kijkt, ziet u iets wat lijkt op een kleine dolk, maar het kan ook iets heel anders zijn; dit is in elk geval geen gipsen afgietsel.’

Þóra en Matthias bogen zich over de foto om het beter te zien. Het voorwerp lag direct naast de man. In de hals was een duidelijke afdruk van een of ander voorwerp te zien. Uit de maat die onder op de foto te vinden was, viel af te lezen dat het voorwerp ongeveer acht tot tien centimeter lang was. De omtrek ervan op de hals leek te wijzen op een kleine dolk of kruis. ‘Wat is dit?’ vroeg Matthias en hij wees naar verwondingen aan weerszijden van deze afdrukken.

‘Er schijnt iets met scherpe randen aan dit kleine voorwerp gezeten te hebben en die hebben de huid beschadigd toen er druk op werd gezet. Ik kan niet nauwkeuriger bepalen wat het geweest is.’

‘En die riem of wat het ook geweest is?’ vroeg Matthias. ‘Heeft men die gevonden?’

‘Nee,’ antwoordde de arts. ‘De dader heeft zich daarvan ontdaan. Hij heeft ongetwijfeld gedacht dat we er sporenmateriaal van hem op zouden vinden.’

‘Zijn jullie daartoe in staat?’ vroeg Þóra.

De arts haalde zijn schouders op. ‘Wie zal het zeggen? Het is op zijn minst duidelijk dat, als er nu – zo lang na de gebeurtenis – sporen gevonden zou worden, er weinig aanknopingspunten zouden zijn om een en ander te verifiëren.’ Hij schraapte zijn keel. ‘Dan is er het geschatte tijdstip van overlijden. Dat is een heel technische aangelegenheid.’ De arts bladerde door de documenten en haalde er een paar pagina’s uit. ‘Ik weet niet hoeveel ervaring u met zo’n proces hebt, dat wil zeggen: hoe wij tot een dergelijke inschatting komen?’ Hij keek naar Þóra en Matthias.

‘Ik heb geen idee,’ zei Þóra vlug. Ze zag dat dit Matthias ergerde die dan ook geen woord zei, maar dat kon haar niets schelen.

‘Dan is het waarschijnlijk goed dat ik kort uitleg hoe dit in zijn werk gaat, zodat u zich ervan bewust bent dat de uitkomsten niet op toverij of vaststaande feiten berusten. Het betreft namelijk slechts mogelijkheden, aangezien de nauwkeurigheid van de uitkomst afhangt van hoe nauwkeurig diverse gegevens of aanwijzingen zijn die verzameld moeten worden.’

‘Verzameld?’ vroeg Þóra.

‘Ja, om een dergelijke schatting te kunnen maken moeten we aanwijzingen verzamelen die op of in het lichaam zelf te vinden zijn of in de nabijheid van de plaats waar het lijk gevonden werd. We maken ook gebruik van aanwijzigingen uit het leven van de overledene, bijvoorbeeld wanneer hij voor het laatst in levenden lijve gezien werd, wanneer hij voor het laatst gegeten had, welke gewoontes hij had enzovoorts. Dat is buitengewoon belangrijk, wanneer het een gewelddadige dood van dit kaliber betreft.’

‘Uiteraard,’ zei Þóra en ze glimlachte naar de arts.

‘Deze informatie of aanwijzingen worden vervolgens gebruikt om zo goed mogelijk te kunnen inschatten wanneer de dood ingetreden is.’

‘Hoe doet u dat?’ vroeg Þóra.

De arts leunde naar achteren in zijn stoel, klaarblijkelijk ingenomen met haar interesse. ‘De methoden zijn van tweeërlei aard: enerzijds zijn ze erop gericht om veranderingen in het lichaam te meten die met een ons bekende snelheid plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld rigor mortis, lijkverstijving, lichaamstemperatuur en het ontbindingsproces. Anderzijds zijn er methoden die zich bezighouden met de vergelijking van informatie met bekende dateringen: wanneer at de overledene het voedsel dat zich in zijn maag bevindt, en in hoeverre is dat verteerd, et cetera.’

‘Wanneer is hij overleden?’ kwam Matthias ertussen.

‘Daar stelt u een goede vraag,’ antwoordde de arts en hij lachte. ‘Om verder te gaan met wat ik aan het zeggen was: het is correct om eerst door de informatie heen te lopen waarvan we gebruik maken bij het schatten van het tijdstip van overlijden. Ik herinner me niet of ik daar daarstraks op gewezen heb, maar hoe eerder het lijk na overlijden gevonden wordt, hoe meer informatie de aanwijzingen blijken op te leveren. In dit geval was anderhalf etmaal verstreken, hetgeen niet slecht is. Met name daar het lijk binnenshuis lag en de hoogte van de temperatuur van de omgeving daarom betrekkelijk goed bekend is.’ Hij opende de gele archiefmap en nam de tekst op een bepaalde pagina door. ‘Volgens het politieonderzoek werd Harald het laatst levend gezien door een anonieme getuige om 23.42 uur op de zaterdagavond in kwestie, toen hij zijn taxi op de Hringbraut betaalde en uitstapte. Je zou daarom kunnen zeggen dat dat het moment is waarna de moord gepleegd moet zijn. Het moment waarvoor de moord gepleegd moet zijn, is dan vanzelfsprekend toen het lijk gevonden werd, oftewel om 7.20 uur op maandagochtend 31 oktober.’

Hij zweeg en keek hen aan. Þóra knikte ten teken dat ze het begrepen had en dat hij verder moest gaan. Matthias’ gezichtsuitdrukking was nog steeds als uit gips gehouwen.

‘Toen de politie net na de vondst van het lijk ter plaatse kwam, werd de lichaamstemperatuur opgenomen en die bleek even hoog als de temperatuur in het gebouw te zijn. Dat maakte meteen duidelijk dat er enige tijd verstreken was sedert het overlijden. Hoe snel dat precies gebeurt hangt van verscheidene zaken af: als iemand mager is, gebeurt het bijvoorbeeld trager dan als iemand dik is, aangezien de oppervlakte voor de afgifte van warmte relatief groter is dan bij een dun persoon.’ De arts zwaaide met zijn handen. ‘Dat is ook de paradox met de kleren en de conditie van het lijk, net als met de pose waarin het zich bevindt en de mate waarin het bewogen is en de luchtvochtigheidsgraad in de naaste omgeving en verscheidene andere zaken. Informatie over dit alles zijn ten dele de aanwijzingen waaraan ik zojuist refereerde.’

‘En wat is daaruit naar voren gekomen?’ vroeg Matthias.

‘Eigenlijk niets. Hiermee konden we niet meer dan het tijdskader bepalen. Het moge duidelijk zijn dat deze methode ons alleen maar aanwijzingen omtrent het tijdstip van overlijden verschaft, als de lichaamstemperatuur anders is dan die van de nabije omgeving.’ Hij zuchtte. ‘Nadat het lijk die temperatuur bereikt heeft, neemt het de temperatuur van de omgeving helemaal aan, zoals u kunt begrijpen. Wij kunnen uitrekenen hoeveel tijd het een lijk kost om de omgevingstemperatuur aan te nemen en daaruit kunnen we als het ware afleiden dat in elk geval die hoeveelheid tijd sinds het overlijden verstreken is.’ Hij keek naar het papier. ‘Hier staat het: in dit geval waren er duidelijk meer dan twintig uur sinds het overlijden verstreken.’

‘Dat is al met al heel interessant; daaraan twijfel ik niet,’ zei Matthias. ‘Toch zou ik graag willen weten wanneer men gelooft dat Harald gestorven is en hoe dat gebeurd is.’ Hij keek niet naar Þóra.

‘Ja natuurlijk; neemt u mij niet kwalijk,’ zei de arts. ‘De rigor mortis gaf aan dat het overlijden minstens een etmaal voordat het lijk gevonden werd plaatsgevonden zou moeten hebben, hetgeen het tijdskader nog kleiner maakt.’ De arts keek om beurten naar Matthias en Þóra. ‘Wilt u dat ik de rigor mortis iets anders toelicht? Ik kan dat in het kort doen, als u wilt.’

‘Graag,’ antwoordde Þóra terwijl Matthias zei: ‘Nee, dank u, dat is niet nodig.’

‘Is het in het algemeen niet beleefd om aan de wensen van een dame gehoor te geven?’ zei de arts en hij glimlachte naar Þóra. Ze glimlachte haar tederste glimlach terug. Matthias wierp haar van opzij een blik toe, nogal zuur naar het Þóra scheen. Ze liet zich er niet door van de wijs brengen.

‘Rigor mortis is, zoals de Latijnse naam al aangeeft, het stijf worden van het lichaam na het overlijden. Een chemische verandering in musculaire eiwitten veroorzaakt deze verandering na een verlaging van de zuurtegraad in de spiercellen na het overlijden. De zuurstof-, glucose- en pH-waarden in de spieren dalen niet. Wanneer vervolgens de hoeveelheid atp-nucleotide tot een vastgestelde kritische waarde daalt, treedt de zogeheten rigor mortis op, aangezien atp het lichaam tegen een verbinding van aktine en myosine beschermt.’

Þóra wilde nadere uitleg over dat gezellige aktine en myosine gaan vragen, maar hield zich vlug in toen Matthias haar hard op haar voet trapte. Ze zei daarom gewoon: ‘Ik begrijp het,’ hetgeen helemaal niet waar was. Ze zag vanuit haar ooghoeken dat Matthias-het-standbeeld die ochtend voor het eerst glimlachte.

De arts ging verder: ‘Rigor mortis begint in de spieren die het vaakst gebruikt worden en verspreidt zich daarvandaan naar alle andere spieren. Als het zijn hoogtepunt bereikt heeft, is het lichaam stijf geworden en wel in die pose waarin het lag toen de rigor mortis de overhand kreeg. Dat stadium duurt trouwens niet lang, omdat de rigor mortis voorbijgaat en het lichaam daarna altijd weer verslapt. Onder gewone omstandigheden heeft de rigor mortis twaalf uur na het overlijden zijn hoogtepunt bereikt en begint na zesendertig tot achtenveertig uur af te zakken. In een geval zoals dat van Harald, waar de doodsoorzaak verstikking is, begint het proces iets later.’ De arts zocht in de papieren, haalde een foto tevoorschijn en reikte hun die aan. ‘Zoals u ziet was het lijk van Harald volledig verstijfd toen het gevonden werd.’

Matthias pakte de foto, die op A4-formaat was, het eerst. Hij keek er onbewogen naar en gaf hem daarna aan Þóra. ‘Het is nogal onfris,’ zei hij, terwijl ze de foto aannam.

Onfris was helemaal niet sterk genoeg om uit te drukken wat Þóra onder ogen kreeg. De foto toonde de jongeman die Þóra van de familiefoto’s als Harald Guntlieb herkende, liggend op de vloer in een ongewone houding die ze op de foto’s uit de map met onderzoeksgegevens gezien had. Vergeleken met wat ze nu onder ogen had, waren die echter zo onduidelijk en slecht gekopieerd geweest dat ze bijna geschikt waren voor publicatie in een sensatiekrant. Haralds ene arm wees vanaf de elleboog recht omhoog, alsof hij naar iets in de lucht wees. Er was niets wat zijn arm in die positie hield of ondersteunde. Desondanks liet de foto tot in gruwelijke details zien dat Harald Guntlieb overleden was. Zijn gezicht was gezwollen, opgezet en vreemd van teint. Þóra was ervan overtuigd dat dat niet kwam omdat er iets misgegaan was bij de ontwikkeling van de foto. Wat echter de grootste afschuw bij haar opriep waren de ogen, of beter gezegd de oogkassen. Ze gaf Matthias de foto gauw terug.

‘Zoals u ziet heeft het lijk waarschijnlijk ergens tegenaan gelegen, naar verwachting een muur, en de arm is daardoor in deze positie gedwongen. U weet ongetwijfeld dat de moord niet daar in die gang begaan is. Hij viel vanuit een hokje de gang in toen een docent op maandagmorgen de deur van dat hok opendeed. Te oordelen naar de verklaring van die man had men het lijk daarin gestopt en het was hetzij tegen de deur gevallen, hetzij er zo in geplaatst, dat het eruit viel toen de deur geopend werd. Zoals op de foto te zien is komt het hok uit op de gang.’

Matthias bekeek de foto en knikte zwijgend. Þóra vond het wel genoeg zo: ze had er geen behoefte aan opnieuw naar die foto te kijken. ‘Maar u hebt ons nog niet verteld hoe laat men aanneemt dat hij gestorven is,’ zei Matthias en hij gaf hem de foto terug.

‘Inderdaad, neem me niet kwalijk,’ zei de arts en hij bladerde door de documenten. Hij rekte zichzelf uit toen hij vond wat hij zocht. ‘Met inachtneming van de inhoud van de maag en de opname van amfetamine in het bloed wordt het tijdstip van overlijden geacht tussen 01.00 en 01.30 uur te liggen.’ Hij keek op en legde dit nader uit. ‘Het tijdstip voor de inname van zowel voedsel als amfetamine was bekend. Hij had die avond om een uur of negen pizza gegeten en amfetaminen gesnoven vlak voordat hij het feestje verliet, oftewel om half twaalf.’ Hij overhandigde Matthias een andere foto die hij uit de stapel haalde. ‘De vertering van pizza is betrekkelijk goed bekend en gedocumenteerd.’

Matthias bekeek de foto zonder enige emotie te tonen. Hij wierp Þóra een betekenisvolle blik toe en gaf haar de foto. ‘Heb je zin in pizza?’

Þóra nam de foto aan die Haralds maaginhoud toonde. Het zou wel even duren voordat ze weer een pizza zou bestellen. Ze trachtte niets te laten merken en gaf de foto aan Matthias terug.

‘De conclusies aangaande de amfetamine werden door het Farmacologisch Instituut verkregen. Jullie krijgen bij het autopsierapport een kopie van het rapport. Er werd trouwens ook een xtc-pil in zijn maag aangetroffen, half verteerd, maar het is niet bekend wanneer die ingenomen werd, dus dat was bij het bepalen van het tijdstip van overlijden niet van nut.’

‘Prima,’ zei Matthias kortaf.

De arts ging verder. ‘U kunt wel raden dat de autopsie aan het licht gebracht heeft dat het lijk na het overlijden verplaatst is, enige uren later. Dat zien we aan een soort kneuzing die zich aan de uiteinden van het lichaam vormt terwijl de bloedsomloop tot stilstand komt. Daarbij begint het bloed zich in een soort poeltjes op te hopen vanwege de zwaartekracht. We merkten dat een dergelijke kneuzing na overlijden te vinden was op plaatsen die niet samengaan: op de rug, de billen en achter op de kuiten, maar ook op de voetzolen, de vingers en de kin. Eerstgenoemde gebieden waren fletser en dat geeft aan dat het lijk in het begin op zijn rug gelegen heeft, maar enige tijd later rechtop gezet is. Voorts dragen zijn schoenen er de sporen van dat het lijk over een korte afstand gesleept is: waarschijnlijk heeft degene die dat deed, het onder de oksels vastgehouden en de benen over het een of ander gesleept. We weten niet waarom dit gebeurd is. De meest voor de hand liggende verklaring is in mijn ogen dat de moordenaar Harald bij hem thuis vermoord heeft, maar zich niet meteen van het lijk kon ontdoen: waarschijnlijk vanwege het feit dat hij dronken was. Waarom hij ervoor koos er in Árnagarður een plekje voor te vinden, is het tweede raadsel. Dat is nu niet bepaald de eerste plaats die iemand te binnen zou schieten, als hij met dit probleem geconfronteerd zou worden.’

‘En de ogen?’ vroeg Matthias.

De arts kuchte. ‘De ogen. Dat is nog een raadsel waar ik geen verklaring voor weet. Zoals de familie bekend is, zijn ze na Haralds overlijden verwijderd, wat naar mijn mening een schrale troost voor de naaste verwanten is. Waarom dit gedaan is, weet ik echter niet.’

‘Hoe haal je eigenlijk de ogen uit een lijk?’ zei Þóra, maar ze had er meteen spijt van het gevraagd te hebben.

‘Ongetwijfeld kun je dat op vele wijzen doen,’ antwoordde de arts. ‘Waarschijnlijk heeft onze moordenaar daartoe een glad instrument gebruikt. Alle littekens – of misschien liever: het gebrek aan littekens – lijken daar tenminste op te wijzen.’ De arts begon door de foto’s te bladeren.

Þóra liet hem vlug ophouden. ‘We geloven u volkomen; we hoeven geen foto’s te zien.’

Matthias keek haar aan en lachte. Hij had er duidelijk plezier in dat Þóra dit onprettig vond na hun woordenwisseling op de gang. Dat ergerde haar en ze besloot hem te laten zien wat er in haar omging. ‘U zei aan het begin dat de autopsie ongebruikelijk en vreemd geweest was. Wat bedoelde u daarmee?’

De arts leunde naar voren en zijn gezicht lichtte op. Hij had er duidelijk naar uitgezien hierover te praten. ‘Ik weet niet hoe na Harald Guntlieb u stond; misschien weet u dit alles allang.’ Hij zocht in de documenten en haalde een paar foto’s tevoorschijn. ‘Dit is wat ik bedoel,’ zei hij en hij legde de foto’s voor Matthias en Þóra op tafel neer.

Het duurde even voordat Þóra besefte waarnaar ze aan het kijken was, maar toen haar dat duidelijk werd kon ze niet anders dan huiveren. ‘Lieve hemel, wat is dit eigenlijk?’ liet ze zich ontvallen.

‘Het is niet verwonderlijk dat u dat vraagt,’ antwoordde de arts. ‘Harald Guntlieb heeft zich duidelijk met zogeheten lichaamsveranderingen beziggehouden: body modification zoals dat geloof ik in het buitenland heet, waar deze activiteit ontstaan is. Eerst meenden we dat dat met zijn tong onderdeel van de verminkingen aan het lijk was, maar toen zagen we dat dit zo was vergroeid, dat de man dit enige tijd terug heeft moeten laten doen; dit is wel wat erger dan een tongpiercing laten zetten, moet ik zeggen.’

Þóra keek van de ene afschuwelijke foto naar de andere. Misselijkheid maakte zich meester van haar en ze stond van haar stoel op. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zei ze vlug door opeengeklemde tanden en ze haastte zich naar de deur. Toen ze de gang in liep, hoorde ze Matthias zogenaamd verbaasd tegen de arts zeggen: ‘Wat gek, en dat voor een moeder van twee kinderen.’

7

In Het Internationale Café was het niet druk. Þóra had juist dat café gekozen, omdat het daar mogelijk was in alle rust en kalmte te praten, dit in tegenstelling tot de meeste andere cafés in de stad. Matthias en zij zouden kunnen praten zonder bezorgd te hoeven zijn dat gasten aan nabijgelegen tafels mee zouden luisteren. Ze zaten afgezonderd in een zijkamer van het etablissement. Op het geblokte tafelblad tussen hen in lag de gele archiefmap met de autopsiegegevens, die Matthias meegekregen had.

‘Het zal je beter gaan nadat je koffie gedronken hebt,’ zei Matthias niet helemaal op zijn gemak en hij keek in de richting van de deuropening, waardoor een serveerster net met hun bestelling weggelopen was.

‘Het gaat uitstekend met mij,’ antwoordde Þóra bits. Dat klopte inderdaad: de misselijkheid die haar bij de arts had overvallen, was voorbij. Ze was van zijn werkkamer naar een toilet gegaan dat ze op de gang gevonden had, en was erin geslaagd zich op te frissen door koud water in haar gezicht te gooien. Ze had altijd een nogal zwakke maag gehad en het had haar eraan herinnerd hoe slecht ze tegen de studieboeken kon die haar ex overal geopend rond liet slingeren toen hij Geneeskunde studeerde. De foto’s in die boeken kwamen nog niet in de buurt van wat ze vanochtend gezien had, misschien wel omdat de foto’s uit die boeken op een of andere manier onpersoonlijker waren. Ze voegde er wat vriendelijker aan toe: ‘Ik weet niet wat me bezielde. Ik hoop dat ik die arts niet beledigd heb.’

‘Het waren geen bijzonder aangename foto’s,’ zei Matthias. ‘De meeste mensen zouden net zoals jij reageren. Ik zei tegen hem dat je net van een ziekte hersteld was waarbij je veel moest overgeven en daarom nog niet in staat was om dit soort dingen te bekijken.’

Þóra knikte. ‘Wat voor de duvel waren dat eigenlijk voor foto’s? Ik dacht dat ik het meeste wel begrepen had, maar bij nader inzien weet ik niet zeker of ik de inhoud van die foto’s wel meegekregen heb.’

‘Nadat jij weggegaan was, zijn wij een aantal ervan langsgelopen,’ zei Matthias. ‘Het heeft er veel van weg dat Harald allerlei mutilaties aan zijn eigen lichaam heeft laten uitvoeren. Volgens de arts zijn de oudste iets van een jaar oud en de meest recente een paar maanden.’

‘Waarom deed hij dat?’ vroeg Þóra. Ze kon met geen mogelijkheid begrijpen wat een jongeman ertoe kon brengen zichzelf te verminken.

‘Joost mag weten waarom,’ antwoordde Matthias. ‘Harald was altijd al anders dan de meeste mensen. Op grond van datgene wat ik van zijn familie te weten ben gekomen, ging hij altijd om met figuren aan de rand van de samenleving. De ene keer waren het milieuactivisten, dan weer een groep die tegen de G8 protesteerde. Toen hij zich uiteindelijk op de studie Geschiedenis gestort had, denk ik dat hij wat richting gekregen had in zijn leven.’ Matthias streek zacht over de gele map. ‘Waarom hij hieraan begonnen is, gaat mijn begrip te boven.’

Þóra zei niets terwijl ze nadacht over de foto’s en de pijn die Harald doorgemaakt moest hebben. ‘Wat was het nou precies op die foto?’ vroeg ze en ze voegde er vlug aan toe: ‘Ik kan het wel aan.’

Intussen kwam de serveerster binnen met de koffie en het hapje eten dat ze besteld hadden. Toen ze weg was, begon Matthias te praten. ‘Het waren allerhande operaties en sneden. Wat me het meest trof was zijn tong. Je hebt waarschijnlijk begrepen dat een van de foto’s van Haralds mondholte was.’ Þóra knikte en Matthias ging verder. ‘Hij heeft zijn tong laten insnijden, om precies te zijn hem over de lengte laten klieven. Hij moest ongetwijfeld op een slangentong gaan lijken, waarvan ik eerlijk moet toegeven dat dat uitstekend bij hem paste.’

‘Kon hij nog wel gewoon praten toen zijn tong zo in tweeën gesneden was?’ vroeg Þóra.

‘Volgens de arts is het niet onwaarschijnlijk dat hij daarna enigszins is gaan slissen, maar hij zei dat dat niet zeker was. Verder wees hij erop dat deze operaties niet op zichzelf stonden: het is natuurlijk heel ongewoon, maar Harald was in elk geval op dit gebied geen pionier.’

‘Hij heeft dit niet zelf gedaan? Wie voert nu zulke operaties op mensen uit?’ vroeg Þóra.

‘De arts meende dat dit vrij recentelijk uitgevoerd is, aangezien het niet helemaal genezen was. Hij had er geen idee van wie er gesneden heeft, maar zei er wel bij dat een ieder die de beschikking heeft over verdovingsmiddelen, tangen en scalpels, dit in een oogwenk zou kunnen doen. Hij zei er ook nog bij dat dezelfde persoon antibiotica en pijnstillers zou moeten hebben of op zijn minst toegang daartoe.’

‘Jezus, dat lijkt me duidelijk,’ zei Þóra, ‘maar dan nog: al die zwellingen, littekens, symbolen en haken en Joost mag weten wat nog meer, wat heeft dat allemaal te betekenen?’

‘Volgens de arts had Harald diverse voorwerpen onder zijn huid laten aanbrengen om hun omtrekken te laten uitkomen. Daarbij zaten ook die haken of spikes die uit zijn schouders staken. De arts zei dat ze naast deze dingen nog tweeëndertig versieringen verwijderd hebben, allemaal uit die kleine zwellingen zoals je bij zijn geslachtsdelen gezien hebt.’ Matthias keek Þóra even ongemakkelijk aan. Ze nam een slok van haar koffie en glimlachte ten teken dat ze dit niet pijnlijk vond. Hij ging verder: ‘Op die plaats zaten ook een soort tekens; die bleken allemaal met zwarte kunst en satanisme verband te houden. Harald had veel uithoudingsvermogen: er waren weinig plekken op zijn lichaam die niet op een of andere manier versierd waren.’ Matthias pauzeerde even om een broodje te eten. Daarna ging hij door: ‘Hij schijnt geen genoegen genomen te hebben met traditionele huidversieringen… Want de tatoeages die hij had waren littekens.’

‘Littekens?’ vroeg Þóra. ‘Had hij zijn littekens laten verwijderen?’

‘Nee nee, het waren tatoeages die gezet worden door in de huid te snijden of de huid weg te halen teneinde een patroon of teken van littekens te maken. Een nogal drastische beslissing om zoiets te laten doen. Ik begreep van de arts dat je van zulke tatoeages niet af kunt komen behalve door behandeling van de huid en dan zou er een ander en groter litteken achterblijven.’

‘Tsja, ja,’ zei Þóra verwonderd. Alles was nu duidelijk. Toen zij jong was, werd het al wild gevonden drie gaatjes in je oor te hebben.

‘De arts zei verder dat één snee aan Harald verricht is nadat hij gestorven was. Eerst dachten ze dat het slechts een van de tatoeages was die hij onlangs had laten zetten, maar bij nader onderzoek kwam aan het licht dat dat niet het geval was. Het was iets wat op een magisch teken leek in zijn borst gesneden.’ Matthias haalde een pen uit de zak van zijn jas en pakte een wit servetje. Hij schetste het teken en gaf het servetje daarna aan Þóra. ‘Dit teken is onbekend,’ vertelde de arts; de politie heeft er althans niets uit kunnen opmaken, dus misschien heeft de moordenaar dat gewoon ter plekke bedacht. Waarschijnlijk waren omstandigheden er de oorzaak van dat hij afgeleid werd en het teken er niet zo uitziet als hij van plan was. Het is niet eenvoudig om in de huid te snijden.’

Þóra pakte het servetje op en bekeek het teken. Het bestond uit vier strepen die een vakje vormden, een soort molen. Aan het uiteinde van de strepen waren er streepjes doorheen gezet die buiten het vak zaten; in het vak was een kleine cirkel getekend.

Þóra gaf Matthias het servetje terug. ‘Ik weet helaas niets van magische tekens af. Ik had ooit een hanger met een rune, maar ik kan me niet herinneren wat die betekende.’

‘We moeten gaan praten met iemand die iets van deze dingen afweet. Wie weet is de politie onzorgvuldig geweest in het onderzoek naar wat dit teken voorstelt. Als we weten wat het betekent, kan dat ons helpen de zaak op te lossen.’ Matthias scheurde het servetje in vieren. ‘In elk geval is de moordenaar tenminste van plan geweest daar zo’n moeite voor te doen. De meeste moordenaars denken aan één ding: na de moord zo snel en zo ver mogelijk weg te komen.’

‘Misschien is de moordenaar krankzinnig,’ opperde Þóra. ‘Je bent toch niet echt bij je verstand als je runen in een lijk snijdt en de ogen eruit haalt.’ Ze huiverde. ‘Tien tegen één dat hij zo stoned als een garnaal was. Hetgeen zou passen bij die arme kerel die nu vastzit.’

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Misschien.’ Hij nam een slok koffie. ‘Of misschien niet. We moeten hem hoe dan ook zo snel mogelijk in de gevangenis opzoeken.’

‘Ik zal contact met zijn raadsman opnemen,’ zei Þóra. ‘Hij moet toch voor een gesprek bij hem langs kunnen gaan en zou er bovendien het voordeel van moeten inzien om ons te helpen bij ons onderzoek. Onze belangen vallen samen: als het ons lukt de moordenaar te vinden die de politie over het hoofd gezien heeft, hebben we vanzelfsprekend ook de cliënt van deze man van blaam gezuiverd. Ik heb de politie ook een formeel verzoek om overdracht van de onderzoeksgegevens gestuurd. Zoiets is heel normaal en voor zover ik weet krijgen de naaste verwanten die vaak zonder omhaal overhandigd, behalve in sommige uitzonderingsgevallen.’

Matthias nam nog een broodje en keek op de klok. ‘Wat vind je ervan als we een kijkje in Haralds woning gaan nemen? Ik heb de sleutels en de politie heeft de spullen die ze bij de huiszoeking meegenomen hebben, al teruggegeven. We kunnen misschien in die spullen neuzen om te zien of er iets nuttigs bij zit.’

Þóra vond het een prima plan. Ze stuurde haar zoon een sms’je en vroeg hem of hij zijn zusje meteen uit de naschoolse opvang wilde halen, zodra hij uit school kwam. Þóra voelde zich beter als ze wist dat Sóley snel thuis was en ze liet haar daarom in zo’n geval soms door haar zoon ophalen. Ze probeerde echter wat dit betrof geen misbruik van Gylfi’s goedheid te maken, maar hij was vaak genoeg bereid om op haar verzoeken in te gaan. Þóra had amper de ‘send’-toets ingedrukt toen het antwoord van Gylfi binnenkwam. Ze opende het bericht en las ‘oké; hoe laat kom je thuis?’ Þóra antwoordde direct dat dat tegen zessen zou zijn en vroeg zich af of ze zich gewoon maar inbeeldde dat Gylfi de laatste tijd erg graag wilde weten wanneer ze precies thuis zou komen. Misschien was het om in alle rust computerspelletjes te kunnen spelen, maar het was in elk geval opvallend hoe hij begonnen was hiernaar te vragen.

Voordat Þóra de telefoon wegstopte, belde ze met het kantoor om te laten weten dat ze haar de eerstkomende uren niet hoefden te verwachten. Niemand nam op: het antwoordapparaat ging na vijf keer overgaan aan. Þóra liet een bericht achter dat ze niet naar het kantoor zou komen en hing op. Het merendeel van Bella’s werkzaamheden bestond uit het aannemen van de telefoon, maar hoe zelden Þóra ook naar kantoor moest bellen, slechts in de helft van de gevallen werd de telefoon opgenomen. Þóra zuchtte: ze wist dat het geen enkele zin had dit nog een keer met die secretaresse uit het jaar nul te bespreken. ‘Oké, ik ben klaar,’ zei ze tegen Matthias, die de tijd gebruikt had om wat er van het eten over was, op te eten. Þóra nam de laatste slok koffie uit haar kopje voordat ze opstond en haar jas aantrok.

Ze gingen naar de kassa, waar Matthias afrekende, voordat ze het café verlieten. Hij wees er nadrukkelijk op dat dit alles op kosten van de familie Guntlieb was, maar het was Þóra niet duidelijk of hij dit deed omdat hij niet wilde dat zij dacht dat hij het haar aangeboden had, of dit gezegd had uit de pure plicht tot het geven van uitleg. Ze knikte ongeïnteresseerd en bedankte hem.

Ze liepen de vrieskou in en gingen naar de parkeergarage waar ze de huurauto geparkeerd hadden. De woning van Harald was aan de Bergstaðastræti niet ver van de Hverfisgata. Þóra was goed bekend in de wijk Þingholt sinds ze aan de Skólavörðustígur was gaan werken, dus ze kon Matthias zonder problemen de weg wijzen. Hoewel er niet veel straten in de wijk waren, kon het verwarrend zijn voor degenen die er niet bekend waren om al rijdend door de tamelijk nauwe straatjes met eenrichtingsverkeer de weg te vinden. Ze vonden een parkeerplaats pal voor een eerbiedwaardig wit stenen huis aan de Bergstaðastræti, waarvan Matthias zei dat het Haralds woning was. Het was een van de aantrekkelijker gebouwen in de wijk: zo te zien goed onderhouden en Þóra wilde zich dan ook geen voorstelling maken hoe hoog het getaxeerd was. Het verklaarde althans de duizelingwekkend hoge huur die ze in de huurovereenkomst van Harald gezien had.

‘Ben je hier al eens eerder geweest?’ vroeg Þóra terwijl ze naar een deur aan de zijkant van het huis liepen. De hoofdingang, die op de straat uitkwam, gaf volgens Matthias toegang tot een andere woning op de begane grond, waar de eigenaren van het huis woonden.

‘Ja, een paar keer om precies te zijn,’ antwoordde Matthias. ‘Dit is echter pas de tweede keer dat ik er uit eigen beweging naartoe ga, om het zo maar te zeggen. De eerste keren ben ik hier met de politie geweest. Ze hadden een getuige nodig toen ze omwille van het onderzoek enige papieren en voorwerpen weghaalden en daarna nog een keer toen ze die terugbrachten. Ik ben er vrijwel zeker van dat wij het appartement veel nauwkeuriger kunnen onderzoeken dan de politie deed. Ze hadden voor zichzelf al besloten dat deze Hugi de moordenaar was en hebben de woning daarom dus meer pro forma onderzocht.’

‘Is de woning net zo ongewoon als de bewoner was?’ vroeg Þóra.

‘Nee, ze is heel gewoon,’ antwoordde Matthias en hij stak een van de twee sleutels in het slot van de buitendeur. De sleutels hingen aan een stalen sleutelhanger waarop een afbeelding stond van de IJslandse vlag. Þóra trok daaruit de conclusie dat de sleutelhanger apart voor deze sleutels in een van de souvenirwinkels in de stad gekocht was. Ze zag Harald niet direkt voor zich op zo’n winkeltochtje, omgeven door IJslandse wollen truien en papegaaiduikers. ‘Ga je gang,’ zei Matthias, terwijl hij de deur opende.

Voordat Þóra binnen kon gaan, kwam er een jonge vrouw om de hoek, die hen in vrijwel vlekkeloos Engels aansprak. ‘Pardon,’ zei ze, terwijl ze de getailleerde trui die ze aanhad dichter om zich heen trok om de kou af te weren. ‘Bent u hier niet namens de familie van Harald?’

Aan de kleren van de vrouw kon Þóra afleiden dat ze uit de andere woning gekomen moest zijn. Matthias reikte de vrouw de hand en zei in het Engels: ‘Ja, hallo; we hebben elkaar ontmoet toen ik de sleutels bij u opgehaald heb. Ik heet Matthias.’

‘Ja, dat herinner ik me,’ zei de vrouw. Ze schudde Matthias de hand en glimlachte. Ze was heel aantrekkelijk, slank met mooi gekapt haar en een mooi, opgemaakt gezicht, overduidelijk zeer bemiddeld. Toen ze glimlachte, zag Þóra dat ze misschien toch niet zo jong was als ze op het eerste gezicht leek, aangezien er zich vele rimpeltjes om haar mond en ogen gevormd hadden. De vrouw gaf Þóra een hand. ‘Hallo, ik heet Guðrún,’ zei ze in het IJslands en ze liet erop volgen: ‘Mijn man en ik waren Haralds huurbazen.’

Þóra stelde zich voor en glimlachte terug. ‘We wilden alleen maar een beetje rondkijken. Ik weet niet hoelang we nodig hebben.’

‘O, geen enkel probleem,’ zei de vrouw vlug. ‘Ik vroeg me alleen wel af of er al bericht was over wanneer de woning vrijkomt.’ Ze lachte weer, ditmaal verontschuldigend. ‘We hebben al wat aanvragen gekregen, begrijpt u.’

Þóra begreep het helemaal niet. Zij wist immers niet beter dan dat de familie Guntlieb de huur nog betaalde en men het toch heel goed zou moeten vinden om een woning voor die prijs te verhuren zonder dat dit met ongemak van de huurders gepaard ging. Ze wendde zich naar Matthias, die de vrouw daar waarschijnlijk antwoord op zou kunnen geven.

‘Tot mijn spijt zal dat niet in de nabije toekomst gebeuren,’ antwoordde hij kortaf. ‘De overeenkomst blijft bestaan; dat heb ik u de laatste keer toen we over deze zaak spraken laten weten.’

De vrouw haastte zich om zich te verontschuldigen. ‘Ja, ja, begrijp me niet verkeerd; dat is ook zo. Het leek ons alleen prettig te weten wanneer de familie van plan is de huur op te zeggen. Dit is een duur bezit en het is niet altijd makkelijk huurders te vinden die de vastgestelde huur kunnen betalen.’ De vrouw keek ongemakkelijk naar Þóra. ‘We hebben namelijk een aanbod van een van die grote winkelondernemingen gekregen. Dat is van een dusdanige aard, dat het moeilijk is er nee tegen te zeggen. Ze willen de woning binnen twee maanden hebben, dus vraag ik me af wat u van plan bent. U begrijpt dat toch wel?’

Matthias knikte. ‘Ik begrijp uw dilemma, maar ik kan in de huidige situatie helaas niets beloven,’ zei hij. ‘Het hangt er allemaal van af hoe het gaat met het uitzoeken van Haralds bezittingen. Ik kan u verzekeren dat we niets mee zullen nemen dat van belang zou kunnen zijn.’

De vrouw, die inmiddels rilde van de kou, knikte heftig. ‘Als ik iets kan doen om dit te versnellen, laat u het me dan vooral weten.’ Ze gaf hun een visitekaartje van een importbedrijf dat Þóra niet herkende. Daarop stond de naam van de vrouw en haar telefoonnummer te lezen, en ook een gsm-nummer.

Þóra viste haar kaartje uit haar handtas en gaf dat in ruil aan de vrouw. ‘Neemt u ook het mijne en belt u als u of uw man zich iets herinnert dat ons wellicht zou kunnen helpen. We proberen erachter te komen wie Harald vermoord heeft.’

De vrouw zette grote ogen op. ‘Hoe zit het dan met de man die de politie in hechtenis heeft?’

‘We hebben er twijfels over dat hij de moordenaar is,’ antwoordde Þóra. Ze kreeg het gevoel dat de vrouw geschokt was toen ze dit hoorde. Ze liet er vlug op volgen: ‘Ik denk niet dat u zich nu zorgen hoeft te maken: wie het ook is, het is nauwelijks waarschijnlijk dat hij hierheen zal komen.’ Ze glimlachte.

‘Nee, dat was het niet,’ zei de vrouw gehaast. ‘Ik dacht alleen dat dit allemaal afgerond was.’

Ze namen afscheid en Þóra en Matthias gingen de warmte van de woning binnen. In de hal stonden ze voor een witgelakte trap naar de eerste verdieping, waar de woning te vinden was. Verder was er een deur waarvan Matthias haar zei dat die toegang gaf tot een gezamenlijke wasruimte. Ze liepen de trap op en op de overloop opende Matthias de woning met de andere sleutel aan de sleutelhanger-met-de-vlag.

Het eerste wat Þóra te binnen schoot toen ze naar binnen ging, was dat Matthias een nogal ruime uitleg aan de feiten had gegeven toen hij zei dat de woning ‘heel gewoon’ was. Ze keek verwonderd om zich heen.

8

Gunnar Gestvík, hoofd van de vakgroep Geschiedenis van de universiteit van IJsland, liep met snelle passen de gang in naar de werkkamer van de directeur van het Árni Magnússon-instituut en knikte afwezig naar een jonge geschiedkundige, die hij onderweg tegenkwam. De jongeman glimlachte wat ongemakkelijk en Gunnar werd opnieuw herinnerd aan zijn recent verkregen bekendheid binnen de universiteit en in het bijzonder op zijn instituut. Weinig mensen schenen te kunnen vergeten dat het lijk van Harald Guntlieb op hem terechtgekomen was, hoewel men zich de schok die hij als vindersloon te verduren gekregen had, niet herinnerde. Hij was nooit bijzonder populair geweest, om het zo uit te drukken, en maar weinigen van hen die nu een omweg voor lief namen om met hem te kunnen praten, konden met enig recht als vrienden geclassificeerd worden. Deze situatie moest natuurlijk eens voorbijgaan, maar God alleen wist hoe vreselijk moe hij ervan geworden was domme vragen van mensen over dit incident te moeten beantwoorden: vragen die alleen voortkwamen uit pure nieuwsgierigheid. Hij walgde van het gezicht dat mensen steeds trokken, wanneer ze op het punt stonden hun vragen te stellen. Het was een blik die tegelijkertijd rouw om de voortijdige dood van een jongeman en medelijden met Gunnar moest tonen, maar de uitwerking was zonder uitzondering heel anders. Op de gezichten van mensen was af te lezen dat ze alleen maar belangstelling hadden voor deze onaangename man, omdat dit voorval een ander was overkomen dan hunzelf. Had hij misschien het advies van de rector moeten opvolgen en twee maanden onderzoeksverlof moeten nemen? Hij wist het echt niet. De mensen zouden misschien de meeste belangstelling al verloren hebben, als die periode voorbij was. Maar aan de andere kant zou de interesse aan het einde daarvan weer kunnen opbloeien, zodra de zaak voor het gerecht zou komen. Hij zou het onvermijdelijke dan alleen maar uitstellen door verlof te nemen. Hij zou er dan alleen maar de bron van eindeloze roddel van worden dat hij zich voor een zenuwinzinking liet behandelen, zich thuis zat te bedrinken of nog erger. Nee, waarschijnlijk was het de juiste beslissing om het verlof af te slaan en het maar over zich heen te laten komen. Uiteindelijk zouden de mensen genoeg van dit onderwerp van discussie krijgen en hem weer gaan mijden.

Gunnar klopte zachtjes op de deur van María Einarsdóttir, de directeur van het instituut. Het was meer uit beleefdheid dan uit iets anders, aangezien hij de deur meteen opende zonder te wachten op de mededeling dat hij binnen mocht komen. Ze zat aan de telefoon en gaf Gunnar met een handgebaar te kennen dat hij plaats moest nemen, hetgeen hij dan ook deed. Ongeduldig zat hij te wachten totdat ze het telefoongesprek afsloot, dat te maken scheen te hebben met de bestelling van een toner voor de printer die niet geleverd was.

Gunnar trachtte er weinig van te laten merken hoezeer hem dit ergerde: toen María hem een paar minuten eerder opgebeld had, had ze gezegd dat het een ernstige aangelegenheid betrof en de wens uitgesproken dat hij meteen zou komen om het met haar te bespreken. Hij had de werkzaamheden waarmee hij op dat moment bezig was – een aanvraag voor een Erasmus-subsidie voor de vakgroep Geschiedenis in samenwerking met de universiteit van het Noorse Bergen – laten liggen. De aanvraag moest in het Engels opgesteld worden en Gunnar was net lekker op dreef, toen María belde. Als deze ernstige aangelegenheid van haar die toner betrof, zou hij haar eens ongezouten de waarheid zeggen. Hij was al begonnen enige welgekozen woorden te verzamelen, toen ze ophing en haar aandacht op hem richtte.

Voordat ze begon te praten, keek ze peinzend naar Gunnar, alsof ze zelf zorgvuldig haar woorden aan het kiezen was. De vingers van haar rechterhand tokkelden snel op het bureaublad en ze zuchtte diep. ‘Jezus,’ zei ze uiteindelijk.

Ze had zo te zien haar tijd niet aan een zorgvuldige woordkeuze besteed, dacht Gunnar, terwijl hij probeerde niet te laten blijken hoe ongepast hij het vond dat de directeur van het Árni Magnússon-instituut dergelijke woorden in de mond durfde te nemen. De tijden waren volkomen veranderd sinds Gunnar een jongeman was, zo’n veertig jaar geleden: toen werd het wenselijk geacht op je woorden te letten, nu vond men dat stom en overdreven. Liever gezegd: een vrouw als María, hoger opgeleid en op het hoogtepunt van haar carrière, nam grofheden in de mond. Gunnar kuchte. ‘Wat was er nou zo dringend, María?’

‘Jezus,’ herhaalde ze en ze haalde beide handen door haar kortgeknipte haar. Het was pas begonnen grijs te worden en dat was te merken aan een paar zilveren haren bij haar slapen, zichtbaar toen ze het op deze manier door de war maakte. Ze schudde haar hoofd en kwam eindelijk ter zake: ‘Er ontbreekt een brief.’ Na een korte stilte: ‘Er is een brief gestolen.’

Gunnar schudde weer met zijn hoofd en hij kon zijn verbazing en ontstemdheid niet verbergen. ‘Wat bedoel je eigenlijk? Gestolen? Uit het museum?’

María zuchtte. ‘Nee. Niet uit het museum: hier, binnen het instituut.’

Gunnar zat met zijn mond open. ‘Binnen het instituut? Hoe is dat nu mogelijk?’

‘Dat is een goede vraag: dit is voor zover ik weet de eerste keer dat hier zoiets gebeurd is.’ Met scherpere stem liet ze erop volgen: ‘Wie weet, misschien is er iets meer dan deze ene brief verdwenen. Zoals je heel goed weet, worden hier ongeveer zeshonderd handschriften en delen van handschriften uit de verzameling van Árni Magnússon bewaard, afgezien van alle brieven uit die verzameling en zo’n honderdvijftig handschriften uit de koninklijke boekencollectie. Ja, en dan nog zeventig andere handschriften en brieven uit diverse plaatsen.’ Ze onderbrak haar verhaal even en keek Gunnar recht in de ogen. ‘Het is volkomen duidelijk dat elk afzonderlijk document hier nu nagetrokken wordt om te zien of er meer documenten verdwenen zijn. Ik wilde dit echter onder vier ogen met je bespreken, voordat ik het openbaar zou maken. Zodra ik de opdracht tot het natellen geef, wordt het iedereen duidelijk wat er aan de hand is.’

‘Waarom wil je mijn mening hierover weten?’ vroeg Gunnar verbaasd en enigszins geërgerd. Hij hoefde als vakgroepshoofd weinig contact met het instituut te hebben en had daar ook geen bijzondere functie. ‘Je beschuldigt me er toch niet van dat ik die brief meegenomen heb?’

‘In hemelsnaam, Gunnar. Het is het beste dat ik je dit meteen uitleg, voordat je vraagt of ik de rector verdenk.’ Ze gaf hem een brief die op haar bureau lag. ‘Herinner je je de documenten die we van het Deens staatsarchief te leen kregen?’

Gunnar schudde zijn hoofd. Het instituut kreeg vaak buitenlandse collecties te leen, die op een of andere wijze met onderzoeksprojecten te maken hadden waaraan binnen het instituut gewerkt werd. Gunnar schreef er vaak genoeg over, maar zoiets bleef hem niet in het bijzonder bij, behalve als het documenten betrof die met zijn aandachtsgebieden binnen de wetenschap te maken hadden. Deze Deense brievenverzameling had daar duidelijk niet bij gehoord. Hij las de brief door die door ene Karsten Josephsen, afdelingshoofd van het Deens staatsarchief, geschreven was. De brief was in het Deens geschreven en diende ter herinnering dat de documenten binnenkort teruggezonden dienden te worden naar Denemarken. Hij gaf María de brief terug. ‘Ik was hier niet van op de hoogte.’

Ze nam de brief aan en legde hem weer op dezelfde plek voor zich op het bureau. ‘Dat kan goed zijn. Het betreft een verzameling brieven die aan de priester van de kathedraal in Hróarskelda geschreven werden. Ze stammen allemaal uit de periode 1500-1550. Ik begrijp dat er niet heel veel bij zat dat de interesse van onze geleerden gewekt heeft, hoewel de brieven die in 1536 gedateerd zijn, dus rond de tijd van de reformatie in dat deel van het land, interessant waren. De brief die verdwenen is, hoorde daar echter niet bij.’

‘Waar ging die brief over?’ vroeg Gunnar, die nog steeds niet wist in welk opzicht dit allemaal voor hem relevant kon zijn.

‘Ik weet natuurlijk niet precies wat er in de brief stond, omdat die verdwenen is; ik weet wel dat hij uit 1510 was en door Stefán Jónsson, de toenmalige bisschop op Skálholt, geschreven was aan de priester van de kathedraal in Hróarskelda. Deze informatie heb ik uit een index die bij de verzameling zat, toen die naar IJsland gestuurd werd. Zo ontdekte ik ook dat deze brief verdwenen was: ik heb gebruik gemaakt van die index bij het inpakken en klaarmaken van de collectie voor het retourneren naar Denemarken.’

‘Kan het zijn dat de brief nooit hierheen gekomen is: dat hij gewoon vanaf het begin al ontbrak?’ vroeg Gunnar hoopvol.

‘Uitgesloten,’ was het antwoord. ‘Ik was erbij toen de collectie vorig jaar in ontvangst genomen werd en er is natuurlijk op gelet dat de collectie vergeleken werd met de index die erbij zat. Het was allemaal pico bello in orde en alles zat op zijn plek.’

‘Is deze brief niet gewoon ergens uitgeleend?’ vroeg Gunnar. ‘Zou men hem niet per ongeluk met andere documenten uitgeleend kunnen hebben?’

‘Weet je,’ antwoordde María, ‘als dit niet vaker zou gebeuren, zou dat zeker een mogelijkheid kunnen zijn.’ Ze zweeg even om nadruk te leggen op wat ging volgen. ‘Toen ik de verdwijning ontdekte, ben ik meteen in ons computersysteem naar de brief gaan kijken; je weet waarschijnlijk dat we elk afzonderlijk document inscannen dat door ons bewaard wordt, of het nu in ons bezit is of slechts in bruikleen?’ Gunnar knikte en María ging verder. ‘En wat denk je? Het bestand was net gewist: uitgerekend deze ene brief.’

Gunnar dacht er nog eens over na. ‘Ho nou eens even. Is er niet gewoon een aanwijzing dat de brief helemaal niet bij die zending gezeten heeft? Werden de brieven niet wat haastig ingescand nadat ze in ontvangst genomen waren?’

‘Ja, daar werd een dag later mee begonnen. Maar die brief was erbij en hij werd ingescand. Ik kan dat zien aan het nummeringssysteem dat we gebruiken om bestanden in het geheugen mee te markeren. De verzameling krijgt een vast kengetal en de afzonderlijke documenten krijgen daarin oplopende volgnummers, met de bestanden gerangschikt naar leeftijd van de documenten: het oudste het eerst in de rangorde.’ Ze streek weer met haar vingers door haar haar. ‘Er ontbreekt een nummer op de plaats in de rangorde waar deze brief terechtgekomen was.’

‘Maar hoe zit het met de back-ups van het computersysteem? Er is steeds op gehamerd hoe goed we tegen crashen van de computer beveiligd zijn. Kun je geen back-up van dit ene bestand vinden?’

María glimlachte met moeite. ‘Ik heb dat al nagetrokken. Volgens onze netwerkbeheerder is dit bestand noch in de dagelijkse back-ups, noch in de meest recente maandelijkse back-up te vinden. Hij zegt dat de dagelijkse spoelen elke week vervangen worden: naar het schijnt zijn er afzonderlijke spoelen voor maandag, afzonderlijke spoelen voor dinsdag, enzovoorts. Daarom zijn er geen oudere back-ups dan van een week oud op die spoelen. Hetzelfde geldt voor de maandelijkse back-ups: die worden ook steeds vervangen, zodat de oudste back-up die we hebben, een maand oud is. Dit bestand is meer dan een maand geleden gewist. Trouwens, er is een back-up die zes maanden oud is, die ligt opgeslagen in de kluis van het instituut. Ik heb die niet laten ophalen, aangezien ik me er eerder niet ten volle van bewust was hoe ernstig de zaak in feite is.’

‘Je hebt me nog niet verteld waar ik in deze geschiedenis ten tonele verschijn,’ was het enige wat Gunnar zo gauw wist te zeggen. Met computers en computersystemen had hij maar weinig van doen.

‘Vanzelfsprekend heb ik uitgezocht wie met deze verzameling gewerkt hebben. Dat wordt, zoals je weet, tot in den treure gedocumenteerd. Volgens het register was de laatste persoon die er toegang toe gekregen heeft, een student uit jouw vakgroep.’ María’s gelaatsuitdrukking verhardde zich. ‘Harald Guntlieb.’

Gunnar bracht zijn ene hand naar zijn voorhoofd en deed zijn ogen dicht. Wat nu weer? Zou het dan nooit ophouden? Hij haalde diep adem en deed zijn uiterste best om zacht en rustig te praten om niet de controle over zijn stem kwijt te raken. ‘Hoe weet je nu zeker dat Harald die brief meegenomen heeft en niet iemand vóór hem? Er werken hier momenteel vijftien man in volledige aanstelling, naast talloze gasten, studenten die hier met onderzoek bezig zijn.’

‘O, ik weet het zeker,’ zei María ferm. ‘Degene die de verzameling vóór hem bekeken heeft, was niemand anders dan ikzelf en toen was alles nog op zijn plek. Daarnaast was er een ander papier gestoken in de archiefmap die de brief bevatte, waarschijnlijk om die niet leeg te hoeven terugzetten: dat zou meteen argwaan gewekt hebben. Dat papier neemt alle twijfel weg.’ Ze pakte een document van de tafel en gaf dat met een snelle beweging van haar hand aan Gunnar, hetgeen haar frustratie over hoe de zaken ervoor stonden duidelijk liet zien. ‘Ik hoop dat je begrijpt dat studenten van de vakgroep Geschiedenis onder jouw verantwoordelijkheid vallen als ze toegang krijgen tot onze gegevens, handschriften en documenten. Jij als vakgroepshoofd kunt je niet aan die verantwoordelijkheid onttrekken. We kunnen het als instituut niet hebben dat we de reputatie krijgen dat hier oude en waardevolle documenten verdwijnen. Ons werk leunt voor een groot deel op een goede samenwerking met andere, soortgelijke instituten in Scandinavië en ik moet er niet aan denken dat die samenwerking wegens de oneerlijkheid van jullie studenten gevaar gaat lopen.’

Gunnar slikte en keek naar het papier dat María hem gegeven had. Hij had er nog het meeste zin in zijn handen in wanhoop ten hemel te heffen en ervandoor te gaan. Het was een uitgeprinte lijst van studenten met een overzicht van afgeronde vakken en onderwerpen; de naam Harald Guntlieb was netjes als eerste op het blad aangestreept. Gunnar legde het papier op zijn schoot. ‘Als Harald de brief gestolen heeft en voor dit papier hier verwisseld heeft, dan is hij een waardeloze dief. Hij moest toch begrijpen dat dit hem zou verraden.’ Gunnar hield de print in de lucht en zwaaide hem heen en weer.

María haalde haar schouders op. ‘Hoe moet ik weten wat hij dacht? Ik geloof toch echt niet dat hij van plan was de brief terug te leggen. Jij weet beter dan wie ook waarom dat niet gebeurd is: hij heeft slechts een maand voordat hij uit de kast en op jou viel, toegang tot onze documentencollectie gekregen. Ongetwijfeld heeft hij in het registratiesysteem gezien dat de verzameling toen ongeveer twee maanden onaangeroerd geweest was: toen was iedereen die dat moest, klaar met het grondig bestuderen van de collectie. Hij heeft terecht gedacht dat hij wat tijd had voordat dit ontdekt zou worden, en dat hij hem weer zou kunnen omruilen voordat het zo ver was. Wat hij in de tussentijd met het document dacht te doen, is mij een volkomen raadsel. Dat wil zeggen, hij heeft niet lang genoeg geleefd om het terug te leggen. Een betere verklaring kan ik voor deze toestand niet bedenken.’

‘Wat wil je dat ik doe?’ vroeg Gunnar zwakjes.

‘Wat denk je dat ik wil?’ zei María spottend. ‘Ik heb je niet benaderd voor morele ondersteuning. Ik wil dat je dat document vindt.’ Ze gebaarde heftig met haar handen. ‘Zoek daar waar hij dingen las, en op andere plaatsen waar hij waarschijnlijk een plek gevonden had om het document te verbergen. Jij weet beter dan ik waar het beste te zoeken valt. Het was jouw student.’

Gunnar verbeet zich. Hij vervloekte de dag waarop Harald Guntlieb tot zijn afdeling toegelaten was en bracht zichzelf in herinnering hoe hij zich als enige tegen diens aanvraag verzet had. Hij had meteen een onbehaaglijk gevoel gekregen, in het bijzonder toen hij het onderwerp van zijn bachelorscriptie gezien had, die over heksenvervolgingen in Duitsland gegaan was: toen wist hij meteen dat de komst van deze jongeman niets goeds voorspelde. De democratie was echter sterker geweest dan hij en nu zat hij met deze ramp, naast alle andere ellende die de jongen met zich meegebracht had. ‘Wie weten hier allemaal van?’

‘Ik. Jij. Met anderen heb ik dit niet besproken, behalve met de netwerkbeheerder en hij kent niet het hele verhaal: hij denkt dat dit alleen over de back-up van documenten in het geheugen gaat.’ Ze aarzelde even. ‘Dus ging ik ook naar Bogi: hij heeft aan die verzameling gewerkt, nadat die net hierheen gebracht was, en ik probeerde hem het hemd van het lijf te vragen. Hij vermoedt dat alles niet zo erg is als het lijkt. Hij gelooft er niets van dat de brief in omloop geraakt is; ik heb geen verdenkingen uitgesproken over het feit dat die gestolen zou zijn.’

Bogi was een van de wetenschappers in vaste dienst van het instituut. Het was een stille man en het leek Gunnar onwaarschijnlijk dat hij hieraan ruchtbaarheid zou gaan geven. ‘Wanneer moet de collectie terug in Denemarken zijn? Hoeveel tijd heb ik om de brief boven water te krijgen?’

‘Ik kan het op zijn hoogst een week rekken. Als de brief in die periode niet gevonden wordt, kan ik niet anders dan de verdwijning bekendmaken. Ik wijs er wel op dat jouw naam daarbij vaak ter sprake zal komen. Ik zal alles wat in mijn macht staat, ertoe aanwenden dat deze blaam jullie treft en niet ons. In de wandelgangen hoorde ik trouwens dat dit niet de eerste keer was dat er documenten verdwenen zijn en dat jouw afdeling daarmee te maken had.’

Gunnar stond met rode konen op. ‘Ik begrijp het.’ Hij durfde niets meer te zeggen nu de zaken er zo voor stonden, maar draaide zich toch in de deuropening om. Hij wilde de vraag stellen die hem op de tong gebrand had, hoewel hij het liefst waardig weg wilde lopen, na de deur hard dichtgeslagen te hebben. ‘Heb je geen enkel idee wat er in die brief stond? Je zegt dat de collectie aan alle kanten onderzocht is; iemand moet het zich toch herinneren.’

María schudde het hoofd. ‘Bogi herinnerde zich er weinig van. Hij was bezig aan een onderzoek over de stichting van het Deense bisdom Sjælland en de invloed daarvan op de geschiedenis van de IJslandse kerk. Dat was vrij lang nadat deze brief geschreven werd, zodat hij hem niet bijzonder nauwkeurig onderzocht heeft. Hij herinnerde zich wel dat de brief slecht te begrijpen was en dat hij iets te maken had met de hel, een epidemie en de dood van een bode. Dat was het enige dat ik uit hem kon trekken zonder dat hij zou gaan vermoeden hoe het precies zat.’

‘We houden contact,’ zei Gunnar bij het weggaan. Hij liep naar buiten en deed de deur achter zich dicht zonder een beleefdheidsgroet van María af te wachten.

Eén ding was duidelijk: hij moest deze brief vinden.

9

Þóra liep langzaam rond over het glanzende parket van een gigantische woonkamer. De kamer was minimalistisch ingericht, wat tegenwoordig als bijzonder chique beschouwd werd. De paar meubelen die er stonden, gaven duidelijk aan dat ze het nodige gekost hadden. Twee grote, strakke, zwartleren banken stonden in het midden van de kamer; ze waren een stuk lager dan de banken waaraan Þóra gewend was. Ze had er heel veel zin in om op een van de twee te gaan zitten om hem uit te proberen, maar ze wilde Matthias niet laten merken hoe nieuw dit alles voor haar was. Tussen hen stond een lagere bijzettafel waarvan het leek of hij nauwelijks poten had: het leek er nog het meest op dat het tafelblad op de vloer rustte. Ze wendde haar blik van de meubelen en liet haar ogen over alles gaan wat aan de muren hing. Afgezien van een grote flatscreentelevisie in het midden van een muur leken de werken die er hingen op het eerste gezicht allemaal heel oud. Verder stonden er een paar oude voorwerpen: onder andere een grove houten stoel, waarvan Þóra aannam dat hij echt was en geen reproductie. Ze overlegde bij zichzelf of Harald zelf iets met het resultaat te maken had gehad of dat een binnenhuisarchitekt dit alles geadviseerd had. Het samenbrengen van zulke oude en nieuwe meubels maakte de kamer heel ongewoon en gaf het een persoonlijk tintje.

‘Wat vind je ervan?’ vroeg Matthias achteloos. Zijn toon gaf aan dat hij in tegenstelling tot Þóra aan rijkdom gewend was.

‘Het is echt een chique woning,’ antwoordde ze, terwijl ze naar een witgeverfde muur liep om een ingelijste ets te bekijken, die oeroud scheen te zijn. Ze keek naar de afbeelding en deed meteen een stap terug. ‘Wat voor walgelijks is dit nu weer?’ Op de ets gebeurde van alles en de kunstenaar had er alle moeite voor moeten doen om alle mensen die op de afbeelding stonden, erop te krijgen. Bij elkaar waren dat zo’n twintig man op de niet ingekleurde afbeelding – hoofdzakelijk mannen – en ze waren handig in paren opgesteld, aangezien de een bezig was de ander te pijnigen of hem op een of andere wijze te straffen.

Matthias liep naar haar toe en keek naar de afbeelding. ‘Dit?’ Zijn gezicht vertrok een beetje, waarna hij zei: ‘Dit is een ets die Harald van zijn grootvader geërfd heeft. Het is Duits en toont de toestand in Duitsland rond zestienhonderd of daaromtrent, toen de geloofsstrijd daar op zijn hoogtepunt was. Zoals je ziet was daar het een en ander gaande.’ Matthias wendde zich van de ets af. ‘Wat dit werk bijzonder maakt, is dat het uit de tijd zelf stamt en geen afbeelding is van die toestand door latere kunstenaars: dergelijke afbeeldingen zijn vaak onrealistisch en meer overdreven. Misschien is dit een verandering van de stijl geweest.’

‘Meer overdreven?’ vroeg Þóra sprakeloos. Wat kon er meer overdreven zijn dan dit?

‘Ja, of zoiets,’ antwoordde Matthias en haalde de schouders op. ‘Door mijn werk voor de familie Guntlieb ben ik enigszins op de hoogte van deze periode geraakt en geloof me: dit is nog lang niet de akeligste afbeelding in hun verzameling.’ Hij lachte schamper. ‘Vergeleken met de allerergste kan dit werk nog in een kinderkamer opgehangen worden.’

‘Mijn dochter heeft een poster van Minnie Mouse aan haar muur hangen,’ zei Þóra en ze liep naar de volgende afbeelding. ‘Je kunt er zeker van zijn dat zo’n plaat daar nooit aan de muur komt of op welke wand in mijn huis dan ook.’

‘Nee, dit is niet ieders smaak,’ antwoordde Matthias en hij volgde Þóra naar de afbeelding van een man die op een rek gefolterd werd voor het aangezicht van mannen, gekleed in kerkelijke gewaden. De mannen zaten dicht op elkaar en volgden vol belangstelling twee beulen, die naar het scheen veel kracht moesten aanwenden om aan het wiel van het rek te draaien. De bedoeling was waarschijnlijk om de ledematen van de man op te rekken en daardoor zijn lijden te vergroten. Matthias wees naar het midden van de plaat. ‘Dit toont de folteringen van het onderzoeksrecht en stamt ook uit Duitsland. Ze hechtten er veel belang aan om bekentenissen te krijgen, zoals je kunt zien.’ Hij keek naar Þóra. ‘Het is ongetwijfeld interessant voor jou als advocaat om de redenen voor marteling te begrijpen, omdat het begin van martelingen in Europa op het rechtsapparaat herleid kan worden; dat wil zeggen, in brede zin.’

Þóra zette zich schrap voor de zoveelste belediging van haar beroep: ze had die als sinds het begin van haar studie rechten over zich heen moeten laten komen. ‘Ja natuurlijk: wij juristen dragen hier de volle verantwoordelijkheid voor.’

‘Nee, even zonder gekheid,’ antwoordde Matthias, ‘in de middeleeuwen lag de macht om mensen in staat van beschuldiging te stellen bij particulieren. Hij die vond dat hem onrecht aangedaan was, of die zich als het slachtoffer van crimineel gedrag van een ander beschouwde, moest hem zelf in staat van beschuldiging stellen en de zaak in gang zetten. De processen waren ten dele een lachertje: als de beschuldigde voor het gerecht niet gewoon bekende of als er niets gebeurde waardoor zijn schuld duidelijk bewezen werd, werd het oordeel over zijn schuld aan Gods macht overgelaten. De verdachte werd op de proef gesteld: ze lieten hem over gloeiende kolen lopen, hij werd vastgebonden in het water geworpen of iets van dien aard. Als zijn blaren bijvoorbeeld na een bepaalde tijd genezen waren of als hij in het water zonk, beschouwde men hem onschuldig. Daardoor kwam degene die hem beschuldigd had, vervolgens in de penarie, omdat er dan over hem rechtgesproken werd. Zoals je kunt begrijpen, voelden de mensen er weinig voor om een buurman te beschuldigen, aangezien dat het risico met zich meebracht dat de zaak zich tegen hen zou keren.’ Matthias wees naar de man op de pijnbank. ‘Dit systeem raakte in zwang toen de overheid en de mannen van de Kerk inzagen dat misdaden – zowel van wereldlijke als van religieuze aard – gigantisch in aantal toegenomen waren omdat het gerechtshof machteloos stond. Om de misdaad terug te dringen grepen ze terug naar het Romeins recht, waar zowel de procesvoering als de gang van zaken voor het gerecht volkomen anders in elkaar zat: daar was alles op onderzoek gebaseerd en daar komt dan ook de naam vandaan: onderzoeksrecht. Het was de Kerk die daarmee begon, maar de wereldlijke rechtbanken volgden in hun kielzog en nu hoefde het slachtoffer van een misdrijf iemand niet meer in staat van beschuldiging te stellen, of de zaak voor het gerecht te behartigen.’ Matthias glimlachte naar Þóra. ‘Ergo: juristen.’

Þóra glimlachte terug. ‘Het gaat te ver om van al deze ellende het rechtsapparaat de schuld te geven.’ Nu was het haar beurt om naar die arme, uitgerekte man te wijzen. ‘Ik zie geen enkele samenhang tussen onderzoek en marteling, het spijt me vreselijk.’

‘Nee,’ antwoordde Matthias. ‘Dat was helaas een nadeel van het nieuwe systeem: om te kunnen beoordelen of iemand schuldig was moest men hetzij twee getuigen van het misdrijf vinden, hetzij een bekentenis van de beschuldigde krijgen. Sommige misdrijven, zoals godslastering, zijn niet dusdanig dat er noodzakelijk getuigen van zijn en daarom werd alles op bekentenissen gezet. Die moesten de rechters hebben en ze konden door middel van pijniging verkregen worden. Dat gold als onderzoek.’

‘Walgelijk,’ zei Þóra, waarna ze zich van de afbeelding naar Matthias wendde. ‘Hoe weet jij dat allemaal?’

‘Haralds grootvader wist heel veel over deze periode en kon er gepassioneerd over vertellen. Het was heel leuk om hem erover te horen vertellen, maar mijn kennis hiervan is maar heel oppervlakkig vergeleken met die van de oude heer.’

‘Nou ja,’ zei Þóra. ‘Zijn dit allemaal platen die jij eerder gezien hebt?’

Matthias bekeek de wand. ‘De meeste, dunkt me. Dit is trouwens niet meer dan een fractie van de platen en andere zaken die onder de collectie vallen. Harald heeft duidelijk slechts een gedeelte daarvan meegenomen. Zijn grootvader zag van de goede dingen des levens af om dit te kunnen verzamelen, om maar niet te spreken over het geld dat hij daaraan uitgaf. Ik zou het niet gek vinden als dit de belangrijkste collectie ter wereld was over martelingen en terechtstellingen door de eeuwen heen. Daartoe behoort bijvoorbeeld een bijna volledige set van de afzonderlijke uitgaven van Malleus Maleficarum.’

Þóra keek om zich heen. ‘Hing de verzameling gewoon aan de muur van de woonkamer?’

‘Nee, ben je belazerd. Natuurlijk niet!’ antwoordde Matthias. ‘De boeken en een paar andere documenten – brieven en meer van zulke dingen – worden in een kluis bewaard omdat ze zo waardevol zijn. Zo zijn er twee bijzondere kamers in het huis van de familie Guntlieb waar zich exemplaren uit de collectie bevinden. Een gedeelte van wat je hier ziet, komt daaruit. Ik neem aan dat ze het niet bijzonder jammer vonden dat ze een deel van de werken moesten missen. De meesten konden er heel slecht tegen: Haralds moeder bijvoorbeeld kon er nooit toe overgehaald worden om daar naar binnen te gaan. Harald was de enige nazaat die de belangstelling van zijn grootvader hiervoor deelde. Dat is ongetwijfeld een reden waarom zijn grootvader hem zijn collectie nagelaten heeft.’

‘Harald kon die verzameling dus zo maar van hot naar her slepen naar het hem goeddunkte?’ vroeg Þóra.

Matthias lachte. ‘Ik zou het helemaal niet vreemd vinden als hij het voor elkaar gekregen had alles met zich mee te nemen, ook al had hij de verzameling niet geërfd. Ik denk dat Haralds ouders gewoon opgelucht waren dat ze ervanaf waren, hoewel slechts een gedeelte hiervan uit hun huis kwam.’

Þóra knikte. ‘Komt deze stoel uit de collectie?’ Ze wees naar de oude houten stoel, die in een hoek van de kamer stond.

‘Ja,’ antwoordde Matthias. ‘Dit is een duikstoel, die werd gebruikt om mensen in water onder te dompelen. Dit is trouwens een voorbeeld van een straf door marteling, wat iets heel anders is dan martelingen omwille van onderzoek. Hij komt uit Engeland.’

Þóra liep naar de stoel en liet haar vingers over het houtsnijwerk op de rug gaan. Ze kon het opschrift niet lezen: dat was erg vervaagd, bovendien kende ze de lettertekens niet. Er zat een groot gat midden in de zitting van de stoel en op de armleuningen zaten sporen van aangetrokken en gekrompen leren riemen, die duidelijk bedoeld waren om de handen van degene die in de stoel zat, mee vast te snoeren.

‘Het gat was bedoeld om het water doorheen te laten lopen zodat de stoel zeker zou zinken en het mogelijk zou zijn om mensen onder te dompelen. Het was als vernedering bedacht, maar eindigde er soms mee dat de persoon die op de stoel zat, verdronk vanwege de slordige werkwijzen van degenen die met het onderdompelen belast waren.’

‘Wat ben ik blij dat ik niet in die tijd leefde,’ zei Þóra en ze liet de stoel los. Ze zou vast en zeker de klos zijn geweest, aangezien ze er maar al te vaak moeite mee had haar mond te houden, wanneer ze iets op haar hart had.

‘Dit is een van de iets aardiger instrumenten die tot de verzameling behoren,’ zei Matthias. ‘Degenen die sommige van deze apparaten uitgevonden hebben, waren erg origineel; uit wreedheid schijnt men zijn inbeeldingsvermogen volledig de vrije loop te laten.’

‘Ik wil eigenlijk wel weg uit deze gezellige kamer; moeten we niet verdergaan?’

Matthias stemde in. ‘Kom, ik zal je de andere kamers laten zien. Die zijn niet zo erg. En met de keuken is ook weinig mis; laten we daar beginnen.’

Ze liepen naar de keuken, die op de hal uitkwam. Hij was niet overdreven groot maar toch erg mooi en volgebouwd met nieuwe of bijna nieuwe apparatuur. Wijnflessen lagen her en der in rekken op planken van de inbouwkeuken. Þóra begon eraan te twijfelen of Matthias veel van ‘gewone mensen’ afwist: de keuken bij haar thuis was zo ongeveer het tegenovergestelde van dit. In de keuken van Harald stond een groot gasfornuis met een grote stalen afzuigkap, een afwasmachine, een spoelbak die niet zou misstaan in een kantine, wijnkoelers en een dubbele koelkast van het grootste model. Þóra liep ernaartoe. ‘Ik heb altijd zo’n ijsblokjesmachine willen hebben.’

‘Waarom neem je dan niet zo’n koelkast?’ vroeg Matthias.

Þóra draaide zich van de koelkast naar Matthias. ‘Om dezelfde reden waarom ik geen andere dure dingen die ik wilde hebben gekocht heb. Omdat ik er geen geld voor heb. Hoewel het voor jou misschien moeilijk is om je dat voor te stellen, komt het in sommige huishoudens voor dat er geldtekort is.’

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Een ijskast is nu niet bepaald een luxeartikel.’

Þóra gaf geen antwoord. Ze liep naar de kastjes en keek erin. In een van de onderste kastjes stond een set stalen pannen met glazen deksels die zo glansden dat ze eraan twijfelde of ze veel gebruikt waren. ‘Het lijkt me dat Harald weinig interesse had voor de kookkunst, ondanks deze prachtige keuken,’ zei ze en ze sloot het kastje.

‘Nee, als ik hem goed ken, kocht hij liever kant-en-klaarmaaltijden of ging hij gewoon uit eten.’

‘Dat blijkt ook wel uit de afschriften van zijn creditcard.’ Ze keek om zich heen en zag niets wat hun waarschijnlijk nieuwe aanwijzingen zou verschaffen. Beter gezegd, de deur van de koelkast was leeg: geen koelkastmagneten en dus ook geen briefjes. Haar eigen koelkastdeur werd als een soort informatiecentrum voor het hele huis gebruikt. Ze kon zich nauwelijks herinneren welke kleur hij had: hij was bedekt met roosters, uitnodigingen voor verjaardagen en andere zaken die ze niet moest vergeten. ‘Moeten we de rest niet bekijken?’ vroeg Þóra, die de keuken al voldoende bekeken had. ‘Ik betwijfel of we hier iets zullen vinden wat ons verder zou kunnen brengen.’

‘Behalve dan dat iemand hem om die koelkast vermoord kan hebben,’ zei Matthias; hij voegde er vlug op plagende toon aan toe: ‘Waar was jij in de nacht dat de moord gepleegd werd?’

Þóra hield het maar bij een sarcastische glimlach. ‘Op de afschriften van zijn creditcard stonden een paar kleinere uitgaven in een dierenwinkel; had Harald huisdieren?’

Matthias schudde verbaasd zijn hoofd. ‘Nee, hier waren geen dieren en ook niet iets wat erop wees dat dat het geval geweest was.’

‘Het kwam me zo voor dat hij iets voor zijn huisdier gekocht had.’ Þóra keek in de keukenkastjes op zoek naar kattenvoer of ander dierenvoer. Niets.

‘Bel even naar die winkel,’ zei Matthias. ‘Misschien herinneren ze zich hem nog; wie weet?’

Þóra gaf gehoor aan zijn verzoek. Ze vond het nummer van de winkel, draaide het, sprak met de winkelbediende en hing weer op. ‘Vreemd,’ zei ze tegen Matthias: ‘Hij herinnerde zich hem inderdaad en zei dat Harald een paar keer een hamster gekocht had. Weet je zeker dat hier geen hamsterkooi gestaan heeft?’

‘Heel zeker,’ antwoordde Matthias.

‘Gek,’ zei Þóra. ‘De jongen met wie ik sprak zei ook nog dat Harald geprobeerd zou hebben een raaf van hem te kopen.’

‘Een raaf?’ zei Matthias geschokt. ‘Waarom?’

‘Dat wist hij niet. Ze hebben geen raven te koop, dus er werd verder niet over doorgepraat. Hij vond het gewoon vreemd en herinnerde zich hem daarom.’

‘Het zou me niet verbazen als hij zo’n vogel als een of ander statussymbool voor zichzelf zag, met al die toverwaanzin van hem,’ zei Matthias.

‘Misschien,’ antwoordde Þóra. ‘Maar die hamsters toch niet?’

Ze gingen de keuken uit en de gang op naar de andere kamers in de woning. Matthias opende de badkamer, waar Þóra recht inkeek: hij leek geen geheimen te herbergen. Evenals de keuken was hij modern en strak, maar aan de andere kant niet bijzonder interessant. Ze gingen Haralds slaapkamer binnen, en die zag er heel wat boeiender uit.

‘Heeft iemand hier opgeruimd of was het altijd zo netjes bij hem?’ vroeg Þóra en ze wees naar het keurig opgemaakte bed. Het bed was ongewoon laag, net als de bank in de woonkamer.

Matthias ging op het bed zitten. Zijn knieën reikten tot zijn kin. Hij veranderde de positie van zijn benen en strekte ze recht voor zich uit. ‘Hij had een schoonmaakster die in het weekend waarin hij vermoord werd, alles op orde gebracht heeft, tot ongenoegen van de politie. Zij wist op dat moment, evenmin als alle anderen, natuurlijk niets af van de moord: ze kwam gewoon op haar vaste tijd en ruimde alles op. Ik heb met haar gesproken en ze had niets dan lof over Harald. Ze zei trouwens dat weinig vrouwen bij het bedrijf waarvoor ze werkt, deze woning wilden aannemen.’

‘Hoe zou je dít nu over het hoofd kunnen zien?’ zei Þóra sarcastisch en ze wees naar de platen die aan de wanden hingen. Ze hadden hetzelfde thema als die in de woonkamer, maar op deze was men hoofdzakelijk bezig vrouwen te martelen, te straffen of hen van het leven te beroven. Over het algemeen waren ze naakt tot aan hun middel; sommige waren helemaal naakt. ‘Dit is toch de slaapkamer van elke doorsnee man.’

‘Misschien heb je met de verkeerde mannen een relatie gehad,’ antwoordde Matthias en hij glimlachte kort.

‘Ik maakte een grapje,’ antwoordde Þóra. ‘Ik ben natuurlijk nog nooit eerder in een slaapkamer terechtgekomen die op deze manier versierd is.’ Ze liep naar een groot flatscreen, dat aan de muur tegenover het bed bevestigd was. ‘Ik ril bij de gedachte te weten welke film er in zijn speler zat,’ zei ze, terwijl ze vooroverboog naar een dvd-speler, die daaronder op een laag kastje stond. Ze zette hem aan en drukte de knop in om de dvd eruit te halen, maar het laatje kwam leeg tevoorschijn.

‘Ik had de dvd er al uit gehaald,’ zei Matthias vanaf het bed, vanwaar hij naar haar keek.

‘Wat was hij aan het bekijken?’ vroeg Þóra, terwijl ze zich naar Matthias omdraaide.

‘The Lion King,’ antwoordde Matthias met een effen gezicht en stond op. ‘Kom, ik zal je de studeerkamer laten zien. Daar heb je de grootste kans iets te vinden dat ons verder zou kunnen helpen.’

Þóra ging staan en liep achter hem aan. Ze besloot zichzelf nog even te kwellen door in Haralds nachtkastje te kijken. Ze trok het laatje van het nachtkastje open. Daarin wemelde het van de potjes en tubes crème, evenals een pakje condooms dat was opengemaakt en niet meer helemaal vol was. Er waren dus vrouwen geweest die de wandversiering geen belemmering gevonden hadden, dacht Þóra. Ze deed de la dicht en ging achter Matthias aan.

10

Laura Amaming keek op de klok. Het was gelukkig pas kwart voor drie: ze had nog genoeg tijd om haar werkzaamheden af te ronden en precies om vier uur aanwezig te zijn: na een jaar op IJsland gewoond te hebben had ze zich er in het najaar eindelijk toe gebracht zich voor ‘IJslands voor buitenlanders’ in te schrijven en ze had er een hekel aan om te laat te komen. Het kwam uitstekend uit dat er in het hoofdgebouw van de universiteit lesgegeven werd, op een steenworp afstand van Árnagarður, waar ze schoonmaakte. Het zou bijna onmogelijk voor haar geweest zijn om naar deze cursus te gaan als die elders gegeven zou worden: wanneer ze klaar was met werken, had ze niet meer dan een halfuur voordat de les begon, en ze had geen auto om zich mee te verplaatsen.

Laura legde de dweil in de spoelbak en spoelde het meeste vuil eruit onder de straal heet water. Ze mompelde de woorden ‘heet’ en ‘koud’ zachtjes voor zich uit en schold in gedachten op de moeilijke uitspraak.

Ze wrong de dweil uit en deed hem in een emmer bleekmiddel voor vuile doeken. Ze pakte de spuit met schoonmaakmiddel voor op de ruiten en drie schone droogdoeken. Vandaag moesten op de tweede etage aan de noordzijde van het gebouw alle ramen aan de binnenkant gelapt worden en daarom had ze meer dan één doek nodig. Ze verliet het schoonmaakhok en liep omhoog naar de tweede etage.

Ze had geluk: de drie eerste werkkamers waren leeg. Het was veel prettiger om dan schoon te maken dan als er wel iemand aanwezig was, met name wanneer het om ramen lappen ging, want dan moest ze op stoelen of andere meubels klimmen om bij de bovenkant te kunnen komen. Ze vond het heel onprettig om dat te doen wanneer er toeschouwers waren met wie ze niet kon praten. Thuis op de Filippijnen was ze spraakzaam en helemaal niet verlegen geweest. Hier vond ze dat ze nooit zichzelf kon zijn, behalve bij haar landgenoten. Op het werk voelde ze zich vaak eerder een ding dan een mens: de mensen praatten en deden alsof ze er niet was. Iedereen, behalve hun voorman, Tryggvi: die man stelde zich altijd volkomen hoffelijk op, deed alles wat binnen zijn bereik lag om een soort werkrelatie met Laura en haar collega’s te hebben, hoewel ze maar al te vaak op handgebaren moesten terugvallen, hetgeen van tijd tot tijd nogal amusant kon worden. Hij leek zich nochtans niets van hun gelach aan te trekken, wanneer ze in zijn bijzijn trachtten te raden wat hij hun probeerde duidelijk te maken. Het was een bovenstebeste kerel en Laura verlangde ernaar in de toekomst in zijn eigen taal iets tegen hem te kunnen zeggen. Eén ding was in elk geval duidelijk: ze zou zijn naam nooit kunnen uitspreken, ook al nam ze alle cursussen IJslands die er maar waren. Ze zei zacht ‘Tryggvi’ en kon alleen maar glimlachen toen ze hoorde hoe dat eruit kwam.

Laura ging naar de vierde ruimte: dat was een grote studiezaal die voor studenten bestemd was en gebruikt werd als pauzeruimte. Ze klopte zachtjes op de deur en ging naar binnen. Op een versleten bank zat een jong meisje, dat Laura uit de vriendenkring van de vermoorde student kende. De jongelui hier waren eenvoudig te herkennen: ze deden haar altijd denken aan een onweerslucht, zowel in hun gedrag als in hun kleding. Het roodharige meisje was verdiept in een telefoongesprek op haar gsm en hoewel ze op zachte toon sprak, was het duidelijk dat het gespreksonderwerp niet leuk was. Het meisje keek chagrijnig omhoog naar Laura en deed vlug haar hand voor haar mond en het mondstuk van de telefoon alsof ze er zeker van wilde zijn dat Laura niet kon horen wat ze zei. Ze beëindigde het telefoongesprek, stak haar telefoon in een legergroene handtas, stond op en liep arrogant langs Laura. Laura probeerde naar haar te glimlachen en deed vreselijk veel moeite om ‘tot ziens’ tegen haar te zeggen toen ze voorbijliep. Het meisje draaide zich in de deuropening om, verbaasd door de groet, en mompelde iets onduidelijks, voordat ze naar buiten ging en de deur achter zich dichtdeed. Jammer, dacht Laura. Dit was een beeldschoon meisje; dat wil zeggen, ze zou als mooi beschouwd kunnen worden, als ze er op zijn minst een poging toe zou doen om haar uiterlijk op te knappen, die vreselijke ringen uit haar wenkbrauwen en neus zou halen en zo nu en dan eens zou glimlachen. Hoe dan ook: de ramen wachtten en de tijd verstreek. Laura begon. Ze besproeide de eerste ruit met schoonmaakmiddel en wreef de doek steeds met draaiende bewegingen over het glas. Er viel gelukkig niet veel vuil weg te halen. De ramen werden heel vaak aan de binnenkant gelapt en daarom zat er geen vuil op het glas. Ze werkte de ene na de andere ruit af, maar toen ze met de laatste klaar was, merkte ze voor de eerste keer echte viezigheid op. Het zat niet op het glas zelf, maar het was een kleine, bruine vlek aan de zijkant van het stalen handvat waarmee het venster werd geopend.

Laura haalde de vieze doek die ze in de zak van haar overall aan het proppen was, weer tevoorschijn: het was zonde om de doek die ze nu in haar handen had vuil te maken, want die was nog brandschoon. Ze sproeide de vloeistof op het handvat en wreef de doek eroverheen en onderdoor. Het gebeurde wel dat de jongste schoonmaaksters zich er bij het schoonmaken van plaatsen die niet zichtbaar waren, nogal gemakkelijk vanaf maakten en ze zag dat dit vuil – wat het dan ook was – ook onder het staal te vinden was. Ze was blij dat ze dit gemerkt had: stel je eens voor dat een van die luie studenten die deze ruimte opzochten, het raam zou openen, het vieze staal zou vastpakken en erover zou gaan klagen hoe slecht hierbinnen schoongemaakt was.

Laura haalde haar neus op voor de graad van netheid daarbinnen: het handvat was slechts één voorbeeld van hoe vuil het er was. Wie had er nou eigenlijk zulke vieze handen? Wat het ook was, het ging er vanaf alsof het niets was en Laura haalde er pro forma de doek nog één keer overheen. Ze keek tevreden naar het glanzende, schone staal; ze voelde zich alsof ze een kleine overwinning op Gunnar behaald had. Toen ze de doek weer in haar zak wilde stoppen, werd haar blik gevestigd op de vlek die zich daarop gevormd had. Hij was donkerrood. De bruine kleur was bij het nat worden op de doek duidelijk verdund. Dit was bloed; dat leed geen twijfel. Maar hoe was dat op het handvat terechtgekomen? Laura herinnerde zich geen bloed op de vloer daarbinnen; degenen die het handvat vastgepakt hadden, moesten wel elders gebloed hebben. Ze overlegde bij zichzelf of dit met de moord verband kon houden, maar dat viel volgens haar te betwijfelen. De ramen waren daarna echter wel gelapt. Ze fronste haar wenkbrauwen, in gedachten verzonken. Ze herinnerde zich niet dat ze zelf de ruit gelapt had, maar dat betekende niet dat niemand anders het gedaan had. Ze probeerde het zich te herinneren; was er niet juist in de oostelijke vleugel schoongemaakt op de dag na de moord? Ja, hoe kon ze dat nou vergeten: natuurlijk was dat zo. Beter gezegd, de politie had een van de jongere meisjes verhoord: Gloria, die in de weekeinden dienst had.

Wat moest ze in vredesnaam doen? Ze wilde liever niet proberen deze vondst in het IJslands uit te leggen: in dit geval volstond het niet om ‘heet’ of ‘koud’ te zeggen. Daarnaast zou ze problemen met de autoriteiten kunnen krijgen omdat ze het bloed van het handvat af geveegd had en daarmee waarschijnlijk ook de vingerafdrukken van de moordenaar had uitgewist. Ze zou ook in de problemen kunnen komen als ze probeerde heisa te maken om iets waarvoor een eenvoudige verklaring bleek te zijn. Wat een ellende allemaal. Ze herinnerde zich nog goed hoezeer Gloria zich opwond over het verhoor waar ze naartoe moest: er hadden zelfs tranen gevloeid toen ze aan de anderen uiteenzette hoe ruw de politie te werk gegaan was. Laura was er zeker van geweest dat dit krokodillentranen waren, maar nu was ze daar niet meer zo zeker van. Ze keek rond, op zoek naar bloed op de vloer. Mocht ze dat vinden, dan zou de zaak opgelost zijn, aangezien ze meer dan eens hierbinnen schoongemaakt had sinds de moord gepleegd was: dan zou dit toch iets moeten zijn wat recentelijk gebeurd was en waarvoor een gewone verklaring was.

Op de vloer lag geen bloed, niet eens in de hoeken bij de plinten. Laura beet bezorgd op haar onderlip. Ze troostte zichzelf: de politie had de moordenaar in hechtenis. Dit was vast niet belangrijk. Mocht dit bloed met de moord verband houden, dan zou het er ongetwijfeld het zoveelste bewijsstuk van zijn dat de vent in de gevangenis de moord gepleegd had. Laura haalde diep adem. Ze moest denken aan de tijdschriften die haar op bijeenkomsten met Filippino’s vaak onder de neus werden geduwd. Daarin waren interviews met een van de aanwezigen, of met hun zoon of dochter te vinden en foto’s van hen met de meest ongelofelijke voorwerpen, waarbij ze allemaal dezelfde behoefte schenen te voelen die tegen hun wang aan te drukken. Laura kon zichzelf niet voorstellen op een foto in zo’n opengeslagen tijdschrift, met het handvat van een venster tegen haar wang gedrukt. Nee, ze maakte zich onnodig gek: een of andere student had een bloedneus gehad, was flauwgevallen en had frisse lucht willen inademen. Ze ademde ongeveer een minuut rustiger, totdat ze zich haar eigen kinderen herinnerde als die een bloedneus hadden: die zochten het toilet op, geen open raam.

Maar toch. Er was niets wat erop wees dat de moordenaar van de Duitse student geprobeerd had het raam te openen, maar wel dat iemand die hier niets mee te maken had, zich verwond had en behoefte aan frisse lucht had gehad. Laura nam de doek en besloot te testen of er bloed achter de plinten te vinden was: als er in deze ruimte een heftig gevecht plaatsgevonden had, zou dat bij het uitwissen van de sporen achtergebleven kunnen zijn. Ze sloeg een kruis en besloot dat het, als er niet meer bloed aan haar doek kwam, een teken van boven was dat ze van een mug een olifant maakte. Anders zou ze de politie op de hoogte stellen, hoewel dat zou betekenen dat ze de rust van die aardige Tryggvi zou moeten verstoren. Laura ging op haar hurken zitten en ging de wanden van de zaal centimeter voor centimeter langs. Niets. De doek kwam steeds schoon van de plinten af, afgezien van een beetje stof en ander gewoon vuil. Ze voelde zich beter en stond tevreden over het resultaat op. Onzin en domheid: natuurlijk was er een normale verklaring voor dit bloed. Het feit dat zij iets anders gedacht had, hield ongetwijfeld verband met de schok die ze gekregen had, toen het lijk gevonden werd: een lijk, in erbarmelijke staat en volkomen onteerd. Ze sloeg opnieuw een kruis.

Terwijl ze de ruimte verliet, bleef haar blik lang op de drempel rusten. Er zat meer ruimte tussen de drempel en de vloer dan tussen de plinten en de vloer en ze boog zich voorover om de doek daarlangs te halen. Er glinsterde iets zilverkleurigs onder en Laura keek om zich heen op zoek naar iets wat ze zou kunnen gebruiken om onder de drempel te kunnen komen. Ze zag op een van de tafels een liniaal liggen en pakte die. Daarna probeerde ze handig het voorwerp naar voren te duwen en na een paar pogingen lukte dat uiteindelijk. Laura pakte het op en krabbelde overeind. Het was een klein, stalen sterretje, ter grootte van de nagel van haar pink. Ze legde het in de palm van haar geopende hand en dacht na. Het sterretje kwam Laura bekend voor, maar ze kon het absoluut niet plaatsen. Waar had ze dit eerder gezien? Ze had geen tijd om er nog langer over na te denken; ze moest voortmaken met het ramen lappen, als ze niet te laat op IJslandse les wilde komen. Ze stak het sterretje in haar zak, vastbesloten om het aan Tryggvi te geven. Misschien wist hij waar het vandaan kwam. Dit had vast niets met de moord te maken: niet meer dan het bloed op het handvat waarvoor zeer zeker plausibele verklaringen te bedenken waren. Of toch niet? Haar vinger schoot opeens naar haar voorhoofd: ze sloeg een kruis en probeerde niet langer aan de afschuwelijke gebeurtenissen van de afgelopen tijd te denken. Ze nam zich voor er alleen met Gloria over te praten. Het meisje moest immers ook in het weekeinde werken, net als Laura. Het kon heel goed zijn dat zij meer wist dan ze hun en de politie verteld had.

Marta Mist hing tegen de muur op de gang en ergerde zich er aan hoe lang die schoonmaakster nodig had om haar werk af te ronden. Het kon toch niet veel werk zijn om daarbinnen schoon te maken: wat prullenbakken legen, kopjes afwassen en schoonmaken. Ze keek op haar gsm om te zien hoe laat het was. Verdraaid: die stomme idioot was zeker op de bank gaan liggen en in slaap gevallen. Marta Mist zocht vlot het nummer van Bríet in het geheugen van haar gsm op. Ze moest nu maar eens een keer opnemen: er was weinig wat Marta Mist meer irriteerde dan te weten dat degene die ze opbelde, op het scherm keek, zag dat zij het was en besloot om niet op te nemen. Ze bleek zich voor niets zorgen te maken.

‘Hey,’ antwoordde Bríet.

Marta Mist had geen zin in beleefd gebabbel. ‘Ik heb het niet gevonden,’ zei ze chagrijnig. ‘Weet je zeker dat je het in de la gelegd hebt?’

‘Shit, shit, shit,’ herhaalde Bríet met nerveuze stem. ‘Ik weet heel zeker dat ik het daar gelegd heb. Jij was er toch ook bij?’

Marta Mist lachte schamper. ‘Vergeet het, ik heb niets gezien.’

‘Ik heb het erin gelegd. Dat weet ik zeker,’ antwoordde Bríet koppig. Ze zuchtte diep. ‘Wat moet ik tegen Halldór zeggen? Hij springt uit zijn vel.’

‘Niets. Je vertelt hem geen reet.’

‘Maar…’

‘Niets, noppes, nada. Het ligt er toch niet? Wat wil je eraan doen, dan?’

‘Tja… Ik weet niet,’ zei Bríet verslagen.

‘Des te beter dat ik het wél weet,’ zei Marta Mist ongevraagd. ‘Ik heb net met Andri gesproken en hij vindt hetzelfde als ik: we zeggen niets en doen niets, omdat we niets kunnen doen.’ Ze zei Bríet er niet bij dat het haar twintig minuten gekost had om Andri uit zijn hoofd te praten Halldór hiervan op de hoogte te brengen. Ze voegde er op mildere toon aan toe: ‘Maak je niet druk. Als dit belangrijk was, was het allang aan het licht gekomen.’

De deur naar de zaal ging open en de schoonmaakster kwam naar buiten. Aan haar gezicht te oordelen waren er grootse gebeurtenissen gaande in de wereld van het schrobben en boenen. Het leek wel alsof iemand haar gedwongen had om zure rabarber te eten. Leuk, dacht Marta Mist en trok zichzelf bij de muur vandaan. ‘Bríet,’ zei ze door de telefoon, ‘dat schoonmaakmens is net weggegaan. Ik ga nog eens een keer goed zoeken. Ik bel je nog.’ Ze hing op zonder Bríet de mogelijkheid te geven afscheid te nemen. Dat stomme gedoe ook altijd.

11

Þóra zat aan het bureau van Harald Guntlieb en bladerde door een stapel documenten. Ze keek van de papieren op, strekte haar rug en richtte haar blik op Matthias. Hij zat in dezelfde bezigheid verzonken in een leunstoel in een hoek van de studeerkamer. Ze hadden afgesproken te beginnen met het bekijken van die gegevens die de politie bij de huiszoeking meegenomen had en recentelijk teruggebracht had. Het waren drie grote kartonnen dozen vol met allerlei paperassen en na amper een uur lezen en sorteren kon Þóra niet echt meer zien wat het doel hiervan was. De documenten kwamen overal vandaan; het merendeel had op een of andere wijze met Haralds studie te maken, afgezien van papieren van banken, creditcard-bedrijven en andere instanties. Aangezien het meeste hiervan in het IJslands was, kon Matthias er niet veel mee: hij moest grote gedeelten van de gegevens voor Þóra terzijde leggen, zodat zij er later naar kon kijken.

‘Waarnaar zijn we hier eigenlijk aan het zoeken?’ vroeg ze opeens.

Matthias legde de stapel papieren die hij vasthield op een klein bijzettafeltje en wreef zijn vermoeide ogen uit. ‘In de eerste plaats zijn we aan het zoeken naar iets wat ons verder zou kunnen helpen; iets wat de politie over het hoofd gezien heeft. Iets wat bijvoorbeeld verklaart wat er met het geld gebeurd is dat Harald hierheen liet sturen. We zouden ook kunnen stuiten op…’

Þóra onderbrak hem. ‘Dat bedoelde ik niet. Wat ik bedoel is dat we misschien voorzichtig moeten proberen af te wegen wie waarschijnlijk met de moord te maken zouden kunnen hebben of daar baat bij gehad konden hebben. Om precies te zijn: ik heb geen enkele ervaring in het onderzoek naar een moord en zou meer houvast willen hebben, voordat ik meer gegevens doorneem. Ik vind het niet bijzonder spannend om dit hele circus misschien te moeten herhalen, als we later een of ander onverwacht nieuw inzicht krijgen.’

‘Nee, dat begrijp ik,’ zei Matthias. ‘Maar toch weet ik niet zeker wat ik je moet antwoorden. We zijn niet op zoek naar iets bepaalds. Jammer genoeg. Misschien zijn we überhaupt niet naar iets aan het zoeken. We zijn eigenlijk alleen aan het proberen Haralds leven vóór de moord te begrijpen en om een idee te krijgen van de redenen en de gebeurtenissen die tot de moord geleid kunnen hebben; vinden we onderweg iets wat ons naar de moordenaar leidt, dan is dat alleen maar mooi meegenomen. Als het je enigszins helpt om je kader te beperken: je kunt wel stellen dat datgene wat mensen er het meest toe brengt een moord te plegen, neerkomt op jaloezie, kwaadheid, financieel gewin, wraak, een stoornis, zelfverdediging of overspel.’

Þóra wachtte op meer, maar Matthias had zijn opsomming zo te zien afgerond. ‘Verder niets?’ vroeg Þóra. ‘Er moet toch nog meer zijn.’

Matthias antwoordde geïrriteerd. ‘Er bestaan zeker meer redenen, maar dit is het enige wat mij te binnen schiet.’

Þóra dacht hierover na, voordat ze verderging. ‘Oké, laten we zeggen dat dit de belangrijkste redenen zijn. Welke daarvan zou bij de moord op Harald een rol gespeeld kunnen hebben? Had hij bijvoorbeeld een relatie met een vrouw? Kan jaloezie een van de redenen geweest zijn?’

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Ik denk dat hij vrijgezel was. Toch zou jaloezie altijd een rol hebben kunnen spelen. Misschien hield iemand van hem zonder dat die liefde beantwoord werd.’ Hij zweeg en voegde er toen aan toe: ‘Ik denk trouwens dat vrouwen zelden degene die ze vermoorden, wurgen, dus het is onwaarschijnlijk dat dit een crime passionnel geweest is.’

‘Nee,’ zei Þóra nadenkend. ‘Behalve als dit een crime passionnel geweest is die door een andere man begaan is. Was Harald soms homo?’

Matthias schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik weet heel zeker van niet.’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Þóra.

‘Dat weet ik gewoon,’ antwoordde Matthias. Hij zag de twijfel op Þóra’s gezicht en voegde eraan toe: ‘Ik heb daar een soort voelspriet voor: ik voel het over het algemeen wel wanneer een man van de verkeerde kant is. Ik weet niet waarom, maar ik heb daar nu eenmaal een neus voor.’

Þóra besloot hier niets meer over te zeggen, maar ze wist uit eigen ervaring dat Matthias er naar alle waarschijnlijkheid niet beter dan anderen in was om de seksuele geaardheid van anderen te ontdekken. Haar ex verkeerde in dezelfde waan en Þóra had hem er ontelbare malen op betrapt dat hij het bij het verkeerde eind had. Ze veranderde van onderwerp. ‘Het scheen geen verkrachting te zijn geweest en er werden geen sporen van seksuele handelingen gevonden, zodat we dat kunnen uitsluiten.’

‘Dat reduceert de mogelijke drijfveren aanzienlijk,’ antwoordde Matthias en hij lachte sarcastisch naar Þóra. ‘We beginnen nu duidelijk ergens te komen.’

Þóra trok zich hier niets van aan. ‘Waarom denk jij dat hij vermoord is?’

Matthias keek haar een tijdje aan, voordat hij antwoordde. ‘Het meest waarschijnlijk is dat het iets met geld te maken had. Toch kan ik niet van het gevoel af komen dat het op een of andere wijze met zijn onderzoek naar hekserij te maken heeft. Dat met zijn ogen en met dat magische teken dat op zijn lijk gekrast was, wijst duidelijk in die richting. Ik kan me alleen de drijfveer niet voorstellen en dat ergert me. Waarom zou je uit hekserij of vanwege eeuwenoude gebeurtenissen een moord plegen?’

‘Is dat nou niet juist de vraag? De politie vond niets wat erop wees dat de moord met hekserij verband hield, ondanks het toetakelen van zijn lichaam. Ze moeten deze mogelijkheid toch onderzocht hebben,’ zei Þóra en ze voegde er vlug aan toe: ‘En niet zeggen dat ze zo dom zijn: dat is veel te kort door de bocht.’

‘Je hebt inderdaad gelijk,’ zei Matthias. ‘Ze hebben onderzocht of er sprake was van een verband. Ik denk dat ze gewoon niet beseften dat Haralds onderzoek niet een of andere afwijking of abracadabra was. Ze kwamen hier binnen, zagen wat er aan de muren hing en dachten daarna dat Harald gewoon een verwarde nietsnut was. Voor hen zijn deze kostbare stukken antiek slechts iets walgelijks, wat misschien niet zo heel ver van je eigen reactie af staat.’ Matthias wachtte op een antwoord van Þóra, maar toen ze helemaal niet op zijn laatste opmerking reageerde, ging hij verder: ‘Daarbij kwam nog het feit dat er verdovende middelen in zijn bloed gevonden werden. In de ogen van de politie was hij een krankzinnige verslaafde in de ban van sadisme, die het laatst gezien werd in het gezelschap van nog zo’n gek. Die laatste had geen alibi en was ook nog eens zo stoned als een garnaal. De politie heeft wel enige reden om tot deze conclusie te komen, maar ik ben het er absoluut niet mee eens. Er blijven veel te veel vragen onbeantwoord.’

‘Je denkt met andere woorden dat dit onderzoek van Harald naar de heksenverbrandingen en toverij verband houdt met de moord?’ vroeg Þóra in de hoop dat hij dit ontkennend zou beantwoorden: als het voor hun onderzoek niet van belang was, zouden ze meteen de grootste helft van de gegevens terzijde kunnen leggen.

‘Ja, hoewel ik het verre van zeker weet,’ zei Matthias. ‘Maar ik heb een sterk vermoeden. Kijk hier bijvoorbeeld eens naar.’ Hij bladerde door de stapel papieren die hij op schoot had, en reikte Þóra een uitgeprinte e-mail van Harald aan.

Þóra las door wat er in het bericht stond. Aan de kop van het bericht kon ze zien dat de mail door Harald verstuurd was aan ene malcolm@gruniv.uk en dat het in het Engels geschreven was, acht dagen voor de moord.

Hey Mal,

ga hier maar eens goed voor zitten, vriend. Gevonden bedankt. Vanaf vandaag moet je me met ‘hoogeerbiedwaardige heer’ aanspreken. Ik wist het, ik wist het, ik wist het; niet dat ik jou je twijfels wil verwijten. Of zoiets.

Moet alleen de precieze details nog regelen: er is een stomme idioot die de boel wat aan het verkloten is. Met andere woorden – bereid jezelf maar voor – het is volkomen briljant; denk erover me flink te gaan bezuipen, als je begrijpt wat ik bedoel. Heb nog contact met je, sukkel.

H

Þóra keek naar Matthias nadat ze klaar was met lezen. ‘Denk je dat dit een aanwijzing is?’

‘Misschien,’ zei Matthias. ‘Misschien ook niet.’

‘De smerissen moeten toch contact met deze Malcolm opgenomen hebben. Ze zouden er toch geen genoegen mee genomen hebben dit alleen uit te printen.’

‘Misschien.’ Matthias haalde zijn schouders op. ‘Misschien ook niet.’

‘Nou ja, we kunnen in elk geval contact met hem opnemen om te weten te komen wat Harald gevonden had.’

‘En of hij iets weet over deze stomme idioot naar wie in het bericht verwezen wordt.’

Þóra legde de print weg. ‘Waar staat zijn computer? Hij moet toch een computer gehad hebben.’ Ze wees naar de muismat op het bureau.

‘De politie heeft hem nog,’ antwoordde Matthias. ‘Ze geven hem waarschijnlijk terug met Haralds andere bezittingen.’

‘Misschien vinden we meer van zulke berichten,’ zei Þóra hoopvol.

‘En misschien ook niet,’ antwoordde Matthias en hij glimlachte. Hij stond op en pakte iets van de boekenplank boven het bureau. ‘Hier, neem dit mee naar huis om te lezen. Dit is goed leesvoer, als je een kijkje in de gedachtewereld van Harald wilt nemen.’ Hij gaf haar de Heksenhamer in paperback.

Þóra nam het boek en keek verbaasd van het boek naar Matthias. ‘Bestaat de IJslandse vertaling van Malleus Maleficarum ook in paperback?’

Hij knikte. ‘Het wordt nog steeds uitgegeven; ik denk dat weinig mensen het tegenwoordig kopen behalve uit nieuwsgierigheid. Houd bij het lezen in je achterhoofd dat dit ook weleens anders geweest is.’

Þóra stak het boek in haar tas. Ze stond op en rekte zich uit. ‘Is het goed als ik even van de badkamer gebruikmaak?’

Matthias glimlachte weer. ‘Misschien. Misschien ook niet.’ Hij zei er vlug achteraan: ‘Jawel, ik denk dat dat oké zou moeten zijn. Als de politie hier binnenstormt om de badkamer aan een nader onderzoek te onderwerpen, zal ik ze weer op afstand houden totdat je klaar bent.’

‘Dat is aardig van je.’ Þóra liep de gang op en ging naar de badkamer. Dit kostte haar wat meer tijd dan ze dacht, omdat er aan de muren in de gang meer platen en antieke voorwerpen hingen die haar nieuwsgierigheid wekten. Er viel toch niet te ontkennen dat deze stukken veel aantrekkingskracht op een mens uitoefenden. Het was ongetwijfeld hetzelfde gevoel als dat wat mensen vaart deed verminderen, wanneer ze langs de plaats van een ongeluk reden. De platen kwamen duidelijk uit de verzameling van de grootvader, omdat het thema hetzelfde was als in de woonkamer en de slaapkamer: dood en de duivel.

Er was weinig in de badkamer dat aan de interesses van de voormalige huurder van de woning deed denken, in tegenstelling tot de andere kamers. De paar losse voorwerpen die in de badkamer stonden, waren heel systematisch in kastjes zonder deuren gerangschikt en alles in dezelfde stijl. Þóra bekeek zichzelf in een smetteloos gepoetste spiegel boven de wastafel en haalde haar vingers door haar haar om zichzelf een beetje op te knappen. Ze zag in een van de kastjes een tandenborstel liggen. Hij leek ongebruikt. Ze keek kritisch om zich heen. Er moest een andere badkamer in de woning zijn die Harald gebruikt had: deze was veel te netjes. Een andere verklaring kon er bijna niet zijn.

Toen Þóra terug in de studeerkamer kwam, bleef ze even in de deuropening staan en zei: ‘Er moet een andere badkamer in de woning zijn.’

Matthias keek verbaasd op. ‘Hoe bedoel je?’

‘De badkamer op de gang is zo goed als ongebruikt. Het is volkomen uitgesloten dat Harald zelfs nog geen doosje met flosdraad had dat niet in het kleurenschema van de woning paste.’

Matthias glimlachte naar haar. ‘Nee, maar; zeg nu nog eens dat je niets van onderzoek doen weet.’ Hij wees in de richting van dat gedeelte van de woning waar ze eerder doorheen gekomen waren. ‘Er is een deur in de slaapkamer: daarachter is een badkamer.’

Þóra liep er vlug heen. Ze herinnerde zich de deur, waarvan zij gedacht had dat die van een kledingkast was, en ze wilde zien hoe de badkamer eruitzag. Daarnaast keek ze er niet naar uit om zich meteen weer over de papieren te moeten buigen. Ze glimlachte toen ze de kleine badkamer binnenkeek. Daarbinnen was geen bad, maar een douchecabine en in alle opzichten was het net zoals de doorsnee badkamer in een gewoon huis. Allerlei verzorgingsproducten stonden verspreid over de wastafel; geen ervan in een of andere stijl. Þóra keek in de douchecabine. Op een kunststof plank aan de muur stonden twee flessen shampoo, waarvan eentje ondersteboven; een scheermesje, een gebruikt stuk zeep en een tube tandpasta. Aan de mengkraan hing een fles waarop ‘Shower Power’ stond. Dit leek meer op waar zij aan gewend was, en ze was een beetje opgelucht. Het meeste verheugde ze zich over de tijdschriftenbak bij het toilet: als dit niets vertelde over de bewoner, dan wist zij het ook niet meer. Ze werd opeens bijzonder nieuwsgierig naar wat voor bladen Harald las en ze bladerde door de tijdschriften die in de bak zaten. Een paar autobladen, een geschiedenistijdschrift, twee exemplaren van Der Spiegel, een tijdschrift over tatoeages waar Þóra snel aan voorbijging, en ook een exemplaar van het Duitse blad Bunte. Þóra keek er verbaasd naar. Bunte was een typisch damesblad: het ging over bekende mensen en was van hetzelfde kaliber als het Britse Hello. Het was nooit in haar opgekomen dat Harald zoiets zou lezen. Tom Cruise en zijn laatste vrouw glimlachten haar van de voorkant toe onder de kop ‘Tom Cruise wordt vader!’ Het kindergeluk van het acteursechtpaar boeide Þóra evenveel als het telen van komkommers, dus legde ze het blad terug op zijn plaats.

‘Ik wist het,’ zei Þóra triomfantelijk toen ze terugkwam.

‘Ik wist het ook,’ antwoordde Matthias. ‘Ik wist alleen niet dat jij het niet wist.’

Þóra stond op het punt hem iets te antwoorden, toen haar gsm ging. Ze haalde hem uit haar zak.

‘Mama,’ zei het zachte stemmetje van haar dochter Sóley, ‘wanneer kom je?’

Þóra keek op de klok. Het was later geworden dan ze zich gerealiseerd had. ‘Heel gauw, lieverd. Is alles goed?’

Stilte en toen: ‘Jawel. Ik verveel me alleen een beetje. Gylfi heeft geen zin om met mij te praten. Hij is op zijn bed aan het springen en wil mij niet binnenlaten.’

Þóra begreep het niet helemaal, maar het was duidelijk dat Gylfi toch iets heel anders verstond onder babysitten dan zij. ‘Hoor eens, lieverd,’ zei ze lief door de telefoon, ‘ik kom nu meteen naar huis. Zeg maar tegen je broer dat hij moet ophouden zich als een idioot te gedragen en dat hij uit zijn kamer moet komen.’

Ze hing op en Þóra stopte de gsm terug in haar zak. Daarbij stuitte haar blik op het briefje met de vragen over de gegevens in de map die ze bij Matthias ter sprake had willen brengen. Ze pakte het en vouwde het briefje open. ‘Ik wil je graag een paar dingen vragen over de gegevens die in de map zaten.’

‘Een paar?’ zei hij verbaasd. ‘Ik had me op meer dan “een paar” voorbereid. Maar barst los.’

Þóra keek onzeker op de lijst. Verrek, had ze nou het merendeel van de punten over het hoofd gezien? Ze probeerde te doen alsof er niets aan de hand was. ‘Dit zijn de belangrijkste punten; er waren te veel secundaire punten om alles op te schrijven.’ Ze glimlachte en ging verder. ‘Het leger, bijvoorbeeld. Waarom zaten die gegevens in het dossier en was Harald echt te ziek om zijn dienstplicht uit te dienen?’

‘De dienstplicht, ja. Ik heb die informatie erbij gedaan zodat je een zo goed mogelijk beeld van Haralds levensloop zou krijgen. Het heeft misschien niet veel te betekenen, maar je weet nooit waar de verschillende lijnen elkaar kruisen.’

‘Denk je dat de moord iets met het leger te maken heeft?’ vroeg Þóra vol twijfels.

‘Nee, absoluut niet,’ antwoordde Matthias. Hij haalde zijn schouders op. ‘Wat dit met de zaak te maken heeft, valt nu toch niet goed te zeggen.’

‘Maar waarom ging hij het leger in?’ vroeg Þóra. ‘Naar je beschrijving van hem te oordelen leek het waarschijnlijker dat hij tegen alle oorlogsgeweld was in plaats van het op te zoeken.’

‘Dat is ook zo. Hij werd opgeroepen en onder gewone omstandigheden zou hij er zeker voor gekozen hebben vervangende dienstplicht te doen. Je weet dat degenen die opgeroepen worden, daarvoor kunnen kiezen?’ Þóra knikte. ‘Maar hij deed het niet. Amelia, zijn zus, was vlak daarvoor gestorven en dat trok hij zich erg aan. Ik denk eerlijk gezegd dat hij deze beslissing in een mentale crisis genomen heeft. Het was begin 1999 en in november of december van dat jaar werd besloten om troepen naar Kosovo te sturen. Harald ging met een glimlach op zijn lippen. De details omtrent zijn loopbaan in het leger weet ik niet precies, maar ik weet wel dat hij beschouwd werd als voorbeeldig, vastberaden en van nature gehard. De gebeurtenissen in Kosovo overvielen het leger volledig.’

‘Hoezo?’ vroeg Þóra.

Matthias lachte vriendelijk naar haar. ‘Dit is een nogal amusante geschiedenis, als je het zo kunt noemen. Vooral als je bedenkt dat deze missie naar Kosovo de eerste was die het Duitse leger ondernomen heeft sinds de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor waren Duitse soldaten buiten Duitsland alleen op vredesmissies geweest. Het was daarom van groot belang dat onze soldaten uitstekend waren.’

‘Hetgeen Harald niet was, of wel soms?’ vroeg Þóra.

‘Jawel, jawel. Je kunt misschien alleen zeggen dat hij pech gehad heeft. Toen hij daar drie maanden was, nam zijn divisie een Serviër gevangen van wie men vermoedde dat hij over informatie beschikte over een bomaanslag met dodelijke gevolgen. Die had drie Duitse soldaten het leven gekost en een aantal andere verminkt. De Serviër werd vastgehouden in de kelder van een huis op de plek waar het leger zijn basis had. Harald was een van degenen die de gevangene moesten bewaken. Hij stond in zijn eentje op wacht in de tweede of derde nacht sinds de gevangene daar voor verhoor geweest was, maar de Serviër had geen woord gezegd. Harald had tegen zijn overste gezegd dat hij alles van ondervragingstechnieken afwist en kreeg toestemming om te proberen die nacht iets uit de man te krijgen.’ Matthias keek naar Þóra. ‘Degene die hem toestemming gaf een poging te wagen, had er natuurlijk geen idee van dat Harald in de geschiedenis van marteling thuis was. Hij heeft zonder meer gemeend dat Harald even zijn neus zou laten zien en de gevangene een paar onschuldige vragen zou stellen.’

Þóra keek op. ‘Heeft hij de man gemarteld?’

‘Laten we zeggen dat de Serviër graag geruild zou hebben met die naakte mannen die in Abu Graib een piramide vormden. Nu praat ik niet goed wat daar gebeurd is, maar die gebeurtenis was als een scène bij de opening van de Olympische Spelen vergeleken bij datgene wat deze arme man die nacht moest verdragen. Bij de wisseling van de wacht de volgende ochtend was Harald erin geslaagd alles uit de man te krijgen wat hij wist, en zeker nog meer. Maar in plaats van de lof te krijgen waarvan hij vond dat hij die volkomen verdiend had, werd Harald meteen uit het leger verwijderd, nadat zijn superieuren het menselijk wrak, dat in zijn eigen bloed op de vloer van zijn cel lag, gezien hadden. Het werd natuurlijk in de doofpot gestopt, omdat het niet goed voor het blazoen van het leger was. In alle openbare documenten staat daarom dat Harald uit het leger ontslagen werd om gezondheidsredenen.’

‘Hoe weet jij dit dan?’ vroeg Þóra, blij iets te kunnen vragen wat redelijk gewoon was.

‘Ik heb zo mijn connecties,’ antwoordde Matthias met een sarcastische blik. ‘Zo sprak ik met Harald, nadat hij uit Kosovo teruggekomen was. Hij was een veranderd mens, dat kan ik je zeggen. Of dat kwam door de ervaring in het leger of door de smaak van bloed in zijn mond, weet ik niet. Hij was in elk geval nog vreemder dan daarvoor.’

‘Hoe dat zo?’ vroeg Þóra nieuwsgierig.

‘Gewoon, vreemder,’ antwoordde Matthias. ‘Zowel in uiterlijk als in zijn manieren. Hij ging kort daarop naar de universiteit; verliet het huis, zodat men hem net zo weinig zag als daarvoor. Bij de paar keren dat onze paden elkaar kruisten was het altijd duidelijk dat hij in een spiraal beland was: een neergaande. Het hielp waarschijnlijk ook niet dat zijn grootvader korte tijd later stierf: ze hadden een hechte band met elkaar.’

Þóra wist niet wat ze moest zeggen. Harald Guntlieb was duidelijk geen normale man geweest. Ze keek op haar blaadje en besloot te vragen naar het slachtoffer van wurgseks over wie in de krantenknipsels gesproken werd. Maar ze had er eigenlijk de neus vol van. Ze keek op haar gsm en zag dat het laat geworden was. ‘Matthias, ik moet naar huis. Mijn lijst is niet afgewerkt, maar ik heb genoeg om in de tussentijd over na te denken.’

Ze ruimden het materiaal waarin ze op het bureau hadden zitten zoeken snel op. Ze pasten er goed voor op dat ze de stapels waarin ze de gegevens gesorteerd hadden niet door de war haalden. De zorg om dubbel werk, die daarmee samenhing, was te groot.

Toen Þóra de laatste stapel netjes aan de zijkant gelegd had, wendde ze zich tot Matthias en vroeg: ‘Heeft Harald geen testament gemaakt, gezien al zijn bezittingen?’

‘Jawel, hij heeft inderdaad een testament achtergelaten: een nogal recent testament, om precies te zijn,’ antwoordde Matthias. ‘Hij had altijd een soortgelijk testament gehad, maar heeft dat half september veranderd. Hij maakte speciaal daarvoor een reis naar Duitsland voor een afspraak met de notaris van de familie en liet een nieuwe versie opmaken. Niemand weet trouwens wat erin staat.’

‘Hè?’ vroeg Þóra verbaasd. ‘Waarom niet?’

‘Het bestond uit twee delen, met de voorwaarde dat het eerste deel het eerst geopend moest worden. Daaruit kwam naar voren dat het tweede deel niet geopend mocht worden, voordat Harald begraven was, maar dat is vanwege de zaak nog niet mogelijk geweest.’

‘Was dat alles wat eruit naar voren kwam?’ vroeg Þóra.

‘Nee, er waren ook instructies over waar hij zich wilde laten begraven.’

‘En waar was dat?’

‘Op IJsland, maar dat is een beetje raar, als je bedenkt hoe kort hij hier heeft doorgebracht. Het land scheen hem in zijn greep gekregen te hebben. Het tweede dat naar voren kwam, was dat zijn ouders bij de teraardebestelling aanwezig moesten zijn en minstens tien minuten bij het graf moesten staan: aan de voet van de kist, nadat men die had laten zakken. Mochten ze dit niet doen, dan zullen al zijn bezittingen aan een kleine tattooshop in München komen te vervallen.’

Þóra zuchtte. ‘Dacht hij dat ze niet zouden komen of zo?’

‘Waarschijnlijk,’ zei Matthias. ‘Hij stelde hun komst met deze clausule hoe dan ook zeker: zijn ouders hebben er geen zin in om in de bladen te belanden, omdat hun zoon een fortuin aan een tattooshop nagelaten heeft.’

‘Denk je dat zij alles erven?’ vroeg Þóra. ‘Dat wil zeggen, als ze komen.’

‘Nee,’ antwoordde Matthias. ‘Het zou ze niet kunnen boeien: ze willen alleen niet in de roddelpers terechtkomen. Nee, ik denk dat zijn zuster, Elisa, het merendeel van zijn bezittingen erft. Een aanzienlijk deel van het geld gaat naar iemand in dit land: de notaris liet dat duidelijk doorschemeren, toen ze hem bezochten. Het tweede deel van het testament moet waarschijnlijk hier op IJsland openbaar gemaakt worden, overeenkomstig Haralds wensen.’

‘Wie zou die persoon hier op IJsland kunnen zijn?’ vroeg Þóra nieuwsgierig.

‘Geen idee,’ antwoordde Matthias. ‘Hij of zij had in ieder geval een uitstekend motief om Harald te vermoorden, vooropgesteld dat hij dit geweten heeft.’

Þóra was opgelucht toen ze naar buiten liepen. Ze was moe en wilde naar huis, naar haar kinderen. Toch voelde ze zich niet helemaal op haar gemak: ze had het gevoel dat ze iets over het hoofd gezien hadden. Maar hoe ze ook probeerde erop te komen, nadat ze in haar eentje in de auto van de garage zat, ze kon er geen grip op krijgen. En toen ze de auto thuis op de parkeerplaats tot stilstand bracht, was ze het helemaal vergeten.

12

Een echtscheiding brengt niet alleen voordelen met zich mee: het was Þóra allang duidelijk geworden dat er ook nadelen aan kleefden. Vroeger werd bijvoorbeeld het huishouden door hen beiden bekostigd, maar nu moest het loon van één voldoen. Het was een spel op zich om de draagkracht te vergroten en daarmee het gemak; Þóra herinnerde zich tenminste geen bijzondere problemen met de overgang van arme student naar werknemer. Het was een heel ander verhaal toen de broekriem aangehaald moest worden, zoals Þóra had moeten proberen. Hannes, haar ex, was letselschadearts; met andere woorden, hij had een goede baan met een hoog salaris. Bij de scheiding had Þóra daarom afstand moeten nemen van veel dingen die ze als vanzelfsprekend was gaan beschouwen: nu was het niet langer vanzelfsprekend om uit eten te gaan, weekenduitjes naar het buitenland te ondernemen, dure kleren te kopen of iets anders te doen wat het leven kenmerkt van hen die zich geen zorgen om geld hoeven te maken. Hoewel de nadelen niet alleen financiën betroffen – hier schoot Þóra de uitdrukking ‘geen seks’ meteen te binnen – miste ze nog het meest de vrouw die tweemaal per week bij hen kwam om schoon te maken. Toen Þóra en Hannes van elkaar scheidden, had ze haar op moeten zeggen, omdat ze de eindjes gewoon niet meer aan elkaar kon knopen. Daarom stond Þóra nu bij de bezemkast en probeerde hem zo goed ze kon dicht te doen zonder de stofzuigerstang ertussen te krijgen, die zich er voortdurend weer uit wurmde en in de weg kwam te zitten. Het lukte haar de deur dicht te doen en Þóra slaakte een zucht van opluchting. Ze had net alle vloeren in het ruim tweehonderd vierkante meter grote huis gestofzuigd en was best tevreden over zichzelf.

‘Ziet het er nu niet helemaal anders uit?’ vroeg ze Sóley, die in de keuken zat te tekenen.

Het kleine meisje keek op. ‘Ziet wat eruit?’ vroeg ze nieuwsgierig.

‘De vloeren,’ antwoordde Þóra. ‘Ik heb net gezogen. Zijn ze niet mooi?’

Sóley keek naar de vloer onder zich en toen weer naar haar moeder. ‘Je bent hier een stuk vergeten.’ Ze wees met haar groene waskrijtje naar een vieze plek onder de stoel waarop ze zat.

‘O, vergeef me, edele vrouwe,’ zei Þóra en kuste haar dochter op het hoofd. ‘Wat voor moois ben je aan het tekenen?’

‘Dat zijn ik en jij en Gylfi,’ antwoordde Sóley en wees naar drie figuren van ongelijke grootte op het papier. ‘Jij hebt je mooie jurk aan en ik ook en Gylfi een korte broek.’ Ze keek naar haar moeder. ‘Het is zomer op de tekening.’

‘Wauw, wat ben ik chic,’ zei Þóra. ‘Ik ga van de zomer zo’n jurk kopen.’ Ze keek op de klok. ‘Kom, ik ga je tanden poetsen. Het is tijd om ermee op te houden.’

Terwijl Sóley bij haar kleurtjes wegliep, liep Þóra bij haar zoon naar binnen. Ze klopte eerst netjes op de deur van zijn kamer, voordat ze hem opendeed. ‘Is dit niet mooier wonen?’ vroeg ze en ze wees naar de vloer in zijn kamer.

Gylfi antwoordde niet meteen. Hij lag uitgestrekt op zijn bed en praatte door zijn gsm. Hij hing gauw op toen hij zijn moeder zag, en beloofde op gedempte toon zijn gesprekspartner terug te zullen bellen. Hij ging rechtop zitten en legde de gsm weg. Þóra vond hem er wat duizelig uitzien. ‘Is alles wel goed? Je ziet zo bleek.’

‘Hè?’ vroeg Gylfi. ‘Nee, nee, alles is goed. Prima zelfs.’

‘Nee maar,’ antwoordde Þóra, ‘ik kom alleen om te vragen of je de lucht hierbinnen niet beter vindt nadat ik hier gestofzuigd had. Ja, en om te kijken of ik geen kus als beloning krijg.’

Gylfi stond op. Hij keek afwezig om zich heen. ‘Hè, o ja. Dat is fijn.’

Þóra keek haar zoon onderzoekend aan. Het was duidelijk: er klopte iets niet. Zijn gebruikelijke reactie zou zijn geweest dat hij zijn schouders ophaalde of iets mompelde over het feit dat de vloer hem niets kon schelen. Zijn blik schoot heen en weer en hij probeerde zijn moeder niet aan te kijken. Er was iets aan de hand en Þóra kreeg een steek in haar maag. Ze had niet zo voor hem gezorgd als ze had moeten doen. Hij was sinds de echtscheiding van een kleine jongen in een halve man veranderd en Þóra was te druk met zichzelf en haar eigen problemen bezig geweest om hem genoeg aandacht te geven. Nu wist ze niet hoe ze zich moest opstellen. Het liefste wilde ze hem knuffelen en met haar vingers door zijn onnodig lange haar strijken, maar dat zou gewoon gek lijken: die tijd was voor haar verkeken en voorbij. ‘Hé,’ zei ze, terwijl ze haar hand op zijn schouder legde. Ze moest haar hoofd draaien om hem recht aan te kijken, aangezien hij de andere kant op keek. ‘Er is iets aan de hand. Je kunt het me wel vertellen, hoor: ik beloof je dat ik niet boos zal worden.’

Gylfi keek haar bedachtzaam aan, maar zei niets. Þóra zag dat er zich minuscule zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd gevormd hadden en het kwam haar zo voor dat hij griep had. ‘Heb je koorts?’ vroeg ze en ze maakte aanstalten om de rug van haar hand op zijn voorhoofd te leggen.

Gylfi trok zich lenig terug. ‘Nee, nee. Helemaal niet. Ik kreeg alleen net slecht nieuws.’

‘O ja?’ vroeg Þóra voorzichtig. ‘Wie was er aan de telefoon?’

‘Sigga… Ik bedoel Siggi,’ antwoordde Gylfi zonder zijn moeder in de ogen te kijken. Hij voegde er vlug aan toe: ‘Arsenal heeft van Liverpool verloren.’

Þóra was niet van gisteren en het was haar zonneklaar dat dit een haastig verzonnen smoes was. Ze kende helemaal geen Siggi in Gylfi’s vriendenkring en dat kwam echt niet omdat ze veel van Gylfi’s kennissen van naam noch van gezicht kende. Bovendien kende ze haar zoon goed genoeg om te weten dat hij geen dusdanig voetbalfanaat was dat de uitslagen van het Engelse voetbal hem uit zijn evenwicht sloegen. Ze overlegde bij zichzelf of ze naar hem toe moest lopen of moest doen alsof er niets aan de hand was. Ze schatte de situatie zo in dat de tweede mogelijkheid beter zou moeten zijn, op dit moment althans. ‘O jee, wat stom. Dat verdraaide Liverpool ook altijd.’ Ze keek hem recht in de ogen. ‘Als je met me wilt of moet praten, Gylfi, beloof me dan dat je niet zult aarzelen dat te doen.’ Toen ze zag dat hij uitvluchten zocht, voegde ze er vlug aan toe: ‘Ik bedoel over het voetbal. Arsenal en zo. Je weet toch dat je bij mij terechtkunt, lieverd. Ik kan niet alle problemen van de wereld oplossen, maar ik kan wel proberen dat te doen bij de problemen die op ons bord belanden.’

Gylfi keek haar aan zonder iets te zeggen. Hij glimlachte zwakjes en mompelde iets over een opstel dat hij af moest maken. Þóra mompelde iets terug, ging weg en deed de deur van zijn kamer dicht. Ze kon zich niet voorstellen wat voor gebeurtenis een jongen van zestien uit het lood kon slaan; ze had nooit in deze positie verkeerd en daarbij herinnerde ze zich niet bijzonder veel van haar eigen tienertijd. Het enige wat haar was bijgebleven, waren meisjesdingen. Misschien was hij op iemand verliefd geworden die niet dezelfde gevoelens had. Þóra besloot hier heel gewiekst achter te komen: ze zou hem morgenochtend bij het ontbijt een paar geslepen vragen kunnen stellen. Misschien zou deze crisis dan al voorbij zijn. Het zou heel goed kunnen zijn dat dit een storm in een glas water was: opspelende hormonen.

Nadat ze Sóley’s tanden gepoetst had en haar had voorgelezen, maakte Þóra het zichzelf op de bank voor de televisie gemakkelijk. Ze belde met haar moeder, die met haar vader een maand vakantie op de Canarische eilanden vierde. Telkens wanneer ze belde, kwamen dezelfde klachten op haar af. De laatste keer was het het gebrek aan kwark, waaraan haar ouders zeker zouden doodgaan; nu was het Discovery Channel op de televisie in het hotel waaraan haar vader verslaafd geraakt was, als ze haar moeder tenminste moest geloven. Ze namen afscheid van elkaar en haar moeder zei terneergeslagen dat ze zich maar naast haar man neer zou laten ploffen om erachter te komen hoe rupsen met elkaar paren. Þóra glimlachte, hing op en ging verder met televisiekijken. Toen ze op het punt stond in slaap te vallen bij een stomme reality show, ging de telefoon. Ze stond van de bank op en nam de telefoon op.

‘Met Þóra,’ zei ze en ze probeerde haar stem niet te slaperig te laten klinken.

‘Ja hoi, Hannes hier,’ hoorde ze aan de andere kant van de lijn.

‘O, hoi.’ Þóra vroeg zich af of het ooit zover zou komen dat ze het niet meer onplezierig zou vinden om met haar ex, Hannes, te praten. Deze pijnlijke relatie had er ongetwijfeld mee te maken dat ze van intimiteit was overgegaan naar gedwongen beleefdheid, ongeveer zoals wanneer ze een oude vlam tegenkwam of mannen met wie ze in haar jonge jaren geslapen had; iets wat in een klein land als IJsland onontkoombaar was.

‘Luister, over het weekeinde: mijn vraag was of ik de kinderen vrijdag niet later kan komen ophalen. Ik wil met Gylfi een oefenritje maken en denk dat het beter is om dat na het spitsuur te doen, zo om een uur of acht.’

Þóra antwoordde bevestigend, al wist ze heel goed dat dit uitstel niets met een oefenrit te maken had: Hannes moest ongetwijfeld langer werken of hij moest na zijn werk nog iets regelen. Een van de redenen van hun eindeloze geruzie vóór de scheiding was juist geweest dat Hannes nooit ergens verantwoording voor scheen te kunnen nemen: het was altijd de schuld van anderen of van denkbeeldige externe omstandigheden waar hij niet mee om kon gaan. Nu was dit niet langer haar probleem, maar dat van Klara, zijn huidige partner. ‘Wat gaat er van het weekeinde gebeuren?’ vroeg Þóra om maar iets te zeggen. ‘Moet ik iets bijzonders inpakken?’

‘Ja, we gaan misschien paardrijden, dus het zou goed zijn als ze daarvoor kleren bij zich hebben,’ antwoordde Hannes.

Klara was amazone en had Hannes in de paardensport meegetrokken. Dat maakte bij Sóley en Gylfi een uitgesproken vrees los, aangezien ze Þóra’s angst voor een fataal ongeluk geërfd hadden. Þóra had er moeite mee te rijden als het glad was, bergen te beklimmen, met de lift te gaan, rauw voedsel te eten en met alles wat waarschijnlijk een zeer slechte afloop zou hebben. Om onbegrijpelijke redenen had ze echter geen last van vliegangst. Ze begreep haar kinderen daarom volkomen: ze raakten allebei buiten zichzelf van paniek bij de gedachte aan paardrijden, ervan overtuigd dat bij elke rit hun laatste uur geslagen had. Hannes kon niet accepteren dat dit niet over zou gaan en trachtte voortdurend zijn kinderen ervan te overtuigen dat ze er gewoon aan zouden moeten wennen. ‘Weet je zeker dat dat verstandig is?’ vroeg ze, hoewel ze heel goed wist dat ze weinig zeggenschap over Hannes’ plannen had. ‘Gylfi is momenteel wat lusteloos en ik weet niet zeker of een buitenrit iets is wat hij kan gebruiken.’

‘Wat een onzin,’ antwoordde Hannes ruw. ‘Hij wordt een steeds betere ruiter.’

‘Dat zeg jij. Probeer gewoon eens met hem te praten. Ik heb het vermoeden dat hij een of ander probleem met een meisje heeft en jij weet daar meer van dan ik.’

‘Problemen met meisjes? Wat weet ik daar nou van?’ steunde Hannes. ‘Hij is net zestien geworden. Dat kan toch nauwelijks serieus zijn.’

‘Nee, misschien niet. Maar let er eens op en probeer er wat wijzer van te worden.’

‘Wijzer? Hoezo wijzer? Wat bedoel je?’ Hannes was helemaal de draad kwijt en Þóra lachte bij zichzelf.

‘Je weet wel: iets wat hem helpt om met de problemen des levens om te gaan.’ De grijns op Þóra’s gezicht werd breder.

‘Je maakt een grapje,’ zei Hannes hoopvol.

‘Nee, helemaal niet,’ antwoordde Þóra. ‘Ik vertrouw erop dat je erachter komt. Ik zal hetzelfde met onze dochter doen, wanneer het om problemen met jongens gaat. Je kunt bijvoorbeeld proberen hem op jullie buitenrit terzijde te nemen en in alle rust met hem praten.’

Ze sloten het telefoongesprek af en Þóra was er vrijwel zeker van dat ze erin geslaagd was de kans dat ze een buitenrit zouden maken, te verkleinen. Þóra trachtte zich weer in de schijnwereld van de televisie te begraven. Dat mislukte, want de telefoon ging meteen weer.

‘Neem me niet kwalijk dat ik zo laat bel, maar ik had het gevoel dat je aan me zat te denken,’ zei Matthias op rustige toon, nadat ze elkaar begroet hadden. ‘Dus besloot ik je toe te staan naar mij te luisteren.’

Þóra raakte van de kook: het was haar niet duidelijk of Matthias gek geworden was, dronken was of een grapje maakte. ‘Het was nu niet bepaald zo dat je me overviel.’ Ze pakte de afstandsbediening van de televisie om het geluid zachter te zetten, zodat hij niet kon horen dat ze naar zoveel onzin zat te kijken. ‘Ik was aan het lezen.’

‘Wat ben je aan het lezen?’ vroeg hij.

‘Oorlog en vrede van Dostojevski,’ loog Þóra.

‘Mmm, ja,’ zei Matthias, ‘lijkt dat boek enigszins op Oorlog en vrede van Tolstoj?’

Þóra balde haar vrije hand tot een vuist, kwaad op zichzelf omdat ze niet Laxness of een of ander IJslands werk dat hij niet kende, genoemd had. Ze was altijd al een slechte leugenares geweest. ‘Ik bedoel Tolstoj. Had je anders iets bijzonders? Je belde toch zeker niet om over literatuur te praten?’

‘Nee, gelukkig niet, omdat ik dan kennelijk het verkeerde nummer gedraaid heb,’ antwoordde Matthias ad rem. Toen Þóra hierop geen antwoord gaf, voegde hij eraan toe: ‘Nee, sorry, ik belde omdat de advocaat van de man die de politie in hechtenis heeft, zo-even contact opgenomen heeft.’

‘Finnur Bogason?’ vroeg Þóra.

‘Ja, hoewel jij dat onvergelijkbaar veel beter uitspreekt dan ik,’ antwoordde Matthias. ‘Hij wilde me laten weten dat we die jongen morgen kunnen bezoeken, als we willen.’

‘Krijgen we daar toestemming voor?’ vroeg Þóra verbaasd. Mensen in voorlopige hechtenis kregen over het algemeen geen toestemming voor bezoek, van wie dan ook.

‘Die Firtnur’ – Matthias sprak het uit als Fienoer – ‘is het gelukt om de politie ervan te overtuigen dat wij met hem aan de verdediging van deze jongen aan het werk zijn. Hetgeen we indirect natuurlijk ook aan het doen zijn.’

‘Wat heeft hem hiertoe gebracht?’

‘Laten we zeggen dat ik hem een zetje gegeven heb.’

Þóra vroeg daar niet verder naar, aangezien ze geen zin had deelgenoot aan iets onrechtmatigs te zijn. Ze twijfelde eraan dat Matthias de advocaat bedreigd had, vond het geloofwaardiger dat hij beloofd had hem te betalen om een gesprek te krijgen, hetgeen in het beste geval als immoreel beschouwd kon worden. Zij vond het prettiger het zich zo voor te stellen dat ze de verdachte aan het helpen waren.

Ach, wat nou moreel of immoreel! Ze moest deze Hugi ontmoeten. Misschien bleek hij schuldig, als alle puzzelstukjes op hun plaats waren gevallen. Het beste was toch als je mensen in eigen persoon te spreken kon krijgen. Als je degene die aan het vertellen was, in de ogen kon kijken en hun bewegingen en lichaamstaal kon observeren. ‘Laten we ons er niet druk over maken. We moeten hem natuurlijk ontmoeten.’

‘Mijn idee. Ik moet het alleen Fienoer laten weten.’

‘Waarom belde hij je zo laat?’ vroeg Þóra. ‘De toestemming zal toch niet in de avond binnengekomen zijn.’

‘Nee, nee, er lagen hier in het hotel berichten op mij te wachten en ik kwam net binnen. Ik wil niet dat mijn telefoonnummer bij te veel mensen bekend wordt.’

Þóra vond het niet leuk om te merken dat ze heel graag wilde weten waar Matthias heen gegaan was, nadat hun wegen zich gescheiden hadden, hoewel het het meest voor de hand lag dat hij gewoon de stad in was gegaan en iets was gaan eten.

Ze spraken af dat Matthias Þóra om negen uur van kantoor zou halen en dat ze samen naar het oosten, naar Litla-Hraun, zouden rijden. Ze keek toevallig door het raam naar buiten naar de sneeuw, die alles opslokte, en hoopte dat hij bij zulke weersomstandigheden kon rijden. Anders zouden ze een probleem hebben.

8 december 2005

13

Þóra zat aan de computer in haar kantoor, toen Matthias haar om negen uur kwam halen. Ze wilde net ophouden de e-mail van de dag ervoor te beantwoorden en het overgrote deel door Þór te laten afhandelen. Bragi was haar die ochtend glimlachend tegemoet gekomen. Hij was nog steeds de gedachte aan het koesteren dat deze Duitse zaak deuren naar het buitenland zou openen: het zou het begin van een eindeloze stroom werk voor het kantoor betekenen. Þóra hielp hem niet uit die droom, aangezien ze allang blij was dat ze zich op het moordmysterie kon concentreren zonder tegelijkertijd tussen andere, kleinere zaken verscheurd te worden. Ze had een e-mailbericht aan die onbekende vriend van Harald, Mal, gestuurd, waarin ze kort en bondig de dood van Harald had vermeld en uiteengezet hoe Matthias en zij namens de familie Guntlieb in deze zaak betrokken waren. Ter afsluiting van het bericht sprak ze beleefd de wens uit dat Mal contact met haar zou opnemen, daar hij wellicht over informatie beschikte die van belang zou kunnen zijn. Toen Bella opbelde om de komst van Matthias aan te kondigen, had Þóra nog zo weinig te doen dat ze het meisje vroeg hem te vragen bij de balie plaats te nemen en nog vijf minuten te wachten. Het maakte voor haar veel verschil als het bureau was opgeruimd wanneer ze ’s middags weer aan datzelfde bureau moest werken. Ze haastte zich alles af te ronden, kreeg het in ruim vijf minuten voor elkaar en zette tevreden over het resultaat van die ochtend de computer uit. Ze overlegde bij zichzelf om vroeger op de ochtend binnen te komen. Hoewel ze thuis harder zou moeten aanpoten, kon deze tijd heel goed gebruikt worden. Vóór de gebruikelijke openingstijd van het kantoor zou ze immers niet worden gestoord door de telefoon.

Ze haalde een klein recordertje uit een bureaula en stak het bij zich om te gebruiken bij het gesprek met Hugi. Terwijl ze onderzocht of de batterijen nog vol waren, moest ze aan haar zoon denken, die die ochtend niet te genieten was geweest. Waar het probleem ook lag, het scheen die nacht niet overgegaan te zijn, zoals Þóra had gehoopt. De jongen had er afwezig en zonder eetlust bij gezeten en Þóra was er nauwelijks in geslaagd een woord uit hem te trekken. Sóley daarentegen had ononderbroken gepraat, zoals ze ’s ochtends altijd deed, en het was daarom voor Þóra onmogelijk gebleken om enig contact met haar zoon te krijgen. Ze besloot om ’s avonds in alle rust naar hem toe te gaan, nadat Sóley naar bed gegaan was. Ze zette deze gedachten van zich af, stopte de recorder in haar tas en ging vlug weg.

Þóra viel om van verbazing toen ze aan de balie kwam: daar zat Matthias op de rand van Bella’s bureau druk te leuteren met de secretaresse, die straalde als het zonnetje in huis. Ze had niet eens in de gaten dat Þóra binnengekomen was en ze moest kuchen om hun aandacht te krijgen.

Matthias keek haar aan. ‘Ach jee, ik hoopte dat je bezigheden nog wat meer vertraging zouden oplopen.’ Hij glimlachte naar Þóra en gaf haar een knipoog.

Þóra had er moeite mee om haar blik van Bella’s gezicht af te wenden, dat alleen van het glimlachen al volkomen veranderd was. Ze was gewoon aardig met zo’n vrolijke blik. ‘Ja oké, moeten we niet gaan?’ zei Þóra en ze haalde haar jas. ‘Leuk om je zo vrolijk te zien, Bella,’ voegde ze eraan toe en ze glimlachte op haar vriendelijkst naar de secretaresse.

De glimlach op Bella’s gezicht verdween als sneeuw voor de zon. Met de charme die Matthias geprobeerd had op de secretaresse los te laten, had zij duidelijk geen succes. ‘Wanneer kom je terug?’ vroeg ze zuur.

Þóra trachtte niet te laten merken hoe teleurgesteld ze was over het feit dat ze voor Bella de tegenpartij was. ‘Ik verwacht niet dat ik vandaag nog terugkom, maar ik bel je als ik denk dat het anders loopt.’

‘Ja ja, prima,’ antwoordde Bella kortaf en er lag een klank in haar woorden waarvan Þóra geleerd had te doen alsof ze zich er niet bewust van was. Hetgeen onmogelijk was.

‘Je hoorde wat ik zei.’ Þóra kon niet doen alsof er niets was, hoewel ze heel goed wist dat dat verstandiger zou zijn. ‘Kom, Matthias.’

‘Ja, mevrouw,’ zei Matthias en hij glimlachte naar Bella. Tot Þóra’s grote ongenoegen glimlachte ze terug.

Toen ze in de auto gingen zitten, deed Þóra de gordel om en draaide zich naar Matthias. ‘Kun jij bij ijzel rijden?’

‘Dat zal vanzelf blijken,’ antwoordde Matthias ad rem en hij reed de wagen van de parkeerplaats. Toen hij de blik op Þóra’s gezicht zag, voegde hij eraan toe: ‘Geen zorgen: ik ben een goed chauffeur.’

‘Je mag alleen niet remmen, als de auto begint te slippen,’ zei Þóra, omdat ze er allesbehalve van overtuigd was dat Matthias dit wist.

‘Wil jij rijden?’

‘Nee, dank je,’ antwoordde Þóra. ‘Met die remregel kan ik niet uit de voeten: als de auto begint te slippen, trap ik onwillekeurig op de rem, hoewel ik wel beter weet. Mijn rijkunst is maar heel beperkt.’

Ze reden over de weg die de stad uit ging en waren op de hoogvlakte gekomen, toen Þóra haar nieuwsgierigheid wat betreft het gesprek tussen Matthias en Bella niet langer in bedwang kon houden. ‘Waarover waren jullie aan het praten?’

‘We?’ vroeg Matthias verbaasd.

‘Ja, jij en Bella, mijn secretaresse. Normaal gesproken zegt ze geen boe of bah.’

‘O, zij! We waren over paarden aan het praten. Ik wil graag eens proberen te rijden, terwijl ik hier ben. Het IJslandse paard staat goed bekend. Ze gaf me advies.’

‘Wat weet zij eigenlijk van paarden?’ vroeg Þóra.

‘Ze rijdt paard; wist je dat niet?’

‘Nee, eigenlijk niet,’ antwoordde Þóra. Ze kon alleen maar medelijden hebben met de paarden die onder Bella’s gewicht gebukt moesten gaan. ‘Wat voor paarden heeft ze dan: nijlpaarden?’

Matthias keek van de weg naar Þóra. ‘Ben je jaloers?’ vroeg hij sarcastisch.

‘Ben jij dronken?’ pareerde ze.

Ze reden zwijgend over de lavavelden in de richting van Þrengslin. Þóra sloeg het landschap vanuit het autoraam gade. Hoewel weinig mensen het met haar eens zouden zijn, vond ze dit een van de mooiste plekken van het land; met name in de zomer, wanneer het groene mos nog het meest in het oog sprong: de zachte lijnen van de bemoste oppervlakten vormden een scherp contrast met de ruwe contouren van de lava. Nu was het gebied met sneeuw bedekt en derhalve ontbraken de drie dimensies in het hele beeld: zo was het niet zo indrukwekkend als in de zomer. Toch hing er over het gebied een rust die Þóra aansprak. Ze verbrak de stilte. ‘Vind je dit niet mooi?’

Matthias wendde zijn blik even van de weg en nam de omgeving in zich op. Er was weinig tot geen verkeer. ‘Heel mooi.’ Hij glimlachte haar toe als om vrede te sluiten.

‘Wij zijn niet bepaald goede partners, jij en ik,’ zei ze. Ze bedoelde daarmee de kleine woordenwisselingen die hun relatie tot nog toe kenmerkten. ‘We zouden misschien eens een nieuwe taktiek moeten uitproberen.’

Hij lachte weer naar haar. ‘Vind je? Ik ben volkomen gelukkig: jij bent veel leuker gezelschap dan waar ik bij het werk aan gewend ben. Het zijn bijna alleen maar mannen en de weinige vrouwen met wie ik in die wereld contact heb, zijn zo hysterisch dat ze al instorten als er ook maar dít misgaat.’

Nu was het Þóra’s beurt om te lachen. ‘Je bent een tikje beter dan Bella, dat mag je best weten.’ Ze zweeg even. ‘Vertel me één ding: in de map zat een knipsel uit een Duitse krant, dat over de dood van jonge mensen door wurgseks ging. Waarom heb je dat in de map gestopt?’

‘Aaaah.’ Matthias rekte het woord. ‘Dat gedoe. Een van de jongens om wie het in het artikel ging, was Haralds beste vriend. Ze leerden elkaar aan de universiteit in München kennen; ze waren zonder meer zielsverwanten en daardoor ondernamen ze dezelfde onzin. Ik weet niet wie van beiden deze rare spelletjes geïntroduceerd heeft, maar Harald zwoer dat het zijn vriend was die ermee begon. Harald was erbij toen die jongen stierf, en belandde als gevolg daarvan in een lange reeks verhoren en in grote problemen. Hoewel ik het haast niet durf te zeggen, denk ik dat hij zich uit deze toestand uitgekocht heeft; je herinnert je misschien de grote uitgaven uit die tijd, die ik extra aangemerkt had?’ Þóra knikte. ‘Ik heb dat artikel erbijgedaan, omdat Harald gestikt is. Dat zou weleens van belang kunnen zijn. Wie weet: hij kan best op dezelfde manier als zijn vriend aan zijn einde gekomen zijn, hoewel dat nog maar zeer de vraag is.’

Ze parkeerden de auto op de parkeerplaats buiten de omheining van Litla-Hraun en liepen naar het hek dat voor bezoekers bedoeld was. Een gevangenbewaarder liet ze een kleine woonkamer op de tweede verdieping binnen. ‘We hadden gedacht dat u hier zou kunnen zitten: dat zou zeer geschikt moeten zijn, veel beter dan in een verhoorkamer,’ zei hij. ‘Hugi is rustig en zou u geen last moeten bezorgen. Hij komt zo.’

‘Dank u wel; dit is prima,’ antwoordde Þóra en ze ging naar binnen. Ze maakte het zich gemakkelijk op een bruine leren bank en Matthias ging vlak naast haar zitten. Ze was verbaasd over zijn keuze van zitplaats, aangezien er genoeg stoelen waren.

Hij keek haar aan. ‘Als Hugi hier tegenover ons gaat zitten, is het het handigst dat we zo zitten. Ik wil hem recht van voren kunnen aankijken.’ Hij trok zijn wenkbrauwen tweemaal vlug op. ‘Het is vreselijk fijn zo dicht tegen je aan te zitten.’

Þóra kreeg geen kans om te antwoorden, want de deur ging opnieuw open en Hugi Þórisson verscheen in gezelschap van een bewaker. Hij hield de jongeman, die met neergeslagen blik voor zich uitkeek, bij de schouders vast en stuurde hem door de deuropening. Hij was geboeid, maar Þóra vond hem zo verloren dat zoiets haar volkomen onnodig leek. De bewaker sprak hem aan en toen keek de jongen voor het eerst op. Hij streek zich zijn te lange haar met beide handen uit de ogen en Þóra zag dat hij heel knap was, in elk geval heel anders van uiterlijk dan ze zich voorgesteld had. Het leek haar ongelofelijk dat hij vijfentwintig was: zeventien leek dichter in de buurt te komen. Hij had donkere wenkbrauwen en grote ogen en het meest opvallende aan zijn gezicht waren de vooruitstekende jukbeenderen, wat zijn spichtigheid benadrukte. Als hij de moordenaar van Harald is geweest, dan heeft hij al zijn kracht moeten aanwenden, dacht Þóra. Hij leek tenminste niet in staat om vijfentachtig kilo over een lange afstand te slepen.

‘Zul je je gedragen, vriend?’ vroeg de bewaker Hugi vriendelijk. Hugi knikte zwijgend en de bewaker trok Hugi’s handen naar zich toe en maakte de boeien los. Hij legde opnieuw een hand op Hugi’s schouder en stuurde hem naar de stoel recht tegenover Þóra en Matthias. Daar ging de jongen zitten of liever gezegd: hij liet zich in de stoel neerploffen. Hij vermeed het Þóra en Matthias recht aan te kijken, wendde zijn gezicht volledig van hen af en staarde naar de vloer naast de stoel, waar hij in hing.

‘Wij zijn in de kamer hiernaast, als u ons nodig hebt. Hij zou u geen moeilijkheden moeten bezorgen.’ De bewaker richtte zijn woorden tot Þóra.

‘Prima,’ zei Þóra, ‘we zullen hem niet langer bezighouden dan nodig is.’ Ze keek op haar horloge. ‘We zouden dit vóór twaalven moeten kunnen afhandelen.’

De bewaker liet hen achter en toen hij de deur achter zich had dichtgedaan, kon je alleen de ademhaling van hen drieën horen en een zacht geluid, dat ontstond omdat Hugi ritmisch aan de knieën van de legerbroek die hij aanhad, zat te krabben. De jongen maakte nog geen aanstalten hen aan te kijken.

Gevangenen mochten zo te zien hun eigen kleren dragen, in tegenstelling tot Amerikaanse gevangen, die Þóra van de televisie en uit de bioscoop kende. Daar liepen ze in overalls rond die nog het meest weg hadden van een sinaasappelschil. De jongen keek hen nog steeds niet aan.

‘Hugi,’ zei Þóra zo vriendelijk als ze kon. Ze ging verder in het IJslands, aangezien ze het wat dom vond om het gesprek in het Engels te beginnen. Er moest sowieso nog blijken of dit enigszins te doen viel. Ze mochten deze kans niet wegens taalproblemen verknoeien: als de jongen helemaal geen Engels begreep, zou ze dit alleen moeten afhandelen. ‘Je weet waarschijnlijk wie wij zijn. Ik heet Þóra Guðmundsdóttir; ik ben advocate. Dit is Matthias Reich uit Duitsland. We zijn hier vanwege de moord op Harald Guntlieb, die we onafhankelijk van de politie aan het onderzoeken zijn.’

Geen reactie. Þóra ging verder: ‘We wilden je spreken, omdat we er niet van overtuigd zijn dat jij iets met deze moord te maken hebt.’ Ze haalde diep adem om nadruk te leggen op wat ging volgen. ‘We proberen te achterhalen wie Haralds moordenaar was en we achten het zeer waarschijnlijk dat jij geen schuld hebt. Ons doel is degene die Harald vermoord heeft te vinden en als jij dat niet bent, dan is het in jouw voordeel om ons te helpen.’ Hugi keek op naar Þóra. Hij deed zijn mond echter niet open en maakte geen aanstalten iets te zeggen, dus ging Þóra door: ‘Je begrijpt waarschijnlijk wel dat jij min of meer van alle problemen af bent, als het ons lukt te bewijzen dat iemand anders Harald vermoord heeft.’

‘Ik heb hem niet vermoord,’ zei Hugi zacht. ‘Niemand gelooft me, maar ik heb hem niet vermoord.’

Þóra ging verder: ‘Hugi, Matthias hier komt uit Duitsland. Hij is gewend om onderzoek te doen, maar hij begrijpt geen IJslands. Durf je het aan in het Engels met ons te praten, zodat hij het begrijpen kan? Zo niet, geen probleem: we willen dat je onze vragen begrijpt en kunt beantwoorden zonder taalbarrières.’

‘Ik spreek goed Engels,’ was het antwoord, nog steeds op halfzachte toon uitgesproken.

‘Fijn,’ antwoordde Þóra. ‘Als je iets wat we zeggen, niet begrijpt of moeite met antwoorden hebt, stappen we gewoon op het IJslands over.’

Þóra draaide zich naar Matthias en vertelde hem dat ze in het Engels verder zouden gaan. Dat liet hij zich geen twee keer zeggen: hij leunde naar voren en begon te praten. ‘Hugi, begin er eens mee rechtop te zitten en je naar ons toe te draaien. Laat dat klagerige toontje achterwege en gedraag je eens als een vent.’

Þóra zuchtte inwendig: wat voor mannelijk gelul was dit nu weer? Ze verwachtte nog het meest dat de jongen zou opstaan en beginnen te huilen en erom zou vragen dat hij weg mocht; dat zouden ze dan maar moeten slikken, want hij was hier uit zijn eigen vrije wil. Ze kreeg de gelegenheid niet om hem te onderbreken, want Matthias ging meteen verder: ‘Je zit flink in de penarie, dat hoef ik je niet te vertellen. Je hebt welgeteld nog één kans om hier uit te komen en je moet je daarom voor de volle honderd procent inspannen om ons te helpen en ons naar waarheid te antwoorden. In jouw positie is het heel eenvoudig om in weet ik wat voor zelfmedelijden te vervallen, maar je moet je nu als een vent gedragen en niet als een kind. Doe wat ik zeg: ga rechtop zitten, kijk me recht aan en beantwoord eerlijk wat we je vragen. Je zult je echt beter voelen als je je als een man opstelt. Probeer het eens.’

Þóra sloeg verbaasd gade hoe Hugi deed wat Matthias zei. Hij ging rechtop zitten en deed zijn uiterste best zich als een man op te stellen. Zijn puberale uiterlijk maakte het hem hierbij lastig, maar er was in elk geval een verandering. Toen hij begon te praten, was zijn stem zwaarder en volwassenner. ‘Ik heb er moeite mee jullie veel in de ogen te kijken: ik zit onder medicijnen waarvan ik wat in de war raak.’ Þóra zag het aan zijn ogen: ze schoten heen en weer en er lag een soort waas over die wel haast door kalmerende middelen veroorzaakt moest zijn. ‘Ik zal toch proberen jullie antwoord te geven.’

‘Hoe hebben jouw en Haralds wegen elkaar gekruist?’ vroeg Þóra.

‘Ik leerde hem op een feestje in de stad kennen. Ouwehoerde wat met hem en hij bleek heel tof. Ik stelde hem daarna later aan Halldór voor.’

‘Wie is Halldór?’ vroeg Þóra.

‘Halldór Kristinsson. Hij studeert geneeskunde,’ antwoordde Hugi, niet zonder trots. ‘Wij zijn al bevriend sinds we kleine jongens waren. We wonen naast elkaar in Grafarvogur. Hij is ongelofelijk slim, maar geen nerd of zo, en altijd in voor wat lol.’

Þóra schreef het op: dat was die jonge vent die naar het feest wilde waar Harald was, op de avond dat die vermoord werd; hij was degene die besloten had om in De Koffiebrander op de andere feestgangers te wachten. ‘Waren jullie goed bevriend, jij en Harald?’

Hugi haalde de schouders op. ‘Ja, ja. Maar lang niet zo close als Harald en Halldór. Harald kocht weleens bij me…’ Hugi stopte midden in de zin en trok een bezorgd gezicht.

‘Die drugshandel van je kan op dit moment helemaal niemand iets schelen. Ga verder,’ zei Matthias bot.

Hugi’s adamsappel ging snel op en neer voordat hij besloot verder te praten. ‘Oké. Hij noemde me soms zijn beste vriend; dat was maar een grapje en alleen wanneer hij iets van me wilde kopen. En toch was hij heel tof: heel erg anders dan iedereen die ik ken.’

‘Hoe dan?’ vroeg Þóra.

‘Ten eerste had hij altijd bakken vol geld en hij gaf altijd rondjes en zo. Hij had ook een te gekke woning en auto.’ Hij dacht even na voordat hij verderging. ‘Dat was allemaal geen probleem. Daarom was hij veel cooler dan al die anderen. Hij was voor niets bang, verzon altijd krankzinnige dingen om uit te halen en trok iedereen op de een of andere manier met zich mee. Hij was een gigantische waaghals met al die versieringen aan zijn lichaam: niemand van ons durfde dat na te doen; Halldór niet eens, terwijl hij dat vreselijk graag wilde. Hij dacht dat het in de toekomst schadelijk voor hem zou kunnen zijn en had al enorm veel spijt van een kleine tatoeage die hij op zijn arm had laten zetten. Maar de toekomst kon Harald helemaal niets schelen.’

‘En daarna werd duidelijk dat hij geen toekomst meer voor zich had,’ zei Matthias. ‘Wat deden jullie; waarover hadden jullie het?’

‘Ik herinner me niet meer waar we het samen over hadden.’

‘Praatte hij weleens over zijn onderzoek of over heksenverbrandingen?’ vroeg Þóra hoopvol.

‘Hekserij,’ zei Hugi en hij snoof. ‘Eerst werd er nauwelijks over iets anders gepraat. Toen ik net met ze begon op te trekken, vroeg Harald me of ik met hun toververeniging mee wilde doen.’

Matthias onderbrak hem: ‘Toververeniging? Wat voor toververeniging?’

‘Malleus nog iets. Dat moest een vereniging voorstellen van mensen met belangstelling voor de heksenvervolgingen en andere historische dingen.’ Hij ontweek Þóra’s blik, kreeg een rood hoofd en richtte zich tot Matthias: ‘Maar het was iets heel anders; het ging om vier dingen: seks, drugs, magie en nog meer seks.’ Hij glimlachte. ‘Daarom vond ik het leuk om bij ze rond te hangen. Die geschiedenis en toverij en die magische symbolen en rituelen interesseerden me niet; ik wilde alleen lol hebben. Die meisjes waren knap.’ Hugi droomde even weg, waarschijnlijk bij de herinnering aan mooie momenten met die knappe meisjes. ‘Sommige verhalen over heksenverbrandingen waren best grappig. Ik herinner me er eentje waarin een zwangere vrouw op een brandstapel werd gezet en in het vuur haar kind kreeg. Een paar priesters haalden het kind er levend uit, maar besloten toen dat het door de hekserij van zijn moeder weleens bezeten kon zijn en gooiden het er weer in. Harald zei dat dit echt gebeurd was.’

Þóra’s gezicht vertrok, maar ze trok het meteen weer in de plooi. ‘Wie zaten er in deze vereniging? Hoe heetten die mooie meisjes?’

‘Harald was de voorzitter; daarna kwam Halldór, die eigenlijk zijn rechterhand was; ik; Bríet, die aan de universiteit Geschiedenis studeerde – zij was de enige die het allemaal serieus nam, denk ik –; Brjánn, die ook Geschiedenis studeerde; Andri, die Scheikunde studeerde, en Marta Mist, die een of andere vrouwenstudie deed. Die was onuitstaanbaar: altijd aan het zeuren over vrouwen en wat er wel niet allemaal oneerlijk tegenover vrouwen was. Ze verpestte gewoonlijk de hele sfeer met haar gezeik. Harald had vette ruzie met haar; hij noemde haar altijd “Nebel”, hetgeen haar enorm irriteerde. Dat betekent “mist” in het Duits. Vanwege haar tweede naam, snap je?’ Þóra gaf aan dat ze het begreep, maar Matthias zat er als een blok steen bij. ‘Dat was de kern van de groep; af en toe kwamen er nieuwe mensen bij, maar niemand bleef, behalve wij. Ik volgde niet echt wat ze aan het doen waren, wat dat aangaat; zoals ik al zei had ik geen interesse in toverij, alleen in wat ze in feite deden.’

‘Je zegt dat Halldór Haralds rechterhand was; wat bedoel je daarmee?’ vroeg Þóra.

‘Ze waren vaak met zijn tweeën wat aan het uitzoeken. Ik denk dat Halldór hem met vertalingen en zo geholpen heeft. Het lag dus voor de hand dat Halldór het van Harald zou overnemen, als die het land uit was. Halldór zag dat best zitten: hij was totaal gefascineerd door Harald.’

‘Is Halldór homo?’ vroeg Matthias.

Hugi schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat kan niet. Hij had gewoon dollartekens in zijn ogen, of zoiets. Halldór komt uit een arm gezin, net zoals ik trouwens. Harald overlaadde hem met geld, dure cadeaus en complimenten en in ruil daarvoor aanbad Halldór hem. Je kon zien dat Harald ervan genoot. Hij was trouwens niet altijd aardig tegen Halldór: hij had de gewoonte hem in onze aanwezigheid te vernederen. Hij lette er wel altijd op dat hij het weer goed maakte, zodat Halldór niet moeilijk ging doen. Het was een nogal vreemde relatie.’

‘Hoe vond jij het om Halldór, van wie je zegt dat hij al sinds je jeugd je vriend is, zo gefascineerd door Harald te zien? Was je niet jaloers?’ vroeg Þóra.

Hugi glimlachte. ‘Nee, helemaal niet. We waren nog steeds vrienden. Harald was maar tijdelijk op IJsland en ik wist dat dit over zou gaan. Ik vond het eerlijk gezegd nogal grappig om Halldór in die rol van aanbidder te zien. Hij was voor die tijd altijd degene geweest tegen wie ik opkeek; dat werd heel anders toen ik zag hoe hij in mijn voetsporen trad of zo. Niet dat Halldór ooit tegen mij zou doen zoals Harald tegen hem deed, of hij nou aardig of gemeen was.’ De uitdrukking op Hugi’s gezicht werd opeens bezorgd. ‘Ik vermoordde hem niet om mijn vriend terug te krijgen. Zo was het niet.’

‘Nee, misschien niet,’ zei Matthias. ‘Vertel me één ding: als jij hem niet vermoord hebt, wie deed het dan? Je moet toch bepaalde ideeën hebben. Je weet dat het geen zelfmoord of ongeluk geweest kan zijn.’

Hugi keek weer naar de vloer. ‘Ik weet het niet. Als ik het wist, zou ik het natuurlijk gezegd hebben: ik wil hier niet zijn.’

‘Denk je dat je vriend Halldór hem vermoord heeft?’ vroeg Þóra. ‘Neem je hem in bescherming?’

Hugi schudde zijn hoofd. ‘Halldór zou niemand vermoorden en Harald nog het minst. Ik vertelde jullie toch dat hij hem vereerde.’

‘Ja, maar je vertelde ook dat Harald vaak lullig tegen hem deed en hem in jullie aanwezigheid vernederde. Misschien maakte hem dat kwaad en kon hij daar niet mee overweg. Die dingen komen voor,’ zei Þóra.

Hugi keek op en zag er vastberadener uit dan daarvoor. ‘Nee. Halldór is niet zo. Hij studeert om arts te worden. Hij wil mensen in leven houden, niet het van ze afnemen.’

‘Hugi, jongen, het spijt me om je dit te moeten vertellen, maar artsen hebben door de eeuwen heen mensen gedood. Er zitten rotte appels in de mand van elk beroep,’ zei Matthias half sarcastisch. ‘Maar als het Halldór niet was, wie dan?’

‘Misschien Marta Mist,’ mompelde Hugi weinig overtuigend. Het meisje was duidelijk geen favoriet. ‘Misschien heeft Harald haar een keer te vaak “Nebel” genoemd.’

‘Marta Mist, tsja,’ zei Matthias. ‘Dat is een prachtige hypothese, ware het niet dat ze een waterdicht alibi heeft. Zoals alle anderen in die tovergroep van jullie. Behalve als het Halldór zou zijn: zijn alibi is het zwakst. Het is heel goed mogelijk dat hij heel snel uit De Koffiebrander is weggegaan, Harald vermoord heeft en daarna weer aan de boemel gegaan is, zonder dat iemand het merkte.’

Hugi vulde zijn wangen met lucht en blies die er langzaam uit. ‘Misschien iemand van de universiteit. Ik weet het niet. Of iemand uit Duitsland.’ Hij paste ervoor op om Matthias aan te kijken toen hij dit zei, alsof hij dacht dat Matthias overgevoelig zou zijn, als het over zijn landgenoten ging. ‘Ik weet dat Harald die avond iets aan het vieren was. Hij vertelde me dat; hij wilde ter gelegenheid van die dag of iets anders drugs van me kopen.’

‘Wat voor iets anders?’ vroeg Matthias bot. ‘Je moet duidelijker zijn. Wat zei hij precies?’

Hugi keek arrogant. ‘Precies? Ik herinner het me niet precies, maar het had te maken met iets wat hij eindelijk gevonden had. Hij riep iets in het Duits en balde zijn vuist. Toen omhelsde hij me en drukte me heel hard tegen zich aan en zei dat ik hem xtc moest bezorgen omdat hij zich verdomd goed voelde en zin had om helemaal uit zijn dak te gaan.’

‘Was dat toen jullie van het feest weggingen?’ vroeg Þóra. ‘Nadat hij je vastgehouden had en om xtc gevraagd had?’

‘Ja, vrij vlot daarna. Ik was helemaal van de wereld: ik had zowel te veel gedronken als een mislukte poging gedaan om nuchter te worden door speed te nemen. Veel te veel. We namen in elk geval een taxi naar mijn huis en ik herinner me alleen dat ik geen xtc-pillen kon vinden; ik was eigenlijk volkomen stoned en ik zou er al moeite mee gehad hebben om melk in de koelkast te vinden. Ik herinner me ook dat Harald nogal kwaad op me werd en zei dat dit een klotetrip was. Ik herinner me ook dat ik op de bank ging liggen omdat alles me voor de ogen begon te draaien.’

Þóra onderbrak Hugi. ‘Zei je dat je hem geen xtc-pillen hebt gegeven?’

‘Ik kon ze niet vinden,’ antwoordde Hugi, ‘ik was zo stoned als een garnaal; dat zei ik al.’

Þóra keek naar Matthias, maar zei niets. In het autopsierapport was naar voren gekomen dat in Haralds bloed het werkzame bestanddeel uit xtc-pillen gevonden was, zodat hij er ergens aan gekomen was. ‘Kan het zijn dat hij eerder die avond gescoord heeft? Of ze bij jou thuis gevonden heeft, toen jij in slaap gevallen was?’

‘Hij had op dat feestje geen xtc genomen: dat is uitgesloten. Hij was niet high: ik herken de uitwerking ervan altijd. Het is ook uitgesloten dat hij ze bij mij thuis gevonden heeft, want de politie duikelde ze uit mijn berging in de kelder op, toen ze huiszoeking deden. Ik had ze daar verstopt en ik had de sleutel in mijn zak. Harald zou nooit op het idee gekomen zijn om in de berging te gaan zoeken: ik betwijfel of hij er ooit vanaf geweten heeft. Misschien is hij naar huis gegaan en heeft daar gescoord. Ik weet dat hij een paar pillen had waarvan hij zij dat ze niet goed genoeg waren. Waarom vragen jullie daar zoveel over?’

‘Weet je zeker dat Harald niet in jouw zak gevoeld heeft en de sleutel heeft gevonden? Misschien herinner je je het niet, maar zou het kunnen dat je het je toen herinnerd hebt en het hem hebt verteld?’ vroeg Matthias. ‘Probeer het je te herinneren. Je lag op de bank en alles draaide om je heen en toen?’

Hugi kneep zijn ogen weer dicht en deed zo te zien zijn uiterste best om het zich te herinneren. Opeens deed hij zijn ogen open en keek hen verbaasd aan. ‘Ja, ik herinner het me. Trouwens: ik zei niets, maar Harald zei iets tegen mij. Hij boog zich over me heen en fluisterde iets tegen me; ik herinner me dat ik hem wilde antwoorden en hem wilde vragen om op me te wachten, maar ik kon het niet.’

‘Wat? Wat zei hij?’ vroeg Matthias ongeduldig.

Hugi keek hen peinzend aan. ‘Ik vergis me misschien, maar het staat me zo bij dat hij gezegd heeft: “Slaap lekker, makker. Je viert het later wel met me. Ik ben naar IJsland gekomen om de hel te zoeken en raad eens? Ik heb hem net gevonden.”’

14

‘Gedraag je niet als een idioot.’ Marta Mist tuitte haar lippen en blies een lange sliert rook uit. Ze tikte de as van haar half opgerookte sigaret en drukte hem vervolgens uit, omdat ze genoeg had gehad. ‘Je maakt het alleen maar erger en het komt niet bij je op dat iemand hier zijn voordeel mee gaat doen.’ Ze keek met haar groene, amandelvormige ogen geïrriteerd naar de jongen die op de stoel aan de andere kant van de tafel zat, of liever gezegd: die daarop in elkaar gedoken was. Marta Mist rekte zich uit en haalde haar vingers door haar rode krullen. ‘Lieverd, kijk me niet zo aan. Jij heb ons in deze situatie gebracht en je moet er nu niet over gaan zitten dromen om opeens een voorbeeldig burger te worden wiens geweten knaagt.’ Voor ondersteuning keek ze naar haar vriendin, die naast haar zat. Het jonge, blonde meisje knikte alleen maar instemmend met grote ogen. Ze had kort haar en was jongensachtig gekleed, maar toch zou niemand haar per ongeluk voor een man aangezien hebben. Ze was best knap en heel fijn gebouwd, met uitzondering van een flinke boezem. Van achteren bekeken had ze een kind kunnen zijn, zeker omdat ze naast de forse Marta Mist zat, die nog lang niet uitgepraat was. ‘Dit is zo’n typische mannenactie dat ik er haast van moet kotsen: opgeven wanneer het erop aankomt.’ Ze leunde tevreden over zichzelf terug in haar stoel. Haar vriendin durfde geen van beiden aan te kijken en concentreerde zich op haar cola.

‘Jemig,’ antwoordde Halldór en hij deed alsof hij een vinger in zijn keel stak, ‘Als jij er nou eens mee ophoudt om dit cliché steeds te herkauwen?’ De ergernis straalde van zijn gezicht af en terwijl hij Marta Mist aanstaarde, trok hij zijn bovenlip onwillekeurig op, zodat zijn witte tanden in het licht schitterden. Hij keek van haar weg en stak een sigaret aan. Toen hij uitblies, was zijn kwaadheid wat weggezakt en hij voegde er op iets rustiger toon aan toe: ‘Je zou er blij over moeten zijn dat ik naar de politie wil gaan. Of denk je soms dat het in de vrouwenvleugel helemaal geweldig zou zijn? Alleen maar vrouwen.’ Hij glimlachte sarcastisch naar haar.

Marta Mist zette hem op zijn nummer. ‘Dan kunnen we met elkaar bellen en leuke verhalen uitwisselen, want jij zult het ongelofelijk naar je zin krijgen in de gevangenis van Litla-Hraun, lieve schat: je bent ook zo’n knappe jongen.’ Ze retourneerde de sarcastische grijns.

‘Ach, houd toch eens op,’ zei Bríet eindelijk. De anderen antwoordden niet en keken haar enigszins verbaasd aan, waardoor ze weer in haar glas begon te staren, nu met rode konen. Even later hoorden ze haar in haar decolleté mompelen: ‘Ik wil niet naar de vrouwengevangenis en ik wil ook niet dat jij op Litla-Hraun terechtkomt.’ Ze keek op en richtte haar blik op Halldór. ‘Ik ben er doodsbang voor.’

Halldór glimlachte lief naar haar. Hij mocht haar graag; in feite was zijn gevoel veel sterker dan dat: hij voelde dat hij zonder meer erg van haar gecharmeerd was, hoewel hij nog niet helemaal zeker wist of dat meer dan alleen iets seksueels was. ‘Er gaat niemand naar de gevangenis.’ Hij keek naar Marta Mist. ‘Kijk nu eens wat je gedaan hebt: Bríet een beetje de stuipen op het lijf jagen met die onzin.’

Marta Mist trok een verontwaardigd gezicht. ‘Ik? Hallo! Jij begon over de gevangenis te praten; ik niet.’ Ze keek naar Bríet, trok een gezicht en zuchtte. ‘Wiens idee was het eigenlijk om hierheen te komen?’

Ze zaten in Hotel 101 aan de Hverfisgata, in een ruimte met open haard voor de bar, waar roken toegestaan was. Het was een favoriete plek van hun vriend Harald geweest en het was voor hen vaste prik om hiernaartoe te gaan, toen hij zijn wonderlijke vriendenkring min of meer leidde. Naast het feit dat ze hem misten was het alsof de plek een zekere charme verloren had.

Halldór liet zijn hoofd hangen en schudde het verward. ‘Allemachtig, Marta, ik word hier helemaal gek van. Kunnen we niet gewoon praten zoals vrienden? Ik dacht dat jij me zou helpen. Ik vind het vreselijk dat Hugi moet zitten; dat moet je toch doorhebben.’ Hij keek op zonder haar in de ogen te kijken en nam zijn pakje sigaretten, dat midden op tafel lag. ‘Ik word hier dus helemaal gek van. Wanneer is die verdomde begrafenis eigenlijk?’

Bríet keek zorgelijk naar Marta en het was overduidelijk dat ze hoopte dat haar vriendin zou bijtrekken. Zij zelf deed wat de anderen wilden. Marta Mist ademde diep in en liet de arrogantie, die haar gedrag had gekenmerkt sinds ze elkaar een kwartier eerder getroffen hadden, vallen. ‘Ach, Halldór.’ Ze reikte over de tafel, pakte hem bij zijn kin en dwong hem daardoor haar in de ogen te kijken. ‘Zijn we geen vrienden?’ Hij knikte bedroefd. ‘Luister naar me. Je helpt Hugi er niet mee, als jij je in deze zaak gaat mengen.’ Hij keek haar oplettend aan en zij ging rustig verder: ‘Bekijk de hele zaak nu eens. Dat jou iets dwarszit verandert niets aan zijn situatie. Het enige raakpunt is dat wij in deze zaak verzeild geraakt zijn. Dat gebeurde lang nadat hij vermoord was. De smerissen hebben daar geen enkele interesse in. Die hebben meer belangstelling voor het tijdstip van overlijden. Niets anders.’ Hij glimlachte naar haar. ‘De begrafenis zal wel gauw zijn en dan ben jij van alles af.’ Halldór keek naar beneden en ze moest zijn hoofd omhoog duwen om hem haar te laten aankijken, voordat ze verderging. ‘Ik heb hem niet vermoord, Halldór. Ik ben niet van plan me op de slachtbank van jouw slechte geweten op te offeren. Dat idee om naar de politie te gaan is het slechtste idee waar je ooit op gekomen bent. Zodra jij drugs en high zijn noemt, zitten wij diep in de stront. Begrijp je?’

Halldór keek haar diep in de ogen en knikte. ‘Maar misschien…’

Hij kreeg niet de gelegenheid om zijn zin af te maken: Marta Mist legde hem het zwijgen op. ‘Niks “misschien”! Luister nou naar me. Je bent een intelligente vent, Halldór. Denk je dat de vakgroep geneeskunde jou, met een reputatie van drugsgebruik, in de armen gaat sluiten, al is er verder niets op je aan te merken?’ Ze schudde haar hoofd en keek van Halldór naar Bríet, die gefascineerd aanschouwde wat er gebeurde, zoals gewoonlijk klaar om de vorige spreekster bij te vallen. Marta Mist draaide zich weer naar Halldór en zei heel rustig: ‘Gedraag je niet als een klein kind. Zoals ik zeg heeft de politie alleen belangstelling voor wie Harald vermoord heeft en voor niemand anders.’ Ze legde veel nadruk op de laatste woorden en herhaalde ze voor de zekerheid: ‘Niemand anders.’

Halldór was als onder hypnose: hij staarde recht voor zich uit naar de groene ogen die hem voortdurend van onder Marta’s omlijnde wenkbrauwen aankeken. Hij knikte dus braaf; Marta Mists hand hield hem nog steeds bij de kin vast en maakte het hem onmogelijk om overtuigend te knikken. Dat was dan ook de reden geweest waarom hij had gezegd dat hij naar de politie wilde gaan: hij wist dat het haar zou lukken om hem van gedachten doen veranderen. Hij zette deze gedachte van zich af. ‘Oké, oké.’

‘O, gelukkig,’ mompelde Bríet en ze glimlachte naar Halldór. Ze was duidelijk opgelucht en ze pakte van blijdschap Marta’s bovenarm stevig beet. Aan Marta Mist viel niet te zien of ze het gemerkt had: haar aandacht week niet van Halldór en ze bleef hem met haar hand bij de kin vasthouden.

‘Hoe laat is het?’ vroeg ze zonder haar greep te laten verslappen.

Bríet haalde vlug haar gsm tevoorschijn uit een handtas, die aan de leuning van haar stoel hing. Ze klapte hem uit, keek en zei: ‘Het is bijna half twee.’

‘Wat doe je vanavond?’ vroeg Marta aan Halldór. Aan haar stem was weinig te merken, maar aan haar oogopslag des te meer.

‘Niets,’ was het korte antwoord.

‘Kom dan naar mij toe: ik heb ook geen plannen,’ antwoordde Marta. ‘Het is lang geleden sinds we bij elkaar langs geweest zijn en ik zie dat je wel wat gezelschap kunt gebruiken.’ Ze deed extra lang over haar laatste woord.

Bríet wiebelde onrustig heen en weer op haar stoel. ‘Zouden we niet naar de bioscoop kunnen gaan?’ Ze keek hoopvol naar Marta, die niet naar haar terugkeek. Bríet voelde hoe hoog de temperatuur bij haar opliep en toen ze naar beneden keek, zag ze hoe haar nette schoen in het niet viel bij de leren laars van Marta Mist. Ze kreeg een kleur en begreep dat haar aanwezigheid die avond niet gewenst was.

‘Wil je naar de bioscoop?’ vroeg Marta aan Halldór, ‘of wil je bij mij langskomen voor meer rust?’ Ze hield haar hoofd schuin.

Halldór knikte.

Marta glimlachte. ‘Wat wordt het? Dit is geen antwoord.’

‘Naar jou toe.’ Halldórs stem was hees en zwaar. Het ontging geen van drieën wat de bedoeling was.

‘Daar heb ik zin in.’ Marta liet Halldórs kin los en klapte haar handen samen. Ze wuifde naar de ober die het dichtst in de buurt was, en vroeg om de rekening. Halldór en Bríet zeiden niets: zij was zichtbaar gekwetst en hij had niets meer te zeggen. Hij diepte een tientje uit zijn zak op, legde het op tafel en stond op.

‘Ik ben te laat voor mijn werk; ik zie jullie nog.’ Hij ging weg en ze draaiden zich allebei om om hem van achteren te bekijken.

Toen hij weg was, draaide Marta zich om en zei: ‘Hij heeft een verdomd lekker kontje, die jongen. Hij zou vaker bij ons weg moeten lopen.’ Ze keek haar vriendin aan, die gekwetst terugkeek. ‘Jeetje, word nou niet chagrijnig. Hij is momenteel vreselijk labiel en er staat te veel op het spel.’ Ze klopte Bríet op haar bovenarm. ‘Hij heeft het zwaar van je te pakken; daar verandert dit niets aan.’

Bríet forceerde een zwakke glimlach. ‘Nee, misschien niet, maar hij leek mij vreselijk blij met jou.’

‘Lieve schat, dat heeft niets met aangetrokken zijn te maken. Jij bent degene van wie mannen het zwaar te pakken krijgen. Ik, tja… Ik ben goed in bed.’ Ze stond op en keek Bríet cynisch aan. ‘Weet je waarom?’ Geen antwoord. ‘Ik smeed het ijzer als het heet is. Jij zou dat ook eens moeten proberen. Houd ermee op je alleen maar te willen laten redden, geniet van het leven.’

Bríet probeerde haar handtas te pakken. Hierop had ze geen antwoord: zij, die met deze groep aan allerlei uitspattingen deelgenomen had… Ze bloosde al bij de gedachte alleen. Was dat niet van het leven genieten? Had ze op een of andere wijze laten doorschemeren dat ze zich wilde laten redden? Wat voor gelul was dat nou weer? Toen ze naar buiten gingen, troostte ze zichzelf met de gedachte dat de jongens haar achternaliepen, niet Marta. Er stond toch te veel op het spel om Marta op de kast te jagen, door te zinspelen op haar aantrekkingskracht en voorkeuren voor vrouwen. Marta was op het eerste gezicht namelijk een soort vrouwelijke versie van Harald: ze had Halldór onder controle. Bríet wilde niet naar de gevangenis. Nee, dank u: Halldór kon doodvallen. Ze zou hem best later te pakken kunnen krijgen. Bríet strekte haar rug, zodat haar borsten nog meer opvielen. Toen ze in de richting van de deur liepen, genoot ze ervan dat drie mannen in nette pakken, die bij het raam gezeten hadden, haar aangaapten, niet Marta. Bríet lachte bij zichzelf: vaak waren kleine overwinningen het zoetst.

15

‘Niets,’ zei Þóra en ze keek teleurgesteld van het beeldscherm naar Matthias. Ze waren na het bezoek aan Hugi naar haar kantoor gegaan, onder andere om te achterhalen of er antwoord op haar e-mailbericht aan de onbekende ‘Mal’ binnengekomen was.

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Wie weet komt er nooit antwoord.’

Þóra had er moeite mee om net zo gemakkelijk op te geven als Matthias. ‘Maar misschien heeft Harald informatie over hem in zijn computer?’

Matthias trok zijn wenkbrauwen op. ‘Heb jij informatie over jouw vrienden in je computer?’

‘Ach, je weet best wat ik bedoel: zo’n lijst in je e-mail van mensen met wie je het meest contact hebt.’

Matthias haalde zijn schouders weer op. ‘Ja, ik weet heel goed wat voor lijst je bedoelt. Misschien heeft Harald er eentje bijgehouden. Daar komen we nooit achter.’

Þóra draaide het beeldscherm weer recht. ‘Als jij nu eens even met de politie belde en vroeg hoe het met Haralds computer staat?’ Ze keek naar de klok op het beeldscherm. ‘Het is net na tweeën, dus moet het bureau open zijn.’ De brief over de overdracht van gegevens in verband met de zaak was die ochtend uit het bakje bij Bella verdwenen, zodat het er alle schijn van had dat hij een dag eerder op de post gegaan was. Hij was dus waarschijnlijk aangekomen, maar het was volkomen onduidelijk of men het verzoek al in behandeling genomen had. Het zou het verstandigste zijn om één of twee dagen met bellen te wachten en twee vliegen in een klap te slaan: de computer en de gegevens. Þóra schoof echter alle verstand terzijde en gaf haar ongeduld voorrang. In de huidige situatie zag ze weinig andere mogelijkheden. Ze had gsm-nummers van Haralds vrienden in de telefoongids op het internet opgezocht en was erin geslaagd nummers voor Marta Mist, Bríet en Brjánn te vinden. Geen van hen allen had met haar willen praten, toen ze hen aan de lijn kreeg – Bríet was half hysterisch geweest – en ze hadden erop gewezen dat ze al een verklaring aan de politie afgelegd hadden. Þóra en Matthias hadden daarom op het moment weinig keus. ‘Bel nou,’ zeurde ze.

Matthias zwichtte en daarna bleek dat ze de computer bij de politie mochten ophalen. Een agent genaamd Markús Helgason zou hen ontvangen.

* * *

Op het politiebureau begroette deze Markús Þóra in het IJslands, richtte zich vervolgens tot Matthias en zei in het Engels met een zwaar IJslands accent: ‘We hebben elkaar al twee keer ontmoet: bij de huiszoeking en toen u kwam om met mijn baas, Árni Bjarnason, te spreken.’ De agent glimlachte wat ongemakkelijk. ‘U kunt niet bepaald samen door een deur, dus men heeft besloten dat ik u zou ontvangen. Ik hoop dat u er niets op tegen hebt.’

Het was een vrij jonge man, gekleed in een lichtblauw politieoverhemd met een zwarte politiebroek. Hij was nogal klein, want voor politieagenten gold geen minimumlengte meer. Aan de andere kant zag Markús er heel gewoontjes uit, niet knap en niet lelijk, met donkerbruin haar en grijze ogen, die de aandacht niet trokken. Hij glimlachte toen hij hun de hand schudde en daarmee veranderde Þóra’s eerdere oordeel over zijn uiterlijk volkomen: hij had mooie, witte tanden en Þóra hoopte omwille van hemzelf dat hij altijd genoeg redenen zou hebben om te lachen.

Matthias en Þóra verzekerden hem ervan dat ze het niet erg vonden om zijn baas niet te spreken te krijgen en de jonge agent ging opgelucht verder: ‘Het leek mij een goed idee als u een en ander met mij zou kunnen bespreken. Wij begrijpen dat u de feiten rond de moord aan het bestuderen bent en aangezien ons onderzoek nog niet formeel afgerond is, zou het toch voor de hand liggen als we met elkaar overlegden.’ Hij aarzelde even en voegde er toen ongemakkelijk aan toe: ‘Ze moeten de computer nog in een doos doen evenals enige documenten die we nog moesten teruggeven. U moet er in elk geval nog even op wachten. We kunnen in mijn kamer gaan zitten.’

Þóra wierp Matthias een zijdelingse blik toe, die op zijn beurt met een handige schouderbeweging aangaf dat hij niets tegen zo’n gesprek had. Ze wist heel goed dat dat met de computer en een doos gewoon een smoes was: het zou een man met één arm bij benadering drie minuten kosten om dat te regelen. Ze liet dit niet merken, glimlachte voor de vorm en zei dat dat in orde was. De agent was duidelijk opgelucht en liet hen in zijn kamer binnen.

Behalve een koffiepot met het logo van Manchester United waren er geen persoonlijke dingen. De agent vroeg Þóra en Matthias plaats te nemen en wachtte daar zelf mee, totdat zij waren gaan zitten. Niemand zei iets, terwijl ze op de spullen wachtten, en de stilte was ondraaglijk geworden, toen iedereen uiteindelijk zat.

‘Nou, u zegt het maar,’ zei de agent met gespeeld opgewekte stem. Þóra en Matthias glimlachten alleen, maar zeiden geen van beiden iets. Þóra wilde dat de agent de conversatie gaande hield en de opeengeperste lippen van Matthias gaven te kennen dat hij er net zo over dacht. De agent kwam ter zake: ‘Wij begrijpen dat u vanochtend op Litla-Hraun geweest bent en Hugi Þorisson ontmoet hebt.’

‘Ja, dat kan kloppen,’ zei Þóra kort.

‘Juist,’ antwoordde de agent. ‘Wat is daaruit gekomen?’ Hij keek hoopvol van de een naar de ander. ‘Het is ook een vreemde situatie om uzelf als vertegenwoordigers van de nabestaanden voor te stellen, zoals u hier doet, maar ook als raadslieden van de verdachte, waarvan ik begrijp dat u dat vanochtend in het oosten gedaan hebt.’

Þóra keek naar Matthias, die met een opgeheven hand naar haar gebaarde dat zij moest antwoorden. ‘Moeten we het niet zo verwoorden dat de omstandigheden vreemd en ongewoon zijn en dat wij daarop inspelen? Het is desalniettemin duidelijk dat wij in de eerste plaats voor de familie van Harald werken: de belangen van Hugi Þórisson vallen simpelweg samen met die van de familie.’ Ze pauzeerde even om de agent in staat te stellen daar iets tegen in te brengen, maar dat deed hij niet, dus ging ze verder: ‘Wij zijn er helemaal niet van overtuigd dat hij schuldig is. Ons gesprek met hem van vanochtend ondersteunt onze mening alleen maar meer.’

De agent trok verbaasd zijn wenkbrauwen op. ‘Ik moet eerlijk toegeven dat ik helemaal niet begrijp waarom u zo zeker van uw zaak bent. Alles wat ons onderzoek aan het licht gebracht heeft, wijst in tegengestelde richting.’

‘Wij vinden dat er veel vragen onbeantwoord blijven: dat is wel de belangrijkste reden,’ antwoordde Þóra.

De agent knikte en scheen het ermee eens te zijn. ‘Dat is sowieso waar, maar zoals ik zeg is ons onderzoek nog niet definitief afgesloten. Toch zou het me nogal verbazen, als er later iets aan het licht zou komen dat de theorie dat Hugi Þórisson Harald vermoord heeft, ontkracht.’ Hij strekte de vingers van zijn ene hand en telde af, terwijl hij de ene na de andere vinger met zijn andere hand vastpakte. ‘Ten eerste was hij bij de overledene, vlak voordat de moord gepleegd werd. Ten tweede vond men bloed van Harald op de kleren die hij op die bewuste avond droeg. Ten derde vonden we een T-shirt bij hem in een kast verstopt, dat gebruikt was om aanzienlijke hoeveelheden bloed mee op te dweilen dat ook van de overledene bleek te zijn. Ten vierde was hij lid van die toververeniging van het slachtoffer en dus was hij bekend met die magische symbolen zoals die op het lijk. En ten vijfde was hij die avond wegens drugsgebruik zodanig van de wereld geweest dat hij de ogen uit een lijk zou kunnen snijden. Gelooft u me: niemand doet zoiets bij zijn volle verstand. Hij dreef een drugshandeltje en plande waarschijnlijk ook een transport. De vermoorde jongen had genoeg geld om zoiets te financieren en uit zijn fondsen verdween een aanzienlijke som geld vlak voordat de moord gepleegd werd. Spoorloos. Dat gebeurt niet wanneer het om normale transacties gaat. Het is altijd mogelijk om zoiets op een of andere wijze na te trekken.’ De agent keek naar zijn handen. Hij omvatte alle vingers van zijn linkerhand met die van zijn rechterhand. ‘Ik kan op die dingen wél antwoord geven; veel minder punten zijn vaak al voldoende om mensen schuldig te bevinden. Het enige waar het ons aan ontbreekt, is een bekentenis, waarvan ik graag toegeef dat die er gewoonlijk in soortgelijke omstandigheden al geweest zou zijn.’

Þóra probeerde niets te laten merken. Dat er bloed was gevonden op kleren van Hugi kwam haar rauw op haar dak vallen. Ze was het noch in de politieverslagen, noch in de overige gegevens met betrekking tot de zaak die ze in handen gehad had, tegengekomen. Ze nam vlug het woord, zodat de agent niet de indruk zou krijgen dat hij haar uit haar evenwicht had gebracht: ‘Hebt u er dan geen problemen mee dat hij de moord niet bekend heeft?’

De agent keek haar recht in het gezicht aan. ‘Nee, helemaal niet. Weet u waarom?’ Hij ging verder toen Þóra geen aanstalten maakte om hem te antwoorden: ‘Hij herinnert het zich niet. In plaats daarvan klampt hij zich vast aan de hoop dat hij het niet gedaan heeft. Waarom zou hij een daad moeten bekennen die hij zich niet herinnert, als er zoveel op het spel staat? Dat vraag ik me af.’

‘Hoe verklaart u het verplaatsen van het lijk naar de universiteit?’ vroeg Matthias. ‘Zo’n drugsdealer zal toch geen toegang tot universiteitsgebouwen gehad hebben. Het was in het weekeinde en alles was waarschijnlijk gesloten.’

‘Hij stal de sleutel van Harald. Heel simpel. We troffen de sleutelhanger op het lijk aan; daaraan zat onder andere een sleutel of liever gezegd: een speciale toegangssleutel, want ze hebben daar een beveiligingssysteem. Uit het systeem viel af te lezen dat de sleutel vlak na de moord gebruikt is om binnen te komen.’

Matthias kuchte. ‘Hoe bedoelt u: vlak na de moord? Had het niet even goed vlak voor de moord kunnen zijn? De tijdschatting is in dit geval niet bepaald nauwkeurig.’

‘Inderdaad, maar dat maakt niet uit,’ antwoordde de agent bruusker dan voorheen.

Matthias ging door, geenszins bereid om hem er zo makkelijk van af te laten komen: ‘Laten we ervan uitgaan dat Hugi de sleutel gejat heeft en het lijk van zijn woning, die trouwens daar in de buurt is, naar het faculteitsgebouw gebracht heeft. Hoe denkt u dat dat vervoer in zijn werk gegaan is? Het lijk van een volwassen kerel is niet iets wat je in je zak steekt of meeneemt in een taxi.’

Nu moest de agent lachen. ‘Hij vervoerde het lijk op zijn fiets: die werd een eindje van de Árnagarður gevonden en alsof dat nog niet genoeg was, waren er sporen van Harald op te vinden. Er werd bloed van hem op het stuur aangetroffen. Gelukkig was de fiets onder een afdak neergegooid, zodat het er niet op gesneeuwd had.’

Matthias zei niets, zodat Þóra inviel: ‘Hoe weet u dat deze fiets van Hugi was?’ Ze zei er vlug achteraan: ‘En ook als dat zo zou zijn, hoe weten we dan dat die daar in die bewuste nacht achtergelaten is?’

De agent glimlachte met meer voldoening dan daarvoor. ‘De fiets werd bij de opslag voor afvalcontainers neergegooid en lag bij de deur. Het vuil werd op vrijdag opgehaald en de vuilnislieden van die wijk waren het er allemaal over eens dat er toen geen fiets lag. Hugi heeft de fiets zelf herkend en toegegeven dat die op zaterdag onaangeroerd in het fietsenhok stond van de flat waar hij woont; een vrouw uit dat gebouw beweert eveneens dat de fiets op zijn plek stond, toen ze rond etenstijd een kinderwagen uit het hok wilde halen om met haar kind naar de winkel te gaan.’

‘Hoe kan een getuige zich in hemelsnaam herinneren welke fietsen er stonden en welke niet? Ik heb zelf in een flat gewoond en geloof dat ik in die tijd toch echt niet had kunnen navertellen wat er in het fietsenhok stond, hoe vaak ik er ook langskwam,’ zei Þóra.

‘De fiets was opvallend, omdat Hugi er veel gebruik van maakte. ’s Winters, ’s zomers, in het voorjaar en in het najaar. Hij had geen rijbewijs en had niet veel keuze. Hij was nogal lomp wanneer hij zijn fiets in het hok zette: dat bewuste weekeinde nog had hij hem tegen de kinderwagen van die vrouw gezet. Daarom herinnert ze het zich goed, omdat ze hem moest verplaatsen om haar kinderwagen te pakken.’

Matthias kuchte nog een keer. ‘Als Hugi de sleutel gestolen heeft en de sleutel was van een beveiligingssysteem, dan neem ik aan dat daar een toegangscode of nummer bij hoorde. Hoe heeft Hugi die geraden?’

‘Dat is precies een van de vragen waarmee we ons aan het begin geconfronteerd zagen, en we hebben het laten natrekken,’ antwoordde de agent. ‘Bij de verhoren van Haralds vrienden kwam naar voren dat hij hun die code allemaal verteld schijnt te hebben.’

Þóra keek hem vol ongeloof aan. ‘Wie gelooft dat nou? Waarom zou hij dat in hemelsnaam doen?’

‘Ik begrijp dat hij het nummer grappig vond: hij had namelijk de toegangscode 0666 gekregen en dat nummer scheen bijzondere aantrekkingskracht op hem uit te oefenen vanwege een of andere merkwaardige satanische hobby.’

‘Dat was trouwens een magische hobby, heeft niets met de duivel te maken,’ zei Matthias. Hij veranderde vervolgens handig van gespreksonderwerp om lange gesprekken over het soort magie te vermijden. ‘Eén ding zou u ons misschien kunnen vertellen. We kwamen een print van Haralds e-mail tegen: een kort bericht dat hij ene “Mal” gestuurd had. Hebt u daar iets uit kunnen opmaken?’

De agent keek hem niet-begrijpend aan. ‘Ik moet eerlijk bekennen dat ik me dat niet herinner: we hebben zo’n enorme berg documenten doorgenomen. Maar als u wilt, kan ik het opzoeken en het u laten weten.’

Þóra schetste hem het bericht in grote lijnen, al meende ze dat er in verband hiermee weinig bij de politie te halen viel: de agent zou het zich toch hebben moeten herinneren als er iets uit naar voren gekomen was. Hij beloofde wel na te gaan of er iets gedaan was om de geadresseerde te vinden, hoewel hij weinig belang hechtte aan de belangrijke vondst die Harald zei eindelijk gedaan te hebben. ‘Hij bedoelde ongetwijfeld een meisje op wie hij stapelgek was, of iets dergelijks,’ zei hij. ‘Maar iets anders: bent u van plan hier nog lang mee door te gaan?’ Hij keek Þóra en Matthias om beurten aan.

‘Zo lang als wij nodig achten,’ zei Matthias met een ondoorgrondelijke blik. ‘Ik ben er nog steeds niet van overtuigd dat de juiste man in hechtenis zit, ondanks datgene wat bij u aan het licht gekomen is. Maar ik zou er natuurlijk naast kunnen zitten.’

De agent glimlachte tegen zijn zin. ‘We zouden u er dankbaar voor zijn, als u ons enigszins op de hoogte zou willen houden, omdat het onderzoek nog steeds gaande is. Wij willen graag conflicten vermijden, zeker als er van samenwerking sprake kan zijn.’

Þóra maakte van de gelegenheid gebruik en zei: ‘Wij hebben gedeelten van de documenten in deze zaak gekregen, maar lang niet alles. Ik heb u een brief gestuurd, die waarschijnlijk vanochtend aangekomen is, waarin namens de naaste verwanten het vrijgeven van alle gegevens verzocht wordt. Ziet u ergens iets wat dat in de weg zou kunnen staan?’

De agent haalde zijn schouders op. ‘Op zich niet, maar dat is niet aan mij. Het is niet gebruikelijk dat een verzoek tot zoiets wordt ingediend, maar ik neem aan dat het ingewilligd zal worden. Het zou even kunnen duren voordat dit behandeld wordt. We proberen natuurlijk…’ Hij kwam niet verder, omdat er op de deur geklopt werd. ‘Binnen,’ riep hij en de deur ging open. In de deuropening stond een agente met een kartonnen doos in haar armen. Uit de doos stak een zwarte computer.

‘Hier is de computer waar u om vroeg,’ zei de jonge vrouw en ze ging naar binnen. Ze zette de doos op het bureau en haalde er een document in een doorzichtige plastic hoes uit tevoorschijn. ‘De monitor is beneden bij de receptie; die komt rechtstreeks van de opslag omdat wij hem niet nodig hadden. Eigenlijk volkomen onzinnig om hem mee te nemen,’ zei ze met opgeheven hoofd tegen de agent. ‘Misschien zouden degenen die zulke huiszoekingen doen, er eens op gewezen moeten worden dat documenten en andere dingen niet in letterlijke zin in een beeldscherm opgeslagen worden, ook al worden ze op het scherm bewaard. Het zit allemaal in de computer en er kan ongeacht de monitor gebruik van gemaakt worden.’ Ze klopte zachtjes op de computer.

De agent scheen helemaal niet blij te zijn met de jonge vrouw, noch met het feit dat ze hem in de aanwezigheid van Þóra en Matthias de les las. ‘Bedankt voor je informatie.’ Hij nam de plastic hoes van haar aan en haalde het document eruit. ‘Zou u hier willen tekenen voor ontvangst?’ zei hij tegen Matthias. ‘De rest van de documenten die meegenomen zijn, is daar ook in te vinden.’

‘Welke documenten zijn dat?’ vroeg Þóra. ‘Waarom zijn die niet met de andere teruggegeven?’

‘Dat waren papieren waarvan we vonden dat we ze beter moesten bekijken. Van alles en nog wat. Er kwam trouwens niets uit. Ik weet niet of u er iets sappigs in zult vinden, maar ik betwijfel het.’ Hij stond op en gaf daarmee aan dat het gesprek ten einde was.

Þóra en Matthias stonden van hun stoelen op en Matthias nam de doos in zijn armen, nadat hij voor ontvangst getekend had. Þóra trok de stapel documenten uit de doos, voordat ze voorin ging zitten. Ze bladerde er doelloos doorheen, terwijl Matthias de auto startte.

‘Shit, wat is dat nu weer?’ zei ze verbaasd en ze keek naar Matthias.

16

Þóra hield een omslag van roodbruin leer vast dat ze uit het midden van de stapel getrokken had. Het omslag zat met bandjes dichtgebonden, die ze losmaakte om de inhoud te kunnen bekijken. Het leer voelde zacht aan, als dat van handschoenen, hoewel het waarschijnlijk oud was. Het leer was minstens zestig jaar oud, als je dat kon afleiden uit de letters die erop gedrukt waren: ‘nhg 1947’. Maar het was eerder de inhoud dan het omslag zelf die haar belangstelling wekte. ‘Wat is dit eigenlijk?’ vroeg ze en ze keek Matthias verbaasd aan. Ze wees op oude brieven die tevoorschijn kwamen, toen het omslag open was; liever gezegd antieke brieven, omdat ze naar uiterlijk en schrift te oordelen veel ouder waren dan wat eromheen zat.

Matthias keek stomverbaasd naar het omslag. ‘Zat dat in die stapel papieren uit de doos?’

‘Ja,’ antwoordde Þóra en ze bladerde losjes met de toppen van haar vingers door het eerste deel van de brieven om te zien hoeveel het er waren. Ze werd volkomen overrompeld toen Matthias iets onverstaanbaars schreeuwde en haar het omslag uit handen griste.

‘Ben je gek geworden, mens?’ vroeg hij neurotisch, deed het omslag dicht en bond de bandjes vlug dicht. Dat verliep niet vlekkeloos vanwege het sturen en het gebrek aan ruimte voor in de auto.

Þóra wist niet wat ze ervan moest denken en er volgde daarom een stilte op zijn actie. Toen Matthias het omslag dichtgedaan had, legde hij het voorzichtig op de achterbank. Hij trok zijn winterjas uit en legde die boven op het omslag, zodat de jas met de voering naar beneden op het omslag lag en niet met de natte buitenkant. ‘Moeten we de auto niet verplaatsen?’ vroeg Þóra om de stilte te verbreken. Hij stond half op de parkeerplaats en half op de straat.

Matthias greep het stuur met beide handen en haalde diep adem.

‘Het spijt me dat ik zo overstuur raakte. Ik had gewoon niet verwacht deze documenten hier te zien, in een onopvallende doos van de politie.’ Hij stuurde de auto de weg op en reed weg.

‘Wat zijn dit dan voor brieven, als ik vragen mag?’ vroeg Þóra.

‘Dit zijn oeroude brieven uit de collectie van Haralds grootvader en ze behoren tot de kostbaardere onderdelen daarvan. De brieven zijn van onschatbare waarde en het is volkomen onbegrijpelijk dat Harald die naar IJsland heeft kunnen brengen. Ik ben ervan overtuigd dat de verzekeringsmaatschappij nog in de waan verkeert dat ze in de bankkluis liggen, zoals was afgesproken.’ Matthias stelde de achteruitkijkspiegel bij om naar de kostbare vracht te kijken. ‘Een edelman uit Innsbruck schreef ze in 1485. De brieven gaan over de campagnes van Heinrich Kramer tegen heksen in die stad, voordat heksenjachten zich overal verspreidden, zoals later gebeurde.’

‘Wie was Heinrich Kramer ook alweer?’ Þóra wist dat ze die naam zou moeten herkennen, maar kon de naam niet meer precies thuisbrengen.

‘Eén van de schrijvers van de Heksenhamer, een soort handboek voor heksenjagers,’ antwoordde Matthias. ‘Hij was grootinquisiteur in de gebieden waarvan het merendeel nu bij Duitsland hoort. Ongetwijfeld een verknipte persoonlijkheid en hij had in het bijzonder iets tegen vrouwen. Afgezien van het feit dat hij denkbeeldige heksen te pakken wilde krijgen, nam hij ook deel aan vervolgingen van joden en godslasteraars en eigenlijk van de meeste groeperingen die gemakkelijk te beschuldigen waren.’

Þóra herinnerde zich de samenvatting op het internet. ‘Oké, ik ben weer bij.’ Ze voegde er daarna verbaasd aan toe: ‘Komt hij in deze brieven voor?’

‘Ja,’ antwoordde Matthias. ‘Hij kwam naar Innsbruck, zag, maar overwon daarentegen helemaal niet. Hij begon goed: stelde onderzoek in waarbij zonder enige restricties gebruik werd gemaakt van geweld en martelingen, en daarnaast kregen de verdachten – zo’n zevenenvijftig vrouwen – geen enkele verdediging. Dat viel niet goed toen het tot rechtszaken kwam: niet bij de geestelijken in dat gebied en niet bij de wereldlijke macht. Toen Kramer zich aan seksuele activiteiten met deze zogenaamde heksen te buiten ging, ging hij zo erg over de schreef, dat het de bisschop te ver ging en hij hem uiteindelijk uit de stad verdreef. De vrouwen die hij gevangengehouden had, werden daarna vrijgelaten, maar ze waren er niet best aan toe na die voortdurende martelingen. De brieven gaan erover hoe hij de vrouw van de briefschrijver behandeld had. Zoals je kunt begrijpen is het geen prettige lectuur.’

‘Aan wie schreef hij eigenlijk?’ vroeg Þóra.

‘Alle brieven zijn gericht aan de bisschop van Brixen, Georg Gosler de tweede. Dezelfde bisschop die Kramer uiteindelijk uit de stad liet zetten. Ik geloof eerlijk gezegd dat deze brieven daar een steentje aan hebben bijgedragen.’

‘Hoe kwam de opa van Harald eraan?’

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Er was in de naoorlogse jaren van alles te koop in Duitsland. De familie Guntlieb had haar bezittingen in veiligheid gebracht, voordat de bank schade leed door de devaluatie van de mark, waardoor de meesten aan het einde van de oorlog geen cent meer hadden. Het is geen gewone bank: het doorsnee publiek stort daar zijn geld niet en heeft dat ook nooit gedaan. Het is in veel opzichten aan de grootvader van Harald te danken dat zijn belangrijkste relaties in die tijd niet failliet gingen. Hij had vlug genoeg door welke kant het op ging en kon daarom fondsen verplaatsen zonder dat iemand het merkte. Hij bevond zich dus in een geschikte positie om zich het een en ander toe te eigenen, toen het met de economie minder goed begon te gaan.’

‘Maar welke eigenaren verkochten die brieven dan? Brieven uit de vijftiende eeuw zijn geen dingen die mensen jarenlang bewaren om ze dan zo maar weg te doen, wanneer alles eromheen in rook opgaat.’

Matthias haalde zijn schouders weer op. ‘Ik heb geen idee. Deze brieven staan nergens beschreven en ze zijn in geen enkele documentatie te vinden; het zouden dus vervalsingen kunnen zijn. Maar dan wel heel goede vervalsingen, als dat het geval is. Haralds opa wilde niets in detail over de aankoop vertellen. De initialen op het omslag zijn van hem, Niklas Harald Guntlieb, dus ze verwijzen niet naar een vorige eigenaar. Ik heb trouwens het vermoeden dat ze ooit van de kerk gestolen zijn.’ Matthias reed over de Snorrabraut en deed zijn richtingaanwijzer aan, omdat hij van rijbaan wilde veranderen. Ze waren op weg naar de Bergstaðastræti; ze waren het erover eens dat het het beste zou zijn om de computer daar neer te zetten. Ze moesten daarom hier naar rechts, maar zaten op de linkerrijbaan. Niemand gaf Matthias echter een kans: het leek wel alsof alle automobilisten met elkaar afgesproken hadden uit alle macht hun plannen te dwarsbomen en hen te dwingen naar Fossvogur te gaan. ‘Wat hebben die lui toch?’ mompelde Matthias.

‘Verander gewoon weer van rijbaan,’ zei Þóra, die helemaal aan zulk rijgedrag gewend was. ‘Ze geven meer om hun auto dan dat ze willen bepalen waar jij heen gaat.’

Matthias liet al zijn reserves varen en kwam met de schrik vrij, afgezien van het enorme getoeter van een auto die hij af moest snijden. ‘Volgens mij duurt het lang, voordat je hier aan het verkeer gewend bent,’ zei hij verbaasd.

Þóra glimlachte alleen. ‘Wat kwam er uit die brieven naar voren? Wat gebeurde er met die vrouw?’

‘Ze werd gemarteld,’ antwoordde Matthias. ‘Nogal wreed.’

‘Ik had ook niet verwacht dat je iemand op een andere manier kon martelen,’ zei Þóra, die op meer gedetailleerde informatie gehoopt had. ‘Wat deden ze met haar?’

‘De briefschrijver sprak van kapotte handen en een been, die door een ijzeren laars verbrijzeld was. Ook werden haar beide oren afgesneden. Ongetwijfeld viel er meer over te vertellen, dat niet de moeite waard was om op schrift te stellen. Gesnij en dat soort dingen.’ Matthias keek even van de weg naar Þóra. ‘Ik herinner me dat de conclusie van de briefschrijver in een van de laatste brieven iets van de volgende aard geweest is: “Als u naar kwaad op zoek bent, dan zit dat niet in wat er van mijn geliefde, jonge en onschuldige vrouw over is: het huist in degene die haar kwam ophalen om terecht te staan.”’

‘Godallemachtig,’ zei Þóra en er trok een rilling door haar heen. ‘Je herinnert het je wel erg precies.’

‘Je vergeet niet zo eenvoudig wat er uit zo’n brief naar voren komt,’ antwoordde Matthias hees. ‘Dit is natuurlijk niet het enige waarover geschreven wordt. Er zitten allemaal pogingen om haar vrij te krijgen in, van juridische argumenten tot wat je regelrechte bedreigingen kunt noemen. De man was wanhopig: hij hield zonder meer met hart en ziel van zijn vrouw, omdat ze volgens die brief het allermooiste meisje was. Ze waren nog niet lang getrouwd.’

‘Mocht hij haar in gevangenschap opzoeken? Werd dit niet geschreven, terwijl ze nog vastzat?’ vroeg Þóra.

‘Nee en ja,’ antwoordde Matthias. ‘Nee, hij kon haar niet bezoeken, maar een van de bewakers zag hoe erg ze eraan toe was en bracht boodschappen heen en weer; boodschappen die steeds onduidelijker en wanhopiger werden, volgens de brieven. Wat je tweede vraag betreft: de brieven zijn op één na allemaal geschreven terwijl zij vastzat en haar man probeerde haar vrij te krijgen. Dat wil zeggen, alle brieven behalve de laatste, die geschreven is nadat ze vrijgelaten was. Mensen die zich alleen druk maken om hun eigen problemen, zouden die brief eens moeten lezen. Zo groot is de menselijke tragedie die daarin beschreven wordt.’

‘Hoezo?’ vroeg Þóra zonder dat ze het antwoord werkelijk wilde horen.

‘Je moet bedenken dat de geneeskunde in die tijd in niets leek op hoe we haar nu kennen: in werkelijkheid was het een hoop onzin. Je kunt je goed de pijn voorstellen die zieken en gewonden leden, laat staan de geestelijke gezondheid van een jonge vrouw die eerder bij iedereen geliefd was en onder andere beroemd om haar uiterlijk. Toen ze vrijgelaten werd, waren haar ene been en al haar vingers verbrijzeld. Geen oren. Het lichaam bedekt met littekens van messteken die ze haar toegebracht hadden op zoek naar een plek die niet zou bloeden. En meer dingen die kort genoemd worden, maar niet met naam en toenaam. Wat zou jij doen?’ Matthias keek weer naar Þóra.

‘Had ze kinderen?’ vroeg Þóra. Onwillekeurig ging haar rechterhand naar haar ene oor; ze had echt nog nooit beseft hoe onmisbaar oren voor het uiterlijk waren.

‘Nee,’ antwoordde Matthias.

‘Dan heeft ze zelfmoord gepleegd,’ zei Þóra zonder aarzeling. ‘Eindeloze pijn en kwelling kun je omwille van je kinderen verdragen, maar niet om veel andere redenen.’

‘Inderdaad,’ zei Matthias. ‘Ze woonden op een landgoed bij een riviertje en ze hinkte daar ’s avonds, toen ze thuisgekomen was, naartoe en wierp zich erin. Had ze in een betere toestand verkeerd, dan had ze zich nog zwemmend in veiligheid kunnen brengen, maar gekleed in zware kleren volgens de mode van die tijd en met een verbrijzeld been en verbrijzelde handen was ze niet tot veel in staat.’

‘Wat deed haar man vervolgens; staat dat in de brief?’ vroeg Þóra, terwijl ze de gedachte aan de jonge vrouw van zich afzette.

‘Ja, in de brief staat inderdaad dat hij inquisiteur Kramer het dierbaarste in zijn leven afgenomen heeft, net zoals Kramer hem het dierbaarste in zijn leven ontnomen had, en dat dat nu op een lange reis naar de hel was,’ antwoordde Matthias. ‘In het verhaal volgt niet wie het voorwerp van de wraak was of waar dat was of welke hel het in deze zaak betreft. Bronnen uit die tijd geven geen verdere aanwijzingen. Hij wenst de bisschop vervolgens een goede nacht en zegt dat die heeft verzuimd zijn oproep op tijd te beantwoorden en dat een dienaar van God dat voor zijn Heer moet verantwoorden. Hij citeert iets uit het Oude Testament, dat zoals je weet over van alles behalve vergeving gaat. Ik kan het niet helemaal verklaren, maar in zijn slotwoorden zat een soort dreigement verscholen, waarvan ik niet weet of hij de daad bij het woord gevoegd heeft: de bisschop stierf een paar jaar later. Het kan goed zijn dat hij die brieven weggegooid heeft, omdat hij niet wilde dat ze tussen kerkelijke documenten bewaard bleven.’

‘Dat vind ik nou een twijfelachtige verklaring,’ zei Þóra. ‘Als hij ervan af wilde komen, waarom verbrandde hij ze dan niet? Ze hadden toch geen tekort aan vuur in die tijd.’

Matthias probeerde de auto direct voor de deur van Haralds woning te parkeren. De parkeerplaatsen bij het huis waren bezet. ‘Ik weet het niet; misschien zag hij Petrus en God voor zich en wilde hij geen aandacht op de inhoud van de brieven vestigen door ze te verbranden. Rook stijgt op naar de hemel, weet je.’

‘Dus je denkt dat de brieven geen vervalsingen zijn?’ vroeg Þóra.

‘Nee, dat zei ik niet. Er zitten bepaalde zaken in die niet kloppen.’

‘Zoals?’

‘Hoofdzakelijk zijn dat verwijzingen naar een vreselijk boek van Kramer. De briefschrijver noemt het mooi geïllumineerd met bloemen, maar het kan de duivelse inhoud niet verhullen.’

‘Zou hij niet de Heksenhamer bedoeld kunnen hebben? Kramer moet dat toch gebruikt hebben.’

‘Die theorie gaat niet op,’ antwoordde Matthias. ‘Volgens overlevering kwam dat gezellige boek pas een jaar later, in 1486, uit.’

‘Zijn het papier en de inkt niet op leeftijd onderzocht?’ vroeg Þóra.

‘Ja, dat lukte uiteindelijk wel, maar het is helemaal niet belangrijk: vervalsers gebruiken oud papier en oude inkt of verf om mensen die de middelen voor zulk onderzoek hebben, voor de gek te houden.’

‘Oude inkt?’ vroeg Þóra vol twijfels.

‘Ja, of zoiets. Ze maken inkt van oude stoffen of lossen de inkt op van een of ander oud document dat dat niet meer echt geschikt is voor verkoop. Oude inkt komt snel van het papier los.’

‘Wat een gedoe,’ zei Þóra en ze was dankbaar dat ze geen vervalser was.

‘Hmm, ja,’ zei Matthias en ze stapten uit.

‘Maar waarom had Harald die brieven?’ vroeg ze. ‘Geloofde hij dat ze echt waren of dacht hij dat ze vervalst waren?’

Matthias sloeg de autodeur dicht en deed de kofferbak open. Hij boog voorover om de doos op te tillen, maar eerst wikkelde hij het omslag met de brieven in zijn jas en legde die voorzichtig op de doos. Als hij het alleen in zijn trui al koud had, liet hij het niet merken. ‘Harald was ervan overtuigd dat ze echt waren: hij was gefascineerd door het raadsel wie of wat Kramer had verloren door die wraakactie waar het in de brief over gaat. Hij zocht links en rechts in Duitsland in allerlei documenten naarstig naar een aanwijzing en bezocht met die bedoeling ook de Vaticaanse bibliotheek. Hij vond echter niets wat op het een of ander wees. Er is niet zoveel over Kramer bekend, want hij leefde ruim vijfhonderd jaar geleden.’

Þóra zag voetstappen in de sneeuw die voor de hoek van het huis lag, in de richting van de voordeur naar Haralds woning. Met een hoofdbeweging wees ze Matthias op de verse sporen van verkeer; er waren geen sporen behalve die ene kant op, dus ze konden niet van de post of de krantenbezorger zijn.

De man stond vlak bij de deur. Hij had zo te zien een paar passen naar achteren gedaan om naar het raam op de bovenste verdieping van het huis te kunnen turen. Hij maakte een sprongetje, toen Matthias en Þóra zacht om de hoek kwamen. Hij keek hen met open mond aan en begon toen wat te stamelen, voordat hij ten slotte de woorden vond voor wat hij wilde zeggen. ‘Kende u Harald Guntlieb?’

17

‘Aangenaam, mijn naam is Gunnar Gestvík; ik ben het hoofd van de vakgroep Geschiedenis van de universiteit.’

Hij stond weifelend en onzeker voor hen. Zijn kleren zagen er duur uit: hij droeg een mooie winterjas van een merk dat Þóra herkende uit de klerenkast van haar ex. Onder zijn overjas had de man een pak aan en bij de kraag zag ze een mooi gestrikte, kleurige das en de lichtblauwe boord van zijn overhemd. Zijn hele voorkomen moest erop duiden dat dit een beheerst man in goeden doen was, die onderweg was. Maar zijn pose begon op dit moment wel scheurtjes te vertonen: deze Gunnar verwachtte deze ontmoeting overduidelijk niet en deed heel hard zijn best om zijn volgende zet te bepalen. Het was Þóra duidelijk dat dit de man was die het lijk van Harald gevonden had of liever gezegd op zich gekregen had. Wat hij bij de woning van die voormalige student van hem wilde, was haar een volkomen raadsel. Misschien was dit onderdeel van een verwerkingsproces, aangeraden door een psycholoog?

‘Ik was in de buurt en besloot te kijken of hier iemand was,’ zei Gunnar aarzelend.

‘Hier? Bij Harald thuis?’ vroeg Þóra verbaasd.

‘Ik had natuurlijk niet verwacht hemzelf hier aan te treffen,’ ging Gunnar vlug verder. ‘Ik bedoelde of er iemand anders was, de huisbaas of zo.’

Matthias begreep er geen woord van en liet het gesprek aan Þóra over, maar hij had de naam meteen meegekregen. Hij glipte naast Þóra en maakte haar met allerlei oogwenken duidelijk dat ze de man moest vragen mee naar binnen te gaan. Hij viste de sleutels uit zijn zak op en opende de voordeur.

Gunnar volgde Matthias met een wel heel gretige blik. ‘Hebt u toegang tot de woning?’ vroeg hij Þóra.

‘Ja, Matthias werkt voor Haralds familie en ik vertegenwoordig hen ook. We komen net van de politie: we hebben zijn spullen daar opgehaald en wilden deze hier neerzetten. Wilt u mee naar binnen? We zouden het op prijs stellen om gewoon even met u te kunnen praten.’

Gunnar scheen er de grootste moeite mee te hebben om niet te laten blijken hoe opgelucht hij was. Hij nam het aanbod dankbaar aan nadat hij op zijn horloge had gekeken, alsof hij voor de zekerheid wilde kijken of hij het aanbod misschien zou moeten afslaan. Hij volgde Þóra naar binnen. Ondanks zijn verfijnde smaak in kleding scheen hij toch tekort te schieten in hoffelijkheid: hij bood haar in elk geval geen hulp bij het naar boven brengen van de zware computer.

Gunnars reactie verschilde niet veel van die van Þóra, toen zij voor het eerst de woning binnenging. Hij nam niet eens de moeite om zijn jas uit te doen, maar ging als gehypnotiseerd de kamer binnen en begon te bekijken wat er aan de muren hing. Matthias en Þóra gunden zichzelf meer tijd, zetten alle spullen weg en deden hun jassen uit. Matthias haalde het leren omslag met de oude brieven, uit zijn jas waarin hij ze gewikkeld had, en liep ermee door de gang naar de slaapkamer. Þóra bleef achter om Gunnar in de gaten te houden. Ze liep naar hem toe en ging naast hem staan, hoewel ze hem niet wilde storen bij het bekijken van de oude kunstwerken die er hingen.

‘Het is een opmerkelijke kunstcollectie,’ zei Þóra. Ze bracht zich in herinnering wat Matthias haar over de afbeeldingen verteld had. Ze had er echter weinig vertrouwen in dat ze het correct zou herhalen en besloot daarom zichzelf niet voor schut te zetten.

‘Hoe kwam hij hieraan?’ vroeg Gunnar. ‘Had hij ze gestolen?’

Þóra was sprakeloos. Hoe kwam die man daarop? ‘Nee, hij had alles gekregen uit de erfenis van zijn grootvader.’ Ze aarzelde even, maar ging toen verder. ‘U mocht Harald niet?’

Gunnar schrok. ‘Lieve Heer, welnee. Ik mocht hem vreselijk graag.’ De toon waarop hij dit zei, wees er niet bepaald op dat hij oprecht was en Gunnar scheen dit te beseffen: hij probeerde het heel vlug recht te zetten. ‘Harald was een zeer intelligente jongeman en hij had het in zich om uitstekend historisch onderzoek te doen. Zijn werkwijzen waren niet helemaal voorbeeldig, maar in zulke dingen zit sowieso de klad.’

Þóra was nog niet overtuigd. ‘In die zin dat hij een voorbeeldig student was?’

Gunnar produceerde met moeite een glimlach. ‘Dat kun je misschien zo stellen. Hij was natuurlijk niet conventioneel in zijn uiterlijk en gedrag, maar je kunt jonge mensen niet op hun mode beoordelen. Ik herinner me de Beatles en de mode die hun roem met zich meebracht: de ouderen vonden het niet veel soeps. Ik ben nu oud genoeg om te begrijpen dat de adolescentie allerlei vormen kan aannemen.’

Het was nogal vergezocht om Harald met de Beatles te vergelijken. ‘Zo had ik het nog niet bekeken.’ Ze glimlachte beleefd naar Gunnar. ‘Maar ik heb hem natuurlijk niet gekend.’

‘U zei dat u advocate was; welke belangen behartigt u voor de familie van Harald? Betreft het de erfenis? Wat hier aan de muur hangt is niet van geringe waarde.’

‘Nee, daar heeft het niets mee te maken,’ antwoordde Þóra. ‘We zijn het onderzoek naar de moord aan het nalopen: de familie is het helemaal niet eens met de conclusie van de politie.’

Gunnar staarde haar met grote ogen aan. Zijn adamsappel ging op en neer. ‘Wat bedoelt u? De schuldige is toch al gevonden: die ene drugsdealer?’

Þóra haalde haar schouders op. ‘Wij vinden dat diverse zaken erop wijzen dat hij de moordenaar niet is.’ Ze zag dat Gunnar om bepaalde redenen niet bijzonder blij was met dit nieuws. Ze voegde eraan toe: ‘Het zal allemaal wel blijken. Misschien hebben we het bij het verkeerde eind, misschien niet.’

‘Het gaat mij misschien niets aan, maar wat wijst op de onschuld van die man? De politie schijnt ervan overtuigd dat ze de juiste man te pakken hebben; weet u iets wat de politie nog onbekend is?’

‘We houden geen informatie voor de politie verborgen, als u dat insinueert,’ zei Þóra scherp. ‘We zijn gewoon op belangrijke punten niet tevreden over hun conclusies.’

Gunnar zuchtte. ‘U moet me maar niet kwalijk nemen dat ik het zo rechtstreeks vraag: ik ben mezelf niet meer wanneer het om deze zaak gaat. Om u de waarheid te zeggen wilde ik dat het nu eindelijk eens ophield. Dit is allemaal vreselijk moeilijk voor me geweest en het heeft ook nog eens de goede naam van de vakgroep besmeurd.’

‘Ik begrijp het,’ zei Þóra. ‘Maar het mag toch niet zo zijn dat de verkeerde persoon schuldig bevonden wordt, ook al staat de goede naam van uw vakgroep op het spel, of wel soms?’

Gunnar begreep het en zei vlug: ‘Nee, nee, nee. Natuurlijk niet. Een mens heeft nu eenmaal de neiging om om zijn eigen hachje te denken, maar daar zitten natuurlijk grenzen aan, begrijpt u me niet verkeerd.’

‘Waarom kwam u eigenlijk hierheen?’ vroeg Þóra. Ze vroeg zich ondertussen af wat Matthias toch ophield.

Gunnar keek van Þóra naar een van de afbeeldingen aan de muur. ‘Ik hoopte eigenlijk in contact te komen met iemand die Haralds zaken regelt. En dat schijnt gelukt te zijn.’

‘Waarom?’

‘Toen Harald vermoord werd, had hij kort daarvoor… hoe zal ik het zeggen… ja, kort daarvoor een geleend document van de universiteit in handen gekregen dat hij niet teruggegeven heeft. Ik ben daarnaar op zoek.’ Gunnar wendde zijn blik van het kunstwerk af.

‘Wat voor document is dat?’ vroeg Þóra. ‘Er is hier van alles te vinden.’

‘Het is een oude brief aan de bisschop in Hróarskelda van rond 1500. Hij is door Denemarken uitgeleend en daarom is het belangrijk dat hij niet aan de wandel gaat.’

‘Dat klinkt nogal ernstig,’ zei Þóra. ‘Waarom hebt u dit niet met de politie opgenomen? Die had hem ongetwijfeld kunnen opsporen.’

‘Het is pas net aan het licht gekomen: ik wist er niets van toen ik verhoord werd, anders had ik wel de wens te kennen gegeven dat ze dat document zouden achterhalen. Door hierheen te komen hoopte ik dat ik niet de hulp van de politie zou hoeven inroepen en dat ik het probleem makkelijker zou kunnen oplossen. Ik voel er niet bijzonder veel voor om het verder uit te leggen: het is levenservaring en daar heb ik meer dan genoeg van. Dit document heeft op geen enkele wijze met de moord te maken, dat kan ik u verzekeren.’

‘Misschien niet,’ zei Þóra, ‘ik ben het in elk geval helaas niet tegengekomen. Wij zijn trouwens nog niet klaar met het doornemen van al Haralds documenten. Het kan best zijn dat het opduikt.’

Matthias stommelde naar binnen met een paar papieren in zijn ene hand en ging op de chique bank zitten. Hij maakte met een overdreven handgebaar duidelijk dat zij ook iets dergelijks moesten doen. Þóra ging in de leunstoel zitten en Gunnar liep naar de bank tegenover Matthias, waar hij plaatsnam. Þóra legde wat Gunnar kwam doen uit aan Matthias, die slechts bijna letterlijk herhaalde wat Þóra gezegd had: hij was het document niet tegengekomen, maar dat betekende zeker niet dat het hier niet te vinden was. Vervolgens legde hij de papieren op de tafel. Hij richtte zich tot Gunnar: ‘U had de supervisie over Haralds scriptie, heb ik dat juist?’

‘Nee en ja, min of meer,’ antwoordde Gunnar op zijn hoede.

‘O?’ zei Matthias kortaf. ‘Is soms niet duidelijk wie studenten bij hun scriptie begeleidt?’

‘Natuurlijk wel,’ antwoordde Gunnar vlug. ‘Hij was alleen niet zo flitsend van start gegaan dat er supervisie van het vakgroepshoofd nodig was; dat bedoelde ik er gewoon mee. Þorbjörn Ólafsson had de begeleiding op zich genomen. Ik volgde alles van een afstandje, als je het zo zou kunnen zeggen.’

‘Ik begrijp het. Maar hij had waarschijnlijk al een eerdere aanzet of een idee voor het onderwerp van zijn onderzoek voorgesteld, nietwaar?’

‘Ja, hij had een zogenaamde synopsis of samenvatting ingeleverd, als ik me goed herinner meteen aan het begin van zijn eerste trimester in de vakgroep. We namen het onderwerp door en keurden het in grote lijnen goed. Þorbjörn ging ermee verder: het onderwerp lag op zijn gebied.’

‘Waarover moest de scriptie gaan?’ vroeg Þóra.

‘Een vergelijking van heksenverbrandingen op IJsland en elders in Europa, hoofdzakelijk in de gebieden die we nu als Duitsland kennen. Daar laaide de hetze tegen heksen het hoogst op, als je het zo mag uitdrukken. Harald had eerder onderzoek over verbrandingen gedaan in zijn geschiedenisscriptie aan de universiteit van München.’

Matthias knikte nadenkend. ‘Heb ik het goed dat heksenverbrandingen op IJsland in de zeventiende eeuw plaatsvonden?’

‘Ja. Er zijn trouwens bronnen over mensen die vóór die tijd voor hekserij veroordeeld werden, maar de eigenlijke heksenjacht begon niet eerder dan in de zeventiende eeuw. De eerste verbranding die in verband daarmee bekend is, vond in 1625 plaats.’

‘Ja, dat dacht ik namelijk al,’ zei Matthias en hij deed verbaasd. Hij spreidde de papieren die hij op de tafel gelegd had, uit. ‘Ik vind dat er wonderbaarlijk weinig over IJslandse heksenverbrandingen tussen Haralds spullen zit en ik begrijp niet waarom hij zoveel belangstelling had voor gebeurtenissen die lang geleden plaatsvonden. U kunt me dat misschien uitleggen; misschien ziet u een verband dat ons ontgaat?’

‘Welke gebeurtenissen bedoelt u?’ vroeg Gunnar, terwijl hij de papieren wilde pakken, die uit geprinte en gekopieerde artikelen bestonden.

Terwijl Gunnar de papieren doorlas, somde Matthias ze op: ‘Een uitbarsting van de Hekla in 1510, epidemieën in Denemarken rond 1500, de reformatie in 1550, de grotten van de Ierse monniken op IJsland van vóór de kolonisatie en meer van dien aard. Ik persoonlijk zie geen enkel verband, maar ik ben dan ook geen historicus.’

Gunnar bladerde verder. Nadat hij de inhoud van alle papieren had bestudeerd, sprak hij pas weer. ‘Het is in geen geval zo dat dat allemaal direct verband houdt met zijn scriptie. Harald had toch aan die artikelen kunnen komen voor andere colleges waarvoor hij ingeschreven stond. Ik moet eerlijk bekennen dat kolonisatie mijn aandachtsgebied is en Harald heeft geen college bij mij gevolgd, wat dat artikel over die Ierse monniken op IJsland misschien had kunnen verklaren. Niettemin veronderstel ik dat deze spullen te maken hebben met cursussen die hij naast zijn scriptie gevolgd heeft.’

Matthias keek Gunnar strak aan. ‘Nee, dat is niet het geval: het merendeel hiervan komt uit een map met de titel Malleus; die naam kent u waarschijnlijk.’ Matthias wees op perforatiegaten in de marges van de pagina’s. ‘Ik heb dus de conclusie getrokken dat hij dit allemaal verzameld heeft voor onderzoek naar iets wat met toverij te maken heeft.’

‘Ja, die naam is mij bekend. Zou het niet zo kunnen zijn dat hij dit gewoon in een oude map gestopt heeft en vergeten heeft om de titel te veranderen?’ vroeg Gunnar.

‘Ongetwijfeld,’ antwoordde Matthias. ‘Maar op een of andere manier geloof ik niet dat het zo gegaan is.’

Gunnar keek weer naar de stapel. ‘Ik moet toegeven dat dat niet voor de hand ligt. Het enige wat ik zo op het eerste gezicht kan zien, zijn links met de reformatie: die lag tot op zekere hoogte ten grondslag aan de hetze tegen heksen, zoals op veel plaatsen in Europa. De godsdienst onderging veranderingen en de mensen zaten door de ontwikkelingen in een halve geloofscrisis. Wat de uitbarsting van de Hekla en de epidemieën aangaat heeft Harald misschien een verband met de vervolgingen en de economische situatie van die tijd onderzocht. Natuurrampen en ziekten hadden in die tijd veel invloed op zulke dingen. Hoewel het meer voor de hand zou liggen om andere vulkaanuitbarstingen – bijvoorbeeld die van de Hekla in 1636 – en andere epidemieën die in tijd veel dichter bij de verbrandingen zitten, nader te onderzoeken dan die waarover het in deze artikelen gaat.’ Hij klopte zachtjes op de stapel.

‘Dus dit is niet iets wat hij met u of met Þorbjörn besproken heeft, wanneer u vanwege de scriptie een afspraak met elkaar had?’ vroeg Þóra.

‘Nee, niet met mij. Þorbjörn herinnerde zich ook niets dergelijks van een afspraak die hij zonder mij met Harald had,’ antwoordde Gunnar en hij zei er achteraan: ‘Zoals ik u al vertelde zat het onderwerp van Haralds scriptie nog in een ontwikkelingsstadium. Zijn aandachtspunten schenen te verschuiven: hij gaf Þorbjörn duidelijk te kennen dat hij veel meer interesse in de invloed van de reformatie dan in de heksenverbrandingen had, hoewel er nog niets besloten was toen hij vermoord werd.’

‘Is dat gebruikelijk,’ vroeg Þóra, ‘om zo van mening te veranderen?’

Gunnar knikte. ‘Ja, dat is heel normaal. Mensen beginnen vol interesse ergens aan, komen vervolgens tot de ontdekking dat het onderwerp helemaal niet zo spannend is als ze op het eerste gezicht dachten en dan kiezen ze een nieuw onderwerp. We hebben trouwens een lange lijst met interessante onderwerpen voor onderzoek die we onze studenten kunnen aanbieden om uit te kiezen, wanneer het hun zelf aan ideeën ontbreekt.’

‘Gezien Haralds interesse in heksenaangelegenheden in het algemeen,’ zei Matthias en hij wees om zich heen naar de wanden van de woonkamer om zijn woorden kracht bij te zetten, ‘een belangstelling die hij al vanaf zijn jeugd had, waag ik het toch te betwijfelen dat de reformatie hem opeens veel meer interesseerde.’

‘Harald was katholiek, zoals u ongetwijfeld bekend is,’ zei Gunnar en Þóra en Matthias knikten instemmend. ‘Wat hem aantrok was niet in de laatste plaats het feit dat de economische situatie van de gemiddelde mens op IJsland die het lutherse geloof aanhing vanaf 1550 snel achteruitging, met name van diegenen die al in de slechtste omstandigheden woonden. De katholieke Kerk had al zijn bezittingen in het land onderhouden, maar bij de reformatie kwamen alle bezittingen en grond van de Kerk in bezit van de Deense koning en het land werd als gevolg daarvan armer. De katholieke Kerk had ook liefdadigheidswerk verricht en mensen die in de grootste armoede leefden, onderdak en eten gegeven. Daarin werd gesneden toen de lutherse Kerk het overnam. Harald vond dit wel wat aandacht waard, omdat de katholieke Kerk zelden vanuit dit oogpunt belicht is. Hij was er ook door gefascineerd dat katholieke priesters en bisschoppen vriendinnen en kinderen mochten hebben. Dat werd in andere katholieke bisdommen in Europa niet getolereerd en wordt het trouwens nog steeds niet.’

Matthias scheen niet overtuigd. ‘Ja, misschien. Is het mogelijk dat zijn bijeenkomsten met die Þorbjörn niet erg grondig waren, dat Harald iets meer in zijn onderzoek betrok waarvan Þorbjörn en waarschijnlijk ook u niets afwist?’

‘Daar weet ik niets van, zoals u kunt begrijpen,’ antwoordde Gunnar, ‘ik had in elk geval op dat moment niet het gevoel dat er zoiets speelde. Meer weet ik niet. Natuurlijk kon hij allerlei zaken bekijken zonder dat ik ervan wist: ik trok niet al zijn voetstappen na, omdat dat niet van mij verwacht wordt. Studenten die een mastersopleiding doen, nemen veel beslissingen zelf en werken heel zelfstandig. Ik raad u aan om dat met Þorbjörn te bespreken, als u er verdere informatie over wilt. Ik kan daar ook heen komen, als u wilt.’

Matthias keek naar Þóra, die instemmend knikte. ‘Dank u wel, dat aanbod nemen we graag aan,’ zei Matthias. ‘Wanneer u weet wanneer Þorbjörn een moment vrij heeft, kunt u me even bellen. Ook als uzelf iets te binnen schiet wat van belang zou kunnen zijn.’ Hij gaf Gunnar zijn visitekaartje.

Þóra haalde eveneens haar kaartje uit haar tas en gaf dat aan Gunnar. ‘We zullen wel nagaan of de brief waarnaar u op zoek bent, tussen de papieren zit die we onder handen hebben.’

‘Dat zou ik op prijs stellen: het is een beetje een schande voor de universiteit en ik zou als laatste willen toegeven dat de brief verdwenen is. Helaas heb ik geen visitekaartje bij me, maar u kunt me meestal op mijn kamer rechtstreeks per telefoon bereiken.’ Hij stond op.

‘Wat betreft de vrienden van Harald,’ zei Matthias, ‘kunt u ons met hen in contact brengen? We willen gewoon praten met degenen die hem het best kenden; misschien kunnen die wat licht op de zaak werpen en op datgene waarmee Harald bezig was. We hebben vanochtend geprobeerd contact met een paar van hen te krijgen, maar ze willen niet met ons praten.’

‘U bedoelt waarschijnlijk die jongelui die lid waren van die vereniging van hem,’ zei Gunnar. ‘Ja, dat zou me moeten lukken. Die vereniging heeft een hok bij ons, waardoor ik hen af en toe tegen het lijf loop. Ik hoopte trouwens dat die vereniging opgedoekt zou worden toen Harald dood was. Ik vond dat het de universiteit niet veel eer aandeed en op grond daarvan vond ik dat er des te minder reden was om hen te ondersteunen door hun die ruimte ter beschikking te stellen. Ik kan alleen niet alle beslissingen in mijn eentje nemen en daarom zit ik aan dit besluit vast. Ik kan een ontmoeting regelen met twee van onze studenten die bij die vereniging zitten. Zij zouden u in contact moeten kunnen brengen met andere studenten met wie Harald omging.’

‘Dat aanbod zouden we heel graag aannemen.’ Þóra glimlachte naar hem. ‘Waarom vindt u deze vereniging zo onmogelijk?’

Gunnar scheen bij zichzelf te overleggen wat hij moest antwoorden. ‘Door wat er ongeveer een halfjaar geleden gebeurd is. Ik was en ben ervan overtuigd dat die vereniging ermee te maken had, maar kon het niet bewijzen. Jammer genoeg.’

‘Wat gebeurde er?’ vroeg Matthias.

Gunnar weifelde even. ‘We hebben een vinger gevonden.’

‘Een vinger?’ Weer zeiden Matthias en Þóra tegelijkertijd hetzelfde, ditmaal uit verbazing.

‘Ja, een van de schoonmaaksters vond een vinger voor hun hok. Ik hoor het gegil van die arme vrouw nog. De vinger werd voor onderzoek naar het pathologisch lab van de universiteit gestuurd en hij bleek van een oud persoon te zijn; ze zijn er nooit aan begonnen om het geslacht vast te stellen, maar hij was zeer waarschijnlijk van een man. De vinger was door koudvuur aangetast.’

‘Is de politie hier niet van op de hoogte gesteld?’ vroeg Þóra stomverbaasd.

Gunnar kleurde rood. ‘Ik zou maar wat graag willen dat ik dat bevestigend kon beantwoorden, maar toen we de herkomst van de vinger en een verklaring voor zijn aanwezigheid in ons gebouw al tot op de bodem uitgespit hadden, vonden we het ongepast om de politie hiervan nog op de hoogte te brengen, zo lang nadat hij gevonden was, begrijpt u. De zomervakantie en andere dingen kwamen er ook tussendoor.’

Þóra vond niet dat men dit kon afschuiven op zoiets als de zomervakantie. Ze mochten er misschien dankbaar voor zijn dat er niemand met zwangerschapsverlof was, toen het lijk van Harald gevonden werd. Of dat de vakgroep Geschiedenis niet had besloten om de moord zelf te onderzoeken. Tjonge.’

‘Wat hebben jullie daarna met die vinger gedaan?’ vroeg Matthias.

‘Eeeeehm… We hebben hem dus weggegooid,’ mompelde Gunnar. De rode kleur verspreidde zich van zijn wangen tot onder zijn haren. ‘Dit hield zeer zeker geen verband met de moord en daarom was het misschien ook geen reden om deze onkiese gang van zaken bij de politie op te rakelen. Die hadden wel wat anders aan hun hoofd.’

‘Tjonge,’ herhaalde Þóra. Een afgesneden vinger, uitgerukte ogen, een brief over afgesneden oren; wat stond hun nog te wachten?

18

Þóra rekte zich uit en leunde achterover in de stoel. Ze had net de laatste kabel aan de computer aangesloten en nu kon ze hem eindelijk aanzetten. Zij en Matthias zaten in Haralds studeerkamer, nadat ze die onpeilbare Gunnar Gestvík uitgelaten hadden. ‘Ik moet bekennen dat ik die theorie van jou en de familie Guntlieb over de onbekende moordenaar steeds minder van gezond verstand vind getuigen.’ Ze zette de computer aan en meteen hoorde ze een licht gezoem dat aangaf dat de computer opstartte. ‘Dat verhaal over bloed op Hugi’s kleren bijvoorbeeld: hoe valt dat in jullie theorie in te passen?’ Matthias antwoordde niet, dus ging ze verder: ‘En dat met die papieren daarstraks: ik zie helemaal geen verband tussen de moord en essays voor de universiteit, vooral omdat Harald zo te zien op het verkeerde pad geraakt was bij zijn bronnenonderzoek.’

‘Ik ben zeker van mijn zaak,’ zei Matthias zonder Þóra direct aan te kijken.

Iets in zijn gedrag viel Þóra op. Het was niet zijn gewoonte om haar niet in de ogen te kijken, maar afgezien daarvan merkte ze hoe hij naar het schermpje van zijn gsm staarde, alsof hij hoopte dat iemand zou bellen en hem van dit gesprek zou verlossen. Þóra sloeg haar armen over elkaar en keek hem scherp aan. ‘Je houdt iets voor mij verborgen.’

Matthias staarde nog steeds hoopvol naar zijn gsm. ‘Ja, ik mag toch echt hopen dat ik al mijn geheimen in deze korte tijd dat we elkaar kennen, nog niet heb onthuld,’ zei hij met een gemaakt opgewekte stem.

‘Onzin: je weet heel goed wat ik bedoel. Er zit wat meer achter dan geld en ogen die verdwijnen.’ Þóra had er nog steeds wat problemen mee, wanneer het over het ontbreken van de ogen in het lijk ging. Het was haar nog niet gelukt om er één zin over te uiten die vloeiend liep: haar woorden wilden er op een of andere manier niet uit komen. ‘Er is trouwens ook niets anders: ja, een of ander mailbericht, dat op zichzelf niets zegt, en nu een vinger die gevonden is op de universiteit waar de professoren het Spaans benauwd van kregen en die ze daarom vlug weggegooid hebben.’

Matthias stopte zijn gsm in zijn zak. ‘Al heb ik inderdaad iets voor je verborgen gehouden, wil je me dan toch op mijn woord geloven dat Hugi de moordenaar niet kon zijn of in elk geval niet alleen te werk gegaan is?’

Þóra lachte hardop. ‘Nee, eigenlijk niet.’

Matthias stond op. ‘Dat is jammer. Om je de waarheid te zeggen kan ik namelijk over bepaalde informatie niet in mijn eentje een beslissing nemen,’ zei hij en hij voegde er vlug aan toe: ‘Dat wil zeggen: als er meer te vertellen viel.’

‘Laten we nu eens doen alsof er inderdaad meer te vertellen valt en degene die de beslissing mag nemen om mij daarin te betrekken, daar positief tegenover staat. Zou het dan geen goed idee zijn als jij dat zou navragen?’

Matthias keek haar nadenkend aan en liep vervolgens weg. Þóra zag dat hij opnieuw zijn gsm in zijn hand had. Hopelijk was hij weggelopen om te gaan bellen. Þóra spitste haar oren en hoorde een onduidelijk gesprek vanuit de gang. Ze gaf het op om te proberen iets op te vangen en draaide zich weer om naar de computer. Een klein grijs vakje midden op het scherm vertelde haar dat ze het wachtwoord voor de administrator moest intoetsen. Þóra wist het wachtwoord niet en probeerde het steeds weer opnieuw: ‘Harald’, ‘Malleus’, ‘Windows’, Hexen en meer van dien aard. Niets werkte. Ze leunde achterover en keek hoopvol om zich heen op zoek naar inspiratie. Op een plank boven het bureau stond een ingelijste foto, die ze pakte. Het was een foto van een gehandicapte jonge vrouw in een rolstoel. Je hoefde er geen genie voor te zijn om te begrijpen dat dit Haralds zuster was, die een paar jaar ervoor overleden was. Hoe heette ze ook weer? Was ze niet naar haar moeder vernoemd? Hoe heette die ook alweer? Anna? Nee, maar het was wel iets wat met een A begon. Het was niet Agatha of Angelina. Amelia, ze heette Amelia Guntlieb. Þóra probeerde dat als wachtwoord in te toetsen. Er gebeurde niets. Ze zuchtte en besloot de naam niet met een hoofdletter, maar met een kleine letter in te typen: amelia.

Bingo! De computer liet het welbekende Windows-melodietje horen en Þóra was ingelogd. Ze bedacht hoeveel tijd de politie nodig had gehad om het wachtwoord te vinden en begreep dat ze wel een of andere computerexpert moesten hebben, die er via een omweg in gekomen was. Het kon haast niet dat ze er uren aan gezeten hadden en het steeds weer geprobeerd hadden. Het wallpaper op het scherm was nogal ongewoon en het kostte Þóra wat tijd om te begrijpen wat erop stond. Het gebeurde immers niet elke dag dat ze op een zeventien-inch beeldscherm in een mondholte keek. En wat voor een mondholte, want de tong zat aan weerszijden in twee tangen van roestvrij staal geklemd en er had zich een vuurrode scheidslijn over de punt of liever gezegd punten van de tong gevormd. Hoewel Þóra van zulke dingen misselijk werd, was haar in elk geval duidelijk dat de foto genomen was toen men bezig was de tong in te snijden. Of de operatie was aan de gang óf hij was net afgerond. Þóra had met wie ook maar een weddenschap willen afsluiten over wie de eigenaar van de tong was. Dat moest Harald zelf geweest zijn. Ze haalde aan aantal keren diep adem om van de misselijkheid af te komen.

Op de computer stonden een kleine vierhonderd tekstbestanden. Þóra rangschikte ze naar datum, waardoor de jongste het eerst verschenen. Hun titels waren verhelderend: op de eerste regel stonden documenten gerangschikt die allemaal gemeen hadden dat het woord Hexen erin voorkwam. Aangezien het al laat geworden was, pakte Þóra haar usb-stick uit haar handtas. Ze kopieerde alle heksendocumenten naar de stick, zodat ze die avond thuis in alle rust de bestanden kon bekijken, als Matthias haar in vertrouwen zou nemen en zou vertellen wat de familie Guntlieb haar eerder op dit punt verzwegen had. Als hij dat niet zou doen, dan was ze van plan de avond te verdoen met uitrekenen of ze het zich echt niet kon veroorloven hun te zeggen dat ze naar de pomp konden lopen. Kort gezegd: ze had er geen zin in om voor spek en bonen te werken.

Er was nog geen teken van Matthias en Þóra besloot te kijken wat voor gescande documenten op de computer te vinden waren. Ze vroeg het apparaat heel keurig om alle documenten te vinden die op .pdf eindigden, en dat leverde een stuk of zestig bestanden op. Ze ordende ze op datum, kopieerde de meest recente en zette die op haar usb-stick. Ze zou vanavond nog genoeg te doen hebben, dat stond vast. Þóra kwam vervolgens op het idee om foto’s die in de computer stonden te bekijken en opende de map met fotobestanden. Harald had duidelijk een digitale camera gehad en er flink gebruik van gemaakt. Er verschenen honderd bestanden, maar hun titels zeiden Þóra niets, aangezien de computer de bestanden een serie willekeurige nummers toegekend had. Harald was er nog niet aan begonnen de namen van die bestanden te veranderen; net zomin als Þóra, wanneer ze op haar eigen computer foto’s opsloeg. Ze koos ervoor de bestanden steekproefsgewijs te bekijken, zodat ze tot op zekere hoogte kon bepalen wat er op welke foto stond. Net als eerder rangschikte ze ze op datum. Þóra zag dat de meest recente foto’s in de woning genomen waren. De onderwerpen waren wat vreemd: op een paar stond niets bijzonders, de meeste waren in de keuken genomen tijdens het koken, dat van alle kanten belicht werd. Er stond niemand op de foto’s, maar op twee vielen handen te onderscheiden en Þóra kopieerde die naar haar usb-stick voor het geval de handen bij de moordenaar hoorden. Je kon maar nooit weten. Die foto’s van een geweldig pastagerecht in diverse stadia liet ze voor wat ze waren.

Þóra liep de foto’s langs en zag dat veel nogal ongelukkig genomen waren voor degenen die erop stonden: ze waren genomen tijdens diverse seksuele activiteiten. Þóra kleurde rood van plaatsvervangende schaamte voor de deelnemers, nadat ze meer van dit soort foto’s op het beeldscherm voorbij had zien komen. Ze kreeg het niet over haar hart om ze te vergroten – hoewel ze het vreselijk graag wilde – uit angst dat Matthias binnenkwam om te kijken wat ze deed. Vervolgens stuitte Þóra op een heleboel foto’s van de tongoperatie, waaronder ook de foto die Harald als achtergrond voor zijn desktop gekozen had. Er viel niet op te maken wie erbij aanwezig waren geweest, maar je kon een paar buiken zien en dus kopieerde Þóra die foto’s naar haar usb-stick. Andere foto’s waren allerlei kiekjes van feesten waarop veel gaande was, en daartussen zaten – totaal onverwacht – foto’s van de IJslandse natuur en van reizen door het binnenland. Een paar waren erg donker en lieten niets anders dan grijze rotswanden zien; toen Þóra een van de foto’s vergrootte, dacht ze een duidelijk kruis te zien dat uitgehouwen was in een van de rotswanden. Een heleboel foto’s waren genomen in een plaatsje dat Þóra niet herkende: veel ervan in een museum waarin naar het scheen een handschrift tentoongesteld werd en verder een steen van doleriet in een vitrine. Een van die foto’s was van een bordje; Þóra vergrootte hem in de hoop dat er op het bordje stond om welk museum het ging, maar ze werd teleurgesteld: er stond alleen ‘Verboden foto’s te nemen’. Þóra besloot de rest van de foto’s niet te bekijken: ze was bij tamelijk oude kiekjes aanbeland, die nauwelijks met de zaak te maken konden hebben. Ze bekeek de e-mail om te zien wat die nog verborgen hield. In de inbox lagen zeven ongeopende berichten te wachten. Waarschijnlijk waren er meer berichten binnengekomen sinds Harald vermoord werd, maar die moest de politie wel gezien en geopend hebben.

Matthias kwam binnen en Þóra keek op van de computer. Hij ging weer op zijn stoel zitten en glimlachte mysterieus. ‘En?’ zei ze vragend en ze wachtte op wat ging komen.

‘Also,’ zei Matthias en hij leunde naar achteren. Hij steunde met zijn ellebogen op zijn knieën en vouwde zijn handen in elkaar, alsof hij wilde gaan bidden. ‘Voordat ik je vertel wat jij zo nodig denkt te moeten weten,’ – hij legde op elk woord nadruk – ‘moet je me één ding beloven.’

‘En dat is?’ vroeg Þóra, terwijl ze het antwoord al wist.

‘Wat ik je ga vertellen is absoluut geheim en moet tussen ons blijven. Voordat ik het je vertel, moet ik bevestiging van je hebben dat je dit respecteert. Begrepen?’

‘Hoe moet ik weten of ik zo’n belofte kan houden, als ik geen idee heb waarover het gaat?’

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Dat risico moet je dan maar nemen. Ik kan je eerlijk zeggen dat je het waarschijnlijk verder wilt vertellen; dat zeg ik zodat je weet dat ik je niet in een of andere val wil lokken.’

‘Aan wie zou ik het verder willen vertellen?’ vroeg Þóra. ‘Dat wil ik dan wel weten.’

‘De politie,’ antwoordde Matthias zonder te aarzelen.

‘Dus jij of Haralds familie beschikt over informatie die van groot belang voor de zaak zou kunnen zijn, maar hebt ervoor gekozen om dat geheim te houden? Heb ik dat nu goed begrepen?’

‘Mmm, ja,’ antwoordde Matthias.

‘Ik zal erover nadenken,’ zei Þóra. Ze dacht erover na. Ze verwachtte dat een of ander protocol haar ertoe kon verplichten om de autoriteiten in kennis te stellen van dingen die van openbaar belang konden zijn. Ze zou dit aanbod moeten afslaan en de politie ervan op de hoogte moeten brengen dat Matthias bewijsstukken achterhield of iets anders in verband met deze moordzaak. Aan de andere kant wist ze heel goed dat hij het alleen maar zou ontkennen en dan zou haar aandeel in dit onderzoek ten einde zijn. Dat deed niemand enig goed. Met enige soepelheid zou je echter ook kunnen concluderen dat het haar morele plicht was haar mond te houden en te proberen het raadsel dat voor hen lag naar beste kunnen op te lossen, gewapend met deze fantastische nieuwe informatie. Iedereen blij. Þóra dacht er in stilte over na. Liever een onzekere afloop dan de beste in de huidige situatie: een protocol moest toch op verzachtende omstandigheden berekend zijn, daar het doel de middelen heiligde. En zo niet, dan werd het tijd om het protocol te veranderen.

‘Oké,’ zei Þóra uiteindelijk. ‘Ik zal beloven niemand iets te vertellen – zelfs de politie niet – ongeacht wat je me ook wilt vertellen.’ Matthias glimlachte blij over haar beslissing, maar voordat hij iets uit de doeken kon doen, voegde ze er haastig aan toe: ‘Maar in ruil daarvoor moet jij mij beloven dat wij deze informatie aan de autoriteiten doorspelen, voordat het tot een zitting komt, als dit geheim de onschuld van Hugi bewijst en het ons niet lukt om dat op een andere manier aan te tonen.’ Matthias opende zijn mond, maar Þóra gaf hem geen gelegenheid iets te zeggen: ‘En er wordt niet aan de autoriteiten verteld dat ik hier kennis van had. En…’

Matthias legde haar het zwijgen op. ‘Oké, genoeg.’ Nu moest hij erover nadenken. Hij staarde Þóra aan zonder met zijn ogen te knipperen. ‘Afgesproken: jij vertelt niets en ik stel de politie van deze brief op de hoogte als het ons niet lukt om de onschuld van die Hugi tijdig vóór het voorkomen van de zaak te bewijzen.’

Brief? Nog een brief? Þóra begon zo langzaam aan te denken dat de hele zaak een grote grap was, als de autopsiefoto’s, die haar zeer helder voor de geest stonden, er niet waren geweest. ‘Wat voor brief bedoel je?’ vroeg ze. ‘Ik houd me aan mijn belofte.’

‘Een brief die Haralds moeder kort na de moord ontving,’ antwoordde Matthias. ‘Deze brief overtuigde de ouders ervan dat degene die vastzat, niet de schuldige kon zijn. Hij is namelijk verzonden, nadat Hugi in de gevangenis terechtgekomen was en niet meer in staat was om snel even naar het postkantoor te gaan. Ik betwijfel of de politie hem een plezier gedaan heeft door voor hem naar het postkantoor te gaan, met name omdat ze dan waarschijnlijk eerst de inhoud hadden onderzocht.’

‘En dat was?’ vroeg Þóra ongeduldig.

‘Wat erin stond was op zich niet zo vreemd; dat wil zeggen dat de tekst genadeloos met Haralds moeder afrekende. Maar de brief was geschreven met bloed: Haralds bloed.’

‘O god,’ liet Þóra zich ontglippen. Ze probeerde zich voor te stellen wat voor gevoel het moest zijn om een brief geschreven met het bloed van je overleden zoon te krijgen, maar ze was zo onder de indruk dat ze er niet in slaagde: ze vond het te onwerkelijk. ‘Van wie was die brief afkomstig? En hoe weten jullie dat het bloed van Harald was?’

‘De brief was met Haralds naam ondertekend, maar een handschriftdeskundige heeft bepaald dat het zijn handschrift niet was. Hij kon dat ook niet bevestigen, omdat het schrijfgerei nogal grof was en het handschrift daardoor slecht met dat van Harald vergeleken kon worden. De brief is trouwens voor onderzoek opgestuurd en daar is onder andere nagetrokken of het bloed van hem was. Dat bleek zo te zijn, maar het was niet helemaal onweerlegbaar: ze vonden ook sporen van het bloed van een roofvogel dat volgens het laboratorium met Haralds bloed vermengd scheen te zijn.’

Þóra sperde haar ogen wijd open. ‘Vogelbloed?’ Dat vond ze nog walgelijker dan dat mensenbloed alleen. ‘Wat stond er eigenlijk in die brief?’ vroeg ze. ‘Heb je hem bij je?’

‘Ik heb het origineel niet, als je dat bedoelt,’ antwoordde Matthias. ‘Zijn moeder zal het niet uit handen geven en ook geen kopie ervan. Ze zou een moord begaan, als dat gebeurde. Het was allemaal nogal onaangenaam.’

Þóra keek hem teleurgesteld aan. ‘En wat nu? Ik moet toch weten wat erin stond? Hebben jullie hem door iemand laten vertalen?’

‘Inderdaad, ja. Het was een gedicht over liefde dat best mooi begon, maar al gauw vrij gruwelijk werd.’ Hij keek naar Þóra en glimlachte. ‘Ik hebt trouwens mazzel dat ik het op kon schrijven, want ik was degene die hem moest vertalen. Met behulp van een woordenboek IJslands-Duits. Ik krijg waarschijnlijk geen prijs voor mijn vertaalwerk, maar de kern werd zo wel duidelijk.’ Terwijl Matthias dit zei, haalde hij een opgevouwen A4-tje uit zijn jaszak. Hij gaf het papier aan Þóra. ‘Sommige letters zijn misschien niet juist, want ik kende ze niet allemaal, maar het zou allemaal ongeveer moeten kloppen.’

Þóra las het gedicht. Het was een lange tekst, als je je realiseerde dat het origineel met bloed geschreven was. Ze kon zich niet voorstellen hoeveel bloed ervoor nodig was geweest om al deze letters te schrijven. Matthias had het met hoofdletters geschreven, waarschijnlijk in navolging van het origineel. Op het papier stond:

Ik kijk naar jou
maar geef jij me
genegenheid en liefde
met heel je hart.
Zit nergens,
lijd nergens,
tenzij je van me houdt.
Daarom bid ik Odin
en allen
die vrouwelijke runen
kunnen ontrafelen
dat jij nergens
ter wereld lijdt
of gegrepen wordt,
tenzij je van me houdt
met heel je hart.
Zo zal het jou in je botten
die je allemaal verbrandt
en in je vlees
steeds slechter gaan.
Blijf vrijgezel,
tenzij je van me houdt,
je voeten zullen bevriezen,
krijg nooit eer
of geluk.
Zit brandend,
laat je haar verweren,
scheur je kleren,
tenzij jij mij
dolgraag wilt hebben.

Þóra voelde zich onder het lezen wat vreemd: het gedicht was op een akelige manier gestoord. Ze kijk naar Matthias. ‘Ik ken dit helaas niet. Wie doet zoiets nou?’

‘Dat weet ik toch ook niet,’ antwoordde Matthias. ‘Wat nog onaangenamer was aan het origineel, was dat het op vel geschreven was: kalfsvel. Je moet echt een zieke geest hebben om de moeder van een vermoorde jongen zoiets aan te doen.’

‘Waarom zijn moeder? Was het niet ook aan zijn vader gericht?’

‘Er stond meer in, maar dat was in het Duits; ik heb het niet overgeschreven, maar herinner me enigszins waar het op neerkwam.’

‘En dat was?’ vroeg Þóra.

‘Het was een korte tekst, iets van de volgende strekking: “Mama, ik hoop dat je het gedicht en het cadeautje leuk vindt. Je zoon Harry.” Het woord “zoon” was twee keer onderstreept.’

Þóra keek van het papier naar Matthias. ‘Wat voor cadeautje? Kwam er nog iets na die brief?’

‘Nee, volgens de ouders niet en ik geloof hen. Ze waren volkomen ontdaan, toen dit bezorgd werd, en absoluut niet in staat om overtuigend te liegen.’

‘Waarom staat er “Harry” onder? Had de schrijver soms niet genoeg bloed meer?’

‘Nee, naar het schijnt werd hij door zijn oudste broer “Harry” genoemd, toen ze nog heel jong waren. Dat weten maar heel weinig mensen en is daarom een van de redenen dat die brief zijn moeder zo aangegrepen heeft.’

Þóra keek Matthias aan. ‘Was ze naar tegen hem? Klopt dat?’ Ze moest denken aan de foto’s van het kleine, afgewezen jongetje.

Matthias antwoordde niet meteen. Toen hij begon, koos hij zijn woorden heel voorzichtig en er was hem duidelijk veel aan gelegen dat hij het juist verwoordde, aangezien het een privéaangelegenheid van zijn werkgevers betrof, voor wie hij veel respect scheen te hebben. ‘Ik zweer je dat ik dat niet weet. Het was eerder alsof ze hem vermeed. Toch weet ik zeker dat ze de brief naar de politie op IJsland gestuurd zou hebben, als hun relatie goed geweest was. Dit raakte duidelijk een gevoelige plek.’ Hij zweeg even en keek nadenkend naar Þóra, voordat hij verderging. ‘Ze heeft gevraagd of ze met je kon praten. Van moeder tot moeder.’

‘Met mij?’ Þóra’s mond viel open. ‘Wat wil ze nou van mij? Zich verontschuldigen voor vreemd gedrag naar haar kind toe?’

‘Dat zei ze er niet bij,’ antwoordde Matthias. ‘Ze zei alleen dat ze met je wilde praten, maar niet in verband waarmee. Ze wilde er alleen wat beter mee om kunnen gaan.’

Þóra zei niets. Ze zou natuurlijk met de vrouw praten, als die dat wenste, maar het laatste waar ze zin in had, was iemand die haar kind pijn gedaan had, troosten. ‘Ik zie niet wat het doel is van deze brief,’ zei ze om van onderwerp te veranderen.

‘Ik ook niet,’ antwoordde Matthias kort. ‘Het is echt gestoord om te doen alsof Harald de brief zelf heeft gestuurd. Het lijkt mij daarom het meest waarschijnlijk dat de moordenaar gek is.’

Þóra staarde naar het papier. ‘Kan het zijn dat degene die dit geschreven heeft, duidelijk wilde maken dat Harald dood was en dat hij zijn moeder wilde achtervolgen?’

‘Met welk doel?’ vroeg Matthias terecht. ‘Wie heeft er nou zelf baat bij om haar op die manier te kwellen?’

‘Harald, natuurlijk, maar die was dood,’ zei Þóra. ‘Misschien zijn zus: misschien was hun moeder ook naar tegen haar?’

‘Nee,’ antwoordde Matthias. ‘Niemand is naar tegen haar geweest; dat kan ik je verzekeren. Zij is de oogappel van haar ouders.’

‘Maar wie kan het dan zijn geweest?’ vroeg Þóra zonder enige hoop op antwoord.

‘Hugi in elk geval niet. Tenzij hij een handlanger had.’

‘Pech dat we niets van het bloed op zijn kleren wisten, toen we vanochtend met hem gesproken hebben.’ Þóra keek op de klok. ‘Misschien krijg ik hem telefonisch wel te pakken.’ Ze belde 118 en kreeg het nummer voor de gevangenis in Litla-Hraun. De dienstdoende bewaarder gaf haar toestemming om met Hugi te praten, op voorwaarde dat het gesprek kort zou zijn. Ze wachtte ongeduldig een paar minuten aan de lijn en luisterde naar een elektronische versie van Für Elise, totdat Hugi’s stem buiten adem door de hoorn klonk.

‘Hallo.’

‘Ja hoi, Hugi, met Þóra Guðmundsdóttir van vanochtend. Ik zal het niet lang maken, maar helaas zijn we eerder vergeten je te vragen hoe het zat met dat bloed op je kleren. Hoe verklaar jij dat?’

‘Dat verdomde bloed,’ zuchtte Hugi. ‘De politie vroeg me ernaar. Ik weet niet welk T-shirt met bloed ze bedoelden, maar ik legde ze uit hoe het zat met dat bloed op de kleren die ik die avond aanhad.’

‘Hoe zat dat dan?’ vroeg Þóra.

‘Ik en Harald gingen op dat feest naar de wc om coke te snuiven. Hij kreeg een enorme bloedneus en spatte mij onder het bloed. Het was een heel klein toilet.’

‘Was het niet mogelijk om dat te laten bevestigen?’ vroeg Þóra. ‘Zouden andere feestgangers niet gemerkt hebben dat jij onder de bloedspatten uit de wc kwam?’

‘Ik zat niet helemaal onder het bloed en daarnaast was iedereen bezopen en van de wereld. In elk geval heeft niemand er tegen mij een opmerking over gemaakt. Je zou toch denken dat iemand het doorhad.’

Shit, dacht Þóra. ‘Maar dat met bloed doorweekte T-shirt in je kast: weet jij hoe dat daar beland is?’

‘Geen idee.’ Er volgde een korte stilte en toen vlug: ‘Ik denk dat de politie het daar neergelegd heeft. Ik heb Harald niet vermoord en heb ook geen bloed opgedweild met een T-shirt. Ik weet niet eens of het een T-shirt van mij of van een ander is. Ik heb het nooit te zien gekregen.’

‘Dat zijn zware beschuldigingen, Hugi, en om je de waarheid te zeggen denk ik niet dat de politie zoiets doet. Er moet wel een andere verklaring voor zijn, als wat je zegt waar is.’ Ze rondden het gesprek af en Þóra lichtte Matthias in.

‘Nou ja, hij heeft toch een verklaring voor één van de twee vragen,’ zei hij. ‘We moeten bij de andere feestgangers natrekken of ze zich iets van een bloedneus herinneren.’

‘Ja,’ zei Þóra met weinig hoop dat dat iets zou opleveren. ‘Maar ook als ze het zich herinneren, dan hebben we nog geen verklaring voor het T-shirt in zijn kast.’

‘Pling!’ klonk het uit de computer en ze keken tegelijk naar het scherm. You’ve got mail stond er in een kadertje rechtsonder in de hoek. Þóra pakte de muis en klikte op het plaatje van een kleine envelop.

De post kwam in beeld: van Mal.

19

Hé dode Harald,

Wat is er aan de hand? Ik krijg post van iemand die zegt dat hij de politie op IJsland vertegenwoordigt en van een of andere trut van een advocate (Þóra kon niet helpen dat ze hierdoor geïrriteerd raakte, ondanks het feit dat ze in haar loopbaan als advocate voor veel ergere dingen uitgemaakt was). Volgens deze idioten ben je dood, maar dat is absurd. Stuur me in elk geval even iets terug, want dit is een beetje onbehaaglijk.

Groeten

Mal

‘Prachtig, prachtig,’ zei Matthias. ‘Antwoord hem nu hij aan zijn computer zit.’

Þóra klikte vlug reply aan. ‘Wat moet ik zeggen?’ vroeg ze, terwijl ze het gangbare ‘Hoi Mal’ typte.

‘Gewoon, iets,’ zei Matthias vlug en bijzonder behulpzaam.

Þóra besloot te schrijven:

Wat betreft Haralds dood: helaas klopt dat. Hij werd vermoord en zal je dus niet meer antwoorden. Ik ben die trut van een advocate die je vanochtend probeerde te schrijven en Haralds computer is in mijn beheer Ik werk voor de familie Guntlieb: er is hun een hoop aan gelegen om de moordenaar te vinden. Er zit momenteel een jongen vast die naar alle waarschijnlijkheid onschuldig is aan deze vreselijke daad en ik vermoed dat jij weleens over informatie zou kunnen beschikken die ons verder zou kunnen helpen. Weet jij wat Harald zei gevonden te hebben en wie de ‘stomme idioot’ is over wie hij het in zijn laatste bericht aan jou had? Het zou het handigst zijn, als je mij een telefoonnummer zou sturen waarop ik je kan bereiken.

Met vriendelijke groet,

Þóra

Matthias las wat ze schreef mee en toen ze klaar was – in een recordtijd – wuifde hij ongeduldig met zijn handen en mompelde: ‘Versturen, versturen!’

Þóra verzond het bericht en ze wachtten een paar minuten zwijgend. Uiteindelijk verscheen de mededeling dat er een nieuw bericht binnengekomen was. Ze keken elkaar gespannen aan, voordat Þóra het opende. Ze waren allebei zwaar teleurgesteld.

Advocatentrut, val toch dood. En neem de familie Guntlieb dan meteen mee. Jullie zijn een stelletje klootzakken: ik ga liever gewoon dood dan dat ik jullie help.

Hatelijke groeten

Mal

Þóra ademde langzaam uit. Dat was wel heel kort en bondig. Ze keek Matthias aan. ‘Is het mogelijk dat hij gewoon vervelend zit te doen?’

Matthias ontmoette haar blik zonder te weten of ze een grapje maakte. Hij schatte in dat dat het geval was. ‘Zeker weten: hij stuurt ongetwijfeld nog een tweede bericht met van die lachebekjes die over het scherm dansen, om te zeggen dat hij van die familie Guntlieb houdt.’ Hij zuchtte. ‘Verdomme nog aan toe, Harald heeft zo te merken zijn vrienden niets goeds over zijn ouders verteld. Ik denk dat we deze vent kunnen vergeten.’

Þóra zuchtte. ‘Zitten we onze tijd hier niet te verdoen? We zouden bijvoorbeeld naar De Koffiebrander kunnen gaan en gaan praten met de ober die die Halldór een alibi bezorgd heeft, als hij aan het werk is. Ik ben het tot op zekere hoogte met je eens dat zijn verklaring nogal zwak is. Als hij niet aan het werk is, dan drinken we gewoon een kop koffie.’

Matthias greep dit aanbod gretig aan en stond op. Þóra haalde vlug haar usb-stick uit de computer, stopte hem in haar handtas en zette de computer uit.

In De Koffiebrander zaten niet veel mensen, dus konden Þóra en Matthias uitkiezen waar ze wilden zitten. Ze kozen een tafel vlak bij de bar op de begane grond. Terwijl Þóra een gevecht leverde om haar donsjack over de rugleuning van haar stoel te hangen, probeerde Matthias de aandacht van de bediening te trekken, die uit een jonge vrouw bleek te bestaan. Ze keek naar hem, glimlachte en maakte duidelijk dat ze snel bij hen zou komen. Matthias draaide zich om naar Þóra. ‘Waarom heb je die jas niet aangetrokken die je vanochtend aan had?’ vroeg hij verbaasd, toen hij zag dat de dik gevoerde jas haar stoel voor het grootste deel bedekte: de armen waren zo dik met dons gevuld dat ze bijna recht opzij stonden.

‘Ik had het koud,’ zei Þóra verbaasd. ‘Ik laat mijn mantel op het kantoor hangen: ik kom ’s morgens in mijn jack binnen en ga er ’s avonds in naar huis. Vind je het niet mooi?’

Matthias trok een gezicht dat boekdelen sprak over wat hij van haar jack vond. ‘Jawel, heel mooi, als je werk eruit bestond op de Zuidpool de dikte van het ijs te meten.’

Þóra sloeg haar ogen ten hemel. ‘Ouwe zeur,’ zei ze en ze glimlachte vervolgens tegen de serveerster, die naast hen verschenen was.

‘Kan ik u helpen?’ vroeg het meisje en ze lachte naar hen. Ze had een klein zwart schortje om haar slanke taille en hield een notitieblokje vast, klaar om de bestelling op te nemen.

‘Ja, graag,’ antwoordde Þóra. ‘Een dubbele espresso, alsjeblieft.’ Ze draaide zich naar Matthias om: ‘Wil je niet gewoon thee in een porseleinen kopje?’

‘Haha, leuk hoor,’ zei hij en hij wendde zich tot de serveerster om hetzelfde te bestellen als Þóra.

‘Oké,’ zei ze glimlachend zonder iets op te schrijven. ‘Verder nog iets?’

‘Nee en ja,’ zei Þóra. ‘We vroegen ons af of Björn Jónsson vandaag ook werkt. We wilden graag een paar woorden met hem wisselen.’

‘Björn?’ vroeg het meisje verbaasd. ‘Ja, hij zou komen.’ Ze keek op de klok aan de muur. ‘Zijn dienst moet nu beginnen. Moet ik hem voor u halen?’ Þóra nam het aanbod dankbaar aan en de jonge vrouw liep weg om zowel Björn als koffie te halen.

Matthias keek Þóra aan en glimlachte suikerzoet. ‘Je jack is geweldig mooi. Ik meen het. Het is alleen zo… dik.’

‘Dat vond je geen bezwaar, toen je met Bella zat te flirten. Die is zo dik dat ze nog maar net in haar kantoor past. Jij zou misschien ook zo’n jack moeten kopen: ze zitten heerlijk.’

‘Kan niet,’ zei Matthias en hij glimlachte terug. ‘Jij zou het jouwe weer dragen en dat zou hopeloos zijn: met geen mogelijkheid passen twee van die jacks voor in de auto.’

Verdere gesprekken over jassen moesten tot een andere keer wachten, omdat de serveerster eraan kwam met de koffie. Er liep een jongeman naast haar. Hij was knap op een enigszins vrouwelijke manier: zijn donkere haar ongewoon goed geknipt en netjes en gladgeschoren. ‘Hallo, jullie wilden mij spreken?’ vroeg hij met een warme stem.

‘Ja, ben jij Björn?’ vroeg Þóra, terwijl ze met haar ene hand haar kop koffie aannam. De jongeman knikte en zij legde uit wie zij en Matthias waren. Ze vond het niet nodig om de jongen in de war te brengen door in het Engels met hem te praten en ging daarom in het IJslands door. Matthias maakte er geen opmerking over en nipte gewoon van zijn koffie. ‘We wilden graag met je praten over de avond waarop de moord gepleegd werd, en over Halldór Kristinsson.’

Björn knikte ernstig. ‘Ja natuurlijk, geen probleem. Moet ik trouwens niet onder vier ogen met jullie praten? Dit is toch niet tegen de regels, of wel?’ Þóra verzekerde hem ervan dat dat niet het geval was en hij ging verder. ‘Zoals gezegd was ik hier aan het werk; met anderen, trouwens.’ Hij keek om zich heen naar het halflege café. ‘Zoals het nu is, is het hier in de weekeinden niet: dan is het bomvol.’

‘Maar herinner je je hem in het bijzonder?’ vroeg Þóra, waarbij ze erop lette dat het niet klonk alsof ze zijn woorden in twijfel trok.

‘Halldór? Ja, natuurlijk,’ zei Björn plechtig. ‘Ik was hem gaan herkennen: hij en die vriend van hem – die buitenlander die vermoord is – kwamen hier vaak en je moest ze wel opmerken. Hij was een beetje zonderling, die buitenlander. Noemde me nooit iets anders dan Bär, wat waarschijnlijk in het Duits hetzelfde betekent als Björn in het IJslands. Halldór kwam soms ook in zijn eentje en dan kletste hij met me aan de bar.’

‘Praatte hij die avond ook met je?’ vroeg Þóra.

‘Nee, dat dus niet. Er was zo krankzinnig veel te doen dat ik als een idioot met alles bezig was. Ik zei wel ‘Hoi’ tegen hem en we wisselden een paar woorden. Hij was trouwens nogal bezopen, zodat ik niet lang bij hem bleef staan.’

‘Hoe komt het dat je precies weet hoe laat hij kwam?’ vroeg Þóra. ‘Gezien wat je ons nu vertelt had je toch nauwelijks tijd om juist zo’n detail op te merken of daar een reden toe te hebben.’

‘O, dát,’ zei Björn. ‘Hij liet alles opschrijven, toen hij kwam, zodat hij niet steeds wanneer hij een nieuw glas bestelde, hoefde te betalen. Wij schrijven hier altijd op wanneer een klant zo’n rekening laat openen en wanneer hij ophoudt en betaalt.’ Björn glimlachte samenzweerderig naar Þóra. ‘Het was verstandig van hem om die avond alles op te laten schrijven, omdat hij niet zomaar een beetje dronk. Anders was zijn creditcard oververhit geraakt van alle keren dat ze hem door het leesapparaat haalden.’

‘Ik begrijp het,’ zei Þóra. ‘Maar je weet zeker dat hij hier de hele tijd heeft zitten drinken, totdat zijn vrienden tegen tweeën kwamen? Hij kon er niet vandoor gaan zonder dat jij het zou merken?’

Björn dacht na, voordat hij antwoordde. ‘Kijk, ik kan natuurlijk geen antwoord geven op de vraag of hij hier de hele tijd geweest is. Ik wist het zeker en heb dat tegen de politie volgehouden, maar bij nader inzien zou ik dat best op de rekeningen van de bar in die tijd hebben kunnen baseren, die natuurlijk niet allemaal door mij afgehandeld zijn. Misschien heeft hij bij een ander afgerekend; ik weet het niet.’ Hij gebaarde druk met zijn handen. ‘Dit is geen groot café en ik meende het serieus toen ik zei dat ik het wel gemerkt zou hebben, als hij weggegaan was. Of dat denk ik in elk geval.’

Þóra wist eigenlijk niet wat ze de jongen verder nog over die avond kon vragen. Hij scheen van de hak op de tak te springen en naar haar mening was Halldórs alibi aanzienlijk in waarde gedaald. Ze bedankte Björn en gaf hem haar visitekaartje voor het geval hem nog iets te binnen mocht schieten, hoewel haar dat niet waarschijnlijk leek. Ze draaide zich om naar Matthias en naar haar koffie, die behoorlijk afgekoeld was, en vertelde Matthias tussen de slokken koffie door wat de ober gezegd had. Ze dronken hun koffie op en Þóra zag dat ze naar huis moest. Ze betaalden en haastten zich naar buiten.

Het was bijna vijf uur en het verkeer was nog rustig. Er waren weinig mensen op de weg, omdat het koud en vochtig was. De paar mensen die over straat gingen, liepen snel en gunden zich niet veel tijd om om zich heen of in de etalages te kijken. Þóra besloot om niet op kantoor langs te gaan, maar om zich door Matthias direct naar de parkeergarage te laten brengen en vandaar naar huis te gaan. Ze belde met Bella om haar te laten weten dat ze haar niet vóór de volgende ochtend hoefden te verwachten en om te vragen of er tijdens haar afwezigheid nog iets belangrijks gebeurd was.

Zoals altijd werd de telefoon met ‘Hallo’ opgenomen: geen woord over wat voor werk daar gedaan werd of wie er opgenomen had.

‘Hallo Bella,’ zei Þóra, terwijl ze probeerde vriendelijk te klinken, ‘met Þóra. Ik kom vandaag niet meer langs, maar ik ga morgenochtend tegen achten van huis.’

‘Huh,’ was het onduidelijke antwoord.

‘Zijn er nog berichten voor me?’

‘Hoe moet ik dat weten?’ antwoordde Bella.

‘Hoe jij dat moet weten? Ja, en ik ben zeker zo helderziend dat ik de ingeving kreeg dat jij als secretaresse en telefoniste misschien per ongeluk boodschappen aangenomen zou hebben. Dat is natuurlijk volkomen belachelijk van me.’

Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn en Þóra dacht werkelijk dat ze Bella zachtjes hoorde aftellen. ‘Het is vijf uur: ik hoef niet meer met je te praten, want mijn werk zit erop voor vandaag.’ Bella hing op.

Þóra staarde naar haar gsm en zei meer tegen zichzelf dan tegen Matthias: ‘Zou Bella dezelfde persoon als die Mal kunnen zijn?’

‘Hè?’ Matthias was bij de parkeergarage aangekomen en hij parkeerde zijn auto ernaast.

‘Ach, niets,’ zei Þóra en ze maakte haar veiligheidsgordel los. ‘Wat doe jij vanavond eigenlijk?’

‘Van alles een beetje,’ antwoordde Matthias. ‘Uit eten gaan, een tijdje in het centrum aan een bar rondhangen; een enkele keer ga ik op een toeristisch uitje, naar een museum of zo.’

Þóra had met hem te doen: dat moest wel heel eenzaam zijn. ‘Morgen is het vrijdag en mijn kinderen zijn dan naar hun vader. Het lijkt mij wel leuk als je in het weekeinde wilt komen eten; wat vind je daarvan?’

Matthias glimlachte. ‘Prima, als je belooft dat je me niet vraagt vis te eten. Als ik nog één keer vis eet, groeien er volgens mij vinnen aan me.’

‘Nee, ik zat aan iets huiselijkers te denken, zoals het bestellen van een pizza,’ zei Þóra, voordat ze uit de auto stapte. Ze hoopte dat Matthias meteen weg zou rijden, voordat ze bij de leenauto van de garage aangekomen was. Als hij haar jack verschrikkelijk vond, zou hij een hartaanval krijgen als hij het voertuig waarmee ze gekomen was zou zien. Haar wens werd niet verhoord: Matthias wachtte om haar te zien instappen en toen ze de deur van de leenauto opendeed, hoorde ze naar zich roepen. Ze keek om en zag hem uit het raampje leunen.

‘Je maakt natuurlijk een grapje,’ riep hij hard. ‘Is dat jouw auto?’

Þóra liet zich door zijn gelach niet op de kast jagen, maar riep terug: ‘Wil je ruilen?’

Matthias schudde zijn hoofd en deed het raampje weer dicht. Daarna reed hij lachend weg, voor zover Þóra kon zien.

De avond ervoor had Þóra geregeld dat haar dochter uit school met haar vriendinnetje mee naar huis zou gaan. Þóra reed daar langs om Sóley op te halen. Ze bedankte de moeder van het vriendinnetje, een jonge, statige vrouw, voor haar hulp en kreeg als antwoord dat het een kleine moeite was: het was eigenlijk makkelijker om er twee bij elkaar te hebben, omdat ze elkaar vermaakten. Þóra bedankte de vrouw nogmaals en benadrukte dat ze zo’n aanbod nog niet eerder aangenomen had; ze voegde er tot slot aan toe dat ze hopelijk ooit een keer hetzelfde terug kon doen. Ooit een keer, als de zon in het westen opkwam.

In de hal thuis was het een drukte van belang: Gylfi’s vrienden waren op bezoek geweest en waren op weg naar buiten. Een menigte jassen lag her en der verspreid, evenals gympies en vermoeid uitziende rugzakken die als schooltassen dienstdeden. De eigenaren – drie slome jongens die Þóra goed kende, en een meisje dat ze niet meteen herkende – waren druk bezig hun spullen op te rapen en bij elkaar passende schoenen uit te zoeken.

‘Hoi,’ zei Þóra vriendelijk, terwijl ze haar best deed om door de meute heen te komen. Haar zoon stond in de deuropening naar de woonkamer en volgde het gebeuren. Hij zag er nog net zo depressief uit als die ochtend. ‘Zaten jullie te leren?’ vroeg Þóra in de wetenschap dat zoiets ondenkbaar was: op deze leeftijd kwamen kinderen niet bij elkaar om te leren en degene die zoiets zou voorstellen, zou meteen uit de groep verstoten worden. Maar het was haar plicht als ouder om met vreselijke opmerkingen van dit kaliber te komen aanzetten.

‘Eeeeh, nee,’ antwoordde Patti, sinds vele jaren Gylfi’s beste vriend. Hij was een prima jongen en zijn belangrijkste kenmerk was dat hij op elk moment kon zeggen hoeveel maanden, dagen en uren het nog zou duren tot zijn rijexamen. Þóra had een paar keer de getallen gecontroleerd en meestal zat hij er maar een beetje naast.

Þóra glimlachte naar het meisje, dat verlegen naar beneden keek. Ze kon zich met geen mogelijkheid herinneren hoe ze heette, maar ze had haar de laatste tijd steeds vaker bij hen thuis gezien. Misschien verklaarde dat Gylfi’s gedrag van de afgelopen tijd; misschien was haar zoon wel verliefd op dit meisje of waren ze al een stel geworden? Het was een heel knap meisje, maar ze was een stuk kleiner vergeleken bij Gylfi en zijn vrienden.

Sóley, die Þóra naar binnen gevolgd was, had haar schoenen en haar jas uitgetrokken en had alles netjes weggezet en opgehangen. Ze keek naar de tieners, zette haar handen op haar heupen en vroeg toen als een huishoudster: ‘Waren jullie op het bed aan het springen? Dat mag niet: dan kan het matras kapotgaan.’

Haar broer kleurde rood van schaamte en schreeuwde: ‘Waarom moet ik zo’n gestoorde familie hebben? Jullie zijn allebei niet te verdragen!’ Hij stormde weg en sloeg even later met de deur. Zijn vrienden stonden er vreselijk beteuterd bij en het gedoe om weg te komen werd twee keer zo druk.

‘Later!’ riep Patti, voordat hij de buitendeur achter de meute dichtdeed. Voordat hij de deur dichtsloeg, bedacht hij zich en duwde zijn hoofd weer om de hoek om te zeggen: ‘Jullie zijn niet zo gestoord als mijn familie: Gylfi is de laatste dagen gewoon chagrijnig.’

Þóra glimlachte naar hem en bedankte hem vriendelijk. Hij deed tenminste moeite om beleefd te zijn, hoewel hij zijn laatste woorden misschien beter had kunnen kiezen. ‘O ja,’ zei ze tegen haar dochter, ‘moeten we niet gaan koken?’ De kleine knikte ernstig en sleepte de enige boodschappentas naar de keuken.

Nadat ze samen het avondeten hadden gegeten – opgewarmde lasagne die Þóra in de winkel doelbewust uitgekozen had, en Indiaas nan-brood dat ze per ongeluk voor knoflookbrood had aangezien – ging haar dochter spelen, terwijl haar zoon na het eten opruimde. Hij had zo te zien spijt van zijn geschreeuw over de geestelijke gesteldheid van zijn moeder en zusje, maar kon het niet opbrengen om zich daarvoor te verontschuldigen. Þóra deed alsof er niets aan de hand was en hoopte dat ze het bij het juiste eind had: dat hij haar uiteindelijk zelf zou toevertrouwen wat hem dwarszat. Ze meende dat ze hem duidelijk gemaakt had dat ze er voor hem was om mee te praten, wanneer en als hij dat zou willen. Ze kuste hem voorzichtig op zijn wang, bedankte hem voor zijn hulp en kreeg als dank een vreemde glimlach. Daarna ging hij naar zijn kamer.

Þóra besloot om van de rust die opeens ontstaan was gebruik te maken om de gegevens te bekijken die ze gekopieerd had van Haralds computer. Ze pakte haar gsm en maakte het zichzelf gemakkelijk op de bank in de woonkamer. Þóra bekeek een paar foto’s van het kookgebeuren en van de tongoperatie. De foto’s van de operatie waren van 17 september. Ze opende ze één voor één en vergrootte de delen ervan waarop misschien iets interessants opdook. De foto’s bleken niet eens echt onaangenaam. Het hoofdthema van alle foto’s was de mondholte en de operatie zelf, maar je kon vaag het een en ander buiten Haralds kaak zien. De operatie had duidelijk bij iemand thuis plaatsgevonden, dat stond vast; wat te zien was van de omgeving zelf, was niet zo dat er van een huis- of tandartsenpraktijk sprake kon zijn. Er was een bijzettafel te zien waarvan elke vierkante centimeter met halfvolle of lege glazen, blikjes bier en andere rotzooi, en ook met een grote, overvolle asbak bedekt was. Ook was duidelijk dat dit niet bij Harald thuis was: deze woning zag er veel chaotischer en smakelozer uit dan zijn spierwitte, moderne appartement. Op een andere foto was het lichaam te zien van degene die de operatie uitvoerde of daarbij assisteerde. Hij of zij droeg een lichtbruin T-shirt met opdruk, die Þóra vanwege de kreukels in het shirt niet kon lezen. Ze kon wel het getal ‘100’ en ‘…lico…’ onderscheiden. Men was nog niet begonnen te snijden, toen de eerste twee foto’s genomen werden, maar de derde was genomen, nadat het mes klaar was: er vloeide bloed uit Haralds mondhoek en de arm die te zien was, zat onder de bloedspatten. Er was ongetwijfeld over alles bloed gespuugd, toen er in de tong gesneden werd; als een wond aan een tong op doorsnee hoofdwonden leek, moest het als een rund gebloed hebben. Þóra tuurde naar de arm en vergrootte de plek waar volgens haar een tatoeage te zien was. Dat bleek te kloppen: op de arm viel het woord crap te onderscheiden. Geen versiering of decoratie, alleen crap. Verder was er op de foto’s van de tong niets te zien.

De foto’s van het kookgebeuren hadden Þóra’s aandacht getrokken, omdat ze volgens de datum genomen waren vlak voordat Harald vermoord werd: in de periode waarvan Hugi gezegd had dat hij alleen was geweest en geen contact met de vrienden had gehad. De informatie over de documenten bevestigde dat: de foto’s waren op woensdag genomen: drie dagen voordat Harald vermoord werd. Þóra bekeek deze twee foto’s goed, vooral de handen die druk bezig waren om een salade te maken en brood te snijden. Een halfblinde had nog kunnen begrijpen dat het om twee verschillende mensen ging. De handen van de één waren bedekt met littekens: littekens van tatoeages die onder andere een ster met vijf punten en een lachebekje met een diepe grijns en horentjes vormden. Dat moest Harald zijn. De handen van de ander waren veel mooier: vrouwenhanden met ranke vingers en netjes geknipte, korte nagels. Þóra vergrootte de ene foto waarop aan een wijsvinger een ring te zien was, met daarin iets wat op een diamant of een andere witte edelsteen leek. De ring zag er te gewoon uit om op te vallen, maar misschien was het mogelijk om Hugi de foto te laten zien en na te gaan of hij hem ergens van herkende.

Er roerde zich iets in Þóra’s geest: iets wat haar dwarsgezeten had, toen ze Haralds woning de eerste keer bezocht had. Het Duitse blad Bunte op de wc. Het was natuurlijk duidelijk dat Harald niet zo’n vrouwenblad zou lezen. Ook was het zonneklaar dat IJslanders dat niet zouden lezen. Het moest wel met een of andere Duitse meegekomen zijn: eentje van het vrouwelijk geslacht. Op de voorkant van het blad hadden Tom Cruise en zijn vrouw geglimlacht naar aanleiding van hun verwachte gezinsuitbreiding. Als haar geheugen haar niet in de steek liet, was er in de herfst sprake geweest van een kind. Was het mogelijk dat Harald bezoek uit Duitsland had gehad, van iemand die bij hem was, waardoor hij geen tijd had gehad om zijn vrienden te ontmoeten? Þóra belde met Matthias, die bij de derde keer overgaan opnam.

‘Waar ben je; komt het slecht uit?’ vroeg ze, terwijl ze op de achtergrond gepraat hoorde.

‘Welnee,’ antwoordde Matthias, duidelijk met volle mond. Hij slikte door. ‘Ik ben uit eten: ik had zin in vlees. Wat is er aan de hand; wil je hierheen komen en een toetje met me eten?’

‘Hè? Nee, dank je wel,’ Þóra merkte dat ze dat heel graag wilde. Het was leuk om uit eten te gaan, je ervoor te verkleden en te drinken uit glazen die een ander moest afwassen. ‘Het is morgen een schooldag en ik moet ervoor zorgen dat de kinderen op een redelijke tijd in bed liggen. Nee, ik belde alleen om te weten of jij toevallig het nummer had van de vrouw die bij Harald schoonmaakte: ik heb het vermoeden dat er vlak voor de moord iemand bij hem geweest is of zelfs heeft overnacht. Voor zover ik kan zien wijst alles erop dat dat een Duitse – een vrouw – geweest is.’

‘Ja, ik heb dat nummer ergens in mijn gsm opgeslagen. Wil je dat ik bel? Ik heb eerder met haar gepraat en ze spreekt uitstekend Engels. Dat is misschien het eenvoudigst: ze kent jou niet, maar herinnert zich mij ongetwijfeld, omdat ik haar laatste rekening betaald heb.’

Þóra nam het aanbod aan en hij beloofde dat hij terug zou bellen. Zij maakte van de tijd gebruik om haar dochter te vertellen dat ze naar bed moest en ze zou net Sóley helpen met tanden poetsen, toen Matthias terugbelde. Þóra legde de telefoon op haar schouder en hield hem met haar wang op zijn plek om zowel te kunnen praten als het gebit van haar nageslacht te kunnen verzorgen.

‘Luister, ze zegt dat het bed in de logeerkamer beslapen was. Er lagen ook dingen in de badkamer: een wegwerpscheermesje; zo’n scheermesje voor vrouwen, wat erop wijst dat je gelijk hebt.’

‘Heeft ze dat de politie laten weten?’ vroeg Þóra.

‘Nee, ze dacht dat het niet belangrijk was, omdat Harald niet thuis vermoord is. Daarnaast zei ze dat er vaker logés geweest waren: meer dan één en meer dan twee. Daarop volgde trouwens over het algemeen meer gefeest, maar dat scheen bij dit soort logés te horen.’

‘Is het mogelijk dat hij een Duitse vriendin had?’

‘Die op bezoek kwam en dan in de logeerkamer sliep? Dat lijkt me twijfelachtig. Ik heb nooit over een Duitse vriendin horen praten.’

‘Ze kunnen natuurlijk ruzie gehad hebben.’ Þóra dacht na. ‘Of misschien was het zo dat het helemaal geen partner, maar een gewone vriendin of een familielid was. Zijn zus misschien?’

Matthias was even stil. ‘Als dat het geval is, denk ik dat we dit even moeten laten rusten.’

‘Ben je nou helemaal?’ riep Þóra uit. ‘Waarom in vredesnaam?’

‘Ze heeft het de laatste tijd zwaar gehad: haar broer vermoord en daarnaast zit ze in een kleine crisis wat betreft haar eigen toekomst.’

‘Hoezo?’ vroeg Þóra.

‘Ze is een heel getalenteerd celliste en wilde zich daarin verder laten opleiden. Haar vader wil dat ze bedrijfskunde studeert en de bank overneemt. Er is niemand anders over: zelfs al was Harald nog in leven geweest, dan was hij er niet voor in aanmerking gekomen. In elk geval was de vraag over haar studie al gerezen, voordat hij vermoord werd.’

‘Gaat ze met een juwelier?’ vroeg Þóra. De handen op de foto’s hadden zeker van een celliste kunnen zijn: met bijzonder kort geknipte nagels.

‘Nee, helemaal niet. Zo is ze niet,’ antwoordde Matthias. ‘Ze houdt helemaal niet van duurdoenerij.’

‘Heeft ze niet een mooie ring?’

Een korte stilte en toen: ‘Ja, mijn kop eraf, als dat niet zo is. Hoe weet je dat?’

Þóra vertelde hem van de foto’s en ze sloten het gesprek af met de belofte van Matthias dat hij erover na zou denken om met het meisje contact op te nemen.

‘Wen ik ou og ie klaaw?’ zei haar dochter met een mond vol tandpastaschuim: ze had het tanden poetsen moeten verdragen, zolang het gesprek duurde. Vandaag zou ze in elk geval geen cariës krijgen. Þóra bracht haar naar bed en las haar voor, totdat ze begon te doezelen. Ze kuste het halfslapende kind op haar voorhoofd, deed het licht uit en zette de deur op een kier. Daarna liep ze terug naar haar computer.

Toen ze twee uur gewerkt had aan het doornemen van Haralds andere bestanden en zonder ook maar iets te vinden wat van nut zou kunnen zijn, gaf ze het op en zette de computer uit. Ze besloot om ergens neer te ploffen en het exemplaar van Malleus Maleficarum te lezen, waarvan Matthias haar gezegd had dat ze het mee moest nemen om het te bekijken. Dat moest toch interessant zijn.

Ze opende het boek en er viel een opgevouwen papier uit.

* * *

‘Hou je mond!’ siste Marta Mist. ‘Dit kan niet, tenzij we ons er goed op concentreren.’

‘Hou zelf je mond!’ pareerde Andri. ‘Ik praat, wanneer ik daar zin in heb.’

Bríet kreeg de indruk dat Marta Mist zat te tandenknarsen, maar kon het niet zeker weten, omdat het daarbinnen donker was: het enige licht kwam van de kaarsen die ze her en der in de ruimte neergezet hadden. Ze zuchtte. ‘Ach, hou op met dat geruzie en laten we hiermee aan de slag gaan.’ Ze ging verzitten op de vloer, waar ze in een klein kringetje met gekruiste benen zaten.

‘Ja, alsjeblieft,’ mompelde Halldór, terwijl hij zijn ogen uitwreef. ‘Ik was van plan om vroeg naar bed te gaan en heb geen zin om eindeloos bij deze onzin te blijven hangen.’

‘Onzin?’ zei Marta Mist, bij wie de kwaadheid zo te zien nog niet gezakt was. ‘Ik dacht dat we het er allemaal over eens waren om dit te doen. Heb ik jullie soms verkeerd begrepen?’

Halldór steunde: ‘Nee, nou niet de aandacht afleiden van wat ik zei! Laten we dit gewoon afronden.’

‘Dit is heel anders dan bij Harald thuis,’ kwam van de kant van Brjánn, die daarvoor weinig van zich had laten horen. ‘Het is niet alleen deze woning.’ Hij keek om zich heen. ‘Harald is er niet bij. Ik weet niet zeker of dit zonder hem wel werkt.’

Andri liet zich niet door de opmerking over zijn woning van zijn stuk brengen. ‘We kunnen er op dit moment weinig aan doen dat Harald er niet bij kan zijn.’ Hij reikte naar de asbak. ‘Hoe heette dat mens ook alweer?’

‘Þóra Guðmundsdóttir,’ antwoordde Bríet. ‘Een advocate.’

‘Oké,’ zei Andri, ‘laten we maar beginnen. Eens?’ Hij keek in het rond naar de anderen, die hetzij knikten, hetzij hun schouders ophaalden om duidelijk te maken dat ze ermee instemden. ‘Wie wil beginnen?’

Bríet keek naar Marta Mist. ‘Begin jij maar,’ zei ze en ze probeerde de kwade bui van haar vriendin weg te nemen. ‘Jij bent hier verreweg het beste in en het is belangrijk dat het goed gebeurt.’

Marta Mist reageerde niet op deze opmerking over haar talent. Ze keek van de een naar de ander. ‘Jullie weten dat deze vrouw ons vreselijk in de problemen kan brengen, als ze in deze zaak gaat rondneuzen. Het was dikke mazzel dat de politie in de zaak op een dood spoor beland is.’

‘Dat is ons allemaal volkomen duidelijk,’ zei Brjánn namens allen. ‘Voor de volle honderd procent.’

‘Goed,’ zei Marta Mist. Ze legde haar handen op haar benen. ‘Volkomen stilte, alsjeblieft.’ Niemand zei iets. Ze pakte een dik vel papier dat in het midden van de kring lag, en een kleine schaal met een rode vloeistof. Ze legde het papier voor zich op de vloer en zette de schaal naast zich neer. Vervolgens gaf Bríet haar met een ernstige gezichtsuitdrukking een Chinees eetstokje. Marta Mist stak het stokje in de dikke vloeistof en tekende met langzame bewegingen twee tekens op het blad. Ze deed haar ogen dicht en sprak toen zacht een toverspreuk: ‘Als je wilt dat je vijand bang voor je is…’

9 december 2005

20

Het lezen was tot diep in de nacht doorgegaan en Þóra werd dus na slecht geslapen te hebben met een zwaar hoofd wakker. Het had haar veel tijd gekost om het papier te bekijken dat uit het boek gevallen was: het bleek een met de hand geschreven samenraapsel van woorden en jaartallen te bevatten. Þóra nam aan dat het gekrabbel op het papier van Harald was: het boek was in elk geval wel van hem, aangezien het schutblad met zijn naam gesigneerd was. Afgezien daarvan waren delen van de tekst in het Duits. Hij had niet bijzonder netjes geschreven en Þóra wist daarom helemaal niet zeker of ze alle woorden goed las. Volgens haar beste benadering stond er: ‘1485 Malleus’; Harald had het jaartal een paar keer overgetrokken en het ook twee keer in zijn geheel onderstreept. Daaronder stond ‘J.A. 1550þ’ en dat was doorgestreept. Daarna stonden er, naar het scheen, twee verbonden L’s en daarachter Loricatus Lupus. Eronder was iets in het Duits geschreven wat Þóra vertaalde als ‘Waar? Waar? Het oude kruis?’ De helft van het blad was een soort stroomschema, waar de punten bij jaartallen en plaatsnamen met pijltjes aan elkaar verbonden waren. Aan de rangschikking van de punten zag Þóra dat het een grove landkaart moest voorstellen. Bij één punt stond ‘Innsbruck – 1485’, daarboven ‘Kiel – 1486’ en weer daarboven ‘Hróarskelda’. Die plaats was van twee jaartallen voorzien: ‘1486 – dood’ en ‘1505 – onderbreking’. Twee punten waren boven de andere drie toegevoegd: bij de hoogste stond ‘Hólar – 1535’, maar dat was doorgestreept, evenals de verbinding van dat punt met de punt waar ‘Skálholt’ bij stond. Achter de plaatsnaam waren twee jaartallen te vinden: 1505 en 1675. Van het laatste jaartal liepen veel pijltjes, die allemaal in vraagtekens eindigden. Daarnaast stond alleen wederom ‘het oude kruisþ’ Met een andere pen was er het woord Gastbuch aan toegevoegd en meteen daarachter was óf een klein kruis óf de letter t getekend. Gastenboek? Gastenboek van het kruis? Eronder stond: ‘Schoorsteen -vuurhaard!! Het derde teken!!’, als haar Duits haar niet in de steek liet. Þóra gaf het uiteindelijk op om te proberen het te raden en richtte zich op het lezen van het boek zelf.

Malleus Maleficarum was allesbehalve ontspannende lectuur gebleken, maar de afschuwelijke inhoud zorgde ervoor dat het boek haar aandacht vasthield. Ze had het niet van kaft tot kaft gelezen: het eerste en tweede deel waren vaak te gestoord dat Þóra het in zijn geheel in zich kon opnemen. Het boek was opgezet in de vorm van vragen of beweringen over toverij. Die stonden aan het begin van elk hoofdstuk of van elke alinea en ze werden vervolgens beantwoord of uiteengezet in de vorm van vreemde, godsdienstige argumenten die nergens op sloegen.

De verhalen en uiteenzettingen over de daden en kunsten van heksen waren ongelofelijk. Hun toverkrachten schenen geen limiet te kennen: ze konden onder andere naar believen onweer oproepen, vliegen, mensen in koeien en andere dieren veranderen en impotentie veroorzaken, waarbij de penis losraakte van het lichaam. Er werd aanzienlijk veel moeite gedaan om te beargumenteren of het gebrek aan een penis een inbeelding was of een echt verlies. Het werd Þóra bij het lezen niet duidelijk wat de conclusie van de auteurs was. Om de betreffende toverkrachten te verwerven moesten heksen diverse proeven afleggen, bijvoorbeeld kinderen koken en/of opeten of seks hebben met de duivel zelf. Þóra was geen groot psycholoog, maar uit het boek kon ze opmaken dat de auteurs zwaar gefrustreerd waren door de kuisheid waaronder ze als monniken gebukt gingen: zo groot was de bitterheid in de beschrijvingen van vrouwen. De antipathie droop van de ene na de andere beschrijving af, zodat Þóra er genoeg van kreeg. De argumenten voor hoe gevaarlijk en duivels vrouwen waren, waren volkomen van de zotte: zo viel dat af te leiden aan het feit dat Adams rib, die gebruikt was om de eerste vrouw te maken, verder naar binnen gedraaid was. Het lag voor de hand dat zoiets grote gevolgen moest hebben. Volgens dit boek zouden vrouwen volmaakt zijn, als God maar een dijbeen gebruikt zou hebben. Het werd allemaal aangewend om de lezer ervan te overtuigen dat vrouwen makkelijker aan de duivel ten prooi vielen en dat de meeste heksen daarom vrouwen waren. Arme mensen kregen ook een deel: zij waren eerder geneigd te liegen en onbetrouwbaarder te zijn dan rijke mensen. Þóra maakte zich liever geen voorstelling hoe het was om in die tijd een arme vrouw te zijn.

Wat Þóra’s aandacht nog het meest trok, was het derde en laatste deel van het boek. Daarin werden de juridische kanten van het onderzoek naar en de procesvoering tegen heksen belicht. Als advocate kon ze niet tegen de walgelijkheden die er onder andere in scholen om de beschuldigden ervan te overtuigen dat door te bekennen hun leven gespaard zou worden. Vervolgens werden drie verschillende manieren voorgesteld waarop je die belofte kon breken zonder dat men zou denken dat je dat gedaan had. Het verrichten van arrestaties werd toegelicht en daarbij werd er de nadruk op gelegd dat je erop moest toezien dat de voeten van heksen op weg naar de gevangenis de grond niet mochten raken: ze moesten er op draagbaren heen gebracht worden. Als dat wel gebeurde, zouden ze mogelijk van de duivel een kracht krijgen die hen in staat stelde om het ten laste gelegde tot op het laatst te ontkennen. Ze moesten bij aankomst in de gevangenis gefouilleerd worden, omdat heksen vaak voorwerpen gemaakt van de ledematen van kindertjes bij zich droegen die hun kracht gaven. Ook werd voorgesteld om ze kaal te scheren, omdat ze zulke botten in hun haar verborgen konden hebben, en voorts werd er bediscussieerd of dat scheren ook voor schaamhaar moest gelden. Daarna werden er manieren aangeprezen om de verdediging te bemoeilijken; er werd bijvoorbeeld voorgesteld om getuigenverklaringen op twee bladen aan de verdediging te geven: op een daarvan moesten de verklaringen staan en op het andere de namen van de getuigen, zodat het onmogelijk zou zijn om te weten te komen wie wat beweerd had. Dit was natuurlijk alleen van toepassing in die gevallen waarin een verklaring aan een beschuldigde bekendgemaakt werd: dat was niet altijd toegestaan en er werd langdurig besproken wanneer het van toepassing was en wanneer niet. Iedereen mocht getuigen, in tegenstelling tot wat er in andere zaken gangbaar was, omdat men mensen met een slechte reputatie als niet betrouwbaar beschouwde.

Er werd toegelicht hoe men martelingen moest regelen, hoeveel tijd ertussen moest zitten en hoe er regelmatig nagegaan moest worden of degene die gemarteld werd op de pijnbank in aanwezigheid van de rechter kon huilen: dat kon waarschijnlijk op onschuldigheid duiden. Daar werd trouwens bij opgemerkt dat vrouwen vaak speeksel gebruikten om te doen alsof ze huilden. Waarschijnlijk hadden de arme stakkers die voortdurend gemarteld waren, weinig tranen meer over, wanneer de rechter en zijn gevolg erbij kwamen en bevalen te huilen; Þóra’s hart zei haar dat hier nauwelijks sprake van een geweten geweest kon zijn: niet kunnen huilen in aanwezigheid van een rechter – in de boeien, op een pijnbank enzovoorts – was niets bijzonders. Dit was er allemaal op gericht om bekentenissen te krijgen en zulke gedwongen bekentenissen waren in de eerste twee delen van het boek te vinden, gebruikt om het duivelse karakter van heksen aan te tonen. Iedereen met een beetje gezond verstand moest het na het lezen hiervan duidelijk zijn dat die bekentenissen volkomen onzin waren, omdat ze door marteling verkregen waren en zonder enige twijfel opgerateld werden om de beulen tevreden te stellen en het eigen lijden te laten ophouden.

Þóra dwong zich om rechtop te gaan zitten in bed. Ze keek vanuit haar ooghoeken naar het nachtkastje, naar dat duivelse boek. Ze probeerde zichzelf op te vrolijken door zich te concentreren op dat ene bepaalde dat ze uit het boek gehaald had: dat de mensheid er duidelijk op vooruitgegaan was sinds pakweg 1500. Þóra stond vlug op en haastte zich onder de douche. Onderweg daarnaartoe klopte ze op de slaapkamerdeur van haar zoon om hem te wekken. Het ontbijt was zoals altijd een hectisch moment, waarbij haar dochter de enige was die zich de tijd gunde om voor het eten te gaan zitten. Op weg naar de auto herinnerde Þóra hen eraan dat ze die avond naar hun vader moesten. Ze waren nooit enthousiast om naar hem toe te gaan, maar na afloop hadden ze het altijd prachtig gevonden. Als ze onder het paardrijden uit hadden kunnen komen.

Toen ze haar kinderen afgeleverd had, haastte Þóra zich naar kantoor. Ze had het met de hand geschreven papier uit het boek bij zich om aan Matthias te laten zien. Er was nog niemand, omdat het ruim een halfuur voor de openingstijd van het kantoor – om negen uur – was. Genoeg tijd om koffie te zetten en de post door te nemen: om op de hoogte te blijven van wat er buiten deze vreemde zaak gebeurde die momenteel al haar tijd opslokte.

* * *

Bríet was gekomen voor een college dat om kwart over acht moest beginnen, maar Gunnar, het vakgroepshoofd, had haar op weg naar de collegezaal staande gehouden. Nadat hij een paar woorden met haar gewisseld had, was elk argument om naar college te gaan komen te vervallen: in plaats daarvan rende ze naar het trappenhuis om te gaan roken. Ze moest tot rust komen, afgezien van het feit dat ze de anderen moest opbellen om hun het nieuws door te geven. Ze nam een lange, diepe haal van een groene mentolsigaret, het soort dat Marta Mist zo afschuwelijk slap vond dat Bríet volgens haar de vraag of ze rookte naar eer en geweten met ‘Nee’ kon beantwoorden. Marta Mist rookte Marlboro en terwijl Bríet haar telefoonnummer intoetste, hoopte ze dat haar vriendin genoeg van sigaretten had gekregen: er geen behoefte meer aan had.

‘Hallo,’ zei Bríet vlug, toen er aan de andere kant opgenomen werd. ‘Met Bríet.’

‘Dat is vlug.’ Marta Mists stem was hees: Bríet had haar kennelijk wakker gemaakt.

‘Je moet naar de universiteit komen: Gunnar is helemaal over de rooie en zegt dat hij van plan is ervoor te zorgen dat wij allemaal van de universiteit gegooid worden, als we niet doen wat hij zegt.’

‘Wat is dat voor onzin?’ Marta Mists stem gaf aan dat ze nu klaarwakker was.

‘We moeten de anderen bellen en hun zeggen dat ze hierheen moeten komen. Mijn vader zou meteen van de situatie gebruik maken door me geen ouderlijke bijdrage meer te geven.’

‘Doe nou eens even rustig,’ onderbrak Marta Mist haar. ‘Hoe wil Gunnar ons van de universiteit laten verwijderen? Ik weet niet hoe het bij jou zit, maar mijn cijfers zijn allemaal prima.’

‘Hij zegt dat hij een klacht bij de faculteit wil indienen over drugsgebruik: hij zegt dat hij van alles achter de hand heeft. Zo zou hij mij en Brjánn eruit kunnen laten gooien en daarna zou hij ervoor zorgen dat hetzelfde met jou en Andri en Halldór zou gebeuren. We moeten doen wat hij zegt. Ik wil in elk geval geen risico nemen.’ Bríet raakte geagiteerd. Wat was er mis met Marta Mist: kon ze nou nooit gewoon doen wat haar gezegd werd?

‘Wat wil hij dat we doen?’ Bríets opgewondenheid sloeg over op Marta Mist.

‘Hij wil dat we met een paar advocaten praten die voor Haralds ouders werken. Ze willen ons ontmoeten en Gunnar staat erop dat we braaf meewerken. Hij zei trouwens dat hij niet zo gek was dat hij dacht dat we in alle gevallen de waarheid zouden vertellen, maar dat hem dat niet zoveel kon schelen, als we maar met die lui zouden praten.’ Ze nam een haal en blies de rook vlug uit. Ze hoorde dat er iemand bij Marta Mist was, die vroeg wat er aan de hand was.

‘Oké, oké,’ zei Marta Mist. ‘En de anderen: heb je die al gebeld?’

‘Nee, je moet me helpen. Ik wil dit nu afronden: laten we met zijn allen om tien uur afspreken en dit zo snel mogelijk afhandelen. Ik moet nog naar college vandaag.’

‘Ik zal met Halldór praten. Jij belt Andri en Brjánn. Laten we bij de universiteitsboekhandel afspreken.’ Marta Mist hing zonder afscheid te nemen op.

Bríet keek chagrijnig naar haar telefoon: natuurlijk was het Halldór geweest die naast Marta zat. Die was dus niet van plan om iemand te gaan bellen: ze wilde zoals gewoonlijk Bríet met alle ongemak opzadelen. Als ze gewoon aangeboden had om Andri of Brjánn te bellen, dan was dat redelijk geweest. Bríet drukte ruw haar sigaret op de trap uit en stond op. Ze liep weg in de richting van de boekhandel, terwijl ze met veel omhaal Brjánns nummer in het geheugen van haar telefoon opzocht.

Gunnar volgde Bríet, terwijl die wegliep, vanuit het raam van zijn werkkamer in Árnagarður. Mooi, dacht hij: ik heb hen op hun zwakke plek geraakt. Toen hij het meisje net daarvoor aangesproken had, had hij zijn uiterste best moeten doen om voet bij stuk te houden. Hij had niets op deze mensen tegen: niets behalve zijn eigen overtuiging dat ze onder de invloed van drugs waren en Joost mocht weten van wat nog meer. Toen hij had aangedrongen op een ontmoeting tussen hen en de advocate, had hij in werkelijkheid een grote gok gewaagd: deze jongeren hadden zich tevoren nooit iets aangetrokken van wat hij ook zei, en hij verwachtte niet dat ze dat nu opeens wel zouden gaan doen. Daarom had hij het plan opgevat om hen te bedreigen: dat moest iets zijn wat ze begrepen en deze veronderstelling scheen te kloppen.

Deze groep was hem altijd een doorn in het oog geweest. Harald was verreweg het ergst, maar de anderen waren niet veel beter; het verschil zat er alleen in dat zij nog niet hun uiterlijk net zo erg toegetakeld hadden als de binnenkant. Toen hij er zijn zinnen op had gezet om deze plaag, die zichzelf een geschiedenisvereniging noemde, uit het gebouw van de vakgroep te verwijderen, had hij hen allemaal opgezocht en tot zijn grote verbazing ontdekt dat een aantal van hen uitstekende studenten waren.

Hij liet het gordijn vallen en pakte de telefoon. Voor hem op tafel lag het visitekaartje van de advocate; hij moest haar en de Duitser te vriend houden, als hij het document wilde vinden dat Harald gestolen had. Gestolen had. Het was ondraaglijk om op deze manier toneel te moeten spelen: om te moeten doen alsof hij het goed met die onaangename jongeman had kunnen vinden en met respect over hem te praten. Het was een doortrapte dief die zichzelf en anderen te schande maakte. Gunnar legde de telefoon weer weg. Hij moest eerst wat rustiger worden: hij kon in deze stemming die vrouw niet opbellen. Diep ademhalen en aan iets anders denken. De Erasmus-subsidie, bijvoorbeeld. De aanvraag was binnengekomen en er was goede kans op een positieve ontvangst. Gunnar werd rustiger. Hij nam de telefoon op en draaide het nummer op het kaartje.

‘Þóra, je spreekt met Gunnar,’ zei hij zo beleefd als hij kon. ‘Wat betreft Haralds vrienden, die wilden jullie toch spreken?’

21

Þóra had niet meer zo’n puberaal stel gezien sinds haar zoon zijn zestiende verjaardag gevierd had. Toch waren de jongeren die voor haar en Matthias zaten, bijna tien jaar ouder. Ze zaten allemaal in houdingen die de indruk wekten dat ze vanuit de lucht op de bank gevallen waren – met uitzondering van het lange meisje met het rode haar – en ze staarden naar hun tenen. Na het telefoontje van Gunnar die ochtend had Þóra contact met Bríet opgenomen en nu hadden zij en Matthias een bijeenkomst met deze vriendenkring. Bríet had niet geklonken alsof ze over dit alles wild enthousiast was, maar stemde er niettemin met tegenzin mee in de vrienden bij elkaar te roepen en hen om elf uur te ontmoeten, op een plek waar je mocht roken. Aangezien ze arme studenten waren, stelde Þóra voor om de bijeenkomst dan bij Harald thuis te houden. Dat voorstel werd met net zoveel tegenzin aangenomen als de bijeenkomst zelf en op grond van het korte gesprek dat zojuist plaatsgevonden had, was het Þóra duidelijk dat ze hen net zo goed in Parijs had kunnen uitnodigen en dan dezelfde reactie had gekregen. Matthias was heel tevreden over haar keuze van de locatie; hij dacht dat die hen misschien uit hun evenwicht zou brengen en de mogelijkheid zou vergroten dat ze de waarheid vertelden.

Terwijl ze de komst van de jongeren afwachtten, had Þóra van de gelegenheid gebruik gemaakt om Matthias het beschreven vel papier uit de Heksenhamer te laten zien. Ze bestudeerden het een poosje, maar kwamen tot geen enkele houdbare conclusie, behalve dat ‘Innsbruck – 1485’ duidelijk met de komst van Kramer daarnaartoe te maken had en waarschijnlijk ook met de oude brieven waarover Harald zo enthousiast geweest was. Þóra achtte het heel waarschijnlijk dat ‘J.A.’ voor ‘Jón Arason’ stond en dat 1550 het jaar van zijn terechtstelling markeerde. Ze begreep echter niet waarom Harald het doorgekrast had. Ze namen aan dat het een of andere voorstelling van Harald over de reis van het kostbare object was. ‘Gastenboek van het kruis’ zei Matthias niets: er was naar zijn zeggen geen gastenboek in de woning te vinden en hij herinnerde zich ook niet dat de politie bij de huiszoeking iets dergelijks meegenomen had. Vervolgens had de deurbel verdere speculaties over de krabbels op het papier verstoord.

De jongeren hadden in Haralds woonkamer plaatsgenomen: ze zaten dicht op elkaar op de twee banken en Þóra en Matthias tegenover hen, elk op een stoel. Þóra had een paar asbakken opgeduikeld en de lucht in de woning was meteen vergeven van de rook.

‘Wat willen jullie eigenlijk van ons?’ vroeg het roodharige meisje, Marta Mist. Haar vrienden keken haar aan, opgelucht dat een van hen de leidersrol op zich nam en zo de aandacht naar zich toe trok. De anderen gingen dus door met roken.

‘We wilden gewoon met jullie over Harald kunnen praten,’ antwoordde Þóra. ‘Zoals jullie heel goed weten, hebben we herhaaldelijk geprobeerd om een ontmoeting met jullie te regelen, maar daar werd niet erg enthousiast op gereageerd.’

Marta Mist ging hier niet uitvoerig op in. ‘We hebben het druk op de universiteit en hebben wel wat anders te doen dan te praten met lui die we helemaal niet kennen. We hebben er dus in feite helemaal geen behoefte aan om met jullie te praten. We hebben allemaal een verklaring aan de politie afgelegd.’

‘Ja, dat klopt,’ zei Þóra, terwijl ze niet probeerde te laten merken dat het meisje haar irriteerde, zoals die hele groep trouwens. ‘We zijn jullie heel dankbaar dat jullie de tijd genomen hebben om hierheen te komen en we beloven dat we jullie niet lang zullen ophouden. Zoals jullie weten, zijn we de moord op Harald aan het onderzoeken voor zijn familie in Duitsland en we begrijpen dat jullie het meest met hem omgegaan zijn.’

‘Dat weet ik zo net nog niet: we gingen natuurlijk redelijk veel met hem om, maar we hebben geen idee van wat hij in de tussentijd deed,’ zei Marta Mist en Bríet knikte ernstig ter instemming. De jongens staarden alleen naar de grond.

‘Je praat alsof jullie één persoon zijn,’ zei Matthias. ‘We hebben met Hugi Þórisson gesproken, die jullie natuurlijk allemaal kennen, en volgens hem was jij, Halldór, het best met Harald bevriend: je hielp hem met vertalingen en andere dingen.’ Hij richtte zijn woorden tot Halldór, die aan Marta Mist vastgekleefd zat. ‘Of heb ik dat verkeerd?’

Halldór keek op. ‘Jawel, we gingen vrij veel met elkaar om. Harald had moeite met IJslandse documenten en meer dingen, waarmee ik hem dan hielp. We waren heel goede vrienden.’ Hij haalde zijn schouders op om te benadrukken dat hun vriendschap gewoon geweest was zoals die dingen gaan.

‘Je bent ook goede vrienden met Hugi, nietwaar?’ vroeg Þóra.

‘Ja, al sinds onze jeugd,’ zei Halldór en hij keek naar beneden. Hij liet met een snelle beweging van zijn hoofd zijn voorlok over zijn ogen vallen om verder oogcontact te vermijden.

‘Dan moet je het toch belangrijk vinden dat we een duidelijk beeld krijgen van wat er gebeurd is. Een van je vrienden is vermoord en een andere wordt van de moord verdacht. Je zou toch denken dat jij van harte bereid zou zijn om ons hierbij te helpen. Nietwaar?’ Matthias glimlachte naar Halldór, maar Halldór zag niet dat hij naar hem glimlachte. Matthias keek naar de andere jongens. ‘Hetzelfde geldt zeker voor jullie?’

Iedereen in de groep bevestigde dit, hetzij door ‘ja’ te mompelen, hetzij door te knikken.

‘Mooi.’ Matthias sloeg op zijn dijen. ‘Dan zijn we klaar. Behalve dat we eigenlijk pas beginnen.’ Hij keek naar Þóra. ‘Þóra, wil jij beginnen?’

Þóra glimlachte en wendde zich tot de jongeren. ‘Hoe zou het zijn als jullie ons eens vertelden waar jullie Harald leerden kennen en hoe die toververeniging van jullie in elkaar zat? Dat vinden we een heel wonderlijke geschiedenis.’

De groep keek naar Marta Mist in de hoop dat zij dit op zich zou nemen. Zij speelde de vraag echter door naar Halldór met een stoot van haar elleboog die Þóra onnodig hard leek. Halldór trok een gezicht en gaf toen antwoord: ‘Hoe we elkaar leerden kennen? Ik kwam vorig jaar Harald voor het eerst samen met Hugi tegen. Ze hadden afgesproken in een café in het centrum. Ik vond hem grappig en ook heel anders dan Hugi en sinds die tijd begonnen we elkaar op te zoeken, zoals dat gaat. We gingen uit eten en naar de kroeg en naar concerten en dergelijke. Harald vroeg ons daarna of we interesse hadden om lid te worden van een vereniging die hij wilde oprichten, en wij zeiden gewoon ja. Zo leerden we de anderen kennen.’

Marta Mist nam het over. ‘Ik kwam door Bríet bij de vereniging: zij had Harald op de universiteit leren kennen en wilde dat ik meeging om te kijken wat voor vereniging het was.’ Bríet knikte instemmend.

‘En jullie?’ Þóra richtte het woord tot Andri en Brjánn, die naast elkaar zaten te roken.

‘Wij?’ vroeg Andri scherp en hij verslikte zich door de rook die hij vergeten was uit te blazen.

‘Ja,’ antwoordde Þóra, ‘jullie twee.’ Ze wees naar hen beiden, zodat er geen twijfel over kon bestaan.

Brjánn hakte de knoop door. ‘Ik studeer Geschiedenis en kwam op dezelfde manier als Bríet met die vereniging in aanraking: ik had een beetje met Harald gekletst, voordat hij me vroeg om mee te doen. Ik heb toen Andri voor de grap meegesleept.’ Andri, over wie het ging, glimlachte alleen stupide.

‘En waarom draaide het in deze vereniging, als ik vragen mag? We begrepen van Hugi dat het hoofdzakelijk feesten en orgiën waren onder het mom van bijeenkomsten van mensen die in magie geïnteresseerd zijn,’ zei Matthias.

De drie jongens grijnsden, terwijl Marta Mist een gezicht trok en daarna verontwaardigd zei: ‘Gefeest? Het was niet gewoon een beetje feesten. We waren magie en magiërs uit het verleden aan het bestuderen. Het is al met al helemaal niet zo’n gestoorde kunst en echt interessant. Dat we aan het einde van elke bijeenkomst wat lol hadden heeft er niets mee te maken en Hugi is gewoon in de war, net zoals eerder. Hij had wat de vereniging betreft geen idee.’ Ze leunde weer naar achteren en vouwde haar armen over elkaar. Haar gezicht stond op onweer. Ze keek Matthias en Þóra kwaad aan. ‘Jullie weten natuurlijk net zomin iets van waar het om draaide, als de anderen: jullie denken zeker dat we kippen onthoofdden en naalden in zelfgenaaide poppetjes staken.’

‘Wil je ons dan misschien de waarheid over magische rituelen bijbrengen?’ vroeg Matthias.

Marta Mist zuchtte diep. ‘Ik heb er geen zin in om hier een soort leraar te spelen. Het moet voor jullie voldoende zijn om te begrijpen dat magie niets anders is dan een poging van mensen om invloed op hun eigen leven te hebben op een onconventionele manier; dat wil zeggen, onconventioneel in de ogen van mensen van nu. In die tijd was het heel normaal. Het zat ’m er hoofdzakelijk in dat je diverse handelingen verrichtte om gebeurtenissen in je eigen voordeel te beïnvloeden: soms ten koste van anderen, soms niet. Als je moeite doet om een magisch ritueel uit te voeren, heb je naar mijn mening een stap genomen in de richting van het doel dat je gesteld hebt: als je ermee doorgaat, concentreer je je er beter op en is het daardoor ook waarschijnlijker dat je dat doel bereikt.’

‘Kun je me in verband hiermee een voorbeeld geven van zo’n doel?’ vroeg Þóra.

‘Iemands liefde krijgen of meer aandacht, beter worden, je vijand iets aandoen. Dat zijn eigenlijk geen doelen. De meeste oude magische rituelen hebben met basale behoeften te maken: het leven was toen niet zo gecompliceerd en veelzijdig.’

Þóra was het daar na het lezen van Malleus Maleficarum niet geheel mee eens: naar haar mening was het op zijn minst gecompliceerd om te proberen iemand te verdedigen in een rechtsstelsel dat de spelregels meteen opzijschoof en veranderde al naargelang de belangen van de aanklager. ‘En waarvan wordt er dan gebruik gemaakt om een magisch ritueel uit te voeren?’ vroeg ze en ze voegde er om Marta Mist te irriteren aan toe: ‘Afgezien van kippen zonder kop en zelfgenaaide poppetjes?’

‘Leuk hoor,’ zei Marta, maar ze lachte er niet bij. ‘Op IJsland waren dat hoofdzakelijk magische symbolen, hoewel er vaak meer gedaan werd dan alleen die ergens op krassen of tekenen om de magische rituelen compleet te maken. Magische symbolen zijn ook uit andere delen van Europa bekend en daarvoor gold hetzelfde als voor de IJslandse: er werd vaak meer gedaan dan ze alleen maar tekenen.’

‘Zoals?’ vroeg Matthias.

‘Formules zingen, dieren- en mensenbotten verzamelen, en het haar van een maagd verzamelen. Iets van dien aard. Niks bijzonders,’ antwoordde Marta Mist op koele toon.

‘Ja, en soms lichaamsdelen van dode mensen,’ mengde Bríet zich erin. De groep was met stomheid geslagen. Ze werd rood en hield vlug haar mond.

‘O ja?’ antwoordde Matthias met gemaakte verbazing. ‘Zoals wat: handen, haar?’ Hij pauzeerde even. ‘Of misschien ogen?’

Niemand zei iets, totdat Marta Mist besloot het woord te nemen. ‘Ik heb zelf nooit gelezen over een magisch ritueel waarvoor ogen nodig zijn, behalve dierenogen.’

‘En jullie dan? Weten jullie niets van zulke rituelen?’

Geen van de anderen zei iets, maar ze schudden allemaal hun hoofd. ‘Nope,’ kwam er van Brjánn.

‘En vingers, dan?’ voegde Þóra er vlug aan toe. ‘Hebben jullie over moderne of oude rituelen gelezen waarbij vingers gebruikt moeten worden?’

‘Nee.’ Halldórs stem was vastberaden en hij duwde het haar voor zijn ogen weg, zodat hij Þóra en Matthias bij de rest van zijn verhaal in de ogen kon kijken. ‘Laat het duidelijk zijn dat wij ons niet met rituelen beziggehouden hebben waarvoor menselijke lichaamsdelen nodig zijn. Ik weet welke kant jullie op willen en dat gaat echt te ver. Wij hebben Harald niet vermoord; dat kunnen jullie meteen uitsluiten. De politie heeft al onze bewegingen nagetrokken en toen is dit bevestigd.’ Halldór leunde naar voren en haalde een sigaret uit het pakje op tafel. Hij stak hem aan, nam een flinke haal en blies de rook langzaam uit.

‘Dus Hugi heeft hem vermoord?’ vroeg Þóra. ‘Wil je dat zeggen?’

‘Nee, dat zei ik helemaal niet. U luistert niet goed,’ zei Halldór en er klonk iets van agitatie in zijn stem door. Hij leunde weer naar voren, alsof hij meer wilde zeggen, maar Marta Mist stak haar arm voor hem en drukte hem weer tegen de leuning van de bank.

Ze nam het woord, een stuk rustiger dan Halldór: ‘Ik weet niet waar u logica geleerd hebt, maar het feit dat wij Harald niet vermoord hebben wil niet automatisch zeggen dat Hugi het gedaan heeft. Halldór bedoelde alleen dat wij Harald niet vermoord hebben. Punt uit.’ Nu was het de beurt van Marta Mist om op de bank naar achteren te leunen. Ze viste de sigaret tussen Halldórs vingers vandaan, nam een haal en stopte hem toen terug. Op het gezicht van Bríet was even ergernis af te lezen: dit duidelijke teken van intieme vriendschap irriteerde haar kennelijk enigszins.

‘Hugi heeft hem niet vermoord. Zo is hij niet,’ mompelde Halldór nors. Hij duwde Marta Mists arm weg en strekte zich naar de tafel om de as van zijn sigaret te slaan.

‘En jij? Ben jij zo? Als ik me goed herinner, had jij niet zo’n waterdicht alibi als je vrienden.’ Matthias keek Halldór recht aan en wachtte op een reactie.

Die liet niet op zich wachten. Halldórs stem werd diep van woede en terwijl hij begon te praten, ging hij op het randje van de bank zitten en boog zich zo dicht mogelijk zonder van de bank te vallen naar Matthias toe. ‘Harald was mijn vriend. Mijn goede vriend. Hij heeft enorm veel voor me gedaan en ik voor hem. Ik zou hem nooit hebben vermoord. Nooit. U zit er nog verder naast dan de politie en u weet geen ene moer van wat u zit te lullen.’ Hij zette zijn woorden kracht bij door met zijn brandende sigaret op Matthias te wijzen.

‘Wat heb je eigenlijk allemaal voor hem gedaan? Afgezien van hem helpen met het vertalen van documenten?’ mengde Þóra zich er vlug in.

Halldór moest met geweld zijn blik van Matthias af trekken en keek Þóra met weinig enthousiasme aan. Hij deed zijn mond open alsof hij iets wilde zeggen, maar sloot hem toen weer. Nadat hij een haal genomen had en zijn sigaret had uitgedrukt, ging hij weer in zijn oude positie op de bank zitten.

Brjánn, de geschiedenisstudent, nam de rol van bemiddelaar op zich. ‘Luister, ik begrijp helemaal waaraan u zit te denken: natuurlijk heeft iemand Harald vermoord en als het Hugi niet was, wie dan? Maar u kunt zich tijd en moeite besparen, als u wilt geloven dat we u de waarheid vertellen: niemand van ons heeft Harald vermoord. We hadden daar geen enkele reden toe: hij was grappig, ondernemend, een goede gastheer en een goede vriend en makker van ons. Zonder hem stelt onze vereniging bijvoorbeeld niets voor. En daarnaast konden we hem niet eens vermoorden: wij waren niet in de buurt en er zijn genoeg getuigen die dat kunnen bevestigen.’

Andri, die een mastersopleiding in Scheikunde deed, viel hem bij. Zijn ogen waren waterig en Þóra kreeg sterk de indruk dat hij onder invloed van het een of ander was. ‘Dat klopt helemaal. Harald was uniek: geen van ons zou ooit van hem af willen komen. Hij kon soms hard zijn of vreemd doen, maar hij was altijd waanzinnig aardig, als het erop aankwam.’

‘Prachtig,’ zei Matthias sarcastisch. ‘Eén ding wil ik graag weten: jullie waren allemaal op dat feest, behalve Halldór; herinneren jullie je dat Harald en Hugi samen de wc in gingen en er met bloedspatten op hun kleren weer uit kwamen?’

Alle jongeren schudden hun hoofd, behalve Halldór. ‘Niemand daar was op kleren aan het letten,’ zei Andri en hij haalde zijn schouders op. ‘Het kan natuurlijk best dat dat gebeurd is, maar ik herinner het me in elk geval niet.’ De drie anderen knikten instemmend.

Ze zaten en zeiden een tijdje niets. Sigaretten werden uitgedrukt en sommigen staken nieuwe aan. Matthias verbrak de stilte. ‘Dus jullie weten niet wie Harald vermoord heeft?’

Tegelijk zei de groep vastbesloten: ‘Nee.’

‘En jullie hebben nooit lichaamsdelen voor jullie magie gebruikt, zoals bijvoorbeeld een vinger?’ ging hij verder.

Weer eensgezind: ‘Nee.’

‘En jullie kennen dit magische symbool niet?’ Matthias gooide de tekening van het symbool dat op Haralds borst gekrast was, op tafel.

Eensgezind: ‘Nee.’

‘Het zou wat overtuigender overkomen, als jullie op het blad zouden kijken,’ zei Matthias sarcastisch: geen van hen had meer dan een vluchtige blik op het papier geworpen.

‘De politie heeft ons dat symbool laten zien. We weten wel waar u naartoe wilt,’ antwoordde Marta Mist. Ze legde haar hand afwezig op Halldórs bovenbeen.

‘Oké, ik begrijp het. Maar kunnen jullie ons vertellen wat er met al het geld gebeurd is dat Harald hierheen overgemaakt had, vlak voordat hij stierf?’ vroeg Matthias vervolgens.

‘Nee, daar weten we niets van,’ zei Marta Mist. ‘We waren Haralds vrienden, niet zijn boekhouders.’

‘Had hij iets gekocht of praatte hij erover dat hij iets wilde kopen?’ vroeg Þóra en ze richtte het woord daarbij tot Bríet, van wie het haar nog het meest waarschijnlijk leek dat ze de waarheid vertelde.

‘Hij was altijd wel iets aan het kopen,’ antwoordde Bríet, terwijl ze zijdelings naar Marta Mist en Halldór keek. Toen ze haar hand op zijn bovenbeen zag, wendde ze zich weer tot Þóra en voegde eraan toe: ‘En zo niet voor zichzelf, dan wel voor Halldór. Zij waren zo dik met elkaar.’ Ze glimlachte gemeen.

Þóra zag dat Halldór bloosde. ‘Wat kocht hij zoal voor je en waarom?’

Halldór schoof ongemakkelijk op de bank heen en weer. ‘Het was niet bepaald zo dat hij dingen voor me kocht. Hij gaf me af en toe het een of ander als dank voor de hulp die ik hem bood.’

Þóra liet hem er niet zo eenvoudig van afkomen. ‘Zoals?’

Halldór werd nog roder. ‘Gewoon.’ Hij gooide zijn haar weer voor zijn ogen.

Matthias sloeg zich nogmaals op zijn dijen. ‘Nou, beste mensen, ik heb een voorstel. Marta Mist, Bríet, Brjánn en Andri: jullie weten niets, zeggen jullie, en er schijnt bij jullie niets te halen te zijn. Hoe zou het zijn als jullie gewoon naar huis gaan om te studeren of naar college of waar jullie het ook maar zo druk mee hebben, dan kunnen Þóra en ik in alle rust met Halldór verder praten?’ Hij richtte zich tot Halldór: ‘Is dat niet het beste? Dat is in elk geval niet zo gedwongen.’

‘Wat is dat voor onzin?’ gilde Marta Mist. ‘Halldór weet echt niet meer dan wij.’ Ze wendde zich tot Halldór. ‘Je hoeft niet alleen achter te blijven. We gaan allemaal weg.’

Halldór zei eerst niets, maar trok toen haar hand van zijn bovenbeen en haalde zijn schouders op. ‘Oké.’

‘Oké? Wat nou “oké”? Ga je met ons mee?’ vroeg Marta Mist onrustig.

‘Nee,’ antwoordde Halldór, ‘ik wil dit afsluiten. Ik blijf hier.’

Marta Mists gezicht vertrok van kwaadheid, maar daarna hield ze zich in bedwang en deed alsof er niets was. Ze boog naar Halldór en fluisterde iets tegen hem, voordat ze opstond. Hij knikte afwezig. Þóra observeerde hoe Marta Mist Halldór op zijn hoofd kuste en hoe Bríet deed alsof ze dat niet gemerkt had. Andri en Brjánn waren druk bezig hun sigaretten uit te drukken en overeind te komen. Ze maakten er geen geheim van dat ze opgelucht waren.

22

Matthias liep achter de groep aan naar de deur. Þóra en Halldór zaten in de tussentijd in de moderne woonkamer met de gruwelen uit het verleden om zich heen. Þóra nam de jongeman op, die zo te zien liever ergens anders had willen zijn. Zijn omstandigheden herinnerden haar op een of andere manier aan haar eigen zoon: een jongeman, verwikkeld in een innerlijke strijd die zich er niet goed voor leende om uit te leggen.

‘Je weet natuurlijk dat we alleen op zoek zijn naar de waarheid. We zitten echt niet te denken aan iets krankzinnigs waar jullie mee bezig geweest zijn,’ zei ze om de stilte te verbreken en de drukkende sfeer te verlichten. ‘We zijn het in feite met je eens over de belangrijkste punten in deze zaak: dat Hugi onschuldig is of in elk geval dat hem meer ten laste wordt gelegd dan je zou verwachten.’

Halldór keek haar niet aan. ‘Ik geloof helemaal niet dat Hugi hem vermoord heeft,’ zei hij zacht. ‘Het is allemaal gewoon een hoop gelul.’

‘Je geeft duidelijk veel om je vriend,’ zei Þóra. ‘Als je hem wilt helpen, is het veruit het beste dat je niets voor ons verborgen houdt. Bedenk dat je vriend van niemand anders hulp mag verwachten dan van ons.’

‘Huh,’ mompelde Halldór, maar hij liet verder niet blijken of hij hen zou helpen of niet.

Matthias kwam terug en liet zich in een stoel vallen. Hij keek Halldór een tijdje nadenkend aan. ‘Rare groep vrienden heb je opgeduikeld. De meiden leken op weg naar buiten niet van plan elkaar in de armen te vallen.’

Halldór haalde zijn schouders op. ‘Ze zijn een beetje chagrijnig de laatste tijd.’

‘Jij zegt het. Zeg, moeten we niet ter zake komen?’ vroeg Matthias.

‘Mij best,’ antwoordde Halldór. ‘Stel gewoon vragen en dan zal ik proberen om ze te beantwoorden.’ Hij nam een sigaret en stak hem aan. Þóra merkte hoe zijn handen trilden.

‘Goed, vriend,’ zei Matthias vaderlijk. ‘We zijn in veel dingen geïnteresseerd waarbij jij ons ongetwijfeld kunt helpen. Een ervan zijn Haralds uitgaven en een ander is dat historisch onderzoek van hem, waarmee jij hem een beetje geholpen hebt. Wat kun je ons over die geldzaken vertellen?’

‘Geldzaken? Daar had ik niets mee te maken, als jullie dat soms denken. Je hoeft er geen genie voor te zijn om te begrijpen dat hij dik in het geld zat.’ Halldór wees om zich heen en haalde toen zijn schouders op. ‘Geen enkele student woont in zo’n woning. Zijn auto was ook al geen wrak en hij ging vaak uit eten. Helaas was dat geen levensstijl waar wij het geld voor hadden.’

‘Ging hij dan alleen uit eten?’ vroeg Þóra. ‘Aangezien jullie allemaal arme studenten zijn.’

De vraag viel duidelijk ongemakkelijk. ‘Ja, soms.’ Hij nam een haal. ‘Soms ging ik met hem mee. Hij nodigde me dan uit.’

‘Dus hij nam jou mee en betaalde de rekening, klopt dat?’ vroeg Matthias en Halldór knikte. ‘Vaker dan wanneer hij alleen ging?’ Halldór knikte weer. ‘Wat betaalde hij nog meer voor je?’

Halldór had plotseling alleen aandacht voor de asbak: hij wendde zijn blik van hen naar de asbak en zo liet hij zich een antwoord op de vraag invallen. ‘Gewoon, dit en dat.’

‘Dat is geen antwoord,’ zei Þóra rustig. ‘Vertel het ons gewoon: we zijn hier niet naartoe gekomen om een oordeel over jou of Harald te vellen.’

Even stilte en toen: ‘Hij betaalde verdomme alles voor me. De huur, studieboeken, kleren, huurauto’s. Drugs. Alles gewoon, eigenlijk.’

‘Waarom?’ vroeg Matthias.

Halldór haalde zijn schouders weer op. ‘Harald zei dat hij dat geld had en zelf besloot wat hij ermee wilde doen: hij wilde zichzelf niet de dingen ontzeggen waar hij zin in had, alleen omdat zijn vrienden blut waren. Ik vond het vreselijk pijnlijk, maar ik had geen cent en het was ook leuk om bij hem te zijn. Dat was op een of andere manier nooit een probleem. Ik probeerde hem voor zijn hulp terug te betalen door hem met die vertalingen en zo te helpen.’

‘En verder?’ vroeg Matthias.

‘Niets.’ Haralds kaken kleurden nog roder. ‘Er was niets seksueels, als jullie dat denken. Ik was, ben niet van dat soort en Harald ook niet. De meiden waren altijd genoeg voor ons.’

Þóra en Matthias keken elkaar aan. De uitgaven die Halldór nader toelichtte, waren maar peanuts vergeleken bij het bedrag dat verdwenen was. ‘Weet jij iets van een grote investering waar Harald geld in gestoken had, vlak voor de moord?’ vroeg Matthias.

Halldór keek op. De uitdrukking op zijn gezicht wees erop dat hij niets anders dan de waarheid zou zeggen. ‘Nee, geen idee. Hij had daar ook niets over gezegd. Ik had hem de week daarvoor trouwens amper gezien: hij had het nogal druk en ik probeerde mezelf op de universiteit in het gareel te krijgen.’

‘Je weet dus niet wat hij aan het doen was of waarom hij jullie in die periode niet opzocht?’

‘Nee, ik praatte een paar keer aan de telefoon met hem en hij was gewoon niet in een geweldige conditie om iets te ondernemen. Ik weet niet waarom.’

‘Dus je had hem een paar dagen niet gezien, toen hij vermoord werd, of hoe zit dat?’ vroeg Matthias.

‘Nee, ik had alleen over de telefoon met hem gesproken.’

‘Vond je dat niet vreemd of had hij de gewoonte om zich af en toe een paar dagen zo van jullie af te zonderen?’

Halldór dacht hierover na. ‘Ik heb daar toen niet over nagedacht, maar nu u het zegt, was dat inderdaad ongewoon. Was in elk geval niet eerder gebeurd, als ik me goed herinner. Ik vroeg hem wat er aan de hand was en hij zei dat hij gewoon een tijdje op zichzelf moest zijn. Hij was verder opgewekt en zo.’

‘Werd jij niet boos op hem in die periode?’ vroeg Þóra. Dit moest raar geweest zijn voor de jongen: zijn vriend een paar dagen missen zonder nadere uitleg, met name gezien het feit dat ze zoveel met elkaar omgingen.

‘Nee, niet zo. Ik had op de universiteit ook genoeg te doen. Daarnaast draaide ik ook diensten in het ziekenhuis en zo. Ik had dus wel wat anders aan mijn hoofd.’

‘Je werkt in het academisch ziekenhuis in Fossvógur, nietwaar?’ vroeg Þóra. Halldór knikte. ‘Hoe krijg je het voor elkaar om daar te werken, Geneeskunde te studeren en zoveel uit te gaan?’

Halldór haalde zijn schouders op. ‘Het is geen voltijd baan, bij lange na niet. Ik draai een paar diensten als vervanger, dat is alles. Ik werk er ’s zomers en ze bellen me als ze ’s winters erg omhoog zitten. Ziekteverzuim en andere afwezigheid. Wat betreft de universiteit: ik heb mijn zaken goed op orde, wanneer ik aan het studeren ben. Ik heb er nooit op enige manier moeite mee gehad om te studeren.’

‘Wat deed je in het ziekenhuis?’ vroeg Matthias.

‘Van alles. Ik werk als hulp op de operatieafdeling. In feite ben ik gewoon een manusje van alles: ik zorg ervoor dat de instrumenten gesteriliseerd worden na operaties, ruim op en dat soort dingen. Niets bijzonders.’

Matthias keek hem betekenisvol aan. ‘Wat opruimen? Ik vraag gewoon uit pure nieuwsgierigheid: ik weet weinig van ziekenhuizen af.’

‘Gewoon,’ zei Halldór en pakte het pakje sigaretten. ‘Afval en zo.’

‘Ja, oké,’ mompelde Matthias. ‘Hoe heet je baas of iemand met wie we over dit werk kunnen praten, in het bijzonder hoe het geregeld was op de avond dat Harald vermoord werd?’

Halldór pulkte aan een nagelriem aan zijn linkerhand en wist zo te zien niet of, en zo ja, wat hij moest antwoorden. ‘Gunnur Helgadóttir,’ mompelde hij toen chagrijnig. ‘Zij is de hoofdzuster op de operatie-afdeling.’

‘Eén vraag,’ onderbrak Þóra hen, terwijl ze de naam vlug opschreef. ‘Wie heeft de tongoperatie bij Harald uitgevoerd? Dat was jij, of niet soms?’

Halldór stopte met het omslachtige aansteken van zijn sigaret en keek haar schichtig aan. ‘Hoezo? Is dat belangrijk dan?’

‘Ik wil dat graag weten. Harald had foto’s van de operatie op zijn computer en die zijn bij iemand thuis genomen. Je zou denken dat dat iemand was die hij kende. Ons onderzoek heeft niets met die operatie te maken; ik wil het gewoon weten.’

Halldór keek aarzelend van de een naar de ander. Þóra achtte het waarschijnlijk dat hij bij zichzelf aan het overleggen was of er voor de operatie een licentie nodig was of dat ze illegaal was. Hij beet een tijdje op zijn onderlip en zei uiteindelijk: ‘Nee. Ik heb dat niet gedaan.’

‘Mag ik je armen zien?’ vroeg Þóra en ze glimlachte bij de gedachte aan wat Hugi over Halldór verteld had en over zijn spijt over de tatoeages die hij op zijn arm had laten zetten.

‘Waarom?’ vroeg Halldór, terwijl hij op de bank naar achteren leunde om de afstand tussen hen te vergroten.

‘Daarom,’ zei Matthias en hij ging op de rand van zijn stoel zitten. Hij had geen idee waar Þóra heen wilde. ‘Wees nou een aardige jongen en rol je mouwen voor de dame hier op.’

Halldór werd asgrauw in het gezicht. Matthias ging nog verder op de rand van zijn stoel zitten en Halldór leunde nog verder naar achteren. Opeens liet zijn moed hem in de steek. Hij rolde met een bleek gezicht zijn mouwen op. ‘Hier,’ zei hij zuur en hij strekte zijn arm uit.

Þóra stak haar hoofd naar voren en glimlachte. ‘“Crap”?’ zei ze, terwijl ze naar een tatoeage op zijn rechterarm boven de pols keek.

‘Ja, en wat dan nog?’ zei Halldór en hij rolde zijn mouwen weer naar beneden.

‘Nee, het is gewoon merkwaardig,’ antwoordde Þóra. ‘Degene die de operatie op Harald uitvoerde, had precies dezelfde tatoeage.’ Ze glimlachte naar Halldór en wees met haar vinger naar zijn rechterarm. ‘Hoe zit dat?’

‘Niks,’ antwoordde Halldór nors. Hij haalde zijn vingers door zijn haar en wreef over zijn ogen. ‘Oké, ik heb dat gedaan. We waren bij Hugi thuis. Harald had me een hele tijd aan mijn kop zitten zeuren, dat ik het zou uitvoeren en uiteindelijk gaf ik toe. Ik wist instrumenten van het ziekenhuis te lenen en had verdovende middelen achterovergedrukt. Niemand miste ze. Hugi hielp me erbij. Het ging nogal slordig, maar het resultaat was cool.’

Maar niet heus, dacht Þóra. ‘Mijn verstand zegt me dat het ziekenhuis er helemaal niet zo enthousiast over zou zijn, als bekend werd dat je medicijnen gestolen hebt, of wel?’

‘Nee, natuurlijk niet: daarom wil ik wel als laatste dat dit algemeen bekend raakt,’ antwoordde Halldór. ‘Dit is toch niet iets waarvan ik denk dat mensen het over het algemeen zullen begrijpen, en ik wil niet als een of andere gestoorde idioot bestempeld worden.’

Matthias schudde zijn hoofd en besloot toen ineens om van onderwerp te veranderen. ‘Ik wil je naar één ding vragen dat vreemd kan lijken, maar toch. Jij hebt waarschijnlijk een hoop gezopen tijdens al deze toestanden.’ Hij pauzeerde even om Halldór in de ogen te kijken en ging toen verder. ‘Was jij je er op enig moment van bewust dat Harald aan seks deed waarbij de luchtwegen afgekneld worden om het genot te vergroten?’

Halldór werd zo rood als een biet. ‘Daar wil ik het niet over hebben,’ zei hij kortaf.

‘Waarom niet?’ vroeg Matthias. ‘Wie weet heeft dat Harald zijn leven gekost.’

Halldórs knieën gingen op en neer, terwijl hij in de maat met zijn voeten op het glanzende parket tikte. ‘Zo is hij niet doodgegaan,’ zei hij heel zacht.

Þóra nam het woord. ‘Wat weet jij daarvan?’

De maat waarop Halldór met zijn voeten tikte, werd sneller. Hij zweeg en noch Þóra, noch Matthias zei iets: ze keken alleen naar de jongeman en wachtten. Uiteindelijk gaf hij het op, haalde diep adem en begon te praten. ‘Mijn kop eraf als dit iets met de zaak te maken heeft, maar ja: ik wist dat Harald aan zoiets deed.’

‘Hoe wist je dat?’ vroeg Matthias verbaasd.

Halldórs voeten hielden op. ‘Omdat hij het me verteld had. Hij stelde voor dat ik het zou uitproberen.’ Hij zweeg en keek van Matthias naar Þóra.

‘Deed je dat ook?’ vroeg Þóra.

‘Nee,’ was het vastberaden antwoord en Þóra geloofde hem. ‘Ik doe misschien wat rare dingen, maar dit was het gestoordste dat ik ooit gezien heb.’

‘Gezien heb?’ riep Matthias uit.

Halldór werd vuurrood. ‘Niet direct gezien: dat was verkeerd uitgedrukt. “Mee in aanraking gekomen” zou beter zijn.’ Hij keek naar de vloer. ‘Het was ergens in de herfst. Ik was op de bank in slaap gevallen na een leuk feestje hier en werd ’s nachts wakker van een geweldig kabaal.’ Hij keek op, naar Matthias. ‘Ik weet niet wat voor mazzel ik had dat ik weer bij zinnen kwam: vaak genoeg ben ik in dit huis of elders in zo’n toestand helemaal niet helder. In elk geval werd ik wakker en ging kijken wat er was en toen zag ik Harald min of meer in een doodsstuiptrekking.’ Þóra zag een rilling door de jongeman gaan, terwijl hij zich dit in herinnering bracht. ‘Ik maakte de riem die heel strak om zijn hals zat los; dat viel niet mee, omdat hij het andere eind aan de verwarming op zijn kamer vastgebonden had. Toen kon ik hem mond-op-mondbeademing geven, nog net op tijd.’

‘Weet je zeker dat hij geen zelfmoord probeerde te plegen?’ vroeg Þóra.

Halldór keek haar aan en schudde zijn hoofd. ‘Nee, het was geen poging tot zelfmoord. Geloof me. Ik wil liever niet beschrijven hoe het eruitzag.’ Nu was het Þóra’s beurt om rood te kleuren en Halldór scheen aan die aanblik wat pret te beleven. Hij ging meer rechtop zitten en ging verder: ‘Daarna praatte ik er met Harald over en hij gaf grif toe wat er gaande was geweest. Hij stelde zelfs voor dat ik het zou proberen, want het was zo geweldig. Maar hij was wel in gevaar geweest en dat besefte hij volkomen. Hij was zich doodgeschrokken.’

‘Dus je denkt dat hij hier niet mee opgehouden is na dit voorval?’ vroeg Matthias.

‘Nee, zeker niet,’ antwoordde Halldór. ‘Maar helemaal zeker weet ik het niet: hij was zich rotgeschrokken.’

‘Herinner je je wanneer dit was?’ vroeg Matthias.

‘In de nacht van tien op elf september,’ was het antwoord zonder aarzelen.

Matthias knikte nadenkend. Hij keek Þóra aan en zei in het Duits: ‘Hij veranderde zijn testament tien dagen later.’ Þóra knikte en wist nu zeker dat Halldór de IJslandse erfgenaam was die daarin genoemd werd. Hij had Haralds leven gered vlak voordat het testament veranderd werd; het kon niet anders of hij werd in het document genoemd.

‘Ik versta Duits, hoor,’ hoorden ze Halldór gemeen zeggen.

Matthias gaf hierop geen antwoord, maar vroeg in plaats daarvan met net zo’n gemene gezichtsuitdrukking als Halldór: ‘Hugi vertelde ons dat Harald soms in aanwezigheid van de anderen gemeen tegen je deed: je vernederde, als ik het me goed herinner. Irriteerde dat je niet?’

Halldór snoof. ‘Waar heeft-ie het over? Harald was, zoals jullie weten, niet zoals de meeste mensen. Hij kon dominant zijn maar ook grappig. Hij was meestal geweldig aardig tegen mij, vooral als we alleen waren, en als we bij de anderen waren, gedroeg hij zich een enkele keer als een zak. Ik trok me daar niets van aan – dat kan Hugi bevestigen – omdat Harald me er naderhand altijd zijn excuses voor aanbood. Het maakte dus verder helemaal niets uit, maar het was gewoon vervelend wanneer het gebeurde.’

Voor zover Þóra kon beoordelen, hoefde je er geen Einstein voor te zijn om door deze uitleg heen te prikken: de jongen had het natuurlijk niet te verdragen gevonden. Er waren echter weinig aanknopingspunten om hem er verder naar te vragen. ‘Wat kun je ons over Haralds onderzoek vertellen?’ vroeg ze. ‘Kun je ons uitleggen wat jouw hulp aan hem inhield?’

Blij over de verandering van onderwerp antwoordde Halldór: ‘Het was een beetje bijzonder: ik hielp hem eigenlijk gewoon met vertalingen, maar ook met het verkrijgen van bronmateriaal. Hij haalde overal literatuur vandaan; ik zag het verband daarvan niet met zijn scriptie, maar ik ben dan ook geen historicus, dus dat zegt niet zoveel. Hij sprong op een of andere manier steeds van de hak op de tak: vroeg mij om hardop iets aan hem voor te lezen wat ik van het IJslands in het Engels vertaald had, maar halverwege wilde hij dat ik iets anders voorlas, enzovoorts.’

‘Kun je ons een voorbeeld noemen van gebieden of onderwerpen waarin hij geïnteresseerd was?’ vroeg Matthias.

‘Eh… Geen uitvoerige lijst of zo. Toen dit begon, vertaalde ik voor hem hoofdzakelijk hoofdstukken uit het proefschrift van Ólína Þorvarðardóttir over de tijd van de heksenverbrandingen. Daarna kreeg hij belangstelling voor de school op Skálholt op grond van een tekst over zaken met betrekking tot hekserij van een paar schooljongens en een toverboek dat rouleerde. Hij had ook een oude brief in het Deens, als ik het me goed herinner; ik was nou niet bepaald de aangewezen persoon om dat te vertalen, maar ik deed mijn best. Het ging over een of andere bode en iets wat ik helemaal niet begreep. Toen hij hierop gestuit was, veranderde hij opeens helemaal van doel: hij hield ermee op zich zo met heksenverbrandingen bezig te houden en ging een eeuw of zo terug. Ik herinner me dat ik een tekst uit de “Beschrijving van IJsland” van bisschop Oddur Einarsson van Skálholt voor hem vertaald heb. De tekst ging over de Hekla en ik herinner me een verhaal over een man die krankzinnig geworden was, nadat hij de Hekla beklommen had en in de krater gekeken had. Harald had veel belangstelling voor de uitbarsting van de Hekla in 1510 en in bisschop Jón Arason en diens terechtstelling in 1550 en ook in bisschop Brynjólfur Sveinsson. Ja, en opeens wilde hij alles over de Ierse monniken op IJsland weten, dus je kunt gerust zeggen dat hij nog verder in de tijd teruggegaan was op het moment dat hij vermoord werd: tot voor de feitelijke kolonisatie van IJsland.’

Uit het opnoemen van jaartallen werd duidelijk dat de jongen een geheugen had als van een olifant. Niet vreemd dat hij kon studeren ondanks nachtelijke escapades, dacht Þóra. ‘Naar de tijd van de Ierse monniken?’ vroeg ze.

Halldór knikte. ‘Ja, de Ierse monniken. Die monniken van die grotten.’

‘Oké,’ zei Þóra, maar ze wist niet zeker wat ze hem nu moesten vragen. Toen herinnerde ze zich die arme Gunnar die ervoor gezorgd had dat ze Haralds vrienden konden ontmoeten. ‘Die oude Deense brief, weet jij iets over waar die vandaan kwam of waar hij gebleven is?’

Halldór schudde zijn hoofd. ‘Ik heb geen idee waar hij hem vandaan had: hij had meer oude brieven die hij vergeleek met dat Deense document. Die brieven zaten in een omslag, maar de Deense brief niet. Die ligt hier zeker ergens.’

‘Zegt de naam “Mal” jou iets?’ vroeg Matthias opeens.

Halldór keek hen aan en schudde zijn hoofd. ‘Nee, nooit van gehoord. Hoezo?

‘Ach, niets,’ antwoordde Matthias.

Halldór wilde iets gaan zeggen, toen zijn gsm ging. Hij pakte hem, keek op het schermpje, trok een gezicht en stopte hem weer in zijn zak.

‘Je moeder?’ vroeg Matthias en hij grijnsde naar Halldór.

‘Precies,’ antwoordde die met een bittere ondertoon.

Uit zijn broekzak klonk de meldtoon van een sms-bericht. Halldór maakte geen aanstalten om de gsm uit zijn zak te halen, dus stelde Þóra een volgende vraag: ‘Weet je iets van een gastenboek dat Harald bezeten kan hebben of waarover hij het gehad kan hebben? Een gastenboek van het kruis?’

Halldór keek haar niet-begrijpend aan. ‘Gastenboek van het kruis? Van een religieuze vereniging?’

‘Die naam heb jij nooit horen vallen?’ vroeg ze.

‘Nee.’

Matthias ging door. ‘Vertel ons over de raaf waar Harald naar op zoek was.’

Halldórs adamsappel schoot op en neer in zijn keel. ‘Een raaf?’ Zijn stem was bijna schril.

‘Ja, een vogel. Zo’n zwarte,’ viel Þóra bij. ‘We weten dat hij op zoek was naar een raaf. Weet jij daarvan?’

Halldór haalde zijn schouders op. ‘Nee. Ik kan er helemaal niet inkomen dat hij een raaf zou willen hebben. Rare vogel.’

Þóra was ervan overtuigd dat hij loog, maar wist niet meteen hoe ze hier het beste op kon reageren. Matthias nam het woord, voordat ze een beslissing genomen had. ‘Weet je niets over Haralds reis naar Hólmavík om het museum over hekserij in Strandir te bekijken?’

‘Nee,’ antwoordde Halldór en hij loog daarbij duidelijk weer.

‘Of naar het oosten, naar Hotel Rangá?’ vroeg Þóra.

‘Nee.’ Nog een leugen.

Matthias keek Þóra aan. ‘Strandir, Rangá. Misschien moesten wij eens een tochtje ondernemen?’ Halldórs gelaatsuitdrukking deed vermoeden dat hij hun reisplannen niet kon waarderen.

23

Halldór was enorm opgelucht, toen hij zich van het huis weghaastte. Hij keek over zijn schouder toen hij eenmaal het hek door was en de stoep op liep, maar noch Þóra, noch Matthias schenen zijn bewegingen door de ramen te volgen. Hij dacht dat hij het gordijn op de benedenverdieping van het huis zag vallen en vervloekte de nieuwgierige buurvrouw. Ze had zo te zien nog steeds dezelfde gewoonten, die magere trut: ze had Harald nooit met rust gelaten met haar geklaag over elke hoest en elke zucht. Na een van de eerste feestjes daar van de zomer was Halldór de volgende ochtend gestuurd om de deur open te doen en haar woordenvloed in ontvangst te nemen. Allemachtig, wat kon dat mens zeiken! Hij had zo’n erge kater gehad dat hij het gevoel had alsof elk woord en elke geluidsgolf die daarop volgde, als hamerslagen op zijn voorhoofd neerkwamen. Hij rilde bij de herinnering, vooral hoe het allemaal afgelopen was: hij moest de vrouw opzij duwen om zijn hoofd door de deuropening naar buiten te steken en over te geven. Ze was daar, zoals te begrijpen viel, niet kapot van geweest, maar het was Harald later die avond kennelijk gelukt haar tot rust te brengen. Hij moest na deze ervaring in de zomer in het vervolg al zijn bezoeken incognito afleggen. De andere feestgangers vonden het echter een heel goede grap, toen Halldór het uiteindelijk met horten en stoten vertelde.

Zijn gsm ging. Halldór haalde hem uit zijn zak en zag op het schermpje dat het Marta Mist was, alweer. Nu nam hij op. ‘Ja?’

‘Ben je klaar?’ Ongeduldig en geïrriteerd. ‘We zitten op je te wachten, dus kom.’

‘Waarheen?’ Halldór had in werkelijkheid helemaal geen zin om hen nu te zien. Hij wilde gewoon naar huis om plat te gaan, maar hij wist dat hij daar geen rust zou hebben: Marta Mist zou bellen en bellen en ten slotte zou ze komen, als hij niet opnam. Het was het beste om het gewoon snel af te handelen.

‘Naar 101 en schiet op.’ Ze hing op en Halldór haastte zich nog meer. Het was buiten koud en hij was bekaf. Voordat hij het doorhad, kwam hij al bij de ingang van het hotel en hij schudde zich uit om van de sneeuw af te komen die onderweg op hem geblazen was. Hij haalde zijn vingers door zijn haar en schudde dat ook uit. Daarna deed hij de deur open en ging naar binnen. Ze zaten natuurlijk daar waar gerookt mocht worden, met een paar koppen koffie en een glas bier voor zich op tafel. Halldór had ineens vreselijk veel zin in een biertje. Hij liep naar hen toe en ging op een stoel zitten, hoewel Marta Mist en Bríet waren gaan verzitten en tussen hen in plaats voor hem gemaakt hadden. Hij kon zich niet voorstellen nu dicht tegen hen aan te zitten.

De vriendinnen lieten niet merken dat ze daardoor beledigd waren en Halldór observeerde hoe ze rustig gingen verzitten om de lege plek weer op te vullen zonder dat het al te veel opviel. Marta Mist was een meester in één ding en dat was haar rust en waardigheid bewaren. Het gebeurde niet vaak dat ze andere gevoelens toonde dan botte kwaadheid en minachting. Gekwetste trots kwam niet in haar boekje voor. ‘Waarom nam jij verdomme je telefoon niet op?’ vroeg ze geïrriteerd. ‘Wij zitten hier de hele tijd op hete kolen te wachten op een bericht van jou.’

Halldór werd kwaad. ‘Wat hebben jullie toch? Ik was met die advocaten aan het praten. Wat moest ik jullie dan zo nodig over de telefoon vertellen?’ Niemand zei iets, dus herhaalde Halldór de vraag: ‘Nou? Wat moest ik dan vertellen?’

Marta Mist liet het van zich afglijden. ‘Je had toch verdomme dat sms-bericht kunnen beantwoorden. Zoveel moeite had je dat echt niet gekost.’

‘O ja. Natuurlijk,’ zei Halldór sarcastisch. ‘Dat zou ook goed uitgekomen zijn. Wat denk je wel dat ik ben? Een puber?’

Brjánn onderbrak de discussie. ‘Wat is er gebeurd; is het goed met je?’ zei hij rustig en hij nam een slok van zijn bier.

Die aanblik was meer dan Halldór kon verdragen: hij gebaarde naar de ober en bestelde een groot glas bier. Daarna wendde hij zich weer tot de groep. ‘Het ging gewoon fantastisch: ze hebben van alles zo’n beetje een vermoeden, maar weten op zich niets.’ Halldór tokkelde met de vingers van zijn rechterhand in de maat op de rand van de tafel, terwijl hij zijn linkerhand gebruikte om naar het pakje sigaretten in zijn jaszak te zoeken. Hij vond het niet. ‘Ik heb mijn sigaretten daar laten liggen; kunnen jullie me wat lenen?’

Bríet gaf hem haar pakje en Halldór zuchtte vanbinnen: dat waren typische vrouwensigaretten, spierwit van de mentol en tot overmaat van ramp heel dun. Hij nam het pakje toch maar aan en nam er eentje. Het ergste was hoe zuur Marta Mist hem aankeek: zij rookte gewone sigaretten, Marlboro. Hij nam een haal en toen hij de sigaret van zijn lippen nam, keek hij naar de smeulende sigaret en schudde zijn hoofd. ‘Hoe kunnen jullie deze rotzooi roken?’

‘Je zou me ook kunnen bedanken,’ mompelde Bríet chagrijnig.

‘Sorry, ik ben nogal gespannen.’ Het bier kwam en nadat Halldór een flinke slok genomen had, ademde hij diep uit en zuchtte. ‘Aaah, dat is beter.’

‘Heb je hun niets verteld?’ vroeg Marta Mist; haar kwaadheid was aan het wegzakken.

Halldór nam nog een slok en schudde tegelijkertijd zijn hoofd. ‘Nee, niets belangrijks. Ik vertelde hun natuurlijk van alles: ze vuurden steeds vragen op me af en ik moest wel antwoorden.’

Marta Mist keek hem peinzend aan en knikte toen duidelijk tevredengesteld. ‘Helemaal voor elkaar?’

Halldór knipoogde ogenschijnlijk tevreden naar haar. ‘Helemaal voor elkaar, maak je geen zorgen.’

Marta Mist glimlachte. ‘Held.’

‘Verder nog iets?’ zei Halldór zonder het echt te menen en hij zwaaide zijn nette sigaret voor zich heen en weer. ‘Ben ik niet geweldig?’

Andri grinnikte en schoof zijn eigen pakje over het tafelblad naar Halldór. ‘Wat denk je dat ze nu gaan doen? Willen ze ons nog een keer ontmoeten of hoe zit het?’

‘Nee, dat betwijfel ik,’ antwoordde Halldór.

‘Mooi,’ kwam er van de kant van Brjánn. ‘Hopelijk draaien ze gewoon in een eindeloos kringetje rond en geven het op.’

Bríet was de enige die niet in een goede stemming gebracht was. ‘Maar hoe zit het met Hugi? Zijn jullie hem al vergeten of zo?’ Ze keek hen om beurten aan met een verontwaardigd gezicht.

De glimlach stierf op Halldórs lippen. ‘Nee. Natuurlijk niet.’ Hij nam nog een slok bier, dat niet meer zo lekker smaakte als daarvoor.

Marta Mist stompte heel hard op Bríets bovenarm, die ineenkromp. ‘Wat is er eigenlijk met jou? Ze geven het echt niet op: ze komen echt wel ergens achter. De hoofdzaak is dat wij ons er helemaal niet mee bemoeien. Dat verdomde pessimisme ook van jou.’

‘Mensen worden niet veroordeeld voor een moord die ze niet begaan hebben. Hij wordt vrijgesproken, dat zullen jullie wel zien,’ zei Andri gewichtig.

‘Hoe kom je daar nu bij?’ vroeg Bríet, die het nog niet opgegeven had ondanks de zere plek op haar arm. Het kwam niet vaak voor dat ze Marta Mist tegen de haren in durfde te strijken, maar ze was nog steeds kwaad op Halldór. ‘Er zijn altijd mensen naar aanleiding van valse beschuldigingen veroordeeld: denk maar aan die zaak met Geirfinnur. Of niet dan?’

‘Hou toch op met dat geruzie,’ zei Marta Mist, terwijl ze haar ogen niet van Halldór af kon houden. ‘Het komt allemaal goed, daar kunnen jullie op rekenen. Laten we iets gaan eten: ik ga dood van de honger.’

Ze stonden op en raapten al hun spullen bij elkaar. Toen de groep wegliep om te betalen, nam Marta Mist Halldór even terzijde. ‘Ben je er al van af, van je weet wel?’

Halldór keek naar beneden, maar Marta Mist pakte hem bij zijn kin en dwong hem om haar in de ogen te kijken. ‘Ben je het al kwijt?’

Halldór knikte. ‘Allemaal voor elkaar, maak je maar geen zorgen.’

‘Ik durf niet eens wiet in huis te hebben. Het is in elk geval goed als jij net zo voorzichtig bent. Als die twee in de beerput gaan roeren, kan de politie op ideeën komen en een huiszoekingsbevel voor alles uitvaardigen. Weet je zeker dat je alles weggegooid hebt?’

Halldór rekte zich uit en keek haar recht in de ogen. Met vaste stem zei hij: ‘Ik zweer het. Alles is weg.’

Marta Mist glimlachte en liet zijn kin los. ‘Kom, we moeten betalen.’

Halldór keek naar haar, terwijl ze wegliep. Vreemd: ze had hem geloofd. Zij die altijd door hem heen keek, wanneer hij over iets probeerde te liegen. Hij werd beduidend beter in oneerlijk zijn. Cool.

* * *

Þóra trachtte zich niet al te erg te laten afleiden door de zware wenkbrauwen van de man die voor haar zat. Zij en Matthias zaten in de werkkamer van Þorbjörn Ólafsson, die de supervisie over Haralds scriptie had gehad. ‘Bedankt dat u ons wilde ontvangen,’ zei ze en ze glimlachte naar hem.

‘Geen dank,’ antwoordde Þorbjörn. ‘Als u iemand wilt bedanken, dan zou dat Gunnar moeten zijn: hij heeft deze ontmoeting geregeld. Ik vind het fijn dat u op zo korte termijn hierheen kon komen.’ Þorbjörn had hen opgebeld, vlak nadat Halldór de woning van Harald verlaten had, en Þóra en Matthias hadden besloten om hem meteen op te zoeken. Þorbjörn legde het potlood dat hij tussen zijn vingers heen en weer rolde, weg. ‘Maar wat wilt u nu zo graag weten?’

Þóra nam het woord. ‘Ik neem aan dat Gunnar u onze relatie met Harald uitgelegd hebt?’ Þorbjörn knikte en Þóra ging verder: ‘Wij wilden graag horen wat uw indruk is van Harald en ook of u ons iets over zijn studie en dan met name zijn onderzoek kunt vertellen.’

Þorbjörn moest lachen. ‘Ik kan niet bepaald zeggen dat ik hem kende. Ik heb niet de gewoonte om informeel veel met mijn studenten om te gaan: dat interesseert me helemaal niet. Ik heb belangstelling voor hun voortgang met de studie, maar als individuen interesseren ze me niet.’

‘Maar u moet zich toch een mening over hem gevormd hebben?’ vroeg Þóra.

‘Natuurlijk heb ik dat. Ik vond hem vooral een wonderlijk type en niet alleen vanwege zijn uiterlijk. Ik had helemaal geen last van hem, in tegenstelling tot Gunnar, die hem met moeite kon verdragen. Ik vond het wel leuk om een student te krijgen die niet met de meute meeliep. Hij werkte hard en was vastberaden; andere eisen stel ik over het algemeen niet.’

Þóra fronste haar wenkbrauwen. ‘Vastberaden? Wij begrepen van Gunnar dat hij nogal wispelturig was met zijn onderzoek.’

Þorbjörn snoof. ‘Gunnar is van de oude school. Harald niet. Gunnar wil dat studenten zich aan hun van tevoren aangegeven doelstelling houden. Harald was meer zoals ik studenten zelf graag zie: hij begon eraan en bekeek tegelijkertijd diverse zijwegen, als je dat zo mag zeggen. Zo moet je die dingen benaderen: je weet niet waar het heen gaat en het kan langer duren dan anders, maar daar staat tegenover dat je op iets onverwachts kunt stuiten.’

‘Harald was dus niet bezig van scriptieonderwerp te veranderen zoals Gunnar meende?’ vroeg Matthias.

‘Dat is lichtelijk overdreven,’ antwoordde Þorbjörn. ‘Gunnar maakt zich altijd onnodig zorgen: hij is ervan overtuigd dat alles naar de haaien gaat. Ik denk dat hij gewoon bezorgd was dat Harald hier zou neerstrijken en de eeuwige student zou worden. Dat laatste is nu ook gebeurd.’

‘Wilt u ons misschien iets over Haralds onderzoek vertellen?’ vroeg Þóra. ‘We proberen te bepalen in hoeverre zijn interesse in de heksenjachten misschien iets met de moord te maken kan hebben.’

Nu was het Þorbjörns beurt om zijn wenkbrauwen te fronsen. ‘Meent u dat?’ Þóra en Matthias knikten bevestigend. ‘Ja, ziet u, dat zou me echt verbazen. Geschiedenis gaat niet met zo’n hoop spanning gepaard dat mensen er veel moorden om plegen,’ zei hij. ‘Afgezien daarvan wilde Harald de heksenvervolgingen hier en op het Europese continent met elkaar vergelijken. Zoals u weet, kwamen hier hoofdzakelijk mannen voor hekserij op de brandstapel, in tegenstelling tot hoe het elders ging. Dat was eigenlijk het uitgangspunt van zijn onderzoek. Omdat Harald goed van de heksenwoede op het vasteland op de hoogte was, stortte hij zich er helemaal op om IJslandse bronnen in handen te krijgen en de geschiedenis van deze periode hier op IJsland te bestuderen. Hij had het naar mijn mening helemaal uitgeplozen, toen hij vermoord werd.’

‘En die zijwegen?’ vroeg Matthias.

Þorbjörn dacht even na. ‘Van tevoren had hij enorme belangstelling voor bisschop Jón Arason en de drukpers die hij naar IJsland moet hebben laten komen. Ik begreep eerst niet helemaal hoe dat volgens hem met de hetze tegen heksen te maken had, maar gaf hem toestemming ermee aan de slag te gaan. Daarna hield hij daarmee op en richtte zich op bisschop Brynjólfur Sveinsson van Skálholt. Dat vond ik toch een beter idee.’

‘Had Sveinsson iets met die heksenwoede te maken?’ vroeg Þóra.

‘Natuurlijk,’ antwoordde Þorbjörn, ‘hij was bisschop in die tijd, maar hij werd over het algemeen in zijn positie als mild beschouwd. Het is bekend dat hij voorkomen heeft dat schooljongens in Skálholt op de brandstapel terechtkwamen, toen er tussen hun bezittingen een toverboek aangetroffen werd. Maar als je het nader onderzoekt, kan het helemaal niet waar zijn: hij deed bijvoorbeeld niets om zijn neef, de priester Páll van Selárdalur, in bedwang te houden die het hardst optrad om mensen van hekserij te beschuldigen. Er werden er alleen al zeven op de brandstapel verbrand omdat ze ervan verdacht werden verantwoordelijk te zijn voor ziekten in het dorp van priester Páll.’

‘Dat toverboek waarnaar u verwees, was Harald daar bijzonder in geïnteresseerd?’ vroeg Matthias.

Þorbjörn schudde langzaam zijn hoofd. ‘Nee, niet dat ik me herinner. Het was bekend onder de naam Skálholtsskræða en het is waarschijnlijk dat Brynjólfur het van de hand gedaan heeft. Hij schreef wel tachtig toverspreuken over die erin stonden, als ik me goed herinner. Harald had vreselijk veel interesse in de boekenverzameling van Brynjólfur: daarin zaten diverse handschriften en boeken. De geschiedenis van Brynjólfur zelf wekte natuurlijk ook zijn belangstelling.’

‘Hoe zat dat precies?’ vroeg Matthias. Hij voegde er verontschuldigend aan toe: ‘Ik weet zo goed als niets over de geschiedenis van IJsland.’

Þorbjörn glimlachte met medelijden naar hem. ‘Kort gezegd had hij zeven kinderen, van wie er maar twee volwassen werden: Ragnheiður en Halldór,’ legde hij uit. ‘Ragnheiður kreeg ongehuwd een zoon, negen maanden nadat Brynjólfur haar in de aanwezigheid van veel priesters een eed had laten zweren dat ze nog maagd was. Die eed was naar aanleiding van geroddel over het feit dat ze een relatie zou hebben met een jonge hulp van haar vader, Daði geheten. Het zoontje van Ragnheiður werd bij de familie van zijn vader ondergebracht en zij overleed toen hij ongeveer een jaar oud was. Halldór, Brynjólfurs zoon, stierf een paar jaar later, toen hij voor studie in het buitenland was. Brynjólfur nam zijn enige nog levende nazaat – Þórður, het zoontje van Ragnheiður – in zijn eigen huis op; die was toen zes jaar oud. Hij werd al gauw de oogappel van de oude man. De vrouw van Brynjólfur stierf drie jaar nadat de jongen naar Skálholt gekomen was en om Brynjólfurs ongeluk helemaal compleet te maken stierf Þórður aan tuberculose, toen hij pas twaalf was. Brynjólfur, een van de belangrijkste mannen in de IJslandse geschiedenis, bleef dus alleen achter, zonder nazaten of familie. Ik had zo de indruk dat Harald het verhaal van deze bisschop intrigerend vond. Als Brynjólfur zijn dochter in het uur der waarheid beter bijgestaan had, denken mensen dat het met hem en zijn gezin beter afgelopen zou zijn. Ragnheiður ging er namelijk tegenin: ze zou in de kerk een dure eed gezworen hebben, maar zou zich diezelfde avond door Daði zwanger hebben laten maken om zich op de oude man te wreken.’

‘Het verbaast me niets dat dit verhaal Harald aansprak,’ zei Þóra. Hij moest met Ragnheiður meegevoeld hebben. ‘Was Harald het verhaal van Brynjólfur nog aan het bestuderen, toen hij vermoord werd, of had hij zijn aandacht op iets anders gericht?’

‘Als ik het wel heb, was zijn interesse in Brynjólfur wat afgenomen, omdat hij zich er tot in alle details in verdiept had. Er werd mij trouwens gezegd dat hij een week vakantie genomen had, voordat hij vermoord werd, dus ik weet helemaal niet waar hij toen mee bezig was.’

‘Staat u er iets van bij of Harald naar IJsland gedreven werd door iets anders dan de studie? Was hij op jacht naar oude voorwerpen of naar iets wat in historisch opzicht als waardevol beschouwd wordt?’ vroeg Matthias.

Þorbjörn lachte. ‘Bedoelt u een soort schat? Nee, we hebben het nooit over zoiets gehad. Het leek erop dat Harald met beide voeten op de grond stond: hij was een hardwerkende student en ik kon prima met hem samenwerken. Laat u zich niet misleiden door dat gezeur van Gunnar.’

Þóra besloot het gesprek op een ander onderwerp te brengen en hem te vragen naar de bijeenkomst die op de fatale avond in het instituut was gehouden.

‘Dat klopt helemaal,’ zei Þorbjörn. De pretlichtjes waren uit zijn ogen verdwenen. ‘We waren hier, de meeste docenten van de vakgroep. Wilt u daarmee iets suggereren?’

‘Integendeel,’ antwoordde Þóra kortaf. ‘Ik vraag het alleen in de vage hoop dat u iets opgemerkt hebt wat ons zou kunnen helpen: iets wat u zich misschien niet realiseerde, toen uw verklaring werd afgenomen. Vaak schieten dingen je later te binnen.’

‘Er valt niets af te leiden uit het feit dat wij daar een bijeenkomst hadden. We waren allang weg toen de moord ontdekt werd, als ik de politie goed begrepen heb. We vierden het feit dat we in samenwerking met een Noorse universiteit een Erasmus-subsidie aangevraagd hadden. Wij zijn niet van die feestbeesten dat we op zo’n feestje tot diep in de nacht doorgaan: we waren allemaal vlak voor twaalven al weg.’

‘Dat weet u zeker?’ vroeg Matthias.

‘Zeer zeker: ik ging als laatste weg en heb om precies te zijn het beveiligingssysteem aangezet. Als er daarna iemand binnengekomen was, zou het alarm in het hele gebouw zijn afgegaan.’ Hij keek naar Matthias, die niet overtuigd leek en voegde eraan toe: ‘De uitdraai van het systeem bevestigt dit.’

‘Daaraan twijfel ik niet,’ zei Matthias met een strak gezicht.

10 december 2005

24

De avond ervoor was er goed weer voorspeld en de voorspelling scheen uit te komen. Ze stonden in het kantoor van de Luchtvaartschool, waar Þóra en Matthias de dag ervoor een vliegtuigje geregeld hadden. Matthias was druk bezig om een formulier voor de piloot in te vullen, terwijl Þóra dankbaar van de gelegenheid gebruik maakte om een kopje koffie te drinken. De prijs van de vlucht had haar echt verbaasd: de vlucht naar Hólmavík moest heen en terug een klein uur duren en de kosten waren lager dan als ze met de auto waren gegaan en in een hotel hadden overnacht. Er was haar om precies te zijn een nog lagere prijs aangeboden, als ze er genoegen mee zouden nemen dat er een leerling achter de stuurknuppel zat. Ze had besloten om tegen het hogere tarief te vliegen.

‘Oké, dan zijn we er klaar voor,’ zei de piloot glimlachend. Hij was zo jong dat het niet lang geleden kon zijn dat hij nog voor het lagere tarief ingehuurd kon worden.

Ze vlogen over Reykjavík, dat vanuit de lucht veel groter leek dan vanaf de grond. Matthias keek geïnteresseerd naar beneden, maar het leek Þóra beter om recht voor zich uit te kijken, omdat je daarvoor in een vliegtuig maar zelden gelegenheid had. De reis naar Hólmavík ging vlug en al snel kwam het vliegveld van Hólmavík in zicht. Þóra zag dat de landingsbaan van gravel was en dat er één gebouwtje stond; dat was het hele vliegveld. Het vliegveld lag net buiten het dorp, aan de andere kant van de snelweg. De piloot vloog over de baan om hem in te schatten; tevreden over wat hij zag keerde hij het vliegtuig om en bracht het soepel aan de grond. Ze deden hun riemen los en stapten uit.

Matthias pakte zijn gsm en maakte aanstalten om te gaan bellen. ‘Wat is het nummer van het autoverhuurbedrijf?’ vroeg hij de piloot.

‘Autoverhuurbedrijf?’ antwoordde hij en hij moest hartelijk lachen. ‘Hier is niet eens een huurauto, laat staan een bedrijf. Jullie moeten gewoon te voet.’

Þóra lachte met de piloot mee, alsof ze dat allang wist. Ze had echter net als Matthias aangenomen dat ze vanaf het vliegveld een huurauto naar het museum konden nemen. ‘Kom op, het is niet ver,’ zei ze tegen een verbijsterde Matthias, terwijl ze hem meetrok. Ze liepen over de weg waar helemaal geen verkeer was, naar het benzinestation met winkel, dat de bezoekers van het dorpje moest verwelkomen. Ze gingen naar binnen om de weg te vragen. Het jonge meisje dat er als bediende werkte, was buitengewoon vriendelijk: ze liep zelfs met hen mee naar buiten om hun het museum aan te wijzen. Het kon niet eenvoudiger: de weg langs het strand aflopen naar het dorp en daar lag het museum aan de haven. Uit de verte was een zwart houten huis met een dak van plaggen te zien. Het was maar een paar honderd meter en het weer was mooi. Ze gingen op pad.

‘Ik herken dit van de foto’s op Haralds computer,’ zei Þóra, terwijl ze achteromkeek naar Matthias: het pad was zo smal dat ze niet naast elkaar konden lopen.

‘Waren er veel foto’s van deze plek? Iets interessants, bedoel ik?’

‘Nee, niet echt,’ antwoordde Þóra. ‘In feite waren het gewoon de gebruikelijke toeristenfoto’s, afgezien van het feit dat hij er een paar in het museum nam, waar je geen foto’s mag nemen,’ zei Þóra, terwijl ze voorzichtig langs een gladde plek op het trottoir ging. ‘Pas hier op,’ waarschuwde ze Matthias, die eroverheen liep. ‘Je hebt nu niet bepaald de juiste schoenen aan om te wandelen,’ zei ze tegen hem en ze wierp een vlugge blik op zijn zwarte lakschoenen. Ze pasten helemaal bij wat Matthias verder aanhad: een geperste broek, overhemd en een halflange wollen jas. Zij zelf had een spijkerbroek en wandelschoenen aan en uit voorzorg haar donsjack. Matthias had geen kritiek op het jack meer gegeven: hij had het voldoende gevonden om zijn wenkbrauwen te fronsen, toen hij haar opgehaald had en ze in de auto gestapt was met een bovenlichaam dat drie keer zijn normale volume had.

‘Ik had van alles verwacht, maar niet dat we te voet zouden gaan,’ zei Matthias geërgerd. ‘Hij had me wel even mogen waarschuwen, die vent.’ De vent die hij bedoelde, was de directeur van de tentoonstelling over hekserij, met wie Matthias een dag eerder over de telefoon gesproken had om er zeker van te zijn dat ze niet bij een leeg gebouw aankwamen.

‘Het zal je goed doen: dat zal je leren om niet zo’n ijdeltuit te zijn,’ antwoordde Þóra. ‘Zo werkt dat hier niet op IJsland. Als we deze zaak niet gauw hebben afgesloten, moet ik je de stad inslepen om een fleecetrui voor je te kopen.’

‘Nooit,’ antwoordde Matthias chagrijnig. ‘Al bleef ik tot mijn dood hier.’

‘Op deze manier komt die eerder dan je denkt,’ kaatste Þóra terug. ‘Heb je het dan niet koud? Wil je anders mijn trui?’ voegde ze eraan toe.

‘Ik heb voor vanavond bij Hotel Rangá geboekt,’ zei Matthias en veranderde op die manier handig van gespreksonderwerp. ‘Ik ben van plan om van huurauto te veranderen en een jeep te nemen,’ liet hij erop volgen.

‘Kijk, je bent al een halve IJslander geworden!’

Ze kwamen uiteindelijk bij het museum aan zonder op het ijs uit te glijden. Het museum zag er aan de buitenkant ouderwets uit. Het pleintje ervoor, afgebakend met een laag stenen muurtje, was bedekt met kiezels uit de zee en wat drijfhout. De deur van het museum was vuurrood, hetgeen nogal vloekte bij de natuurlijke kleur van het gebouw. Erbuiten zat een dikke, vadsige raaf op een houten bankje. Hij keek naar de hemel, toen hij Matthias en Þóra in het oog kreeg, deed zijn snavel wagenwijd open en kraste. Daarna strekte hij zijn vleugels uit en vloog naar de dakrand, vanwaar hij ze bekeek terwijl ze naar binnen gingen. ‘Toepasselijk,’ zei Matthias en hij hield de deur open voor Þóra.

Binnen vonden ze aan de rechterkant een kleine balie en recht vooruit een aantal planken met daarop verkoopartikelen die met toverij te maken hadden. Het was allemaal heel onopgesmukt en netjes. Achter de balie zat een jongeman, die van zijn krant opkeek. ‘Goedemorgen,’ zei hij glimlachend. ‘Welkom op de tentoonstelling over hekserij in Strandir.’

Þóra en Matthias stelden zich voor en de jongeman gaf aan dat hij hen verwacht had. ‘Ik werk hier maar tijdelijk,’ zei hij, nadat hij hen de hand geschud had en zichzelf had voorgesteld. ‘Þorgrímur.’ Zijn handdruk was ouderwets stevig. ‘Degene die normaliter het museum onder zijn hoede heeft, heeft een jaar verlof, maar hopelijk maakt dat niet uit.’

‘Nee, geen enkel probleem,’ zei Þóra. ‘Klopt het dat jij hier in de herfst ook was?’

‘Ja, dat klopt. Ik ben in juli begonnen.’ Hij keek haar nieuwsgierig aan en vroeg: ‘Mag ik vragen waarom je dat vraagt?’

‘Zoals Matthias je gisteren verteld heeft, onderzoeken we een bepaalde zaak die te maken heeft met iemand die in toverij geïnteresseerd was. Hij is waarschijnlijk in de afgelopen herfst hierheen gekomen en het leek ons een goed idee om een kijkje te nemen in de hoop dat dat misschien enig inzicht in zijn gedachtewereld oplevert. Ik neem aan dat je je hem herinnert.’

De jongeman lachte. ‘Dat is niet zo waarschijnlijk: er komen hier veel mensen naar toe.’ Hij besefte dat er behalve hen niemand anders was en voegde er beschaamd aan toe: ‘Dat moet je in deze tijd van het jaar trouwens niet serieus nemen: maar in het hoogseizoen is het hier altijd volle bak.’

Matthias glimlachte met tegenzin. ‘Weet je, deze man vergeet je niet zo gauw. Het was een Duitse student Geschiedenis met een heel onconventioneel uiterlijk. Hij heette Harald Guntlieb en is onlangs vermoord.’

Þorgrímurs gezicht lichtte op. ‘Oh ja, hij was helemaal – hoe moet ik het zeggen – versierd?’

‘Ja, als je het versierselen kunt noemen,’ antwoordde Þóra.

‘Ja ja, ik herinner me hem helemaal. Hij kwam hier met een andere vent, die iets jonger was, maar die had een kater en durfde niet naar binnen. Het was niet lang daarna dat ik in de krant las dat die Duitser vermoord was.’

‘Dat klopt,’ zei Matthias. ‘Die jongen die een kater had, weet je ook iets meer over hem?’

De jongeman schudde zijn hoofd. ‘Niet echt. Jullie vriend zei dat hij dokter was, toen hij afscheid nam. Ik denk dat hij een grapje maakte. Hij schudde zijn vriend met geschreeuw wakker, toen hij wegging. Ik stond in de deuropening en keek naar wat er gebeurde. Ik herinner me hoe onwaarschijnlijk ik het vond dat deze jongen arts was, omdat hij op het bankje hierbuiten op apegapen lag.’

Þóra keek naar Matthias en ze wisselden een blik van verstandhouding. Halldór.

‘Herinner je je hun bezoek op zich?’ vroeg Þóra.

‘Ik weet nog dat hij vreselijk veel wist. Het is leuk om een bezoeker te krijgen die zoveel van geschiedenis en hekserij afweet. Over het algemeen weten mensen niets: maar heel weinig mensen kunnen magische termen als tilberi van nábrók onderscheiden.’ Hij zag aan hun gezichten dat dit twee bezoekers van de laatste categorie waren. ‘Zullen we met een rondleiding door het museum beginnen? Dan vertel ik jullie over de belangrijkste dingen die we hier hebben. En dan kunnen we het daarna over jullie vriend hebben.’

Þóra en Matthias keken elkaar aan, haalden hun schouders op en volgden de jongeman het museum in.

‘Ik weet niet in hoeverre jullie op de hoogte zijn van deze zaken, maar het is misschien het beste dat ik jullie gewoon de achtergrond vertel.’ Þorgrímur liep naar een wand waaraan vellen van niet te herkennen dieren hingen. De buitenkant van de vellen hing naar de muur toe en op de binnenkant, die zichtbaar was, waren magische symbolen getekend, die veel ingewikkelder waren dan het symbool dat op Haralds lichaam gekrast was. Onder het vel hing een houten kistje aan de muur dat nog het meest op een ouderwetse pennendoos leek. Het stond half open en scheen vol haar te zitten; er zaten zilveren munten in. In het deksel waren eenvoudige magische symbolen gekrast en erbovenop zat een wirwar aan lijnen die aan een gemuteerd stekelvarken deed denken. ‘In de tijd van de hekserij waren de leefomstandigheden van de gewone mensen hier op IJsland niet om over naar huis te schrijven. Heel weinig families hadden het merendeel van het land in bezit, terwijl de meerderheid van hun landgenoten in totale armoede moesten leven. Er was geen enkele zichtbare weg uit hun armoede behalve het aanwenden van toverij en bovennatuurlijke krachten. In die tijd werd zoiets niet vreemd gevonden: er werd bijvoorbeeld gezegd dat de duivel tussen de mensen rondstruinde op zoek naar zieltjes.’ Hij draaide zich om naar de huid aan de wand. ‘Dit is een voorbeeld van toverij om rijk te worden: een zeemuissymbool, dat ook wel een ronde helm heet. Daarvoor had je de huid van een zwarte kater nodig en daarop moest je een magisch teken of zo’n ronde helm tekenen met het bloed van een ongestelde maagd.’

Matthias fronste zijn wenkbrauwen en hield zijn hoofd scheef om te zien of Þorgrímur het teken aanraakte. Die merkte dat en zei kortaf tegen de Duitser: ‘Wij hebben rode inkt gebruikt.’ Hij ging daarna verder: ‘Je moest een klein roofdier vangen, waarvan in de volksverhalen gezegd wordt dat het aan de kust huisde: een zeemuis. Die moest je vangen in een net gemaakt van het haar van een maagd.’ Þóra voelde hoe Matthias van achteren met zijn hand over haar lange, teruggeslagen haar streek. Ze paste ervoor op om niet in lachen uit te barsten en duwde zijn hand zo weg dat het niet opviel. ‘Dan moest je voor de muis een nest of een hol maken van een houten kistje en haar, daar een gestolen munt in doen en dan zou de muis een schat uit de zee naar het kistje slepen. Later moesten mensen er een ronde helm over heen hangen, zodat de muis niet zou ontsnappen en storm op zee zou veroorzaken.’ Hij wendde zich tot hen. ‘Dat was dus geen abracadabra.’

‘Nee,’ antwoordde Matthias en hij wees toen naar een wand waar een glazen kist met daarin het onderste deel van een mensenlichaam neergezet scheen te zijn. ‘Wat is dat in hemelsnaam?’

‘Aha, dat is een van de populairste stukken hier. Nábrók, het ritueel gevilde onderlijf van een dode man. Daardoor kon je ook rijk worden.’ Þorgrímur liep naar de vitrine. ‘Dit is natuurlijk niet echt: dat kun je zo zien.’ Þóra en Matthias knikten enthousiast. Achter het glas kon je de huid van de onderste helft van een mannenlichaam zien, maar de inhoud was verwijderd. Het restant deed Þóra nog het meest denken aan een ongewone, roze maillot met haar en geslachtsdelen. ‘Om zo’n gevild onderlijf in je bezit te krijgen moest je bij zijn leven een overeenkomst met een man sluiten om de huid van de onderste helft van zijn lichaam te krijgen, nadat hij overleden was. Als die persoon gestorven was, moest je het lichaam opgraven en de huid er vanaf de taille van afstropen, in één keer. Er kwamen dergelijke rituelen voor waarbij de andere partij in de overeenkomst de huid aantrok. De gevilde huid moest meteen met hem meegroeien en als hij een munt in de balzak stopte – een munt die hij met Kerstmis, Pasen of Pinksteren van een arme weduwe gestolen moest hebben – zou hij nooit meer platzak zijn, omdat er altijd genoeg geld in zijn zak zou zitten.’

‘Konden ze geen leukere plaats verzinnen?’ vroeg Þóra met een vertrokken gezicht. Þorgrímur haalde alleen zijn schouders op.

‘En wat is dit?’ vroeg Matthias en Þorgrímur liep met hen naar een grote foto van een vrouw in een lange, grove rok zoals vrouwen die vroeger droegen. De vrouw zat en had haar rok omhooggetrokken, zodat haar blote bovenbeen tevoorschijn kwam. Op haar dij zat een wrat of iets anders onplezierigs dat recht naar buiten stak.

‘Jullie weten natuurlijk dat het op IJsland voornamelijk mannen waren die voor hekserij ter dood gebracht werden: ongeveer twintig mannen tegen één vrouw. Men denkt dat dat zo was, omdat zij het merendeel uitmaakten van de mensen die zich hier met dit soort dingen bezighielden, in tegenstelling tot de andere Europese landen. Maar dit soort hekserij – tilberi, het beheksen van een rib – is opmerkelijk vanwege het feit dat ze de enige IJslandse vorm van hekserij is die alleen vrouwen konden uitvoeren. Om aan zo’n behekste rib te komen moest ze in de Pinksternacht een rib uit een graf stelen, hem in wol wikkelen en onder haar kleren tussen haar borsten dragen, driemaal om een altaar heen lopen en er de miswijn helemaal overheen sprenkelen en dan zou hij tot leven komen. De rib werd vervolgens groter en om hem nog steeds onder haar kleren te kunnen verbergen moest de vrouw een tepel vormen van de huid op haar dijbeen: daaraan kon de rib zich dan voeden, terwijl hij ’s nachts door de omgeving fladderde om de melk uit schapen en koeien te zuigen: die spuugde hij ’s ochtends in de karnton van de vrouw uit.’

‘Hij is nu niet bepaald erg mooi, dat arme ding,’ zei Þóra, terwijl ze op een tentoongesteld stuk wees. De replica van een dergelijke rib was in wol gewikkeld er viel weinig anders aan te ontdekken dan een tandeloze open mond en twee kleine witte oogjes zonder pupillen.

Aan Matthias’ gezicht te oordelen dacht hij er net zo over. ‘Werd deze ene vrouw die vanwege hekserij ter dood gebracht werd, ook in staat van beschuldiging gesteld?’

‘Nee, eigenlijk niet. Er deed zich wel in 1635 in het zuidwesten een zaak voor waarbij een vrouw en haar moeder ervan verdacht werden dat ze zo’n rib hadden. Dat werd onderzocht, maar bleek niet waar te zijn, dus ze kwamen met de schrik vrij.’

Ze liepen verder door het museum en bekeken wat er verder te zien was. Het meest opvallend vond Þóra een houten paal met een bos rijshout eronder. Toen ze stil bleef staan om ernaar te kijken, kwam Þorgrímur naar haar toe en vertelde haar dat iedereen die vanwege hekserij verbrand werd, eenentwintig man in totaal, levend op de brandstapel gekomen was. Hij zei haar verder dat het bekend was dat drie van hen geprobeerd hadden van de stapel af te komen, toen de touwen waarmee ze aan de paal vastgebonden waren, geknapt waren. Ze werden weer in het vuur gegooid, waarin ze omkwamen. Hij zei dat de eerste terechtstelling in 1625 plaatsgevonden had, maar de eigenlijke hetze tegen heksen was begonnen met het verbranden van drie heksen in Trékyllisvík, in het noorden van de Westfjorden, in 1654. Þóra rekende voor zichzelf uit hoe kort dat eigenlijk geleden was.

Toen ze voldoende gezien hadden, liep Þorgrímur met hen naar de bovenste verdieping. Op weg daarheen kwamen ze langs een waarschuwingsbordje waarop stond dat er in het museum geen foto’s genomen mochten worden: hetzelfde bordje had Þóra op een van de foto’s op Haralds computer gezien. Þorgrímur maakte hen attent op een grote stamboom waarop stond hoe de belangrijkste heksenvervolgers in de zeventiende eeuw met elkaar verwant waren. Hij wees hen erop hoe de regerende hogere stand alles goed geregeld had voor hun nageslacht en hoe ze het monopolie hadden op posities als schout en rechter. Nadat Þóra de stamboom bekeken had, kon ze hem daarin alleen maar gelijk geven. Matthias was hierin niet erg geïnteresseerd: hij liep bij hen weg, naar een vitrine waarin replica’s van toverboeken en andere handschriften lagen. Hij bleef daar staan en boog zich over de vitrine heen, toen Þóra en Þorgrímur eraan kwamen.

‘Het is eigenlijk ongelofelijk dat een paar toverboeken bewaard gebleven zijn,’ zei Þorgrímur, terwijl hij naar een van de handschriften wees.

‘Bedoel je omdat ze zo oud zijn?’ vroeg Þóra. Ze boog voorover om te kunnen kijken.

‘Ja, ook, maar hoofdzakelijk omdat het een misdaad op straffe van dood was om ze in je bezit te hebben,’ antwoordde Þorgrímur. ‘Sommige zijn feitelijk afschriften van oudere handschriften die waarschijnlijk al bijna kapot waren, dus de originelen kwamen niet allemaal uit de zestiende of zeventiende eeuw.’

Þóra ging rechtop staan. ‘Bestaat er ook een overzicht van bekende magische tekens?’

‘Nee, dat is juist zo merkwaardig: niemand heeft daar werk van gemaakt, voor zover ik weet.’ Met een maaiende beweging van zijn hand legde hij nadruk op zijn woorden. ‘Hier zijn bijvoorbeeld talloze tekens te zien en dat zijn maar een paar pagina’s uit deze handschriften en boeken: een miniem voorbeeld. Je kunt je dus goed voorstellen hoeveel tekens er zijn.’

Þóra knikte. Verdomme. Het zou toch wel heel fijn geweest zijn, als Þorgrímur hen op een lijst met tekens gewezen had waarin ze het onbekende magische symbool hadden kunnen opzoeken. Ze deed een stap opzij om meer handschriften te bekijken. De vitrine stond midden op de vloer en je kon eromheen lopen. Opeens verstijfde Matthias.

‘Wat voor teken is dit?’ vroeg hij opgewonden en hij tikte met zijn vingers op het glas.

‘Welk teken?’ vroeg Þorgrímur, terwijl hij het document bekeek.

‘Dit hier,’ zei Matthias en hij wees ernaar.

Hoewel Þóra over de vitrine moest leunen om te zien waarnaar Matthias wees, begreep ze sneller dan Þorgrímur welk teken zijn aandacht getrokken had, al was het alleen omdat het een van de weinige tekens was die ze kende: het teken dat op Harald gekrast was. ‘Verdraaid,’ zei ze zacht.

‘Dit hier onder aan de bladzij?’ vroeg Þorgrímur, terwijl hij op een teken wees.

‘Nee,’ zei Matthias, ‘dit hier in de marge. Waarvoor is dat?’

‘Tja, dat weet ik niet zo snel,’ antwoordde Þorgrímur. ‘Daar kan ik geen uitspraken over doen, helaas. De tekst op de bladzijde heeft er niets mee te maken: het is een voorbeeld van een magisch teken dat de eigenaar van het boek er zelf in de marge bij getekend heeft. Dat was niet ongebruikelijk: zulke tekens zijn in meer handschriften en boeken te vinden dan alleen in toverboeken.’

‘Uit welk handschrift komt dit?’ vroeg Þóra, terwijl ze naar de tekst tuurde die bij het document stond.

‘Het is een handschrift uit de zeventiende eeuw, in bezit van het Koninklijk Instituut voor Geschiedenis in Stockholm. Het staat bekend als het IJslandse toverboek. Zoals te begrijpen valt, is de schrijver onbekend. Er zijn vijftig toverspreuken van diverse afkomst in te vinden: de meeste zijn onschuldig en bedoeld om meer hulp van mensen te krijgen of om die tegen iets te beschermen.’ Hij boog voorover om dezelfde tekst te lezen die Þóra net geprobeerd had te ontcijferen. ‘Een paar spreuken zijn trouwens zwartgalliger: eentje is bijvoorbeeld een doodsspreuk die bedoeld is om degene te doden tegen wie hij gericht is. Een van de twee liefdesspreuken die erin staan, is eveneens nogal macaber.’ Hij keek op van de vitrine. ‘Vreemd: jullie vriend, die Harald, had belangstelling voor precies hetzelfde onderdeel van toverij: boeken en handschriften.’

‘Vroeg hij je naar ditzelfde symbool?’ vroeg Matthias.

‘Nee, daar staat me niets van bij,’ antwoordde Þorgrímur, maar hij liet erop volgen: ‘Ik ben overigens geen expert op dit gebied en ik kon hem daar weinig mee helpen; ik herinner me wel dat ik hem met Páll in contact heb gebracht, die hier de eigenlijke directeur is. Hij weet daar alles van.’

‘Hoe krijgen wij hem te pakken?’ vroeg Matthias gespannen.

‘Dat is een probleem: hij zit in het buitenland.’

‘Ja, en? Kunnen we hem niet bellen of een e-mail sturen?’ vroeg Þóra, die niet minder enthousiast was dan Matthias. ‘Het is voor ons nogal belangrijk om te weten te komen wat dat symbool betekent.’

‘Tja, ik heb zijn nummer ergens,’ antwoordde Þorgrímur die veel rustiger was dan zij waren. ‘Het lijkt me het beste dat ik hem eerst bel en met hem praat om hem de zaak uit te leggen. Dan kan hij daarna met jullie praten.’

Þorgrímur liep terug naar de balie en pakte een kleine agenda waarin hij begon te zoeken. Hij pakte vervolgens de telefoon en draaide een nummer waarbij hij ervoor oppaste dat ze het niet zagen. Even later begon hij opeens te praten om een bericht op het antwoordapparaat achter te laten. ‘Jammer, hij neemt niet op. Hij belt ongetwijfeld meteen terug, wanneer hij het bericht krijgt: misschien vanavond, misschien morgen, misschien overmorgen.’ Þóra en Matthias gaven Þorgrímur hun visitekaartjes en deden geen poging om hun teleurstelling te verbergen. Ze vroeg hem of hij het hun wilde laten weten, zodra hij met deze Páll contact had gehad. Hij zei dat hij dat zou doen en stopte de kaartjes in zijn agenda. ‘Wat betreft die vriend van jullie: wilden jullie niet weten wat hij hier kwam doen?’ vroeg hij daarna.

‘Ja, absoluut,’ antwoordde Þóra. ‘Was er nog iets anders dat zijn interesse wekte behalve dat handschrift of zei hij dat hij ergens naar op zoek was?’

‘Het waren voornamelijk handschriften, als ik het me goed herinner,’ antwoordde Þorgrímur nadenkend. ‘Hij deed me trouwens een bod op de offerschaal hierbinnen. Ik had helemaal geen idee of hij een grapje maakte of niet.’

‘Offerschaal? Wat voor offerschaal?’ vroeg Matthias.

‘Loop mee: hij staat hierbinnen.’ Ze volgden hem naar een kleine kamer, waar in het midden een stenen schaal in een glazen kast bewaard werd. ‘Dit is een schaal die gebruikt werd bij een offer. Hij is hier in de buurt gevonden en de forensische dienst van de politie heeft vastgesteld dat er sporen van bloed in zitten. Eeuwenoud trouwens.’

‘Wat een joekel,’ zei Þóra hardop. ‘Konden ze geen schaal van hout maken?’ Het brok steen woog zeker een paar kilo. Hij was zo uitgehouwen dat er over het midden een groef liep.

‘Hij was zeker niet te koop?’ vroeg Matthias.

‘Nee, in geen geval. Het is het enige voorwerp in de collectie dat geen replica is, en mag dus sowieso niet worden verhandeld.’

Þóra bekeek de steen onderzoekend. Was het mogelijk dat dit het voorwerp was dat Harald zo graag wilde hebben? Dat kon haast niet. ‘Weet je heel zeker dat dit dezelfde steen is?’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Þorgrímur verbaasd.

‘Nou, gewoon. We hoeven er geen rekening mee te houden dat de museumdirecteur Haralds aanbod geaccepteerd heeft: hem de steen heeft verkocht en er een andere voor in de plaats heeft gemaakt?’

Þorgrímur glimlachte. ‘Onmogelijk. Dit is dezelfde steen en hij is hier de hele tijd geweest. Daarvoor durf ik mijn hand in het vuur te steken.’ Hij draaide zich om en liep de kamer uit met de anderen in zijn kielzog. ‘Zoals ik al zei, hij stelde het gewoon gekscherend voor.’

‘Maar was er iets anders dat hij zei of waar hij naar vroeg?’ vroeg Þóra. ‘Iets ongewoons?’

‘Ja, zoals ik daarnet zei, had hij vooral belangstelling voor toverboeken en handschriften,’ herhaalde Þorgrímur. ‘Hij vroeg me trouwens naar de Heksenhamer: of ik daar iets over gehoord had en of ik had horen zeggen dat er een heel oude editie op IJsland was. Ik had het nog nooit horen noemen en dat zei ik ook tegen hem. Jullie weten misschien niet waarover ik het heb?’ Hij keek hen aan.

‘Jawel, we weten ervan,’ antwoordde Matthias voor hen beiden.

‘Ik vroeg hem waar hij dat vandaan had en hij antwoordde dat er oude brieven waren waaruit opgemaakt kon worden dat er hier zo’n exemplaar terechtgekomen was.’

25

Er zijn niet veel gebouwen op IJsland die zich op een net zo groots uitzicht kunnen beroepen als het hoofdgebouw van de universiteit. Bríet genoot van het uitzicht, aangezien ze op de trap aan de hoefijzervormige oprit zat. Om een of andere reden had ze ineens zin in een eigen auto. Maar dat zat er met die stomme studieleningen niet in. Ze zou het best leuk vinden om een echte gierigaard tegen te komen die de kosten van levensonderhoud precies kon berekenen om die tegen haar lening af te zetten en te vergelijken. Het zou fijn zijn om de studie af te ronden en aan het werk te gaan. Niet dat historici veel verdienden; als het om geld ging, had ze iets anders moeten studeren. Daarom wilde ze heel graag een goede kostwinner vinden net zoals haar oudere zus, die met een jurist getrouwd was. Hij werkte bij een van de grote banken, verdiende geld als water en haar zus had een luxeleven. Nu waren ze een enorm huis aan de Vatnsendi aan het bouwen; haar zus, die politicologe was, werkte halve dagen bij een ministerie en amuseerde zich de rest van de dag met winkelen. Bríet leunde op de schouder van Halldór, die naast haar zat. Hij was zo knap en gewoon een aardige jongen en, niet onbelangrijk: artsen verdienden over het algemeen heel goed.

‘Waaraan zit je te denken?’ vroeg hij, terwijl hij een sneeuwbal gooide die hij net gemaakt had.

‘Ach, ik weet het niet,’ antwoordde Bríet bezorgd. ‘Vooral aan Hugi.’

Halldór keek zijn sneeuwbal na: hij vloog hoog de lucht in en landde vlak bij het standbeeld van de priester Sæmundur op de zeehond, uit het sprookje. ‘Die hield zich met magie bezig,’ zei Halldór. ‘Wist je dat?’

‘Wie?’ vroeg Bríet. ‘Hugi?’

‘Nee, Sæmundur de geleerde, uit het sprookje.’

‘O, die. Ja, natuurlijk wist ik dat.’ Bríet haalde een pakje sigaretten uit haar tas. ‘Wil je er een? Je favoriete soort.’ Ze reikte hem het witte pakje aan en glimlachte.

‘Halldór keek van het pakje naar haar en glimlachte terug. ‘Nee, dank je. Ik heb nog bij me.’ Hij pakte een van zijn eigen sigaretten en ze staken allebei op. Hij leunde naar voren, zodat Bríet haar hoofd van zijn schouder moest halen. ‘We zitten wel diep in de shit.’

‘Precies.’ Bríet wist helemaal niet wat ze het beste kon zeggen en besloot om voorzichtig af te wachten wat hij verder zou zeggen. Ze wilde niet dat hij iets geks deed waardoor zij, of hijzelf natuurlijk, in de problemen kwamen. Maar ze wilde hem ook laten zien dat zij begripvoller en eerlijker was dan Marta Mist.

‘Ik heb eigenlijk genoeg van deze puinhoop.’ Hij keek recht voor zich uit en dacht even na, voordat hij verderging: ‘De andere studenten hier zijn zo volkomen anders dan wij.’

‘Dat weet ik,’ zei Bríet. ‘Wij zijn niet bepaald voorbeeldige studenten. Ik heb er ook genoeg van.’ Waarom wist ze echter niet.

Halldór praatte verder en het kwam Bríet zo voor dat hij niet geluisterd had naar wat ze gezegd had. ‘Wat me feitelijk nog het meest opvalt is dat andere studenten, die niet de hele tijd lol hebben en de bloemetjes buitenzetten zoals wij, dat die niet minder tevreden met hun leven en hun bestaan zijn dan wij. Als het gewoon wat rustiger is.’

Bríet merkte dat hij haar geen aandacht schonk. Ze legde haar hand op Halldórs schouder en leunde met haar hoofd naar het zijne toe. ‘Ik dacht precies hetzelfde. We zijn veel te ver gegaan; als Andri en de anderen hiermee verder willen gaan, dan moeten ze dat zonder mij doen. Ik wil mezelf weer in het gareel krijgen, met de studie en gewoon met alles. Dit is niet leuk meer.’ Ze had met opzet de naam Marta Mist niet genoemd uit angst dat haar gevoelens te duidelijk zouden blijken.

‘Vreemd, dat vind ik ook.’ Hij keek haar glimlachend aan. ‘We zijn niet zo verschillend, jij en ik.’

Bríet kuste hem zachtjes op zijn wang. ‘Wij hebben het leuk met elkaar. Laat de rest toch stikken.’

‘Hugi niet,’ zei Halldór en zijn glimlach verdween even snel als hij gekomen was.

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei ze vlug. ‘Ik denk de hele tijd aan hem; hoe zou het eigenlijk met hem gaan?’

‘Vreselijk. Ik kan er niet langer tegen.’

‘Wat?’ Bríet durfde dat eigenlijk niet te vragen: het zou beter zijn om te raden waar hij het over had, maar ze wist niet zeker of ze het bij het juiste eind zou hebben en dus kon ze er beter niet over beginnen.

Halldór wilde gaan staan. ‘Ik geef die advocate een paar dagen extra en dan ga ik naar de politie. Het interesseert me geen reet wat er gebeurt.’

Verdomme. Bríet probeerde in haar verwarring iets te bedenken om Halldór tot bezinning te brengen; ze zou dat op dat moment graag aan Marta Mist overgelaten hebben, als die bij hen geweest was. ‘Halldór, jij hebt Harald toch niet vermoord? Jij zat toch in De Koffiebrander?’

Hij stond op en keek haar aan met een gezicht dat allesbehalve blij was. ‘Ja, ik zat in De Koffiebrander. Waar zat jij?’ Hij liep weg.

Bríet schrok. Ze stond vlug op en zei snel: ‘Zo bedoelde ik dat niet, sorry. Ik bedoelde gewoon: waarom zou je naar de politie gaan?’

Halldór draaide zich heel vlug om. ‘Weet je, ik begrijp eigenlijk niet waarom jij en Marta Mist daar zo vreselijk op tegen zijn. Er komt altijd een dag van de waarheid; vergeet dat niet.’ Hij stevende weg.

Bríet wist niet wat ze daar tegen in kon brengen. Toen ze even had nagedacht pakte ze haar gsm en belde op.

* * *

Laura Amaming liep in de richting van de hal in het gebouw aan de Arnagarður, waar Gloria worstelde met het stofzuigen van de vloerbedekking. Laura had haar nog geen ochtend onder vier ogen kunnen spreken en greep daarom de gelegenheid met beide handen aan. ‘Gloria,’ zei ze in hun moedertaal, ‘ik moet je iets vragen.’

Gloria keek verbaasd op. ‘Wat? Ik werk toch zoals jij me geleerd hebt.’

Laura woof die zorg met haar hand weg. ‘Ik wil het niet over schoonmaken hebben. Ik wil graag weten of jij in het weekeinde waarin die moord gepleegd werd, iets ongewoons gemerkt hebt in de ruimte voor de studenten. Jij hebt daar toen schoongemaakt. Voordat het lijk gevonden werd.’

Gloria’s donkere ogen werden heel groot. ‘Ik heb jullie dat al verteld en de politie ook: er was niets aan de hand.’

Laura keek haar ernstig aan. Gloria loog. ‘Gloria, vertel me de waarheid. Je weet dat het een zonde is om te liegen. God weet wat jij daar gezien hebt. Wil je ook tegen Hem liegen, wanneer je voor Hem verschijnt?’ Laura pakte de schouder van het meisje beet en dwong haar om haar aan te kijken. ‘Het is allemaal in orde. Jij kon niet weten dat er een moord gepleegd was. Niemand is dat weekeinde het printerhok binnengegaan. Wat heb je gezien?’

Er rolde een traan over Gloria’s wang. Laura was er niet van onder de indruk: het was niet de eerste traan die het meisje op het werk vergoot. ‘Gloria, beheers je en vertel het me. Ik heb bloedspatten op het handvat van een venster gevonden. Wat was daar aan de hand?’

Twee, drie, heel veel tranen vloeiden naar beneden. Gloria zei opeens tussen haar snikken door: ‘Ik wist het niet, ik wist het niet!’

‘Oké, Gloria. Dat weten we allemaal. Hoe kon je dat ook weten?’ Ze veegde de tranen van de wangen van het meisje. ‘Wat was er daarbinnen eigenlijk?’

‘Bloed,’ zei het meisje, terwijl ze Laura bang aankeek. ‘Geen plas bloed of zo. Gewoon bloed dat iemand geprobeerd had op te ruimen, maar dat had hij niet helemaal gedaan. Ik had het eerst niet door, totdat het van de vloer op de schoonmaakdoek kwam. Ik wist niet wat ik moest doen: ik wist niet met… Je weet wel.’

Laura ademde rustiger. Bloedsporen, niets anders. Voor Gloria was alles nu in elk geval in orde: ze zou vast niet in de problemen komen, omdat ze dit verzwegen had. Laura zelf had de schoonmaakdoek met het bloed van het raam bewaard; nu kon ze die aan Tryggvi geven en hij kon hem dan aan de politie geven. Die kenden methodes om erachter te komen wiens bloed het was. Laura twijfelde er niet aan of de moord was daarbinnen gepleegd. ‘Gloria, maak je nou geen zorgen: het is maar een kleinigheid en het is niet belangrijk. Je moet gewoon een nieuwe verklaring afleggen; vertel de waarheid: dat je het belang van deze informatie niet hebt ingezien.’ Ze glimlachte en zag tot haar verbazing dat het meisje nog huilde.

‘Er is nog iets,’ zei ze tussen twee snikken in.

‘Nog iets?’ vroeg Laura verbaasd. ‘Hoezo: nog iets?’

‘Ik vond daar ’s ochtends nog iets. In de besteklade. Ik zal het je laten zien,’ zei Gloria huilend. ‘Ik heb het bewaard. Kom mee.’

Laura volgde Gloria het schoonmaakhok op de eerste verdieping in. Daar klom ze betraand op een trapje en pakte iets van de bovenste plank. Ze kwam naar beneden met een klein voorwerp, gewikkeld in een handdoekje, en gaf dat aan Laura; ze was eindelijk opgehouden met huilen. ‘Ik heb het bewaard, omdat ik wist dat het iets geks was. En toen het lijk gevonden werd, ontdekte ik wat het was en toen werd ik bang. Mijn vingerafdrukken staan erop en ik wist zeker dat de politie zou denken dat ik hem vermoord had. Ik heb hem niet vermoord.’

Laura vouwde het handdoekje voorzichtig open. Ze slaakte een gil en sloeg een kruis, waardoor Gloria zich niet kon bedwingen en weer begon te huilen.

* * *

Guðrún – of Gurra, zoals haar vrienden haar noemden – hield zich in bedwang en onderdrukte haar verlangen om op haar nagels te bijten. Het was zo lang geleden sinds ze daarmee opgehouden was dat ze zich niet eens kon herinneren wanneer dat was geweest, bijvoorbeeld voor of na haar huwelijk met Alli. Ze keek naar haar goed verzorgde handen. Jammer genoeg had ze geen nagellak: dat zou haar neurotische trekje om op haar nagels te willen bijten namelijk alleen maar versterken. Ze overlegde bij zichzelf of ze haar nagels zou lakken om vervolgens te wachten totdat het hard geworden was en ze de lak er weer af kon halen, maar zette die gedachte uit haar hoofd. In plaats daarvan stond ze op en liep de keuken in. Het was zaterdag en ze had bedacht dat ze die avond iets lekkers op tafel wilde zetten. Alli werkte alle dagen behalve op zondag en de zaterdagavond was daarom de enige avond waarop hij een beetje kon ontspannen. Ze keek op de klok: het duurde nog veel te lang tot etenstijd om nu al te gaan koken. Ze zuchtte. Alles was al schoon en goed bijgehouden: er viel niets op te ruimen. Ze moest iets doen om de tijd te verdrijven, als ze niet knettergek wilde worden. Iets wat haar van deze drukkende angst zou afleiden. Ze herinnerde zich hoe vreselijk ze het had gevonden, toen de politie aan de deur klopte met een huiszoekingsbevel voor de woning op de bovenste verdieping. Zoiets gebeurde toch niet? Ongelofelijk, maar waar. Al haar zorgen waren ongegrond en ze kon weer ontspannen. Heel even maar.

Waarom bemoeiden deze mensen zich met de zaak? Was de politie niet tevreden over hun eigen conclusie? Waarom moest anders alles weer opgerakeld worden? Ze zuchtte hardop. Wat deed ze toch moeilijk? Hoewel Alli maar al te vaak vreselijk saai was en allang geen interesse in hun huwelijk meer had, wilde dat toch niet zeggen dat ze hem zou willen missen; ze had zelfs in allerlei opzichten haar best gedaan om hem bij zich te houden. Ze was drieënveertig jaar en te oud om zich weer op de huwelijksmarkt te begeven.

Wat was ze stom geweest. Om met hun huurder naar bed te gaan. Daarnaast was de woning vaak aan aantrekkelijker mannen verhuurd dan aan die gestoorde Duitser. Ze kon niet bij haar volle verstand zijn geweest, gezien het feit dat het vaker dan één keer en ook vaker dan twee keer gebeurd was. Met hem vrijen was leuk geweest; dat kon ze niet ontkennen. Er hing een sprookjessfeer omheen, waarschijnlijk omdat ze wist dat ze het niet zou moeten doen. Harald was ook veel, veel jonger dan haar man en had daardoor veel meer pit. Had hij er nou maar niet zo vreselijk onappetijtelijk uitgezien met al die littekens en ringetjes en naalden.

Denken, denken… Ze haalde diep adem. Hoe kon het zo ver komen? Niemand wist ervan; tenminste, ze had er geen levend wezen van verteld. Alleen haar verstand had haar ervan weerhouden om tegen haar beste vriendin over haar overspel op te scheppen. Harald zou er vast niet over gepraat hebben. Hij hoefde niet op te scheppen: er ging een eindeloze stroom jonge vrouwen zijn appartement in en uit. Daar kon hij over opscheppen, als hij de behoefte had gehad om over zijn seksuele successen te praten. Ze dacht er nog wat beter over na. Die eindeloze stroom vrouwen bestond trouwens hoofdzakelijk uit twee meisjes: de een lang en roodharig, de ander klein en blond. Hij kon er haast niet over gepraat hebben: de politie had er in elk geval geen lucht van gekregen. Ze had een paar keer kort met hen gesproken en er was nooit iets van gebleken, niet in hun woorden en ook niet in hun houding, hetgeen aangaf dat ze de relatie van haar en Harald niet anders gezien hadden dan die van huurbazin en huurder. En zo was het tegen het eind ook geweest. Harald had haar verteld dat hij geen zin meer had: hij had andere ijzers in het vuur. Haar gezicht vertrok al bij de gedachte. Zij had de eerste willen zijn om het uit te maken, niet hij. Ze moest hem trouwens nageven dat hij haar hartelijk bedankte voor de uren die ze samen doorgebracht hadden, maar dat voorkwam niet dat zij haar zelfbeheersing verloor. Ze bloosde bij de gedachte. Ze was gemeen geweest en onbeschoft. Het had haar gewoon zo vreselijk gestoken dat ze wist wat erachter zat, terwijl hij er niets over gezegd had. Hij had namelijk een vriendinnetje. Gurra had hen een paar keer samen de woning in en uit zien gaan in de week voordat hij vermoord werd. Ze spraken Duits met elkaar, dus waarschijnlijk was het meisje ook Duits; IJslandse vrouwen waren zeker niet goed genoeg voor hem, als het erop aankwam. Haar kwaadheid zat ’m in de dubbele moraal van Harald: het was oké dat zij haar man bedroog, maar hij was te goed om zijn stomme vriendin te bedriegen.

Hoe dan ook, het was niet anders en nu moest ze ervoor zorgen dat ze er niet steeds weer over nadacht, omdat het met een beetje geluk nooit aan het licht zou komen. Ze sleepte zichzelf naar het washok. Het was al lang geleden sinds ze daar schoongemaakt had. Het hok kwam uit op de gang en je kon er vanuit haar woning en door de hal vanuit Haralds woning in komen. Het was een van de weinige dingen die ze aan het huis veranderd hadden, nadat ze besloten hadden om het te kopen en de bovenste verdieping te verhuren. Ze opende het slot en ging naar binnen. Ja, hier kon ze de boel eens onder handen nemen. Er waren zelfs nog sporen van de speurhonden die overal doorheen gewalst waren op zoek naar drugs. Gelukkig was er in het washok niets gevonden: Gurra wist niet of zij en Alli verdacht zouden worden of op een zwarte lijst terechtgekomen waren, als er in een gemeenschappelijke ruimte drugs gevonden waren. In elk geval hadden ze het wenselijk geacht dat zij bij het zoeken aanwezig waren, ook al had geen van hen beiden ooit drugs aangeraakt; zij in elk geval niet, maar Joost mocht weten wat Alli op die eindeloze reizen van hem uitprobeerde. Wat dat aanging had zij nooit zoiets geprobeerd. De agent had de hond hierbinnen overal ongestoord laten ruiken en toen ze het genoeg schenen te vinden, had het legertje de kamer zonder verdere omhaal verlaten. Eentje had in de droogtrommel en de wasmachine gekeken, meer uit nieuwsgierigheid dan iets anders. Verder hadden ze daar niets gedaan.

Ze deed de bezemkast open en pakte een bezem en een emmer. Toen ze de emmer naar zich toe trok, kreeg ze een doos in het oog. Ze staarde ernaar. De laatste keer dat ze gedweild had, stond er geen doos in de kast. Over het algemeen was de kast zo goed als leeg, afgezien van schoonmaakspullen voor beide woningen. Ze trok de doos er voorzichtig uit. Hij moest van Harald zijn. Ze probeerde zich te herinneren wanneer ze hier voor het laatst gedweild had. Godallemachtig, dat was geweest net toen Harald er een punt achter gezet had. Hij was hier naar binnen gegaan om zijn was in de machine te stoppen en toen zij hem vertelde – zodat er geen misverstand over zou bestaan – dat ze er zin in had, had hij glimlachend meegedeeld dat de affaire voorbij was. Hij had de doos daar dus ergens kort voor de moord neergezet. Waarom? Hij had haar aanbod om van het berghok gebruik te maken nooit aangenomen. De vier planken die voor huurders gereserveerd waren, waren leeg. Kon het zijn dat hij iets voor zijn nieuwe vriendin wilde verbergen, het in deze doos had gestopt en die in de kast gestopt had? Vergeleken met zijn eigen uiterlijk en zijn vreemde smaak in binnenhuisarchitectuur was het maar zeer de vraag of hij iets te verbergen had. Ze voelde een steek in haar hartstreek: stel dat hij stiekem foto’s van zijn eerdere seksuele hoogstandjes genomen had en niet had gewild dat zijn vriendin die in handen kreeg? Er waren weinig dingen afstotelijker dan aan de kant geschoven te worden: dan te weten dat je al gauw deel van een verzameling uitmaakte. Gurra hield verschrikt met beide handen haar hoofd vast. Het kon dus zijn dat ze zelf op een filmpje of een foto stond. Ze bleef als bevroren staan en staarde naar de doos aan haar voeten. Ze moest hem openmaken: er zat niets anders op. De doos openmaken om er zeker van te kunnen zijn dat er niets in zat wat haar geheimen zou onthullen.

Gurra bukte en trok de kartonnen flappen open. Ze staarde naar de inhoud. Geen foto’s, geen filmpjes. Er zaten voorwerpen in, gewikkeld in theedoeken, die waarschijnlijk breekbaar waren, en ook wat papieren in een plastic mapje. Ze voelde zich enorm opgelucht. Ze pakte een van de papieren en zag dat het een oeroude brief was, waarvan ze vermoedde dat die waardevol was. Ze begreep noch het soort letters, noch de tekst meteen en dus klemde ze de brief onder haar oksel: ze zou er straks beter naar kijken. Ze bladerde door de rest van de papieren en zag tot haar grote opluchting dat ook die niets met seks of Haralds privéleven te maken hadden. Eén blad trok haar aandacht. Het was werkelijk slordig geschreven, een kladje in rode inkt, en het papier – als dit al papier was – was dik, donker en met was behandeld. De tekst was heel vreemd en onder aan de bladzijde was een rune of een ander teken getekend. Het was met twee namen van verschillende mensen ondertekend die allebei leesbaar waren. Ze herkende één ervan van de huurovereenkomst als Haralds handtekening. Ze legde het papier terug in de doos. Vreemd.

Gurra duwde de inhoud boven in de doos opzij, zodat ze bij de breekbare voorwerpen kon komen die in theedoeken gewikkeld eronder zaten. Ze pakte een bundeltje en tilde het er voorzichtig uit. Het was licht, net alsof er niets in de theedoek zat. Ze vouwde de doek voorzichtig open en keek verbijsterd naar de inhoud. Ze gilde, klemde de oude brief, die ze nog steeds vast had, nog steviger vast en gooide de theedoek neer. Ze sprong uit het washok en smeet de deur in het slot.

* * *

Gunnar pakte de telefoon op en draaide het interne nummer van María, de directeur van het Árni Magnússon-instituut. Het was niet onwaarschijnlijk dat ze er was, hoewel het zaterdag was. Er zat een grote tentoonstelling aan te komen en als er iets was dat het gedoe rond eerdere tentoonstellingen van een dergelijke omvang gekenmerkt had, dan was het wel dat alles in het instituut op volle toeren draaide. ‘Hallo María, met Gunnar.’ Hij zorgde ervoor dat zijn stem gepast autoritair was: de stem van een man die alles op een rijtje heeft en niet meer wil lijken dan hij is.

‘Aha, Gunnar.’ Het bruuske antwoord gaf aan dat ze niet van enthousiasme overliep. ‘Ik wilde net contact met je opnemen. Heb je nieuws?’

‘Ja en nee,’ antwoordde Gunnar tegen zijn zin. ‘Ik zit op het juiste spoor wat betreft het achterhalen van de brief, denk ik.’

‘Nu voel ik me een stuk opgeluchter, nu je dénkt dat je de brief vindt,’ zei ze sarcastisch.

Gunnar paste ervoor op dat hij niet aan het bekvechten zou slaan. ‘Ik heb binnen mijn vakgroep alles nagetrokken, maar zonder resultaat; ik heb contact opgenomen met de vertegenwoordigers van Haralds familie, die van plan zijn om bij hem thuis te gaan zoeken. Die brief is daar, dat weet ik heel zeker.’

‘Bedoel je niet dat je dénkt dat je het heel zeker weet?’

‘Hoor eens, ik belde je alleen om je op de hoogte te houden; je hoeft niet zo onbeschoft te doen,’ zei Gunnar, hoewel hij het liefst de hoorn op de haak zou gooien.

‘Je hebt gelijk, het spijt me. Er gebeurt hier momenteel een hoop vanwege de tentoonstelling, dus ik ben wat prikkelbaar. Trek je er niets van aan,’ zei María met een veel vriendelijker stem. Toen voegde ze er op dezelfde toon als daarvoor aan toe: ‘Ik blijf wel bij wat ik gezegd heb, Gunnar: je krijgt nog een paar dagen extra om hem te vinden. Ik ga omwille van jullie studenten geen dingen in de doofpot stoppen.’

In gedachten overlegde Gunnar bij zichzelf hoeveel dagen ‘een paar dagen’ waren. Vast niet meer dan vijf, maar een dag of drie zeker. Hij wilde haar niet dwingen om preciezer te zijn uit angst dat ze hem minder respijt zou geven. ‘Dat besef ik; ik laat het je weten, zodra ik nieuws heb.’

Ze beëindigden het gesprek. Gunnar begroef zijn gezicht in zijn handen en steunde op zijn ellebogen. De brief moest boven water komen. Zo niet, dan zou hij waarschijnlijk zijn baan moeten opzeggen. Het kon toch niet dat een vakgroepshoofd geassocieerd werd met een diefstal van spullen van een buitenlands instituut. Hij voelde haat in zich opborrelen: die duivelse Harald Guntlieb. Voordat hij ten tonele verscheen, had Gunnar de gedachte gekoesterd om zich in de toekomst voor de positie van rector magnificus beschikbaar te stellen. Nu droomde hij er alleen nog maar van dat zijn leven weer zijn gewone gangetje zou gaan. Dat was alles. Er werd op zijn deur geklopt.

Gunnar ging rechtop zitten en riep: ‘Binnen.’

‘Mag ik u even storen?’ Het was Tryggvi, de conciërge. Hij kwam binnen en deed de deur achter zich dicht. Discreet liep hij naar Gunnars bureau en bedankte voor de stoel die Gunnar hem aanbood. Hij stak zijn hand naar voren, draaide hem om en opende hem. ‘Een van de schoonmaaksters heeft dit in het hok van de studentenvereniging gevonden.’

Gunnar pakte een klein, stalen sterretje van zijn hand. Hij bekeek het aandachtig en keek Tryggvi verbaasd aan. ‘Wat is het? Dat heeft toch geen enkele waarde?’

De conciërge kuchte. ‘Ik denk dat dit sterretje van een van Haralds schoenen afgevallen is. Die schoonmaakster heeft het een paar dagen geleden gevonden, maar ze heeft het me nu pas verteld.’

Gunnar keek hem niet-begrijpend aan. ‘En wat dan nog? Ik begrijp het niet helemaal.’

‘Dat was nog niet alles: als ik haar goed begrijp, heeft ze ook oude bloedsporen op een van de vensters gevonden.’ Tryggvi keek Gunnar in de ogen en scheen te wachten op een reactie.

‘Bloed? Hij was toch gewurgd?’ vroeg Gunnar verbaasd. ‘Is het niet gewoon bloed van iets wat eerder gebeurd is?’

Tryggvi haalde zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet. Ik wilde u dit gewoon geven: u moet maar beslissen wat u ermee wilt doen.’ Hij wilde zich al omdraaien, maar bedacht zich. ‘Hij was natuurlijk niet alleen gewurgd.’

Gunnars maag draaide zich om bij de gedachte aan hoe erg het lijk toegetakeld was. ‘Dat kan kloppen.’ Hij staarde hulpeloos naar het sterretje. Hij keek op, toen Tryggvi weer begon te praten.

‘Ik weet zeker dat het van de schoenen afgekomen is die hij aanhad, toen hij werd vermoord. Maar ik heb natuurlijk geen idee of dat sterretje er al eerder af gevallen is.’

‘Tja,’ mompelde Gunnar. Hij klemde zijn kiezen op elkaar, keek Tryggvi vastberaden aan, stond op en zei: ‘Bedankt; misschien is het niet belangrijk, maar het is goed dat je me dit hebt laten weten.’

De conciërge knikte rustig. ‘Er is trouwens nog meer,’ zei hij, terwijl hij het opgevouwen handdoekje uit zijn zak haalde. ‘De schoonmaakster die het studentenhok schoonmaakte in het weekeinde waarin de moord gepleegd werd, vond bloedsporen op de vloer, die iemand geprobeerd had uit te wissen. Ze heeft toen ook dit gevonden.’ Hij gaf Gunnar het doekje. ‘Ik denk dat dit met de politie besproken moet worden.’ Hij bedankte hem bij voorbaat en ging de kamer uit. Gunnar ging weer zitten, staarde naar het sterretje en overlegde bij zichzelf hoe hij dit nu moest oplossen. Was het belangrijk? Zou een telefoontje met de politie alles weer oprakelen en zou de hele boel dan opnieuw beginnen? Dat kon niet, dat mocht niet; niet nu alles net aan het betijen was. Afgezien van die verdraaide brief, natuurlijk. Gunnar zuchtte diep en legde het sterretje weg. Dit moest toch kunnen wachten tot maandag. Hij vouwde het handdoekje open. Het duurde even voordat hij begreep wat dit onbeduidende voorwerp met de hele zaak te maken had. Toen hem iets begon te dagen, kon hij nog net zijn hand voor zijn mond slaan, voordat hij zou gaan schreeuwen. Hij pakte de telefoon en belde 112. Dit kon niet tot maandag wachten.

26

De reis naar Rangá verliep rustig. Het weer had zich goed gehouden en hoewel alles nog met sneeuw bedekt was, was het kalm en helder. Þóra zat zeer tevreden voorin in de nieuwe huurjeep en volgde alles wat in haar blikveld kwam. Ze maakte Matthias met eindeloze verhalen over verkeersongelukken duidelijk dat het belangrijk was om op het bochtige en steile stuk bij Kambar langzaam naar beneden te rijden, met als gevolg dat ze het stuk in een slakkengangetje aflegden. Þóra raakte al snel de tel kwijt, toen ze de auto’s probeerde te tellen die hen inhaalden. Ze gebruikte de tijd om door één van de twee mappen te bladeren die ze van de politie gekregen had, en die, naar men zei, alle dossiers bevatten. Ze bleef hangen bij de beschrijving van het T-shirt dat bij Hugi in de kast was gevonden. ‘Hé!’ riep ze.

Matthias schrok en de auto zwenkte even over de weg. ‘Wat?’

‘Het T-shirt,’ zei Þóra opgewonden en ze tikte met haar vinger op de opengeslagen bladzijde. ‘Dit T-shirt is hetzelfde T-shirt dat ik op de foto’s van de gespleten tong heb gezien. “100% siliconen.” Dat staat erop.’

‘Ja, en?’ vroeg Matthias die het niet leek te begrijpen.

‘Op de foto’s was een T-shirt te zien waarop “100” en “ilic” of zoiets stond. Hier staat dat er “100% siliconen” stond op het T-shirt dat bij Hugi in de kast is gevonden. Het bloed komt ongetwijfeld van de operatie.’ Tevreden over zichzelf sloeg Þóra de map weer dicht.

‘Dat had hij zich moeten realiseren,’ zei Matthias. ‘Je krijgt niet iedere dag andermans bloedspetters op je kleren.’

‘Jij en ik misschien niet,’ zei Þóra, ‘Herinner je je nog dat Hugi zei dat hij het T-shirt niet mocht zien? Misschien was hij dit allang weer vergeten.’

‘Misschien,’ zei Matthias. Ze reden een tijdje in stilte verder, maar toen ze over de brug over de rivier Ytri-Rangá bij Hella reden, zei hij ineens: ‘Ze komen morgen.’

‘Ze? Wie zijn “ze”?’

‘Amelia Guntlieb en haar dochter Elisa,’ zei Matthias terwijl hij zijn blik op de weg hield.

‘Wat? Komen ze naar IJsland?’ vroeg Þóra verbijsterd. ‘Waarom?’

‘Je had gelijk. Zijn zus was vlak voor de moord bij hem. Ze wil met ons praten. Ik begreep van haar moeder dat hij haar heeft verteld waar hij mee bezig was. Natuurlijk niet in detail.’

‘Ja, oké,’ zei Þóra, ‘dat met zijn zus snap ik, maar hoe zit dat met zijn moeder? Komt ze om ons in de gaten te houden, terwijl we met zijn zus praten?’

‘Nee. Ze komt om met jou te praten. Alleen. Van moeder tot moeder, zo zei ze het letterlijk. Je wist toch dat ze met je wilde praten? Dacht je dat dat telefonisch zou gebeuren?’

‘Ja, eigenlijk wel. Van moeder tot moeder? Moeten we onze boeken over opvoedingsproblemen met elkaar gaan vergelijken of zo?’ Þóra had helemaal geen zin om deze vrouw te ontmoeten; integendeel.

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet: ik ben geen moeder.’

‘Jemig,’ zei Þóra en ze liet zich weer in haar stoel vallen. Ze dacht even na, voordat ze voorzichtig weer verder vroeg. ‘En zijn zus: kan het zijn dat die iets met de zaak te maken heeft?’

‘Nee. Uitgesloten.’

‘Waarom is dat uitgesloten, als ik vragen mag?’

‘Daarom. Zo is Elisa niet. Bovendien zegt ze dat ze op zaterdag naar huis is gegaan; ze vloog van Keflavík naar Frankfurt.’

‘En dat geloof jij zomaar? Dat ze dat zegt?’ vroeg Þóra, verbaasd dat hij zo stom kon zijn.

Matthias keek snel naar Þóra en vestigde zijn blik toen weer op de weg. ‘Niet helemaal zomaar: ik heb het laten uitzoeken en geloof me: ze is met dat vliegtuig vertrokken.’

Þóra wist niet wat ze moest zeggen. Ze besloot ten slotte dat het het beste was om te wachten met verdere opmerkingen, totdat ze in de gelegenheid was om het meisje te ontmoeten en met haar te praten. Misschien had Matthias gelijk: het kon best zijn dat het meisje onmogelijk de moordenaar kon zijn. Ze zag het bordje waarop ‘Hotel Rangá’ stond. ‘Daar.’ Þóra wees Matthias op de afslag naar rechts die naar het hotel leidde. Ze reden het pad op in de richting van de rivier tot bij een groot, houten gebouw.

‘Weet je, ik geloof dat ik in geen twee jaar meer in een hotel heb gelogeerd,’ zei ze, terwijl ze met haar trolleykoffer het hotel in ging. ‘Niet sinds ik gescheiden ben.’

‘Je maakt natuurlijk een grapje,’ zei Matthias en hij pakte zijn eigen tas.

‘Nee, ik zweer het,’ zei Þóra en ze voelde ineens behoefte om deze ervaring met hem te delen. ‘We deden twee jaar geleden een laatste poging om ons huwelijk te redden door een weekendje naar Parijs te gaan. Sindsdien ben ik niet meer in het buitenland geweest en heb ik ook geen reden gehad om in een hotel te slapen. Raar, eigenlijk.’

‘Dat weekendje Parijs heeft dus duidelijk geen wonderen gedaan?’ vroeg Matthias en hij hield de deur voor haar open.

Þóra snoof. ‘Nee, niet bepaald. We waren daar om onze relatie te redden en in plaats van bij een glaasje wijn onze problemen te bespreken – en punten van verbetering te vinden – vroeg hij me de hele tijd om foto’s van hem te maken bij een of andere bezienswaardigheid. Dat weekend was eigenlijk de doodssteek.’

Bij de deur, of vlak daarachter, stuitten ze op een enorme ijsbeer: staand op de achterpoten, een gevaarlijke blik in de ogen en klaar om aan te vallen. Matthias liep ernaartoe en poseerde. ‘Maak eens een foto. Ah, toe!’

Þóra trok een gezicht en liep naar de receptie. Achter de computer zat een vrouw van middelbare leeftijd in een donker colbert van het hotel met een witte blouse eronder. Ze glimlachte naar Þóra, die haar vertelde dat ze twee kamers geboekt had en haar naam opgaf. De vrouw toetste iets in op de computer, vond twee sleutels en legde uit waar de kamers te vinden waren. Þóra pakte haar tas om weg te lopen, toen ze besloot na te vragen of de vrouw zich Harald als gast kon herinneren. Misschien had hij naar de weg gevraagd of informatie gekregen die haar en Matthias op het juiste spoor kon helpen. ‘Een vriend van ons, Harald Guntlieb, logeerde hier afgelopen herfst. Kunt u zich hem misschien nog herinneren?’

De vrouw keek naar Þóra met een blik van iemand die gewend is de gekste vragen op zich afgevuurd te krijgen. ‘Nee, sorry, die naam zegt me niets,’ antwoordde ze beleefd.

‘Zou u na kunnen gaan of hij hier geweest is? Hij was Duits en had allemaal piercings in zijn gezicht.’ Þóra probeerde te glimlachen en te doen alsof het allemaal heel normaal was.

‘Ik kan het proberen. Hoe spel je de naam?’ zei de vrouw en ze wendde zich weer naar het computerscherm.

Þóra spelde de naam letter voor letter en wachtte, terwijl de vrouw informatie opvroeg over de boeking van Harald. Van de plek waar ze bij de balie stond, zag Þóra het ene na het andere menu op het scherm verschijnen. ‘Hier is het,’ zei de vrouw ten slotte. ‘Harald Guntlieb, twee kamers voor twee nachten. De andere gast was Harry Potter. Klopt dat?’ Als de vrouw de laatste naam al vreemd vond, liet ze dat in ieder geval op geen enkele wijze merken.

Þóra zei dat dat klopte. ‘Kunt u zich iets van hen herinneren?’ vroeg ze hoopvol.

De vrouw tuurde naar het scherm en schudde haar hoofd. ‘Nee, helaas niet. Ik was niet eens aan het werk toen.’ Ze keek naar Þóra. ‘Ik was op vakantie in het buitenland. Als je in deze branche werkt, is het moeilijk om in de zomer weg te gaan,’ zei ze verontschuldigend, alsof Þóra haar luiheid in haar werk verweet. Ze keek weer naar het scherm. ‘De barman kan zich hem misschien herinneren. Óli was toen zeker hier. Hij moet vanavond ook werken.’

Þóra bedankte de vrouw en ze liepen in de richting van hun kamers. Ze stonden op het punt in de gang de hoek om te slaan, toen de vrouw hen nariep. ‘Ik zie ook dat hij bij de receptie een zaklamp heeft geleend.’

‘Een zaklamp?’ vroeg ze. ‘Staat er ook bij waarom?’

‘Nee,’ antwoordde de vrouw. ‘Het staat er alleen maar bij om er zeker van te zijn dat hij hem in zou leveren bij het uitchecken. En dat heeft hij ook gedaan.’

‘Kunt u zien of dat midden in de nacht was?’ vroeg Þóra. Misschien was hij iets verloren op de parkeerplaats en wilde hij ernaar zoeken.

‘Nee, het was degene die overdag dienst had, die hem de zaklamp geleend heeft,’ zei de vrouw. ‘Maar even uit nieuwsgierigheid: is dit niet de naam van die buitenlandse student die in de universiteit vermoord is?’

Þóra bevestigde dat en bedankte de vrouw nogmaals voor haar hulp. Ze liepen door naar hun kamers, die naast elkaar bleken te liggen.

‘Moeten we niet een halfuurtje rust nemen?’ vroeg Þóra, toen ze de luxe kamer inkeek. Het grote bed zag er verleidelijk uit en riep het verlangen bij haar op om even te gaan liggen: de dekbedden waren groot en dik en de overtrekken die erom zaten, leken gestreken. Het gebeurde niet elke dag dat Þóra zoiets zag: haar eigen bed ontving haar ’s avonds over het algemeen in dezelfde wanorde waarin ze het ’s ochtends in haar haast om weg te komen achtergelaten had.

‘Ja, we hebben geen haast,’ antwoordde Matthias, die ongetwijfeld dezelfde gedachte had. ‘Klop maar als je klaar bent. Vergeet niet dat je bij mij altijd welkom bent.’ Hij knipoogde naar haar en deed toen de deur achter zich dicht, voordat Þóra iets kon antwoorden.

Nadat ze haar tas en jas had opgeruimd en in de badkamer en de minibar gekeken had, liet Þóra zich op haar rug op het bed vallen. Daar lag ze met haar armen wijd en genoot van het ogenblik. Dat echter niet lang duurde, want uit haar handtas kwam het geluid van een ringtone. Met een zucht kwam ze overeind en haalde haar telefoon tevoorschijn. ‘Hallo.’

‘Hoi mama!’ zei de vrolijke stem van haar dochter Sóley.

‘Hoi meisje,’ zei Þóra, die glimlachte toen ze haar stem hoorde. ‘Wat ben je aan het doen?’

‘O,’ zei ze minder vrolijk. ‘We gaan naar de stal.’ Toen fluisterde ze zo zacht dat Þóra moeite had om te verstaan wat ze zei, niet in de laatste plaats omdat haar dochter haar mond blijkbaar helemaal tegen de telefoon aan duwde, zodat ze haar nauwelijks hoorde: daardoor klonken haar woorden wollig en hoorde ze voornamelijk haar geadem door de hoorn. ‘Ik heb helemaal geen zin. Die paarden zijn gemeen.’

‘Hé!’ zei Þóra in een poging haar dochter aan te moedigen. ‘Ze zijn niet gemeen: paarden zijn zelfs ongelofelijk lief. Het wordt vast hartstikke leuk; is het geen mooi weer bij jullie?’

‘Gylfi heeft geen zin,’ fluisterde Sóley. ‘Hij zegt dat paarden ouderwets zijn.’

‘Vertel me nu eens iets leuks; wat hebben jullie gedaan vandaag?’ vroeg Þóra, want ze wist dat zij niet de aangewezen persoon was om paarden te verdedigen.

Daar vrolijkte haar dochter van op. ‘We hebben ijs gekregen en ik mocht naar tekenfilms kijken. Het was superleuk. Maar nu wil Gylfi met je praten.’

Voordat Þóra haar dochter gedag kon zeggen, was haar zoon aan de telefoon gekomen. ‘Hoi,’ zei hij terneergeslagen.

‘Hoi lieverd,’ antwoordde Þóra. ‘Hoe is het?’

‘Vreselijk.’ Gylfi deed geen poging om te fluisteren; Þóra vond eigenlijk dat hij juist harder praatte.

‘O, komt dat door die paarden?’ vroeg ze.

‘Ja en nee. Het komt gewoon door alles.’ Na een korte stilte voegde hij eraan toe. ‘Als ik morgen thuiskom, moet ik even met je praten.’

‘Natuurlijk lieverd,’ antwoordde Þóra en ze wist niet of ze blij moest zijn over het feit dat hij eindelijk open kaart wilde spelen of ongerust moest zijn over wat hij haar te zeggen had. ‘Ik kijk ernaar uit jullie morgenavond weer te zien.’ Ze namen afscheid van elkaar en Þóra deed een tweede poging om haar ogen even dicht te doen, zonder succes. Uiteindelijk stond ze op en nam een warme douche.

Terwijl ze zich met een hagelwitte en dikke handdoek aan het afdrogen was, viel haar oog op een gids over wat er zoal in de buurt te zien was. Ze bladerde hem vluchtig door op zoek naar plaatsen die Harald zouden hebben kunnen interesseren. Er was zo te zien veel om uit te kiezen, maar heel weinig ervan leek met de zaak verband te houden. Toch wekten een paar plaatsen Þóra’s interesse. Het ging bijvoorbeeld twee pagina’s lang over Skálholt en die plaats sloot duidelijk aan bij Haralds interesse voor de bisschoppen Jón Arason van Hólar en Brynjólfur Sveinsson. Twee andere plaatsen kwamen volgens Þóra ook in aanmerking: de vulkaan Hekla en een paar grotten uit de tijd van de Ierse monniken, de Ægissiðugrotten aan de rand van Hella. Ze was eigenlijk verbaasd om te lezen over deze grotten, omdat ze er vrijwel zeker van was dat ze er nog nooit eerder van gehoord had. Ze overwoog of Hella misschien naar die grotten genoemd was. Ze vouwde de hoeken om van de bladzijden die over deze drie plaatsen gingen. Daarna kleedde ze zich snel aan en zorgde ervoor dat ze warme – en vooral veel – kleren koos, ook al zaten die niet echt comfortabel. Als ze in de grotten gingen rondkruipen, dan kon het zeker geen kwaad om warm aangekleed te zijn. In gedachten zag ze Matthias voor zich met dansschoenen aan, terwijl hij over rotsige hellingen klom. Uit pure valsheid besloot ze dat ze hem niets van de grotten zou vertellen, voordat ze al een eind van het hotel waren. Ze deed haar haar in een staart, trok haar donsjack aan en liep naar zijn kamer. Ze had nauwelijks haar hand van de deur gehaald, nadat ze zacht bij Matthias had aangeklopt, toen hij opendeed. Ze keek naar zijn kleding en barstte in lachen uit. ‘Mooi pak,’ zei ze lachend. ‘En chique schoenen.’ De schoenen hadden ongetwijfeld een lieve duit gekost, als je op het keurig gepoetste leer afging, en Þóra onderdrukte haar schuldgevoelens over het feit dat ze hem niet wilde waarschuwen. Hij had ongetwijfeld massa’s schoenen.

‘Dit is geen pak,’ zei Matthias half chagrijnig. ‘Dit zijn een los colbert en een broek. Dat is niet hetzelfde. Niet dat ik het waarschijnlijk acht dat jij dat begrijpt.’

‘O, sorry hoor, meneer Kate Moss,’ zei Þóra, die nu helemaal haar geweten over de dreigende mishandeling van zijn schoenen gesust had.

Matthias reageerde niet op die laatste opmerking en deed de deur achter zich dicht terwijl hij met de autosleutels zwaaide. ‘Oké, waar zullen we naartoe?’

Þóra keek op de klok van haar gsm, die ze in de zak van haar anorak had gedaan. ‘Het lijkt me het beste om in Skálholt te beginnen. Het is bijna vier uur en daarna zien we wel verder.’

‘Uitstekend, mevrouw de gids,’ zei Matthias en hij keek nadenkend naar haar kleren. ‘Je weet toch dat dit hotel een prima restaurant heeft, of niet? We hoeven onze maaltijd niet bij elkaar te jagen!’

‘Ha, ha,’ zei Þóra. ‘Ik blijf liever warm, ook al zie ik er armzalig uit, dan dat ik me zorgen maak over of ik er wel cool uitzie. Ik vind mezelf anders al behoorlijk cool in deze kou.’

Toen ze op Skálholt kwamen, was het begonnen te schemeren. Ze gingen de kerk, die open stond, binnen en gingen op zoek naar iemand om mee te praten. Ze vonden al snel een jongeman die hen vriendelijk ontving en vroeg of hij hen met iets kon helpen. Ze legden uit dat ze iemand hoopten te vinden die mogelijk een tijdje geleden een vriend van hen had ontvangen, en beschreven vervolgens Haralds uiterlijk.

‘Wacht eens even,’ zei de jongeman, toen Þóra bezig was de rij piercings in Haralds rechterwenkbrauw te beschrijven. ‘Hebben jullie het niet over die student die laatst is vermoord? Ik heb hem ontmoet!’

‘Weet je toevallig nog waarom hij hierheen kwam?’ vroeg Þóra breeduit glimlachend.

‘Laat me even denken… Als ik het me goed herinner, wilde hij vooral praten over Jón Arason en zijn terechtstelling. Juist ja, en over Brynjólfur Sveinsson.’ Hij keek hen aan en voegde er vlug aan toe:

‘Daar is niets ongewoons aan: er komen meer mensen hierheen die juist deze verhalen kennen en die meer willen weten. Deze verhalen hebben natuurlijk een zekere aantrekkingskracht, ook al zijn ze gruwelijk en tragisch. Wat mensen in het bijzonder interesseert, is dat er zeven bijlslagen voor nodig waren om het hoofd van Jón Arason af te hakken; zijn hoofd is er eigenlijk meer afgeslagen.’

‘Had hij alleen deze bisschoppen in het algemeen in gedachten?’ vroeg Þóra. ‘Of was hij geïnteresseerd in iets bijzonders wat hen met elkaar verbond?’

De jongeman richtte zich tot Matthias. ‘Ik weet niet hoe goed u het verhaal van Jón Arason kent.’

Matthias begreep dat dit vooral tegen hem bedoeld was en antwoordde: ‘Ik weet ongeveer net zoveel over hem als over zijn moeder. Niets, dus.’

‘O.’ Het leek haast alsof de jongeman geschokt was. ‘Om een lang verhaal kort te houden: Jón Arason was de laatste katholieke bisschop op IJsland, had vanaf 1524 zijn zetel in Hólar in het Hjaltadal en Skálholt viel ook een tijdje onder zijn hoede. Hij is in 1550 hier op Skálholt onthoofd na een besluit van de Deense koning Christian iii uit 1537 dat het rooms-katholicisme hier moest worden afgeschaft, net zoals in de rest van zijn rijk. Jón Arason probeerde dit met alles wat in zijn vermogen lag te verhinderen en kwam in conflict met de aanhangers van het nieuwe geloof, maar alles was tevergeefs en hij eindigde op het hakblok. De terechtstelling is nog een verhaal apart, omdat hij een halve maand eerder onschendbaar verklaard was tot aan de volgende bijeenkomst van het Alþing, waar de rechtbank over zijn zaak en die van zijn twee zonen zou beslissen. Zij werden ook terechtgesteld.’

Matthias fronste zijn wenkbrauwen. ‘Zijn zonen? Hij was toch een katholieke bisschop? Hoe kon hij dan zonen hebben?’

De jongeman glimlachte. ‘IJsland was op sommige punten vrijgesteld van de regels – ik weet niet hoe dat kwam – maar in ieder geval mochten priesters, dekens en bisschoppen een huishoudster of maîtresse hebben. Ze mochten zelfs een verbintenis aangaan die min of meer gelijk stond aan het huwelijk. Als ze kinderen kregen, betaalden ze een boete en dan was iedereen tevreden.’

‘Dat kwam mooi uit,’ zei Matthias verwonderd.

‘Dat kwam zeker mooi uit,’ was het opgewekte antwoord. ‘Harald, uw vriend, leek dit verhaal erg goed te kennen; hij had het duidelijk goed bestudeerd. Het weinige dat ik u nu kan vertellen, zijn de dingen die ik me van het gesprek kan herinneren en dat is geenszins volledig. En dat brengt mij ten slotte terug naar uw vraag.’ Hij keek naar Þóra, die haar vraag allang was vergeten, maar probeerde dat niet te laten merken. ‘Die vriend van u was tijdens ons gesprek hoofdzakelijk in één ding geïnteresseerd, namelijk in de boekdrukpers die Jón Arason als eerste in 1534 naar IJsland liet komen en die op Hólar in gebruik was, en ook in wat hij heeft laten drukken.’

‘En?’ vroeg Þóra. ‘Wat waren jouw antwoorden daarop?’

‘Daar kon ik hem weinig over vertellen,’ antwoordde de jongeman. ‘We weten om te beginnen weinig tot niets over wat er als eerste op deze pers gedrukt is. Sommige bronnen zeggen dat er een getijdenboek voor priesters mee gedrukt is – een soort handboek met een liturgische kalender, psalmen en dat soort zaken – en op een gegeven moment is ook het vierde evangelie uit het Nieuwe Testament ermee gedrukt. Voor de rest is er, voor zover ik weet, bijna niets bekend over het drukken van boeken in de tijd van Jón Arason. Ik herinner me dat jullie vriend eigenlijk nogal vreemde vragen stelde, bijvoorbeeld of het mogelijk was dat Jón Arason bepaalde populaire boeken had willen uitgeven in die tijd. Ik dacht dat hij de Bijbel bedoelde, maar hij lachte me gewoon uit. Ik begreep zijn humor niet helemaal.’

‘Nee, dat geloof ik best,’ antwoordde Matthias en hij keek naar Þóra. ‘Malleus?’ Zij had precies hetzelfde in gedachten gehad. Malleus Maleficarum was, op de Bijbel na, het meest gedrukte boek in die tijd. Misschien probeerde Harald erachter te komen of het ook in dit land werd gedrukt. Een dergelijk exemplaar was natuurlijk bijzonder waardevol, om nog maar te zwijgen over de verzamelwaarde voor een verwoed verzamelaar als Harald.

‘En wat wilde hij over Brynjólfur weten?’ vroeg Þóra.

‘Dat was een beetje merkwaardig,’ antwoordde de jongeman. ‘Eerst wilde hij alleen maar zijn graf zien, wat niet mogelijk is, omdat dat nog niet is gevonden.’

Þóra onderbrak hem. ‘Niet gevonden? Is hij niet hier begraven?’

‘Jawel, maar hij wenste begraven te worden buiten de kerk, naast zijn vrouw en kinderen. Er is een beschrijving van de plaats van het graf, maar het is nog niet opgegraven. Hij wilde rusten in een naamloos graf.’

‘Was dat niet vreemd?’ vroeg Þóra.

‘Ja, heel vreemd. Er is later trouwens alsnog een houten gedenkteken op het graf gezet, dat er dertig jaar heeft gestaan. Daarna is het weggerot en niet meer onderhouden, ondanks het feit dat daar opdracht toe was gegeven. Werkelijk niemand weet waarom hij zich niet onder de vloer van de kerk heeft laten begraven, zoals gebruikelijk was in die tijd. Men zegt dat hij zag hoe druk het daaronder was geworden tijdens de begrafenis van een van de priesters van de kerk in Skálholt. Hij wilde misschien dat deze gewoonte in onbruik zou raken.’

‘En gebeurde dat?’ vroeg Matthias. ‘Raakte ze in onbruik?’

‘Nee, nee, helemaal niet. Misschien was dat ook niet de reden. Hij was een gebroken man, toen hij stierf. Wat begrijpelijk is: eenzaam sterven, getekend door het leven, zijn hele gezin dood en geen nakomelingen. Dat is het lot dat de meeste mensen die het verhaal horen, aangrijpt.’

‘Maar je zei dat Harald in eerste instantie alleen het graf wilde zien; wilde hij daarna nog iets anders weten?’

‘Ja, precies. Ik begon met hem over algemene dingen over Brynjólfur te praten, toen ik zag dat hij teleurgesteld was over het graf. Ik liet hem de kelder zien en vertelde hem over de archeologische vondsten die daar tentoongesteld worden. Toen nam ik hem mee naar buiten en liet hem de opgraving zien. Daar kwamen we te praten over de manuscripten van Brynjólfur; u weet dat hij een grote verzameling manuscripten had, zowel IJslandse als buitenlandse?’ Þóra en Matthias knikten; daar hadden ze wel een idee van. ‘Weten jullie dat hij de Deense koning Frederik een paar van de meest opmerkelijke perkamenten handschriften gegeven heeft?’ Þóra knikte. ‘Jullie vriend raakte helemaal opgewonden, toen ik hem van de handschriften vertelde, en hij wilde weten wat ermee gebeurd was na de dood van Brynjólfur. Ik kon hem dat niet precies vertellen, maar ik wist wel dat hij de buitenlandse boeken aan het zoontje van de schout van Bessastaður had gegeven, een Deen met de naam Johann Klein, maar de IJslandse verdeelde hij onder Helga, zijn nicht, en Sigriður, zijn schoonzus. Ik denk zelfs dat een deel van de buitenlandse boeken is achtergehouden; er ontbraken er in ieder geval een paar toen Johann Klein uit Bessastaður kwam om ze op te halen. Men zegt dat de mensen uit Skálholt een deel ervan hebben verborgen, zodat ze niet naar Denemarken zouden verdwijnen. Deze boeken en handschriften zijn nooit meer opgedoken. Men weet niet eens precies welke boeken het waren.’

‘Waar zouden ze die boeken hebben kunnen verbergen?’ vroeg Þóra, terwijl ze om zich heen keek.

De jongeman glimlachte. ‘Niet hierbinnen. Dit gebouw is uit 1956; de oude kerk die Brynjólfur in de jaren 1650-1651 had laten bouwen, stortte in tijdens een aardbeving in 1784.’

‘Maar hebben jullie niet geprobeerd te zoeken?’

‘We hebben het graf van Brynjólfur en zijn gezin nog niet eens gevonden, hoewel er een beschrijving van de locatie is. Hij stierf in 1675. Laat staan dat we naar een paar boeken zoeken die – wellicht – hier in die tijd begraven zouden kunnen zijn. Men weet ook niet zeker waar de boeken zijn gebleven die naar de bibliotheek van zijn erfgenamen gingen, en ik heb ook begrepen dat het Árni Magnússon gelukt is om er een paar te achterhalen, toen hij zijn manuscriptenverzameling begon. Je kunt sommige boeken van Brynjólfur aan zijn initialen herkennen.’

‘BS?’ vroeg Þóra om ook iets aan het gesprek bij te dragen.

‘Nee, LL,’ antwoordde de jongeman glimlachend.

Þóra vroeg niet-begrijpend: ‘LL?’

‘Loricatus Lupus: de Latijnse vertaling van de IJslandse naam Brynjólfur, oftewel Gepantserde Wolf.’

Hij glimlachte tegen Þóra, die het niet kon nalaten om met haar vingers te knippen: Loricatus Lupus had ook op Haralds kladblaadje gestaan. Ze waren kennelijk op het juiste spoor, als die krabbel iets met de moord te maken had.

Matthias en Þóra bedankten hem voor zijn tijd en namen afscheid. Voordat Matthias de auto startte, wendde hij zich tot Þóra en zei: ‘Loricatus Lupus, ja. Moeten we niet wachten totdat iedereen weg is, en dan alles opgraven wat niet bevroren is?’

‘Jazeker,’ lachte Þóra. ‘Laten we bij het kerkhof beginnen.’

‘Dan moet jij met de schop aan het werk: jij bent erop gekleed. Ik zal je wel bijlichten met de koplampen van de auto.’

Ze verlieten Skálholt. ‘Ik weet waar we nu heen zouden moeten gaan,’ zei Þóra onschuldig. ‘Bij Hella zijn een paar grotten die waarschijnlijk door de eerste monniken zijn uitgehakt; misschien zien we daar iets wat Haralds interesse in deze kluizenaars verklaart. Ik heb het gevoel dat Harald die zaklamp geleend zou kunnen hebben om daar rond te kunnen kijken.’

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Het is zeker de moeite waard om er even naar te gaan kijken, maar hoe komen we aan een zaklamp?’

‘Laten we even bij een benzinestation stoppen om dat te regelen.’

Toen ze in Hella aankwamen, was het al aardedonker. Ze begonnen hun tocht bij het benzinestation, waar ze twee zaklampen kochten. Desgevraagd vertelde de jongen achter de kassa hun dat ze informatie over de grotten konden inwinnen in Hotel Mosfell. Het was maar een klein stukje daarvandaan, dus gingen ze lopen in plaats van de auto te nemen. Een aardige, oudere man liep met hen mee om ze te laten zien waar de grotten aan de andere kant van de autoweg waren, aan de overkant van de rivier. Hij wees ze bovendien de beste wandelroute, aangezien je niet met de auto tot aan de grotten mocht rijden. Toen ze hem hartelijk hadden bedankt, liepen ze weer naar de auto en reden direct over de brug naar de plaats waarvan hij gezegd had dat ze er hun auto moesten parkeren. Tot Þóra’s grote plezier moesten ze een stuk over de wei lopen die bij de nabijgelegen boerderij leek te horen. Matthias gleed op zijn gladde schoenen voortdurend uit, maar wist steeds zijn evenwicht te bewaren door met zijn armen te wapperen, alsof hij probeerde op te stijgen. Toen ze bij de rand van de afgrond kwamen waaraan de grotten lagen, was Þóra’s humeur uitstekend.

‘Daar,’ zei ze en ze wees. Ze keek hem aan met een gemaakt bezorgd gezicht. ‘Denk je dat je daarbeneden kunt komen, ballerina?’

Matthias maakte een gezicht naar Þóra en probeerde zich als een stoere kerel te gedragen. Hij daalde heel voorzichtig, centimeter voor centimeter, af, alsof hij een bejaarde van in de negentig was, terwijl Þóra als een lammetje naar beneden huppelde. Ze bleef een eind verder beneden staan, vastbesloten om van het ogenblik te genieten, en schreeuwde hem venijnig toe: ‘Schiet eens op!’ Matthias negeerde dit en kwam uiteindelijk heelhuids beneden aan.

‘Wat een opwinding allemaal,’ zei hij en hij deed zijn zaklamp aan. ‘Ben je zo opgewonden, omdat je straks met me uit eten gaat of zo?’

Þóra deed haar zaklamp aan en scheen met de straal in Matthias’ ogen. ‘Niet bepaald. Kom op.’ Ze draaide zich snel om en ze gingen de eerste grot binnen. ‘Wauw, hoe kwamen ze erop?’ zei ze overrompeld en ze liet haar zaklamp door de enorme ruimte glijden. Als ze het goed had begrepen, waren de grotten met primitief gereedschap door de eerste monniken op IJsland uit het zandsteen gehakt.

‘Waarvoor zouden ze deze grotten bedoeld hebben?’ zei Matthias.

‘In de eerste plaats als huisvesting,’ zei een onbekende stem bij de ingang van de grot.

Þóra gaf een ijselijke gil en liet haar zaklamp vallen. Hij rolde over de ongelijke vloer van de grot en de lichtstraal speelde over de muren tegenover hen, totdat hij bleef liggen. ‘Ik schrok me een ongeluk,’ zei ze en ze bukte om haar zaklamp op te rapen. ‘We wisten niet dat hier nog iemand was.’

‘Sorry, ik wilde jullie niet laten schrikken,’ zei de – voor zover Þóra kon beoordelen – al wat oudere man. ‘We staan nu trouwens quitte,’ zei hij daarna. ‘Het is lang geleden dat ik zo ben geschrokken als van jouw gegil. Ik werd gebeld vanuit Mosfell en er werd me verteld dat er toeristen onderweg waren naar de grotten. Ik dacht dat jullie misschien wel een gids zouden willen. Mijn naam is Grímur; ik ben de eigenaar van de boerderij hierboven. De grotten liggen op mijn grond.’

‘Ja,’ zei Þóra verbaasd. Geen slecht bezit, dit stuk grond, dacht ze. ‘We kunnen inderdaad wel een gids gebruiken: we weten eigenlijk maar heel weinig van wat we nu zien.’

De man liep de grot in en begon uit te leggen wat ze zagen. Dat deed hij in het IJslands en Þóra vertaalde het belangrijkste voor Matthias. De man liet hen onder andere zien hoe men dacht dat er slaapplaatsen in de muren uitgehakt waren. Daarna bekeken ze een schoorsteen die in het plafond was gehakt om lucht naar binnen of rook naar buiten te laten. Hij wees ze op een altaar met een kruis, dat de monniken waarschijnlijk uit de muur erachter hadden gebeiteld of gesneden. ‘Jeetje,’ zei Þóra enthousiast en verbaasd. ‘Dat is echt bijzonder.’

‘Jazeker,’ zei de man met een ironische blik. ‘Deze plek is niet in een dag gebouwd, dat staat vast: mensen doen veel moeite om voor onderdak te zorgen.’

‘Inderdaad.’ Þóra keek nog een keer om zich heen met behulp van haar zaklamp. ‘Zijn de grotten doorzocht? Ik bedoel, er kunnen hier toch moeilijk archeologische voorwerpen verborgen liggen?’

‘Archeologische voorwerpen?’ De man leek verwonderd. Hij lachte. ‘Mevrouwtje, deze grot is tot ongeveer 1950 gebruikt als koeienstal. Hier ligt niets verborgen. Dat moet dan wel heel zorgvuldig zijn gebeurd, kan ik je vertellen.’

‘O,’ zei Þóra teleurgesteld. ‘Dus dit is allemaal al onderzocht?’

‘Nee, dat zeg ik niet,’ antwoordde de man. ‘Bij mijn weten zijn mijn grotten maar één keer onderzocht.’

‘Wanneer was dat?’ vroeg Þóra. ‘Recentelijk?’

De man lachte. ‘Nee, dat kun je nauwelijks recentelijk noemen. Ik herinner me niet precies wanneer het was, maar het is in ieder geval jaren geleden. Er kwam zo goed als niets uit het onderzoek, zoals te verwachten viel. Er werden resten van dierenbeenderen gevonden en een of ander gat dat, voor zover ik begrepen heb, werd gebruikt om in te koken.’ Hij wees naar een gat in de grond, vlak bij het altaar. ‘Nee, het weinige dat hier te vinden was, is boven water gekomen; dat kan ik jullie beloven.’

Þóra vroeg de man ten slotte of hij er misschien iets van gemerkt had dat Harald de grotten had bezocht. Hij herkende de beschrijving niet, maar hij zei dat dat niet automatisch betekende dat hij er niet geweest was: de grotten waren niet afgesloten en mensen konden er gemakkelijk binnenwandelen zonder dat ze gezien werden.

‘Trek nu eens wat anders aan, Crocodile Dundee,’ zei Matthias, toen ze weer terug in het hotel waren. ‘Ik hoef gelukkig alleen maar mijn jas uit te doen om naar de bar te gaan. Nu haal ik de tijd in die ik daar op die helling heb verloren.’

Þóra trok een gezicht naar hem, maar haastte zich desondanks naar haar kamer om zich om te kleden. Ze trok een nette broek aan en een witte, onopvallende blouse, waste haar gezicht en deed een beetje lippenstift op. Er was niets mis mee om je een beetje op te tutten als je uitgenodigd bent voor een etentje, maar dat betekende nog niet per se dat ze tot alles in staat was. Toch aarzelde ze even bij de woorden ‘per se’. Het kwam er niet helemaal overtuigend en een beetje verontrustend uit. Ze hield op erover na te denken en haastte zich naar de bar. Daar stond Matthias die in een levendig gesprek met de barman, hopelijk die Óli, verwikkeld was. Matthias glimlachte naar haar, zo te zien tevreden over haar andere kleren.

‘Mooi,’ zei hij laconiek. ‘Dit is Óli. Hij was aan het vertellen over Harald en Harry Potter; hij kan hen zich goed herinneren. Ze dronken met name enorm veel en gedroegen zich anders dan de andere gasten.’

‘Dat is nog zachtjes uitgedrukt,’ zei Óli en hij vroeg Þóra wat ze wilde drinken.

‘Een glas witte wijn alsjeblieft,’ antwoordde ze en ze vroeg wat hij daarmee bedoelde.

‘Ach, gewoon,’ antwoordde hij, ‘Ze dronken de ene na de andere tequilashot, speelden luchtgitaar en deden meer van die dingen die we hier in het hotel niet vaak zien. Alleen al hoe die Harald eruitzag. De andere gasten zaten gewoon met open mond naar die twee te staren. Ze rookten als ketters: de sigaren waren niet aan te slepen.’

Þóra keek om zich heen naar de gezellige bar, die een schuin aflopend dak had. Ze was het met hem eens: het eerste waar je aan dacht, was nou niet direct een luchtgitaar; eerder een luchtviool, als zoiets bestond. Ze wendde zich weer tot Óli. ‘Die Harry Potter, weet je ook hoe hij echt heette?’

Óli de barman glimlachte. ‘Hij heette Halldór. Ze waren allebei veel te dronken om erom te denken dat hij Harry Potter heette, naarmate de avond vorderde. Aanvankelijk hielden ze zich er vrij goed aan.’

Meer informatie viel er bij Óli, de barman, niet te halen. Ze gingen op een grote, leren sofa zitten, proostten en praatten over de gebeurtenissen van de dag. De barman kwam met de menukaarten en nadat ze besteld hadden, besloot Matthias om nog een drankje te nemen. Tot Þóra’s stomme verbazing was ook haar drankje alweer op en ze accepteerde een tweede glas. Na het eten gingen ze weer aan de bar zitten en bij haar derde glas Cointreau was Þóra bijna in staat om luchtgitaar te spelen voor Matthias en Óli de barman. In plaats daarvan hing ze aan eerstgenoemde.

11 december 2005

27

Þóra werd wakker met een behoorlijk intensief gebonk in haar hoofd, alsof haar hersenen uit haar schedel probeerden te ontsnappen. Ze greep naar haar voorhoofd en kreunde. Uitgerekend Cointreau. Ze zou inmiddels toch moeten weten dat likeur gelijk stond aan een kater. Ze ademde diep in en draaide zich op haar zij. Daarbij raakte haar hand iets warms aan, zodat ze haar ogen geschokt wijd open sperde. Er lag een man in haar bed. Ze keek naar de rug van Matthias. Of van Óli, de barman? Ze probeerde zich de vorige avond te herinneren en zuchtte zachtjes, opgelucht dat ze voor de minst erge optie had gekozen. De mist in haar hoofd maakte het haar moeilijk om een vluchtweg uit de situatie te verzinnen: hoe kwam ze ongezien en zonder Matthias wakker te maken weg? En wat erger was: hoe kon ze het hoofd koel houden? Kon ze net doen alsof er niets gebeurd was? Misschien herinnerde hij het zich niet. Dat was het: ertussenuit knijpen en hem daarna gewoon onder ogen komen en het erop wagen dat hij vier keer zo veel als zij had gedronken.

Haar planning viel grondig in duigen, toen Matthias zich omdraaide en naar haar glimlachte. ‘Goedemorgen,’ zei hij met een schorre stem. ‘Hoe gaat het?’

Þóra trok het dekbed op tot aan haar kin. Ze was naakt onder de dekens. Als ze een wens mocht doen, had ze gewenst dat ze onder het dekbed helemaal aangekleed was. Ze maakte een paar onherkenbare geluiden, voordat haar stembanden begonnen te werken. ‘Dit was eens maar nooit weer. Dat we het even duidelijk hebben, begrijp je.’ Matthias keek haar niet-begrijpend aan, maar liet haar doorpraten. ‘Dat van gisteravond, dat was niet ik maar de drank. Je bent dus met andere woorden met een fles Cointreau naar bed geweest, niet met mij.’

‘Hè, ja,’ zei Matthias en hij kwam leunend op zijn elleboog omhoog. ‘Ze blijven me verbazen, die drankflessen. Ik wist niet dat ze hiertoe in staat waren. Je complimenteerde me zelfs met mijn schoenen. Je wilde dat ik ze aan hield.’

Þóra bloosde. Ze probeerde iets te vinden ter verdediging van haar preutsheid, maar er schoot haar niets te binnen. Langzaam herinnerde ze het zich weer en ze moest voor zichzelf toegeven dat ze het niet iets vond om je voor te schamen. ‘Ik weet niet wat er met me aan de hand was,’ zei ze, terwijl ze een kleur kreeg.

‘Je bent zo gestrest,’ zei Matthias en hij legde zijn hand op haar dekbed.

‘Ik doe normaal nooit zoiets; dat is het gewoon. Ik ben moeder van twee kinderen en jij bent een buitenlander.’

‘Als je twee kinderen hebt, dan zal dit je toch niet overrompelen.’ Hij glimlachte toegeeflijk naar haar. ‘Zulke dingen gebeuren overal, neem ik aan.’

Haar wangen werden nog roder. Haar angst werd nog vergroot, toen Amelia Guntlieb haar ineens te binnen schoot. ‘Ga je dit aan het echtpaar Guntlieb vertellen?’

Matthias gooide zijn hoofd in zijn nek en begon te lachen. ‘Uiteraard. Er staat een alinea in mijn functiebeschrijving waarin vastgelegd staat, dat ik aan het eind van de maand een verslag van mijn seksuele activiteiten bij hen moet inleveren.’

Toen hij begreep dat Þóra niet zeker wist of hij een grapje maakte, voegde hij eraan toe: ‘Natuurlijk niet; hoe kom je erbij?’

‘Ik weet het niet; ik wil gewoon niet dat mensen denken dat ik de gewoonte heb om met mijn collega’s naar bed te gaan. Ik heb zoiets nog nooit eerder gedaan.’ Als je bedacht dat ze samenwerkte met een oude vent als Bragi, die vreselijke Bella en de timide Þór, betekende die verklaring eigenlijk niets.

‘Dat dacht ik ook helemaal niet,’ zei Matthias. ‘Ik dacht dat jij op dat moment met mij naar bed wilde; dat je mijn sex appeal eenvoudigweg niet kon weerstaan.’ Hij keek haar plagend aan.

Þóra draaide met haar ogen. Ze ging hier nu maar liever niet op in. ‘Ik heb een dodelijke kater. Ik kan in deze toestand niet helder denken.’

Matthias ging rechtop zitten. ‘Ik heb bruistabletten; ik zal er eentje voor je klaarmaken, dan voel je je meteen beter.’

Voordat Þóra nee had kunnen roepen – het was haar duidelijk dat hij net zo schaars gekleed was als zij — was Matthias opgestaan en de badkamer in gelopen. Spiernaakt. Wat was het toch dat mannen zo veel minder bang waren om zichzelf voor schut te zetten, dacht Þóra. Deze overwegingen waren bedoeld om andere gedachten die zich bij haar opdrongen, te onderdrukken, bijvoorbeeld dat hij eigenlijk wel een verdomd mooi en gespierd lichaam had. Dit was misschien nog niet zo vreselijk stom geweest, als ze er goed over nadacht. Ze hoorde in de badkamer water uit de kraan lopen en ze deed haar ogen weer dicht.

Ze deed ze pas weer open, toen ze merkte dat Matthias weer onder het dekbed lag. Hij hield een glas met bruisend water vast en Þóra beheerste zich, ging rechtop zitten en sloeg het in één teug achterover. Daarna viel ze terug in het kussen en wachtte totdat de misselijkheid over was. Toen ze een paar minuten zo gelegen had, werd er door het dekbed heen tegen haar schouders geduwd. Ze deed haar ogen open.

‘Luister eens.’ Matthias draaide haar hoofd in zijn richting. ‘Ik heb een voorstel.’

‘Wat?’ kreeg Þóra met moeite voor elkaar te zeggen. Ze begon zich ineens weer wat beter te voelen.

‘Wat zeg je ervan om jouw mening dat dit een vergissing was, te heroverwegen?’ Hij glimlachte naar haar. ‘Ik kan mijn nette schoenen aandoen, als je wilt.’

* * *

Þóra werd wakker van het gedempte geluid van stromend water in de douche. Ze veerde onmiddellijk op en trok snel haar kleren aan, terwijl ze over de vloer hinkelde. Ze kon haar ene sok niet vinden, maar pakte de rest van haar kleren op. Ze riep de badkamer in dat ze hem wel bij het ontbijt zou zien. Ze voelde zich heel opgelucht op het moment dat ze de deur van haar kamer achter zich dichtdeed.

Nadat ze een lange en hete douche had genomen, voelde ze zich lichamelijk en geestelijk beter. Voordat ze naar beneden ging, pakte ze haar gsm en koos het nummer van haar vriendin Laufey.

‘Weet je wel hoe laat het is?’ vroeg die slaperig.

Þóra negeerde deze opmerking, aangezien het al bijna tien uur was.

‘O mijn god, raad eens?’ vroeg ze snel.

‘Eh, gezien je opgewonden stemming en de onchristelijke tijd waarop je belt, moet het wel ongelofelijk groot nieuws zijn.’ Hierop volgde een gaap.

‘Nee. Ik ben met een man naar bed geweest!’ De reactie liet niet lang op zich wachten. Laufey ging hoorbaar rechtop zitten, want direct nadat Þóra het nieuws verteld had, was er een vreselijk kabaal te horen.

‘Echt waar? Zeg op: met wie?’

‘Matthias, de Duitser. Ik zal je de rest later vertellen, want ik ga nu met hem ontbijten. We zitten in een hotel.’

‘Een hotel? Ja zeg, ik kan je ook geen moment uit het oog verliezen.’

‘Ik spreek je later; ik ben een beetje bezorgd. Ik moet hem op een of andere manier aan het verstand zien te krijgen dat dit maar eenmalig was: ik wil geen relatie.’

Er klonk een hinnikend gelach aan de andere kant van de lijn. ‘Hallo? Waar ben jij de laatste tijd geweest: heb je te veel naar de Teletubbies gekeken? Er zijn maar heel weinig ongetrouwde mannen van die leeftijd die wanhopig op zoek zijn naar een ingewikkelde relatie. Zet dat maar uit je hoofd, lieverd.’

Þóra sloot het gesprek af, een beetje teleurgesteld over het nieuws dat Laufey blij had moeten maken. Ze haastte zich naar de ontbijtzaal, maar nam nog even de tijd om de dekens overhoop te halen, zodat het personeel van het hotel niet zou denken dat ze losbandig was. Matthias zat aan een tweepersoonstafel bij het raam in de ontbijtzaal koffie te slurpen. Het viel Þóra op hoe knap hij was: ze had dat eerder niet voor zichzelf willen toegeven. Hij had de grove trekken in zijn gezicht waartoe ze zich aangetrokken voelde: ferme kaak, grote tanden, welgevormde jukbeenderen en zware wenkbrauwen. Ze had het ongetwijfeld van haar vrouwelijke voorouders in een grijs verleden geërfd om gecharmeerd te zijn van een uiterlijk dat wees op vastberaden strengheid en doorzettingsvermogen; van een perfecte jager. Þóra ging zitten. ‘Oef, een ontbijtje zou er nu wel in gaan,’ zei ze om het ijs te breken.

Matthias schonk koffie uit een stalen kan in haar kopje. ‘Je hebt je sok bij mij laten liggen. Het bleek geen wollen sok te zijn: ongelofelijk, maar waar.’

Er was niets in hun optreden dat deed vermoeden dat ze elkaar nu nader waren dan tijdens het eten de avond ervoor, behalve dat Matthias zijn hand over die van Þóra legde en haar een samenzweerderige knipoog gaf. Ze glimlachte terug, maar zei niets. Hij haalde daarna zijn hand weg en ging verder met eten. Na het ontbijt gingen ze allebei naar hun eigen kamer om in te pakken.

Terwijl Þóra bij de receptie op Matthias wachtte, ging haar gsm. Het was Gylfi. Voordat Þóra op het knopje duwde om het gesprek aan te nemen, herinnerde ze zichzelf eraan dat hij natuurlijk niet mocht weten waar zijn moeder die nacht mee bezig was geweest.

‘Hoi lieverd,’ zei ze en ze probeerde gewoon te doen.

‘Hoi.’ Gylfi klonk serieus en het duurde even, voordat hij zei waar hij voor belde. ‘Eh, wat ik je wilde vertellen… Waar ben je?’

‘Ik ben in Hotel Rangá. Ik was aan het werk dit weekend. Ben je al thuis?’

‘Ja.’ Weer was het even stil. ‘Wanneer kom je naar huis?’

Þóra keek op de klok. Het was bijna elf uur. ‘Ik ben er voor één uur, denk ik.’

‘Oké, dan zie ik je dan.’

‘Waarom ben je niet nog steeds bij je vader? Waar is je zusje?’ zei Þóra vlug, voordat hij ophing.

‘Zij is nog steeds bij hem. Ik ben weggegaan.’

‘Weggegaan? Waarom? Hebben jullie ruzie gehad?’

‘Ja, dat kun je wel zeggen,’ antwoordde hij. ‘Hij begon.’

‘Hoe dan?’ Þóra’s mond viel open van verbazing. Hannes was gewoonlijk erg goed in het voorkomen van ruzies en had tot nu toe een prima relatie met zijn zoon gehad, hoewel die laatste hem niet bijzonder onderhoudend vond.

Hij zuchtte. ‘Hij leek wel met me te willen praten en toen ik dacht dat hij me begreep en hem het nieuws vertelde, ging hij helemaal door het lint. Ik zweer het je: hij sprong drie meter de lucht in en deed een flikflak achterover. Ik had geen zin om daarnaar te luisteren. Ik dacht dat hij me zou begrijpen.’

De ene na de andere gedachte spookte door Þóra’s hoofd. Ze besefte dat Gylfi’s beschrijving van de reactie van zijn vader erg overdreven was. Wat was er eigenlijk gebeurd? Þóra had er enorm veel spijt van dat ze Hannes uitgedaagd had om met de jongen te praten: dat had dus duidelijk niet geholpen. ‘Gylfi, waarom werd je vader zo boos, lieverd? Is het datgene waarover je straks met me wilt praten?’

‘Ja.’ Geen verdere uitleg en het was duidelijk dat ze zou moeten wachten totdat ze hem zag, om dit opgehelderd te krijgen.

‘Luister eens, ik kom eraan. Ik ga niet naar de sportschool, zodat jij en ik hierover rustig kunnen praten. Blijf waar je bent.’

‘Dan moet je voor één uur komen. Ik moet je aan wat mensen voorstellen.’

Mensen? Mensen? Zat hij bij een sekte? Þóra werd kil vanbinnen. ‘Gylfi, je gaat niet naar wie dan ook, voordat ik thuis ben. Begrepen?’

‘Kom voor één uur,’ zei hij daarop. ‘Dan is papa er ook.’ Hij nam afscheid en hing op.

Þóra’s hart bonkte hard en snel onder haar ribben en ze moest grote moeite doen om het niet uit te schreeuwen. Met trillende handen koos ze het mobiele nummer van Hannes, maar de telefoon had geen bereik of hij stond uit. Ze staarde naar haar telefoon. Hannes had anders nooit zijn gsm uit staan: hij sliep met zijn mobiele telefoon op zijn nachtkastje voor het geval men hem midden in de nacht wilde bereiken. Zelfs paardrijtochten waren zo geregeld dat ze binnen het bereik van het telefoonnetwerk bleven; ze betwijfelde of Hannes zichzelf ooit daarbuiten had gewaagd sinds hij zijn gsm had. Ze probeerde het nummer van zijn vaste telefoon, maar daar kreeg ze geen gehoor. Wat zou die jongen gedaan kunnen hebben? Zou hij begonnen zijn te roken? Nee, dat kon haast niet. Zou hij aan drugs verslaafd zijn geraakt en hard op weg naar het afkickcentrum zijn? Nee, onmogelijk: dat zou ze gemerkt hebben. Zou hij homo zijn? Was hij van plan om met hen naar een bijeenkomst van de IJslandse homo-organisatie te gaan? Hannes zou daar zeker niet van in verlegenheid raken, want één ding kon je hem nageven: hij ging betrekkelijk goed met zijn tijd mee. Bovendien had ze zo’n idee gehad dat Gylfi verliefd was op een meisje van wie ze de naam nooit had kunnen achterhalen. Nee, dat was het niet. Er schoten haar allerlei gedachten door het hoofd, de een nog absurder dan de ander. Que sera sera. Ze stond op en keek om de hoek de gang in om te kijken of Matthias eraan kwam. Hij bleek in de deuropening van zijn kamer te staan, druk bezig om zijn tas naar buiten te krijgen.

Zodra Matthias afgerekend had, nam Þóra hem bij de arm en trok hem mee.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij verbaasd, terwijl Þóra hem de deur uit duwde.

‘Er is een probleem bij mij thuis en ik moet er echt zo snel mogelijk heen.’

Hij geloofde haar direct en zonder verder te vragen wat er aan de hand was, zette hij zijn tas in de auto en ging achter het stuur zitten. Ze reden zonder omwegen naar Reykjavík, via Hella, Selfoss en Hveragerði. Matthias zei onderweg weinig. Pas toen ze in Kambar waren, vroeg hij of hij iets voor haar kon doen en Þóra zei dat ze niet eens wist wat het probleem was, laat staan wat er aan te doen viel. Ze vertelde hem dat het om haar zoon ging en om het nieuws dat hij haar wilde vertellen. Bij Skíðaskáli lagen ze goed op schema en bij Het Kleine Café ook. Bij Rauðavatn kregen ze een lekke band.

‘Shit,’ zei Matthias en hij greep het stuur steviger vast om er niet de macht over te verliezen. Ze verminderden vaart en stopten aan de kant van de weg.

‘O nee, o nee,’ jammerde Þóra. Ze keek op haar horloge. Vijf voor half één. Ze konden Seltjarnarnes nog halen voor één uur, als het verwisselen van de band goed ging.

‘Verdraaide kloteband,’ mompelde Matthias, terwijl hij worstelde om het wiel van de achterkant van de auto af te krijgen. Uiteindelijk lukte dat en ze werkten geconcentreerd samen om de auto op te krikken en de band te verwisselen. Toen ze dat gedaan hadden, nam Matthias het oude wiel en gooide het achter in de auto, waar het boven op Þóra’s trolleykoffer belandde. Het kon haar niets schelen: het was al bijna één uur.

Ze gingen in de auto zitten en Matthias sjeesde weg. ‘Wacht even,’ zei Þóra, toen ze bij haar thuis de oprit opreden, en rende naar het huis. Al rennend haalde ze haar sleutels tevoorschijn, zodat het aanbellen haar niet zou vertragen. Ze drukte met haar linkerhand op de bel om Gylfi te laten weten dat ze er was, terwijl ze met rechts de sleutels in het slot stak en de deur openmaakte. ‘Gylfi,’ riep ze hijgend.

‘Hoi mama.’ Sóley kwam haar met een stralende glimlach rennend tegemoet. Als er iets gebeurd was, dan was haar dat duidelijk helemaal ontgaan.

‘Hoi lieverd. Waar is je broer?’ Þóra duwde zich langs Sóley om naar haar zoon uit te kijken.

‘Hij is weggegaan. Ik heb een briefje voor je,’ zei ze en ze haalde een in elkaar gefrommeld stukje papier uit haar broekzak.

Þóra trok het briefje uit haar handen. Terwijl ze het openvouwde, vroeg ze: ‘Hoe laat is hij weggegaan? En waarheen?’

‘Hij is gewoon weggegaan. Een uur geleden.’ Sóleys gevoel voor tijd was nog niet helemaal goed ontwikkeld; voor hetzelfde geld kon Gylfi daarom een seconde of twee weken geleden weggegaan zijn. ‘Daarop staat waar hij heen ging.’ Ze wees met haar pink naar het briefje, alsof ze wilde voorkomen dat ze het zou verwarren met een ander briefje.

‘Kom.’ Þóra zag dat het adres in Seltjarnarnes was en dus niet zo ver weg. ‘We gaan een eindje rijden met deze aardige meneer.’ Ze gooide Gylfi’s donsjack over de schouders van Sóley, deed haar snel haar rubberlaarzen aan en dirigeerde haar naar buiten. Þóra trok de deur van de achterbank open en hielp haar dochter met snelle bewegingen naar binnen. Zelf sprong ze vervolgens voorin en vroeg Matthias te gaan rijden. ‘Matthias, dit is mijn dochter Sóley. Ze spreekt alleen IJslands. Sóley, lieverd, dit is Matthias. Hij kan geen IJslands, maar jullie worden beslist goede vrienden.’

Matthias nam de tijd om naar het kleine meisje te kijken en naar haar te glimlachen. ‘Net zo mooi als haar moeder,’ zei hij en hij draaide de auto in de richting van haar handgewapper. ‘En dezelfde smaak wat kleding betreft.’

‘Hier, en nu naar rechts. Ik ben op zoek naar nummer 45,’ zei Þóra, nog steeds opgewonden. Het huis was al snel te zien. Het was gemakkelijk herkenbaar, omdat Gylfi van achteren te zien was, terwijl hij het pad naar het huis opliep.

‘Daar, daar,’ zei Þóra snel en ze wees naar haar zoon. Matthias gaf een beetje gas en stuurde de auto tot aan de stoep voor het huis: de oprit stond al vol. Þóra herkende de andere auto: die was van Hannes. Þóra gooide het portier open, terwijl de auto tot stilstand kwam. ‘Sóley, lieverd, wacht jij hier bij die aardige Matthias.’

Gylfi keek pas op toen zijn moeder herhaaldelijk zijn naam riep, terwijl ze naar het huis rende. Hij was al bij de voordeur, waar hij nu een beetje slungelig stond, nadat hij net had aangebeld. ‘Hoi,’ zei hij terneergeslagen.

‘Ik had vertraging,’ zei Þóra hijgend. Ze legde haar hand op de schouder van haar zoon. ‘Wat is er eigenlijk aan de hand, lieverd? Wie wonen hier?’

Gylfi keek haar aan en zijn blik was een en al wanhoop. ‘Sigga is zwanger. Ze zit nog maar in de derde klas. Ik ben de vader. Haar ouders wonen hier.’

De voordeur ging precies open toen hij het laatste woord geuit had. Þóra stond verstijfd en met open mond. Om de een of andere reden kon ze haar ogen niet afhouden van de iPod die haar zoon om zijn nek had hangen, misschien omdat ze net daarnaar keek toen de wereld ineenstortte. Als degene die de deur openmaakte niet witheet van woede was geweest, had hij ongetwijfeld gelachen om de idiote uitdrukking op haar gezicht. ‘Hallo,’ zei een man van middelbare leeftijd tegen haar. Hij keek toen naar Gylfi, kneep zijn ogen minachtend samen en zei: ‘Goedendag.’ In dit ene woord lag alles verborgen, behalve de wens voor een goede dag. Tussen de regels was eerder te lezen: Loop naar de hel jij, die de jonge en onschuldige dochters van respectabele mensen verleidt.

Uit gewoonte nam beleefdheid het over en Þóra probeerde te glimlachen. ‘Ik ben Þóra. Gylfi’s moeder.’

De man snoof, maar hij vroeg hen niettemin binnen te komen. Ze deden hun schoenen uit onder het toeziend oog van de man, die dreigend tegen de deurpost in de gang geleund stond. Het kwam Þóra nog het meest voor dat de man verwachtte dat Gylfi geen genoegen zou nemen met alleen zijn kleine meid, maar dat hij er niet voor terugschrok om ook nog de vrouw des huizes te onteren.

‘Dank u,’ zei ze zonder daar iets specifieks mee te bedoelen, toen ze langs de man de kamer in liep. Ze hield met beide handen de schouders van haar zoon vast en dirigeerde hem zo voor zich uit, voor het geval de man hem wilde aanvallen. Ze gingen rechtdoor de grote, open kamer in waar drie mensen te zien waren: Hannes, die Þóra herkende aan zijn achterhoofd; een vrouw van Þóra’s leeftijd, die opstond toen ze dichterbij kwamen, en een jong meisje dat op een stoel zat, met gebogen hoofd in totale overgave.

‘Aha, daar zijn jullie eindelijk,’ zei ze met een schelle stem. O god, laat het kind mijn diepe alt erven, bad ze in stilte. Ze probeerde voor een tweede keer een geforceerde glimlach te produceren. Haar handen hield ze op de schouders van haar zoon.

‘Hannes,’ zei Þóra en ze keek naar haar ex-man. Ze probeerde hem telepathisch duidelijk te maken dat hij zijn plicht moest doen door haar in het meubilair op te laten gaan. Hij liet niet merken dat hij de boodschap doorgekregen had en keek haar streng aan. ‘Dag Sigga,’ zei ze zo vriendelijk als ze kon tegen het meisje, dat bij die woorden opkeek. Haar ogen waren rood van het huilen en er blonken twee dikke tranen in allebei haar ooghoeken.

Gylfi maakte zich uiteindelijk los uit Þóra’s greep en rende naar haar toe. ‘Sigga!’ schreeuwde hij, duidelijk geroerd om zijn vriendin in zo’n slechte toestand te zien.

‘O, geweldig!’ gilde de moeder. ‘Romeo en Julia. Geef me een teiltje!’

Þóra draaide zich snel in haar richting. Er borrelde woede in haar op. Hier hadden twee jonge mensen een vreselijke misstap begaan en mevrouw had het lef om met hun lot te spotten, ook al was een van de twee haar dochter. Þóra verloor niet vaak haar zelfbeheersing, maar dit was zo’n moment. ‘Neemt u mij niet kwalijk, maar het is al moeilijk genoeg op dit moment – maakt u het niet nog erger met uw sarcasme.’ Hannes sprong op en Þóra merkte hoe hij haar op de sofa trok zonder dat ze kon tegenstribbelen. De vrouw snakte naar adem: woede vonkte uit haar ogen als nooit tevoren.

‘Ik zie al van wie uw zoon zijn manieren heeft,’ zei ze en ze ging zitten, haar rug recht als een ballerina. Haar man besloot te blijven staan en vanaf zijn plaats midden in de kamer, torende hij boven hen uit als een enorme ijspegel.

‘Mama!’ zei Sigga met een snik in haar keel. ‘Hou je mond!’ Þóra mocht het meisje meteen, haar toekomstige schoondochter.

‘Een mooie klotezooi is dit,’ zei de ijspegel. ‘Als we niet eens in staat zijn om hierover te kunnen praten als fatsoenlijke mensen, dan kunnen we het wel vergeten. We zijn hier bij elkaar gekomen om elkaar in de ogen te kijken bij dit verschrikkelijke nieuws en dat zullen we doen ook.’ Hij legde veel nadruk op het woord ‘verschrikkelijk’.

Hannes ging rechtop zitten. ‘Mee eens, laten we proberen om ons te beheersen: dit is voor geen van ons hier gemakkelijk.’

De vrouw snoof nog eens.

‘Ja, precies,’ ging Hannes ernstig verder. ‘Ik zou om te beginnen willen zeggen dat het mij vreselijk spijt en dat ik jullie, namens mijn gezin, mijn welgemeende excuses wil aanbieden voor het gedrag van onze zoon en voor jullie verdriet dat hij veroorzaakt heeft.’

Þóra haalde diep adem om dit te laten bezinken, voordat ze Hannes zou vermoorden. Ze wendde zich doodkalm tot hem. ‘Ten eerste, om het even duidelijk te stellen, wij zijn geen gezin. Ik, mijn zoon en dochter: wij zijn een gezin. Jij bent een zielig aftreksel van een weekendvader die, anders dan de meeste weekendvaders, niet eens zijn kind kan bijstaan als het erop aankomt.’ Ze wendde haar blik van Hannes af en zag dat de anderen haar aanstaarden. Het gezicht van haar zoon lichtte op van trots. Ze herhaalde haar verklaring: ‘Dat dat even duidelijk is.’

Hannes snakte naast haar naar adem, maar was te laat om nog iets te zeggen, want de moeder nam het woord. ‘Wat toepasselijk: ik wilde van de gelegenheid gebruik maken om je erop te wijzen dat jouw oogappel – die zoon van jou of van jullie daar – binnenkort…’ In deze familie lieten de leden zich duidelijk graag meeslepen door hun theatrale talenten. De vrouw zette haar woorden kracht bij door met overdreven handgebaren naar Gylfi te wijzen: ‘… dat hij dezelfde zielige weekendvader zal worden als jouw ex-man.’

‘Nee,’ werd er geroepen. Het was Gylfi. Hij ging trots verder: ‘Ik… ik bedoel wij. Wij. Wij zijn van plan om samen verder te gaan. We zullen een appartement huren en voor het kind zorgen.’

Þóra had ineens zin om in lachen uit te barsten. Gylfi een appartement huren! Hij realiseerde zich zeker niet dat de meeste dingen die hij vanzelfsprekend vond – verwarming, elektriciteit, televisie, water, het ophalen van het huisvuil – allemaal geld kostten. Ze bemoeide zich niet met de discussie, uit angst dat haar zoon de moed zou verliezen. Als hij van mening was dat hij een appartement ging huren, dan moest dat maar zo.

‘Ja!’ schreeuwde Sigga. ‘Dat kunnen we best; ik ben al bijna zestien.’

‘Verkrachting!’ riep de vrouw. ‘Natuurlijk. Ze is nog geen zestien! Dit is verkrachting!’ Ze keek naar Gylfi en gilde: ‘Verkrachter!’

Þóra begreep niet helemaal hoe dit de zaak zou kunnen verbeteren. Ze richtte zich tot Sigga. ‘Hoeveel maanden ben je al, lieverd?’

‘Ik weet het niet; een maand of drie misschien. Ik ben tenminste al drie maanden niet meer ongesteld geweest.’ Haar vader werd rood tot achter zijn oren.

Gylfi was anderhalve maand geleden zestien geworden. Niet dat dat iets aan de zaak veranderde. ‘Mag ik u erop wijzen dat de wettelijk aansprakelijke leeftijd in zulke zaken veertien jaar is, niet zestien. Bovendien was mijn zoon zelf nog geen zestien toen het kind verwekt werd en in de wet staat niets over het geslacht als het seksuele intimidatie betreft, zoals dat heet.’

‘Wat een onzin,’ snoof de vader. ‘Alsof een vrouw een man kan verkrachten. Laat staan in het geval dat het een kind betreft, zoals mijn dochter hier.’

‘En zoals mijn zoon hier,’ antwoordde Þóra en ze grijnsde naar de man.

‘Mag ik u erop wijzen dat uw zoon al in de bovenbouw zit en mijn dochter nog maar in de onderbouw? Daar zal toch wel iets over in de wet staan,’ zei de man triomfantelijk.

‘Helemaal niet,’ antwoordde Þóra. ‘Ik kan u verzekeren dat er niets specifieks in staat over de klas waar ze in zitten.’

De man trok een gezicht. ‘Die klootzakken in de regering.’

‘Jullie zijn gek!’ gilde Sigga. ‘Dit is mijn kind. Ik ben het die ermee moet rondlopen en een dikke buik en lelijke borsten krijgt en nooit naar een schoolfeest zal kunnen gaan.’ Verder kwam ze niet, omdat ze in huilen uitbarstte.

Gylfi probeerde haar te omhelzen, waarmee hij waarschijnlijk hopeloos romantisch dacht te zijn. Hij zei met een van emotie overlopende stem, zodat iedereen het hoorde: ‘Het maakt mij niet allemaal niet uit: je mag een enorm dikke buik krijgen en weerzinwekkende borsten. Ik ga niet bij je weg en ik zal niemand anders naar het schoolfeest vragen. Ik ga gewoon alleen. Van alle meisjes houd ik het meest van jou.’

Sigga huilde nog harder, terwijl de volwassenen alleen maar met open mond naar Gylfi konden staren. Op de een of andere manier zorgde deze groteske liefdesverklaring ervoor dat hun ogen geopend werden voor het feit dat moeder natuur een verschrikkelijke fout had gemaakt: dit waren kinderen die een kind zouden krijgen; wie van beiden de schuld droeg was misschien niet noodzakelijkerwijs het belangrijkste.

Hannes verloor zijn zelfbeheersing na dit collectieve inzicht. Hij wendde zich tot Þóra met een van woede vertrokken gezicht. ‘Het is allemaal jouw schuld. Jij leeft een of ander wild leven, gaat met iedereen naar bed die ook maar de minste interesse in je toont. Toen ik nog thuis was, deed die jongen niet zo: hij imiteert het enige voorbeeld dat hij heeft.’

Þóra was te verbijsterd om te kunnen antwoorden. Wild leven? Eén keer was ze met iemand naar bed geweest, of eigenlijk twee keer, in twee jaar. Dat kon nauwelijks doorgaan voor een wild leven. Zelfs haar 88-jarige opa had haar aangemoedigd om wat meer uit te gaan om plezier te hebben en dan had ze het nog niet eens over Laufey, die nauwelijks een heilig boontje kon worden genoemd.

‘Ik wist het wel: jij bent zo’n losbandige slet!’ gilde de moeder zo hard dat het pijn deed aan haar oren. ‘Een seksmaniak: de appel valt niet ver van de boom, zeg ik altijd maar.’ De vrouw staarde haar triomfantelijk aan.

Þóra kreeg hulp uit onverwachte hoek, toen de vader zich ermee ging bemoeien. ‘Het is uiteindelijk wel duidelijk dat je dochter in elk geval niet zo lomp en ordinair is als jij!’

Toen had Þóra er plotseling schoon genoeg van: dit was meer informatie over de aanstaande schoonfamilie van haar zoon dan gezond voor haar was. Een doop, een hoop verjaardagen, een belijdenis en god weet wat nog meer lagen nog in het verschiet. Þóra had niet bijzonder veel zin om bij een dergelijke gelegenheid de diepste geheimen van deze mensen te bespreken. Ze stond op. ‘Weet u, ik weet niet welk genie heeft bedacht dat we nu bij elkaar zouden moeten komen.’ Ze richtte zich tot Hannes. ‘Het staat u vrij om met de vader van Gylfi te praten, tot diep in de nacht als u wilt, maar ik heb hier genoeg van.’ Ze draaide zich abrupt om, maar moest zich weer naar het gezelschap omdraaien, toen ze besefte dat ze haar zoon uit deze toestand wilde krijgen. ‘Kom, Gylfi.’ Ze richtte haar laatste woorden tot de arme Sigga, die haar hoofd weer liet hangen en huilde. ‘Sigga, lieverd, het kindje van jou en Gylfi zal bij mij thuis altijd welkom zijn en jullie allebei ook, als jullie willen gaan samenwonen. Tot ziens.’

Ze ging naar buiten, helemaal kapot, met Gylfi een eindje achter zich. Ze gooiden de voordeur achter zich dicht en liepen naar de huurauto, die gelukkig nog op zijn plaats stond. Zonder iets te zeggen ging Þóra voorin zitten en Gylfi achterin, naast zijn zusje. ‘Hannes-ar-dóttir,’ zei Sóley beslist.

‘Rijden maar’ zei Þóra en ze greep naar haar voorhoofd. Ze keek naar Matthias, blij over het feit dat haar kinderen geen Duits verstonden. ‘Raad eens? Ik ben ineens in waarde verminderd: je bent zojuist met een oude oma naar bed geweest.’

Tot Þóra’s verbazing barstte Matthias in lachen uit. ‘Ik moet zeggen dat de IJslandse oma’s heel anders zijn dan de Duitse.’ Hij wierp een blik op de achterbank, waar Gylfi zat, onzeker nu alles in zijn bestaan aan het wankelen was. De enige strohalm die hij op dit moment had, was zijn moeder die net tegen iedereen was uitgevallen, voornamelijk omdat ze nog steeds een beetje een kater had. ‘Dag, zoon van Þóra. Ik ben Matthias.’ Hij knipoogde naar Þóra. Ze draaide zich om naar de achterbank, klaar om hem met gelijke munt voor zijn eerlijkheid te belonen: nu zou ze haar zoon moeten vertellen dat Matthias meer dan een vriend en collega van haar was. Haar ogen vielen op de iPod, die nog steeds om de hals van de jongen bungelde, en ze besloot het niet te doen.

‘Gylfi, dit is Matthias. Hij werkt met mij samen. Ik heb hem uitgenodigd voor het eten. We zullen in alle rust met elkaar praten, als hij weg is, jongen.’ Ze slikte de brok weg die ze plotseling in haar keel kreeg. Ze zou oma worden, op 36-jarige leeftijd. Jezus, Maria, de Heilige Geest en wie van boven ze ook maar om bijstand kon smeken, laat het kind gezond zijn en het leven van de ouders gelukkig, ondanks deze misstap. Ze hield haar tranen weer tegen die haar ongevraagd in de ogen sprongen. Plotseling drongen zich oude voortekenen en andere dingen aan haar op waarvan ze had moeten weten dat er iets achter zat. Het is helemaal niet leuk om alleen met Gylfi thuis te zijn: hij is altijd op zijn bed aan het springen en aan het roepen.

‘Þóra.’ Matthias bracht haar terug in de werkelijkheid. ‘Ik kreeg een telefoontje van het Heksenmuseum. Ze hebben een verklaring gevonden voor het gesnij in Haralds lijk.’

28

Þóra wilde het etentje helemaal niet afzeggen. Ze gooide als in trance alles wat ze in haar kastjes en in het vriesvakje kon vinden in pannen, zonder zich al te veel om het resultaat te bekommeren.

‘Tast toe,’ riep ze gemaakt opgeruimd. Matthias zat al aan de keukentafel en volgde met grote ogen hoe de ene schaal na de andere tevoorschijn kwam. Toen alles op tafel stond, bestond de maaltijd uit erwten, patat, rijst, couscous, soep, jam en pannenkoeken.

‘Dat ziet er lekker uit,’ zei hij beleefd toen iedereen was gaan zitten, en hij nam wat erwten uit blik.

Þóra liet haar blik over de tafel gaan en zuchtte. ‘We hebben geen hoofdgerecht,’ zei ze berustend. ‘Ik wist dat er iets niet klopte.’ Ze wilde opstaan om iets te zoeken dat kon redden wat er te redden viel: diepgevroren lasagne, pasta, vlees of vis. Ze wist tegelijkertijd dat ze niets van dat alles in huis had: ze had naar de winkel willen gaan om boodschappen te doen, maar ze was volkomen uit het veld geslagen geweest. Matthias pakte haar bij haar bovenarm en trok haar weer op haar stoel.

‘Het is prima zo. Dit avondeten is niet erg gewoon, maar dat is het tijdstip ook niet, dus dat klopt dan wel.’ Hij glimlachte tegen de kinderen die in het allegaartje op hun bord prikten.

Þóra keek op de klok. Het was nog maar drie uur: het was duidelijk dat ze helemaal uit haar normale doen was. Ze probeerde te glimlachen. ‘Ik ben er nog helemaal kapot van; misschien ben ik er over een jaar wel weer overheen. Tegen die tijd zal ik je gewoon nog een keer uitnodigen om te komen eten.’

‘Nee, nee, dat is niet nodig. Ik vind het leuker om jou uit eten te vragen,’ zei Matthias en hij stak een stuk pannenkoek zonder beleg in zijn mond. ‘Heerlijk,’ zei hij en hij lachte inschikkelijk.

Niemand at zijn bord leeg en de vuilnisemmer zat aan het eind van de maaltijd vol. Sóley vroeg of ze naar buiten mocht om haar vriendinnetje Kristína op te zoeken en Þóra vond dat goed. Gylfi verdween naar zijn kamer, zei dat hij ging internetten. Þóra hoopte dat hij geen sites zou bezoeken die over babyverzorging gingen. Hij zou ongetwijfeld overdonderd raken, als hij zwart op wit zag wat dat inhield. Toen ze met zijn tweeën overgebleven waren, gingen Þóra en Matthias in de huiskamer zitten. Ze had koffie gezet die ze mee daarnaartoe namen.

Tja, nou,’ zei hij ongemakkelijk. ‘Ik zal niet lang blijven gezien de hele toestand. Oma’s doen toch een dutje na het eten?’

Þóra snoof. ‘Deze oma heeft vooral zin in een gin-tonic.’ Ze nam echter genoegen met een kop koffie. ‘We weten aan de andere kant allebei waar dat toe kan leiden, dus ik denk dat ik dat nu maar laat.’ Ze glimlachte naar hem en haar wangen werden een beetje rood. ‘Maar ik zit klaar om te horen wat de man van het Heksenmuseum te vertellen had.’ Ze leunde achterover op de bank en trok haar voeten onder zich.

Matthias haalde een papier tevoorschijn en vouwde het open op de salontafel. ‘Þorgrímur belde en zei dat hij contact had opgenomen met die Páll, die alles zou moeten weten. Kort gezegd wist hij alles over dat magische symbool. Weet je waarom?’

Þóra schudde haar hoofd. Ze zag dat Matthias had gehoopt op meer reactie en zei: ‘Ik weet het niet; omdat hij een genie is?’

‘Nee. Of toch wel, het kan best zijn dat hij een genie is. Hij wist in ieder geval alles over dat magische symbool, omdat hij zich zo goed kon herinneren dat Harald enorm stond te popelen, toen het genoemd werd.’

‘Harald heeft dus met name over dit ene symbool met hem gepraat?’ vroeg Þóra.

‘Ja en nee. Aanvankelijk nam hij contact op met Páll voor algemene informatie over magische symbolen en vroeg om informatie over tekens die bijvoorbeeld in geen enkel boek stonden. Daarna vroeg Harald naar het IJslandse boek over toverij dat we in dat museum hebben gezien. Páll vertelde hem over de belangrijkste boeken over toverij en zei dat één in het bijzonder Haralds interesse wekte: een soort magie die kennelijk nogal kwaadaardig is, hoewel het qua inhoud bij de liefdesmagie wordt ingedeeld. Hij vroeg trouwens of we het niet toevallig gezien hadden: de bladzijde die wij in het museum hebben bekeken laat het begin ervan zien, maar er stond eigenlijk veel meer op de volgende twee bladzijden, die niet te zien waren. Jij mag raden wat het voor een vloek is.’

‘Je haalt de ogen uit een overledene en doet er iets mee?’ antwoordde Þóra hoopvol.

‘Nee, eigenlijk niet, maar het is wel belangrijk. Als ik de man goed heb begrepen, dan wordt deze liefdesspreuk uitgesproken om een vrouw verliefd te laten worden op degene die hem uitspreekt, wat natuurlijk duidelijk is. Daartoe moet een kuil in de grond worden gegraven waar de vrouw overheen moet lopen. Daar moet ze dan bloed van een slang in doen en er haar naam en wat magische symbolen in krassen. Ten slotte wordt er een spreuk gezegd, precies dezelfde spreuk als naar de moeder van Harald gestuurd werd.’ Matthias glimlachte trots.

‘Bedoel je dat gedicht?’ vroeg Þóra.

‘Precies,’ antwoordde Matthias. ‘En dat is niet het enige. Die Páll zei dat Harald een enorme interesse had voor magie en ze spraken er tot in detail over: of het alleen ging om een minnares of dat het zou kunnen gaan om andere soorten liefde, of de kuil in de grond moest zijn, enzovoorts. Hieruit ontstond de discussie over het symbool dat in de marge van de bladzijde met de spreuk gekrabbeld was.’ Matthias pauzeerde even.

‘Wat?’ zei Þóra ongeduldig.

‘Toen bleek dat het symbool in de marge onbekend is, maar het lijkt niettemin veel op een Oudijslands teken, dat een wraaksymbool is. Er zit maar één lijntje verschil in de bovenste tak. Het Oudnoorse symbool staat slechts op een fragment van een handschrift en de spreuk ontbreekt in zijn geheel. Er is alleen een beschrijving bewaard gebleven, samen met de eerste zin van de spreuk, die luidt: ‘Ik kijk naar jou’; dezelfde beginzin als in de liefdesspreuk. Het lijkt Páll waarschijnlijk dat de eigenaar van het boek het symbool naast het liefdessymbool heeft getekend, aangezien dezelfde vloek bij beide symbolen hoort, of hij nu zeker wist of alleen dacht dat deze spreuk bedoeld werd vanwege een soortgelijk begin. Páll vermeldde verder dat het boek waarschijnlijk geschreven was door vier verschillende mannen, drie IJslanders en een Deen, en het zou best kunnen dat degene die het boek als laatste onder handen genomen heeft, het symbool om dezelfde reden bij de vloek heeft getekend. Hij vertelde me dat deze Oudijslandse vloek veel donkerder is dan andere symbolen en het is onbekend waar hij vandaan komt, hoewel de tekst die er op het fragment van het handschrift bij stond, in het Deens was. Het handschrift is in privé-bezit; de leeftijd ervan is onderzocht en men denkt dat het uit het eind van de zestiende eeuw komt, maar het IJslandse toverboek is waarschijnlijk rond 1650 geschreven.’

‘In welk opzicht is dit symbool donkerder dan andere symbolen?’ vroeg Þóra.

‘“Zwarter” is misschien een beter woord, of “meer sinister”. Wat hij bedoelde, is dat het ongetwijfeld was bedoeld om anderen kwaad te doen. Degene die het symbool na zijn dood in zijn lichaam laat kerven, kan iemand achtervolgen die hem bij leven dwars heeft gezeten, achtervolgt hem of haar vanuit het graf en zorgt ervoor dat de desbetreffende persoon erge spijt krijgt van zijn misdragingen tegenover de overledene. En die spijt helpt die persoon dan uiteindelijk naar de verdoemenis. O ja, en om de vloek ten uitvoer te brengen zijn er een paar lichaamsdelen nodig waarvan je ongetwijfeld kunt raden welke dat zijn.’

‘Ogen,’ zei Þóra overtuigd.

Matthias knikte. ‘Wacht nog even. Toen Harald deze vloek beschreef, was hij ongelofelijk enthousiast en wilde dat hij precies zou beschrijven hoe hij moest worden uitgevoerd. Páll legde het hem allemaal aan de telefoon uit en stuurde hem toen een gescand exemplaar van het toverboek en het handschrift dat hij had.’

‘Oké. En toen?’ mopperde ze ongeduldig.

‘In ieder geval, het werkt als volgt: degene die wraak wil nemen, maakt een afspraak met iemand anders om na zijn dood de vloek uit te voeren. Ongeveer net zoals bij het ritueel waarbij het onderlijf van een man wordt gevild. Samen moeten ze het symbool op een stuk huid tekenen, waarbij ze een mengsel van hun bloed en dat van een raaf moeten gebruiken. Er zijn niet slechts een paar druppels nodig, want onder het symbool moeten ze schrijven dat X belooft om de vloek voor Y uit te voeren en vervolgens moeten X en Y dat bevestigen door hun naam eronder te schrijven.’ Matthias nam een slok koffie, voordat hij verderging. ‘Nu komt het belangrijkste. Na de dood van Y moet X het symbool in zijn lijk kerven en een hoeveelheid van diens bloed aftappen, genoeg om ermee te kunnen schrijven en – hoe smakelijk – de ogen uit het lijk halen.’

‘Jezus,’ zei Þóra en ze huiverde. ‘Waarom in godsnaam? Is het niet genoeg om met bloed te schrijven en in het lijk te kerven?’

Matthias glimlachte. ‘Blijkbaar niet. Páll zei dat het symbool in het lijk moest worden gekerfd om de overledene eraan te herinneren dat zijn ogen op zijn eigen verzoek werden verwijderd. Anders zou hij uit zijn graf rijzen om een zoektocht naar zijn ogen te beginnen – en waarschijnlijk zijn vriend, die ze eruit had gehaald, vermoorden. Het bloed moet gebruikt worden om de spreuk te schrijven die bij het symbool hoort: de spreuk die verloren gegaan is. Dit moet dan weer met ravenbloed worden vermengd.’

‘Wat het zangvogel-dna verklaart dat bij de analyse van het bloed is gevonden,’ onderbrak Þóra. ‘De raaf is de grootste zangvogel van IJsland.’ De kennis van de natuur die ze op de lagere school had opgedaan, liet haar nooit in de steek, als het erop aankwam.

‘Ja, maar je hoeft er dus geen bloed van degene die achterblijft aan toe te voegen. De ogen moeten dan worden ingepakt in het stuk huid met de spreuk erop en ze moeten alle twee terechtkomen in handen van degene die de dode dwars heeft gezeten en op wie hij wraak wil nemen. Daarna is hij nergens meer veilig: de dode zal hem achtervolgen om hem constant aan zijn misdaden te herinneren, totdat de desbetreffende persoon instort en een verschrikkelijke dood sterft.’

‘En die spreuk is dezelfde die Haralds moeder kreeg opgestuurd,’ zei Þóra bedroefd. Dat was verschrikkelijk. Wat kon Haralds zo diepgewortelde haat voor zijn moeder hebben veroorzaakt? Wat had die vrouw hem in godsnaam misdaan? Misschien zat dit inderdaad alleen maar tussen zijn oren: misschien was hij gewoon psychisch gestoord en gaf hij zijn moeder de schuld van zijn falen. ‘Wacht even, heeft ze ook de ogen gekregen?’

‘Nee,’ zei Matthias. ‘Die zaten er niet bij. Ik heb geen idee waar ze gebleven zijn: misschien zijn ze verloren of beschadigd.’

Þóra dacht even na. ‘Halldór, de geneeskundestudent. Hij is natuurlijk degene die het lijk heeft toegetakeld,’ zei Þóra. ‘Dan heeft hij Harald vermoord.’

‘Daar lijkt het wel op,’ antwoordde Matthias. ‘Behalve als Matthias zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen dood en Halldór het daarna heeft overgenomen.’

‘Hoe dan?’ vroeg Þóra. ‘Hij is gewurgd.’

‘Misschien was hij aan wurgseks aan het doen? We moeten het in ieder geval in ons achterhoofd houden. Ja, of dat een van die anderen Harald vermoord heeft of een overeenkomst met hem gesloten. Ze keken in ieder geval allemaal even schaapachtig, toen we hun het symbool lieten zien. Wat dat aangaat zou Hugi ook medeplichtig kunnen zijn, als je erover nadenkt.’

‘We moeten weer met Halldór praten, dat is duidelijk. En met hen allemaal waarschijnlijk. Ik wens ons veel sterkte, als we ze allemaal weer met ons om de tafel moeten krijgen.’

Matthias glimlachte naar Þóra. ‘We zijn toch niet helemaal gek. We zijn nu al zo ver gekomen. Het enige wat in het plaatje ontbreekt is Haralds geld: wat is daarmee gebeurd?’

Þóra haalde haar schouders op. ‘Misschien heeft Harald dat vreselijke toverhandschrift kunnen kopen.’

Matthias dacht daar even over na. ‘Misschien. Ik betwijfel het eigenlijk, omdat Páll zei dat het in het bezit was van de Nationale Bibliotheek van Noorwegen. Dat was bovendien de reden dat de politie het symbool niet heeft gevonden: het is niet erg bekend, eigenlijk kent niemand het hier in IJsland, behalve Páll, die in het buitenland zit. Ze hebben zich dus nooit tot hem gewend over de herkomst van het symbool.’

‘Maar misschien heeft hij dat geld naar Noorwegen overgemaakt met de bedoeling om informatie te kopen van die Páll en vervolgens dat oude boek van de bibliotheek, maar werd toen vanwege die informatie en het boek door een van die zogenaamde vrienden van hem vermoord. Zij zouden het geld mee hebben kunnen nemen, of niet? Er zijn mensen die voor minder moorden.’

Matthias was het daarmee eens. Hij keek op de klok en keek toen bedachtzaam naar Þóra. ‘Het vliegtuig uit Frankfurt is om halfvier geland.’

‘Shit,’ riep Þóra uit. ‘Ik kan nu niet met de moeder praten; ik kan het gewoon niet. Wat als ze me naar mijn eigen kinderen vraagt? Wat moet ik dan zeggen? Ja, mevrouw, mijn zoon is erg vroegrijp; ik had u misschien nog niet verteld dat hij vader wordt?’

‘Geloof mij nou maar, ze zal waarschijnlijk niet erg geïnteresseerd zijn in jouw kinderen,’ zei Matthias rustig.

‘Het had niet slechter kunnen uitkomen dan om nu met haar over haar zoon te praten. Hoe kan ik haar in de ogen kijken en vertellen dat Harald een pact met de duivel had gesloten of bijna dan, alleen om haar leven een ware hel te maken en haar de dood in te jagen.’ Þóra keek naar Matthias in de hoop op een opbeurend antwoord.

‘Ik zal haar dat nieuws brengen, daar hoef je niet bezorgd over te zijn. Maar je komt er echt niet onderuit om met haar te praten. Als je het vandaag niet doet, dan moet je het morgen doen. Die vrouw is van ver gekomen, alleen om met jou te praten, weet je nog? Toen ze tegen me zei dat ze je in eigen persoon wilde ontmoeten en onder vier ogen met je wilde praten, was haar stem veel ontspannener dan ik haar ooit gehoord heb. Je hoeft nergens bang voor te zijn.’

Þóra vond Matthias niet echt overtuigend genoeg klinken. ‘Bellen zij of wat was het plan?’

‘Ze bellen, als ze in het hotel zijn.’ Hij keek op de klok. ‘Waarschijnlijk binnen afzienbare tijd. Ik kan ook naar hen bellen als je wilt.’

Oef. Dat was een moeilijke keus. Þóra kon maar geen beslissing nemen. ‘Ja, bel jij maar,’ zei ze snel, maar ze voegde daar meteen aan toe: ‘Nee, doe maar niet!’

Voordat ze weer van gedachte kon veranderen, ging de telefoon van Matthias. Þóra kreunde, terwijl hij zijn telefoon oppakte, erop keek en zei: ‘Dat zijn ze.’ Hij duwde op het knopje om aan te nemen en zei: ‘Hallo, met Matthias.’

Þóra verstond maar de helft van het telefoongesprek, hoewel ze aan de andere kant van de lijn een zacht stemgeluid kon onderscheiden wanneer Matthias luisterde. Het gesprek leek erg oppervlakkig: ‘Hebben jullie een goede reis gehad?’

‘Dat spijt me om te horen.’

‘Jullie hebben toch de naam van het hotel, nietwaar?’ enzovoorts. Het telefoongesprek eindigde toen hij zei: ‘Tot dan. Dag.’ Hij keek naar Þóra en glimlachte. ‘Je hebt geluk, omaatje.’

‘Wat?’ vroeg Þóra verwachtingsvol. ‘Is ze niet gekomen?’

‘Jawel, ze is wel gekomen. Maar ze heeft migraine en wil jullie ontmoeting tot morgen uitstellen. Ik had Elisa aan de telefoon; ze zijn in een huurauto onderweg naar Hotel Borg. Ze wil ons daar over een halfuur ontmoeten.’

29

De jonge vrouw had niets weg van haar moeder, maar had wel eenzelfde voorkomen. Ze had net als haar vader donker haar en leek eigenlijk helemaal op hem, als de familiefoto’s die Þóra had gezien als bewijs konden dienen. Haar hele uiterlijk was niet pretentieus: haar lange, steile haren werden uit haar gezicht gehouden door middel van een staartje en ze was gekleed in een mooie, zwarte, lange broek en een zwarte blouse die van zijde gemaakt leek. Het enige juweel was een diamanten ring aan haar rechter ringvinger, dezelfde ring die Þóra had gezien op de foto die in de keuken was gemaakt. Het viel Þóra op hoe slank ze was en toen ze haar een hand gaf, voelde ze dat het meisje waarschijnlijk nog dunner was dan ze al leek in deze kleren. Matthias kreeg een veel innigere begroeting: Elisa omhelsde hem en ze gaven elkaar twee zoenen op de wang.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij nadat hij Elisa’s schouders had losgelaten. Þóra merkte op dat hij haar tutoyeerde, wat ze niet verwacht had aangezien hij toch een werknemer van de familie was. Matthias had duidelijk een vrij hechte relatie met deze mensen of had een hogere functie in het bedrijf dan Þóra zich had gerealiseerd.

Elisa haalde haar schouders op en lachte zwakjes. ‘Niet al te best,’ zei ze. ‘Het was een moeilijke tijd.’ Ze richtte zich tot Þóra. ‘Als ik had geweten dat jullie met me wilden praten, was ik veel eerder gekomen. Het was niet in me opgekomen dat mijn bezoek aan Harald van belang kon zijn.’

Dat vond Þóra opmerkelijk, aangezien het meisje vlak voor de moord bij haar broer was geweest, maar ze zei alleen: ‘Ja, maar nu ben je er en dat is het belangrijkste.’

‘Ja, ik heb meteen een ticket gekocht, toen Matthias belde. Ik wil jullie helpen,’ zei ze en ze leek het te menen vanuit de grond van haar hart. En ze voegde eraan toe: ‘En mama ook.’

‘Mooi,’ zei Matthias ongewoon hard en Þóra vroeg zich af of hij bang was dat ze iets ongepasts zou zeggen.

‘Ja, mooi,’ praatte ze hem na om hem ervan te verzekeren dat ze er niet aan dacht om zoiets te doen.

‘Zullen we gaan zitten?’ vroeg Elisa. ‘Mag ik jullie koffie aanbieden of een glas wijn?’ Þóra besloot niet te drinken en nam een kop koffie, de anderen bestelden een glas witte wijn.

‘Nou,’ zei Matthias en hij ging weer in de leunstoel zitten. ‘Wat kun je ons over je bezoek vertellen?’

‘Zullen we niet even op de wijn wachten? Ik denk dat ik daar eerst behoefte aan heb,’ zei Elisa, waarbij ze vragend naar Matthias keek.

‘Uiteraard,’ antwoordde hij en hij boog zich naar voren om haar in haar arm, die op de leuning van de sofa rustte, te knijpen.

Elisa keek verontschuldigend naar Þóra. ‘Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik vind het niet erg prettig om weer aan dat bezoek te denken. Ik zit nog steeds in de knoop met mijn gevoelens: ik vind dat ik zo egoïstisch ben geweest en alleen over mezelf met hem gepraat heb. Als ik geweten had dat ik hem nooit meer zou zien, dan had ik hem zo veel meer over mijn gevoelens voor hem verteld.’ Ze beet op haar onderlip. ‘Maar dat deed ik niet en ik zal het nu nooit meer kunnen doen.’

De ober kwam met de drankjes en ze proostten op niets in het bijzonder. Þóra had er spijt van dat ze besloten had te stoppen met alcohol drinken, terwijl ze kleine slokjes van haar koffie nam en toekeek hoe de anderen hun wijn dronken. Ze nam zich voor om bij de volgende gelegenheid weer mee te doen, maar vond het ook weer niet netjes om later om een glas wijn te vragen.

‘Ik doe er misschien goed aan om te zeggen waarom ik naar Harald ben gegaan,’ zei Elisa, nadat ze haar glas had neergezet. Þóra en Matthias knikten allebei. ‘Zoals je weet, Matthias, lig ik een beetje overhoop met papa en mama. Zij willen dat ik bedrijfskunde ga studeren en dan bij de bank ga werken. Harald was de enige die altijd tegen me zei dat ik moest doen wat ik wilde doen: cello spelen. Iedereen vindt dat ik me in het bedrijfsleven zou moeten storten en voor mijn plezier cello zou moeten spelen. Harald wist echter dat het zo niet werkte, ondanks het feit dat hij geen muzikant was. Hij begreep dat het óf het een, óf het ander is, als je een bepaald niveau hebt bereikt.’

‘Ik begrijp het,’ zei Þóra, maar ze begreep het toch eigenlijk niet.

‘Vandaar dat we het meer over mij hadden tijdens mijn bezoek,’ zei Elisa. ‘Ik ging bij hem op bezoek, op zoek naar iemand die me een hart onder de riem kon steken, en kreeg precies wat ik zocht: Harald zei dat ik me niets moest aantrekken van mama en papa en moest doorgaan met spelen. Hij zei dat er massa’s stropdassen met een hoofd erin waren die een bank konden bestieren, maar er zijn er minder die het talent hebben om fantastisch op een instrument te spelen.’ Ze haastte zich eraan toe te voegen: ‘Stropdassen met een hoofd erin waren zijn woorden: zo zei hij dat.’

‘Mag ik vragen wat je hebt besloten?’ vroeg Þóra nieuwsgierig.

‘Doorgaan met spelen,’ zei Elisa en ze glimlachte bitter. ‘Maar nu ben ik ingeschreven bij bedrijfskunde en begin binnenkort met die studie. Je besluit het ene en doet het andere, zoals dat zo gaat.’

‘Is je vader dan niet blij?’ vroeg Matthias.

‘Jawel, maar ze zijn vooral opgelucht. Het is moeilijk om blij te zijn in ons gezin. Zeker nu.’

‘Elisa, ik weet dat het niet gemakkelijk is om over je familie te praten, maar we hebben een paar e-mails gezien die over en weer gingen tussen Harald en jullie vader. Je vader en je broer leken niet echt een hechte band te hebben.’ Ze viel stil, maar voegde er toen aan toe: ‘Ook hebben we een goede reden om aan te nemen dat zijn relatie met jullie moeder allesbehalve voorbeeldig was.’

Elisa nipte van haar wijn, voordat ze antwoordde. Ze keek Þóra recht aan. ‘Harald was de beste broer die je maar kon bedenken. Hij was misschien anders dan de meeste mensen, zeker de laatste tijd.’ Ze stak haar tong uit en kneep erin om te verwijzen naar de gespleten tong van Harald. ‘Toch liep ik altijd trots naast hem, bij welke gelegenheid dan ook. Hij was een fijn mens en niet alleen tegen mij: hij droeg ons zusje op handen; niemand was aardiger tegen een gehandicapte dan hij tegen haar.’ Ze keek bedroefd naar haar glas voor zich op tafel. ‘Mama en papa, ze deden… Ik weet eigenlijk niet hoe ik het moet zeggen… Ze waardeerden Harald nooit. Mijn eerste herinnering is dat ze me eindeloos omhelsden, liefde en zorg hebben gegeven en dat zag ik nooit als het om Harald ging. Ze leken gewoon… Ja, het leek of ze hem niet uit konden staan.’ Ze onderbrak zichzelf. ‘Ze waren nooit ronduit gemeen tegen hem of zo. Ze hielden gewoon niet van hem. Ik weet niet waarom, als er tenminste sprake is van een waarom.’

Þóra probeerde om niets van haar weerzin te laten merken tegenover de familie Guntlieb. Ze voelde hoe de rillingen over haar rug liepen; ze wilde degene vinden die deze arme jongen vermoord had. Ze kon zich niets verschrikkelijkers voorstellen dan zonder liefde op te groeien. De behoefte van kinderen aan genegenheid was overduidelijk en het was ronduit misdadig om hun dat te ontzeggen. Geen wonder dat Harald een vreemde vogel was geweest. Ze zag ineens uit naar de ontmoeting met zijn moeder morgen. ‘Ja,’ zei ze, om de stilte te doorbreken. ‘Dat klinkt niet best, moet ik eerlijk zeggen. Hoewel het misschien niets te maken heeft met datgene wat we aan het onderzoeken zijn, vind ik dat het veel zegt over zijn karakter. Maar dit is ongetwijfeld niet iets wat je wilt bespreken met een buitenstaander, dus misschien zouden we ons liever moeten richten op datgene waarover jullie het zoal met elkaar hadden.’

Elisa glimlachte opgelucht. ‘Zoals ik net al zei, praatten we vooral over mij en mijn problemen. Harald was geweldig en we deden op zich niets bijzonders. Hij ging in ieder geval met me mee naar de Blue Lagoon en we gingen een geiser bekijken. Verder slenterden we gewoon door de stad of keken we thuis dvd’s, kookten en hingen maar wat.’

Þóra probeerde Harald voor zich te zien in de Blue Lagoon, maar het lukte haar niet om een beeld in haar geest op te roepen dat voldoende overtuigend was. ‘Waar keken jullie naar?’ vroeg ze uit nieuwsgierigheid.

Elisa glimlachte. ‘Naar The Lion King, hoe ongeloofwaardig dat ook mag lijken.’

Matthias knipoogde naar Þóra. Hij had dus niet gelogen over de film in de dvd-speler. ‘Vertelde hij je iets over datgene waar hij mee bezig was?’

Elisa peinsde. ‘Niet veel in ieder geval. Hij was eigenlijk in een ongelofelijk goed humeur. Hij deed het goed hier op IJsland. Ik heb hem tenminste nog nooit zo vrolijk gezien. Misschien was dat omdat hij ver van papa en mama was. Misschien vanwege het boek dat hij had gevonden.’

‘Boek?’ vroegen Þóra en Matthias tegelijkertijd. ‘Welk boek?’ voegde Matthias eraan toe.

Elisa was duidelijk verbaasd over hun reacties. ‘O, dat oude boek. Malleus Maleficarum. Staat dat niet bij hem thuis?’

‘Ik weet het niet; ik weet niet eens over welk boek je het hebt,’ zei Matthias. ‘Heeft hij het je laten zien?’

Elisa schudde haar hoofd. ‘Nee, hij had het nog niet gekregen.’ Ze viel plotseling stil. ‘Hij heeft het misschien niet eens in handen gehad voordat hij werd vermoord. Dat was natuurlijk vlak daarvoor.’

‘Weet je of hij van plan was om het op te gaan halen?’ vroeg Matthias. ‘Heeft hij daar iets over gezegd?’

‘Nee,’ antwoordde Elisa. ‘Ik heb er eigenlijk verder niet naar gevraagd; had ik dat misschien moeten doen?’

‘Dat maakt niet uit,’ zei Matthias. ‘Maar heeft hij je iets verteld over dat boek?’

Elisa’s gezicht lichtte op. ‘Ja. Het was namelijk een fantastisch verhaal. Wacht even, hoe ging het ook alweer?’ Ze dacht even na, voordat ze weer het woord nam. ‘Je herinnert je opa’s oude brieven nog wel, of niet?’ Ze richtte haar woorden tot Matthias, die instemmend knikte. Þóra wilde haar niet onderbreken om te vragen over welke brieven ze het hadden, maar nam aan dat het de brieven uit Innsbruck in het leren omslag waren. ‘Harald was net als opa,’ ging Elisa verder, ‘hij was erdoor gefascineerd, las ze steeds maar weer. Hij was ervan overtuigd dat de briefschrijver Kramer iets verschrikkelijks had aangedaan, als wraak voor diens gedrag ten opzichte van zijn vrouw.’ Ze keek naar Þóra. ‘Je weet wie Kramer is, of niet?’

Nu was het de beurt aan Þóra om te knikken. ‘Ja, ik ben zelfs zo diep gezonken dat ik zijn meesterwerk heb gelezen, als je dat woord kunt gebruiken voor de Heksenhamer.’

‘Ik heb me er verder niet in verdiept, maar ik weet desondanks alles over dat boek: iets anders is niet mogelijk in mijn familie. Harald haalde het in zijn hoofd om uit te zoeken wat er gebeurd was. Ik probeerde hem erop te wijzen dat het vijfhonderd jaar geleden was gebeurd en dat hij dat nu met geen mogelijkheid meer boven water kon krijgen. Hij bleef echter altijd volhouden dat dat helemaal niet uitgesloten was: de Kerk had ook met de zaak te maken en de meeste documenten die de Kerk ontvangen heeft, zijn bewaard gebleven. Hij gaf het in elk geval niet op: hij schreef zich in voor de studie Geschiedenis aan de universiteit om zeker te zijn van toegang tot de archieven. Toen koos hij ervoor om zijn scriptie te schrijven over de heksenvervolging om zijn zoektocht geloofwaardiger te maken. Hij had het goed voor elkaar met dat onderzoeksonderwerp: hij had de bibliotheek van zijn opa tot zijn beschikking en het enthousiasme van de oude man in zijn bloed.’

‘Je opa was dus wel aardig tegen hem?’ vroeg Þóra, wetend dat het antwoord positief zou zijn, maar ze wilde toch een bevestiging krijgen.

‘O, ja,’ zei Elisa. ‘Ze brachten uren samen door. Harald ging vaak bij hem op bezoek, vooral nadat opa in het ziekenhuis terechtkwam en op zijn sterfbed lag en niet meer besefte wat er om hem heen gebeurde. Opa was begrijpelijkerwijs van ons kinderen het meest op Harald gesteld; misschien ook omdat hij voelde hoezeer Harald bij papa en mama het zwarte schaap was. Maar Harald heeft zijn interesse voor de geschiedenis van de heksenverbrandingen dus van hen. Ze konden er eindeloos mee bezig zijn.’

‘Maar voegde de studie nog iets toe?’ vroeg Þóra. ‘Ontdekte hij daar nog iets?’

‘Ja,’ zei Elisa. ‘Dat zei Harald tenminste. Via de universiteit van Berlijn kreeg hij toegang tot het archief van het Vaticaan en ging naar Rome in de lente nadat hij het tweede jaar had afgemaakt. Hij bleef daar lange tijd, waarschijnlijk tot na de zomer. Hij zei dat hij daar een document gevonden had waarin Kramer erom vroeg een tweede aanval op de heksen van Innsbruck te mogen doen: hij zei dat ze een exemplaar hadden gestolen van een boek dat hij had geschreven. Volgens Harald zei Kramer dat het exemplaar van enorm grote waarde was: er stonden richtlijnen in over hoe men de hekserij het beste de kop in kan drukken en heksen kan vervolgen. Hij zette vervolgens zijn bezorgdheid uiteen over het feit dat ze het boek konden gebruiken om onheil over hem af te roepen. Hij wilde daarom koste wat kost het boek terugkrijgen. Harald zei dat hij het antwoord van het Vaticaan op deze boodschap niet had kunnen vinden, maar het is niet bekend of Kramer terug naar Innsbruck is gegaan, dus waarschijnlijk is er geen gehoor gegeven aan zijn verzoek. Harald was niettemin erg opgewonden en dacht dat hij had ontdekt wat er was gestolen van Kramer en op een lange weg naar de hel was gestuurd: Kramers eigen exemplaar van de Heksenhamer, het oudste bekende exemplaar van dit beroemde boek. Feitelijk, zei Harald, was dat exemplaar natuurlijk niet precies hetzelfde als het exemplaar dat een jaar later is uitgegeven; het was bijvoorbeeld waarschijnlijk geïllustreerd en met de hand geschreven. Bovendien had Springer, Kramers collega-auteur, er zijn mening nog niet over gegeven, maar dat was niet het enige wat Haralds interesse wekte. Het oorspronkelijke handschrift van Kramer zou zwart op wit hebben laten zien wie wat heeft geschreven. Sommigen zeggen namelijk dat Springer er niets mee te maken heeft gehad.’

‘Maar heeft degene die het handschrift had gestolen, het niet naar de hel gebracht? Waren dat niet precies jouw woorden?’ vroeg Þóra. ‘Je zou zeggen dat het logischer is dat het verbrand is.’

Elisa glimlachte. ‘In de laatste brief aan de bisschop van Brixen was er sprake van een bode die de taak op zich had genomen om naar de hel te gaan. Er werd gevraagd om hulp van de Kerk bij zijn tocht daarheen. Het boek is dus niet verbrand, tenminste niet meteen.’

Þóra trok haar wenkbrauwen op. ‘Juist. Een bode op weg naar de hel. Dat klinkt als de normaalste zaak van de wereld.’

Matthias glimlachte. ‘Precies.’ Hij nam een slok wijn.

‘In die tijd was dat niet zo absurd,’ zei Elisa serieus. ‘Men dacht dat de hel een echte plaats was, in het binnenste van de aarde. Er was zelfs een opening daarheen en men zei dat die op IJsland was, in een of andere vulkaan waarvan ik me trouwens de naam niet kan herinneren.’

‘Hekla,’ haastte Þóra zich te zeggen, voordat Matthias het zou proberen uit te spreken. Dus zo zat het: dit was de reden van Haralds komst naar IJsland. Hij was op zoek naar de hel, zoals Hugi beweerde dat hij hem ingefluisterd had.

‘Ja, precies,’ zei Elisa. ‘Dat was het reisdoel van het handschrift. Of dat dacht Harald althans.’

‘En? Kwam het op de plaats van bestemming aan?’ vroeg Þóra.

‘Harald vertelde me dat hij naar bronnen over de reis van deze bode had gezocht en een verwijzing naar hem had gevonden in de annalen van de Kerk in Kiel uit 1486; hij ging er althans vanuit dat dezelfde man bedoeld werd. In de annalen wordt een man genoemd die op weg naar IJsland was en een brief van de bisschop van Brixen bij zich had, waarin werd verzocht om hem onderdak en andere zorg te geven tijdens zijn reis. Hij was te paard gekomen en had iets bij zich waar hij voor zorgde alsof het zijn eigen kind was; iets zwarts en slechts. Hij kon dus niet ter communie gaan, aangezien het pakje niet mee de kerk in mocht en hij het nooit uit het oog verloor. Men schreef dat hij twee nachten is gebleven en toen verder naar het noorden is gereisd.’

‘Heeft Harald iets gevonden waaruit duidelijk werd hoe het afliep met de reis van de bode?’ vroeg Matthias.

‘Nee,’ antwoordde Elisa. ‘Niet meteen, in ieder geval. Harald kwam hierheen, nadat hij zijn speurtocht in Europa opgegeven had. In het begin ging liep het helemaal niet goed, maar toen kreeg hij een oude brief uit Denemarken in handen waarin wordt verteld van een jongeman die stierf aan de mazelen in een bisdom waarvan ik me de naam nu even niet kan herinneren… een jongeman die onderweg was naar IJsland. Hij kwam midden in de nacht aan bij het bisdom, was er slecht aan toe, werd ziek en stierf een paar dagen later. Hij kon echter nog voor zijn dood de bisschop verzoeken om voor het pakje te zorgen dat naar IJsland moest en in de Hekla moest worden gegooid, met de zegen van de bisschop van Brixen. In deze brief, die een aantal jaren later is geschreven, vraagt die Deense bisschop de katholieke Kerk op IJsland om dit af te handelen. Hij zei dat het pakje met een man mee zou komen die op weg was naar IJsland om voor de paus in Rome aflaten te verkopen vanwege de bouw van de Sint-Pieter, als ik het me goed kan herinneren.’

‘Dus het pakje is op IJsland terechtgekomen?’ vroeg Þóra.

‘Daar was Harald vast van overtuigd,’ zei Elisa. Ze liet haar rechter wijsvinger over de rand van het wijnglas glijden.

‘Maar is het document dan niet in de Hekla gegooid?’ vroeg Matthias.

‘Harald zei dat het niet waarschijnlijk is dat iemand de berg heeft durven beklimmen. De eerste bronnen daarover zijn veel jonger. Zo weten we zeker dat er een uitbarsting was en Harald dacht dat dat uiteindelijk iedereen zou afschrikken die zich aan zo’n reis zou wagen.’

‘En waar dook het boek dan op?’ vroeg Matthias.

‘In een bisdom waarvan de naam met een s begon, dacht Harald.’

‘In Skálholt?’ vroeg Þóra.

‘Ja, zoiets,’ antwoordde Elisa. ‘Dat was waar de verkoper van de aflaten ook heen ging; tenminste, waar hij met het geld dat hij ingezameld had, heen ging.’

‘En toen? Er is op Skálholt nooit een manuscript van de Heksenhamer gevonden,’ zei Þóra en ze nam een slok koffie.

‘Harald beweerde dat het manuscript daar is geweest, totdat de eerste boekdrukpers in het land kwam, maar dat het toen is verplaatst naar een ander bisdom. Iets met een p en een i.’

‘Hólar,’ zei Þóra, hoewel daar niet eens een p in voorkwam.

‘Ik kan het me echt niet meer herinneren,’ zei Elisa. ‘Dat zou best zo kunnen zijn.’

‘Dacht Harald dat ze van plan waren geweest om het daar uit te geven of zo?’

‘Ja, dat heb ik begrepen. Het was een van de meest wijdverspreide boeken van Europa in die tijd, op de Bijbel zelf na, en het is waarschijnlijk dat ze er in ieder geval over hebben nagedacht.’

‘Waarschijnlijk heeft iemand het pakje opengemaakt en ontdekt wat erin verborgen zat: er is niemand die zo ongeïnteresseerd is, dat hij niet zou proberen te kijken wat erin zat,’ zei Matthias. ‘Maar wat gebeurde er met het boek? Het is hier nooit uitgegeven, of wel?’ Hij richtte zijn woorden tot Þóra.

‘Nee,’ antwoordde ze. ‘Voor zover ik weet niet.’

‘Harald zei dat hij op het juiste spoor zat,’ zei Elisa. ‘Hij zei inderdaad dat hij op het verkeerde spoor zat wat betreft de boekdrukpers en het bisdom met de p…’

‘Hólar,’ onderbrak Þóra haar.

‘Ja, precies,’ zei Elisa. ‘Hij dacht dat die bisschop zich had ontdaan van het boek, voordat hij werd terechtgesteld, maar hij leek ook ontdekt te hebben dat het boek waarschijnlijk nooit weg is geweest uit dat ene bisdom, dat met de s.’

‘Skálholt,’ onderbrak Þóra haar.

‘Of zoiets,’ antwoordde Elisa. ‘Hij vond het boek in ieder geval, toen hij het in die hoek zocht; hij zei dat het verborgen was om te voorkomen dat het uit het land zou verdwijnen.’

‘En waar was het?’ vroeg Þóra.

Elisa nam een slokje van haar wijn, voordat ze antwoordde. ‘Ik weet het niet. Dat wilde hij me niet vertellen. Hij zei dat hij de rest van het verhaal geheim wilde houden, totdat hij mij het boek kon laten zien.’

Þóra en Matthias probeerden hun teleurstelling niet te verbergen. ‘Heb je niet doorgevraagd? Liet hij niets doorschemeren?’ vroeg Þóra ongeduldig.

‘Nee, het was al laat en hij was er zo blij over dat ik het niet voor hem wilde verpesten door erover door te zeuren.’ Elisa glimlachte gegeneerd. ‘De dag daarna hadden we het weer over andere dingen. Denken jullie dat het wat met de moord te maken heeft?’

‘Ik weet het echt niet,’ zei Þóra teleurgesteld. Ineens schoot haar Mal te binnen; misschien kende Elisa Haralds vrienden. Ze leken een hechte relatie te hebben, zoals ze over hem vertelde. Die Mal beschikte misschien over de informatie waaraan het hun ontbrak. ‘Elisa, weet je toevallig wie Mal is? Harald had een e-mail van hem waaruit bleek dat ene Mal iets wist over Haralds zoektocht naar het boek.’

Elisa glimlachte. ‘Ja, Mal. Ik weet wel wie Mal is: hij heet Malcolm en ze hebben elkaar leren kennen in Rome. Mal is ook historicus. Hij belde mij laatst; hij zei dat hij een rare e-mail over Harald uit IJsland had gekregen. Ik vertelde hem dat hij vermoord was.’

‘Denk je dat hij hier meer over weet?’ vroeg Matthias. ‘Zou je ons in contact met hem kunnen brengen?’

‘Nee, hij weet niets,’ antwoordde Elisa. ‘Hij hoorde me namelijk helemaal uit over het boek; hij zei dat Harald hem had verteld dat hij het gevonden had, maar het verder niet had toegelicht. Malcolm dacht altijd dat Harald in een eindeloze zoektocht verwikkeld was en hij wilde daarom graag weten hoe het allemaal was afgelopen.’

Þóra’s telefoon ging. Het was de politie.

Þóra wisselde een paar woorden met de politieman, legde haar telefoon weg en keek naar Matthias. ‘Ze hebben de geneeskundestudent Halldór gearresteerd voor de moord op Harald. Hij wil dat ik hem verdedig.’

30

Þóra zat op het politiebureau en zat zich op te vreten. Ze dacht erover na of het mogelijk was dat haar advocatenlicentie vanwege grof misbruik van haar positie en schandalige belangenverstrengeling ingetrokken kon worden. Ze wist eigenlijk niet of iets dergelijks bij wet geregeld was, maar zo niet, dan zou dat zeker moeten worden gedaan. De situatie was als volgt: aan de ene kant werkte ze voor de familie van de man die vermoord was, en aan de andere kant stond ze op het punt om advocaat van de vermeende moordenaar te worden. Ze had de beslissing genomen op het moment dat ze in de huurauto weggereden was. Matthias bleef achter bij Elisa en nam de taak op zich om het nieuws aan mevrouw Guntlieb te vertellen en hun haastige beslissing te verklaren. Hij zou waarschijnlijk zeggen dat Þóra in de gelegenheid gesteld was om persoonlijk met de moordenaar te praten en antwoorden te krijgen op onopgeloste zaken. Þóra wenste hem sterkte, want ze benijdde hem er niet om: mensen die last hadden van migraine, waren ongetwijfeld niet erg begripvol.

‘Goedendag. Hij zit er klaar voor.’ De politieman was naar haar toe gekomen zonder dat ze hem had opgemerkt.

‘Fijn, dank u wel,’ zei Þóra en ze stond op. ‘Mag ik hem onder vier ogen spreken of moet er iemand aanwezig zijn tijdens het verhoor?’

‘Hij heeft al een verklaring afgelegd. Hij weigerde op dat moment gebruik te maken van een raadsman. Dat was een nogal ongemakkelijke situatie: we zijn er niet aan gewend om iemand zonder raadsman te verhoren in het geval van zulke ernstige zaken. Maar hij hield voet bij stuk en we moesten hem uiteindelijk toestaan zelf te beslissen. Pas tegen het eind van het verhoor vroeg hij om een advocaat. U.’

‘Is Markús Helgason er ook?’ vroeg Þóra. ‘Ik vroeg me af of ik even met hem mag overleggen, voordat ik naar Halldór ga,’ voegde ze er zo bescheiden als ze kon aan toe.

De politieman wees haar naar de kamer van zijn collega.

Þóra groette Markús, die aan zijn bureau zat met een Manchester United-shirt voor zich. ‘Ik zal u niet lang storen; ik wilde u even spreken, voordat ik naar Halldór ga.’

‘Uiteraard,’ zei Markús, hoewel uit de klank van zijn stem bleek dat hij niet al te enthousiast was.

‘U kunt zich waarschijnlijk nog wel herinneren dat ik voor de familie Guntlieb werk, of niet?’ De politieman knikte nadenkend. ‘De situatie waarin ik nu terechtgekomen ben, is nogal ongemakkelijk: ik zit tussen twee vuren in, als je het zo kunt stellen.’

‘Ja, dat is zonder meer waar. U moet weten dat we Halldór sterk hebben afgeraden om u te kiezen, om precies dezelfde reden. Maar hij liet zich niet op andere gedachten brengen. U bent een soort Robin Hood volgens hem. Hij heeft de moord niet bekend: waarschijnlijk denkt hij dat u hem uit deze situatie kunt redden.’ Markús grijnsde gemeen. ‘Dat zal u niet lukken.’

Þóra liet zich niet van haar stuk brengen door deze verklaring. ‘Volgens jullie is hij is dus schuldig?’

‘O ja,’ zei Markús. ‘Er zijn bewijzen aan het licht gekomen die erop duiden dat hij erbij betrokken was. Waterdicht, absoluut. Ze waren samen aan het werk geweest, deze jonge vrienden. Het grappige is, als ik dat zo mag zeggen, dat de bewijzen op een en dezelfde dag van twee verschillende bronnen kwamen. Ik ben altijd gek geweest op toevalligheden.’ Hij glimlachte.

‘En dat gebeurde zomaar ineens?’ vroeg Þóra.

‘Gistermiddag. We werden gebeld door twee mensen die met de overledene te maken hadden. Beiden zijn aan informatie gekomen die enerzijds Halldórs schuld bewijst en anderzijds de plek waar de moord waarschijnlijk gepleegd is.’

‘Wie waren dat, als ik mag vragen?’

‘Het maakt niet zoveel uit of u dat nu of later te horen krijgt.’ Þóra haalde haar schouders op. ‘Er stond een doos met allerlei onaangename zaken bij Harald thuis, in het washok. In de doos zat een stuk huid met daarop een te…’

‘Een tekst over ogen en het verlies daarvan,’ onderbrak Þóra hem rustig. ‘Daar wist ik van.’

De politieman kreeg een rood hoofd. ‘En het is niet in u opgekomen om contact met mij op te nemen? Weet u soms nog meer dingen die met deze zaak te maken hebben, en waarvan u gemeend hebt die voor ons achter te moeten houden?’

Þóra ontweek de laatste vraag door alleen de eerste te beantwoorden. ‘Eerlijk gezegd kwamen Matthias en ik dat pas vandaag te weten en toen vermoedden we het alleen maar: wij hadden geen bevestiging in handen zoals jullie leken te hebben.’

‘En toch zou het normaal zijn geweest om ons dat te laten weten,’ zei Markús, nog steeds geïrriteerd.

‘Natuurlijk zouden we dat gedaan hebben,’ kaatste Þóra de bal terug. ‘Het is zondag vandaag; we willen u toch niet op uw vrije dag lastigvallen met alleen een vaag vermoeden.’ Ze schonk hem een allerliefste glimlach.

‘Als u dat zegt. Waarschijnlijk hebt u gelijk.’ Hij keek haar aan alsof hij haar niet geloofde.

‘Wat voor andere onaangename dingen hebben jullie gevonden?’ vroeg Þóra.

‘Twee vingers, een hele hand, een voet en een beschadigd oor.’ Hij keek haar aan alsof hij er half op was voorbereid dat ze daar ook al van wist. Aan haar gezicht zag hij dat dat niet zo was. ‘Allemaal van een andere persoon, naar het schijnt.’ Hij wachtte op een reactie van haar.

‘Wat?’ Þóra begreep er niets van. Ze wist alleen van die ene vinger, waarover Gunnar had verteld: de vinger die in Árnagarður was gevonden, maar die ze niet met Harald in verband hadden kunnen brengen. Wat was er hier eigenlijk aan de hand? ‘Wilt u zeggen dat er hier sprake is van een massamoord? Een verzameling van lichaamsdelen van de slachtoffers?’

‘Daar weten we op dit moment niets van. Uw cliënt zegt hier niets over te weten. Maar hij liegt. Ik weet wanneer mensen liegen.’

‘Maar wat voor bewijzen hebt u; alleen die tekst die dan waarschijnlijk door Halldór is ondertekend, of zo?’

‘Ja,’ antwoordde Markús. ‘Dat, en er is ook nog een stalen sterretje gevonden van de schoenen die Harald droeg in de nacht toen hij vermoord werd, onder de drempel van het studentenhok in Árnagarður. Dat duidt erop dat het lijk door de deuren is gesleept en daarbij moet vermeld worden dat Halldór toegang had tot deze kamer. De moord heeft dus ongetwijfeld daar plaatsgevonden. Op dezelfde plek is namelijk een theelepel gevonden: een theelepel die onder het bloed zat. Het is op vingerafdrukken onderzocht en er bleek onder andere een vingerafdruk van Halldór op te zitten. Het bloed op het lepeltje is van Harald; tenminste, daar wijzen de eerste onderzoeken op.’

‘Een theelepeltje,’ zei Þóra. ‘Een theelepeltje dat onder het bloed zat. Wat heeft dat volgens jullie met de zaak te maken?’

Markús antwoordde niet meteen. ‘De conciërge, die tevens de leiding heeft over het schoonmaakteam daar, gaf het aan een professor, die onmiddellijk hierheen belde.’ Markús keek naar Þóra met een allesbehalve vrolijk gezicht. ‘Die man besloot niet zoals sommigen om tot maandag te wachten.’

‘Maar dat bloederige theelepeltje. Ik begrijp niet helemaal hoe dat hiermee te maken heeft en afgezien daarvan waarom het nu pas gevonden is. Hebben jullie na de vondst van het lijk niet het hele gebouw doorzocht?’

‘Het theelepeltje is vermoedelijk gebruikt om de ogen uit het lijk te halen. Wat de huiszoeking betreft…’ Markús aarzelde en Þóra zag dat hier een zwakke plek lag. ‘Natuurlijk is het gebouw doorzocht. Hoe dit lepeltje ons ontgaan is, is op dit moment onduidelijk. We zijn het aan het uitzoeken.’

‘Dus jullie hebben die tekst en het bloederige theelepeltje,’ zei Þóra en ze keek hoe Markús in zijn stoel op en neer schoof. Er was nog meer. ‘Ik vind dat helemaal geen waterdicht bewijs voor Halldórs schuld, als ik eerlijk ben. Hij heeft een alibi, als ik me goed herinner.’

‘Die ober in De Koffiebrander?’ zei Markús smalend. ‘We zullen nog eens beter met hem moeten praten. Maakt u zich er maar niet al te druk over als er wat barstjes in zijn verklaring komen, wanneer we hem wat meer onder druk zetten.’ Hij keek haar verwaand aan. ‘We weten bovendien nog meer over uw cliënt. Twee feiten zelfs.’

Þóra haalde haar wenkbrauwen op. ‘Twee?’

‘Ja, of beter gezegd een paar. Ze kwamen vanochtend bij de huiszoeking bij Halldór thuis boven water. Ik twijfel er niet aan dat dit zelfs genoeg is om zijn moeder van zijn schuld te overtuigen.’ Markús straalde zo’n zelfvoldoening uit dat Þóra nog het meest zin had in een lange geeuw en weg te gaan zonder hem hier verder nog iets te vragen. Haar nieuwsgierigheid won het echter van dit verlangen.

‘En wat hebben jullie daar gevonden?’

‘De ogen van Harald.’

31

Þóra keek Halldór zwijgend aan. Hij zat recht tegenover haar met zijn hoofd op zijn borst; hij had als het graf gezwegen sinds ze de verhoorkamer binnengelaten was. Hij had opgekeken toen ze ging zitten, maar was onmiddellijk daarna weer doorgegaan met naar de grond staren. ‘Halldór,’ zei Þóra nogal boos. ‘Ik kan hier niet veel langer blijven. Als je niet met me wilt praten, dan kan ik mijn tijd ook anders besteden.’

Hij keek op. ‘Ik heb zin in een sigaret.’

‘Dat zal niet gaan,’ zei Þóra. ‘Het is hier verboden om te roken. Je bent zo’n tien jaar te laat, als je hierheen bent gekomen om te roken.’

‘Dat verandert er evengoed niks aan dat ik zin heb in een sigaret.’

‘Misschien geeft de politie je toestemming om straks ergens te roken. Hierbinnen mag je niet roken, dus laten we maar meteen ter zake komen. Oké?’ Hij knikte vermoeid zijn hoofd. ‘Je weet waarom je hier bent, of niet?’

‘Ja. Min of meer.’

‘Dan is het je waarschijnlijk duidelijk dat je diep in de problemen zit. Echt heel diep.’

‘Ik heb hem niet vermoord,’ zei Halldór en hij keek haar recht in de ogen zonder te aarzelen. Toen ze daar niet op reageerde, begon hij aan een gat in de ene knie van de spijkerbroek die hij droeg te plukken; een gat dat er beslist al in zat, toen hij hem kocht en dat hem de helft duurder maakte.

‘We moeten één ding duidelijk krijgen, voordat we verder praten.’ Þóra wachtte totdat ze zijn onverdeelde aandacht had en ging niet verder voordat hij opkeek. ‘Ik werk voor de familie van Harald. Dat betekent dat jouw belangen en die van hen niet noodzakelijkerwijs samenvallen. En nu al helemaal niet. Ik adviseer je om zo snel mogelijk een andere advocaat te nemen. Voor jou kan ik niets anders doen dan hier en nu met je spreken. Ik kan je de namen geven van prima mensen die je alle hulp kunnen geven die je nodig hebt.’

Halldór kneep zijn ogen half dicht en bedacht zich. ‘Blijf nog even. Ik wil met je praten. Niemand van de politie gelooft me.’

‘Heb je eraan gedacht dat dat misschien komt omdat je tegen hen liegt?’ vroeg Þóra kortaf.

‘Ik lieg niet. Niet over de hoofdzaak,’ zei Halldór nors.

‘En ik neem aan dat het aan jou is om te bepalen wat hoofd- en wat bijzaak is?’

Zijn gezicht vertrok even van woede. ‘Je weet best wat ik bedoel: De hoofdzaak is dat ik hem niet heb vermoord.’

‘En de bijzaken? Wat zijn die?’ vroeg Þóra.

‘Gewoon,’ zei hij en hij liet zijn hoofd hangen.

‘Als ik je moet helpen, dan wil ik dat je één ding voor me doet,’ zei Þóra, terwijl ze over de grote tafel leunde die hen van elkaar scheidde. ‘Lieg niet tegen me. Ik weet wanneer mensen liegen.’ Ze hoopte dat het haar gelukt was om net zo overtuigend te klinken als de politieman.

Halldór knikte, nog steeds nors. ‘Goed, maar wat we bespreken blijft vertrouwelijk. Oké?’

‘Min of meer,’ zei Þóra. ‘Ik heb net tegen je gezegd dat ik niet van plan ben om als jouw advocaat op te treden als je wordt voorgeleid, en dus kun je me min of meer alles vertellen; behalve natuurlijk over de misdaden die je van plan bent later in je leven te plegen. Daarover moet je het niet met me hebben.’ Ze glimlachte tegen hem.

‘Ik ben niet van plan om een misdaad te plegen,’ zei hij somber. ‘Beloof je dat al het andere onder ons blijft?’

‘Ik beloof dat het niet bij de politie terechtkomt; maar het kan alleen maar leiden tot een verbetering van jouw situatie tegenover hen. Je bent in een uitzichtloze situatie beland: het kan niet veel erger worden. Maar als je je daar beter bij voelt, dan kunnen we afspreken dat we alleen nadenken over de dingen die jouw situatie kunnen verbeteren. Afgesproken? Dan zit je veilig en heb je in feite niets gezegd.’

‘Oké,’ zei hij, hoewel met een twijfelende stem. Kortaf voegde hij eraan toe: ‘Vraag dan maar raak.’

‘Haralds ogen zijn blijkbaar bij jou thuis gevonden. Hoe zit dat?’

Halldórs handen maakten een schokkende beweging. Hij krabde nerveus aan de rug van zijn hand. Þóra wachtte rustig, terwijl hij bedacht of hij de waarheid zou spreken of zou ontkennen dat hij er iets mee te maken had. Ze was van plan om weg te gaan, als hij voor het laatste zou kiezen.

‘Ik… Ik…’

‘We weten allebei wel wie je bent,’ zei Þóra ongeduldig. ‘Geef antwoord of ik ga weg.’

‘Ik kon ze niet opsturen,’ barstte hij plotseling uit. ‘Ik durfde het niet. Het lijk was gevonden en ik was zo bang dat ze in de post werden gevonden. Ik wilde het later doen, als de situatie wat rustiger zou zijn. Ik gebruikte het bloed om de spreuk te schrijven en deed de brief meteen die zondag in een envelop. Ik deed hem toen in de stad op de bus.’ Hij haalde diep adem na deze bekentenis en klemde zijn lippen toen op elkaar, alsof hij van plan was om verder niets te zeggen.

‘Was dat vanwege de vloek?’ vroeg Þóra. ‘Wilde je werkelijk proberen om die absurde wraakvloek uit te voeren?’

Halldór keek haar kwaad aan. ‘Ja. Ik heb gezworen dat ik dat zou doen en ik wilde mijn woord houden voor Harald. Het was zo belangrijk voor hem,’ antwoordde hij blozend. ‘Zijn moeder was echt weerzinwekkend.’

‘Je begrijpt toch wel dat dit te idioot voor woorden is?’ vroeg Þóra stomverbaasd. ‘Hoe ben je er in hemelsnaam bij gekomen?’

‘Gewoon,’ antwoordde hij ruw. ‘Maar ik heb hem niet vermoord.’

‘Wacht even, zo ver zijn we nog niet,’ zei Þóra geïrriteerd. ‘Je hebt dus zijn ogen uit het lijk gehaald; heb ik dat goed begrepen?’

Halldór knikte beschaamd zijn hoofd.

‘En je nam ze mee naar huis?’

Hij knikte nog een keer.

‘Waar hield je ze verborgen, als ik mag vragen?’

‘In de diepvries. In een brood. Ik heb ze erin geduwd en deed het brood in de diepvries.’

Þóra ging achterover zitten. ‘Natuurlijk. In een brood. Waar anders.’ Ze vermande zich en probeerde het beeld uit haar gedachte te wissen. ‘Hoe kreeg je dit voor elkaar; ik bedoel, hoe ben je te werk gegaan?’

Halldór haalde zijn schouders op. ‘Dat was een werkje van niks. Ik heb een theelepeltje gebruikt. Het was moeilijker om het symbool in hem te kerven. Dat ging niet zo goed. Ik was nogal van de wereld: moest vaak naar het raam lopen om frisse lucht te krijgen.’

‘Een werkje van niks, zeg je,’ zegt Þóra verbijsterd. ‘Sorry, maar dat waag ik te betwijfelen.’

Hij keek haar scherp aan. ‘Ik heb nog veel afschuwelijkere dingen gezien. En nog veel onplezierigere dingen gedaan. Hoe denk je dat het is om de tong van je vriend in te kerven? Of operaties in de OK te volgen?’

Þóra kon het zich niet voorstellen, maar betwijfelde tegelijkertijd of dat net zo weerzinwekkend was als met een theelepeltje je vriend de ogen uit te steken. Voortaan zou ze met een eetlepel in haar koffie roeren. ‘In ieder geval, dit was ook niet echt plezierig.’

‘Natuurlijk niet,’ zei Halldór hard. ‘We waren van de wereld. Dat heb ik al gezegd.’

‘We?’ vroeg Þóra verbaasd. ‘Heb je het niet alleen gedaan?’

Halldór wachtte even voor hij antwoordde. Hij plukte aan het gat bij zijn knie en begon weer aan zijn hand te krabben. Þóra moest de vraag herhalen, voordat hij antwoordde. ‘Nee, ik was niet alleen. We waren allemaal daar: ik, Marta Mist, Bríet, Andri en Brjánn. We kwamen uit de stad en wilden weer terug naar het feest gaan; Marta had zin in drugs en Bríet zei dat Harald wat xtc-pillen in het studentenhok had.’

‘En Hugi, was die niet bij jullie?’

‘Nee, ik heb Hugi die avond niet gezien. Hij was met Harald van het feest weggegaan en die hebben we daarna niet meer gezien. Harald ook niet. Dat wil zeggen: niet levend.’

‘Dus jullie gingen naar Árnagarður?’ vroeg Þóra verbaasd. ‘Hoe kwamen jullie naar binnen: het beveiligingssysteem had geen activiteit geregistreerd?’

‘De beveiliging stond niet aan; ik heb begrepen dat die eigenlijk nooit aanstaat. Wie heeft zin om rond te lopen en te controleren of hij de laatste is, denk je? Erg weinig mensen.’

‘Þorbjörn Ólafsson, Haralds mentor, houdt voet bij stuk dat hij hem heeft aangezet.’

‘Hij stond niet aan toen wij daar aankwamen. Degene die Harald heeft vermoord, moet hem hebben uitgeschakeld.’

‘Maar de deur zat toch op slot en je hebt een toegangscode nodig om binnen te komen,’ zei Þóra. ‘Dat wordt allemaal vastgelegd in een computerbestand en volgens dat bestand is er niemand door die deur gekomen.’ De print van het bewakingssysteem had bij de papieren van de politie gezeten en Þóra had hem met eigen ogen gezien.

‘We gingen naar binnen door een raam aan de achterkant van het gebouw. Dat staat eigenlijk altijd open: er is een of andere gek met een studeerkamer daar die altijd vergeet om het dicht te maken. Dat zegt Bríet tenminste; zij was degene die ons erop wees. We gingen er ook weer door naar buiten. Zij en Brjánn hadden allebei hun sleutels niet bij zich.’

‘En toen?’ vroeg Þóra. ‘Was Harald daar? Zijn roes aan het uitslapen? Dood? Wat gebeurde er?’

‘Ik heb je al verteld dat ik hem niet heb vermoord. Hij lag niet te slapen toen we binnenkwamen. Hij was in het studentenhok. Op de vloer. Dood. Hartstikke dood. Hij had een blauw gezicht en zijn tong hing uit zijn mond. Er was geen patholoog-anatoom voor nodig om te zien dat hij gewurgd was.’ Zijn licht gebarsten stem verried dat hij niet zo ijskoud was als hij deed voorkomen.

‘Kan hij gewurgd zijn terwijl hij aan wurgseks deed? Hebben jullie iets weggehaald dat daarop kon wijzen?’ vroeg Þóra.

‘Nee. Niets. Niets behalve zijn nek: die was één grote blauwe plek.’

Þóra dacht even na. Hij kon haar natuurlijk gewoon aan het voorliegen zijn, maar dan was hij een verdomd goede leugenaar; dat stond vast. ‘Hoe laat was het eigenlijk?’

‘Een uur of vijf. Misschien half zes. Of zes uur. Ik weet het niet. Ik kan me herinneren dat ik om een uur of vier naar de kroeg ben gegaan. Hoelang we hebben rondgelopen weet ik niet zeker. We waren niet echt op de tijd aan het letten.’

Þóra haalde diep adem. ‘En toen? Je begon daarbinnen zijn ogen eruit te halen en alles of hoe zat dat? En hoe is hij in het printerhok beland?’

‘Ik ben daar natuurlijk niet meteen mee begonnen. We stonden daar als een stel imbecielen. We wisten niet wat we moesten doen. Marta Mist was zelfs hysterisch en zij is normaal gesproken heel kalm. We waren radeloos en compleet van de wereld, dronken en stoned. Bríet begon toen ineens te praten over die vloek, begon aan me te hangen en zei dat ik hem moest uitvoeren, omdat Harald mij anders van gene zijde zou vervolgen. We hadden de belofte op een van de vergaderingen ondertekend in de aanwezigheid van de anderen: voornamelijk om stoer te doen; maar Harald was er bloedserieus over. Hugi was de enige die niets van de vloek wist. Harald zei dat hij de magie niet serieus genoeg nam.’

‘Had de spreuk alleen maar te maken met wraakmagie?’ vroeg Þóra.

‘Ja, de geschreven vloek,’ antwoordde Halldór. ‘We deden trouwens een spreuk van hetzelfde soort: dat was een liefdesspreuk die de andere spreuk zou moeten versterken door alsnog de liefde van Haralds moeder voor hem op te wekken en het haar nog moeilijker te maken door haar te achtervolgen. Deze vloek was alleen mondeling: ik moest dan aan het ene einde van Haralds graf een gat maken en er een paar symbolen en de naam van Haralds moeder in schrijven. Daarna moest ik er ook slangenbloed in doen. Harald had speciaal hiervoor zelfs een slang gekocht. Een week voor zijn dood vroeg hij me om ervoor te zorgen en ik zit nog steeds met dat beest. Ik word er stapelgek van. Ik moet hem levende hamsters te eten geven en ik kan er wel van kotsen.’

Harald had die hamsters dus gekocht om aan de slang te voeren. Natuurlijk.

‘Hij verwachtte dus dat hij dood zou gaan?’ vroeg Þóra verbaasd.

Halldór haalde zijn schouders op, maar ging er niet verder op in. ‘Ik deed alleen maar wat ik moest doen. Ik weet nog dat Marta Mist en Brjánn de hele tijd ontzettend moesten kokhalzen. Toen zei Andri dat we Harald uit dat lokaal moesten halen, omdat we anders onder verdenking zouden komen te staan. Wij gebruikten dat studentenhok het meest. Op dat moment vonden we dat de beste oplossing, dus tilden we hem op en droegen hem het printerhokje in. Daar zetten we hem neer, omdat er niet genoeg plaats op de grond was om hem neer te leggen. Dat was een hoop gesleep en gedoe. We zijn toen snel weggegaan; we gingen naar Andri, die niet zo ver daarvandaan woont, in Vesturbær. Marta Mist heeft daar de hele ochtend op de wc over zitten geven. De rest zat alleen maar als verstijfd in de kamer, totdat we in slaap vielen.’

‘Waar haalden jullie het ravenbloed vandaan om mee te schrijven?’

De blik die Halldór in zijn ogen kreeg, was bijna beschaamd. ‘Harald en ik hebben hem geschoten. In Grótta. Dat kon niet anders. We waren naar de kinderboerderij gegaan om te kijken of daar iemand was die er ons een kon geven of verkopen en we gingen alle dierenwinkels af. Maar het lukte niet. We moesten die vloek met dat bloed schrijven.’

‘Waar haalden jullie het wapen vandaan?’

‘Ik heb een geweer bij mijn vader weggejat. Hij is jager. Hij heeft er niks van gemerkt.’

Þóra wist niet wat ze moest zeggen. Toen herinnerde ze zich de doos met lichaamsdelen. ‘Halldór,’ zei ze rustig. ‘Hoe zit het met die lichaamsdelen die bij Harald thuis zijn gevonden? Hebben jullie daar iets mee te maken of was het iets wat hij bezat?’ Het paste niet echt om in dit verband iets wat hij bezat te zeggen, maar het moest er maar mee door kunnen.

Halldór hoestte en haalde zijn hand over zijn neus. ‘Ehm, ja,’ zei hij schaapachtig. ‘Die komen niet van lijken, als je dat soms denkt.’

‘Denken? Ik denk helemaal niets,’ antwoordde Þóra kwaad. ‘Ik heb het gevoel dat ik alles kan verwachten. Als je me zou zeggen dat jullie die hebben opgegraven uit lijkkisten, zou ik dat heel vanzelfsprekend vinden.’

Halldór onderbrak haar. ‘Dat zijn gewoon spullen van mijn werk. Spullen die weggegooid moesten worden.’

Þóra lachte sarcastisch. ‘Dat is misschien het enige wat ik waag te betwijfelen. Spullen die weggegooid moesten worden.’ Ze gebaarde alsof ze iets oppakte en het met een vies gezicht bekeek. ‘Wat is dit nou weer voor voet? Er ligt hier ook zo veel rotzooi; weg ermee!’ Ze gooide de denkbeeldige voet aan de kant. ‘Doe niet zo idioot. Waar kwamen ze vandaan?’

Halldór staarde haar rood van woede aan. ‘Ik ben geen idioot. Het waren spullen die weggegooid moesten worden; of nee, niet weggegooid, maar verbrand. Als de politie het onderzoekt, zal duidelijk worden dat het allemaal beschadigde lichaamsdelen zijn die geamputeerd moesten worden. Mijn taak bestaat er onder andere in om ze te cremeren. In plaats daarvan heb ik ze mee naar huis genomen.’

‘Ik denk dat het beter is om te zeggen dat dat jouw taak was, vriend. Ik heb zo mijn twijfels dat jij ooit nog één dienst zult draaien.’ Þóra probeerde om de ontelbare vragen en gedachten die bij haar opkwamen, te negeren. ‘Hoe is het mogelijk om een voet en een vinger en weet ik wat allemaal zo’n tijd te bewaren? Bederven menselijke resten niet als je ze bewaart? Heb je die misschien ook in de diepvries bewaard?’

‘Nee, ik heb ze gebakken,’ antwoordde Halldór alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Þóra lachte weer nerveus. ‘Je hebt ze gebakken. Moet ik je niet liever Jamie Helliver noemen in plaats van Halldór? Mijn hemel, het enige wat ik kan zeggen is dat ik medelijden heb met je advocaat.’

‘Ha, ha, grappig hoor. Ik bakte ze niet op die manier,’ zei Halldór kwaad. ‘Ik heb ze op lage temperatuur in de oven gedroogd. Dan bederven ze niet. Althans langzamer. Het heet trouwens rotten en niet bederven als het over menselijk weefsel gaat.’ Halldór ging kwaad achterover in zijn stoel zitten. ‘We moesten ze gebruiken bij de vervloekingen: dat maakte het allemaal veel echter.’

‘En de vinger die ze in Árnagarður hebben gevonden? Was die van het soort dat jij gebakken hebt?’

‘Die was de eerste. Ik wilde er Bríet mee pesten en deed hem in de capuchon van haar trui. Ik dacht dat hij in haar gezicht zou vallen, zodat ze zich een ongeluk zou schrikken, maar hij viel eruit zonder dat ze hem opmerkte. Het was gelukkig toch niet mogelijk om hem met ons in verband te brengen. Daarna hield ik op met het gerotzooi met lichaamsdelen, omdat dat ons bijna in moeilijkheden had gebracht.’

Þóra dacht hierover na. Ze besloot om het over een andere boeg te gooien: ze had op het moment genoeg van deze smerigheden. ‘Waarom loog je tegen ons over jullie reis naar Strandir en Rangá? We weten dat je met Harald mee bent gegaan.’

Halldór sloeg zijn ogen neer. ‘Ik wilde niet dat jullie mij in verband zouden brengen met het Heksenmuseum: daar zag Harald het symbool dat bij onze vloek hoorde. Er is daar niets speciaals gebeurd. Ik wachtte buiten op een bankje, terwijl Harald praatte met degene die het museum beheert. Ze konden goed met elkaar overweg, dat was duidelijk: ze schudden elkaar hartelijk de hand, toen we weggingen. Ik had zo’n dodelijke kater dat ik het niet aandurfde om naar binnen te gaan. Ik kreeg gezelschap van een tamme raaf.’

‘Had hij het er verder niet meer over onderweg naar huis?’

‘Nee, de piloot zat er natuurlijk bij.’

‘En in Rangá? Wat deed hij daar?’ vroeg Þóra. ‘Ik weet dat je daar ook met hem bent geweest.’

Halldór bloosde. ‘Ik weet niet wat hij daar gedaan heeft. Eén ding is zeker: hij ging niet jagen. Meer weet ik eigenlijk niet. We logeerden in het hotel en Harald ging ergens heen, terwijl ik op mijn kamer aan het lezen was.’

‘Waarom ging je niet met hem mee?’ vroeg Þóra.

‘Dat wilde hij niet,’ antwoordde Halldór. ‘Hij nam me mee, omdat ik hem verteld had dat ik een beetje in de problemen zat met een vak. Hij zei dat hij me het hele weekend met mijn boeken zou opsluiten op een plek waar niets anders te doen was. En daar hield hij zich aan; natuurlijk niet letterlijk, maar hij weigerde me mee te nemen wanneer hij naar buiten ging. Wat hij deed weet ik niet precies, maar Skálholt is er vlakbij.’

‘Jullie moeten toch een tijdje samen hebben doorgebracht; praatten jullie er dan niet over?’ vroeg Þóra.

‘Jawel, we zagen elkaar natuurlijk ’s avonds; we aten en gingen daarna in de bar zitten,’ zei Halldór, naar haar glimlachend. ‘Toen hadden we het over heel andere dingen, begrijp je wel?’

‘Maar waarom zei je dat je niets van deze reis wist?’ vroeg Þóra stomverbaasd. ‘En waarom in hemelsnaam verbleef je daar onder de naam Harry Potter?’

‘Gewoon,’ zei Halldór geïrriteerd. ‘Harald had me onder die naam ingecheckt. Hij vond het grappig om mensen een bijnaam te geven en ik was op dat moment het slachtoffer.’ Hij zweeg even. ‘En waarom ik jullie daarover niet verteld heb? Ik weet het niet; ik loog gewoon om te liegen.’

‘Helaas denk ik dat de politie het bij het rechte eind had. Ik denk dat Hugi Harald heeft vermoord en dat jullie het daarna overgenomen hebben zonder dat jullie het je misschien helemaal realiseerden. Het kan wel zijn dat hij misschien alweer naar huis was gegaan. Jullie zijn duidelijk niet goed bij je hoofd en waarschijnlijk is hij net zo ziek in zijn hoofd als jij en heeft hij Harald vermoord om één of andere onzinnige reden die niemand begrijpt, behalve misschien hijzelf.’

‘Nee!’ De woede was verdwenen en er was wanhoop voor in de plaats gekomen. ‘Hugi heeft Harald niet vermoord; echt niet.’

‘Er is in zijn kast een T-shirt gevonden met bloed van Harald erop. Hugi kon niet verklaren hoe dat daarop is gekomen. De politie denkt dat het T-shirt is gebruikt om Haralds bloed op te vegen.’ Þóra keek Halldór aan. ‘Het T-shirt in kwestie is hetzelfde T-shirt als dat wat iemand aanhad tijdens het insnijden van Haralds tong. Er staat “100% siliconen” op. Herken je dat?’

Halldór knikte gretig. ‘Dat was het T-shirt dat Hugi aanhad. Er was wat bloed op gespetterd en hij trok het uit. Ik gebruikte het na de operatie om de vloer te dweilen.’ Hij keek beschaamd naar Þóra. ‘Ik wilde het niet aan Hugi vertellen. Ik heb het T-shirt gewoon in de kast gelegd. Hugi heeft Harald niet vermoord.’

‘Wie dan wel, makker?’ vroeg Þóra. ‘Iemand heeft het gedaan en ik voorzie dat Hugi in ieder geval daarvoor veroordeeld zal worden en jij voor een slechte behandeling van het lijk, als je niet voor iets ergers zult worden aangeklaagd.’

‘Bríet,’ zei Halldór ineens. ‘Ik denk dat Bríet hem heeft vermoord.’

Þóra dacht hierover na. Bríet. Dat was het kleine, blonde meisje met de grote borsten.

‘Waarom zeg je dat?’ vroeg ze rustig.

‘Gewoon,’ zei Halldór zwakjes.

‘Nee, vertel op. Je moet een idee hebben aangezien je haar in het bijzonder noemt. Waarom zij?’

‘Daarom. Ze verdween uit een kroeg toen we in de stad waren. Ze zei dat ze ons kwijt was geraakt, maar we zaten altijd in dezelfde kroeg; in ieder geval een paar van ons.’

‘Dat is niet genoeg,’ zei Þóra. Ze had geen zin om hem te vragen waarom ze dit niet tegen de politie hadden verteld. In hun getuigenverklaringen stond dat ze de hele tijd min of meer samen geweest waren.

‘Het theelepeltje,’ zei Halldór zachtjes. ‘Zij had ervoor moeten zorgen dat het zou verdwijnen, maar deed dat niet. Ze kan niet zo stom zijn geweest om het in die la te leggen waar de politie het gevonden heeft; dat geloof ik niet. Marta Mist was verantwoordelijk voor het mes en dat is verdwenen. Maar het theelepeltje dook ineens op. Dat klopt niet, vind ik.’

‘Waarom zou ze stiekem weer naar binnen zijn gegaan? Dat klinkt niet logisch.’

‘Ze wilde mij in de problemen brengen. Ze heeft dat theelepeltje nooit met blote handen vastgepakt zoals ik. Ze had handschoenen aan. Ze is boos op mij, omdat ik niks meer met haar te maken wil hebben. Ik weet het niet.’ Halldór wiebelde heen en weer op zijn stoel. ‘Die avond deed ze een beetje raar. Toen we bij het lijk kwamen, was zij de enige die niet schreeuwde en gilde. Alleen zij was rustig. Ze keek alleen naar hem en zei geen woord, terwijl wij volledig in paniek raakten. Geen woord totdat ze me aan de vloek herinnerde. Ze was van plan om de schuld op mij af te schuiven. Vraag maar aan de anderen, als je mij niet gelooft.’

Hij ging voorover zitten en pakte Þóra’s arm over de tafel vast. ‘Zij wist van dat raam; misschien was ze er al eerder die avond door gegaan, weet ik veel? Ze was kwaad op Harald omdat hij de week daarvoor niet met haar wilde praten; ook niet met de rest van ons, trouwens, maar dat maakt verder niet uit. Misschien ging ze door het lint. Misschien had ze een afspraak met hem en werd hij een beetje vervelend. Zoiets. Geloof me, ik heb hier veel over nagedacht en ik weet wat ik zeg. Controleer het maar; praat met haar, doe het voor mij.’

Þóra bevrijdde haar arm uit zijn greep. ‘Mensen reageren verschillend op een schok. Misschien is zij gewoon zo iemand die in een trance raakt. Ik heb geen zin om met haar te praten. Laat de politie dat maar doen.’

‘Als je mij niet gelooft, praat dan met iemand van de universiteit. Zij en Harald werkten samen aan een opdracht en die draaide helemaal in de soep. Je hoeft het alleen maar te vragen.’ Hij keek haar smekend aan.

‘Wat voor opdracht en wat is ermee gebeurd?’ vroeg Þóra rustig. Misschien was er toch een verband met Haralds zaak.

‘Het had te maken met het registreren en verzamelen van contemporaine bronnen over de bisschop Brynjólfur Sveinsson in verschillende handschriftencollecties. Ze kreeg toen in haar hoofd dat een of ander document gestolen was. Toen ging het helemaal mis. Dat bleek toen onzin te zijn. Ze is zo gestoord: ik heb dat eerder gewoon nooit opgemerkt. Doe mij alsjeblieft een plezier en praat met de universiteit.’

‘Voor welke docent deden ze die opdracht?’ vroeg Þóra en ze kreeg er meteen spijt van: nu begon ook zij iets te zien in zijn theorie, die nergens op gebaseerd was.

‘Ik weet het niet; zeker bij die Þorbjörn: dat weten ze daar wel. Ga er nou heen en vraag het. Alsjeblieft, ik beloof je dat je er geen spijt van zult krijgen.’

Ze stond op. ‘Tot ziens in de rechtbank, koksmaatje. Als je wilt, zal ik een advocaat voor je regelen.’

Hij schudde zijn hoofd en liet het zakken. ‘Ik dacht dat je het zou begrijpen; je wilde Hugi helpen en ik dacht dat ik je ook zo ver zou kunnen krijgen om mij te helpen.’

Þóra kreeg meteen medelijden met hem. Haar moedergevoelens speelden op. Of waren het grootmoedergevoelens? ‘Wie zei dat ik je niet zal helpen?’ zei ze. ‘We zullen wel zien wat ik te weten kan komen. Maar ik ben wel bang dat ik je niet kan verdedigen, vriend. Maar ik zal toch bij de rechtszaak aanwezig zijn: ik zou hem voor geen goud willen missen.’

Hij keek verdrietig glimlachend op. Þóra klopte op de deur en werd naar buiten gelaten. De puzzelstukjes begonnen op hun plaats te vallen. Ze voelde het aan haar theewater.

12 december 2005

32

Þóra zat aan haar bureau ritmisch met een potlood op de rand van de tafel te slaan. Matthias observeerde haar zwijgend. ‘Ik heb begrepen dat de mannen van de Rolling Stones nog op zoek zijn naar een oma voor op de drums,’ zei hij.

Þóra stopte met tikken en legde het potlood weg. ‘Grappig. Dit helpt me bij het denken.’

‘Denken? Waarom moet je nu nog denken?’ De dag daarvoor had Þóra Matthias verteld over Halldórs wanhopige pogingen om de verdenking op Bríet te vestigen en hij was niet erg onder de indruk geweest van die theorie. Þóra vond haar ook absurd, maar na een nacht lang woelen in haar bed, was ze niet zo zeker meer. Matthias ging verder: ‘Het lijkt allemaal op zijn plaats te vallen, op een paar losse eindjes na. Geloof mij, als de politie die Halldór meer onder druk zet, dan wordt dat geld gevonden en ook het handschrift, als dat tenminste bestaat.’

Hij keek uit het raam. ‘Laten we liever naar een restaurant gaan om een laat ontbijt te nemen.’ Matthias was net aangekomen in het kantoor van Þóra, maar hij had zich verslapen.

‘Dat gaat niet: vandaag is een vrije dag voor horecapersoneel,’ loog Þóra. ‘Ze gaan pas rond lunchtijd open.’ Matthias zuchtte. ‘Je overleeft het vast; voor liggen nog koekjes,’ zei ze en ze strekte zich uit naar de telefoon om naar Bella te bellen. ‘Bella, kun je hierheen komen met dat pak koekjes dat bij het koffiezetapparaat ligt?’ Ze voelde dat Bella nee ging zeggen, zodat ze er vlug aan toevoegde: ‘Het is voor Matthias, niet voor mij. Dankjewel.’ Ze richtte zich tot Matthias. ‘Zie jij geen reden om dat wat hij over Bríet zei, te onderzoeken? Misschien zit er iets in.’

Matthias legde zijn hoofd in zijn nek en staarde een tijdje naar boven, voordat hij antwoordde. ‘Je begrijpt waarschijnlijk wel dat Halldór in een moeilijke positie zit?’ Þóra knikte. ‘Er is niets dat we gezien of gehoord hebben dat erop kan wijzen dat zij met de zaak te maken heeft afgezien van het feit dat ze gestoord is en dat ze heeft meegedaan aan eigenaardige activiteiten waarbij sprake is van gebakken lichaamsdelen.’

‘Misschien hebben we gewoon iets over het hoofd gezien,’ zei Þóra zonder veel overtuiging.

‘Zoals wat?’ vroeg Matthias. ‘Helaas, beste Þóra, het ziet er toch echt naar uit dat Hugi Harald vermoord heeft en dat zijn vrienden het daarna hebben overgenomen. Het enige wat onduidelijk is, is of die twee het samen hebben bekokstoofd en of het geld in hun zak verdwenen is. Het is het meest waarschijnlijk dat ze Harald voorgelogen hebben over dat handschrift en net gedaan hebben alsof ze wisten waar het te vinden was. Je moet toegeven dat Halldór heel gemakkelijk een of ander onzinverhaal had kunnen verzinnen, toen hij Harald met zijn vertalingen hielp. Ze hadden kunnen doen alsof ze de verkoop regelden en vervolgens het geld in eigen zak kunnen steken. Toen het tijd was om het handschrift te leveren, moesten ze in actie komen en Harald het zwijgen opleggen. Die uitleg van Halldór over dat T-shirt is ongetwijfeld verzonnen.’

‘Maar…’ Op hetzelfde moment kwam Bella zonder te kloppen binnenstormen, met het pak koekjes. Ze had de koekjes netjes op een bord gerangschikt en koffie in een kopje geschonken. Eén kopje. Þóra had zo’n idee dat Bella, als de koekjes voor haar waren geweest, het ongeopende pak vanuit de deuropening naar haar toe gegooid had, daarbij mikkend op haar hoofd.

‘Heel vriendelijk bedankt,’ zei Matthias, terwijl hij ze aannam. ‘Sommige mensen begrijpen het belang van een ontbijt niet.’ Hij knikte in de richting van Þóra en gaf Bella een knipoog. Bella keek naar Þóra en fronste, glimlachte vervolgens allerliefst naar Matthias en ging weg.

‘Je knipoogde naar haar,’ zei Þóra stomverbaasd.

Matthias gaf haar twee knipoogjes. ‘Ik knipoogde twee keer naar jou. Zo goed?’ Hij stak een koekje met veel gevoel voor drama in zijn mond.

Þóra trok een gezicht. ‘Pas maar op, ze is op zoek naar een man en ik zou weleens kunnen laten vallen in welk hotel je logeert.’ Haar gsm ging.

‘Goedendag, is dit Þóra Guðmundsdóttir?’ vroeg een vrouwenstem die Þóra vaag herkende.

‘Daar spreekt u mee, goedendag.’

‘U spreekt met Guðrún, degene die het appartement aan Harald verhuurde,’ zei de vrouw.

‘O ja, hallo.’ Þóra krabbelde haar naam op een papiertje en draaide het naar Matthias, zodat hij wist wie het was. Ze zette er twee vraagtekens achter om aan te geven dat ze niet wist waar het over ging.

‘Tja, ik weet niet of ik naar de juiste persoon bel, maar ik had uw visitekaartje en… Nou ja, in ieder geval heb ik dit weekend een doos van Harald gevonden, waarin verschillende zaken zaten.’ De vrouw zweeg.

‘Ja, ik weet wat men daarin aangetroffen heeft,’ zei Þóra om de vrouw de moeite van het beschrijven van de gebakken lichaamsdelen te besparen.

‘O ja?’ Haar stem klonk duidelijk opgelucht. ‘Ik schrok me een ongeluk, zoals u wel zult begrijpen, en ik besef nu pas dat ik ook nog een document heb meegenomen, toen ik de ruimte waar de wasmachine staat uit rende.’

‘En dat hebt u nog steeds?’ Þóra vond dat ze de vrouw moest helpen om haar verhaal duidelijk te doen.

‘Ja, precies. Ik nam het mee toen ik de politie ging bellen, en vond het zojuist bij de telefoon in de keuken terug.’

‘Is het een document van Harald of zo?’

‘Ik weet het niet, verdorie. Het is een oude brief. Heel erg oud. Ik herinnerde me dat jullie op zoek waren naar zoiets en ik dacht dat ik het misschien beter aan jullie kon geven dan aan de politie.’ Þóra hoorde de vrouw diep ademhalen, voordat ze verderging. ‘Zij hebben al genoeg te onderzoeken. Ik kan me niet voorstellen dat dit iets met de zaak te maken heeft.’

Þóra krabbelde op het papiertje: Een oude brief? Matthias fronste en nam een tweede koekje. Þóra zei tegen de vrouw: ‘Zouden we het in ieder geval mogen bekijken? Kunnen we nu bij u langskomen?’

‘Eh, ja. Ik ben thuis. Maar er is één ding.’ De vrouw zweeg.

‘Wat dan?’ vroeg Þóra voorzichtig.

‘Ik ben bang dat ik de brief inderhaast nogal erg verkreukeld heb. Ik was in een erge shock. Hij is helemaal geruïneerd.’ Ze voegde er haastig aan toe: ‘Daarom heb ik de politie er eigenlijk niet van verteld. Ik wilde niet dat ze er een probleem van zouden maken dat ik hem beschadigd heb. Ik hoop dat u begrijpt hoe het gebeurd is.’

‘Geen probleem. We komen eraan.’ Þóra legde de hoorn op de haak en stond op. ‘Je moet de koekjes maar meenemen. We gaan weg. Misschien hebben we die verdwenen brief uit Denemarken gevonden.’

Matthias pakte twee koekjes en nam nog een slok van zijn koffie.

‘Die brief waar de professor naar op zoek was?’

‘Hopelijk wel.’ Þóra hing haar tas over haar schouder en liep naar de deur. ‘Als het die brief is, kunnen we hem naar Gunnar brengen en misschien kunnen we informatie van hem krijgen over dat wat Halldór over Bríet zei.’ Ze lachte triomfantelijk, tevreden over de manier waarop ze dingen in de schoot geworpen kreeg. ‘Zelfs als het niet die brief is, kunnen we gewoon doen alsof we dat denken.’

‘Ben je van plan om die arme man om de tuin te leiden?’ vroeg Matthias. ‘Dat is niet er mooi van je; na alles wat de stumper al heeft moeten verdragen.’

Þóra keek over haar schouder, terwijl ze al in de gang liep en glimlachte naar hem. ‘De enige manier om erachter te komen of dit de brief is, is door ermee naar Gunnar te gaan. Hij zal, wanneer hij hem ziet, ongetwijfeld zo tevreden zijn dat hij alles voor ons wil doen. Twee of drie vragen over die Bríet kunnen dan geen kwaad.’

* * *

Toen ze aan de keukentafel van Guðrún zaten met de brief voor zich, lachte Þóra niet meer zo hard. Gunnar zou vast niet erg tevreden zijn als hij hem in zo’n slechte conditie in handen kreeg. Hij zou ongetwijfeld vurig wensen dat hij zoek gebleven was. ‘U weet zeker dat hij niet gescheurd was toen u hem uit de doos haalde?’ vroeg Þóra en ze probeerde het dikke vel voorzichtig glad te strijken, zonder het deel eraf te scheuren dat al helemaal loshing.

De vrouw keek vanuit haar ooghoeken naar het papier. ‘Heel zeker. Hij was intact. Ik heb hem waarschijnlijk in de opwinding gescheurd. Ik was niet in mijn normale doen.’ Ze glimlachte verontschuldigend. ‘Je kunt het vast nog wel aan elkaar lijmen, of niet? En het vervolgens ook even strijken?’

‘Jazeker wel,’ zei Þóra, hoewel ze vermoedde dat het moeilijker zou worden om het document te repareren op deze manier, als het überhaupt al mogelijk was. ‘Heel erg bedankt dat u met ons contact hebt opgenomen. Daar hebt u goed aan gedaan: dit is waarschijnlijk het document waar we naar zochten en het heeft echt niets met het onderzoek van de politie te maken. We zullen het bij de juiste mensen afleveren.’

‘Mooi, hoe eerder ik af ben van alles wat me aan Harald en dit hele gedoe herinnert, hoe beter. Het is geen leuke tijd geweest voor mij en mijn man sinds die moord is gepleegd. Verder wil ik beslist dat u de familie laat weten dat ik erop wil aandringen dat ze snel beginnen met het ontruimen van het appartement. Hoe eerder ik dit kan vergeten, hoe eerder ik eroverheen kom.’ Ze legde haar handen plat op de keukentafel en staarde naar haar met ringen versierde vingers. ‘Niet dat ik Harald niet mocht, hoor. Begrijp me niet verkeerd.’

‘Nee, hoor,’ zei Þóra met een vriendelijke stem. ‘Ik kan me goed voorstellen dat het alles behalve aangenaam is geweest.’ Ze pauzeerde kort. ‘Tot slot wil ik u vragen of u de vriendengroep van Harald hebt leren kennen; hebt u hen gezien of gehoord?’

‘Is dat een grapje?’ vroeg de vrouw plotseling kortaf. ‘Of ik hen gehoord heb? Het leek wel alsof ze bij mij binnen waren, zo veel herrie was er soms.’

‘Hoe klonk dat dan?’ vroeg Þóra voorzichtig. ‘Geruzie? Gegil?’

De vrouw snoof. ‘Er was voornamelijk harde muziek, als je het muziek kunt noemen. Verder was er vaak een verschrikkelijk gebonk te horen. Alsof ze aan het stampen of aan het springen waren. Af en toe gejank of ander gegil; ik had het gevoel dat ik het appartement net zo goed voor het africhten van beesten had kunnen verhuren.’

‘Waarom zegde u hem de huur niet op?’ vroeg Matthias, die zich tot dan buiten het gesprek had gehouden. ‘Als ik me het goed herinner, stond er een passage in het huurcontract over gedrag en een zin dat het contract zou worden beëindigd als die regel gebroken werd.’

De vrouw werd rood zonder dat het Þóra duidelijk werd waarom. ‘Ik mocht hem graag; ik denk dat dat de verklaring daarvoor is. Hij betaalde de huur op tijd en was bovendien een uitstekende huurder.’

‘Waren het misschien vooral zijn vrienden die voor die herrie zorgden?’ vroeg Þóra.

‘Dat kun je misschien wel zo stellen,’ zei de vrouw. ‘In ieder geval werd het allemaal erger als zij op bezoek waren. Harald had wel de gewoonte om de muziek hard te zetten en om hard op de grond te stampen of zo, maar als zijn vrienden bij hem waren, werd het nog veel erger.’

‘Bent u een keer getuige geweest van een ruzie of een woordenwisseling tussen Harald en die vrienden van hem?’ vroeg Þóra.

‘Nee, dat kan ik niet zeggen. De politie vroeg daar in het verhoor laatst ook naar. Het enige wat ik me kon herinneren, was een woordenwisseling die op hoog tempo gevoerd werd en bozig klonk, tussen Harald en een of ander meisje in het washok. Ik heb me er verder niet mee bemoeid: ik had het druk met het bakken voor de kerst. Ik was niet bij hen binnen of zoiets; ik hoorde het alleen maar, toen ik erlangs liep.’ Het bloed steeg de vrouw weer naar het hoofd. Ze had hun ongevraagd het washok laten zien en hun uitgelegd hoe en waar ze de doos had gevonden. De wasruimte kwam uit op de hal en het was onmogelijk dat ze van plan was geweest om erlangs te lopen, behalve als ze daar naar binnen moest. Het was duidelijk dat de vrouw hen had staan afluisteren en Þóra probeerde iets te bedenken, zodat de vrouw de gelegenheid kreeg te vertellen wat ze had gehoord, zonder te hoeven toegeven dat ze aan de deur had staan luisteren.

‘O,’ kreunde ze begripvol. ‘Ik heb ook in een appartement gewoond waar de deur naar de gemeenschappelijke ruimte vlak bij de mijne is en dat moest je maar over je heen laten komen. Je hoort bijna ieder woord. Ik vond dat echt vreselijk vervelend.’

‘Ja,’ zei de vrouw weifelend. ‘Harald was bijna altijd alleen in het washok, gelukkig. Ik weet niet of dit meisje hem met de was aan het helpen was of dat ze alleen met hem naar beneden ging, maar ze waren nogal opgewonden. Het ging over dat verdwenen document, als ik het me goed herinner. Misschien was het dit hier.’ Ze wees met haar kin in de richting van de oude brief. ‘Harald vroeg haar om haar mond erover te houden; eerst heel rustig, maar hij werd steeds bozer toen ze wilde weten waarom hij niet voor haar opkwam. Ze herhaalde keer op keer dat het haar zo enorm zou helpen bij haar studie, wat dat ook moge betekenen. Meer hoorde ik niet, aangezien ik er alleen maar langs liep, zoals ik al zei.’

‘Kende u de stem van het meisje; was het misschien het kleine, blonde meisje dat in zijn vriendengroep zat?’ vroeg Þóra hoopvol.

‘Nee, ik herkende haar stem niet,’ zei de vrouw, weer kortaf. ‘Er waren er met name twee die hier kwamen: een lang meisje met rood haar en dat andere meisje dat je net omschreef. Ze hadden gemeen dat ze er allebei uitzagen als hoeren die plotseling zijn opgeroepen voor de dienstplicht; ze hadden allebei make-up in oorlogskleuren en hadden vormloze camouflagekleding aan. Allebei vreselijk afstotelijk en onbeleefd. Ik geloof niet dat ze me ooit hebben gegroet, ondanks het feit dat we elkaar vaak tegenkwamen. Daarom kende ik hun stemmen niet.’

Hoewel Þóra het met de vrouw eens was dat Bríet en Marta Mist onbeleefd waren, konden ze toch moeilijk onaantrekkelijk genoemd worden. Ze begon te vermoeden dat de vrouw verliefd was geweest op Harald en daarom niet blij was met zijn vriendinnen. Er gebeurden wel vreemdere dingen. Ze probeerde niets te laten merken. ‘Nou ja, dat is verder niet belangrijk. Dat heeft ongetwijfeld niets met de zaak te maken.’ Ze maakte aanstalten om op te staan en nam de brief. ‘We willen u nogmaals hartelijk bedanken en ik zal uw wens wat betreft het appartement doorgeven.’

Matthias stond op en schudde de hand van de vrouw. Ze keek glimlachend naar hem en hij glimlachte raadselachtig terug. ‘Wilt u het appartement misschien huren?’ zei ze en ze legde haar linkerhand amicaal op Matthias’ hand.

‘Nou nee, ik zal me hier voorlopig niet vestigen,’ zei hij gegeneerd en hij probeerde een manier te bedenken om zijn hand weer terug te krijgen.

‘Je kunt ook altijd bij Bella blijven logeren,’ zei Þóra, toegeeflijk lachend. Matthias keek haar aan met een dodelijke blik, die milder werd toen de vrouw zijn hand losliet.

* * *

‘Jij geeft hem het document,’ zei Þóra en ze probeerde Matthias de grote envelop in zijn handen te duwen. De vrouw had die voor hen tevoorschijn gehaald bij wijze van afscheidscadeau, om verdere beschadigingen aan het document te voorkomen. Als dat nog zin had, tenminste.

‘Geen sprake van,’ zei Matthias en hij hield zijn handen gekruist tegen zijn lijf. ‘Het was jouw idee en ik ga er alleen maar bij zitten kijken; misschien de man een zakdoekje geven als hij in huilen uitbarst, wanneer jij die papiersnippers aflevert.’

‘Ik heb me niet meer zo gevoeld sinds de keer dat ik net mijn rijbewijs had en de auto achteruit reed tegen de auto van de buren,’ zei Þóra terwijl ze zaten te wachten. Men had hun een stoel gewezen en gezegd dat Gunnar zo van college terug zou komen. Þóra zag geen mens, zodat ze achterover tegen de rugleuning ging zitten. ‘En het is niet eens zo dat ík degene ben die de brief gescheurd heeft.’

‘Jij bent wel degene die hier is om hem het slechte nieuws te brengen,’ zei Matthias terwijl hij op de klok keek. ‘Komt hij er niet aan? Ik moet iets eten, voordat jij naar Amelia gaat. Weet je heel zeker dat die vrije dag voor horecapersoneel alleen tot de lunch geldt?’

‘Het duurt maar even; maak je geen zorgen. Voor je het weet, heb je gegeten.’ Ze hoorde voetstappen aan het andere eind van de gang en keek op. Het was Gunnar, die snel hun richting uit kwam lopen. Hij had een stapel papieren en boeken in zijn armen en leek verbaasd hen te zien.

‘Goedemorgen,’ zei hij en hij probeerde behendig de sleutel van zijn werkkamer uit zijn zak te vissen. ‘Kwamen jullie voor mij?’

Matthias en Þóra stonden op. ‘Ja, goedemorgen,’ zei Þóra. Ze zwaaide met de envelop voor zich. ‘We wilden je vragen of deze brief, die afgelopen weekend gevonden is, dezelfde is als die waar je naar zocht.’

Gunnar klaarde op. ‘Wat zeg je me nou,’ zei hij, terwijl hij de deur van zijn werkkamer opende. ‘Kom erin; dat is goed nieuws.’ Hij ging naar zijn bureau en legde de stapel weg. Daarna ging hij zitten en gaf tegelijkertijd aan dat ze ook konden plaatsnemen. ‘Waar is hij eigenlijk gevonden?’

Þóra ging zitten en legde de envelop op tafel. ‘Bij Harald thuis, in een doos met wat spullen. Ik moet je waarschuwen dat de brief niet in een goede staat is.’ Ze glimlachte verontschuldigend. ‘Degene die hem gevonden heeft, ging door het lint.’

‘Door het lint?’ vroeg Gunnar niet-begrijpend. Hij nam de envelop en opende hem voorzichtig. Langzaam haalde hij de brief eruit en naarmate de conditie ervan duidelijker werd, raakte hij steeds meer verpletterd. ‘Wat is hier in vredesnaam mee gebeurd?’ Hij legde de brief voor zich op tafel en staarde ernaar.

‘Eh, de vrouw vond ook wat andere dingen waarvan ze overstuur raakte,’ zei Þóra. ‘Niet zonder reden, kan ik je vertellen. Ze vroeg ons om door te geven dat ze het erg vervelend vond en dat ze hoopte dat het mogelijk was om hem te herstellen.’ Ze glimlachte verontschuldigend.

Gunnar zei niets. Hij staarde bewegingsloos naar de brief. Ineens begon hij te lachen. Een nogal onaangenaam lachje: het leek in niets op een lach die komt nadat iemand iets grappigs heeft gezegd. ‘Mijn hemel,’ zuchtte hij toen de lachbui over was. ‘Wat zal María boos worden.’ Zijn lichaam maakte licht schokkende bewegingen terwijl hij dat zei. Hij streek over het papier, pakte het op en bekeek het. ‘Aan de andere kant: dit is de brief, dus ze zou er blij mee moeten zijn.’ Hij gniffelde.

‘María,’ zei Þóra. ‘Wie is María?’