/ Language: Netherlands / Genre:det_crime / Series: Thora Gudmundsdottir

Neem mijn ziel

Y Sigurdardottir

Op het schiereiland Snaefellsness wordt dicht bij een wellnesscentrum, waar in het verleden onverklaarbare dingen zijn gebeurd, een vrouw dood op het strand aangetroffen. Ze is verkracht en er steken naalden in haar voetzolen. Is er een verband met het huiveringwekkende kindergehuil dat soms midden in de nacht opklinkt? Advocaat Thóra Gudmundsdóttir wordt erbij geroepen door de eigenaar van het wellnesscentrum — tevens hoofdverdachte in deze moordzaak — om hem te verdedigen. Thóras naspeuringen brengen enkele zeer verontrustende gebeurtenissen aan het licht die zich tientallen jaren eerder hebben afgespeeld. Is Thóra op een afschuwelijk familiegeheim gestuit?


Yrsa Sigurdardóttir

Neem mijn ziel

Dit boek draag ik op aan mijn pasgeboren kleinzoon, Reginn Freyr Mánason. Bijzondere dank aan Páll Kjartansson, de Gesel der Postbodes.

Yrsa

Proloog

Februari 1945

Het kind voelde de kou omhoog kruipen langs haar benen en rug en probeerde rechtop te gaan zitten op de voorbank om beter naar buiten te kunnen kijken. Ze tuurde door de sneeuw die de auto omringde, maar zag nergens boerderijdieren. Het is veel te koud voor de dieren om buiten te zijn, dacht ze en ze wilde dat ze kon uitstappen en teruggaan naar het huis, maar ze durfde geen woord te zeggen. Een traan gleed over haar wang terwijl de man naast haar de motor probeerde te starten. Ze perste haar lippen op elkaar en wendde haar gezichtje van hem af, zodat hij het niet zou merken. Wat zou hij kwaad worden. Ze keek naar het huis waar de auto voor geparkeerd stond, om te zien of ze het andere meisje zag, maar het enige levende wezen in de omtrek was de boerderijhond, Rover, die op de veranda lag te slapen. Opeens tilde hij zijn kop op en staarde haar aan. Ze glimlachte flauwtjes naar hem, maar hij ging alweer liggen en sloot zijn ogen.

De auto kwam sputterend tot leven en de man achter het stuur rechtte zijn rug. ‘Het werd tijd,’ zei hij nors, terwijl ze wegreden. Hij keek even opzij naar het meisje, dat zich weer had omgedraaid en nu recht voor zich uit keek. ‘Zo, laten we dan maar eens een eindje gaan rijden.’ Ze reden over het ruwe, hobbelige pad dat wegvoerde van het huis en zij stuiterde op en neer op haar stoel. ‘Probeer je goed vast te houden,’ zei hij zonder haar aan te kijken.

Ten slotte bereikte de wagen de weg en ze reden een tijdje in stilte verder. Het meisje keek uit het raam, in de hoop een paar paarden te zien, maar het landschap om hen heen lag er verlaten bij. Haar hart sloeg een slag over toen ze opeens besefte waar ze waren.

‘Gaan we naar mijn huis?’ vroeg ze hoopvol.

‘Zo zou je het kunnen noemen.’

Het meisje ging nog rechter zitten en keek nog beter om zich heen. Vóór hen strekte het vertrouwde landschap zich uit en in de verte zag ze heel duidelijk de rots waarvan haar moeder had gezegd dat het een trol was die bij zonsopgang in steen was veranderd. Ze rekte zich instinctief uit om hem beter te kunnen zien. Boven aan de lage heuvel voor hen verscheen een auto, die op hen af kwam rijden. Zo te zien was het een militair voertuig. Ze minderden vaart en de man droeg haar op uit het zicht te blijven. Ze was eraan gewend zich te moeten verstoppen en deed zonder aarzelen wat hij zei. Hij was het blijkbaar met haar grootvader eens dat van het leger niets goeds te verwachten viel. Haar moeder had haar ingefluisterd dat soldaten heel normale mannen waren, net als grootvader. Alleen jonger. En knapper. ‘Net als jij.’ Het meisje wist nog goed hoe lief haar moeder naar haar had gelachen toen ze dat zei.

Het kind hoorde het andere voertuig naderen. Het geluid werd steeds harder, tot ze elkaar passeerden en toen stierf het weer weg. Ze schoof heen en weer op haar stoel.

‘Je mag wel weer overeind komen,’ zei de bestuurder en ze deed wat hij zei. ‘Weet je hoe oud je bent?’ vroeg hij.

‘Vier,’ antwoordde ze, en ze lette erop dat ze duidelijk sprak, zoals haar grootvader het haar had geleerd.

De man snoof. ‘Je bent wel wat schriel voor een kind van vier.’

Hoewel het meisje niet wist wat ‘schriel’ betekende, begreep ze toch wel dat het niet goed was om het te zijn. Ze zei niets. Het bleef even stil.

‘Wil je je moeder graag weer zien?’

Haar ogen werden groot en ze keek naar de man op. Gingen ze naar mama toe? De gedachte alleen al maakte alles goed. Ze knikte gretig.

De bovenbenen van het meisje deden niet langer pijn van de kou. Alles zou weer fijn worden. Ze sloegen de weg in die ze zo goed kende. Ze zag haar huis en voor het eerst in tijden verscheen er een glimlach op haar gezicht. De wagen reed langzaam naar het huis en stond toen stil. Als gehypnotiseerd keek ze naar het grote, indrukwekkende huis. Het zag er zo triest en eenzaam uit. Er brandde geen licht en er kwam geen rook uit de schoorsteen.

‘Is mama hier?’ vroeg ze nerveus. Er was iets vreemds aan de hand. De laatste keer dat ze haar had gezien, had haar moeder in een kamer in het huis van de man in bed gelegen. Ze was ziek, net zoals grootvader dat was geweest, met alleen haar dochtertje om voor haar te zorgen. Misschien was mama in de nacht nadat ze uit het bed was verdwenen terug naar huis gegaan? Maar waarom had ze haar dan achtergelaten bij de man? Dat zou mama nooit hebben gedaan.

‘Je moeder is niet echt hier, maar je zult haar wel terugzien. Jullie zullen voor altijd bij elkaar blijven.’ Hij grijnsde en het meisje voelde iets van onzekerheid in haar blijdschap sluipen, maar ze durfde geen vragen te stellen.

De man gooide het portier open en stapte uit. Hij liep om de wagen heen en deed de deur voor haar open. ‘Kom maar. Voordat je je moeder terugziet, ga je een klein tochtje maken.’

Het meisje stapte voorzichtig uit. Ze keek om zich heen, in de hoop iemand of iets te zien om moed uit te putten, maar ze zag niets.

De man bukte zich om haar in een want gehulde handje te pakken. ‘Kom, dan zal ik je iets laten zien.’ Hij trok haar mee en ze moest bijna rennen om zijn grote stappen te kunnen bijhouden.

Ze liepen om het huis heen naar de veestal. Er kwam hen een enorme stank tegemoet, die steeds erger werd naarmate ze dichterbij kwamen. Het kleine meisje wilde haar neus dichtknijpen, maar durfde het niet. Aan de gezichtsuitdrukking van de man te zien rook hij het ook. Toen ze bij de schuur waren, keek hij naar binnen, door een raampje dat zo hoog zat dat het meisje er niet bij kon. Met zijn hand voor zijn mond geslagen stapte hij naar achteren. Ze hoopte dat er niets akeligs was gebeurd met de koeien, maar het viel haar wel op dat er geen geluid van binnen kwam. Misschien sliepen de koeien. De man trok haar weer verder.

‘Gatverdamme,’ zei hij. Toen ze een klein eindje bij de veeschuur vandaan waren, bleef hij staan en keek naar de sneeuw. Hij ontspande zijn greep om de hand van het meisje. ‘Waar was het nou, verdomme?’ mompelde hij geërgerd. Hij schopte met zijn schoen in de sneeuw.

Terwijl hij in de sneeuw zocht bleef het kind roerloos staan. Ze voelde zich niet blij meer. Mammie was hier niet. Ze kon toch niet onder de sneeuw liggen? Ze was ziek. Terwijl ze haar snikken probeerde in te houden, fluisterde ze zacht: ‘Waar is mijn mammie?’

‘Die is bij God,’ antwoordde hij, nog steeds zoekend met zijn voet.

‘Bij God?’ herhaalde ze, verbijsterd. ‘Wat doet ze daar?’

De man snoof. ‘Ze is dood. Dan ga je naar God.’

Het kind wist niet goed wat dat betekende. Ze had nog nooit iemand ontmoet die dood was.

‘God is goed, hè?’ Ze wist niet precies waarom ze dit zei. Ze wist het antwoord, omdat haar moeder en grootvader het haar dikwijls hadden verteld. God was goed. Heel erg goed. ‘Wanneer ze bij God is geweest komt ze toch wel weer naar huis?’ vroeg ze hoopvol.

De man slaakte een triomfantelijke kreet en hield op met graven. ‘Hebbes! Eindelijk.’ Hij bukte zich en veegde met zijn gehandschoende handen de sneeuw van de grond. ‘Nee, niemand komt terug van God. Als je je mama wilt zien, zal je naar Hem toe moeten.’

Het meisje verstijfde. Wat bedoelde hij? Ze zag hoe hij de sneeuw van een stalen luik veegde dat haar bekend voorkwam; het luik in het veld waar ze van haar moeder nooit mocht spelen. Kon het zijn dat God daaronder zat?

De man rekte zich uit en bukte toen opnieuw om het zware luik open te trekken. Toen hij het meisje aankeek, lachte hij weer. Ze wilde dat hij dat niet deed. Hij wenkte haar. Aarzelend naderde ze hem en de gapende zwarte ruimte die onder het luik tevoorschijn was gekomen.

‘Is God daar beneden met mammie?’ vroeg ze met een bevend stemmetje.

De man stond nog steeds te grijnzen. ‘Nee, Hij is daar nu niet, maar Hij komt je daar straks wel halen. Kom mee.’ Hij greep haar magere schoudertje en trok haar dichter bij het gat. ‘Gelukkig ben je gedoopt. God laat niemand binnen die niet gedoopt is. Maar laten we hopen dat God nog weet wie jij bent, want Hij kan natuurlijk niet in de kerkarchieven kijken.’ De glimlach van de man werd nog killer. ‘Misschien moeten we het voor alle zekerheid nog maar een keertje doen. Ik zou niet willen dat God weigert je op te nemen.’ Hij lachte stilletjes.

Het meisje luisterde niet. Ze staarde als gehypnotiseerd in de diepte. Haar moeder zou nooit in zo’n gat gaan. Ze hoorde de man wel iets mompelen over ‘een snelle doop’, maar keek pas op toen hij haar met een snelle ruk omdraaide, zijn met sneeuw gevulde hand op haar voorhoofd legde en zei: ‘Ik doop je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.’ Toen deed hij zijn ogen open en keek haar aan.

Hoewel haar voorhoofd verschrikkelijk prikte van de kou, kreeg ze het van de blik in zijn ogen nog kouder. Ze trok haar hoofd weg en stak haar handen in de zakken van haar jack. Ze had het ijskoud en haar wollen wanten boden weinig bescherming tegen de snijdende wind. Opeens voelde ze iets in haar rechterzak en herinnerde zich de envelop. Een angstig gevoel bekroop haar en verdreef even haar angst voor de man. Ze had haar moeder beloofd dat ze de envelop zou bezorgen en nu zag het ernaar uit dat dit niet ging lukken. Het was het laatste wat haar moeder tegen haar had gezegd en het meisje herinnerde zich heel goed hoe belangrijk het scheen te zijn. Ze voelde een traan over haar ene wang lopen. Ze kon de envelop niet aan de man geven, want haar moeder had uitdrukkelijk gezegd dat ze dat niet mocht doen. Het meisje beet op haar onderlip en wist niet of ze iets moest zeggen of juist haar mond moest houden. Ze kneep haar ogen dicht en wenste dat ze niet hier stond, maar dat ze naast haar moeder lag en dat er niets was veranderd. Toen ze haar ogen weer opendeed stonden ze nog steeds op dezelfde plek, zij en de man. Ze werd overspoeld door een gevoel van wanhoop en begon stilletjes te huilen, en de tranen liepen langs haar wangen in haar sjaal.

De man pakte haar weer bij haar schouder. ‘Nu zal God je van harte welkom heten. Kun je gebedjes opzeggen?’ Ze knikte nerveus. ‘Mooi zo.’ Hij keek in het gat. ‘Ik ga je hier nu in zetten en dan komt God je straks wel halen. Je kunt het beste blijven bidden tot Hij komt. Je zult het wel koud krijgen, maar je valt vanzelf lekker in slaap en vóór je het weet ben je bij je moeder in de hemel.’

Nu begon het kind nog harder te huilen, hoewel ze wanhopig probeerde haar snikken te onderdrukken. Dit klopte niet. Waarom kon God haar niet gewoon nu komen halen, als Hij dan zo goed was? Waarom moest ze in die donkere kuil? Ze was bang in het donker en dit was een gevaarlijke plek — dat had haar moeder haar zelf verteld. Het meisje keek de man aan en wist dat ze er toch in moest, of ze wilde of niet. Ze stond als aan de grond genageld. De man stak zijn handen onder haar armen en tilde haar op, waarna hij haar langzaam in het gat liet zakken. Ze keek opzij om een laatste blik op haar huis te werpen en staarde verbaasd naar het raam in de puntgevel. Daar stond iemand te kijken, maar het raam was te vies en het huis stond te ver weg om te kunnen zien wie het was. Toen ze helemaal in het gat stond, kon ze niets meer zien en deed ze haar best om niet toe te geven aan de doodsangst die ze voelde. God was goed. Er had geen geest voor het raam gestaan. God was goed. En het zachte, treurige gejammer dat ze in de diepte hoorde was niet het gehuil van de dode kinderen. God was goed. Dat had mammie zelf gezegd.

In de kuil was het nog veel kouder dan buiten. Ze probeerde te gaan zitten, maar de grond was nog kouder dan de voorbank van de auto. Ze sloeg haar armen om zich heen. Het luik zwaaide omlaag en net voordat het dichtviel hoorde ze de man zeggen: ‘Succes. Doe de groeten aan je moeder, en aan God. Vergeet niet te bidden.’

Alles werd zwart. Het meisje probeerde rustig te ademen, maar haar gesnik maakte dat moeilijk. Het allerergste vond ze dat de envelop nu nooit zou worden bezorgd. Ze kneep haar ogen stijf dicht, omdat de gedachte aan zonneschijn haar altijd rustig maakte. Misschien kwam iemand haar wel halen. Degene die achter het raam had gestaan zou haar toch wel komen redden? Alsjeblieft, alsjeblieft, alsjeblieft. Ze wilde hier niet blijven. Ze vouwde haar handjes en fluisterde:

‘Ik ga slapen, ik ben zo moe
Ik doe mijn beide oogjes toe
Here, houd ook deze nacht
Over mij weer trouw de wacht.’

1

Dinsdag, 6 juni 2006

‘Inwerpgleuf,’ verbeterde Thóra hen met een beleefd glimlachje. ‘In de stukken wordt het een inwerpgleuf genoemd.’ Ze wees op een uitdraai op het bureau voor haar en wendde zich tot het stel dat tegenover haar zat. Hun blikken werden nog norser en Thóra ging snel verder, voordat de man weer een nieuwe tirade begon. ‘Toen wettelijke bepaling No. 505/1997 inzake primaire postbestelling werd vervangen door wettelijke bepaling 805/2003 inzake uitgebreide postbestelling en zijn tenuitvoerlegging, werd Artikel 12 betreffende brievenbussen en inwerpgleuven herroepen.’

‘Zie je wel!’ riep de man, terwijl hij zich triomfantelijk omdraaide naar zijn vrouw. ‘Precies wat ik je zei. Ze kunnen dus niet zomaar stoppen met het bezorgen van onze post.’ Hij wendde zich weer tot Thóra, ging rechtop zitten en sloeg zijn armen over elkaar.

Thóra schraapte haar keel. ‘Zo eenvoudig is het helaas niet. De nieuwe regeling verwijst naar een bouwvoorschrift met betrekking tot inwerpgleuven en de plaatsing daarvan. Hierin staat dat inwerpgleuven zodanig geplaatst dienen te zijn dat de afstand van de grond tot de onderste rand van de inwerpgleuf tussen de duizend en twaalfhonderd millimeter bedraagt.’ Thóra stopte even om adem te halen, wat niet te lang mocht duren, anders zou de man haar weer in de rede vallen. ‘De Wet op de Postbezorging No. 12/2002 vermeldt vervolgens dat de posterijen het recht hebben post naar de afzender terug te sturen indien de inwerpgleuf niet overeenkomstig de voorschriften is aangebracht.’

Verder kwam ze niet, want de man had genoeg gehoord. ‘Gaat u me nu vertellen dat ik geen post meer bezorgd krijg en dat ik niet het recht heb om in beroep te gaan tegen al dat bureaucratische geneuzel?’ protesteerde hij, waarbij hij theatraal met zijn armen zwaaide alsof hij een aanval van onzichtbare bureaucraten probeerde af te slaan.

Thóra haalde haar schouders op. ‘U kunt altijd uw brievenbus nog wat hoger hangen.’

De man zond haar een vernietigende blik toe. ‘Ik had meer van u verwacht, vooral omdat u had toegezegd zich in de kwestie te verdiepen.’

Thóra had zin om de wettelijke bepalingen te pakken en ze naar het knalrode hoofd van de man te smijten, maar ze wist zich te verbijten. ‘Dat heb ik ook gedaan,’ zei ze rustig, met een geforceerd lachje.

Ze had verwacht dat het echtpaar zwaar onder de indruk zou zijn van haar encyclopedische kennis van de zaak en de vakkundige manier waarop ze de nummers van de wettelijke bepalingen kon opdreunen, maar ze had moeten beseffen dat ze net zo goed met haar hoofd tegen een stenen muur kon lopen. De agitatie in de stem van de man toen hij twee dagen geleden het advocatenkantoor belde, had een waarschuwing moeten zijn. Razendsnel pratend had hij juridisch advies gevraagd voor zichzelf en zijn vrouw, met betrekking tot hun geschil met zowel de postbode als het postbedrijf. Zij waren onlangs in een prefabhuis getrokken dat zij uit Amerika hadden laten komen en dat met alle toebehoren was geleverd — inclusief een voordeur met een ‘illegale’ brievenbus. Op een dag was zijn vrouw thuisgekomen en had een handgeschreven briefje op de deur aangetroffen waarin stond dat er geen post meer zou worden bezorgd omdat hun brievenbus te laag zat. Voortaan zouden zij hun post zelf bij het postkantoor moeten ophalen.

‘Ik kan u alleen maar adviseren wat u zou kunnen doen,’ vervolgde Thóra. ‘Gerechtelijke stappen ondernemen tegen de posterijen, zoals u voorstelt, zal u alleen maar extra op kosten jagen. En ik zou u ook niet willen aanraden de verantwoordelijke ambtenaar van de bouwcommissie aan te klagen.’

‘Een nieuwe voordeur kost ook geld. Ik kan die gleuf niet hoger plaatsen — dat heb ik u al verteld.’ De man en de vrouw wisselden triomfantelijke blikken uit.

‘Een voordeur kost minder dan een rechtszaak, dat is een ding dat zeker is.’ Thóra reikte hen het laatste document aan van de stapel die zij had gemaakt voordat het echtpaar was binnengekomen. ‘Dit is een brief die ik namens u heb opgesteld.’ Ze staken er allebei hun hand naar uit, maar de man was het eerst. ‘Het postkantoor, of de postbode, heeft een procedurefout gemaakt. U had per aangetekende post een formele mededeling moeten ontvangen dat de hoogte van uw brievenbus niet aan de wettelijke bepalingen voldoet en vervolgens had u de tijd moeten krijgen hier iets aan te doen. Voor die deadline had men de postbezorging niet mogen stopzetten.’

‘Aangetekende post?’ zei de vrouw bits. ‘Hoe hadden we die brief moeten krijgen als ze hem niet bij ons mogen bezorgen?’ Bijzonder in haar nopjes met zichzelf keek ze haar man aan, maar ze kreeg niet de reactie die ze verwachtte en haar boze blik keerde weer terug.

‘O, doe me een lol en gedraag je niet zo betweterig,’ gromde hij. ‘Aangetekende post komt niet door de brievenbus — daar moet je voor tekenen.’ Hij wendde zich tot Thóra. ‘Ga door.’

‘Deze brief eist dat de posterijen de correcte procedure in acht nemen, u een aangetekend schrijven sturen waarin u wordt gevraagd de situatie aan te passen en daarvoor een redelijke termijn stellen. We vragen om twee maanden.’ Ze wees op de brief, die de man intussen had gelezen en aan zijn vrouw had gegeven. ‘Daarna kunnen we weinig meer doen, maar ik zou willen voorstellen dat u de brievenbus naar de juiste hoogte verplaatst. Als dat niet mogelijk is en u ervoor kiest deze deur te behouden, dan kunt u een losse brievenbus nemen. De opening daarin moet zich op dezelfde hoogte bevinden als in deuren. Als u daarvoor kiest, raad ik u aan een rolmaat te gebruiken wanneer u hem ophangt, om verdere meningsverschillen te voorkomen.’ Ze glimlachte flauwtjes.

De man zat met een boze blik naar haar te luisteren. Opeens verscheen er een valse grijns op zijn gezicht. ‘Oké, ik snap het. Wij sturen die brief, krijgen een aangetekende brief terug en hebben dan twee maanden waarin de postbode onze post, ongeacht de hoogte van de brievenbus, moet blijven bezorgen. Ja, toch?’ Thóra knikte. Met een zegevierende blik stond de man op. ‘Wie het laatst lacht, lacht het best. Ik ga die brief nu meteen op de bus doen en zodra ik een deadline heb gekregen, laat ik die inwerpgleuf tot vlak boven de drempel zakken. Wanneer de termijn is verstreken, hang ik een losse brievenbus op. Kom op, Gerda.’

Thóra liep met hen mee naar de deur, waar ze haar bedankten en afscheid namen, de man popelde om de brief te posten en aan de tweede fase van zijn oorlogje met de postbode te beginnen. Thóra liep hoofdschuddend terug naar haar bureau, verbijsterd over de menselijke natuur. Waar mensen zich allemaal niet druk om maakten… Ze hoopte dat postbodes goedbetaald kregen, maar twijfelde daar eerlijk gezegd aan.

Thóra zat nog maar net achter haar bureau, of Bragi, haar partner in de kleine advocatenpraktijk, stak zijn hoofd om het hoekje van de deur. Hij was een oudere man en gespecialiseerd in echtscheidingen; Thóra kon niet tegen dat soort zaken. Haar eigen scheiding was voor haar genoeg geweest. Bragi daarentegen was helemaal in zijn element bij de meest gecompliceerde geschillen en had de gave ruziënde stellen over te halen met elkaar te praten zonder elkaar te vermoorden.

‘En, hoe ging het met de brievenbus? Beschouw je het als een proefproces voor het Hooggerechtshof?’

Thóra glimlachte. ‘Nee, ze gaan er nog eens over nadenken, maar we moeten niet vergeten ze de rekening per koerier te laten bezorgen. Ik denk niet dat er de komende tijd veel post bij ze zal worden bezorgd.’

‘Ik hoop dat ze gaan scheiden,’ zei Bragi, handenwrijvend. ‘Dat zou een mooie strijd worden.’ Hij pakte een geeltje en gaf het aan Thóra. ‘Deze meneer belde terwijl die brievenbussers bij jou zaten. Hij vroeg of je hem wilde bellen zodra je tijd had.’

Thóra keek op het briefje en zuchtte toen ze de naam las: Jónas Júliússon. ‘O, fijn,’ zei ze, en ze keek naar Bragi. ‘Wat had hij?’

Iets meer dan een jaar eerder had Thóra een rijke zakenman van middelbare leeftijd geholpen een contract op te stellen voor zijn investering in een stuk land en een boerderij op het schiereiland Snaefellsnes. Jónas had buiten IJsland in korte tijd veel geld verdiend met het opkopen van half failliete radiostations, die hij nieuw leven inblies en vervolgens met enorme winsten verkocht. Thóra wist niet of hij altijd een beetje vreemd was geweest, of dat het hebben van geld hem excentriek had gemaakt. Op dit moment hield hij zich bezig met newagefilosofie en hij was van plan een reusachtig holistisch centrum annex spahotel te bouwen, waar mensen zouden betalen om hun fysieke en geestelijke kwalen te laten genezen met behulp van alternatieve therapieën. Toen Thóra aan hem dacht, schudde ze haar hoofd.

‘De een of andere verborgen constructiefout in het gebouw, voor zover ik het begrepen heb,’ antwoordde Bragi. ‘Hij is er niet blij mee.’ Hij lachte. ‘Je kunt hem beter bellen; hij wilde het er met mij niet over hebben. Hij beweert dat jouw Venus Kreeft als ascendant heeft en dat je daarom zo’n goede advocaat bent.’ Bragi haalde zijn schouders op. ‘Misschien is een gunstige sterrenkaart wel net zo’n goede aanbeveling als een rechtentitel. Wie zal het zeggen?’

‘Wat een mafkees,’ zei Thóra en pakte de telefoon.

Jónas had de aftrap voor hun professionele relatie gegeven door haar astrologische horoscoop op te laten maken, die gunstig bleek te zijn. Daarom had hij haar ingehuurd. Thóra vermoedde dat de grotere praktijken geweigerd hadden Jónas informatie te verstrekken over de exacte geboortetijd van hun juristen, zodat hij een kleinere had moeten benaderen; hoe was anders te verklaren dat een man die zo rijk was als hij ervoor koos in zee te gaan met een bedrijfje met slechts vier werknemers. Ze belde het nummer dat Bragi op het papiertje had gekrabbeld en trok een gezicht terwijl ze wachtte tot Jónas zou opnemen.

‘Hallo,’ zei een zachte mannenstem. ‘Met Jónas.’

‘Hallo, Jónas. Je spreekt met Thóra Gudmundsdóttir van Central Advocaten. Je had gevraagd of ik je terug wilde bellen.’

‘Ja, dat klopt. Bedankt voor het terugbellen.’ Hij zuchtte zwaar.

‘Mijn collega Bragi had het over een verborgen constructiefout in het gebouw. Waar gaat het precies om?’ vroeg zij, intussen naar Bragi kijkend, die knikte.

‘Het is verschrikkelijk, geloof me. Er mankeert iets aan het perceel en ik weet zeker dat de verkopers er vanaf hebben geweten, maar mij niets hebben verteld. Ik denk dat het al mijn plannen torpedeert.’

‘En wat mankeert er precies aan?’ vroeg Thóra, verbaasd. Het perceel was onderzocht door bevoegde experts en zij had hun rapport zelf gelezen. De oppervlakte was precies wat de verkopers hadden opgegeven, alle rechten die in de verkoopomschrijving stonden vermeld klopten, en de twee boerderijen die bij het land hoorden waren zo oud dat een complete renovatie de enige optie was.

‘Het gaat om een van de oude boerderijen op het terrein waar ik het hotel heb laten bouwen, Kirkjustétt, weet je nog?’

‘Ja, ik weet het nog,’ antwoordde Thóra, en ze voegde eraan toe: ‘Je weet dat in het geval van onroerend goed een bouwkundig defect de waarde dient te beïnvloeden met ten minste tien procent van het aankoopbedrag teneinde recht te kunnen doen gelden op compensatie. Zoiets kan ik me niet voorstellen bij zo’n oud gebouw, ook al is het nog zo groot. Daar komt bij dat een verborgen gebrek ook echt verborgen moet zijn. In het rapport van de taxateurs stond duidelijk vermeld dat de gebouwen volledig gerenoveerd moesten worden.’

‘Dit gebrek maakt de boerderij volstrekt onbruikbaar voor mijn doeleinden,’ zei Jónas resoluut. ‘En er bestaat geen twijfel over dat het “verborgen” is — de taxateurs hadden het nooit kunnen opmerken.’

‘Wat is het dan voor gebrek?’ vroeg Thóra, die nu toch echt nieuwsgierig begon te worden. Ze dacht dat er midden in het huis misschien een heetwaterbron was aangetroffen, zoals een aantal jaren geleden in Hveragerdi scheen te zijn gebeurd, maar er stond haar niets van bij dat er in dit gebied sprake was van enige geothermische activiteit.

‘Ik weet dat je niet veel moet hebben van spirituele zaken,’ zei Jónas kalm. ‘Je zult verbaasd zijn wanneer ik je vertel wat hier aan de hand is, maar ik verzoek je dringend te geloven wat ik zeg.’ Hij zweeg even en gooide er toen uit: ‘Het spookt er.’

Thóra deed haar ogen dicht. Het spookte er. Oké. ‘Ja, ja,’ zei ze, terwijl ze met haar wijsvinger een ronddraaiende beweging voor haar slaap maakte om Bragi duidelijk te maken dat Jónas’

‘gebrek’ volslagen nonsens was. Bragi kwam dichterbij staan, in de hoop mee te kunnen luisteren.

‘Ik wist wel dat je sceptisch zou reageren,’ mopperde Jónas. ‘Maar het is echt waar en het is algemeen bekend onder de plaatselijke bevolking. De verkopers wisten ervan, maar hielden hun mond erover. Dat noem ik frauduleus, vooral omdat ze wisten wat mijn plannen waren met de boerderij en het land. Ik heb hier te maken met buitengewoon gevoelige mensen, zowel de gasten als de staf. Ze vinden het vreselijk.’

Thóra viel hem in de rede. ‘Kun je me misschien vertellen wat dat “spoken” inhoudt?’

‘Er hangt gewoon een afschuwelijke atmosfeer in het huis. En verder raken er dingen kwijt en worden er midden in de nacht vreemde geluiden gehoord en hebben mensen een kind uit het niets zien verschijnen.’

‘En?’ vroeg Thóra. Dat was niets bijzonders. In haar eigen huishouden raakte er voortdurend van alles kwijt, vooral autosleutels, er waren dag en nacht geluiden en er doken aan de lopende band kinderen op uit het niets.

‘Er is hier geen kind, Thóra. In de wijde omgeving niet.’ Hij zweeg even. ‘Dat kind is niet van deze wereld. Ik heb haar achter me zien staan toen ik in de spiegel keek en ik kan je niet vertellen hoe… níét levend ze is.’

Thóra voelde een rilling over haar rug lopen. Hoe ongeloofwaardig het haar ook leek, de toon van Jónas’ stem liet er geen twijfel over bestaan dat hij het zelf geloofde en ervan overtuigd was dat hij iets bovennatuurlijks had gezien. ‘Wat wil je dat ik doe?’ vroeg ze. ‘Wil je dat ik het met de verkopende partij bespreek en korting probeer te krijgen? Want daar gaat het immers om? Eén ding kan ik je wel vertellen — ik kan geen geesten voor je uitdrijven, of de atmosfeer in het huis verbeteren.’

‘Kom dit weekend langs,’ zei Jónas opeens. ‘Ik wil je het een en ander laten zien van wat hier gevonden is en horen wat jij ervan vindt. De beste suite in het hotel is vrij en je zou je meteen eens kunnen laten verwennen. Een massage met hete stenen, wat je maar wilt. Je kunt je weer eens helemaal opladen en ik betaal je er natuurlijk goed voor.’

Dat opladen kon Thóra wel gebruiken, maar ze vond wel dat hij zichzelf tegensprak door haar ontspanning te beloven en in één adem te beweren dat het er spookte. Haar leven bewoog zich op dit moment in steeds kleiner wordende cirkels, voornamelijk rond haar nog ongeboren kleinkind dat haar zoon nog vóór zijn zestiende had verwekt en haar gespannen verhouding met haar ex-echtgenoot, die volhield dat het kind was verwekt omdat Thóra een slechte moeder was. Wat hem betreft speelden de hormonen van hun zoon nauwelijks een rol; het was allemaal haar schuld. Deze mening werd gedeeld door de ouders van het aanstaande moedertje, dat nog maar vijftien was. Thóra zuchtte. Er waren heel wat stenen voor nodig om al haar zorgen weg te masseren.

‘Wat wil je me laten zien? Kun je het niet gewoon naar mijn kantoor sturen?’

Jónas lachte kil. ‘Nee, dat zal niet gaan. Het zijn dozen vol oude boeken, tekeningen, portretten en allerlei andere rommel.’

‘En waarom denk je dat die oude spullen iets te maken hebben met het zogenaamde “verborgen gebrek” in het huis?’ vroeg ze sceptisch. ‘En waarom bekijk je het niet gewoon zelf?’

‘Dat kan ik niet. Ik heb het geprobeerd, maar ik word er helemaal akelig van. Ik blijf er het liefst bij uit de buurt. Jij bent veel nuchterder; jij kunt er waarschijnlijk naar kijken zonder er iets bij te voelen.’

Hier kon Thóra niets tegen inbrengen. Geesten, monsters en elfen hadden haar nooit veel gedaan. De echte wereld bezorgde haar al voldoende problemen zonder dat zij zich over de grenzen van de fantasie waagde. ‘Laat me er even over nadenken, Jónas. Het enige wat ik kan beloven is dat ik mijn best zal doen om iets te regelen zodat ik kan komen. Ik bel je morgenmiddag. Is dat goed?’

‘O, ja. Bel gerust. Ik ben hier de hele dag.’ Jónas aarzelde even en zei toen: ‘Je vroeg me waarom ik denk dat die oude spullen er iets mee te maken hebben.’

‘Ja?’ zei Thóra.

Opnieuw bleef het even stil. ‘Ik heb een foto gevonden in een van de dozen.’

‘En?’

‘Het is een foto van het meisje dat ik in de spiegel heb gezien.’

2

Donderdag, 8 juni 2006

Thóra pakte het dossier met de papieren van het perceel op Snaefellsnes. Tijdens het doorlezen kon ze er weinig uit opmaken; ze vond in elk geval niets wat wees op het eigenaardige ‘verborgen gebrek’ van Jónas. Het was een betrekkelijk simpele transactie geweest, afgezien van Jónas’ vele voorwaarden betreffende data, zoals het feit dat hij erop had gestaan de aktes op een zaterdag te tekenen. Thóra was ermee akkoord gegaan zonder vragen te stellen, uit angst daar een college over de stand van de hemellichamen mee uit te lokken. Ze wist dat zaterdag van oudsher bekendstond als een geluksdag. Verder hadden zich bij de verkoop geen bijzonderheden voorgedaan. De verkoop omvatte het land en alles wat zich daarop bevond, inclusief roerend goed. De verkopers waren een broer en zus van in de vijftig, Börkur Thórdarson en Elín Thórdardóttir. Zij waren opgetreden namens hun moeder, die het land lang geleden van haar eigen vader had geërfd. Ze hadden er veel geld aan verdiend en Thóra had destijds groen gezien van jaloezie.

Met een glimlach vroeg ze zich af hoe ze het gespook kon taxeren om het perceel tien procent in waarde te laten dalen, maar haar glimlach verdween toen ze zich probeerde voor te stellen hoe ze de aanwezigheid van geesten zou aanvoeren om de verkopende partij te overreden de schade te compenseren. Thóra had bij het afhandelen van de transactie voornamelijk met de broer te maken gehad, en de zuster had ze slechts één keer gezien, toen de aktes werden getekend. Hun moeder, die volgens Börkur heel oud en aan bed gekluisterd was, had ze nooit ontmoet, maar de zoon was naar haar mening nogal opdringerig en zelfingenomen. Zijn zuster, Elín, was daarentegen stil en teruggetrokken geweest. Ten tijde van de koop had Thóra de indruk gehad dat zij minder gemotiveerd was om het land te verkopen dan haar broer. Al met al betwijfelde zij of hij een eis voor schadevergoeding zonder meer zou pikken. Ze legde de papieren apart en deed een schietgebedje dat Jónas nog van gedachten zou veranderen. Zo niet, dan zou ze al haar overredingskracht nodig hebben om hem op andere gedachten te brengen.

Ze bekeek de andere zaken die op haar lagen te wachten, maar de paar die er waren binnengekomen waren niet bepaald opwindend. Ze had helaas niet al te veel werk. Met een afkeurend gebrom vervloekte ze haar eigen financiële stommiteit. Eind vorig jaar had ze aan een zaak gewerkt voor een rijke Duitser die haar uitstekend betaalde, en als ze ook maar een greintje gezond verstand had gehad, zou ze dat geld hebben gebruikt om een paar van haar schulden af te betalen. In plaats daarvan had ze het in een caravan en een suv gestoken. Ze wist niet wat haar had bezield. Erger nog, ze had zelfs een lening afgesloten om ze te kunnen betalen, zodat ze nu nog dieper in de schulden zat. Ze herinnerde zich vaag een soort visioen van hoe ze er in de zomerzon mee over het platteland zouden toeren, echt zo’n leuk modern gezinnetje op vakantie — een gescheiden moeder met haar twee kinderen, in haar geval een dochter van zes en een zoon van zestien die binnenkort zelf vader zou worden. Het kleinkind had nog geen plekje in deze zoete droom, omdat Thóra het waarschijnlijk maar één keer in de twee weken een weekend zou zien. Hopelijk was dat dan niet hetzelfde weekend dat haar eigen kinderen met hun vader doorbrachten. Interessant voor een sociologische studie, dacht ze: een weekendvader die zelf nog zo jong was dat hij om het weekend bij zijn eigen vader was.

Toen Thóra klaar was met het doornemen van haar werk, ging ze in een opwelling op internet op zoek naar informatie over het land op Snaefellsnes of de oude boerenhoeves die zich daarop bevonden. Ze googelde de namen van de boerderijen die voorkwamen op de koopaktes, Kirkjustétt en Kreppa, maar vond niets. Ze haalde haar schouders op en gaf het op. Ze besloot haar e-mail te checken en zag, enigszins verveeld, dat ze een bericht van Matthew had. Ze had de Duitser leren kennen toen ze onderzoek deed naar de zaak die haar uiteindelijk de caravan en de suv had opgeleverd, samen met de bijbehorende schulden. Eigenlijk had ze hem niet zomaar leren kennen, maar ‘intiem’ leren kennen, zoals haar grootmoeder zou zeggen — en nu wilde hij bij haar langskomen om hun ‘intieme’ kennismaking te hervatten. Matthew wilde weten wanneer hij het beste voor een korte vakantie naar IJsland kon komen. Thóra wilde niets liever dan dat hij zou komen, maar was zich er ook van bewust dat het beste moment zo rond 2020 zou zijn, wanneer haar dochter twintig werd. Ze wist niet of Matthew wel zo lang kon wachten. Ze besloot tot de volgende dag te wachten met antwoorden en sloot haar e-mail af.

Ze stond op, ruimde haar bureau een beetje op en zuchtte. Ze vroeg zich af of haar grootste probleem was dat ze verlangde naar een beter leven, zonder schulden en zich op ongelegen momenten aandienende kleinkinderen, maar ze besefte dat het veel simpeler lag. Ze voelde zich gedeprimeerd door het feit dat ze bij het weggaan weer langs Bella moest lopen. Bella, de secretaresse uit de hel, die zij en Bragi op slinkse wijze in de maag gesplitst hadden gekregen als onderdeel van de huurovereenkomst toen zij hier hun praktijk waren begonnen. Thóra zette zich schrap.

‘Ik ga ervandoor,’ zei ze, terwijl ze haastig langs de receptie liep. Ze vroeg zich vluchtig af of het misschien mogelijk zou zijn de balie te verhogen, zodat de onaantrekkelijke jonge vrouw die erachter zat wat minder zichtbaar zou zijn, waarop ze zich onmiddellijk schuldig voelde en de secretaresse een weinig overtuigende glimlach schonk. ‘Tot morgen!’

Bella trok een borstelige wenkbrauw op en keek met half dichtgeknepen ogen naar Thóra op. Vervolgens zette ze haar chagrijnige blik nog kracht bij met een norse frons. ‘Ben jij er nou nog? Goh.’

‘Goh? Hoe bedoel je, goh?’ antwoordde Thóra niet-begrijpend. ‘Waar zou ik anders moeten zijn? Je hebt me na de lunch zien binnenkomen en daarna niet meer weg zien gaan. Het is niet mijn gewoonte om uit het raam te springen.’

‘Jammer,’ meende Thóra Bella te horen mompelen, hoewel ze het niet zeker wist. Op veel luidere toon zei het meisje: ‘Je ex heeft ergens over gebeld, maar ik heb gezegd dat je er niet was. Hij wilde geen boodschap achterlaten.’

Thóra was blij toe, want Hannes’ telefoontjes vormden zelden een bron van vreugde. Ze wilde Bella echter niet de kans geven zich te verkneukelen over de negatieve aspecten van haar leven. Aangezien ze zich al lang had neergelegd bij het feit dat het geen enkele zin had met dit wezen in discussie te gaan, glimlachte ze dus nogmaals naar Bella en pakte haar jas uit de garderobe. Ze stond op het punt te ontsnappen en al met haar hand op de deurklink, toen het meisje haar keel schraapte om aan te geven dat er nog iets was.

‘O, ja, en het leasebedrijf heeft gebeld. Je loopt een termijn achter met je afbetaling van de caravan.’

Thóra draaide zich niet eens meer om, maar liep kalmpjes de gang in en trok de deur achter zich dicht. Op dat moment had ze graag de massage geaccepteerd die Jónas haar in het vooruitzicht had gesteld, met of zonder hete stenen.

Birna keek om zich heen en haalde diep adem. Ze tuurde door de fijne nevel die boven het water hing en zag een paar zeemeeuwen omlaag duiken in de strijd om een lekker hapje. Geen van beide vogels trok aan het langste eind en met een woest vleugelgeklapper stegen ze weer op. Toen verdwenen ze in de dichtere mistbank die iets verderop boven het water hing. Het was eb en de rotsen waren bedekt met nat zeewier. Dit was een ongewoon strand: geen zand, alleen rotsblokken in alle soorten en maten, met een oppervlak dat was gladgeschuurd door miljoenen getijdenwisselingen. Het strand had ook een unieke ligging: een kleine inham omringd door hoge, zuilvormige basaltklippen, die door de Schepper speciaal leken te zijn ontworpen als torenflats voor zeevogels. Elke richel was bezet, met een dienovereenkomstig lawaaivolume. Birna liep naar de plek waar de klippen overgingen in weer een andere inham. Het getijde stroomde binnen door een stenen boog en de inham werd volledig omsloten door rotsen. Hij was uitsluitend zichtbaar door de smalle opening tussen de hoge rotswanden, maar het gekrijs van de vogels die erboven vlogen, weerklonk over het hele strand.

Birna bleef staan. De mist was opeens dichter geworden, zodat haar zicht tot hooguit enkele meters beperkt bleef. Ze ademde nogmaals diep in, ditmaal door haar neus en ze genoot van de geur van de zee. Als het kon, zou ze hier in de openlucht slapen, omhuld door nevel. Ze had absoluut geen zin om terug te gaan naar het hotel. Zo zou ze zich nu niet moeten voelen. Ze was dol geweest op dat gebouw en elke keer wanneer ze het zag had ze gegloeid van trots, zelfs toen het nog in aanbouw was en niet meer dan een schaduw van wat het zou worden. Zelfs het gat dat voor de fundering was gegraven, had ze prachtig gevonden. Op de een of andere manier had de plek van het hotel vanaf de allereerste keer dat ze die had gezien tot haar verbeelding gesproken. Het land keek uit op de open zee aan de zuidkust van Snaefellsnes. In dat opzicht leek het op de meeste andere boerenbedrijven in de streek, hoewel het iets afgelegener lag; de boerenhoeve zelf kwam pas in zicht wanneer je er bijna vlak voor stond. Hij was gebouwd op een grasrijk stuk grond in een ruw lavaveld dat bijna tot de waterkant reikte. Het indrukwekkende landschap inspireerde haar. Hetzelfde gold voor het oude huis. Zij had opdracht gekregen een reusachtige aanbouw te ontwerpen, die het grote huis niet mocht overweldigen of ondersneeuwen. Dit had haar heel wat hoofdbrekens gekost — grandeur, dat was een eitje, bescheidenheid daarentegen was vaak de grootste uitdaging.

De emoties die het project bij haar had losgemaakt, waren geheel nieuw voor haar. Hoezeer ze ook van architectuur hield, toch hadden de andere gebouwen die zij had ontworpen haar een heel ander gevoel bezorgd, maar ze wist precies hoe dat kwam. Dit hotel was verreweg haar meest succesvolle project. Vanaf het moment dat ze in haar werkkamer in Reykjavík aan haar eerste schets was begonnen, had ze geweten dat ze op de juiste weg was. Het gebouw was zoveel beter dan al haar eerdere werk. Ze besefte dat ze eindelijk naam zou gaan maken. Ze zou een veelgevraagd architect worden.

Ze had zich vaak afgevraagd waarom dit project haar zo onmiddellijk had gefascineerd en waarom het eindresultaat zo’n succes was gebleken. Het oude huis en het land hadden niets bijzonders gehad, hoewel het huis, voor zo’n oud gebouw, ongewoon mooi was. Ook was het uitzonderlijk goed onderhouden, als je in aanmerking nam dat er al zo’n halve eeuw niemand meer had gewoond. Ze kwam er al snel achter dat iemand het huis in de loop der jaren had onderhouden, misschien met de bedoeling het ooit als vakantiehuis te gaan gebruiken of om de stad even te kunnen ontvluchten, maar die plannen waren kennelijk nooit verwezenlijkt. Binnen in het gebouw wees niets erop dat de eenentwintigste eeuw al was begonnen. Alles was bedekt met een dikke laag stof, maar de muizenvallen die her en der verspreid stonden, toonden aan dat iemand ervoor had gezorgd dat het interieur en meubilair geen onnodige schade zouden oplopen. De eerste keer dat Birna binnen was geweest, had ze het moeilijk gevonden om naar de piepkleine skeletjes in een aantal van de vallen te kijken, maar verder had het huis grote indruk op haar gemaakt, zowel vanbinnen als vanbuiten.

Birna keek op haar horloge. Wat mankeerde die man? Was die stomme seance soms uitgelopen? De boodschap was duidelijk genoeg geweest. Ze pakte haar mobieltje en scrollde door de sms’jes. Ja hoor, zo simpel als wat: ‘Kom @ grot @ 9 vanavond.’ Wat een onzin allemaal. Voordat ze haar telefoon weer in haar zak stak, controleerde ze nog even of ze hier echt geen ontvangst had. Dat was wel een van de vervelendste dingen van deze streek, dacht ze, slechte mobiele ontvangst.

Ze besloot terug te wandelen naar de grot. Misschien was hij daar. Hoewel de grot zich vóór aan het strand bevond, was het zicht zo slecht dat ze hem gemakkelijk over het hoofd had kunnen zien. Bovendien overstemde het gekrijs van de vogels alle andere geluiden, zodat ze hem mogelijk niet had horen aankomen. Terwijl ze liep keek ze goed waar ze haar voeten neerzette, want je kon gemakkelijk uitglijden op de stenen. Ze knerpten onder het gewicht van haar voeten. Hopelijk was hij inmiddels op andere gedachten gekomen. Ze had genoeg energie in deze hele kwestie gestoken. Niet dat ze werkelijk verwachtte dat hij van gedachten was veranderd, want hij was er absoluut tegen geweest. Maar mocht het toch het geval zijn, dan had ze dat aan zichzelf te danken. Ze had zich gewonnen gegeven en was met hem naar bed gegaan. Ze hoopte dat het ergens goed voor was geweest, want ze had er weinig plezier aan beleefd. Het was belangrijk om verschillende projecten achter de hand te hebben wanneer de concurrentie zich aandiende. Ook al had ze de buit zo goed als binnen, ze wilde zeker zijn van haar zaak, dus had ze het maar op de koop toe genomen. Wat maakte één vlugge wip ook uit, als ze de concurrentie ermee voor kon blijven? Ze zou in de hele stad en, belangrijker nog, bij al haar collega’s, het gesprek van de dag zijn. Bij die gedachte glimlachte Birna onwillekeurig.

Een ongewoon luid gekrijs vanaf het klif haalde haar uit haar overpeinzingen. Het leek wel alsof alle vogels in de lucht het gelijktijdig uitschreeuwden. Misschien wilden zij de wereld achter die mist aan hun bestaan herinneren. Birna zuchtte. Het begon koud te worden en ze trok haar anorak wat dichter om zich heen. Wat was dit trouwens voor zomer? Ze bereikte de grot, maar zag niemand. Voor alle zekerheid riep ze hardop zijn naam, maar er kwam geen antwoord. Tien minuten. Ze gaf hem nog tien minuten en dan ging ze weg. Dit was gewoon ongelooflijk lomp. De woede die ze voelde opborrelen verwarmde haar enigszins. Hoe durfde hij haar zo te laten wachten? Dit was wel even iets anders dan te laat zijn voor een afspraak in een café in Reykjavík. Daar kon ze nog wat in tijdschriften bladeren om de tijd te doden, maar hier was niets te doen. En hoe mooi de omgeving ook was, op dit moment viel er niets anders te zien dan mist.

Vijf minuten. Ze gaf hem niet meer dan vijf minuten. Ze wilde terug en bovendien moest ze verschrikkelijk nodig plassen. Opeens kwam er een eigenaardige gedachte bij haar op, die niets te maken had met het strand of het feit dat ze gedwongen was hier in de ijskoude mist te wachten. Het stemde haar opeens verdrietig dat ze niet meer had geleerd over de geologie van deze omgeving en andere delen van Snaefellsnes. Hoe was bijvoorbeeld Kirkjufell gevormd, de berg die haar zo fascineerde? Hij stond helemaal alleen in zee aan de noordkant van het schiereiland en ze wist voldoende van geologie om te weten dat hij niet vulkanisch was. Ze wilde dat ze beter had opgelet tijdens de lessen op school. Zodra ze thuiskwam zou ze het opzoeken, zoals ze zich de allereerste keer dat ze de berg had gezien al had voorgenomen.

Birna schrok op toen het geluid van de vogels weer toenam, schorre kreten van hoog op het klif waar ze tegenaan stond geleund. Ze huiverde en werd, niet voor de eerste keer, bevangen door een gevoel van onbehagen. Er was iets met deze plek. Niet alleen de voor de hand liggende dingen, zoals de rare snuiters die in het hotel werkten en zich de geestelijke assistenten van de gasten noemden. En de gasten zelf. Mafkezen, stuk voor stuk, maar niet zo erg als het personeel. Nee, er was hier iets heel anders mis. Iets wat langzaam maar zeker sterker was geworden, iets wat al bij haar eerste bezoek de kop op had gestoken en haar kippenvel op haar bovenarmen had bezorgd bij het zien van de muizenskeletjes. Inmiddels was het veranderd in een hardnekkig gevoel van onbehagen dat Birna niet echt thuis kon brengen. Het was niet die onzin over geesten die haar angst aanjoeg — ze was er vrij zeker van dat het hotelpersoneel die verhalen zelf verzon, hoewel Joost mocht weten waarom.

Ze rilde opnieuw, met opzet nu, in een poging het van zich af te schudden en zichzelf te vermannen. In wat voor idioot melodrama was ze terechtgekomen? Birna, die bij haar vrienden bekendstond als iemand die zo stevig met beide benen op de grond stond dat ze bijna saai was? Er was hier werk aan de winkel. Jónas wilde meer. Er bestond een grote markt voor hotels voor idioten, iets wat Birna beslist niet verbaasde. Wat haar wel verbaasde was hoeveel geld die idioten leken te hebben. Jónas stelde de accommodatie bepaald niet gratis tot hun beschikking; om nog maar niet te spreken over de ‘spirituele begeleiding’ door zijn medewerkers.

Birna probeerde te glimlachen bij de gedachte aan het gedrag van Eiríkur, de auradeskundige van het hotel, toen zij hier een week eerder was gearriveerd. Hij had haar bovenarm gegrepen en haar ingefluisterd dat haar aura zwart was. Ze moest uitkijken. De dood zat achter haar aan. Ze fronste bij de herinnering aan zijn slechte adem.

Er waren vijf minuten verstreken. Dit zou ze hem flink inpeperen. Ze had kunnen werken: er was zoveel te doen en haar tijd was kostbaar. Als ze het sms’je niet had gekregen, had ze deze tijd kunnen besteden aan de plannen voor het nieuwe gebouw, en misschien had ze inmiddels zelfs wel tot een afronding kunnen komen. Het gebouw moest geheel vrij komen te staan, op enige afstand van het hoofdgebouw. Om de een of andere reden was het haar nog steeds niet gelukt om tot een keuze voor de exacte locatie te komen. De plek die ze aanvankelijk had uitgekozen, had iets wat haar niet beviel. Nee, dat was het eigenlijk niet precies: er was iets aan de plek wat haar dwarszat, iets wat niet helemaal klopte, hoewel ze geen idee had wat het was. Misschien was het allemaal onzin; ze was doodmoe, na anderhalf jaar lang aan één stuk door te hebben gewerkt. Jónas wilde niet alleen een architect met het juiste sterrenbeeld, maar ook eentje die volledig in het project opging en hij had dan ook zonder een woord van protest geregeld dat zij hier kon verblijven. Ze had verschillende werknemers van het hotel gevraagd of zij iets vreemds zagen aan het stuk land, maar zonder resultaat. De meesten hadden de vraag beantwoord met een voor de hand liggende wedervraag: ‘Waarom kies je geen andere plek als je deze niet ziet zitten? Er is hier land genoeg.’ Maar ze begrepen haar niet. Zij wisten het een en ander van het belang van de stand van de sterren. Maar Birna wist waar gebouwen moesten staan. Dit was de plek; elke andere plek was uitgesloten.

Het vogelgekrijs nam weer in volume toe, maar Birna was te diep in gedachten verzonken om er acht op te slaan. Ze baande zich voorzichtig een weg tussen de rotsen door naar het grindpad aan het begin van het strand. Opeens bleef ze stokstijf staan luisteren. Ze hoorde geknerp op de kiezels achter haar. Ze wilde zich omdraaien, klaar om de woede te ventileren die ze had opgekropt sinds ze hier was aangekomen.

Birna slaagde er niet in zich helemaal om te draaien. Zelfs boven het lawaai van de vogels op het klif uit hoorde ze de steen door de stille lucht in de richting van haar hoofd suizen en ving er nog net een glimp van op toen hij keihard haar voorhoofd raakte. Verder zag ze niets meer in dit leven, maar ze voelde nog heel veel. In een vage en droomachtige toestand voelde ze hoe ze over een ruwe ondergrond werd gesleept. Ze voelde het kippenvel dat de koude mist op haar naakte huid veroorzaakte toen haar kleren werden uitgetrokken en ze voelde zich misselijk worden van de metalige smaak van bloed in haar mond. Toen haar sokken werden uitgetrokken voelde ze een vreselijke pijn in haar voetzolen. Wat gebeurde er? Het leek allemaal zo onwerkelijk. In haar oren klonk een stem die ze heel goed kende, maar gezien wat er gebeurde kon dat onmogelijk kloppen. Birna probeerde iets te zeggen, maar kon de woorden niet uitspreken. Er kwam een vreemd gekreun uit haar keel, maar ze had helemaal niet gekreund. Wat vreemd was dit allemaal.

Voordat alles zwart werd, kwam de gedachte bij haar op dat ze nooit zou kunnen lezen over de oorsprong van de Kirkjufell. Vreemd genoeg was dat het pijnlijkst van alles.

Hetzelfde stel zeemeeuwen dat Birna in zee had zien duiken voor voedsel, stond nu iets verder langs het strand te wachten en keek door de mist naar wat er met haar gebeurde. Geduldig wachtten zij tot de rust zou weerkeren. Het strand en de zee zorgen voor hun vrienden. Niemand hoeft hier van honger om te komen.

3

Vrijdag, 9 juni 2006

‘Ik begrijp niet waar Birna uithangt,’ mompelde Jónas, terwijl hij zijn hand uitstak naar een kopje met bloemetjespatroon met daarin het brouwsel dat hij zojuist tegenover Thóra had zitten ophemelen. Dit was een speciale theemelange van lokale kruiden die, volgens Jónas, tegen alle mogelijke kwalen en ziektes hielpen. Thóra had een kopje van hem gekregen en een slokje genomen en naar de smaak te oordelen moest de thee wel bijzonder heilzaam zijn.

‘Ik had jullie graag aan elkaar voorgesteld,’ voegde hij eraan toe, nadat hij een slokje had genomen en het kopje voorzichtig weer op het schoteltje had gezet. Het had iets lachwekkends, want het porseleinen kop-en-schoteltje waren zo ontzettend delicaat, en met een ragfijn oortje, dat het in Jónas’ grote handen zo mogelijk nog kleiner leek. Zelf oogde hij verre van fijntjes — hij was grofgebouwd, zonder dik te zijn, met een verweerde kop en de uitstraling van iemand die eerder aan boord van een trawler een mok sterke koffie achteroverslaat dan na een yogales van een damesachtig kopje ondrinkbare kruidenthee nipt.

Thóra glimlachte en maakte het zich gemakkelijk in haar stoel. Ze zaten in Jónas’ kantoor in het hotel en haar rug deed pijn van de rit naar het westen. Het was vrijdag en druk op de weg en het feit dat ze op weg hiernaartoe eerst haar kinderen nog naar hun vader in Gardabaer had moeten brengen, had ook al niet veel geholpen. Het verkeer had zich met een slakkengangetje voortbewogen, alsof alle inwoners van de hoofdstad zich op exact dezelfde weg bevonden. Hoewel dit officieel niet zijn weekend was om de kinderen te hebben, had Hannes aangeboden te ruilen, omdat hij het volgende weekend in het buitenland zat voor een medisch congres. Vervolgens had Thóra toen toch maar besloten op het aanbod van Jónas in te gaan en het weekend door te brengen in het newagespahotel op Snaefellsnes. Ze wilde van de gelegenheid gebruikmaken om te ontspannen, een massage te nemen en tot rust te komen, zoals Jónas zelf had voorgesteld, maar het belangrijkste doel van haar komst was natuurlijk hem zover te krijgen dat hij zou afzien van de eis van een schadevergoeding voor het feit dat het hier zou spoken. Thóra wilde het gesprek zo snel mogelijk beëindigen zodat ze naar haar kamer kon gaan voor een dutje.

‘Ze komt vast wel weer opdagen,’ zei Thóra, omdat ze toch iets moest zeggen. Ze wist helemaal niets van de architect; voor hetzelfde geld was de vrouw een doorgedraaide alcoholiste die weer aan de drank was gegaan en zich de komende weken niet meer zou laten zien.

Jónas snoof. ‘Het is niets voor haar. We zouden vanochtend samen de eerste ontwerpschetsen voor het gebouw bekijken.’ Duidelijk geërgerd bladerde hij door een stapeltje papieren op zijn bureau.

‘Kan ze niet gewoon even zijn teruggegaan naar Reykjavík om iets op te halen?’ vroeg Thóra, en ze hoopte dat hij een keer op zou houden over die vrouw. De pijn in haar rug begon uit te stralen naar haar schouders.

Jónas schudde zijn hoofd. ‘Haar wagen staat buiten.’ Hij sloeg met zijn beide handen op de rand van het bureau. ‘Hoe dan ook. Jij bent er tenminste.’ Hij glimlachte. ‘Ik popel om je alles over die geest te vertellen, maar dat zal moeten wachten tot we wat langer de tijd hebben.’ Met een blik op zijn horloge stond hij op. ‘Ik moet mijn ronde gaan doen. Ik heb de gewoonte aan het eind van elke dag een praatje met mijn personeel te maken. Ik heb meer feeling met de zaak en alles wat er gebeurt als ik eventuele problemen meteen te horen krijg. Dat maakt het gemakkelijker om in te grijpen.’

Thóra stond op, blij dat ze weg kon. ‘Ja, vanzelfsprekend. We hebben het er morgen wel over. Maak je over mij maar geen zorgen. Ik blijf het hele weekend, dus we hebben nog tijd genoeg om alles te bespreken.’ Toen Thóra haar tas over haar schouder hing, kreeg ze opeens een smerige lucht in haar neus en ze trok een vies gezicht. ‘Wat is dat voor stank?’ vroeg ze aan Jónas. ‘Op de parkeerplaats rook ik het ook al. Staat hier soms een visoliefabriek in de buurt?’

Jónas snoof de lucht op. Toen keek hij Thóra met een effen blik aan. ‘Ik ruik niets. Ik zal er inmiddels wel aan gewend zijn,’ zei hij. ‘Een eindje verderop is een walvis aangespoeld op het strand. Bij een bepaalde windrichting waait die lucht hiernaartoe.’

‘Wat?’ zei Thóra. ‘Moet je dan gewoon wachten tot het karkas is weggerot?’ Ze vertrok haar gezicht toen een nieuwe stankgolf haar kant op kwam. Was het probleem met het gebouw maar iets als dit, dan zou het een fluitje van een cent zijn.

‘Je raakt eraan gewend,’ zei Jónas. Hij pakte de telefoon en draaide een nummer. ‘Hallo. Ik stuur Thóra naar je toe. Laat iemand haar naar haar kamer brengen en regel voor vanavond een massage voor haar.’ Hij legde de hoorn neer. ‘Je kunt nu naar de receptie gaan. Ik heb de mooiste kamer voor je gereserveerd, met een prachtig uitzicht. Je zult niet teleurgesteld zijn.’

Een jong meisje begeleidde Thóra van de receptie naar de veelgeprezen kamer. Ze was zo klein dat ze amper tot Thóra’s schouder kwam. Thóra vond het geen prettig idee zo’n klein meisje haar bagage te laten dragen, maar ze had er niets over te zeggen. Ze was blij dat haar koffer niet zo heel erg zwaar was, ook al had ze, zoals altijd, veel te veel bij zich. Thóra was ervan overtuigd dat er tijdens vakanties andere wetten golden dan in het leven van alledag, dat ze dingen zou dragen die ze normaal gesproken in de kast liet hangen, maar uiteindelijk droeg ze altijd toch weer precies hetzelfde als anders. Ze volgde het meisje door een lange gang, die breder leek dan hij was vanwege het dakraam dat over de gehele lengte liep. De namiddagzon scheen op het dunne, blonde haar van het meisje.

‘Is het leuk om hier te werken?’ vroeg Thóra zomaar, om iets te vragen.

‘Nee,’ antwoordde het meisje zonder om te kijken. ‘Ik ben op zoek naar iets anders, maar er is niet veel werk.’

‘O,’ zei Thóra. Op zo’n eerlijk antwoord had ze niet gerekend. ‘Zijn de mensen met wie je werkt vervelend?’

Het meisje keek zonder haar pas in te houden achterom. ‘Ja en nee. De meesten zijn best aardig. Sommigen zijn echte zeikerds.’ Het meisje bleef voor een van de deuren staan, viste een plastic kaartje uit haar zak en maakte hem open. ‘Maar eigenlijk kan ik er niet goed over oordelen. Ik heb niet zoveel met die lulkoek die ze de gasten hier proberen wijs te maken.’

Omwille van het hotel hoopte Thóra maar dat dit meisje niet al te veel in contact kwam met gasten. Ze had bepaald niet het mooiste verkooppraatje. ‘En is dat de reden waarom je weg wilt?’ vroeg ze.

‘Nee. Niet echt,’ antwoordde het meisje, terwijl ze Thóra binnenliet. ‘Het is iets anders. Ik kan het niet precies uitleggen. Dit is een slechte plek.’

Thóra was de kamer als eerste binnengelopen en kon het gezicht van het meisje niet zien toen ze dit zei. Ze zag dus niet of ze serieus was, maar aan de klank van haar stem te horen was dat wel degelijk het geval. Thóra keek de prachtige kamer rond en liep naar de glazen wand die uitzicht bood over de zee. Buiten bevond zich een klein terras.

‘Slecht in welk opzicht?’ vroeg ze, en ze draaide zich naar het meisje om. Het uitzicht suggereerde het tegendeel; de golven glinsterden langs een verlaten, vredig strand.

Het meisje haalde haar schouders op. ‘Gewoon slecht. Dit is altijd een slechte plek geweest. Dat weet iedereen.’

Thóra fronste haar wenkbrauwen. ‘Weet iedereen dat? Wie is “iedereen”?’ Als deze plek een slechte reputatie had waarvan de verkopende partij had geweten zonder de kopers ervan in kennis te stellen, kon dat wellicht een flinterdunne reden zijn om schadevergoeding te eisen.

Het meisje keek haar aan met een geringschatting in haar blik die je alleen bij tieners ziet. ‘Iedereen, natuurlijk. Iedereen hier tenminste.’

Thóra glimlachte bij zichzelf. Ze wist niet hoeveel mensen er aan de zuidkust van Snaefellsnes woonden, maar wel dat het woord ‘iedereen’ niet al te veel mensen kon betekenen. ‘En wat is het dan wat iedereen weet?’

Opeens werd het meisje terughoudend. Ze stak haar handen in de zakken van haar veel te grote jeans en keek naar haar tenen. ‘Ik moet weg. Ik hoor hier helemaal niet met u over te praten.’ Ze draaide zich om en liep de gang in. ‘Een andere keer misschien.’ In de deuropening bleef ze nog even staan en keek Thóra smekend aan. ‘Vertel Jónas alstublieft niet dat ik hierover heb lopen roddelen. Hij heeft liever niet dat ik te veel met gasten praat.’ Ze wreef over haar rechterhand, tussen haar duim en wijsvinger. ‘Als ik een ander baantje wil vinden, heb ik een getuigschrift nodig. Ik wil graag in een hotel in Reykjavík werken.’

‘Wees maar niet bang. Ik ben geen gewone gast. Ik zal tegen Jónas zeggen dat je buitengewoon behulpzaam bent geweest en ik zal hem toestemming vragen nog eens met je te praten wanneer het wat rustiger is. Jónas heeft mij hier uitgenodigd om een aantal zaken te onderzoeken. Ik denk dat jij me kunt helpen en dat zou hem dus ook helpen.’ Thóra keek het meisje aan, dat met een argwanende blik voor haar stond. ‘Hoe heet je trouwens?’

‘Sóldís,’ antwoordde het meisje. Ze bleef nog even in de deuropening staan, alsof ze niet wist wat ze moest doen, glimlachte toen flauwtjes, zei goedendag en liep weg.

Bergur Ketilsson liep op zijn dooie gemak, ook al wist hij dat zijn vrouw thuis op hem zat te wachten met de koffie. Hij bracht de avond liever in zijn eentje in de buitenlucht door dan thuis bij haar te zitten in benauwend stilzwijgen en geveinsd huwelijksgeluk. Bij de gedachte alleen al kreunde hij. Ze waren twintig jaar getrouwd en hadden altijd een redelijk goede relatie gehad, maar er was nooit veel hartstocht tussen hen geweest, zelfs niet tijdens hun korte verkeringstijd. Zo staken ze nu eenmaal niet in elkaar, of in elk geval zij niet. Hij had dat aspect van zijn karakter nog maar kort geleden ontdekt — een beetje laat om erachter te komen, op zijn veertigste. Zijn leven was ongetwijfeld heel anders gelopen als hij daarachter was gekomen vóór zijn huwelijk met Rósa, het blok aan zijn been. Misschien was hij dan wel naar Reykjavík gegaan om te studeren. Als jongeman had hij altijd veel plezier gehad in de IJslandse taal, ook al had hij daar nooit met iemand over gesproken. Er was hier niet veel om het intellect van een eenzame boer te prikkelen. Hij keek treurig naar de nesten van de eidereenden. De korte periode van strenge vorst had zijn tol geëist onder de eendenkuikens. Volgend jaar zouden er minder nesten zijn.

Hij liep verder. In de verte zag hij het dak van het hotel boven de rotsen op het strand uit steken. Hij keek ernaar en probeerde zich een beeld te vormen van wat daarbinnen gebeurde, maar hij kon zich er geen voorstelling van maken. Hij haalde zijn schouders op en vervolgde zijn weg. Omdat hij zich zo somber voelde, besloot hij de lange weg naar huis te nemen, via de inham. Dit was niet geheel willekeurig, want hij wilde ook graag weten hoe de broedende zeevogels de vorstperiode waren doorgekomen. Hij versnelde zijn pas en liep verder, diep in gedachten verzonken. Het hotel zat achter de emotionele crisis die hem had bevangen. Als dat niet was gebouwd, was hij gewoon verder gegaan met zijn leven en had hij zich ermee verzoend, niet gelukkig, maar ook niet ongelukkig. Hij kon zich geen goed onderbouwde mening vormen over wat daar allemaal gebeurde, want het had hem in zekere zin te veel vreugde en te veel verwarring gebracht om er nog logisch over na te kunnen denken. Opeens zag hij een nest en liep er voorzichtig naartoe. In het nest lagen twee piepkleine dode eendenkuikens. De moedereend was nergens te bekennen, dus misschien was zij ook wel bezweken aan de kou.

In de inham was het precies hetzelfde verhaal. Op elke rotsrichel zag hij een paar kuikens in de nesten. Dat was in elk geval nog een schrale troost. Volgend jaar zouden de aantallen eidereenden en aasetende zeevogels nog steeds gelijk opgaan. Hij draaide zich om van het klif en ging op weg naar de boerderij. Aangezien hij er tegenop zag om thuis te komen, liep hij langzaam. Zelfs de stank van de aangespoelde walvis kon hem niet van zijn stuk brengen; het paste wel bij zijn stemming. Bergur begon iets sneller te lopen. Misschien kon hij maar beter zo snel mogelijk naar huis gaan en Rósa vertellen dat hij een andere vrouw had gevonden. Leuker, slimmer, mooier en nog jonger ook. In alle opzichten een betere vrouw dan zij. Even leek hem dit geen gek idee. Hij zou Rósa alles geven — de boerderij, het vee, de paarden, de eidereendenkolonie. Hij zou het allemaal niet meer nodig hebben in zijn nieuwe, gelukkige leven. Toen vervaagde het droombeeld weer. Rósa kon de boerderij niet in haar eentje runnen en zou bepaald niet staan juichen bij het nieuws. Ze was toch al nooit bijster onder de indruk geweest van de omgeving of de boerderij en bekeek alles met dezelfde lege blik in haar ogen die aan onverschilligheid grensde. De enige die een reactie kon ontlokken was de kat. Hetzelfde gold voor hun huwelijksleven: ze was nooit woedend, nooit in vervoering. Het eigenaardige was dat hij voorheen precies hetzelfde was geweest, maar inmiddels was hij een heel ander mens.

Bij het bruggenhoofd struikelde hij en keek verbaasd omlaag. Hij stond doorgaans stevig op zijn benen en had nooit moeite met ronde rotsblokken en glibberig zeewier. Toen hij omlaag keek, zag hij iets wat hij nog nooit eerder op het strand had gezien, ondanks alle eigenaardige dingen die er in de loop der jaren waren aangespoeld. Om te beginnen was het een veel groter oppervlak zeewier dan hij ooit eerder in de inham was tegengekomen. Daar kwam bij dat er door het zeewier heen een menselijke arm zichtbaar was. Daar bestond geen enkele twijfel over. De vingers waren op een manier gekromd en gedraaid die geen enkele fabrikant van speelgoed- of etalagepoppen bij zijn producten zou willen zien. Toen Bergur zich bukte drong de bijtende stank van bloed in zijn neus. Hij sprong achteruit. De stank was waarschijnlijk ontsnapt toen hij met zijn voet het zachte, slijmerige zeewier opzij had geschoven en de metaalachtige lucht was zo sterk dat de stank van de rottende walvis erbij in het niet viel. Om de smerige lucht niet te hoeven inademen, hield Bergur zijn arm voor zijn neus en mond.

Omdat hij toch niet veel meer kon doen voor degene die onder het zeewier lag, richtte hij zich op. Onder het wier zag hij de omtrekken van een lichaam en hier en daar scheen er een stukje bleke huid doorheen. Toen hij de vorm eenmaal had herkend, was het zo duidelijk dat het hem verbaasde dat hij het niet meteen had gezien. Aangezien hij nooit zijn telefoon bij zich had, kon hij niet veel anders doen dan naar huis rennen en de politie bellen. Misschien moest hij de kustwacht ook maar bellen. Die wilden er ook vast graag bij betrokken worden. Terwijl hij door de mouw van zijn jas ademde om de geur van bloed op afstand te houden, verstijfde hij. Hij herkende de ring aan de gezwollen vinger.

Bergur viel op zijn knieën. Zonder op de stank te letten, greep hij de ijskoude hand om zijn vermoeden te bevestigen. Ja, dat was haar ring. Hij kreunde en begon het zeewier weg te trekken van de plek waar hij haar hoofd vermoedde, maar stopte toen het tot hem doordrong dat er geen gezicht was. Aan het bekende haar van het lijk kon hij echter zien dat zijn droom van een gelukkig nieuw leven voorbij was.

Thóra probeerde tot rust te komen. Ze lag op haar buik en deed haar uiterste best zich te ontspannen, of in elk geval ontspannen over te komen, want ze wilde niet dat de masseuse iets anders dacht. Die laatste was een pezige, gespierde vrouw, iets jonger dan Thóra. Ze droeg een witte katoenen broek, een lichtgroen t-shirt en orthopedische sandalen aan haar voeten. Haar teennagels had ze lichtblauw gelakt. Thóra maakte doorgaans geen nauwkeurige studie van dat deel van de menselijke anatomie, maar terwijl ze op de massagetafel lag, met haar gezicht in een opening, verschenen de tenen voortdurend in beeld.

Het ergste was achter de rug; de vrouw was opgehouden met masseren en was nu bezig hete stenen in een rij op haar ruggengraat te leggen. ‘Nu zult u voelen hoe de energie uit de stenen door uw rug gaat stromen. Hij loopt langs uw zenuwen en kan zo alle delen van uw lichaam bereiken.’ Dit verhaaltje werd begeleid door de rustgevende muziek van een cd die volgens de masseuse te koop was bij de receptie. Thóra besloot even bij de receptie te gaan kijken hoe de groep in kwestie heette, om zich ervan te verzekeren dat ze nooit per ongeluk een van hun cd’s zou aanschaffen.

‘Denk je dat het nog lang duurt?’ vroeg Thóra hoopvol. ‘Volgens mij is de energie nu tot elke cel doorgedrongen. Ik begin me echt geweldig te voelen.’

‘Wat?’ vroeg de masseuse ongelovig. ‘Weet u dat zeker? Normaal gesproken duurt het veel langer.’

Thóra onderdrukte een zacht gekreun. ‘Heel zeker. Het is fantastisch. Ik voel gewoon dat ik klaar ben.’

De masseuse wilde protesteren, maar zweeg toen ergens in de salon een telefoon overging. ‘Een ogenblikje,’ zei ze tegen Thóra en haar tenen verdwenen.

‘Hallo,’ hoorde Thóra haar zeggen. ‘Ik heb een klant.’ Er volgde een lange stilte. Toen, met een meer geagiteerde stem: ‘Wat? Meen je dat nou…? Jezus… Ik kom eraan.’

De masseuse haastte zich weer naar binnen en begon de hete stenen van Thóra’s rug te nemen. Thóra probeerde haar opluchting te verbergen door belangstelling te tonen voor het telefoongesprek. ‘Is er iets aan de hand? Maak je over mij maar geen zorgen; zoals ik al zei: ik ben helemaal klaar.’

De vrouw werkte heel snel. ‘Er is iets gebeurd. Iets ergs. Iets heel ergs.’

Thóra steunde op haar ellebogen. ‘Echt waar?’ vroeg ze en ditmaal hoefde ze haar nieuwsgierigheid niet te veinzen. ‘Heeft het iets te maken met de geesten?’

Er verscheen een uitdrukking van afgrijzen op het gezicht van de vrouw en zij sloeg een hand voor haar mond. ‘O, daar had ik nog niet aan gedacht. Er is een lichaam gevonden op het strand. Vigdís van de receptie denkt dat het iemand van hier is en de politie is er om met Jónas te praten.’

Thóra sprong naakt van de massagetafel, pakte een badjas en trok hem snel aan. Ze schaamde zich niet voor haar lichaam, maar was toch niet graag naakt in het bijzijn van vreemden. ‘Ga maar — ik red me wel.’ Ze trok de flanellen ceintuur strak om haar middel en knoopte hem vast. ‘Was het een ongeluk?’

‘Dat weet ik niet,’ zei de masseuse, terwijl ze ongeduldig van de ene voet op de andere wipte. Ze stond duidelijk te popelen om te gaan kijken wat er nu precies was gebeurd.

‘Ik pak zelf mijn spullen wel en dan ga ik weg,’ zei Thóra, de vrouw wegwuivend. ‘Ik beloof je dat ik geen stenen zal stelen.’

Dat liet de vrouw zich geen twee keer vertellen. Ze draaide zich om en haastte zich de gang in. Thóra liep naar het scherm waarachter zij zich had uitgekleed en begon haar kleren weer aan te trekken. Haar telefoon ging over in haar tas en ze viste hem eruit. ‘Hallo,’ zei ze, terwijl ze met één hand een sok probeerde aan te trekken. De verbinding was heel slecht en de lijn kraakte.

‘Hallo, Thóra.’ Het was Matthew. ‘Ik heb nog steeds geen antwoord gekregen op mijn e-mail.’

‘O ja,’ zei Thóra in het Duits, en ze gaf haar strijd met de sok op. ‘Ik wilde je net terugmailen.’

‘Noem maar een datum, dan doe ik de rest,’ zei Matthew. Kennelijk wilde hij hoe dan ook komen. ‘Geef mij groen licht en ik kom eraan.’

‘Op dit moment komt het een beetje slecht uit,’ antwoordde Thóra met tegenzin. ‘Ik ben aan het werk en er heeft zich iets voorgedaan.’

‘Wat dan?’ vroeg Matthew, niet erg overtuigd. ‘Vertel.’

‘Ja, nou, het is allemaal nogal eigenaardig,’ zei Thóra, en ze moest even goed nadenken voordat ze op het Duitse woord voor ‘geest’ kon komen. ‘Ik werk aan een zaak die te maken heeft met geesten, maar het lijkt erop dat het wat ingewikkelder gaat worden. De politie heeft een lichaam gevonden en dat zou de zaak wel eens in beweging kunnen zetten.’

‘Waar ben je?’ vroeg Matthew.

‘Ik?’ antwoordde Thóra verbouwereerd. ‘Op het platteland.’

‘Blijf waar je bent. Morgenavond ben ik bij je.’ Zijn stem klonk ernstig.

‘Wacht even, er is niets aan de hand. Je moet hier niet naartoe komen,’ zei Thóra snel. ‘Er is niemand vermoord, er is alleen een lijk gevonden.’ Ze aarzelde. ‘Voor zover ik weet tenminste.’

‘Ik verheug me erop je morgen weer te zien,’ zei de stem uit het mobieltje.

‘Maar je weet niet eens waar ik ben en dat ga ik je ook niet vertellen. Heb nog een paar dagen geduld, dan zoek ik een beter moment. Echt waar. Ik wil jou ook graag zien. Alleen niet nu.’

‘Je hoeft me niet te vertellen waar je bent. Ik vind je wel. Auf Wiedersehen.’

Thóra kon niet meer protesteren. Matthew had al opgehangen.

4

Toen ze zich had aangekleed, besloot Thóra meteen naar de receptie te gaan in de hoop daar meer over het lijk te weten te komen. Op weg naar buiten zag ze een sleutelbos liggen die de masseuse in alle haast was vergeten. Ze besloot hem even af te geven bij de receptie, zodat ze meteen een excuus had om daar naartoe te gaan. Heel tevreden met zichzelf liep ze snel de gang door.

In de foyer was de masseuse nergens te bekennen. Bij de receptie stond een jonge vrouw voorover geleund, fluisterend in een druk gesprek verwikkeld met haar collega achter de balie. Ze was verontrustend mager en de spierwitte tuniek die ze over haar bijpassende lange broek droeg deed niet veel om dat te verhullen. Thóra ging naast haar staan en lachte de twee vrouwen vriendelijk toe, in de hoop bij het gesprek betrokken te worden. Ze was echter verre van welkom; geen van beide vrouwen leek erg blij haar te zien, maar ze herstelden zich snel en glimlachten koeltjes terug. Ze veinsde belangstelling voor een poster achter de balie waarop een seance stond aangekondigd die de vorige avond was gehouden door een bekend medium uit Reykjavík. Toen wendde ze zich weer tot de twee anderen en lachte hen vriendelijk toe.

‘Hallo,’ zei Thóra, om het ijs te breken. Haar nieuwsgierigheid kreeg echter de overhand en ze vergat de smoes van de sleutels. ‘Ik hoorde dat er een lijk is gevonden op het strand.’

De vrouwen keken elkaar even aan en leken tot een stilzwijgende overeenstemming te komen. De magere keek haar aan. ‘Het is gewoon afschuwelijk,’ zei ze nadrukkelijk en met grote ogen. ‘Wist je al dat de politie hier is?’ Ze haalde haar arm van de balie en stak Thóra haar hand toe. ‘Ik ben Kata, de schoonheidsspecialiste.’ Haar tanden glansden parelwit.

Thóra schudde haar de hand en stond, gezien haar postuur, versteld van de kracht in haar handdruk. ‘Ik ben Thóra. Ik moet iets uitzoeken voor Jónas. Ik ben niet echt een gast.’

De receptioniste knikte. ‘O ja, daar had hij het over. Ik ben Vigdís, de receptiemanager. Jij bent toch een van die advocaten?’

‘Inderdaad.’ Thóra knikte, hoewel ze geen idee had wat ‘een van die’ in deze context wilde zeggen. Toen ze om zich heen keek, zag ze door de glazen toegangsdeuren dat er nog steeds een politiewagen buiten stond. ‘Waar is de politie nu?’

Vigdís wees naar rechts en fluisterde, hoewel er niemand in de buurt was: ‘Ze wilden Jónas spreken.’ Ze leunde achterover in haar stoel en trok samenzweerderig haar wenkbrauwen op. ‘Het verbaasde hem niet eens toen ik het hem vertelde.’

‘Wat zei de politie dan?’ vroeg Thóra. ‘Misschien besefte hij niet helemaal waar het precies om ging.’

Vigdís kreeg een kleur. ‘Nou, nee,’ zei ze schoorvoetend. ‘Eigenlijk hebben ze me niet echt iets verteld, ze vroegen alleen naar Jónas.’

‘Hoe weet jij dan van dat lijk?’ vroeg Kata, de schoonheidsspecialiste, die duidelijk niet op haar achterhoofd was gevallen.

Vigdís’ wangen kleurden nog wat roder. ‘Dat hoorde ik hen zeggen. Ik heb hen naar Jónas’ kantoor gebracht en toen ze zich voorstelden, vertelden ze ook meteen waarvoor ze gekomen waren.’

Thóra was ervan overtuigd dat de vrouw aan de deur had staan luisteren. ‘Zeiden ze ook nog iets over hoe de persoon in kwestie is overleden?’ vroeg ze. ‘Is het lichaam aangespoeld of zo?’

‘En was het een man of een vrouw?’ kwam de schoonheidsspecialiste tussenbeide. ‘Zeiden ze daar iets over?’

‘Het gaat kennelijk om een vrouw,’ antwoordde Vigdís, terwijl haar wangen weer een normale kleur kregen. Ze genoot er zichtbaar van alle troeven in handen te hebben en ze rekte elk woord zo lang mogelijk om het maximale effect te bereiken. ‘De precieze doodsoorzaak hebben ze niet verteld, maar ik durf te zweren dat ze zinspeelden op een onnatuurlijke oorzaak.’ Ze slaakte een diepe, dramatische zucht. Kata sloeg haar hand voor haar mond. Bij haar had het toneelspel van haar collega het gewenste effect.

‘Waarom zijn ze hier?’ drong Thóra aan. ‘Is het lichaam op het strand gevonden?’

Vigdís knikte langzaam en wees naar een raam dat uitzicht bood over de open zee. ‘Ik weet niet precies waar, maar het was hier ergens in de buurt. Daarginds ergens.’

Thóra en Kata keken uit het raam. Het was betrekkelijk rustig weer en ondanks het late tijdstip nog helemaal licht buiten. Het strand zelf werd aan het zicht onttrokken omdat het gazon buiten het raam iets boven zeeniveau lag.

‘Hoe kan het hier nu vlak voor de deur gebeurd zijn?’ vroeg Thóra. Ze wendde zich van het raam af. ‘Als de politie daar bezig was geweest zouden jullie dat toch zeker hebben gezien?’

Vigdís haalde haar schouders op. ‘Een heel groot stuk land hoort bij de oude boerderij en hiervandaan kun je ook niet het hele strand zien. Dat komt onder andere door die landtong daarginds.’ Ze wees door het raam naar een heuvel. ‘Het verste westelijke punt bevindt zich aan de andere kant van die heuvel en dat kunnen we hiervandaan niet zien. Dat gedeelte kan alleen via de andere kant over de weg worden bereikt.’

Thóra en Kata tuurden naar de heuvel alsof ze er dwars doorheen hoopten te kunnen kijken. Toen knikte Thóra. ‘Was er oorspronkelijk geen sprake van twee boerderijen, op twee afzonderlijke stukken land?’ Vigdís haalde haar schouders op. Thóra vervolgde: ‘Voor zover ik me kan herinneren waren er twee stukken landbouwgrond die in het bezit waren van twee broers, maar een van hen overleed kinderloos en liet zijn grond na aan de ander, die vervolgens alles bij elkaar voegde. Dat verklaart ook de kwestie van de toegangsweg. Doorgaans heeft elke boerderij maar één toegangsroute, geen twee. Denk je dat de grenslijn aan de andere kant van die heuvel lag?’ Toen ze omkeek zag ze meteen dat deze vraag geen van beide vrouwen ook maar enigszins leek te interesseren.

‘Het zal wel,’ zei Kata, die zich weer tot haar vriendin wendde. ‘Maar wie is die dode vrouw? Hebben ze daar iets over gezegd?’

‘Volgens mij hebben ze geen flauw idee. Toen ze kwamen, wilden ze van mij weten hoeveel gasten er in het hotel staan ingeschreven en of er gasten ontbreken.’ Ze grijnsde haar publiek samenzweerderig toe. ‘Ik heb maar gewoon de waarheid gezegd — dat ik geen idee had. Dit is een hotel, geen gevangenis.’ Toen keek ze Thóra aan en voegde eraan toe: ‘De gasten hebben sleutels die ze gewoon mee kunnen nemen. Ze geven de sleutels niet bij mij af, dus het is puur toeval als ik weet waar ze zijn. Ze zeggen bijna nooit iets tegen mij, tenzij ze een wandeling willen maken en iets willen weten over wandelroutes.’

‘Waarschijnlijk is het de vrouw van dat dronken stel in nummer achttien. Die heb ik allebei al een paar dagen niet gezien,’ zei Kata afkeurend.

Vigdís schudde haar hoofd. ‘Nee, de keuken heeft een tijdje terug nog eten naar hun kamer gebracht. En drankjes.’ Met nadruk op dat laatste. ‘De vrouw had naar beneden gebeld voor roomservice. Ze zei dat ze niet lekker waren en de hele dag hadden geslapen.’

Kata snoof. ‘Niet lekker, m’n reet. Die hadden gewoon een kater of ze waren dronken.’

Thóra begreep dat de vrouwen haar verder nog maar weinig nuttige informatie zouden kunnen geven. Ze had over het algemeen weinig belangstelling voor roddelverhalen en al helemaal niet als het over mensen ging die ze helemaal niet kende, dus besloot ze weg te gaan en stak haar hand in haar zak. ‘Ik heb hier een sleutelbos die mijn masseuse heeft laten liggen.’ Thóra overhandigde de sleutels, die aan een sleutelring hingen met een klein geëmailleerd IJslands vlaggetje eraan.

‘Sibba, bedoel je,’ zei Vigdís, terwijl ze de sleutelbos over de balie heen aanpakte. ‘Die kan zo ongelooflijk afwezig zijn.’ Haar blik viel op een groot plastic kaartje dat aan de vaderlandslievende sleutelring bungelde. ‘Goeie God, hier hangt zelfs de loper aan. Ze is ook een echte…’ Wat ze was zou een mysterie blijven, want op dat moment ging de telefoon. Vigdís draaide zich om om op te nemen.

Met een blik op Kata pakte Thóra de sleutels weer terug. ‘Ik geef ze zelf wel aan haar terug. Ik ben vergeten een nieuwe afspraak te maken, dus ik moet haar toch nog spreken.’ Ze wierp de jonge vrouw een onschuldig glimlachje toe. ‘Heb jij enig idee waar ze kan zijn?’

De schoonheidsspecialiste haalde haar schouders op. ‘In de kantine misschien.’ Ze wees naar een gang rechts van haar. ‘Die is naast de keuken.’

Thóra bedankte haar en voegde er toen aan toe: ‘Weet je soms ook welke kamer Birna heeft? De architecte? Ik wilde even gedag gaan zeggen.’

Kata schudde haar hoofd, maar pakte toen een boek achter de balie vandaan. Vigdís zat nog steeds te telefoneren en lette niet op hen. ‘Birna, Birna…’ Slanke vingers met lange, gemanicuurde nagels gleden over de pagina. ‘Aha. Hier heb ik het.’ Ze klapte het boek weer dicht. ‘Zij zit in kamer vijf. Daar kom je langs. Ze is in elk geval hier, want haar auto staat buiten geparkeerd. Echt zo’n flitsende kar.’

‘Mooi zo,’ zei Thóra, die weinig belangstelling had voor auto’s. ‘Hartelijk bedankt. Misschien wip ik morgen wel even bij je langs in je salon. Mijn wenkbrauwen kunnen wel een beurtje gebruiken.’ De jonge vrouw knikte net iets te instemmend naar Thóra’s zin.

Terwijl ze door de gang liep, gingen er verschillende gedachten door Thóra’s hoofd. Wat haalde ze zich in vredesnaam in haar hoofd? Ze kon er toch niet zomaar van uitgaan dat de dode vrouw Jónas’ vermiste architect was? Waarschijnlijk was het totaal iemand anders. En trouwens, wie was die Birna eigenlijk? Ze had geen enkele reden om haar kamer binnen te gaan. Onderweg naar de kamer dacht Thóra erover na, maar hoe dichter ze kamer vijf naderde, hoe vaster ze zich voornam er een kijkje te gaan nemen. Als uiteindelijk zou blijken dat Birna werkelijk de vrouw op het strand was, was dit naar alle waarschijnlijkheid Thóra’s enige kans om haar kamer te bekijken. Als ze onder verdachte omstandigheden om het leven was gekomen, zou de politie de kamer verzegelen. Ze hield zichzelf voor dat zij, in haar hoedanigheid van Jónas’ advocaat, van deze gelegenheid gebruik moest maken. Uiteindelijk wist zij zichzelf ervan te overtuigen dat ze niets verkeerds deed. Het enige wat ze wilde was haar hoofd om het hoekje van de deur steken en snel een kijkje nemen. Meer niet.

Voor de deur aangekomen bleef Thóra staan en keek om zich heen. De vrouwen bij de receptie stonden zo druk te praten dat zij geen erg in haar hadden. Ze haalde de plastic sleutelkaart door het slot, opende de deur en schoot naar binnen.

Jónas deed zijn best de onschuldige hotelier uit te hangen, maar merkte dat de rol hem steeds slechter af ging. Hij koesterde een instinctieve afkeer van de politie, iets wat altijd wederzijds bleek te zijn bij de zeldzame gelegenheden dat hun wegen elkaar kruisten. Ook hadden politieagenten de neiging hem diep in de ogen te kijken wanneer ze tegen hem praatten en Jónas had het gevoel dat ze erop getraind waren het waarheidsgehalte van zijn antwoorden af te lezen aan de beweging van de pupillen. Hij wist dat hij veel te vaak met zijn ogen knipperde, wat geen goede indruk maakte.

Hij schraapte zijn keel. ‘Zoals ik al zei zou de beschrijving bij de architect Birna kunnen passen, maar hij is veel te algemeen om dat met zekerheid te kunnen zeggen. Had de vrouw geen identiteitsbewijs bij zich, of een tas of zoiets?’ Hij maakte een beweging naar het raam achter zich. ‘Vinden jullie het hier ook zo warm? Zal ik het raam openzetten?’ Jónas was bang dat het zweet straks van zijn voorhoofd zou gutsen en daarmee het beeld van een schuldig man compleet zou maken.

De politieagenten keken elkaar aan. Ondanks het feit dat zij in vol ornaat waren, zwarte uniformen met gouden tressen, leken zij het niet warm te hebben. Ze trokken zich niets aan van de benauwende hitte in de kamer en hadden hun uniformjassen niet uitgetrokken. Wel hielden ze hun pet in hun handen. Zonder in te gaan op Jónas’ vragen over het raam en het identiteitsbewijs, vervolgden zij hun ondervraging. ‘Wanneer is zij voor het laatst gezien, deze Birna?’

‘Dat weet ik niet exact,’ antwoordde Jónas, die zijn geheugen pijnigde. ‘Maar gisteren was ze hier nog, dat weet ik zeker.’

‘Dus u hebt haar gisteren nog gezien?’ vroeg de jongste agent. Hij leek nogal een harde, en Jónas gaf de voorkeur aan de oudere man, die in alle opzichten het zachtere type leek.

‘Hè?’ vroeg Jónas nogal sullig, en haastte zich om eraan toe te voegen: ‘Eh, ja. Ik heb haar gesproken. Meerdere keren zelfs. Ze was druk bezig de laatste hand te leggen aan het ontwerp voor het bijgebouw dat hier gebouwd gaat worden en ze is in de loop van de dag een paar keer naar me toe gekomen om mijn mening te vragen over een aantal zaken.’

De agenten knikten gelijktijdig. Nadat hij ogenschijnlijk enkele momenten op de binnenkant van zijn wang had staan kauwen, vroeg de oudste: ‘En vandaag? Is ze vandaag ook nog naar u toe gekomen?’

Jónas schudde verwoed zijn hoofd. ‘Nee. Absoluut niet. We hadden wel een afspraak voor vanmorgen, maar ze is niet komen opdagen. Ik heb de hele ochtend naar haar uitgekeken, maar ik ben haar niet tegengekomen en ik heb haar ook niet gezien. Ik heb haar meerdere malen gebeld, maar haar mobieltje stond uit. Ik kreeg steeds haar voicemail.’

‘Wat voor mobieltje had ze? Kunt u het beschrijven?’ vroeg de jongere man.

Dit was een vraag waarover Jónas niet hoefde na te denken. Birna’s mobieltje was heel opvallend. Hij had haar er vaak genoeg mee gezien. ‘Het is er zo een die je open kunt klappen, vuurrood. Glimmend. Heel klein. Het merk weet ik niet. Er stond een groot zilveren vredesteken op de voorkant, maar dat was volgens mij geen merklogo, maar een versiering.’ De politiemannen keken elkaar even aan en stonden toen op. Jónas bleef zitten. Nu hij eindelijk een van hun vragen had kunnen beantwoorden, voelde hij zich opeens een stuk zelfverzekerder. ‘Die vrouw die is gevonden… is die door een ongeluk om het leven gekomen?’

Geen van beide agenten gaf antwoord op zijn vraag. ‘Wilt u ons dan nu alstublieft Birna Halldórsdóttirs kamer laten zien?’

Thóra wierp nog een laatste blik door de kamer. Ze had niets bijzonders gevonden. De kamer zag er weliswaar anders uit dan andere hotelkamers, maar dat kwam doordat de architect er duidelijk voor langere tijd was ingetrokken dan de meeste mensen. Ze had allerlei bouwtekeningen aan de muren gehangen, waarvan Thóra vermoedde dat het voorstellen waren voor het bijgebouw dat Jónas van plan was te bouwen. Op verschillende van de tekeningen stonden aantekeningen gekrabbeld, waarvan sommige begrijpelijk waren voor een leek en andere niet. In een paar van de kantlijnen waren berekeningen gemaakt en de uitkomsten waren rood onderstreept. Het waren grote getallen en Thóra hoopte voor Jónas dat het geen kostenberamingen waren.

Thóra had de klerenkast hoofdzakelijk uit nieuwsgierigheid geopend en ze had niet verwacht er iets belangwekkends in te zullen aantreffen. Om geen vingerafdrukken achter te laten, had ze een potlood door de handgreep gestoken om de deur open te maken. Ze had zich de moeite kunnen besparen, want de inhoud vertelde haar dat Birna een bijzonder ordelijk iemand was. Er waren niet veel kleren: blouses, nette broeken en jasjes hingen aan hangertjes en de andere kledingstukken lagen keurig gerangschikt op de planken. De vrouw moest ooit in een boetiek hebben gewerkt, want alles was perfect gevouwen. Birna had een goede smaak; haar kleren waren eenvoudig maar stijlvol en zagen er duur uit. Thóra probeerde het labeltje in het bovenste truitje van de stapel te zien, maar kon het niet lezen zonder het van zijn plaats te halen. Ze deed de deur dicht en liep naar de telefoon op een van de nachtkastjes. Ze gebruikte haar vingernagel om de geheugentoets in te drukken en de laatste nummers te lezen die Birna had gebeld. Vervolgens scheurde ze een leeg velletje papier van het schrijfblokje naast de telefoon en schreef de drie nummers over. Ze vouwde het papiertje op en stak het in haar zak.

Ze keek nog eens om zich heen en stelde vast dat er verder niets was wat haar aandacht verdiende, op de bureaulade na. Ze had al voorzichtig tussen de paperassen op het bureau gesnuffeld, maar was daar niets wijzer van geworden. Ze leken allemaal te maken te hebben met het ontwerp van de aanbouw en het waren hoofdzakelijk brochures van fabrikanten van bouwmaterialen. Thóra gebruikte haar voet om de bureaustoel wat dichter bij de lade te schuiven. Nu zag ze zich voor een probleem gesteld, want er zat geen handgreep op. Ze trok haar mouw over haar rechterhand en opende de lade door hem aan de onderkant naar zich toe te trekken. Er zaten twee boeken in: het Nieuwe Testament en een in leer gebonden agenda. Ze sloeg hem open. Bingo. De bladzijden waren gevuld met een keurig handschrift. Thóra grijnsde, maar toen stierf haar lach weg. Ze hoorde stemmen op de gang, vlak voor de deur.

Ze keek wanhopig om zich heen. Ze moest hier weg. Ze kon onmogelijk uitleggen wat ze hier te zoeken had — dat wist ze zelf niet eens. Ze rende naar de lange gordijnen en bad dat alle kamers hetzelfde waren. Gelukkig voor haar was dit inderdaad het geval en met bevende vingers opende ze de balkondeuren en stapte de veranda op. Toen duwde ze de deur zo zachtjes mogelijk dicht en haastte zich weg.

Toen Thóra de hoek van het gebouw om was, slaakte ze een diepe zucht. Haar hart bonkte. Wat had haar bezield? Ze leek wel gek. Het was op het nippertje geweest; ze wist zeker dat ze de kamerdeur had horen opengaan op het moment dat zij de balkondeur achter zich had dichtgedaan. Ze haalde nog een keer diep adem. Haar hart kalmeerde, maar sprong toen opeens weer op. De bureaulade! Die had ze open laten staan. Ze probeerde rustig te blijven. En wat dan nog? Iedereen zou denken dat Birna hem open had gelaten. Ze slaakte een zucht van verlichting, maar schrok toen opnieuw — in haar handen hield ze nog steeds een agenda met daarop de tekst: Birna Halldórsdóttir, Vereniging van IJslandse Architecten.

5

Toen de politiewagen langzaam de oprit af reed, had Jónas het gevoel dat de agenten er alles aan hadden gedaan hun bezoek zo lang mogelijk te rekken. Hoe eerder ze waren weggegaan, hoe minder hun aanwezigheid de bezoekers zou zijn opgevallen; dat moesten ze toch hebben geweten. Hij slaakte een zucht van verlichting toen de wagen eindelijk uit het zicht verdween en hoopte van harte dat ze niet meer terug hoefden te komen. Hij wist echter ook wel dat dit vergeefse hoop was. Na een snel kijkje in haar kamer om zich ervan te vergewissen dat zij daar niet was, hadden ze Birna’s kamer verzegeld en Jónas opdracht gegeven ervoor te zorgen dat niemand er meer naar binnen zou gaan voordat hij helemaal doorzocht was. Jónas was dus nog niet van ze af.

Zijn enige hoop was dat zou blijken dat de dode vrouw Birna niet was, maar hier was de wens duidelijk de vader van de gedachte. Voordat ze vertrokken hadden de politieagenten Jónas gevraagd haar auto aan te wijzen op het parkeerterrein. Het was een donkerblauwe Audi Sport, die ze nog maar kortgeleden had gekocht en die helemaal achteraan op het parkeerterrein stond. Birna parkeerde altijd zo ver mogelijk bij andere auto’s vandaan, om het risico te beperken dat onvoorzichtige chauffeurs met het openen van hun portieren krassen zouden maken op haar grote trots. De agenten waren naar de wagen toe gelopen en een van hen had een klein plastic zakje uit zijn zak gehaald. Zonder het zakje te openen had hij ermee naar de auto gewezen en erin geknepen. De sportwagen had gepiept en de lichten waren even aan gefloept. De politiemannen hadden elkaar veelbetekenend aangekeken.

Jónas zuchtte. Het was een bijzonder ongemakkelijke situatie. Kon hij zichzelf toestaan verdriet te voelen? Hij had Birna, ondanks haar tekortkomingen, graag gemogen en als hij heel eerlijk was, had hij eigenlijk nog wel meer voor haar gevoeld, hoewel deze gevoelens niet wederzijds waren geweest. Moest hij zich nu verdrietig voelen? Dit was een enorme tegenvaller voor zijn plannen om het hotel uit te breiden. Moest hij de staf opdragen te doen alsof er niets was gebeurd? De politie had hem niet verteld wat hij moest doen. Hij moest voorzichtig zijn, want veel mensen zouden zijn reacties met een kritische blik bekijken en ze naadloos invoegen in de roddels die in omloop waren. Het was een kleine gemeenschap en zijn personeelsleden stonden niet bekend om hun discretie. Hij zuchtte nogmaals. Misschien zou de politie het afdoen als een ongeluk, maar niets in hun gedrag wees daarop.

Jónas draaide zich om en liep naar binnen. Hij haastte zich langs de receptie, om te voorkomen dat iemand hem zou aanspreken. Zijn list werkte, maar hij zag meteen aan Kata, die over de balie leunde, dat ze brandde van nieuwsgierigheid en niet kon wachten om te horen wat de politie had gezegd. Zodra Jónas binnenkwam, deed de schoonheidsspecialiste haar mond open, maar toen hij naar de grond keek en zijn pas versnelde, klapte ze hem weer dicht. Zij en Vigdís, de receptiemanager, zagen teleurgesteld hoe hij zich zonder een woord te zeggen langs hen haastte. Niet dat dit lang zou duren — uiteindelijk zou hun nieuwsgierigheid de overhand krijgen, al zouden ze hem door de gang achterna moeten rennen — maar voorlopig ging het nog goed, dacht Jónas, terwijl hij snel naar zijn kantoor liep en de deur achter zich dichttrok. Met een somber gezicht ging hij zitten. Heel misschien kon hier toch nog iets goeds uit voortkomen. Was er een mogelijkheid deze tragedie een positieve draai te geven, zodat het hotel, en Jónas zelf, er profijt van zouden hebben? Hij pakte de telefoon en draaide een nummer.

Thóra zat besluiteloos op de rand van haar bed. Birna’s agenda lag op haar schoot. Ze had nog niet besloten wat ze ermee zou doen, of ze hem stiekem terug zou leggen in Birna’s kamer of dat ze zou proberen hem ergens anders achter te laten zonder argwaan te wekken. Moest ze het boekje meteen zien te lozen of kon ze beter wachten tot ze het had gelezen? Haar wangen gloeiden bij de gedachte dat Birna misschien nog wel leefde. Hoe had ze het kunnen doen? Vond ze haar cliënten met brievenbusobsessies en al die andere mierenneukers zo saai dat ze spannender zaken uit het niets probeerde te toveren? Ze was hier naartoe gekomen om een halfgare hoteleigenaar ervan te weerhouden een zinloos proces aan te spannen, niet om verwikkeld te raken in een politieonderzoek dat haar niet aanging. De telefoon ging en zij nam op, blij met de afleiding.

‘Zou je even bij me binnen kunnen wippen?’ zei Jónas cryptisch. ‘Er heeft zich iets onverwachts voorgedaan dat verband zou kunnen houden met die geesten.’

‘Wat dan?’ vroeg Thóra, nieuwsgierig.

‘Dat vertel ik je wel wanneer je hier bent, maar ik denk dat Birna, de architect, dood is en dat…’

‘Ik ben over tien minuten bij je,’ viel Thóra hem in de rede, en ze verbrak de verbinding.

Kijk eens aan. Ze keek van de telefoon naar de agenda. In zekere zin was het een opluchting: ze had de agenda in elk geval niet van een levend iemand gestolen. Ze opende het boekje met haar mouw en sloeg met de zijkant van haar duim de bladzijden om. Het was in elk geval een ongewone agenda. In plaats van enkele aantekeningen te bevatten, was elke bladzijde volgeschreven met een klein, compact handschrift, bijna als een soort dagboek. Verder zag ze een heleboel schetsen van huizen, gebouwen en ontwerpdetails. Sommige schetsen leken ruwe krabbels die regelrecht aan Birna’s fantasie waren ontsproten, andere zagen er meer uit als echte projecten. Aan één pagina per dag had Birna blijkbaar niet genoeg gehad, want de pagina’s stonden tot ver in september — pas over drie maanden — al helemaal vol.

Thóra bekeek de laatste notities, in de hoop iets tegen te komen in de trant van ‘Op het strand X tegengekomen, moet voorzichtig zijn’, maar helaas. Op de laatste twee bladzijden stond: ‘Bergur jarig — niet vergeten. Geld overmaken voor april’ en een grote hoeveelheid namen van bedrijven die Thóra niet kende. Naast elke naam stond een telefoonnummer met afmetingen in millimeters gevolgd door prijzen in krónur. Aan het eind van elke regel stond een reeks verschillende afkortingen die haar niets zeiden: ‘B., W., R., G., S.,’ enzovoort. Boven aan de pagina had Birna ‘Materiaalbedekking’ geschreven, met een streep eronder. Kennelijk had ze informatie verzameld over verschillende soorten materiaalbedekking. Een kruisje voor de regel gaf een van de laagste prijzen aan. Aangezien de bedekking niet in verband kon worden gebracht met de dood van de vrouw, bladerde een nogal teleurgestelde Thóra terug naar de voorgaande pagina’s. Hier vond ze, voor zover zij dat kon beoordelen, een plattegrond van het terrein rond het hotel en de locatie van het nieuwe gebouw. De belangrijkste maten en afstanden stonden erbij geschreven en een sierlijke pijl wees naar het noorden. Rond de tekening stonden opmerkingen van Birna, voornamelijk betreffende de helling van het land en de lichtval, maar er was één opmerking die Thóra’s aandacht trok: ‘Wat is er mis met deze plek??? Oude tekeningen???’ Thóra begreep er niets van.

Hoewel ze de agenda het liefst van voor naar achter had willen doornemen, moest ze nu naar Jónas. Hij wist dat ze niets beters te doen had, dus het zou niet meevallen hem uit te leggen waarom ze te laat was. Toch bladerde ze net zo lang terug tot ze een andere, soortgelijke tekening vond. Deze toonde het grondplan van een huis, twee aangrenzende en in kamers verdeelde rechthoeken. In beide rechthoeken stond op dezelfde plek een trap aangegeven, dus ging het waarschijnlijk om een huis van twee verdiepingen. De kamers waren duidelijk benoemd: twee woonkamers, keuken, studeerkamer, slaapkamer, toilet enzovoort. In de kantlijnen stonden allerlei opmerkingen, zoals: ‘Gebouwd in 1920? Optrekkend vocht in zw-muur. Fundering?’ Verder had Birna een vraag genoteerd die haar kennelijk nogal dwarszat, want ze had er een dubbel gearceerd hokje omheen getekend: ‘Wie was Kristín?’ Thora keek naar het grondplan. In een van de kamers op de bovenverdieping stond ‘Slaapkamer’, net als in de andere twee, maar eronder stond in kleine lettertjes geschreven: ‘Kristín?’ Thóra bestudeerde de twee bladzijden zorgvuldig, op zoek naar een aanwijzing dat de tekening van een van de huizen in de omgeving was, en zag dat boven aan de linkerpagina ‘Kreppa’ stond, de naam van een van de boerderijen. Ze klapte de agenda dicht en stopte hem in haar koffer. Ze nam aan dat de schoonmakers daar niet in zouden gaan rommelen.

Jónas leek zich zorgen te maken en was niet zijn gebruikelijke hartelijke zelf. Hij bood Thóra een van de twee ongemakkelijke stoelen voor zijn bureau aan en liet zich vervolgens in de leren stoel erachter ploffen. Tot Thóra’s grote opluchting werd haar geen kruidenthee aangeboden.

‘Wat kwam de politie hier doen, Jónas?’ vroeg Thóra, om het ijs te breken.

Jónas kreunde. ‘Weet dan echt iedereen dat ze hier waren?’

‘Tja, ik kan niet voor iedereen spreken, maar afgezien van mij zijn er nog veel meer mensen die het weten. De meeste mensen herkennen een politieman wel als ze er een zien,’ antwoordde Thóra. ‘Wat kwamen ze doen?’

Jónas kreunde opnieuw, iets harder nu. Hij trok een stalen armband met een grote bruine steen onder zijn mouw vandaan en wreef er afwezig over. ‘Ze hebben een lichaam gevonden op het strand. Het is het lichaam van een vrouw en ze vermoeden dat het Birna is, de architect over wie ik je heb verteld.’ Hij wreef nog steeds langzaam over de armband en sloot zijn ogen.

‘O,’ zei Thóra. ‘Hebben ze iets over de doodsoorzaak gezegd? Er kunnen zoveel redenen zijn waarom mensen dood op een strand worden aangetroffen. In de meeste gevallen is het zelfmoord.’

‘Ik denk niet dat ze zelfmoord heeft gepleegd,’ zei Jónas somber. ‘Daar was ze het type niet voor.’

Thóra wees hem er maar niet op dat er geen bepaald type bestond dat zichzelf van het leven beroofde. ‘Wat zei de politie? Dat is het belangrijkste. Ik neem aan dat ze de plek hebben bekeken waar ze is gevonden?’

Jónas wist zijn aandacht van de armband los te rukken en keek Thóra aan. ‘Ze hebben niets specifieks gezegd. Het zat hem meer in hoe ze deden en wat ze níét zeiden.’ Hij keek weer naar zijn pols. ‘Als ze bijvoorbeeld was verdronken, of op een rots was gevallen, iets wat op een ongeluk zou wijzen, dan hadden ze mij vast en zeker naar haar doen en laten gevraagd. Je kent dat wel — maakte ze vaak lange wandeltochten? Deed ze aan kajakken? Zwom ze in zee? Maar ze vroegen helemaal niets. Het enige wat ze wilden weten, was of we hier iets misten en of ik haar herkende van de ruwe beschrijving die ze van haar gaven.’ Opeens keek Jónas Thóra strak aan. ‘Nu ik erover nadenk, was het eigenlijk wel heel erg vreemd dat ze helemaal niets over haar gelaatstrekken zeiden. Denk je dat het hoofd er niet meer was?’ Voordat Thóra iets kon zeggen, corrigeerde hij zichzelf: ‘Nee, natuurlijk niet, ze beschreven de kleur van haar haren.’ Zijn ogen werden groot. ‘Zou het kunnen zijn dat de moordenaar haar hoofd heeft afgehakt, het heeft gescalpeerd en het haar op het lichaam heeft gelegd?’

Thóra maakte een eind aan zijn giswerk. ‘Volgens mij gaat je fantasie nu met je op de loop. Maar ik ben het wel met je eens dat het klinkt alsof ze vermoeden dat er meer aan de hand is dan een ongeluk.’ Toen vroeg ze op nonchalante toon: ‘Heeft de politie haar kamer al doorzocht?’

‘Eentje heeft er even rondgekeken. De andere bleef samen met mij op de gang staan wachten. Hij is maar een paar minuten binnen geweest. Toen hij weer naar buiten kwam, schudde hij alleen maar zijn hoofd.’

‘Dus hij zei niet dat er iemand binnen was geweest die er niets te zoeken had en hij vroeg ook niet wie er een sleutel had?’ Thóra kreeg een lichte kleur.

‘Nee, daar zeiden ze niets over. Ze hebben wel ten strengste verboden om er nog naar binnen te gaan voordat de opsporingsdienst ermee klaar is. En daarna wilden ze haar auto zien. Ze hadden de sleutel bij zich, in een klein zakje.’

Thóra knikte bedachtzaam. Er bestond dus geen enkele twijfel over de identiteit van de dode vrouw. ‘Hoe bestaat het.’ Terwijl ze naar Jónas keek, moest ze de neiging onderdrukken hem te vragen op te houden met dat gefriemel aan die stomme armband. Het ding had vast iets te maken met alternatieve geneeswijzen, met energievelden of zoiets. ‘Was er iemand die Birna dood wenste? Zat ze op de een of andere manier in de problemen?’

Jónas schudde langzaam zijn hoofd. ‘Nee, ze was heel normaal.’ Thóra had geen idee wat hij als normaal beschouwde, maar nam aan dat zijn criteria verschilden van de hare. ‘Een geweldig mens en een briljant architect.’ Jónas glimlachte verlegen. ‘In wezen was ze een echte Steenbok, consequent en toegewijd. Maar aardig. Echt een aardig iemand.’

‘Waren er geen mensen die een hekel aan haar hadden?’ vroeg Thóra. ‘Kun je niemand bedenken met wie ze ruzie kan hebben gekregen, iets wat uit de hand kan zijn gelopen?’

Jónas schoof zijn armband weer onder zijn mouw en schonk Thóra zijn onverdeelde aandacht. ‘Luister, ik zat me eigenlijk af te vragen of het niet iets met de geest te maken kan hebben.’

Thóra wist een glimlach te onderdrukken. ‘Wil je suggereren dat ze door een geest is vermoord?’

Jónas haalde zijn schouders op en wuifde toen met zijn handen. ‘Weet ik veel? Het lijkt alleen wel erg toevallig. Het spookt hier. Birna wordt dood gevonden op het strand. Zij was bezig veranderingen aan te brengen in de bebouwing. Geesten houden hun omgeving graag het liefst zoals zij hem achter hebben gelaten. Ze verzetten zich uit alle macht tegen elke vorm van verstoring. Ik weet niet wat ik anders moet denken.’

Thóra, die niet geïnteresseerd was in het paranormale, wist niet veel over het gedrag van geesten. ‘Jónas, volgens mij kunnen we de mogelijkheid wel uitsluiten dat dit het werk is geweest van een geest.’

‘Denk je heus?’ vroeg de hotelier. ‘Birna was erg nieuwsgierig naar de geschiedenis van dit gebied. Ze vond dat ze daar eerst meer over te weten moest komen, omdat het anders moeilijk voor haar was om de plek goed aan te voelen. We kunnen dus niet uitsluiten dat ze de geest van een overleden bewoner boos heeft gemaakt en dat dit haar het leven heeft gekost. Indirect misschien.’ Toen hij zag dat Thóra hem met open mond zat aan te kijken, vervolgde hij: ‘Er is misschien geen direct verband, maar op dit moment is de situatie als volgt: het spookt op deze plek en de verkopers hebben dat feit verzwegen. Een vrouw is op tragische wijze om het leven gekomen — wellicht door iets wat verband houdt met die geest. Dat zal moeilijk te weerleggen zijn, omdat je dan altijd kunt stellen dat de moordenaar gedreven werd door krachten van gene zijde. Kun je me nog volgen?’

Thóra kon alleen maar ontkennend haar hoofd schudden.

‘Je snapt toch wel wat ik bedoel? Je vertelt de verkopers dat hier een vrouw is omgekomen en dat er geruchten gaan dat een geest daarin een belangrijke rol heeft gespeeld. De hele kwestie komt voor de rechter. Ik heb het idee dat die mensen niet graag in verband zullen worden gebracht met een moordenaar, ook al is het zijdelings. Zou jij graag getuige willen zijn in een moordzaak waarin de verdediging heeft gesuggereerd dat jij informatie hebt achtergehouden die tot zo’n gruweldaad heeft geleid?’ Jónas schudde veelbetekenend zijn hoofd. ‘Nee, daar zou je niet blij mee zijn. En datzelfde geldt voor hen. Het zou ze er wel eens toe kunnen bewegen over schadevergoeding te onderhandelen.’

Thóra viel hem in de rede. ‘Wat zou het uitmaken als je schadevergoeding krijgt? Dan zit je nog steeds vast aan het hotel. Ik neem aan dat je in dit stadium het contract niet wilt verbreken. Als je die geest echt serieus neemt, betwijfel ik of je hem kunt omkopen om te vertrekken.’

Jónas glimlachte. ‘Natuurlijk kan ik dat niet. Maar ik stel me zo voor dat ik de salarissen van mijn personeel zal moeten verhogen om te voorkomen dat ze allemaal ontslag nemen. Het zijn spirituele mensen die heel gevoelig zijn voor bovennatuurlijke zaken. Sommigen hebben er al voorzichtig op gezinspeeld dat ze weg willen. Mijn hele bedrijfsplan zou in het honderd lopen en de bescheiden winst waarop ik had gehoopt zou ik wellicht ook kunnen vergeten. Gasten in dit soort oorden zijn ook heel gevoelig. Ze zijn niet op zoek naar het gezelschap van wezens van gene zijde, vooral niet als de kans bestaat dat het ze het leven kan kosten.’

Thóra had even tijd nodig om alles te laten bezinken. Ze voelde er niets voor om mensen te dwingen tot afspraken te komen door te dreigen hun naam in verband te brengen met een moord, maar Jónas’ beweringen over zijn personeel vormden een concreet argument. ‘Laat me er even over nadenken.’ Ze maakte aanstalten om op te staan, maar bleef toch zitten. ‘Weet je, je moet me nog steeds over die geest vertellen. Hoe manifesteert hij zich precies?’

Jónas zuchtte. ‘Jeetje, ik weet amper waar ik moet beginnen.’

‘Bij het begin misschien,’ suggereerde Thóra, lichtelijk geïrriteerd.

‘Ja, dat is waarschijnlijk het beste,’ antwoordde Jónas, zonder aandacht te schenken aan Thóra’s ergernis. ‘Zoals ik je al heb verteld, zijn de meeste mensen die hier werken gevoeliger dan gewone mensen.’

Thóra knikte.

‘Zij begonnen een onaangename aanwezigheid te voelen. Als ik het me goed herinner, was het een auralezer — Eiríkur, heet hij — die er het eerste over begon. Vervolgens begonnen ook de anderen zich er langzaam maar zeker van bewust te worden. Eigenlijk was ik zelf de laatste. Eerst dacht ik dat ze het zich maar inbeeldden.’ Jónas keek Thóra ernstig aan. ‘Het is bijna onmogelijk het aan iemand uit te leggen die zulke dingen niet kan voelen, maar ik kan je verzekeren dat het geen prettig gevoel is. Het lijkt misschien nog het meest op wanneer je het gevoel hebt dat je in de gaten wordt gehouden. Alsof iemand vanuit een donker hoekje naar je zit te kijken. Zo heb ik het althans ervaren.’

Zijn verhaal sterkte Thóra alleen maar in haar overtuiging dat dit een geval was van massahysterie. Eén persoon was begonnen met een vaag verhaal en de rest was daarin meegegaan, net zolang tot wat zij zich hadden ingebeeld een feit was geworden. ‘Jónas,’ zei ze resoluut, ‘je zult echt met een beter verhaal moeten komen dan dit. Ik kan hier helemaal niets mee — ik kan de verkopers van deze grond niet onder ogen komen en herhalen wat jij me zojuist hebt verteld. We hebben iets tastbaars nodig. Het is niet voldoende dat jij beweert dat er af en toe een rilling over je rug loopt.’

Jónas keek geschokt. ‘Maar het is zoveel meer dan dat. Een rilling kun je negeren; dit gevoel is er voortdurend. Benauwend is misschien het beste woord om het te omschrijven. We hebben bijna allemaal midden in de nacht iemand horen huilen, een kindje. En ik heb een levensechte geest gezien. Meer dan eens, trouwens. Maar de laatste tijd is de aanwezigheid steeds intenser geworden.’ Opeens had zijn stem een opschepperige klank gekregen.

‘En waar heb je die geest gezien?’ vroeg Thóra sceptisch.

‘Voornamelijk buiten. Hierbuiten.’ Jónas gebaarde zonder om te kijken naar het raam achter hem. ‘Ik kan niet exact aangeven waar de geest zich bevond; ik heb hem alleen in de mist gezien. Sommige geesten verschijnen in bepaalde weersomstandigheden en deze komt wanneer het mistig is.’

‘Dus je kunt hem ook niet gedetailleerd beschrijven?’ vroeg Thóra.

‘Nee, niet echt. Ik weet alleen dat het een meisje of een vrouw is. Het wezen was veel te tenger om een man te kunnen zijn.’ Jónas leunde achterover in zijn stoel. ‘Ik heb de geest ook in mijn spiegel zien verschijnen. Het was zonder enige twijfel een meisje. Het gebeurde heel snel, maar dat neemt niet weg dat…’

‘Je zei dat je het meisje herkende van een foto die je had gevonden. Het gebeurde toch zeker niet zo snel dat je niet meer weet hoe ze eruitzag?’

‘Tja, ik weet niet hoe ik het moet uitleggen. Ik stond mijn tanden te poetsen toen ik geritsel hoorde. Toen ik opkeek, in de spiegel, zag ik het wezen langs de deur schieten. Kennelijk slaagde mijn onderbewustzijn erin het gezicht te zien, hoewel ik het niet kan beschrijven, maar ik herkende het van een van de foto’s.’ Jónas trok een bureaulade open en begon erin te rommelen. ‘Ik kon de foto daarna niet eens meer vasthouden. Ik heb hem teruggegooid in de doos en hem dichtgedaan. Jou zal het geen moeite kosten de foto te bekijken, maar zelf kan ik het gewoon niet.’

‘Ik denk niet dat het op mij veel effect zal hebben,’ zei Thóra met een geruststellend glimlachje. ‘Ik zou het hier graag met een paar van je stafleden over hebben. Met die auralezer, Eiríkur, bijvoorbeeld.’

‘Geen probleem. Op het ogenblik is hij er niet, maar ik denk dat hij morgen wel weer terug is.’ Eindelijk vond Jónas waar hij in zijn lade naar op zoek was geweest. Hij overhandigde Thóra een zware sleutel aan een grote, metalen ring. ‘Dit is de sleutel van de oude kelder. Daar staan de dozen waarover ik je heb verteld. Ga maar kijken — er liggen daar een paar interessante dingen die de aanwezigheid van geesten misschien kunnen verklaren.’

Thóra pakte de sleutel aan. ‘Als ik het me goed herinner, heette de oude boerderij Kreppa, nietwaar?’ vroeg ze onschuldig.

Jónas keek verrast op. ‘Ja, dat klopt. Oorspronkelijk stonden hier twee boerderijen, die op een gegeven moment zijn samengevoegd. De ene heette Kreppa, de andere Kirkjustétt.’ Hij haalde achteloos zijn schouders op. ‘Birna heeft veel tijd doorgebracht op de plek waar de nieuwbouw is gepland.’

‘Echt waar? Waarom?’ vroeg Thóra, zo mogelijk nog nieuwsgieriger. ‘Staat de oude boerderij er dan nog?’

‘Ja, die staat er nog. Oorspronkelijk was het plan de boerderij te renoveren, zoals we dat hier ook hebben gedaan, maar daar was Birna tegen. Zij vond dat de twee gebouwen te ver bij elkaar vandaan stonden en dat de boerderij te vervallen was. Je kunt er morgen wel een kijkje nemen als je wilt. De sleutels liggen onder een steen bij de voordeur. Het is best interessant om binnen te kijken, want de boerderij is nog helemaal ingericht in de oude stijl.’

‘Hoe kan dat?’ vroeg Thóra. ‘Toen de koop werd gesloten waren er geen pachters op het land.’

‘Ik heb geen idee,’ antwoordde Jónas. ‘Misschien is een deel van die oude spullen inmiddels wel weggehaald, want de zus… eh…’ Jónas pijnigde zijn hersenen om op de naam van de vrouw te komen. Hij draaide met een wijsvinger rondjes in de lucht terwijl hij erover nadacht.

‘Je bedoelt Elín Thórdardóttir? Degene die je het land heeft verkocht?’ opperde Thóra.

‘Precies, die bedoel ik,’ zei Jónas. Zijn vinger stopte midden in een draai. ‘Elín, de zus! Die belde me een paar maanden geleden om te vertellen dat ze eindelijk een begin gingen maken met het weghalen van die spullen. Ik was op dat moment in de stad, dus ik heb haar niet zelf gesproken; ik kreeg de boodschap via Vigdís van de receptie. Kort daarna kwam haar dochter langs en Vigdís heeft haar verteld waar ze de sleutel kon vinden. Het was misschien maar goed ook dat ik ze geen van beiden heb ontmoet, want dan had ik nog een appeltje met ze te schillen gehad over de geest.’

Thóra had het helemaal gehad met dat gepraat over geesten. ‘Wanneer bleek dat ze die dozen met rommel wilden hebben?’ vroeg ze. ‘Ik kan me niet herinneren dat het in de koopakte is genoemd.’

‘O, dat is mondeling gegaan,’ zei Jónas. ‘Zij hebben het er met mij over gehad en toen heb ik gezegd dat ze het allemaal konden komen halen wanneer ze wilden.’ Toen voegde hij er een beetje gewichtig aan toe: ‘Ik heb er wel bij gezegd dat ze er beter niet te lang mee konden wachten, voor het geval ik het huis wilde gaan gebruiken of slopen.’

Thóra knikte. ‘Misschien ga ik er nog wel even kijken, nu ik hier toch ben. Misschien loop ik Elín of haar broer nog wel tegen het lijf, wie weet.’ Ze keek op haar horloge. ‘Ik denk dat ik maar liever tot morgen wacht met het bekijken van die dozen. Het is al veel te laat.’

Jónas gaf haar groot gelijk. ‘Het zijn ook geen dingen die je wilt bekijken vlak voordat je naar bed gaat, dat kan ik je wel vertellen.’ Hij grijnsde ondeugend. ‘Of je nu in geesten gelooft of niet.’

Thóra had niet eerder in zo’n lekker bed gelegen. Ze rekte zich geeuwend uit, vastbesloten om eens heerlijk van haar nachtrust te gaan genieten. Het dikke donzen kussen vormde een perfecte ondersteuning voor haar nek en ze nam zich voor Jónas eens te vragen waar hij zijn beddengoed kocht. Ze strekte haar arm uit naar de afstandsbediening op het nachtkastje en zette de televisie uit. Op het moment dat ze haar ogen sloot voelde ze de slaap over zich heen komen en al snel werd haar ademhaling regelmatig en gleed ze weg in een droom. Ze verroerde zich zelfs niet toen het zachte huilen van een klein kind door het open raam naar binnen dreef.

6

Zaterdag, 10 juni 2006

Er waren maar weinig dingen waaraan Gauti een grotere hekel had dan aan het verrichten van een autopsie op een zaterdagochtend, en dan vooral als hij die de avond ervoor al had moeten voorbereiden. Er waren duizenden betere manieren om een vrijdagavond door te brengen dan stinkend naar ontsmettingsmiddelen in gezelschap van de overledene in de kelders van het Universitair Ziekenhuis. Je hoorde in een bar te zitten, omringd door lichtzinnige vrouwen in een dichte wolk van sigarettenrook. Gauti vroeg zich af of hij misschien toch maar een nieuwe baan moest gaan zoeken, zoals hij al eeuwen dreigde te doen. Het leek erop dat tegenwoordig iedereen goedbetaald werk kon vinden. Hij wist niet of de banksector erg onder de indruk zou zijn van zijn vijf jaar ervaring als autopsieassistent, maar al zijn vrienden leken daar inmiddels werk te hebben gevonden. Hij probeerde zichzelf voor te stellen in een net pak achter een bureau, als een accountmanager die bezig is de financiële situatie van zijn cliënten te analyseren om ze vervolgens adviezen te geven waardoor ze nog dieper in de schulden zouden belanden. Misschien had het gezelschap van de doden uiteindelijk toch wel wat meer afwisseling te bieden.

Hij bekeek het plateau om te controleren of alle instrumenten op hun plek lagen en wierp een blik op het lichaam, dat onder een wit laken lag. Het enige wat nu nog ontbrak was de patholoog. Gauti keek naar de klok aan de muur achter hem. De dokter was laat. Hrannar Pétursson. Hij zuchtte. Alsof het allemaal nog niet erg genoeg was. Pétursson was irritant en arrogant en nog onprofessioneel op de koop toe. Over het algemeen deed zijn nonchalante techniek er weinig toe, maar soms moest Gauti hem op vergissingen wijzen die zo overduidelijk waren dat ze zelfs hém opvielen. Hrannar had er de pest aan wanneer Gauti hem op fouten wees, maar daar liet Gauti zich niet door weerhouden, want hij vond het wel grappig om de arts op stang te jagen.

Op dat moment ging de deur naar de autopsieruimte open en kwam Hrannar met zijn neus in de lucht binnenlopen. Hij werd vergezeld door een medische student die Gauti herkende, ook al kon hij niet op zijn naam komen. Hij hing al een paar weken op de afdeling rond, maar had voor zover Gauti wist nog geen enkele autopsie bijgewoond.

‘Goedemorgen,’ schalde de stem van Hrannar, en hij wapperde met zijn hand in de richting van zijn metgezel. ‘Dit is Sigurgeir, een vijfdejaars geneeskundestudent die ik toestemming heb gegeven om toe te kijken. Het komt niet vaak voor dat we een lichaam als dit krijgen om te bestuderen.’

Gauti knikte naar Sigurgeir, die opgewonden lachte, en trok het laken van het lichaam van de vrouw weg. Hij keek hoe de student reageerde — de jongen kon zijn walging nauwelijks verbergen.

Zich van geen kwaad bewust, boog Hrannar zich zo ver over het hoofd van de dode vrouw heen dat zijn neus haar bijna raakte. Toen richtte hij zich op, pakte een dictafoon en begon erin te praten. ‘Voor mij ligt een nog niet geïdentificeerde vrouw die dood is aangetroffen op het strand van Snaefellsnes. De gelaatstrekken zijn onherkenbaar ten gevolge van zware verwondingen en wat lijkt op postmortale dierlijke predatie…’

‘Papa is helemaal niet leuk. Hij slaapt. En Gylfi ook. Ik wil bij jou zijn.’

Thóra wreef de slaap uit haar ogen en kwam half overeind in bed. Ze had haar mobieltje van het nachtkastje gegrist en opgenomen voordat ze goed en wel wakker was, waarna ze haar keel schraapte en haar dochter te woord stond. Ze herinnerde zich vaag een droom over geesten en huilende baby’s, maar hij ontglipte haar voordat ze zich alles kon herinneren. ‘Hallo, Sóley. Ben jij al wakker?’ Toen ze op de klok keek, zag ze dat het een paar minuten voor acht was. ‘Oef, het is nog heel vroeg. Het is vandaag zaterdag. Je vader en Gylfi willen gewoon een beetje uitslapen zodat ze straks meer plezier kunnen maken.’

‘Pff.’ Het hoge, heldere stemmetje van haar dochter klonk verwijtend. ‘Ze zijn toch niet leuk. Ik wil het liefst bij jou zijn. Jij bent wél leuk.’ De ontvangst was verschrikkelijk en Sóley klonk alsof ze onder in een ton zat te praten.

Geniet er maar van zolang het duurt, dacht Thóra, die van het opvoeden van Gylfi had geleerd dat deze onvoorwaardelijke adoratie niet eeuwig zou duren. Sóley was nog maar zes en hoewel ze binnenkort zeven werd, had Thóra nog wel een paar jaren in het vooruitzicht waarin zij de belangrijkste persoon in haar leventje zou zijn.

‘Ik kom morgenavond weer thuis. Dan gaan we iets leuks doen. Als je wilt kan ik wel wat schelpen voor je meebrengen van het strand.’

‘Strand! Is er dan een strand waar jij bent?’ Sóley slaakte een diepe zucht. ‘Waarom kan ik niet bij jou zijn? Ik heb juist zo’n zin om naar het strand te gaan.’

Thóra kon zichzelf wel voor haar kop slaan dat ze over het strand was begonnen. Aangezien zij aan de kust woonden, was het simpelweg niet bij haar opgekomen dat een strand de belangstelling van het meisje zou wekken. ‘O, liefje, je wist toch dat je dit weekend bij je papa zou zijn? Misschien kunnen we hier later deze zomer nog samen een keer naartoe gaan.’

‘Met de caravan?’ vroeg Sóley opgewonden.

Thóra onderdrukte een zacht gekreun. ‘Misschien. We zullen wel zien.’ Als er iets was waar ze een hekel aan had, dan was het wel om met dat ding achter de auto te moeten rijden en bovendien kon ze er nog steeds niet mee achteruitrijden. De paar uitstapjes die ze met de caravan hadden gemaakt waren zorgvuldig gepland geweest, zodat Thóra niet één keer achteruit had hoeven rijden. ‘Ga de televisie maar aanzetten — de tekenfilms zijn al begonnen. Papa en Gylfi komen straks ook hun bed uit. Oké?’

‘Oké,’ mompelde Sóley boos. ‘Dag,’ voegde ze eraan toe.

‘Dag, hoor. Ik mis je,’ zei Thóra en ze hing op.

Ze bleef nog even naar de telefoon liggen staren en vroeg zich af hoe het zover had kunnen komen. Haar huwelijk was al vrij snel stukgelopen en zij had zichzelf nooit de tijd gegund daarmee in het reine te komen. Elf jaar lang hadden ze het prima met elkaar kunnen vinden; toen was het opeens snel bergafwaarts gegaan. Anderhalf jaar later waren zij en Hannes gescheiden. Het heen en weer sjouwen met de kinderen tussen haar huis en het zijne knaagde wel aan haar geweten, maar daar was nu eenmaal niets aan te doen, want ze wilde Hannes niet meer terug, al was hij wereldkampioen achteruitrijden met caravans geweest. Ze stond op, schudde deze deprimerende gedachten van zich af en stapte onder de douche. Vervolgens trok ze een spijkerbroek, hardloopschoenen en een sweater met capuchon aan en had het idee dat ze helemaal voorbereid was om rond te gaan sjouwen door een stoffige kelder. In de grote spiegel zag ze dat ze alleen nog maar een bivakmuts nodig had om voor een bankrover te kunnen doorgaan.

In de eetzaal wachtte haar een uitgebreid buffet. Normaal gesproken was Thóra niet van het uitgebreid ontbijten, maar het eten stond zo smaakvol uitgestald en zag er zo verleidelijk uit dat ze zich gewonnen gaf en een groot bord vollaadde met gepocheerde eieren, bacon en toast. Voor de vorm gooide ze er ook nog wat fruit bij, maar zodra ze was gaan zitten liet ze de gedachte aan gezond eten weer varen. De helft van de tafels in de eetzaal was bezet. Thóra was benieuwd naar wat voor soort mensen er verbleven in een hotel als dit, dat buitengewoon duur was, maar gebaseerd op een hippieachtige filosofie. Ze zag geen gemeenschappelijke kenmerken tussen de gasten die — hoewel ze van alle leeftijden en verschillende nationaliteiten leken te zijn — voornamelijk IJslanders waren.

Aan drie tafels zaten gasten die net als Thóra alleen waren: twee mannen, een oude en een jonge, en een vrouw van middelbare leeftijd. Thóra dacht dat zij IJslanders waren. De oudere man leek hier op de een of andere ondefinieerbare manier niet op zijn plaats. Thóra vermoedde dat hij advocaat was, of accountant. De vrouw leek ook een beetje uit haar doen en zat in somber stilzwijgen strak naar haar koffiekopje te staren. Op haar bord lag een berg eten dat onaangeroerd leek. De vrouw was zo’n toonbeeld van ellende dat Thóra onwillekeurig met haar te doen had. De jongeman daarentegen leek hier helemaal op zijn plaats te zijn en Thóra liet haar blik even op hem rusten. Het hielp dat hij buitengewoon aantrekkelijk was — donker haar, gebruind en goed gespierd, maar geen aan steroïden verslaafde bodybuilder. Thóra glimlachte wrang, maar haar gezicht bevroor toen de man in haar richting keek en terug lachte. Gegeneerd dronk zij haar koffie op en stond op. De jongeman deed hetzelfde. Een van zijn benen zat in het verband en hij pakte een kruk van de stoel naast hem. Vervolgens hobbelde hij achter haar aan naar de uitgang.

‘Kom jij uit IJsland?’ hoorde Thóra hem achter zich vragen.

Toen zij zich omdraaide, zag ze dat hij van dichtbij bepaald niet tegenviel. ‘Ik? Jazeker,’ zei ze, en ze wilde maar dat ze zich niet had gekleed als een inbreker. ‘En jij?’ vroeg ze.

Hij keek haar glimlachend aan en stak haar zijn hand toe. ‘Nee, ik ben een Chinese IJslandofiel. Teitur is mijn naam.’

‘Thóra.’ Ze pakte zijn uitgestoken hand.

‘Je bent hier vast nog maar net,’ zei hij, waarbij hij haar recht in de ogen keek. ‘Ik weet zeker dat ik je nog niet eerder heb gezien.’

Daar gaan we dan, dacht Thóra bij zichzelf, maar ze bleef hem onverstoorbaar aankijken. ‘Ik ben gisteren aangekomen. En jij? Ben jij hier al lang?’

De jongeman liet zijn schitterende tanden nog eens zien. ‘Een week.’

‘En, bevalt het?’ vroeg Thóra stompzinnig. Over het algemeen was ze bijzonder onhandig in de omgang met het andere geslacht zodra er ook maar een heel klein beetje sprake was van flirten.

Hij keek geamuseerd. ‘O, ja. Prima. Ik probeer hier zaken met plezier te combineren en dat lukt heel aardig. Afgezien hiervan.’ Op zijn kruk steunend, tilde hij zijn verbonden been op.

‘O,’ zei Thóra. ‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik ben van een paard gevallen, stom genoeg,’ zei hij. ‘Ik kan hier alles aanbevelen, behalve het paardrijden. Ik ben er niet echt afgevallen: het paard schrok en heeft me afgeworpen. Ik heb mijn enkel verstuikt, maar ik mag van geluk spreken dat er iemand was die het zag en erin slaagde me weg te trekken voordat er ergere dingen gebeurden. Dus huur vooral geen paard.’

Thóra grinnikte. ‘Maak je geen zorgen. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat ik dat zou willen doen.’ Thóra klom nog liever op een hondenslee dan op een paard. ‘Zei je dat je hier werkte? Wat voor werk doe je dan?’ vroeg ze nieuwsgierig. Het leek haar niet waarschijnlijk dat er veel soorten werk waren die je hier kon doen, tenzij de man schrijver was.

‘Ik ben effectenmakelaar. Een baan met behoorlijk wat stress, maar met het voordeel dat ik mijn werk bijna overal kan doen — het enige wat ik nodig heb is een computer en een internetaansluiting. En jij? Wat doe jij?’

‘Ik ben advocaat,’ zei Thóra, hevig knikkend, alsof hij haar misschien niet zou geloven. God, wat was ze soms toch een treurig type, dacht ze.

‘O, oké,’ zei Teitur. ‘Hé, zal ik je hier een beetje rondleiden? Ik ken het hier na een week als mijn broekzak.’

Thóra keek hem glimlachend aan. Ze kon zich niet voorstellen dat hij in één week een kenner van de omgeving was geworden. Vooral niet op één been. ‘Wie weet. We zullen zien.’

‘Ik heb alle tijd,’ grijnsde Teitur. ‘Je geeft maar een gil.’

Thóra bedankte hem en nam afscheid. Dat klonk niet slecht, hier een beetje in de buurt rondwandelen met een knappe man, in plaats van rondkruipen in een stoffige kelder en oude foto’s bekijken. Ook al was hij niet goed ter been… Nou, wie weet.

De meeste inwendige organen van de overledene lagen inmiddels in ijzeren schalen. In één ervan lagen de hersenen, de longen lagen in een grotere, de lever in een derde enzovoort. Dit gruwelijke buffet was iets waarmee Gauti al lang geen moeite meer had, maar hij moest wel enkele jaren terug om zich een lichaam te herinneren dat er slechter aan toe was geweest dan dit. Hij hoopte dat de vrouw snel was gestorven of lang voor het einde bewusteloos was geraakt.

Hrannar liep naar de wasbak en trok zijn handschoenen uit. ‘Goed. Deze vrouw is op beestachtige wijze verkracht, maar herhaalde slagen tegen de voorkant van het hoofd vormen de doodsoorzaak. Als gevolg hiervan en van postmortale verminking door dieren, waarschijnlijk aaseters, zijn de gelaatstrekken onherkenbaar geworden. Het is niet meer vast te stellen of de vrouw gedurende de verkrachting bij bewustzijn was, maar het lichaam vertoont geen zichtbare verwondingen die erop wijzen dat zij zich zou hebben verzet. Het lijkt dus waarschijnlijk dat zij reeds voor de verkrachting schedelletsel heeft opgelopen, maar dat zij dood was toen het was afgelopen. Het is zelfs mogelijk dat de overledene gedurende de verkrachting is geslagen.

In de vagina was sperma, waarschijnlijk van de aanvaller, aanwezig en een analyse daarvan kan, samen met de haren die zijn verzameld door het kammen van haar schaamstreek, tot identificatie van de dader leiden. Dit lijkt de enige waarschijnlijke methode voor identificatie. Bovendien geeft de uitzonderlijke hoeveelheid sperma aanleiding tot onderzoek naar de mogelijkheid van meer dan één dader.’ Hij richtte zijn woorden tot de geneeskundestudent, die naast Gauti stond en er bleek en slapjes uitzag. ‘De spelden moeten zorgvuldig worden beschreven in het autopsieverslag. Het komt niet dagelijks voor dat er een lichaam wordt gevonden met zulke dingen in de voetzolen. Ik vermoed dat de moordenaar een bepaalde betekenis hechtte aan het aanbrengen ervan. De meest voor de hand liggende conclusie is dat hij ernstig gestoord of sadistisch is. Ik kan hier althans geen enkele logische verklaring voor verzinnen.’ Hij wees op de tien bebloede spelden die hij uit de voetzolen van de vrouw had verwijderd en in een doorzichtig plastic potje had gedaan.

Hij trok zijn met bloed besmeurde operatiejas uit en streek met zijn hand door zijn haar. ‘Zorg ervoor dat alles zorgvuldig wordt gelabeld en breng het weg voor onmiddellijke analyse. De politie heeft de bevindingen zo snel mogelijk nodig.’ Toen draaide hij zich om en liep weg.

‘Maak je geen zorgen, je went er wel aan,’ zei Gauti tegen de student, terwijl hij hem op de schouder sloeg. Hij liet een bloederige handafdruk achter op de witte plastic overall van de jongen. ‘Je hebt het prima gedaan.’

‘Weerzinwekkend,’ mompelde de student zachtjes bij zichzelf. ‘Hoe heb ik het in mijn hoofd kunnen halen om dit te verkiezen boven een zomerbaantje in de gezondheidskliniek?’

Thóra staarde naar de stapel kisten in de slecht verlichte kelder. Het zwakke lichtschijnsel was afkomstig van een kaal peertje in het midden van de ruimte en een klein raampje dat zo smerig was dat er een bijna bruine gloed doorheen scheen. Een vochtige geur drong in haar neusgaten. Jakkes. Ze had Jónas moeten vragen de kisten naar haar kamer te laten brengen. Om het nog erger te maken, zagen de houten balken die het plafond boven haar moesten steunen er behoorlijk verrot uit. Thóra trok een vies gezicht bij de gedachte aan de insecten die daar ongetwijfeld welig tierden, maar vermande zich en liep naar de laagste stapel. Voor zover zij kon zien, stonden er twaalf grote, oude kisten, maar de manier waarop ze stonden maakten het moeilijk het precieze aantal te bepalen. Voorzichtig tilde ze het deksel van de bovenste kist, een beetje naar achteren leunend voor het geval er opeens iets uit zou springen. Toen er niets gebeurde, gluurde ze behoedzaam naar binnen.

Haar ogen werden groot. Ze had vrijwel alles verwacht. Maar dit niet.

7

Helemaal bovenop lag een opgevouwen nazivlag. Het witte veld rond de zwarte swastika was een beetje vergeeld en de stof voelde ruw aan. Thóra fronste toen ze hem er voorzichtig uit haalde en opzijlegde. Onder de vlag lag een stapel tijdschriften, waarvan de bovenste nog erger verschoten was dan de vlag. Het tijdschrift heette IJsland en onder de titel stond een nazi-embleem. Hier had Jónas niets over gezegd in zijn cryptische relaas over geesten en de duistere geschiedenis van het huis. Thóra pakte het tijdschrift op en zag dat de andere op de stapel hetzelfde waren. Ze waren uitgegeven door de IJslandse Nationalistische Partij. Thóra schudde haar hoofd. Ze wist dat er voor de oorlog een kleine nazibeweging in IJsland was geweest, maar kon zich er niet veel over herinneren. De beweging had dus kennelijk een tijdschrift uitgegeven, hoewel de bladen heel dun waren en er aan de koppen te zien niet veel belangwekkends in stond.

Terwijl ze door de stapel bladerde, kwam ze ook een paar uitgaven tegen van een studentenkrant die Mjölnir heette en waarvan de uitgever, volgens de imprint, de Nationalistische Studenten Vereniging was. Thóra tilde de stapel tijdschriften uit de kist om te zien wat eronder verborgen lag en vond een opgevouwen overhemd, een mouwband met een swastika en iets wat leek op een soldatenriem met een schouderriem eraan. Hoe kon iemand zich met dit soort dingen hebben ingelaten?

Inmiddels was Thóra bij de bodem van de kist aangekomen en zag een koperen voorwerp liggen dat, toen ze het oppakte, opnieuw een swastika bleek te zijn. De onderkant werd gevormd door een soort houder waarvan de functie, zo die er al was, onduidelijk was. Ook lagen er verschillende velletjes papier in met aankondigingen van dansavonden, kampeertochten en bijeenkomsten die de nationalisten blijkbaar hadden georganiseerd, en nog enkele voorwerpen zonder enige politieke betekenis, zoals een oude portefeuille, schoenen en foto’s van mensen die zo te zien geen swastika’s droegen. Op de foto’s kwamen geen kinderen voor, maar ze hadden wel een gemeenschappelijk thema: verzorgd geklede mensen in de bloei van hun leven, op dekens zittend alsof ze aan het picknicken waren of poserend voor de muur van een huis. Hoewel dezelfde muur op meerdere foto’s voorkwam, was er niet voldoende zichtbaar voor Thóra om vast te stellen of hij toebehoorde aan de oude boerderij. Aan de kleding te zien waren de foto’s tijdens en vlak na de oorlog genomen.

Thóra deed haar best om de voorwerpen in de goede volgorde in de kist terug te leggen, ook al leek het erop dat hij in geen tijden open was geweest, zodat er weinig kans was dat degene die hem had ingepakt het verschil zou merken. Het leek haar echter toch beter hem achter te laten zoals ze hem had aangetroffen. In de volgende kist die Thóra bekeek zat niet veel interessants. Hij bevatte hoofdzakelijk fijne, gehaakte tafelkleden, behoorlijk oud, en ook nog een ouderwetse vaas met een bloemenpatroon en gouden versieringen. In de derde kist zat een oud fotoalbum. Thóra’s grootmoeder had een soortgelijk album gehad en ze kreeg opeens een triest gevoel bij de gedachte aan hoe kort het leven was en hoe snel mensen werden vergeten. Het zou nu al niet meevallen om nog iemand te vinden die de mensen in het album herkende. Nog even en het zou helemaal niet meer kunnen. Ze ging op een van de kisten zitten om het album door te bladeren.

Ze tilde het zware dekblad op. Op de eerste bladzijde, onder een velletje dat eruitzag als carbonpapier, zaten enkele kiekjes die in de buurt van de oude boerderij waren genomen. Het gebouw, dat nog bijna nieuw oogde, zag er vrijwel hetzelfde uit en op een houten bord boven de ingang stond kirkjustétt. Thóra haalde de foto voorzichtig uit de fotohoekjes. Op de achterkant stond een stempel die aantoonde dat de foto in 1919 was gemaakt of ontwikkeld. In een fijn, vrijwel zeker vrouwelijk handschrift, stond erbij geschreven: ‘Bjarni Thórólfsson en Adalheidur Jónsdóttir’. Toen zij de foto wat beter bekeek, constateerde Thóra dat de fotograaf met zijn rug naar de zon moest hebben gestaan, want de afgebeelde twee mensen deden hun best niet met hun ogen te knijpen. Het was een knap stel; hij was lang en had dik, stug haar dat in een spuuglok over zijn voorhoofd viel en zij was jong en droeg een kuitlange rok, mooie platte schoentjes en een ouderwets hoedje dat glad haar hoofd omsloot. Eronder glansde blond haar. Hij droeg een lichte, wijde broek met een scherpe vouw en een overhemd met bretels. Ze stonden naast elkaar bij de muur aan de voorkant van het huis, hun handen langs hun zijden. Ouderwets trotse huiseigenaars.

Op hetzelfde blad zat nog een foto van dezelfde mensen, maar dan met nog een stel erbij. Thóra stak de eerste foto voorzichtig terug en nam de tweede eruit. In hetzelfde handschrift stond erop vermeld dat het tweede stel Grímur Thórólfsson en Kristrún Valgeirsdóttir waren. Ook zonder de gedeelde achternaam was wel duidelijk dat Bjarni en Grímur broers waren. Hun kleding leek heel erg op elkaar, maar was anders van kleur. Thóra bestudeerde de foto heel zorgvuldig, maar omdat hun ogen half waren dichtgeknepen tegen de zon, kon zij niets aflezen aan hun gezichtsuitdrukking. Wel zag ze dat de vrouw die Grímurs echtgenote moest zijn heel anders was dan de blonde Adalheidur. Ze was ouder en molliger, steviger en minder mooi gekleed, in een eenvoudige rok, een dikke trui en op grove, platte schoenen. Haar donkere haar was gewoon in een staartje gebonden. Thóra vroeg zich af hoe deze twee totaal verschillende vrouwen het met elkaar hadden kunnen vinden. Ze sloeg de bladzijde om.

De volgende pagina’s bevatten drie foto’s van de jonge Bjarni en Adalheidur, allemaal buiten. Ze zagen er niet erg anders uit dan op de voorgaande kiekjes, behalve dat de jonge vrouw geen hoedje meer droeg. Thóra ging verder en bekeek nog twee foto’s waarop de oudere broer en zijn vrouw opnieuw met het jongere stel te zien waren, samen met een klein, donkerharig meisje, een mollige, stralende baby, gekleed volgens de mode van die tijd. Op de achterkant van de foto zag Thóra dat het meisje Edda Grímsdóttir heette, dus moest ze het dochtertje zijn van de oudste broer, Grímur. De foto was gemaakt in 1922 en het meisje leek ongeveer een jaar oud. De volgende foto’s waren telkens met enkele jaren ertussen gemaakt. Op een ervan, uit 1923, meende Thóra te zien dat Adalheidur, de jongere vrouw, zwanger was, maar op de foto’s die volgden was geen baby te zien — totdat zij er eentje tegenkwam uit 1924, gemaakt in een fotostudio, met de afbeelding van het jonge stel met een paar maanden oude baby. Het kindje was ingebakerd in ruches en op de achterkant van de foto stond zij vermeld als een meisje met de naam Gudný.

Er volgde nog een foto van het eerste meisje, maar wel een bijzonder eigenaardige. Het leek alsof ze sliep en ze droeg een gehaakt mutsje dat amper haar hoofdje bedekte en een wit jurkje met ruches, maar haar lijfje lag in een erg vreemde houding. Zo hadden Thóra’s kinderen nog nooit liggen slapen, met hun armpjes gekruist op hun borst en hun benen kaarsrecht gestrekt. Thóra haalde de foto uit het album om de achterkant te kunnen lezen. Daar stond de naam van het meisje, Edda Grímsdóttir, geschreven, gevolgd door twee data met een kruisje voor de laatste. Ze was overleden in hetzelfde jaar dat Bjarni en Adalheidur hun eigen dochtertje hadden gekregen. Thóra stak de foto terug in het album en zuchtte diep. Ze wist dat het destijds de gewoonte was geweest de doden te fotograferen, maar ze had nog nooit zo’n foto gezien, laat staan vastgehouden. Ze vroeg zich af of dit de foto was die Jónas had bedoeld toen hij zei dat hij er één had gezien waar de geest op stond.

Terwijl Thóra de resterende fotobladen bekeek had ze het gevoel dat ze de mensen van de boerderij een beetje leerde kennen. Deze denkbeeldige vertrouwdheid stemde haar droevig toen ze zag welke tol de tijd van de familie had geëist. Zo waren er na 1925 bijvoorbeeld geen foto’s meer van de oudste broer. Het was alsof hij en zijn vrouw waren verhuisd of anderszins uit het leven van het jonge stel waren verdwenen. Misschien hadden ze naar aanleiding van het verlies van hun dochtertje Edda besloten van de boerderij te vertrekken. Na 1927 verdween ook Adalheidur van de foto’s. De laatste foto waar zij op stond en waarop zij duidelijk in verwachting was, dateerde uit 1926. Dat jaar veranderde ook het handschrift. Het werd grover en je hoefde geen handschriftdeskundige te zijn om te kunnen zien dat het van een man was. Thóra had het gevoel dat ze na die foto het verdriet van Bjarni’s gezicht kon lezen. Toch lachte hij nog steeds liefdevol naar de kleine Gudný, die naar de foto’s te oordelen opgroeide tot een prachtig meisje dat net zo mooi was als haar moeder, maar tegelijk griezelig veel weg had van haar vaders kant van de familie.

Het album zat niet vol. Op de laatste twee kiekjes van Gudný stond zij met haar rug tegen de buitenmuur van de boerderij, kennelijk het favoriete plekje van de familie om voor foto’s te poseren. Ze was een jaar of zestien, zeventien, een knap meisje met blond, golvend haar. Thóra kon zich heel goed voorstellen dat men haar mooi had gevonden; ze was zeker zo aantrekkelijk als een handjevol filmsterren die Thóra zich uit die tijd kon herinneren. Beide foto’s dateerden uit 1941 en zouden schattig zijn geweest als Gudný er alleen op had gestaan, maar dat was niet het geval; er stonden twee jongemannen naast haar, allebei kaarsrecht en met een sombere uitdrukking op hun gezicht. Het was echter niet de stijve houding van de jongens die de foto’s wat eigenaardig maakte, maar hun kleding. Ze droegen allebei een eenvoudige donkere broek en een wit overhemd dat voorzien was van een mouwband met een swastika. Ze droegen vreemde riemen met lussen aan de zijkant en ze hielden allebei één hand op een grote vlaggenstok die naast hen stond. De vlag hing slap omlaag langs de stok, maar het was overduidelijk een nazivlag; boven op de paal stond de swastika die Thóra in de eerste kist had gevonden. De houder was dus bedoeld om boven op de vlaggenstok te passen. De namen van de jongemannen stonden niet op de achterkant van de foto’s geschreven, alleen die van Gudný en het jaartal.

Meer foto’s waren er niet, alleen drie lege dubbele pagina’s. Het was goed te zien dat er van de eerste lege pagina een foto was verwijderd: de donkere plek waar hij had gezeten was duidelijk zichtbaar op het verschoten blad en de kleine fotohoekjes zaten nog op hun plek. Thóra schudde het album even, in de hoop dat de foto tussen de andere bladzijden was geraakt, maar er viel niets uit. Ze legde het boek neer.

Thóra stond op. Het licht in de kelder was slecht en in haar kamer zou ze de foto’s beter kunnen bekijken. Ook wilde ze aan Jónas vragen wie van de twee kleine meisjes in het album de ‘geest’ was. Elke trede van de houten trap kraakte toen ze naar boven liep en Thóra was blij dat ze niet zwaarder was. Tijdens de wandeling terug naar het hotel haalde ze diep adem, blij verlost te zijn van de lucht van optrekkend vocht. Na nog een ogenblik van de frisse lucht genoten te hebben, liep ze naar de foyer.

Door een van de ramen in de gang zag ze Sóldís, het tengere meisje dat haar naar haar kamer had gebracht toen ze hier de vorige dag was aangekomen. Ze stond buiten te roken. Thóra besloot een omweg te maken en haar wat meer te vragen over de verhalen die volgens Sóldís verband hielden met het boerenbedrijf.

‘Hoi, Sóldís.’

Het meisje draaide zich om. Uit haar nietszeggende uitdrukking kon Thóra niet afleiden of ze het leuk vond of juist niet om haar weer te zien. Ze rende in elk geval niet hard weg. ‘Wat?’

Thóra liep naar het meisje toe. ‘Nogmaals hallo. Weet je nog wie ik ben?’

‘Ja, natuurlijk. Jij bent hier te gast. Een kennis van Jónas.’

‘Precies,’ zei Thóra, met een hartelijke glimlach. ‘Zeg, je had het gisteren over oude verhalen over deze plek die je me nog wel een keer zou vertellen. Ik zou er erg mee geholpen zijn als je dat nu zou willen doen.’

Het meisje fronste haar wenkbrauwen en ontweek Thóra’s blik. ‘Ik moet weer aan het werk.’

‘Je zou Jónas er ook mee helpen. Ik probeer iets voor hem uit te zoeken en, hoe vreemd het ook klinkt, de lokale verhalen over deze plek zouden het mij gemakkelijker maken hem te helpen.’ Thóra wachtte.

Het meisje dacht even na en haalde toen haar schouders op. ‘Oké. Ik vind het best.’

‘Mooi,’ zei Thóra. ‘Zullen we maar naar binnen gaan?’ Het was nog steeds bewolkt, hoewel de mist inmiddels was opgetrokken. Eigenlijk leek hij maar een paar meter opgetrokken, want het enige wat je van de nabijgelegen bergen kon zien waren de laagste hellingen.

Het meisje haalde opnieuw haar schouders op. ‘Oké. Zoals ik al zei: ik vind het best.’

Thóra volgde haar door de personeelsingang een grote keuken binnen, van waaruit zo te zien de eetzaal werd bediend. Sóldís ging aan een kleine tafel zitten die voor het personeel was bedoeld en nodigde Thóra met een handgebaar uit om ook een stoel te pakken. Vervolgens pakte ze een grote thermoskan en koos twee kopjes uit een bonte verzameling die aan het eind van de tafel stond.

‘Ik ben hier opgegroeid, zie je, en mijn oma heeft me alle verhalen over deze streek verteld. Over trollen en zo, je weet wel. Het meeste is natuurlijk onzin, maar volgens haar zijn sommige dingen echt gebeurd,’ begon Sóldís terwijl ze Thóra een beker gloeiend hete koffie overhandigde.

Thóra knikte. ‘Zoals?’ Ze pakte een klein pakje koffiemelk en schonk een wolkje in haar beker.

‘Nou, zoals het land hier. Volgens oma rustte daar een vloek op.’

‘Een vloek?’ Thóra kon haar gezicht met moeite in de plooi houden.

‘Lang geleden was dit lavaveld berucht vanwege de achtergelaten baby’s. Vrouwen uit de omgeving die niet voor hun kinderen konden zorgen, lieten ze hier achter om te sterven van de kou.’ Ze huiverde. ‘Verschrikkelijk. Wist je dat je ze nog steeds kunt horen? Ik heb ze zelf ook gehoord.’

Thóra verslikte zich bijna in haar koffie. Ze boog zich wat dichter naar het meisje toe. ‘Vertel je me nou dat je huilende baby’s hebt gehoord die hier honderden jaren geleden werden achtergelaten om te sterven?’ vroeg ze.

Sóldís keek Thóra smalend aan. ‘Ik ben anders niet de enige die ze heeft gehoord, als je dat soms denkt. De meeste mensen hier hebben het huilen gehoord. Sterker nog, de laatste tijd wordt het erger. Toen ik hier net werkte hoorde niemand het.’

‘Hoe zou dat komen?’ vroeg Thóra zich hardop af.

‘Geen idee. Mijn oma zegt dat het komt en gaat. Zij herinnert zich nog verhalen over verschrikkelijk gehuil dat hier rond 1945 werd gehoord. Een van de boeren is hier zelfs nog komen kijken omdat hij dacht dat het echt een kind was en toen hoorde hij vlak bij zich een zacht stemmetje huilen, maar kon nergens een kind vinden. Daarna is hij naar huis gerend en heeft hij hier nooit meer een stap gezet. Oma zei dat de oorlog kort daarna was afgelopen en dat de achtergelaten kinderen dat misschien hebben aangevoeld en de mensen hebben willen laten weten dat ze blij waren. Of juist niet. Misschien gaat er nu ook weer iets slechts gebeuren. Of juist iets goeds.’

Dan zit je wel safe met je voorspelling, dacht Thóra. Er gebeurde altijd van alles, dus er was altijd wel iets ophanden. En of het nu goed of slecht nieuws was, het kon altijd worden gebruikt om te verklaren waarom de dode baby’s weer begonnen te huilen. Het was niet zo gek dat het verhaal over de geest zich als een lopend vuurtje onder het personeel had verspreid, het kon gebruikt worden om zo ongeveer alles te verklaren wat er gebeurde.

‘Heb je een van die achtergelaten kinderen wel eens gezien?’ vroeg Thóra. ‘Of heeft iemand anders in het hotel er wel eens eentje gezien?’

‘Jezus, nee zeg,’ zei Sóldís. ‘Godzijdank niet. Het schijnt dat ze verschrikkelijk zijn om te zien. Ik denk dat ik er stapelgek van zou worden.’

‘Vast niet,’ zei Thóra geruststellend. ‘Dat verhaal over baby’s die werden achtergelaten op het lavaveld — kent iedereen dat?’

‘Absoluut,’ antwoordde Sóldís. ‘Ze zeggen dat niemand hier een kind tot volwassenheid kan brengen. Dat weet iedereen hier.’ Ze zag dat Thóra sceptisch was. ‘Kijk maar op het kerkhof. Lees de grafstenen maar. Dan zal je zien dat het geen lulkoek is.’

Thóra’s gedachten gingen terug naar de foto van het kleine dode meisje, Edda Grímsdóttir. ‘Goed, stel dat de geesten van die dode kinderen in het hotel rondwaren,’ zei ze. ‘Hoe verklaar je dan de geest die Jónas heeft gezien, en die andere mensen blijkbaar ook hebben gezien? Die geest was geen baby.’

‘Die geest is geen achtergelaten kind,’ zei Sóldís. ‘Misschien is het wel de moeder van een van de kinderen, die gedoemd is om eeuwig naar haar kind te blijven zoeken. Of de geest van de bedelares.’

‘De geest van de bedelares?’ herhaalde Thóra, stomverbaasd. ‘Dus behalve de baby’s zijn er nog meer geesten?’

‘Ja,’ zei Sóldís. ‘Zoveel. Maar de achtergelaten kinderen en de geest van de bedelares zijn de enige die ik ken die zich alleen op deze plek laten zien. Dat verhaal heeft zich hier ook afgespeeld. Voordat de twee boerderijen werden gebouwd, stond hier een kamp.’

‘Een kamp?’ zei Thóra.

‘Ja, je weet wel, een soort visserskamp of zoiets,’ antwoordde Sóldís. ‘Heel veel seizoenarbeiders, weet je. Vooral vissers.’

‘En wat heeft dat met de vloek te maken?’

‘Een heleboel,’ zei Sóldís zelfvoldaan. ‘Mijn oma heeft me verteld dat de vissers van het kamp hier een bedelares vermoordden en haar vlees als aas gebruikten.’

‘Als aas?’ Thóra trok een vies gezicht.

‘Ja, als aas,’ zei het meisje, verrukt over haar reactie. ‘Het vissen ging heel goed met haar en ze besloten de hele nacht te blijven vissen, in plaats van aan land te gaan. Toen het donker was, kapseisde de boot. Maar één man overleefde het en hij was juist degene die tegen het hele plan was geweest. Hij zei dat de boot van onderaf werd gekanteld. Er was iets in zee wat hem liet omslaan en hij beweerde dat het de geest van de bedelares was.’

‘Oké,’ zei Thóra nieuwsgierig. ‘Dus de geest die hier rondwaart is de vrouw die als aas is gebruikt?’

Sóldís schudde haar hoofd. ‘Dat hoeft niet per se — het kan ook de geest zijn van een van de vissers die zij heeft vermoord, want hun lichamen zijn hier aangespoeld en sindsdien spoken ze hier rond.’ Ze boog zich samenzweerderig naar Thóra toe. ‘En zal ik je nog eens wat vertellen?’

‘Nou? Wat?’ vroeg Thóra.

‘De lichamen zijn aangespoeld op dezelfde plek waar de politie is geweest, waar dat lijk laatst is gevonden.’ Sóldís ging weer rechtop zitten.

‘Hoe weet jij dat de politie daar is geweest?’ vroeg Thóra.

Sóldís keek haar bijna beledigd aan. ‘Ik ken iedereen hier. Mijn tante belde me om het te vertellen. Dacht je dat het mensen niet zou opvallen dat de politie hier is geweest?’

‘Ja, natuurlijk wel,’ zei Thóra. Ze dacht even na. ‘Maar ik neem aan dat die vissers allemaal mannen waren. Bestaat er geen verhaal over een plaatselijke geest die een kind was? Een jong meisje?’

Sóldís dacht fronsend over de vraag na. ‘Je bedoelt die geest waar het hotelpersoneel het over heeft?’

‘Ja, die,’ zei Thóra hoopvol. ‘Wat weet je van die geest? Heeft je oma je daar ook iets over verteld?’

‘Nou, ik heb het haar gevraagd en ze weet er niets van, maar van een andere vrouw heb ik gehoord dat het de dochter zou kunnen zijn van de boer die hier vroeger heeft gewoond. Ik geloof dat hij Bjarni heette.’ Sóldís zweeg even en vervolgde toen: ‘Die vrouw zei dat het algemeen bekend was dat Bjarni zijn dochter misbruikte. Incest.’

‘Nee, hè?’ zei Thóra. In gedachten haalde ze zich de gezichten voor de geest van de mensen uit het fotoalbum, vooral van Gudný en haar vader, Bjarni. Bij die mogelijkheid had ze helemaal niet stilgestaan.

Het meisje haalde haar schouders op. ‘Het schijnt dat ze allebei zijn overleden. Tbc.’

Thóra knikte langzaam. ‘Goh. Maar wat denk jij? Geloof jij dat die geest het meisje van de boerderij is?’

Sóldís keek Thóra recht aan. ‘Ik heb die geest gezien, maar haar niet, dus hoe zou ik dat moeten weten?’

‘Heb jij de geest gezien?’ vroeg Thóra, verbijsterd.

‘Natuurlijk heb ik die gezien,’ klonk het smalende antwoord. Er lag een provocerende blik in Sóldís’ ogen, alsof ze Thóra uitdaagde aan haar woorden te twijfelen.

‘O,’ zei Thóra voorzichtig. ‘En waar heb jij de geest gezien, als ik vragen mag?’

‘Hierbuiten. In de mist. Ik kon geen details zien, maar het was beslist een meisje.’

Thóra knikte. ‘En het was niet gewoon een van de kinderen hier uit de buurt?’ opperde ze.

Sóldís lachte spottend. ‘Hier uit de buurt? Welke buurt? Het dichtstbijzijnde kind woont hier vijf kilometer vandaan en dat is een jongen. Waarom zou hij hier helemaal naartoe komen om een beetje in de mist te gaan ronddwalen?’

Thóra moest toegeven dat dit nogal onwaarschijnlijk leek. Ze vroeg zich net af wat ze nog meer kon vragen toen haar telefoon ging.

‘Hallo, Thóra,’ zei Matthews vertrouwde stem. ‘Heb je al besloten me te vertellen waar je bent, of moet ik een zoekactie op touw zetten? Ik sta op Luchthaven Keflavík. Ik ben net geland.’

8

‘Geloof me nou, er is ingebroken in mijn magazijn,’ zei Stefanía, gepikeerd, met haar handen op haar heupen. Ze probeerde zich niet te ergeren aan Vigdís’ boosaardige gegrinnik achter de balie. Ze had al genoeg aan haar hoofd. Iemand had het slot geforceerd van de kleine voorraadruimte waar zij haar handel bewaarde en het feit dat er niets weg was deed niets af aan de ernst van de zaak.

Stefanía was er allang aan gewend dat zij bij andere vrouwen op weinig begrip kon rekenen. Ze wist niet of het aan het feit lag dat ze er zo goed uitzag of aan haar werkterrein, sekstherapie. Ze had vaak het gevoel dat andere vrouwen dachten dat zij deze studierichting alleen maar had gekozen om getrouwde mannen aan de haak te slaan, wat natuurlijk absurd was. Zij kon er ook niets aan doen dat ze af en toe probeerden haar te versieren.

Ze keek boos. ‘Dit is niet grappig. Het slot is geforceerd. Kijk zelf maar als je me niet gelooft.’

Vigdís trok een wenkbrauw op. ‘Het is nergens voor nodig om je zo druk te maken. Waarom zou je zo moeilijk doen over een inbraak waarbij niets is gestolen?’ Ze richtte haar aandacht weer op haar computer. Ze haatte Stefanía met haar onzinnige ‘sekstherapie’. Dat mens dacht dat de hele wereld alleen maar om haar draaide en dit hele inbraakgedoe was waarschijnlijk alleen maar een manier om aandacht te trekken. Ditmaal ging haar dit naar alle waarschijnlijkheid niet lukken, aangezien ze moest wedijveren met de vondst van een lijk. Vigdís keek met een boze blik op van haar computerscherm. ‘Bovendien snap ik niet wat je verwacht dat ik eraan ga doen.’

Wat Stefanía dat kreng van een Vigdís het liefst wilde zien doen was zich in het water van een piranhakwekerij werpen, maar dat besloot ze voor zich te houden. ‘Doen? Geen idee. Moeten we Jónas op z’n minst niet laten weten dat er iemand heeft ingebroken in een afgesloten magazijn? Stel je voor dat het een junk was die op zoek was naar spul. Dan komt hij misschien nog wel een keer terug.’

‘Spul?’ lachte Vigdís. ‘Wie zou daar nu naar op zoek gaan in dat kleine kastje van jou? Dit is nota bene een hotel dat is gespecialiseerd in homeopathie en spiritueel welzijn. Je zou ver moeten zoeken om op Snaefellsnes een plek te vinden waar je nóg minder kans hebt om drugs aan te treffen.’

Stefanía slaakte een diepe zucht. ‘Sorry, hoor, maar ik denk niet dat verstokte drugsgebruikers erg goed op de hoogte zijn van hotelspecialismen. Bovendien kan het wel een van de gasten zijn geweest. Of iemand van het personeel,’ voegde ze er met een vals glimlachje aan toe.

Vigdís keek haar woedend aan. ‘Iemand van het personeel? Ben je gek geworden?’

‘Ik zeg het maar. Als het geen junk was, was het waarschijnlijk een doodgewoon iemand. Misschien wel iemand die heel graag iets wil hebben wat ik verkoop, maar te verlegen is om er op een normale manier over te beginnen. Wie weet?’ Stefanía zette gemaakt onschuldige grote ogen op.

Vigdís was vastbesloten zich niet te laten verleiden tot een discussie over stimulerende smeerseltjes en sekshulpmiddelen. Stefanía wist dat ze het een ongemakkelijk onderwerp vond en Vigdís gunde haar niet het plezier haar te zien blozen. ‘Waarom is er dan niets gestolen?’

Stefanía aarzelde. ‘Ja, dat weet ik ook niet. Ik heb niet elke doos en elk voorwerp gecontroleerd. Het is natuurlijk altijd mogelijk dat ze iets hebben meegenomen.’ Verder kwam ze niet met haar speculaties.

‘Er is hier op dit moment te veel gaande om ons druk te kunnen maken om een inbraak waarbij “mogelijk” iets is gestolen.’ Vigdís vormde sarcastische aanhalingstekens met haar vingers.

‘O?’ zei Stefanía, nieuwsgierig. ‘Wat is er dan gebeurd?’ Ze kon het niet uitstaan dat er altijd dingen gebeurden wanneer zij er niet was. Zij woonde in het nabijgelegen dorpje Hellnar en ’s avonds ging zij altijd naar huis, en ook in de weekends werkte ze bijna nooit. Misschien was dat wel een reden waarom ze niet kon opschieten met de andere werknemers, van wie de meesten in de kleine vakantiehuisjes verbleven die Jónas naast het hotel had laten bouwen.

‘Er is een lijk gevonden op het strand. In de inham, vlak bij de grot.’ Vigdís liet even een dramatische stilte vallen en vervolgde toen: ‘Ze denken dat het Birna is, de architect.’ Ze zweeg opnieuw even. ‘Ze is waarschijnlijk vermoord.’ Ze glom van voldoening toen Stefanía wit wegtrok en naar haar borst greep.

‘Verzin je dit nu ter plekke?’ bracht Stefanía haperend uit.

‘Nee, absoluut niet. Dood, waarschijnlijk vermoord.’ Vigdís keek weer op haar computer en begon over iets heel anders, alleen maar om haar collega te ergeren. ‘Heb jij toevallig een lege doos voor die advocaat? Ze heeft er een nodig om wat spullen in te doen.’

‘Wat? O, jawel, hoor,’ zei Stefanía afwezig. Wat was er in vredesnaam gebeurd? Ze dacht aan de adviezen die ze de arme vrouw onlangs nog had gegeven. Hadden die tot haar dood geleid? Totaal verbouwereerd mompelde Stefanía iets ten afscheid en wilde weglopen, maar er was nog één ding dat ze moest weten. Ze draaide zich weer om. ‘Had het iets met seks te maken? Weet je of ze is verkracht?’

‘Ja, ik geloof van wel,’ antwoordde Vigdís, hoewel ze daar in feite geen flauw benul van had. Iets zei haar dat dit antwoord een reactie zou uitlokken.

Stefanía draaide zich om en liep met een kleur als vuur naar haar kantoor. Dit kon ze er ook nog wel bij hebben.

Thóra zette de zware kartonnen doos op het pas opgemaakte bed in haar hotelkamer. Ze trok een grimas naar de etiketten op de zijkant. Toen ze de doos had opgehaald, had ze eerst gedacht dat het een grap was, een stunt met een verborgen camera of zo. Op de doos stond aan alle kanten met grote zwarte letters, in het Engels: vibrerende dildo. 100 % rubber. nieuw — met aloë vera! Speciaal voor klanten die de Engelse taal minder goed beheersten was voor een getekende afbeelding van de inhoud gezorgd. Thóra had gebloosd tot aan haar haarwortels toen ze de doos aan de balie had aangepakt van Vigdís, die had gezegd: ‘Dit leek me net iets minder erg dan de doos van de kunstvagina’s.’ Met een lief glimlachje had ze eraan toegevoegd: ‘De sekstherapeute was de enige die dozen overhad. Sorry.’

Thóra was bijna de hele ochtend bezig geweest met het bekijken van de resterende spullen in de kelder en alles te verzamelen wat haar interesseerde. Ze had alleen belangstelling voor oude documenten, brieven en foto’s en liet de rest: bekers, klokken, kaarsenstandaards en andere siervoorwerpen, liggen. Papieren die duidelijk onbelangrijk waren legde ze terug in de oude kisten, maar alle foto’s nam ze mee, ongeacht wat erop stond, omdat ze niet wist wat ze erop zou aantreffen wanneer ze die met beter licht kon bekijken.

Het waren er niet veel, maar met name één foto wekte haar belangstelling — hij zat in een prachtig oud lijstje en er stond een tienermeisje op dat Thóra met vrij grote zekerheid herkende als Gudný Bjarnadóttir van de oude boerderij. Het meisje zat op een heuveltje, met haar benen onder zich getrokken en ze glimlachte lief naar de fotograaf. Ze droeg een laag uitgesneden witte blouse met een grote strik aan de voorkant. De blouse benadrukte op de een of andere manier dat dit een jong meisje was en geen vrouw, maar Thóra wist bijna zeker dat het meisje het tegenovergestelde effect had willen bereiken. Ze zette de foto op haar nachtkastje. Het viel niet mee het lijstje rechtop te laten staan, want de standaard was beschadigd. Thóra bleef een hele tijd naar de foto zitten kijken en hoopte vurig dat Sóldís’ verhaal over incest op de boerderij een verzinsel was. Zo niet, dan keek ze nu vrijwel zeker naar het slachtoffer.

Thóra’s maag rammelde. Een blik op de klok vertelde haar dat het al lang twaalf uur was geweest. Ze belde de receptie en kreeg te horen dat de keuken tot halftwee open was. Ze moest dus snel zijn. Ze waste haastig haar handen en kamde de klitten uit haar haren. Na haar verblijf in de kelder zag ze er niet bepaald op haar paasbest uit, maar ze was niet van plan zich er door een paar vuile kleren van te laten weerhouden naar de eetzaal te gaan voordat die dichtging. Ze kon altijd vanavond nog tot in de puntjes gekleed komen opdraven om haar slordige uiterlijk van vanmiddag een beetje goed te maken.

Toen Thóra binnenkwam zat er maar één andere gast in de eetzaal. Het was de oudere heer die ze aan het ontbijt voor een accountant of een advocaat had aangezien. Hij keek niet op en maakte geen aanstalten haar te begroeten, maar staarde alleen maar somber uit het raam, zich onbewust van het feit dat het aantal eters zojuist was verdubbeld. Waar had zij hem eerder gezien? Thóra ging een heel eind bij hem vandaan zitten.

Ze zat nog maar net toen een jongeman met een professionele glimlach naar haar toe kwam en haar de menukaart overhandigde. Na hem te hebben bedankt, bestelde Thóra om te beginnen een glas mineraalwater. Terwijl de ober dit ging halen, las zij het lunchmenu en koos voor een omelet met een salade. Volgens de beschrijving zaten er paardenbloemen en zuring in de sla en ze koos hem dan ook voornamelijk uit nieuwsgierigheid. Op hetzelfde moment dat ze haar menukaart neerlegde verscheen de ober met haar drankje en toen ze hem haar bestelling doorgaf complimenteerde hij haar met haar keuze. Thóra vermoedde dat hij hetzelfde zou hebben gezegd als zij rauw varkensvlees had besteld, als dat op de kaart had gestaan. Hij wekte niet echt de indruk oprecht geïnteresseerd te zijn.

‘Is er al nieuws over het lichaam dat is gevonden?’ vroeg ze terwijl hij het water in haar glas schonk.

Geschrokken van haar vraag, morste hij een beetje water op het tafelkleed. ‘O, neem me niet kwalijk,’ zei hij en hij pakte een linnen servet van het tafeltje naast het hare.

‘Geeft niets,’ zei Thóra glimlachend. ‘Het is maar water.’ Ze wachtte tot hij het tafelkleed had drooggedept. ‘Maar is er nog nieuws?’

De ober wrong de natte servet tussen zijn handen en leek slecht op zijn gemak. ‘Eh, het is allemaal een beetje pijnlijk. Ik weet eigenlijk niet wat ik nu wel en niet mag zeggen. De eigenaar houdt straks een bijeenkomst voor ons om te vertellen wat wij tegen de gasten moeten zeggen. We willen geen geruchten in omloop brengen die voor onrust kunnen zorgen. De mensen komen hier voor hun rust.’

‘Ik ben geen gewone gast. Je kunt mij alles vertellen. Ik werk voor Jónas. Ik ben zijn advocaat, dus ik vraag het niet uit nieuwsgierigheid.’

De ober keek bedenkelijk. ‘O, ik begrijp het.’ Maar kennelijk begreep hij er niets van, want hij zei verder niets.

‘Dus je kunt me er niets over vertellen? Is het slachtoffer al officieel geïdentificeerd?’

‘Nee, dat niet. Iedereen is het erover eens dat het Birna moet zijn, de architect.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Maar voor hetzelfde geld blijkt het straks heel iemand anders te zijn.’

‘Kende jij haar?’ vroeg Thóra.

‘Een beetje,’ antwoordde de ober. Thóra vond het lastig om iets van zijn gezicht te lezen. ‘Ze was hier veel, dus dan heb je onwillekeurig met elkaar te maken.’

‘Je klinkt niet alsof je een hoge pet van haar ophad.’ Thóra nam een slokje van haar mineraalwater en voelde hoe het kelderstof in haar keel wegspoelde.

De ober had duidelijk genoeg van het gesprek. ‘Ik zal uw bestelling aan de keuken doorgeven. De kok vindt het niet prettig als hij tot na halftwee moet blijven.’ Toen glimlachte hij. ‘Om u de waarheid te zeggen, ik kon haar niet uitstaan. Het was een ontzettend rotwijf en daar verandert het feit dat ze dood is helemaal niets aan. Het blijft een rotwijf.’ Hij liep weg.

Thóra keek hem na tot hij met haar bestelling in de keuken was verdwenen. Dus niet iedereen was het met Jónas eens dat Birna zo aardig was. Als het werkelijk om Birna ging.

Na de lunch ging Thóra terug naar haar kamer. Ze was er niet in geslaagd nog meer informatie uit de ober los te krijgen, behalve dan het feit dat hij Jökull heette. Op het laatst had ze helemaal alleen in de eetzaal gezeten, want kort nadat de ober haar bestelling in de keuken was gaan doorgeven, was de bejaarde man opgestaan en zonder haar een blik waardig te keuren weggegaan. Toen Thóra hem langs zag lopen, had haar opnieuw het gevoel bekropen dat zijn gezicht iets bekends had, maar ze kon hem niet thuisbrengen. Hij kon iedereen wel zijn, een buschauffeur uit haar kindertijd bijvoorbeeld, maar ze had nog steeds het idee dat ze zou moeten weten wie hij was.

Thóra keek naar de afschuwelijke doos en zuchtte. Als ze nou verstandig was, zou ze nu meteen de inhoud moeten bekijken, of nog eens een blik werpen in Birna’s agenda, maar de gedachte aan een snelle douche was te verleidelijk. Ze kon het stof uit de kelder afspoelen of even gaan liggen. Middagdutjes waren een luxe die zij zich maar zelden kon veroorloven; thuis waren er altijd wel klusjes te doen en bovendien was haar eigen bed bij lange na niet zo verleidelijk, zacht, schoon of smaakvol. Ze trakteerde zichzelf dus op allebei.

Thóra schrok wakker. Ze had de wekker gezet om haar na een uur wakker te maken, maar hij was niet afgegaan. Ze keek verward om zich heen, en toen er op de deur werd geklopt, besefte ze pas waar ze was. Ze reikte naar de badjas die ze na het douchen even had aangetrokken en riep hees: ‘Wie is daar?’ Er kwam geen antwoord en er werd nogmaals geklopt. Ze trok snel de badjas aan, rende naar de deur en opende hem net ver genoeg om haar hoofd om het hoekje te steken. ‘Hallo?’

‘Ook goedendag,’ zei Matthew. ‘Was je nog van plan me binnen te laten?’

Thóra verwenste haar afwezige make-up en vochtige haar, waar ze mee had geslapen. Ze haalde haar hand er doorheen, in een vergeefse poging haar wilde haardos te fatsoeneren. ‘Eh, hallo. Je hebt me dus gevonden.’

Matthew kwam grijnzend binnen. ‘Natuurlijk. Zo ingewikkeld was dat niet.’ Hij keek om zich heen. ‘Mooie kamer.’ Toen bleef zijn blik rusten op de doos van de sekstherapeute.

Thóra had er niet aan gedacht hem uit het zicht te schuiven. Ze glimlachte ongemakkelijk.

‘Zo te zien ben ik net op tijd,’ zei hij.

9

Thóra had geen enkele ervaring met de oorspronkelijke inhoud van de doos, maar ze was er heilig van overtuigd dat dergelijke apparaten, net als alle andere surrogaten, niets voorstelden in vergelijking met het echte werk. Ze kwam glimlachend overeind in bed. Haar ochtendjas lag in een hoopje op de grond en ze strekte zich loom uit om hem op te rapen. Dit soort dingen zou ze vaker moeten doen, dacht ze terwijl ze de jas omsloeg en om zich heen keek om te zien waar haar kleren lagen. Hoewel ze zoeven volstrekt ongeremd was geweest, wilde ze toch liever iets aanhebben wanneer Matthew terugkwam. Hij was even naar buiten gegaan om zijn bagage uit zijn huurauto te halen en in de kamer neer te zetten die hij had geboekt. Thóra begreep niet wat hij met een eigen kamer moest, maar ze waardeerde het respect dat hij haar toonde door er niet automatisch van uit te gaan dat hij regelrecht bij haar in bed kon duiken — al was dat precies wat hij had gedaan. Ze glimlachte opnieuw bij de gedachte aan hoe verschrikkelijk blij ze was hem te zien; blij dat hij, ondanks haar bezwaren, toch was gekomen. Het probleem was alleen dat hun relatie tot mislukken gedoemd was. Hij was een buitenlander en het was bijzonder onwaarschijnlijk dat hij in IJsland zou kunnen gedijen. Toen hij net binnen was had ze ietwat ongemakkelijk een gespreksonderwerp gezocht en hem gevraagd wat hij van de winnaar van het Eurovisie Songfestival vond. Hij had haar wezenloos aangekeken en gevraagd of ze een grapje maakte. Iemand die geen belangstelling had voor het Songfestival zou het in IJsland nog geen week uithouden. Ze kleedde zich haastig aan.

Ze was net bezig haar tweede sok aan te trekken toen Matthew terugkwam. ‘Verdomme,’ zei hij, teleurgesteld. ‘Ik was even vergeten dat jij wereldkampioen snel aankleden bent.’ Hij keek haar grijnzend aan. ‘Het voordeel is natuurlijk wel dat je je ook weer heel snel kunt uitkleden.’

‘Heel grappig,’ zei Thóra. ‘Wat vind je van het hotel?’

Matthew keek om zich heen en haalde zijn schouders op. ‘Prima. Een beetje afgelegen. Maar wat doe jij hier in vredesnaam?’ Hij voegde er snel aan toe: ‘Niet dat je mij hoort klagen, hoor.’

‘Ik werk voor de eigenaar. Hij overweegt een proces aan te spannen tegen de mensen die hem dit hebben verkocht.’

‘Aha. Hebben ze hem een poot uitgedraaid?’ vroeg Matthew. Hij liep naar het raam en trok het gordijn open om het uitzicht te bewonderen. ‘Prachtig,’ zei hij en draaide zich weer om naar Thóra.

‘Nou, het is een beetje idioot allemaal. Hij beweert dat het hier spookt en dat de vorige eigenaars dat moeten hebben geweten.’

‘Dat het hier spookt, juist ja.’ Matthews uitdrukking was dezelfde die ze op het gezicht van de rechter verwachtte te zien, als het ooit zover mocht komen. ‘Je meent het.’

‘Een onderneming als deze is heel kwetsbaar voor dat soort dingen, dus het is misschien niet helemaal zo absurd als je zou denken.’ Thóra keek hem glimlachend aan. ‘Dit is een new-agehotel. Ze richten zich op dingen als healing, helderziendheid, biologisch voedsel, kristallen, magnetische velden, aura’s en meer van die dingen. De meeste mensen die hier werken zijn helderziend of nog erger, dus ze zijn hier niet dol op geesten.’

‘Natuurlijk,’ zei Matthew, fronsend. ‘De normaalste zaak van de wereld dus.’

‘God, nee,’ haastte Thóra zich te zeggen. ‘Alleen is het niet zo heel erg ongewoon op een plek als deze, die heel lang een middelpunt is geweest voor het geloof in het bovennatuurlijke, om het zo maar eens te zeggen. Volgens de legendes wordt de gletsjer bewoond door ene Bárdur, een man die er in een depressieve bui in terecht is gekomen nadat zijn dochter op een ijsberg was afgedreven naar Groenland. Zijn geest wordt geacht de streek te bewaken en aan de gletsjer worden bovennatuurlijke krachten toegeschreven. Ik weet alleen niet of die krachten aan Bárdur toebehoren of aan de gletsjer zelf.’

‘Bovennatuurlijke krachten van een gletsjer?’ Matthews gezicht was een en al ongeloof. ‘Niet om ’t een of ander, maar volgens mij is het gewoon een berg met sneeuw erop die nooit smelt.’

‘Ha ha,’ zei Thóra. ‘Ik vertel je alleen de achtergronden, niet hoe ik er zelf over denk. Geloof in de macht van de gletsjer gaat veel verder dan IJsland — vlak voor de eeuwwisseling kwamen mensen van over de hele wereld hiernaartoe om buitenaardse wezens welkom te heten.’

‘En dat was dus geen volkomen dwaze onderneming?’

Thóra haalde haar schouders op. ‘Het is maar hoe je het bekijkt. De woordvoerder van die mensen zei dat ze wel waren gekomen, maar alleen in de geest. Niet met ruimteschepen en zo. Een soort psychische vervoersmethode.’

‘Psychisch gestoord zul je bedoelen,’ grinnikte Matthew.

Thóra lachte ook. ‘Zou kunnen. Maar het is een ongelooflijk machtige berg.’

‘En hoe past het lichaam dat ze hebben gevonden in dit plaatje?’

‘O, dat. Het lichaam heeft niets met al dat spirituele gedoe te maken. Ik denk het niet tenminste. De eigenaar is het daar niet helemaal mee eens. Volgens hem heeft de geest er op de een of andere manier mee te maken. Hij is nogal een bijzonder type.’

‘Je meent het,’ antwoordde Matthew, fronsend. ‘Is het lichaam hier in het hotel gevonden?’

Thóra vertelde Matthew in het kort waar het lichaam was gevonden en ook dat het een vrouw was die voor Jónas werkte en dat het vermoeden bestond dat ze was vermoord.

‘En is er ook een verdachte?’

‘Voor zover ik weet niet,’ antwoordde Thóra. ‘Ik vraag me zelfs af of de politie er al iets over naar buiten heeft gebracht. De zaak is nog in een beginstadium.’

‘Ik hoop voor jou dat het die Jónas niet is,’ zei Matthew.

‘Nee, hij is het in geen geval,’ zei Thóra luchtig, en ze voegde eraan toe: ‘Ik heb trouwens iets wat wellicht enig licht op de zaak kan werpen.’

‘Heb jij iets? Wat voor iets?’ vroeg Matthew, met ogen die glommen van nieuwsgierigheid.

‘Nou, ik heb de agenda van de vrouw die waarschijnlijk is vermoord. Een soort notitieboekje, eigenlijk,’ antwoordde Thóra, blozend, maar met geveinsde nonchalance.

‘Wat?’ riep Matthew uit. ‘Kende je die vrouw dan?’

‘Ik heb haar nooit ontmoet.’

‘En toch heb je haar agenda? Hoe is dat zo gekomen?’

‘Ik kwam hem toevallig tegen,’ zei ze, waarna ze er meer waarheidsgetrouw aan toevoegde: ‘Eerlijk gezegd heb ik hem gepikt. Per ongeluk.’

Matthew schudde zijn hoofd. ‘Per ongeluk, ja ja.’ Hij vouwde zijn handen in gebed en sloeg zijn ogen ten hemel. ‘Lieve God, laat haar die architect niet hebben vermoord voor die agenda. Zelfs niet per ongeluk.’

Jónas stond in de foyer en zag hoe drie rechercheurs in burger voorbereidingen troffen om Birna’s auto te onderzoeken. Ze waren hiernaartoe gekomen in een speciaal busje dat ze naast de auto hadden geparkeerd. Vervolgens waren ze eruit gesprongen en zonder aan iemand in het hotel hun komst te melden, begonnen ze het kleine sportwagentje en het terrein eromheen te fotograferen. Zodra Vigdís het busje in de gaten had gekregen, had ze Jónas gebeld en hij was onmiddellijk naar de foyer gekomen.

‘Wat doen ze daar in vredesnaam?’ vroeg Vigdís.

Jónas schrok op. Hij had zo ingespannen naar de rechercheurs staan kijken dat hij Vigdís helemaal niet gezien had. Hij greep naar zijn hart en keek haar aan. ‘Jezus, ik schrik me rot.’ Toen keek hij weer naar wat er buiten gebeurde. ‘Voor zover ik kan zien, doorzoeken ze Birna’s auto. Joost mag weten waarom.’

Vigdís kneep haar ogen tot spleetjes om het beter te kunnen zien. ‘Denken ze soms dat ze in haar auto is vermoord?’

Jónas schudde zijn hoofd. ‘Dat kan ik me niet voorstellen. Die auto is al dagen niet van zijn plek geweest. Ik weet zeker dat ik ze dat heb verteld.’

‘Dat maakt toch niets uit?’ zei Vigdís. ‘Ik bedoel, ze kan toch wel in haar auto zijn vermoord, daar op het parkeerterrein.’

Jónas draaide zich bliksemsnel naar haar om. ‘Dat slaat toch verdomme nergens op. Om te beginnen weten we nog niet eens óf ze wel is vermoord, dus laat staan wáár.’

Vigdís haalde haar schouders op. ‘Wie zou er nu in vredesnaam hier bij het strand kunnen verdrinken? Het is er maar zó diep.’ Ze hield haar duim en wijsvinger een centimeter uit elkaar. ‘Ze moet wel zijn vermoord.’

Jónas wilde net tegen Vigdís zeggen dat ze niet zo moest doordraven, toen hij een van de rechercheurs een mobieltje uit zijn zak zag halen. Op de plek waar zij stonden konden ze in de verte de beltoon horen. De rechercheur nam op en ze zagen hoe hij stond te praten. Opeens keek hij op, in de richting van de foyer. Zijn blik vestigde zich op Jónas, die een akelig gevoel in zijn maag kreeg. De agent beëindigde het gesprek zonder zijn blik van de hotelier af te wenden en liep naar de ingang.

‘Wauw,’ fluisterde Vigdís tegen Jónas. ‘Zag je dat? Ik weet zeker dat hij met jou komt praten.’

Thóra haastte zich naar Jónas’ kantoor. Hij had haar gebeld en gevraagd of ze even wilde komen, met als enige verklaring dat de politie hem beschuldigde van dingen waar hij niets van wist. Ze had het eigenaardige gevoel dat Matthews opmerkingen over Jónas een waarschuwing waren geweest en heel even ging het door haar heen dat de gletsjer wellicht toch vreemde krachten bezat.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze, toen ze na te hebben aangeklopt de deur open had gedaan. Jónas zat achter zijn bureau met een vuurrood gezicht iemand aan te kijken. De andere man zat met zijn rug naar haar toe. Hij keek om toen ze opgewekt zei: ‘Alles in orde hier?’

‘Nee, alles is helemaal niet in orde,’ gromde de hoteleigenaar, terwijl hij opstond om een derde stoel bij het bureau te trekken.

De politieman was van middelbare leeftijd en erg lang. Hij kwam een centimeter of vijf omhoog van zijn stoel en stak Thóra zijn hand toe. Zo kon ze voldoende van hem zien om vast te stellen dat hij ook nog eens uitzonderlijk breed en gespierd was. ‘Dag, ik ben Thórólfur Kjartansson, rechercheur.’

‘Dag. Thóra Gudmundsdóttir, advocaat.’ Ze schudden elkaar de hand. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze, terwijl ze naar Jónas keek.

‘Ze schijnen te denken dat ik op de een of andere manier betrokken ben bij de dood van die vrouw,’ snauwde Jónas. Hij gebaarde naar de man tegenover hem en zei: ‘Hij gaat mijn computer en printer meenemen en hij zegt dat hij een bevelschrift heeft om mijn mobiele telefoon in beslag te nemen.’ In zijn woede zat Jónas opeens om woorden verlegen en beperkte zich verder tot het werpen van dodelijke blikken naar Thórólfur.

‘Ik begrijp het,’ zei Thóra. ‘Mag ik dat bevelschrift even zien? Ik ben Jónas’ advocaat en hij heeft mij om juridisch advies gevraagd.’

Zwijgend overhandigde Thórólfur haar een computeruitdraai. Ze las hem vluchtig door en zag dat het een door de West-IJslandse Arrondissementsrechtbank uitgevaardigde machtiging was om Jónas Júlíussons mobiele telefoon in beslag te nemen, waarvoor als reden werd opgegeven dat het in het belang was van het onderzoek naar de moord op Birna Halldórsdóttir. Thóra’s hart sloeg een slag over. Hier stond het zwart-op-wit.

‘Mag ik vragen waar die telefoon voor nodig is?’ vroeg zij kalm.

‘Wij denken dat de telefoon mogelijk informatie bevat die voor ons op dit moment van belang is,’ antwoordde Thórólfur, al even onverstoorbaar.

‘Er wordt verschillende informatie opgeslagen in mobiele telefoons,’ zei Thóra. Ze probeerde zoveel mogelijk tijd te rekken terwijl ze zich probeerde te herinneren wat voor soort mobieltje Jónas had. Bepaalde informatie kon via de telefoonmaatschappij worden verkregen, dus ze waren er niet op uit om erachter te komen wie Jónas had gebeld. Ze moesten het op zijn agenda of op foto’s gemunt hebben, als hij die functies in zijn telefoon had. Wat het bevelschrift ongewoon maakte was dat de politie alleen belangstelling had voor de telefoon. Ze drongen niet aan op het doorzoeken van het gehele gebouw, tenzij een dergelijk verzoek hen reeds was geweigerd. ‘Hier staat wel dat jullie de telefoon mogen meenemen, maar er wordt niet over de sim-kaart gesproken. Mag hij die houden?’ vroeg Thóra, met de flauwe hoop dat datgene wat zij wilden hebben op de kaart stond en niet in het geheugen van het toestel zelf.

Thórólfur griste het bevelschrift uit Thóra’s handen. ‘Het gaat om het mobiele telefoonnummer…’ Zijn ogen gleden over het papier en toen hij had gevonden wat hij zocht liet hij het triomfantelijk aan Thóra zien, en wees met zijn vinger op het nummer ‘… 667 6767. Kijk maar, dat is Jónas Júlíussons nummer. Er staat zelfs dat hij de geregistreerde gebruiker ervan is. Als u mij de telefoon zonder de sim-kaart geeft, geeft u me niet wat het bevelschrift verlangt.’ Tevreden leunde hij achterover in zijn stoel en richtte zich tot Jónas. ‘U moet mij die telefoon geven.’

Thóra keek naar Jónas. ‘Doe je dat liever niet?’

Jónas brieste van verontwaardiging. ‘Wat dacht je dan? Wat moet ik zonder mijn telefoon beginnen? Oké, de ontvangst hier stelt niet veel voor, maar dat kan me niet schelen. Het is mijn telefoon.’

‘Ik adviseer u uw cliënt te adviseren mij te overhandigen wat het bevelschrift verlangt. Het zou uitermate onverstandig zijn dat niet te doen.’ Thórólfur kon zijn ergernis over het uitstel niet bedwingen.

‘Ik heb Birna niet vermoord!’ Jónas sloeg met zijn vuist op het bureau. ‘Hoe kunnen jullie denken dat ik dat zou hebben gedaan?’

‘Dat beweert ook niemand. En ik al helemaal niet,’ antwoordde Thórólfur, rustiger dan eerst. ‘Uw gedrag roept echter wel bepaalde vragen op.’

‘Wat wilt u daarmee zeggen?’ bulderde Jónas. Hij sloeg opnieuw op het bureau, ditmaal zo hard dat een pennenstandaard en andere losse voorwerpen erop stonden te trillen. ‘Ik heb niets met die moord te maken en ik sta erop een leugendetectortest af te mogen leggen om dat te bewijzen, maar mijn telefoon krijgen jullie niet.’

Thóra boog zich naar Jónas toe en pakte zachtjes zijn hand. ‘Jónas, in IJsland worden geen leugendetectors gebruikt. Ze zijn hier niet toelaatbaar als bewijs. Ik adviseer je die telefoon af te geven. Zeker als je niets verkeerds hebt gedaan.’

‘Daar komt niets van in,’ zei Jónas vastberaden. En om zijn vastbeslotenheid te benadrukken sloeg hij zijn armen over elkaar en leunde naar achteren. Toen kwam hij weer naar voren en fluisterde in Thóra’s oor: ‘Ze mogen die telefoon onder geen beding meenemen. Geloof me, dat zou een bijzonder slecht idee zijn.’ Hij schoof weer naar achteren en glimlachte naar de politieman.

‘Goed, ik begrijp het. Geef mij je telefoon.’ Ze keek hem strak aan. ‘Vertrouw me nu maar.’

Jónas keek haar argwanend aan. ‘Nee. Dan geef jij hem aan de politie.’

‘Jónas. Ik zeg toch dat je me moet vertrouwen?’ Thóra hield haar hand voor hem op.

Jónas bleef haar weifelend aankijken. Na een ogenblik te hebben nagedacht haalde hij zijn telefoon uit de zak van de jas die over zijn stoel hing. Hij gaf hem aan Thóra, maar liet hem niet los. ‘Ik meen het, je mag hem de telefoon niet geven.’

Thóra knikte. ‘Ik weet het. Je kunt hem nu wel loslaten.’ Ze slaakte een zucht toen hij zijn greep eindelijk liet verslappen. Tot haar opluchting stelde ze vast dat het geen telefoon met camera was.

‘Geef die telefoon aan mij,’ zei Thórólfur, terwijl hij het vel papier voor haar neus hield om te benadrukken dat hij in zijn recht stond.

‘Een ogenblikje,’ zei Thóra en ze legde haar eigen mobiele telefoon op tafel. Ze maakte de achterkant open en haalde de sim-kaart eruit. Toen deed ze hetzelfde met Jónas’ telefoon en verwisselde vervolgens de kaarten. ‘Alstublieft. Eén mobiele telefoon, nummer 667 6767, geregistreerd op naam van de gebruiker Jónas Júlíusson.’ Ze overhandigde het mobieltje aan de politieman. ‘Volledig conform het bevelschrift, als ik de formulering goed heb begrepen.’ Ze keek Thórólfur glimlachend aan.

‘Briljant, briljant!’ riep Jónas enthousiast toen ze samen Thóra’s kamer binnenstormden. Ze waren daar rechtstreeks met de telefoon naartoe gegaan nadat Thórólfur was gaan bellen om te vragen of Jónas nu werkelijk geacht werd aan de voorwaarden van het bevelschrift te hebben voldaan. Er was inmiddels al een nieuw en preciezer geformuleerd bevel in de maak, dus Thóra had niet zo heel erg lang de tijd om erachter te komen wat het precies was wat de politie van Jónas niet te zien mocht krijgen.

‘Matthew — Jónas. Jónas — Matthew.’ Een korte introductie moest nu maar even voldoende zijn, want de tijd drong. Matthew knikte alleen maar. Hoewel hij er zichtbaar van schrok dat zij zo plotseling kwamen binnenvallen, stelde hij geen vragen. Ze wendde zich tot Jónas. ‘Waarom heb je die man in vredesnaam niet gewoon je telefoon gegeven?’

‘Omdat er nummers in staan die hij absoluut niet mag zien. En sms’jes.’ Jónas dempte zijn stem. ‘Ik rook wel eens een jointje. Er zijn twee kerels bij wie ik het spul koop en hun nummers staan in mijn telefoon. En waarschijnlijk ook sms’jes die ik wel eens heb gestuurd wanneer zij hun telefoon niet opnemen. Als je die leest, weet je meteen waar het om gaat.’

Thóra knikte, verbijsterd over zoveel stommiteit, hoewel ze het wel een overtuigende indicatie vond van zijn onschuld inzake de moord op Birna. Afgaande op de manier waarop hij drugs kocht, zou hij waarschijnlijk een briefje op het lijk hebben achtergelaten met zijn naam erop.

Ze gaf hem de telefoon. ‘Ik mag je niet adviseren iets onwettigs te doen, maar hier heb je de telefoon. Ik wil je eraan herinneren dat de tijd dringt. Mijn pin-code is 4036.’

Jónas zette het mobieltje aan en voerde de code in. Hij ging regelrecht naar zijn adressenlijst en wiste twee namen, terwijl Thóra angstvallig haar best deed hier niet naar te kijken. Toen ging hij naar het berichtenmenu en wiste een aantal ontvangen berichtjes. Terwijl hij door de verzonden boodschappen scrolde, zei hij opeens: ‘Wat?’ en hij hield het toestel een eindje bij zich vandaan om het schermpje beter te kunnen zien. ‘Wat gaan we verdomme nou krijgen?’

Thóra leunde naar voren en stak haar hand uit naar de telefoon. ‘Wat? Wat heb je gevonden?’

Jónas liet haar het mobieltje uit zijn hand pakken. ‘Dat klopt niet.’ Kennelijk was hij ergens heel erg van geschrokken.

Thóra las het kopje van de bovenste boodschap, die het meest recent moest zijn. ‘Kom @ grot…’ stond er als eerste regel, dus opende zij het bericht. Ze kreunde zachtjes toen ze de gehele tekst las. ‘Kom @ grot @ 9 vanavond om ons idee te bespreken. Jónas.’ De boodschap was afgelopen donderdag om vijfentwintig minuten over zeven verzonden, de avond voordat het lichaam was gevonden.

‘Zeg alsjeblieft dat dit niet Birna’s nummer is,’ zei Thóra ongerust, terwijl ze Jónas het toestel teruggaf.

Hij keek naar het mobieltje en toen weer naar Thóra en knikte langzaam.

10

‘Alles in orde?’ vroeg Matthew in het Engels, terwijl hij van Thóra naar Jónas keek, die nog steeds met open mond naar het mobieltje stond te staren.

Het duurde even voordat Thóra en Jónas weer tot spreken in staat waren. Hoewel Matthew vrijwel niets had begrepen van wat er zich tussen hen had afgespeeld, had hij wel in de gaten dat er iets niet in orde was.

Jónas, nog steeds met open mond en sprakeloos, draaide zich naar hem om. ‘Wie is dit eigenlijk?’ vroeg hij, om even aan iets anders te kunnen denken.

‘Dit is Matthew, een vriend uit Duitsland,’ antwoordde Thóra. ‘Hij is rechercheur geweest, maar nu verzorgt hij de beveiliging van een bank. Ik heb hem tijdens een andere zaak leren kennen. Je kunt hem vertrouwen — dit blijft onder ons.’

‘Als jij het zegt,’ antwoordde Jónas, niet helemaal overtuigd. ‘Ik begrijp hier helemaal niets van. Ik heb dat sms’je niet verstuurd, echt niet.’

Thóra draaide het mobieltje met een peinzende blik om en om in haar handen. ‘Iemand heeft het gestuurd, Jónas, en jij bent ontegenzeglijk de meest voor de hand liggende kandidaat.’ Ze richtte zich tot Matthew en vertaalde snel wat er was gezegd. Jónas wachtte in geërgerd stilzwijgen. Toen Thóra bijna klaar was, viel hij haar in de rede.

‘Hoe vaak moet ik het je nou nog vertellen? Ik heb dat berichtje niet verstuurd. Einde verhaal.’ Hij was overgestapt op Engels, blijkbaar in de hoop Matthews steun te krijgen.

‘Heeft je telefoon die avond misschien ergens onbeheerd gelegen?’ vroeg Matthew. ‘Als jij dat sms’je niet hebt verstuurd, dan moet iemand anders het hebben gedaan, hetzij om de verdenking op jou te werpen, of om die Birna naar het strand te lokken. Misschien is het iemand met wie ze anders nooit had willen afspreken.’

‘We hebben in elk geval te maken met een bijzonder koelbloedige moordenaar, iemand die Birna kennelijk met voorbedachten rade heeft vermoord,’ zei Thóra. ‘Ik moet zeggen dat dat erg ongebruikelijk is voor IJsland. Hier worden moorden over het algemeen in de keuken gepleegd, wanneer twee dronkelappen slaande ruzie krijgen en een van de twee een vleesmes grijpt. Waar kan Birna in godsnaam in verwikkeld zijn geraakt dat haar dit is overkomen?’

Thóra en Matthew keken Jónas aan. ‘Het is van het allergrootste belang dat je je herinnert waar je was toen dat sms’je werd verzonden,’ zei Thóra. ‘Laat je je telefoon wel vaker ergens slingeren?’

‘Dat is het hem nou juist,’ zei Jónas. ‘Het mobiele netwerk is erg onbetrouwbaar, dus het heeft weinig zin hem overal met me mee te sjouwen.’

‘Maar waar was je? Weet je dat nog?’ vroeg Matthew.

Jónas krabde zich op zijn hoofd. ‘Dat kan ik me zo gauw niet herinneren. Als ik er even rustig de tijd voor kon nemen, zou ik het misschien wel weer weten. Ik kan mezelf niet dwingen; mijn hoofd is helemaal leeg. Ik ben niet gewend alibi’s te moeten verzinnen — over het algemeen doet het er niet toe waar ik ben geweest.’

‘Hasj tast je kortetermijngeheugen aan, Jónas,’ zei Thóra. ‘Maar je weet vast nog wel waar je was: het is nog maar twee dagen geleden. Was dat niet de avond van de seance? Daar heb ik een aankondiging van zien hangen bij de receptie.’

Jónas tikte op zijn voorhoofd. ‘Ja, ja. Natuurlijk. Donderdagavond.’ Hij had nog steeds een wezenloze blik in zijn ogen. ‘Maar ik kan me niet herinneren wat ik heb gedaan. Ik heb de seance niet bijgewoond, dat weet ik zeker.’

‘Mooi zo,’ zei Thóra. ‘Blijf proberen het je te herinneren. Het is belangrijk.’ Ze pakte de telefoon uit zijn handen en liep de berichten nog eens door. ‘Eén ding vind ik wel vreemd,’ zei ze peinzend, nadat ze ze allemaal nog een keer had gelezen. ‘Waarom heeft Birna gehoor gegeven aan het berichtje? Als ik een berichtje van jou zou krijgen waarin je me vraagt om naar een grot te komen, zou ik je terugbellen om te vragen waarom.’

‘Waarschijnlijk vond zij het geen vreemd verzoek. Ze had zelf voorgesteld dat ik op het strand, bij die grot, een restaurantje zou laten bouwen, maar dat vond ik geen geweldig idee. Als ze heeft gedacht dat ik van gedachten was veranderd, was ze er onmiddellijk naartoe gerend.’

‘En was dat algemeen bekend?’ vroeg Matthew.

‘Min of meer,’ antwoordde Jónas. ‘Birna was nogal een kletskous. Ze was niet bepaald het toonbeeld van discretie.’

In gedachten verzonken, staarde Thóra Jónas aan. ‘Vertel me eens: als jij haar niet hebt vermoord, wie kan het dan wel hebben gedaan? Je hebt haar beschreven als een fantastische vrouw, iemand aan wie niemand een hekel had. Ik kan me niet voorstellen dat veel mensen een reden kunnen hebben gehad om een doodgewone architect te vermoorden.’

Jónas keek van haar naar Matthew. ‘Eh… Misschien heb ik wat dat betreft niet de hele waarheid verteld. Eigenlijk was ze gewoon een rotwijf. Mijn personeel kon haar niet uitstaan. Ze behandelde hen heel erg uit de hoogte, maakte de hotelfilosofie belachelijk… Er is een lange lijst van mensen die de pest aan haar hadden. Maar ik weet niet hoeveel er in staat zouden zijn haar te vermoorden. Wie doet nu zoiets? Het slaat nergens op.’

‘Ik hoop voor jou dat je een duidelijke aanwijzing over het hoofd ziet,’ zei Matthew, ‘anders zal de politie je zeker als hoofdverdachte aanwijzen.’

‘Ga jij nou maar eens heel erg je best doen om je te herinneren waar je donderdagavond bent geweest,’ zei Thóra. ‘Dan gaan Matthew en ik intussen proberen iets meer over Birna te weten te komen. Bereid je erop voor dat je je telefoon zult moeten afgeven. Verzet je niet. Waarschijnlijk hebben ze het sms’je op Birna’s telefoon gezien en willen ze jouw toestel alleen maar gebruiken om het te bevestigen. Laat het bericht er in elk geval op staan. Door het te wissen zou je jezelf alleen maar nog verdachter maken.’

‘O, denk je?’ zei Jónas somber.

‘En geef me mijn sim-kaart terug. Het is niet nodig dat de politie die in handen krijgt.’

‘Op de een of andere manier ben ik ervan overtuigd dat de moord verband houdt met dit huis of met de streek,’ zei Thóra, die afwezig een grassprietje plukte.

‘Waarom denk je dat?’ vroeg Matthew, en hij nam een slok koffie. Ze zaten in ligstoelen op het gazon achter het hotel en genoten van het uitzicht over de Faxaflói Baai. ‘Het motief is veel waarschijnlijker in het heden te vinden dan in het verleden: liefde, geld, waanzin. De moordenaar kan zelfs een wildvreemde zijn geweest; misschien zag hij een vrouw in haar eentje lopen en verloor hij zijn zelfbeheersing.’

Thóra kauwde op het sprietje. ‘Het sms-bericht doet anders vermoeden.’ En terwijl ze de grasspriet tussen haar tanden liet draaien, voegde ze eraan toe: ‘Ik heb gewoon zo’n gevoel dat het op de een of andere manier iets met het hotel te maken heeft. Er klopt iets niet aan dit gebouw. En aan haar agenda. Er wordt met geen woord in gerept over liefde of geld. Je krijgt de indruk dat Birna een workaholic was.’

‘Zou het niet kunnen dat het alleen een werkagenda is? Misschien had ze een andere voor haar privéleven.’ Matthew zag de grasspriet op en neer bewegen in Thóra’s mondhoek. ‘Ik wist niet dat IJslandse vrouwen tabak pruimden.’ Hij grijnsde. ‘Is dat lekker?’

‘Probeer het zelf maar. Goed voor de concentratie,’ zei Thóra, en ze plukte nog een grassprietje. Ze gaf het aan hem en schoot in de lach toen hij een vies gezicht trok, maar zichzelf toch dwong het te proberen. ‘In die agenda staat vast iets wat ons kan helpen de moordenaar te vinden.’ Ze zag hoe Matthew op het gras kauwde. ‘Lekker, hè? Nu nog een paar rubberlaarzen en je bent een perfecte IJslandse boer.’

‘Rubber hoort thuis in autobanden, elastiekjes en tennisballen, niet in schoeisel.’ Matthew haalde de grasspriet uit zijn mond. ‘Moeten we die agenda niet eens gaan bekijken?’

Thóra kwam overeind in haar ligstoel. ‘Er is één ding dat we misschien moeten doen. In de agenda stond een plattegrond van de andere boerderij op dit land. Er stonden allerlei aantekeningen bij waarvan we de betekenis misschien kunnen uitpluizen als we er een kijkje gaan nemen.’

Matthew kwam ook overeind. ‘Zeg jij het maar. Ik ga wel met je mee om lijfwachtje te spelen.’ Hij knipoogde naar haar. ‘Ik heb zo’n gevoel dat dit onderzoek je naar allerlei dubieuze plekken gaat voeren. Je hebt al een dode vrouw bestolen, haar van haar bezittingen beroofd en de rechtsgang belemmerd door Jónas verdachte informatie van zijn telefoon te laten wissen. Ik kan niet wachten om te zien hoe dit gaat aflopen.’

‘Hier staat de naam Kristín geschreven, met een vraagteken erachter. Misschien moeten we daar beginnen.’ Thóra wees naar de bladzijden met de plattegrond van de boerderij. Aan het einde van de gang stonden ze voor de keuze om de bovenverdieping te inspecteren of de begane grond, die volgens de plattegrond uit twee woonkamers, een keuken, een voorraadkamer, een toilet en een studeerkamer moest bestaan.

‘Dat is toch boven? Kunnen we niet beter eerst hier beneden rondkijken?’ zei Matthew, die door een deuropening aan zijn linkerhand een kamer binnen gluurde.

‘Ook goed,’ zei Thóra, en ze klapte de agenda dicht. Ze had haar pogingen er geen vingerafdrukken op achter te laten maar opgegeven, want tenzij ze ertoe gedwongen werd, was ze toch niet van plan hem terug te brengen. ‘Jakkes, wat een stank.’ In het hele huis hing een eigenaardige lucht die Thóra niet kon thuisbrengen. Het was een mengeling van optrekkend vocht, droog stof en mottenballen. Eén ding stond vast — het huis was al tientallen jaren niet meer fatsoenlijk gelucht. ‘Getver,’ zei ze, en ze hield haar hand voor haar neus en mond.

Matthew haalde diep adem. ‘Je moet juist proberen er zo snel mogelijk aan gewend te raken. Na een tijdje ruik je het dan niet meer.’ Stoutmoedige woorden, maar zodra hij ze had uitgesproken trok hij een vies gezicht. ‘Oef, kunnen we niet ergens een raam openzetten?’

Ze gingen de kamer aan de linkerkant van de hal binnen, die volgens Birna’s plattegrond als studeerkamer in gebruik was geweest. De deurknop was antiek en van dik hout gemaakt, maar er was een flinke ruk voor nodig om hem in beweging te krijgen. De deur leek kromgetrokken en Thóra verbaasde zich erover hoeveel dikker moderne deuren waren. Ze liep achter Matthew aan naar binnen en ze keken even zwijgend rond.

‘Hier valt niet veel te zien,’ mompelde hij nadat ze de lege boekenkasten langs de muren hadden bekeken en de laden hadden geopend van een groot bureau onder het vieze raam. De laden bleken net zo leeg te zijn als de planken, op een oud potloodje na. Er was met een mes een punt aan geslepen en er zat geen gummetje aan de onderkant.

‘Maar moet je dit eens zien,’ zei Thóra. ‘Zo te zien hebben er nog niet zo lang geleden boeken op deze planken gestaan.’ Ze wees naar het stof. Het lag dik op de randen, maar iets dunner op de achterkant van de planken, hoewel het verschil nauwelijks waarneembaar was.

Matthew kwam ook even kijken. ‘Inderdaad. Denk je dat Birna de boeken heeft meegenomen? Misschien waren ze waardevol.’

Thóra haalde haar schouders op. ‘Ik kan het me niet voorstellen. In haar aantekeningen zegt ze niets over boeken, maar dat zou ze natuurlijk ook niet hebben gedaan als ze van plan was geweest ze te stelen. De vorige eigenaars zullen ze wel hebben meegenomen. Volgens Jónas hadden ze gezegd dat ze alle kasten zouden leeghalen.’

Ze liepen dieper het huis in, waar ze twee kamers en suite aantroffen met ouderwetse meubels: een aftands bankstel dat ooit heel modieus was geweest, een indrukwekkend dressoir en een mahoniehouten eethoek met een verschoten geborduurd kleed op de tafel. Er stonden een paar kleine bijzettafels zonder enige decoratie. Aan de wanden hingen twee schilderijen, één van een schip en de ander met een afbeelding van de Snaefellsnes-gletsjer. Ze waren allebei te smerig om de naam van de kunstenaar te kunnen lezen. Het dressoir was leeg, net als de porseleinkast.

‘Plof jij eens op die bank neer,’ zei Matthew, en hij wees op de stoffige bekleding. Door het vuil heen waren nog heel flauw de omtrekken van een bloemenpatroon te onderscheiden. ‘Ik wil de stofwolk wel eens zien die er dan opstijgt.’

‘Nee, dank je,’ zei Thóra. ‘Doe het zelf maar. Ik geef je honderd krónur.’

Matthew streelde haar arm. ‘Ik kan wel een betere beloning bedenken dan harde contanten.’

Thóra begon te lachen. ‘Ik denk dat we wel iets kunnen regelen.’ Toen keek ze weer naar de bank en haalde haar neus op. ‘Maar ik denk toch dat je het beter niet kunt doen; ik weet niet of de stofwolk weer gaat liggen voordat het donker wordt en dan komen we hier nooit meer uit. Kom, dan gaan we in de keuken kijken.’

De keuken was minder spartaans ingericht dan de andere kamers, maar net zo ouderwets, met bescheiden houten keukenkasten en een kleine, ondiepe gootsteen. Vergeleken met een moderne keuken was het werkoppervlak niet groot, maar er was wel veel meer vloerruimte dan Thóra gewend was. Aan haken aan de muur hingen houten lepels en een stalen vismes en op het fornuis stond een tinnen koffiepot.

‘Raar dat ze zoveel persoonlijke spullen hebben achtergelaten,’ zei Thóra, om zich heen kijkend.

Toen Matthew een van de keukenkasten opende trof hij een hele verzameling kopjes en glazen aan. ‘Het is natuurlijk een vervelend karweitje, hè? Iets wat steeds weer wordt uitgesteld en uiteindelijk gebeurt het dus helemaal niet meer. Misschien zijn de mensen die hier woonden overleden en hadden de erfgenamen zelf al voldoende koffiepotten en meubels, zodat ze helemaal geen zin hadden om…’ Opeens zweeg hij en wees naar een kartonnen doos op een van de keukenstoelen. ‘Kijk daar eens, wat is dat?’

De doos zat vol voorwerpen die in krantenpapier waren verpakt. Naast de doos lag een stapel tijdschriften. Thóra pakte er eentje om naar de datum te kijken. ‘Van afgelopen mei. De vorige eigenaars zijn hier dus onlangs nog dingen komen inpakken. En wat is dit?’ vervolgde ze, en ze wees op een thermosfles die achter de doos stond. ‘Die is niet oud.’ Ze pakte de fles op en schudde hem heen en weer. Ze hoorde vloeistof klotsen, draaide de dop eraf en snuffelde er voorzichtig aan. ‘Koffie,’ zei ze. ‘Dit moet zijn achtergelaten door Elín en Börkur, of door andere mensen die ze hebben gestuurd om al deze spullen weg te halen.’ Ze zette de thermosfles weer neer.

‘Wie zijn die voormalige eigenaars, Elín en Börkur? Hebben ze hier gewoond?’ vroeg Matthew.

‘Zij zijn de broer en zus die het land hebben geërfd. Van middelbare leeftijd. Of ze hier gewoond hebben weet ik niet, maar ik betwijfel het als je ziet hoe oud al deze spullen zijn.’ Thóra keek de keuken rond. ‘Ze waren hooguit vijftig. Deze spullen zijn veel ouder, dus ik kan me niet voorstellen dat ze hier zijn opgegroeid.’

‘Maar waarom zijn ze juist nu opeens alles komen weghalen?’ vroeg Matthew zich af. ‘Ik neem aan dat alles al een paar jaar geleden is verkocht. Het nieuwe gedeelte van het hotel is niet in een paar maanden tijd gebouwd.’

‘Nee, je hebt gelijk. Ik denk dat het komt door Jónas’ plan om een nieuw gebouw naast deze boerderij neer te laten zetten, ook al is dat plan uiteindelijk niet doorgegaan.’ Thóra opende een voor een alle keukenlades en keek erin. Er lag niets bijzonders in.

Ook op de rest van de begane grond was verder niets meer te vinden. De voorraadruimte bevatte dingen die zo te zien al tientallen jaren op de planken stonden, maar ook een paar nieuwe kartonnen dozen. Ze maakten er een paar open en veronderstelden dat de rest eveneens siervoorwerpen bevatte die uit de woonkamers waren weggehaald en stoffige oude boeken van de boekenplanken. Matthew ging even een kijkje nemen op het toilet en toen hij terugkwam zag Thóra meteen aan hem dat ze niets had gemist.

‘Laten we naar boven gaan,’ zei hij, terwijl hij met een bleek gezicht naar de trap liep.

Eerst wierpen ze nog even een blik achter een deur die naar de kelder leidde, maar omdat er geen licht was vond Thóra het niet nodig beneden te gaan kijken. In plaats daarvan liepen ze naar boven. Op de overloop troffen ze vijf deuren aan, allemaal gesloten. De eerste die Matthew probeerde bleek op slot te zitten. Toen hij de knop van de volgende pakte, bleef hij opeens staan. ‘Kijk eens op de tekening om uit te vinden welke deur die van het toilet is.’

Na een blik in Birna’s agenda te hebben geworpen, stelde Thóra voor de kamer te bekijken waar ‘Kristín?’ bij stond. ‘Volgens mij had Birna daar de meeste belangstelling voor,’ zei Thóra, en ze wees naar de deur.

‘Ik vergeef het je nooit als je me in de maling neemt en dit weer een wc is,’ zei hij voordat hij de deur opende.

‘We zullen zien,’ zei Thóra en ze duwde de deur open zodra hij de deurknop omdraaide.

Ze liepen een kinderslaapkamer binnen, waarschijnlijk die van een klein meisje. Aan het hoofdeinde van een wit geschilderd bed zat een oude teddybeer met één oog. Hij had een lichtbruine vacht en alleen zijn borst was van een grijze stof gemaakt. Zijn poten waren met zwarte metalen knopen aan de schouders en heupen bevestigd en Thóra vond het ontroerend om te zien hoe het verschoten rode lint om zijn nek onder de zwaartekracht was bezweken en slap tot halverwege zijn borst bungelde. Naast de teddybeer zat een haveloze pop met geschilderde ogen naar de muur tegenover het bed te staren.

‘Er klopt hier iets helemaal niet,’ zei Thóra bezorgd.

‘Inderdaad,’ antwoordde Matthew. ‘Hier is iemand in grote haast vertrokken. Kijk maar.’ Hij liep naar een plank waarop een paar stoffige boeken stonden. Onder de plank stond een wit geschilderd bureautje waarop een vel papier lag met een half afgemaakte tekening erop. Een aantal kleurpotloden lag over het bureautje verspreid. Hij pakte de tekening op om hem beter te kunnen bekijken. De hoeken waren omgekruld en het papier was bedekt met een laagje grijs stof. Hij blies erop en wuifde een stofwolkje weg. Toen gaf hij de tekening aan Thóra. ‘Het kind heeft niet eens tijd gehad om haar tekening af te maken.’

Thóra bestudeerde de afbeelding nauwkeurig. De tekening moest zijn gemaakt door een kind dat niet veel ouder kon zijn dan haar eigen dochter, Sóley, die zes was. Hij stelde een brandend huis voor, met grote vlammen die dwars door het dak omhoogkwamen. Ongeveer de helft van de tekening was ingekleurd.

‘Eigenaardig onderwerp,’ zei Thóra, terwijl ze het vel papier neerlegde. ‘Denk je dat het een tekening van dit huis is?’

Matthew schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat denk ik niet. Het mag dan een kindertekening zijn, maar dat huis heeft duidelijk maar één verdieping.’ Hij fronste. ‘En de deur is wel heel erg groot.’

Thóra wees naar het raam. ‘Zijn dat ogen?’ Ze boog zich over het bureautje heen om het beter te kunnen zien. ‘Krijg nou wat. Het kind heeft iemand in het huis getekend. Kijk, je kunt een open mond zien, maar geen neus.’

Matthew bukte zich. ‘Alleraardigst onderwerp voor een tekening. Misschien was het kind een beetje vreemd.’

‘Of het had iets verontrustends gezien,’ zei Thóra, zich omdraaiend van het bureau. ‘We moeten meer te weten zien te komen over de familie die hier heeft gewoond en waarom ze zijn weggegaan. Ik weet dat de man die hier woonde Grímur heette en volgens mij had hij maar één dochter, die zo jong was toen ze overleed dat zij deze tekening nooit kan hebben gemaakt. Misschien heeft er na hen nog een ander gezin gewoond.’ Ze liep naar een kleine deur. Toen ze hem voorzichtig opentrok zag ze dat het een hangkast was. Er hingen verschillende kleerhangers aan de stang. Aan twee ervan hingen nog kleren, een truitje en een dun katoenen onderjurkje. Ze waren allebei te groot om van Edda te zijn geweest, die volgens het album in de kelder van het hotel vier jaar was geweest toen ze overleed.

‘Wat zit daarachter?’ vroeg Matthew, en hij wees in de kast.

Thóra stak haar hoofd naar binnen en zag tegen de achterwand van de kast een raamwerk rond een rechthoekige plank, die iets naar voren kwam van de muur. Toen ze op de plank duwde viel hij naar binnen. ‘O, kijk!’ riep ze uit. ‘Het is een scharnierend deurtje en er loopt een trap naar boven.’

Ze tuurden om beurten in het donkere gat en Matthew haalde zijn autosleutel tevoorschijn. Er hing een piepklein lampje aan dat hij als zaklantaarn kon gebruiken. Hij verlichtte de trap. ‘Kijk,’ zei hij, terwijl hij op een van de treden wees, ‘een voetafdruk in het stof. Er is hier iemand geweest.’

‘Birna. Dat moet Birna zijn geweest,’ zei Thóra resoluut. ‘Zij heeft de toestand van de balken in haar agenda genoteerd en wilde weten hoe de dakspanten eraan toe waren. Dit moet naar een zolder leiden. Zullen we naar boven gaan?’

Matthew keek geamuseerd. ‘Best, maar dan moet ik eerst wel even een mes gaan zoeken. Ik hoef alleen mijn arm maar af te hakken, en misschien mijn schouder ook maar voor alle zekerheid.’ Hij wees op de opening. ‘Daar kom ik van m’n leven niet doorheen.’

‘Geef die autosleutels dan maar aan mij,’ zei Thóra. Met het lampje in haar mond klauterde ze in de kast en wrong zich door de kleine opening. Voordat ze de trap op klom, draaide ze zich nog even lachend naar Matthew om. ‘Tot zo. Ik vermoord je als ik over een rat struikel.’ Ze stapte op de eerste trede. Opeens bedacht ze iets en stak nog even haar hoofd door het gat. ‘Of een muis. Als ik een muis tegenkom vermoord ik je ook.’

De zolder was helemaal leeg. Toen Thóra de zwakke lichtstraal van het zaklampje over de vloer liet glijden, zag ze dat Birna hierboven had rondgelopen. Eigenlijk durfde Thóra niet op de vloer te gaan staan, voor het geval hij haar gewicht niet zou kunnen houden; aan de kleren te oordelen die Thóra in haar kamer had gezien was Birna veel kleiner geweest dan zij. Het liefst had Thóra de zolder bekeken vanaf de trap waarop ze stond, maar toen het licht op iets blinkends viel naast een van de houten steunbalken, kon ze de verleiding niet weerstaan. Voetje voor voetje liep ze over de vloer. Bij elke stap die ze zette kraakte en piepte het en eigenlijk verwachtte ze elk moment boven op Matthew in de kamer onder haar te storten. Of, nog veel erger, in de wc. Ze scheen met het kleine zaklampje verder voor zich uit en zag dat Birna — of wiens voetstappen het dan ook waren — daar ook was geweest. Toen ze eindelijk bij de steunbalk aankwam, slaakte ze een zucht van verlichting. Ze bukte zich en bracht het lampje dichter bij het voorwerp dat ze had gezien.

Goud. Of in elk geval verguld. Met een glimlach raapte Thóra een gevleugelde borstspeld op, die leek op het insigne van een piloot. Ze legde hem weer neer en pakte een gebarsten porseleinen kopje op. Er zat een zilveren lepeltje in dat zwart was uitgeslagen, en ook nog twee witte melktandjes en een kettinkje met een kruisje eraan. Verder lag er nog een keurig stapeltje omgekrulde filmsterrenfoto’s. Thóra wilde zich net weer oprichten toen haar oog ergens op viel. Ze scheen met het lichtje op de verticale balk en boog zich ernaartoe. Er waren woorden in het hout gekrast. Ze hield haar hoofd schuin om het te kunnen lezen.

‘Matthew!’ riep ze uit. ‘Ik zie hier Kristíns naam staan!’

‘Wat?’ hoorde ze hem antwoorden.

Ze bukte zich weer om de inscriptie nogmaals te lezen en in haar hoofd te prenten voor Matthew, die haar kennelijk niet goed kon verstaan. Er stond: papa heeft kristín vermoord. ik haat papa.

11

‘Ja, zoals ik al zei hebben ze eindelijk besloten al die rommel weg te halen,’ zei Jónas, die achteroverleunde in zijn stoel. Ze zaten op hun gemak bij het vuur in een nis naast de bar, waar oude foto’s aan de muren hingen. Uit respect voor Matthew spraken ze Engels met elkaar en de vrijwel accentloze uitspraak van de hotelier herinnerde Thóra aan het feit dat hij zijn fortuin in het buitenland had verdiend. ‘Ik heb Birna gevraagd ze mee te delen dat we binnenkort met het werk aan de uitbreiding zouden beginnen en dat ze alles wat ze wilden hebben moesten weghalen voordat de bouw zou beginnen. Uiteindelijk gingen de plannen voor de uitbreiding niet door, maar ze begonnen toch met leegruimen. Ik heb geen idee hoe ver ze er al mee zijn. Ik heb in elk geval nog niet gehoord dat ze klaar zijn.’

Matthew nam een slok bier. ‘Hebben ze hier wel eens overnacht?’

‘Nee, ze hebben nog nooit om een kamer gevraagd, maar ze zijn hier wel een paar keer geweest en ze hebben ook in het restaurant gegeten.’

‘Zijn ze hier allebei geweest om de boerderij leeg te ruimen of alleen Elín?’

‘Ik heb geen idee,’ antwoordde Jónas. ‘Ik herinner me één keer dat ze met een heel stel waren, de broer en zijn vrouw, de zus en twee kinderen, zijn zoon en haar dochter. Ik weet niet of ze hier alleen maar een dagje waren of dat ze ergens in de omgeving geslapen hebben. Volgens Vigdís kwam het jonge meisje een paar keer naar de receptie om te vragen of wij kartonnen dozen hadden. Ik geloof dat ze nog steeds wat grond hier op het schiereiland bezitten, dus misschien hebben ze daar overnacht. Volgens mij hebben ze ook nog een huis in Stykkishólmur of Ólafsvík, dat ze als zomerhuis gebruiken. Dat is hier geen van beide erg ver vandaan.’

‘Kan een van hen iets tegen Birna hebben gehad?’ vroeg Thóra.

‘Voor zover ik weet niet,’ zei Jónas. ‘Ik weet dat ze de broer heeft gesproken, maar volgens mij ging het er allemaal vriendschappelijk aan toe. Ze was op zoek naar informatie over de tijd dat de boerderijen nog werden bewoond. Ik denk dat ze hoopte dat hij nog oude plattegronden had of iets dergelijks.’

‘En heeft ze die gevonden?’ vroeg Thóra.

‘Nee, volgens mij niet,’ antwoordde Jónas. ‘Bij mijn weten had hij niets, of misschien heeft hij haar iets gegeven waar ze achteraf niets aan bleek te hebben. Ik weet dat hij haar toestemming heeft gegeven tussen de oude spullen in de kelder van Kirkjustétt te zoeken en ook aan de andere kant op Kreppa.’

‘Heeft Birna ooit de naam Kristín genoemd?’ vroeg Thóra. ‘Heeft ze hen naar haar gevraagd?’

Jónas schudde zijn hoofd. ‘Niet dat ik weet. Wie is dat? Kristín?’

‘Geen idee,’ antwoordde Thóra. ‘Ze zal wel niets met dit alles te maken hebben. We hebben haar naam gezien…’ Thóra wist zich nog net in te houden voordat ze over Birna’s dagboek begon ‘… op een balk in de boerderij. Misschien is het wel de naam van een huisdier, een kat, of een lammetje. We denken dat de naam in het hout is gekrast door een kind.’

‘Kristín is wel een vreemde naam voor een kat,’ zei Jónas. ‘Maar ik herinner me niet dat Birna het ooit over een Kristín heeft gehad, of het nu een mens was of een dier.’

Het bleef een tijdje stil. Thóra nam een slokje van de witte wijn die Jónas voor haar had laten aanrukken en nam de omgeving in zich op. De gelagkamer was gezellig, met een ouderwetse inrichting, ook al bevond hij zich in een modern gebouw.

‘Zijn dat lokale portretten?’ vroeg Thóra, en ze wees op de oude foto’s aan de muren.

‘Nee, die heb ik in een antiekwinkeltje gekocht. Ik heb geen flauw idee wie die mensen zijn. Het was een ideetje van Birna.’ Jónas keek om zich heen. ‘Ik vond het wel wat hebben.’

Matthew en Thóra knikten instemmend. ‘Misschien kun je de familie om toestemming vragen een aantal van de foto’s in de dozen in de kelder te gebruiken,’ stelde Thóra voor. ‘Er zitten verschillende albums bij en ook een paar ingelijste foto’s, en volgens mij staan de vroegere bewoners erop. Ik denk dat ze hier heel mooi zouden staan. Ik heb de meeste mee naar mijn kamer genomen om ze nog eens wat beter te kunnen bekijken, dus als je wilt kan ik ze je laten zien.’

Jónas huiverde. ‘Dank je voor het aanbod, maar nee. Hoe minder ik van die mensen weet, hoe beter.’

‘Van welke foto heb je die geest nu eigenlijk herkend?’ vroeg Thóra. ‘Ik heb ze allemaal bekeken en er zijn er een paar die in aanmerking komen.’

‘Het was een ingelijste foto van een jong meisje,’ antwoordde Jónas. ‘Blond. Ze leek als twee druppels water op de verschijning in mijn kamer.’

‘Dus het was geen kind?’ vroeg Thóra. ‘Ik was in de veronderstelling dat het om een kind ging.’ De enige ingelijste foto die Thóra was tegengekomen was er een van Gudný, het portretje dat ze op haar nachtkastje had gezet. Op die foto was Gudný geen kind meer geweest, maar een tiener.

‘Weet ik veel,’ zei Jónas, ‘een jong meisje, veel jonger dan ik — in mijn ogen nog een kind.’

‘En je weet absoluut zeker dat het echt is gebeurd?’ viel Matthew hem in de rede. Zijn blik sprak boekdelen. ‘Je hebt het niet gedroomd?’

‘Nee,’ snauwde Jónas. ‘In geen geval. Ik was moe, dat verklaart een heleboel. Wanneer je er zo aan toe bent, staat je geest meer open en ben je ontvankelijker voor bovennatuurlijke fenomenen. Het is echt gebeurd, geloof me.’

‘Goed,’ zei Thóra resoluut. ‘Daar hebben we het later nog wel over. Vertel eens, herinner je je al iets meer over waar je donderdagavond was?’

‘O, dat,’ zei Jónas. ‘Ja, ik herinner me dat ik hier was toen de seance op het punt stond te beginnen en dat ik toen besloot er niet naartoe te gaan. Ik was bang voor wat er misschien uit zou komen.’

‘Bang?’ riep Matthew uit. ‘Waar was je dan bang voor?’

‘Voor wat er aan het licht zou kunnen komen. Deze plek blijkt heel boosaardig te zijn en ik heb niet de behoefte om dat bevestigd te zien door geesten van overledenen,’ antwoordde Jónas, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. ‘Dus besloot ik een wandeling te gaan maken om mijn energievelden op te laden. Er hing een lage mist, en die is daar heel bevorderlijk voor.’

Thóra ging snel verder, voordat Matthew de kans kreeg hem naar die energievelden te vragen. ‘Ben je iemand tegengekomen tijdens die wandeling?’

‘Nee,’ antwoordde Jónas. ‘Niemand. Het was slecht weer en buiten het seizoen, dus er was verder geen levende ziel te bekennen.’

‘Je vergeet Birna,’ zei Thóra. ‘En de moordenaar. Die moeten op dat moment ook buiten zijn geweest.’ Ze keek Jónas smekend aan. ‘Vertel me alsjeblieft niet dat je naar de inham bent geweest waar Birna’s lichaam is gevonden.’

‘Nee, daar ben ik niet geweest,’ zei hij. ‘Ik was behoorlijk opgefokt; ik heb eigenlijk gewoon maar wat rondgelopen. Ik had een mannetje uit de buurt ingeschakeld om de afvoerpijp onder de oprit te repareren en die dag had hij de hele weg opgebroken en was vervolgens naar huis gegaan zonder het karwei af te maken. De bezoekers van de seance moesten hun auto’s langs de grote weg laten staan en de rest lopen. Twee kilometer. Ik denk dat veel mensen rechtsomkeert hebben gemaakt en je kunt je voorstellen hoe boos de andere hotelgasten waren toen ze erachter kwamen dat ze niet weg konden met hun auto’s.’

‘Wanneer is de oprit weer in orde gemaakt?’ vroeg Matthew.

‘Meteen de volgende ochtend,’ zei Jónas, opnieuw geërgerd bij de herinnering aan de wegwerker. ‘Hij had niet veel keus nadat ik hem op zijn falie had gegeven.’

‘Dus er kunnen geen auto’s heen en weer hebben gereden tussen het hotel en de inham waar Birna waarschijnlijk die avond is vermoord?’ vroeg Thóra.

‘Nee, dat was onmogelijk,’ zei Jónas. ‘Er zat een enorm gat in de weg.’

‘Had je tijdens die wandeling je telefoon bij je?’ vroeg Matthew.

Daar hoefde Jónas niet over na te denken. ‘Nee, zeker niet. Die zendt golven uit die mij storen bij het opladen van mijn energievelden.’

Matthew fronste zijn voorhoofd. Hij leek Jónas net te willen vragen hoe het zat met die energievelden toen Vigdís naar hen toe kwam lopen met een paar computeruitdraaien.

‘Dit zijn de lijsten waarom je had gevraagd,’ zei ze, en ze overhandigde Jónas twee velletjes papier. ‘Dit zijn de namen van de gasten die donderdag en vrijdagavond in het hotel verbleven, en dit zijn de mensen met reserveringen die niet zijn komen opdagen of hebben geannuleerd.’ Ze glimlachte gekunsteld naar Thóra en Matthew. ‘Ik moet terug naar de receptie om de telefoonlijnen te bemannen.’ Ze liep weg en Jónas riep haar een bedankje na.

Na een vluchtige blik op de lijsten te hebben geworpen, gaf hij ze aan Thóra. ‘Dit is een uitdraai van het reserveringssysteem, waar je waarschijnlijk niet veel aan zult hebben. Ik kan me niet voorstellen dat een van de hotelgasten Birna heeft vermoord. Dat komt me wel heel erg ongeloofwaardig voor.’

‘Je weet maar nooit,’ wees Thóra hem terecht. Ze begon te lezen. Het was geen lange lijst. ‘Zijn dit niet erg weinig boekingen? Zoveel namen staan hier niet.’

‘Nee hoor,’ antwoordde Jónas, met een gekwetste uitdrukking. ‘Je kunt niet verwachten dat het hotel buiten het hoogseizoen helemaal is volgeboekt. Het toeristenseizoen duurt maar zo kort dat je het nauwelijks een seizoen kunt noemen. Ik overweeg hier ’s winters evenementen te gaan organiseren om mensen te trekken. Anders ziet het er niet goed uit.’

Thóra knikte zonder haar blik van de lijst af te wenden. ‘Volgens deze gegevens waren er donderdagavond acht kamers bezet en vrijdag tien.’

‘Inderdaad,’ zei Jónas. ‘Ik weet natuurlijk niet alle cijfers uit mijn hoofd, maar volgens mij klopt dat wel zo ongeveer.’ Hij pakte zijn bier en nam een slok. ‘Dit is biologisch bier,’ zei hij toen hij zijn glas weer neerzette en het schuim van zijn bovenlip veegde.

Thóra zag Matthews wenkbrauwen bewegen. Hij snuffelde argwanend aan zijn glas. Voordat hij Jónas kon gaan doorzagen over brouwmethoden, hield ze Jónas de lijst voor en zei: ‘Ken je iemand van deze gasten? Komen hier bijvoorbeeld veel vaste klanten?’

‘We zijn nog maar zo kort open dat we helaas nog geen vaste klantenkring hebben opgebouwd, maar als het goed is weet ik nog wel wie dit zijn.’ Jónas zette zijn vinger bij de bovenste naam. ‘Eens even zien, meneer en mevrouw Brietnes — nee, dat was een bejaard echtpaar uit Noorwegen en het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat die iets met Birna’s dood te maken hebben.’ Hij liet zijn vinger een stukje omlaag glijden. ‘Karl Hermannsson — die kan ik me niet herinneren; zo te zien is hij maar één nacht gebleven. Maar dit echtpaar herinner ik me wel, Arnar Fridriksson en Ásdís Henrýsdóttir — die zijn hier al eerder geweest. Zij zijn geïnteresseerd in wat wij hier doen en nemen altijd veel behandelingen. Zij kunnen er niets mee te maken hebben. Wacht eens even. Wie hebben we hier? Thröstur Laufeyjarson?’ Jónas dacht even na. ‘O ja, de kanoër. Die peddelt hier wat rond als training voor een wedstrijd. Hij heeft tot woensdag geboekt. Heel zwijgzaam, heel chagrijnig. Zou best een moordenaar kunnen zijn.’

‘Dat hoeft helemaal niet,’ zei Thóra, die niet geloofde dat moordenaars geslotener of zwijgzamer waren dan de rest van de mensheid. ‘En deze buitenlanders?’ Ze wees naar de volgende namen.

‘Meneer Takahashi en zijn zoon.’ Jónas keek glimlachend naar Thóra op. ‘Veel, maar dan ook veel te beleefd om iemand te vermoorden. Allebei heel rustig en bovendien is de vader herstellende van behandelingen tegen kanker. Zijn zoon verliest hem geen moment uit het oog. Die kun je meteen wel uitsluiten.’ Hij keek naar de volgende regel. ‘Ik weet niet wie deze twee zijn, Björn Einarsson en Gudný Sveinbjörnsdóttir — die kan ik niet plaatsen. Maar deze zou jij moeten kennen, Thóra: Magnús Baldvinsson, een oude linkse politicus.’ Bij het horen van die naam zag Thóra opeens weer het gezicht voor zich van de man in de eetzaal tijdens de lunch. ‘Ja, natuurlijk. Ik heb hem bij de lunch gezien. Ik heb laatst nog een artikel over hem gelezen in de krant. Hij is de grootvader van Baldvin Baldvinsson, dat gemeenteraadslid dat de laatste tijd nogal aan de weg timmert in de politiek. Wat doet hij hier?’

‘Het ervan nemen, denk ik. Hij is niet bepaald spraakzaam, maar hij heeft me wel verteld dat hij hier in de omgeving op het platteland is opgegroeid. Ik neem aan dat bij het ouder worden het hart en de geest terugkeren naar de plekken waar iemand jong is geweest,’ zei Jónas. Hij werkte de lijst verder af. ‘Thórdis Róbertsdóttir kan ik me niet herinneren, geen idee wie dat is. Maar deze weet ik nog wel, Robin Kohman — dat is een fotograaf die foto’s maakt voor een artikel in een reistijdschrift over West-IJsland en de Westelijke Fjorden. Hij heeft nog even gezelschap gehad van een journalist, maar die is vertrokken. Dinsdag of woensdag, meen ik. Deze, Teitur, is een effectenmakelaar die hier al een paar dagen is; hij lijkt me wel aardig, maar een beetje een snob. Toen hij hier net was heeft hij zich geblesseerd bij een ongelukje tijdens het paardrijden. Ik dacht toen dat hij wel zou vertrekken, maar hij is hier nog steeds. De rest van de namen zegt me niets. Op vrijdag is er niemand aangekomen en heeft er ook niemand geannuleerd.’ Hij legde de papieren op tafel en Thóra pakte ze op.

‘Vind je het goed als ik met deze mensen ga praten?’ vroeg Thóra.

‘Natuurlijk,’ zei Jónas. ‘Maar hou alsjeblieft wel een beetje rekening met de gasten. Maak ze niet boos.’ Met een zijdelingse blik naar Matthew fluisterde hij in het IJslands: ‘Laat hem niemand verhoren. Doe gewoon alsof je een praatje komt maken.’ Hij richtte zich op en gaf een klap op zijn bovenbeen. ‘Ik ga even bij die politiemensen kijken. Ze zijn nu Birna’s kamer aan het doorzoeken; ik heb geen idee wat ze daar verwachten te vinden.’

Matthew knipoogde naar Thóra en lachte. ‘Nee, ik weet wel zeker dat ze daar niets zullen vinden,’ zei hij toen met een uitgestreken gezicht.

‘En ze hebben mijn mobiele telefoon,’ zei Jónas, ‘dus ze zullen het wel druk hebben met het overschrijven van wat er allemaal op staat.’

Steini zat peinzend voor het raam naar de oprit te kijken. Het leek wel alsof hij alleen op de wereld was, zo weinig verkeer kwam hier langs. Geen auto’s, geen mensen. Hij had al genoeg tv-gekeken voor de rest van zijn leven en hij was pas drieëntwintig. Als zijn leven normaal was verlopen, had alles er heel anders uitgezien. Het had niet zo mogen gaan; sterker nog, hij zat nog steeds te wachten tot er iemand langs zou komen om hem te vertellen dat het allemaal op een misverstand berustte, dat het niet hem was overkomen, maar iemand anders. Het kon hem niet schelen wie, zo lang het maar iemand anders was. ‘Sorry dat we je dit allemaal onnodig hebben laten doormaken, vriend, maar zulke dingen gebeuren nu eenmaal wel eens. Sta maar op. Toe maar. Het was echt een misverstand. Het is niet jouw auto die op de schroothoop ligt, maar die van iemand anders. En daar zat jij niet in.’ Er speelde een klein, verbitterd lachje om zijn lippen. Weinig kans.

Toen hij wat ging verzitten in zijn stoel, zag hij zijn eigen gezicht weerspiegeld in het raam. Hij kromp in elkaar en trok zijn capuchon verder over zijn hoofd, zodat er zo weinig mogelijk van zijn gezicht te zien was. Hij zou hier nooit aan wennen. Nooit. Met geoefende handen greep Steini de wielen van zijn rolstoel en rolde bij het raam vandaan.

Waar was Berta? Ze had beloofd te komen en ze hield zich altijd aan haar woord. Lieve, fantastische Berta. Hij zou niet weten hoe hij het zonder haar zou moeten redden. Therapeuten, artsen, psychiaters, noem maar op, ze bleven hem voortdurend aan zijn kop zeuren dat hij naar Reykjavík moest gaan, zich aan de universiteit moest inschrijven en iets moest doen met zijn leven. Zijn leven was niet voorbij omdat hij er zo slecht aan toe was. Met de juiste therapie zou hij waarschijnlijk het grootste deel van de tijd zonder de rolstoel kunnen doen, ook al zou het een traag en pijnlijk proces zijn. Al die mensen begrepen hem niet. Hij moest hier blijven. Hij hoorde hier; in deze omgeving voelde hij zich thuis. Er woonden niet al te veel mensen en de meesten van hen kenden hem. Niemand schrok zich hier een ongeluk bij het zien van het afschuwelijke masker waar zijn gezicht had moeten zitten. In Reykjavík zou hem dat honderd keer per dag gebeuren. Daar zou hij binnen de kortste keren wegkwijnen en sterven. Hij was Berta oneindig dankbaar. Het was voornamelijk aan haar te danken dat hij hier in deze hulpeloze toestand kon blijven.

Had Berta hem in de steek gelaten? Had ze er genoeg van? Had ze hem voor de laatste keer geholpen? Steini reed zijn stoel naar de televisie en pakte de afstandsbediening. Hij keek liever naar allerlei onzin dan die gedachte te volgen en tot een logische conclusie te komen. Hij zette het geluid harder en concentreerde zich op het scherm. Niet aan denken. Niet aan denken.

Thóra en Matthew proostten met hun glazen. ‘Ik hoop niet dat dit biologisch verbouwd is,’ zei hij voordat hij een slok nam.

Thóra begon te lachen. ‘Nee, laten we hopen dat het verbouwd is met behulp van liters insecticide en bij voorkeur kwikhoudende kunstmest.’ Ze nam een slokje. ‘Ik weet niet wat deze wijnboer heeft gebruikt, maar het resultaat is verrukkelijk.’ Ze zette haar glas neer en pakte een toastje om op te knabbelen. ‘Ik ben uitgehongerd. Ik ben echt volkomen uitgehongerd.’

‘Nou nou,’ zei Matthew. ‘Ik ben blij dat dat niet is veranderd. En dat jij niet bent veranderd.’ Hij knipoogde naar haar. ‘Zelfs je kledingsmaak is nog steeds zo… hoe noem je dat…?’

Thóra keek neer op haar alledaagse trui en stak haar tong naar hem uit. ‘Wat had ik dan moeten doen, een avondjurk en pumps meenemen in de hoop dat iemand me mee uit eten zou vragen?’

‘Ik betwijfel of jij in een avondjurk was verschenen als iemand je daadwerkelijk mee uit eten had gevraagd.’

‘Ha, ha,’ zei Thóra. ‘Ik ben zo verzwakt van de honger dat ik me niet eens meer kan verweren tegen jouw hilarische grapjes. Waar blijft het eten?’ Ze keek op de klok. ‘Verdomme. Ik moet nog naar huis bellen voordat Sóley naar bed gaat.’ Ze pakte haar tas en herinnerde zich toen opeens dat de politie haar telefoon nog had. ‘Sorry, kan ik jouw mobieltje lenen?’

‘Tuurlijk,’ zei Matthew, en hij overhandigde haar zijn toestel. ‘Alles goed met je kinderen? Ik durf het bijna niet te vragen, maar ben je al oma?’

Thóra pakte de telefoon aan. ‘Je kunt gerust zijn, je zit nog steeds aan tafel met een jonge vrouw.’ Ze klapte het mobieltje open. Op de display stond een foto van een klein zwart meisje met een heleboel vlechtjes. ‘Wie is dit?’ vroeg ze, en ze hield de telefoon op naar Matthew. Was hij vader? Woonde hij met iemand samen? Hij had het er nooit over gehad.

Hij glimlachte. ‘Dat is mijn dochter.’

‘Echt waar?’ antwoordde Thóra. ‘Ze lijkt niet bepaald op je.’ Ze keek weer naar de foto. ‘Behalve het haar, misschien.’ Ze had geen idee wat ze anders moest zeggen.

Matthew begon te lachen en streek met zijn hand over zijn korte haar. ‘Nee, we zijn geen familie. Ik ben haar pleegvader via een liefdadigheidsorganisatie.’

‘O, wat schattig.’ Om haar opluchting te verbergen nam Thóra snel een slokje wijn. ‘Ik dacht even dat je een vrouw of een vriendin had. Ik heb het niet zo op getrouwde mannen. Op een schaal van aantrekkelijkheid van één tot tien staan ze wat mij betreft op min twee.’

‘Vrouwen zijn vreemde wezens,’ zei Matthew. ‘Ik vind jou aantrekkelijk en dat zou ik ook vinden als je getrouwd was.’

‘Dan bof je dat ik gescheiden ben,’ antwoordde ze, en ze keek weer naar de foto. ‘Ze woont dus niet bij jou?’ Ze kon zich absoluut niet voorstellen dat Matthew kinderkleertjes zou wassen, laat staan dat hij zulke mooi vlechtjes op dat kleine koppie kon fabriceren.

‘Nee, nee,’ zei Matthew. ‘Ze woont in Rwanda. Ik ken een vrouw in haar dorp die voor een hulpprogramma voor het Rode Kruis werkt. Zij heeft me over de streep getrokken.’

‘Hoe heet ze?’ vroeg Thóra.

‘Wie, die vrouw of het meisje?’ vroeg hij plagerig.

‘Het meisje natuurlijk,’ antwoordde ze.

‘Laya,’ zei hij.

‘Wat een mooie naam,’ zei Thóra, en ze legde haar beide handen over zijn hand. ‘Ik maak het niet te lang, want zodra het eten komt, ben ik in staat meteen op te hangen, ook al zijn het mijn eigen kinderen.’ Ze belde het nummer van haar zoon. ‘Hoi, Gylfi, alles goed?’

‘Zit je in het buitenland?’ vroeg de verschrikte stem van haar zoon.

‘Nee,’ zei Thóra, en ze voegde er haastig aan toe: ‘Ik heb een telefoon geleend van een buitenlander hier in het hotel, want die van mij doet het niet. Hoe is het daar?’

‘Waardeloos. Ik verveel me dood. Ik wil naar huis,’ antwoordde Gylfi humeurig.

‘Ben je mal,’ zei Thóra sussend. ‘Ik wil wedden dat het best leuk is. Heeft Sóley het naar haar zin?’

‘Die heeft het altijd naar haar zin; ik snap niet waarom je dat nog vraagt,’ mopperde Gylfi. ‘Maar ik word hier stapelgek. Papa hangt de clown uit met Sóleys SingStar ’80s. Als ik hem nog één keer “Eye of the Tiger” hoor doen, ben ik hier weg. Ik meen het, hoor.’

‘Och, liefje,’ zei Thóra, ‘voor je het weet is het weer voorbij. Kan ik Sóley even spreken?’ Ze had geen zin om zijn vaders karaoketalenten te verdedigen.

‘Niet te lang bellen. Ik moet Sigga nog bellen. Ze heeft daarnet haar mobieltje op haar buik gelegd en de baby een sms’je naar me laten trappen.’

‘O ja?’ zei Thóra, die zich al lang nergens meer over verbaasde. ‘En wat stond er?’

‘jxgt,’ antwoordde Gylfi trots. Zonder verdere uitleg gaf hij de telefoon aan haar dochter en haar lieve stemmetje gilde: ‘Mama, mama. Hoi, mama!’

‘Hallo, schatje,’ zei Thóra. ‘Heb je het naar je zin?’

‘Ja, gaat wel, maar ik wil wel graag dat je naar huis komt. Papa en Gylfi maken telkens ruzie.’

‘Nog eventjes geduld, meisje. Ik kan ook niet wachten tot ik jou weer zie. Doe papa de groeten van me en ik zie je morgen.’ Thóra zei gedag, klapte het mobieltje dicht en gaf het terug aan Matthew.

‘Daar heb ik echt geen woord van verstaan,’ zei hij, terwijl hij het toestel in zijn jaszak stak. ‘Ga je straks IJslands tegen me praten? In bed?’

‘Natuurlijk doe ik dat, idioot,’ zei Thóra in de taal van de Vikingen, terwijl ze haar voet van de vloer omhoog liet glijden, naar een veel warmer plekje. Ze begon de wijn een beetje te voelen. ‘Ben je nu niet blij dat ik geen naaldhakken draag?’

Rósa stond bij het fornuis en zette koffie in een ouderwetse pot. Het was een karweitje waarbij ze niet hoefde na te denken en haar gedachten de vrije loop kon laten, maar de deprimerende gedachten wonnen het steeds weer van de positieve en opgewekte. Ze dwong zichzelf eraan te denken hoe gretig haar lievelingslammetje, Strubbur, die ochtend uit de fles had gedronken, maar het beeld verdween onmiddellijk weer. Het werd verdrongen door de herinnering aan hoe Bergur eergisteravond was thuisgekomen en haar had verteld van het lichaam dat hij op het strand had gevonden. Ze probeerde de herinnering te verdrijven door aan het ophanden zijnde bezoekje van haar broer te denken. Dat zou hen vast wel opvrolijken; hij was altijd heel druk en luidruchtig. En dat mocht wel weer eens. Het was de laatste tijd zo stil in huis dat, als er een vreemde op bezoek zou komen, die het stel waarschijnlijk voor doofstom zou houden. Ze glimlachte verdrietig. Alsof er ooit vreemden op bezoek kwamen. Zelfs hun kennissen kwamen nooit langs. Alleen hun naaste familieleden kwamen zo nu en dan eens binnenvallen. Eigenlijk was het ook geen wonder. Wie wilde er nu op bezoek komen in een huis waar zelfs de kamerplanten zich ongelukkig voelden?

Rósa zuchtte. Ze had geen goede vriendin die ze om raad kon vragen, maar aan de andere kant betwijfelde ze of iemand haar iets zou kunnen vertellen wat ze niet al wist. Bergur was ongelukkig omdat hij met haar samenleefde en niet van haar hield. Zij was ongelukkig omdat zij met hem samenleefde en van hem hield en haar liefde onbeantwoord zag. Hoewel ze niet precies wist wanneer hij was opgehouden van haar te houden — als hij daar ooit mee was begonnen — herinnerde ze zich nog heel goed wanneer zij verliefd op hem was geworden: op de dag dat zij elkaar voor het eerst hadden ontmoet. Ze wist nog goed hoe knap hij was geweest, zo anders dan de andere jongens die ze kende. Hij was in het voorjaar uit het westen gekomen om te helpen bij het werk op de boerderij en ze was onmiddellijk voor hem gevallen. Ze werkten samen, naast elkaar, tot hun ellebogen in het bloed van het lammeren en ze voelde zich zo mogelijk nog sterker tot hem aangetrokken toen uit hun gesprekken was gebleken hoe belezen en intelligent hij was. Ook was hij veel welbespraakter geweest dan de meeste mensen, en dat was hij nog steeds. Het gaf hem iets kosmopolitisch, ook al was hij nog nooit in het buitenland geweest. Ze had zich destijds een boerentrien gevoeld vergeleken bij hem, en in zekere zin was dat nog steeds zo. Ze had altijd geweten dat ze niet goed genoeg voor hem was. Uiteindelijk zou hij bij haar weggaan en dat besef vervulde haar met een droefheid die hun hele huwelijk verstikte. Wat was er het eerst, de kip of het ei?

In godsnaam. Ze probeerde zich te vermannen. Huilebalk die je bent, wentel je toch niet zo in zelfmedelijden. De geur van koffie drong in haar neusgaten en vrolijkte haar een beetje op. Misschien lagen er wel betere tijden voor ze in het verschiet. Ze pakte een versgebakken cake en een mes om er plakken van te snijden. Bergur kon elk moment thuiskomen en dan wilde zij alles klaar hebben. Hij was bezig met de reparatie van het lekkende dak van de schuur en ze wist dat het vervelend werk was en dat het hem zwaar viel. Heel erg handig was hij nu eenmaal niet. Maar dat kon haar niet schelen. Ze was niet voor hem gevallen omdat hij zo goed kon timmeren.

Voor het avondeten had ze de laatste bloedworst van het afgelopen najaar uit de vriezer gehaald en gekookt, met aardappelen. Omdat ze wel besefte dat dit niet echt een spannende maaltijd was, wilde ze er wat meer van maken door haar man na het eten een plak Moskovisch gebak te serveren bij zijn koffie. Ze gluurde in de ketel en zag dat het water bijna kookte. Opeens gleed er een traan over haar wang. Dat rotwijf. Ze veegde de traan weg, snoof zachtjes en pakte het mes. Dat vuile rotwijf. Hij was al bezet, zag ze dat soms niet? Plotseling begon het deksel op de koffiepot te rammelen en Rósa schrok op. Ze glimlachte bij zichzelf toen ze de pot optilde en het gas lager draaide. Dood wijf. Dood, dood, dood wijf. Rósa begon zich al wat beter te voelen toen ze het mes boven de cake hield. Dood en straks nog begraven ook. Ze had nog nooit gehoord dat iemand zijn vrouw had verlaten voor een dood wijf.

Matthew tilde zijn hoofd op van het kussen. Hij had dorst en vroeg zich af of hij daar wakker van was geworden of van een geluid buiten. Hij glimlachte om zijn eigen domheid toen hij merkte dat er buiten het open raam slechts een doodse stilte heerste. Hij stond geeuwend op en probeerde Thóra niet wakker te maken. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want zij was erin geslaagd zich op zo’n manier uit te strekken dat het hem de grootste moeite kostte haar niet te storen toen hij uit bed klauterde. Hij liep naar de badkamer en liet het water even lopen terwijl hij een glas ging pakken. Hij hield net het glas onder de kraan toen een vreemd geluid zijn oren bereikte. Hij draaide meteen de kraan dicht om te luisteren; het klonk als een huilend kind. Met gespitste oren liep Matthew de badkamer uit en probeerde te bepalen waar het geluid vandaan kwam. Opeens hield het op. Misschien waren er gasten in het hotel met een baby die niet wilde slapen. Dat moest het wel zijn. Hij zei tegen zichzelf dat hij niet zo overspannen moest reageren en liep naar het raam om het goed dicht te doen. Thóra sliep graag met het raam wagenwijd open en het was behoorlijk koud in de kamer.

Terwijl hij het raam sloot, begon het kind weer te huilen. Nu twijfelde hij er niet meer aan dat het van buiten kwam. Matthew trok het gordijn open en tuurde de heldere nacht in. Hij zag niets en het geluid hield weer op, net zo plotseling als de eerste keer. Hij bleef nog een poosje bij het raam staan wachten tot het weer zou beginnen, en kroop toen weer onder het dekbed. Hij wist zeker dat hij een kind had horen huilen, maar hij wist net zo zeker dat het kind geen geest was.

12

Zondag, 11 juni 2006

De Japanse vader en zoon waren zo ongelooflijk beleefd dat Thóra zich in hun bijzijn een enorme lomperik voelde. Ze deed haar best om kalm te praten, zich rustig te bewegen en alle onnodige gezichtsuitdrukkingen achterwege te laten, maar het lukte haar niet. Matthew verging het stukken beter. Thóra vermoedde dat hij veel had opgestoken van zijn werkervaring bij een Duitse bank. Ze hield haar hoofd gebogen en liet hem het woord doen. Ze hadden in de foyer zitten wachten tot de Japanners terugkwamen van de korte wandeling die ze, volgens Vigdís van de receptie, elke ochtend maakten. Nu zaten ze met zijn allen op houten stoelen voor het hotel en genoten van het zeldzame zonnetje.

‘Dus u kende haar niet?’ vroeg Matthew met zachte, duidelijke stem. Hij was nog steeds een beetje geërgerd omdat Thóra hem had geplaagd met het huilende kind dat hij ’s nachts had gehoord. Zij dacht dat hij het had gedroomd.

De zoon vertaalde Matthews woorden voor zijn vader in het Japans. Toen richtte hij zich weer tot hen. ‘Nee, het spijt ons. Wij weten niet over wie u het hebt.’

‘Zij werkte als architect voor de eigenaar van dit hotel. Een jonge vrouw, met donker haar,’ vertelde Matthew.

De oude man legde een magere hand op de schouder van zijn zoon en zei iets. De zoon luisterde aandachtig en knikte toen. Hij zei tegen Matthew: ‘Mogelijk heeft mijn vader die vrouw gezien. Ze zat hier voor het hotel te praten met een man in een rolstoel en een jong meisje. Hij zegt dat ze tekeningen in haar hand hield en daarop schreef. Kan zij dat geweest zijn?’

Matthew keek vragend Thóra. ‘Kende ze hier iemand in een rolstoel?’

Zij schudde haar hoofd. ‘Niet dat ik weet.’

Matthew vroeg of de bejaarde man wist wie deze mensen waren.

Opnieuw wisselden de beide mannen enkele woorden die de zoon voor Matthew en Thóra in het Engels vertaalde. ‘Nee, mijn vader kende ze niet, maar hij had ze wel eerder gezien — de vrouw in het hotel en de jonge mensen hier vlakbij.’ Hij boog lichtjes zijn hoofd en vervolgde: ‘Mijn vader zegt dat de jonge mensen hem opvielen omdat het meisje heel erg zorgzaam leek voor de gehandicapte jongen, maar verder kan hij u niets over hen, of over de architect vertellen. Zelf kan ik me de vrouw niet herinneren, dus ik kan u evenmin helpen.’

Matthew en Thóra keken elkaar aan. Het had geen zin de mannen nog langer lastig te vallen, dus stonden ze op. ‘Meneer Takahashi, hartelijk bedankt,’ zei Matthew met een buiging. Thóra volgde zijn voorbeeld. ‘Wij wensen u hier verder een prettig verblijf toe.’

‘Dank u,’ zei de zoon, terwijl hij eveneens opstond. Hij hielp zijn broze vader met opstaan. ‘Het is heel fijn hier. Mijn vader is ziek geweest, maar door de frisse lucht voelt hij zich al veel beter.’

‘Ik hoop dat hij snel weer opgeknapt is,’ zei Thóra, met een vriendelijke glimlach naar de oude man. Hij glimlachte terug en ze namen afscheid.

Toen ze weer in de foyer waren, wendde ze zich tot Matthew. ‘Daar hebben we niet veel aan, vrees ik.’

Hij haalde zijn schouders op. ‘We konden moeilijk verwachten dat zij zouden weten wie de moordenaar is.’ Toen fronste hij zijn wenkbrauwen. ‘Maar ik vind het wel vreemd dat de zoon geen idee had wie Birna was, terwijl zijn vader haar vrijwel zeker heeft gezien. Weet je nog wat Vigdís over die twee zei? De zoon volgt zijn vader overal, als een schaduw. Dus waar was de zoon toen de vader Birna met die twee jonge mensen zag?’

‘Misschien heeft de vader ze door het raam gezien,’ opperde Thóra. ‘Als de zoon zich hen had herinnerd, had hij dat vast wel gezegd. Waarom ook niet?’

‘Ik weet het niet,’ zei Matthew peinzend. ‘Maar ik vond wel dat ze heel lang met elkaar spraken wanneer je bedenkt hoe kort de antwoorden waren in de vertaling van de zoon. En het is ook vreemd dat ze helemaal niet vroegen waarom we naar Birna informeerden.’

‘Zou dat niet iets te maken hebben met Japanse beleefdheid? Het kan best zijn dat nieuwsgierigheid in hun land net zo erg is als diefstal.’ Thóra had honger. Ze wierp een blik op de klok boven hun hoofd. ‘Kom, laten we iets gaan eten voordat ze het ontbijt gaan afruimen.’

Matthew keek haar verbaasd aan en keek toen op zijn horloge. ‘De eetzaal gaat toch ook niet ’s avonds om acht uur dicht?’

‘Kom nou,’ zei ze nogmaals, en ze wipte ongeduldig van de ene voet op de andere. ‘Ik ga dood als ik niet snel koffie krijg. Er zitten vast nog wel een paar andere gasten met wie we een praatje kunnen maken.’

‘Goed dan, ik wil jouw dood niet op mijn geweten hebben,’ zei Matthew, die achter haar aan liep. ‘Ook al geloofde je me niet over dat huilen dat ik heb gehoord.’

‘Oeoeoeh,’ zong Thóra. ‘Wij zijn de spoooookkinderen — oeoe-oeh.’ Ze grinnikte om Matthews verongelijkte blik. ‘Doe niet zo mal,’ zei ze. ‘Een kop koffie zal ons allebei goed doen.’

In de eetzaal waren slechts drie tafeltjes bezet. Aan één tafel zat een bejaard echtpaar dat Thóra nog niet eerder had gezien, aan een ander zat Magnús Baldvinsson, de oude politicus en aan de derde zat een nors uitziende jongeman. Hij was bruinverbrand en zag eruit alsof hij goed in vorm was, al was van zijn lichaamsbouw niet veel te zien onder zijn trendy kleren. Thóra besloot zich op hem te concentreren. Ze stootte Matthew aan en fluisterde: ‘Dat moet die kanoër zijn, Thröstur Laufeyjarson, die volgens Jónas mogelijk iets te maken heeft met Birna’s dood. Ziet er behoorlijk humeurig uit, vind je niet? Laten we aan het tafeltje naast hem gaan zitten.’

Ze liepen naar het buffet en Thóra gooide snel iets te eten op haar bord. Tot haar ergernis nam Matthew uitgebreid de tijd om zijn keus te bepalen en wandelde op zijn gemak om de tafel heen. Ze gaf hem nog een por. ‘Schiet nou op. Straks gaat hij weg voordat wij gaan zitten.’ Matthew keek teleurgesteld, en pakte snel een bakje yoghurt. Ze liepen naar de tafel naast die van de kanoër. Terwijl ze ging zitten, glimlachte Thóra hem vriendelijk toe. ‘Hallo. Mooi weer, vind je niet?’

De man keek niet op en leek zich er niet van bewust dat ze het tegen hem had. Hij gaapte en nam een slokje jus d’orange. Thóra probeerde het nog een keer. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze, hard genoeg om er geen twijfel over te laten bestaan dat ze tegen hem praatte. ‘Weet jij soms of je hier in de buurt ergens boten kunt huren? Wij dachten erover om een boot te huren. Of een kajak.’

De man leek te schrikken en slikte. ‘Sorry, had je het tegen mij?’ zei hij in het Engels. ‘Het spijt me, maar ik spreek geen IJslands.’

‘O.’ Thóra was even van haar stuk gebracht. Blijkbaar was dit toch niet Thröstur Laufeyjarson. Ze glimlachte verontschuldigend. ‘Sorry,’ zei ze, ook in het Engels. ‘Ik dacht dat je iemand anders was.’ Om hem aan de praat te houden begon ze over iets anders. ‘Ben je net aangekomen?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik ben hier al een tijdje, af en aan, omdat ik wat heb rondgereisd.’

Thóra deed alsof ze belang stelde in zijn reizen. ‘Waar ben je geweest? Er is hier zoveel te zien.’

De jongeman leek het niet erg te vinden opeens gezelschap te hebben. Hij draaide zich om op zijn stoel zodat hij Thóra en Matthew kon aankijken. ‘Voornamelijk in de Westelijke Fjorden. Ik werk voor een reistijdschrift en wij besteden speciale aandacht aan ongewone bestemmingen.’

‘Dat lijkt me interessant werk,’ zei Thóra, en ze nam haar eerste slokje koffie. Ze kon zich de naam van de man niet herinneren, maar hij moest de fotograaf zijn die Jónas op de gastenlijst had herkend.

De jongeman lachte. ‘Nou, het kan best vermoeiend zijn, net als elke andere baan. Ik ben fotograaf en dat houdt in dat je soms lange, vermoeiende dagen maakt.’

Thóra stak haar hand uit. ‘Wat onbeleefd van me om me niet voor te stellen. Ik ben Thóra.’ Ze knikte naar Matthew. ‘En dit is Matthew, uit Duitsland.’

De jongeman stond op en leunde over de tafel heen om hen de hand te schudden. ‘Hallo. Ik ben Robin, Robin Kohman, uit de Verenigde Staten.’

Thóra deed alsof haar plotseling iets te binnen schoot. ‘Wacht eens even… heb ik jou niet met Birna gezien?’

Robin keek haar niet-begrijpend aan. ‘Birna?’

‘Ja, Birna, de architect die hier…’ Ze liet haar stem verwachtingsvol wegsterven.

‘O, ja, de architect, Birna,’ riep Robin vrolijk uit. Hij sprak de naam heel anders uit dan Thóra. ‘Ja, die ken ik wel; alleen herkende ik haar naam niet zoals jij hem uitsprak. Ik heb de uitspraak nog niet helemaal onder de knie. Al jullie woorden klinken hetzelfde.’ Hij dronk zijn sapglas leeg en veegde zijn mond af met een servet. ‘Ja, ik heb haar een beetje leren kennen. Ik had een paar foto’s voor haar genomen en toen vertelde ze mij over een aantal plekken hier in de omgeving waar ik misschien interessante onderwerpen kon vinden om te fotograferen.’

‘Weet je nog wanneer je haar voor het laatst hebt gezien?’ vroeg Matthew. Hij had niet de moeite genomen zijn bekertje yoghurt open te maken.

Robin dacht even na. ‘Nee, een paar dagen geleden, geloof ik. Is er iets aan de hand?’

‘Nee, volgens mij niet,’ loog Thóra. ‘We wilden haar gewoon even spreken.’ Vanuit haar ooghoeken zag ze Magnús Baldvinsson opstaan en weglopen.

‘Als jullie haar tegenkomen, kun je haar misschien vertellen dat ik haar foto’s nog heb.’ Robin stond op.

‘In het onwaarschijnlijke geval dat wij haar tegenkomen, zullen we dat zeker doen,’ zei Matthew, met een geheimzinnig glimlachje. Toen Robin weg was, pakte hij het bakje yoghurt en zwaaide ermee voor Thóra’s gezicht. ‘En kan ik nu iets fatsoenlijks te eten gaan halen?’

Magnús Baldvinsson liep over het hotelterrein en probeerde een signaal voor zijn mobieltje te vinden. Op zijn kamer had hij geen bereik en hij wilde niet omringd door andere mensen in de hal of in de eetzaal praten, waar de ontvangst ook slecht was. Hij struikelde tot twee keer toe over losliggende stenen. Het viel niet mee om met één oog het schermpje van zijn telefoon in de gaten te houden en tegelijkertijd op te letten waar hij zijn voeten neerzette. Met een zucht van verlichting zag hij een signaal op zijn scherm verschijnen en haastig toetste hij zijn thuisnummer in. Hij stond op de parkeerplaats en het zou niet lang duren voordat er mensen naar buiten kwamen. Ongeduldig luisterde hij hoe het toestel overging. Eindelijk werd er opgenomen.

‘Frída, schat, heb ik je wakker gemaakt?’

‘Magnús? Hoe laat is het?’ Zijn vrouw geeuwde luidruchtig.

‘Iets over achten,’ zei hij bits.

‘Is er iets?’ vroeg Frída angstig, de slaap was meteen uit haar stem verdwenen.

‘Nee, niets. Ik wilde alleen even zeggen dat ik nog wat langer blijf.’ Magnús zag de deur van het hotel opengaan. Er kwam een jongeman in een trainingspak naar buiten. Tot zijn opluchting zag hij dat de man in de richting van het strand liep, niet naar de parkeerplaats. ‘Er lopen hier een paar mensen rond die vragen stellen over Birna.’

‘Vragen? Wat voor vragen? Hebben ze jou al aangesproken?’ Als hij haar niet had onderbroken, was Frída hem nog wel even met vragen blijven bestoken. De angst in haar stem was duidelijk hoorbaar.

‘Frída, doe nou rustig.’ Hij haalde diep adem en probeerde zijn geduld te bewaren. Frída’s zenuwen gingen haar elk jaar méér parten spelen en er was geen moord voor nodig om haar uit haar evenwicht te brengen. Op de keper beschouwd hield ze zich eigenlijk best kranig, nu de druk werkelijk groot begon te worden. ‘Ik heb geen idee waarom die mensen hier rondsnuffelen. En nee, ze zijn nog niet naar mij toe gekomen. Ik bel alleen om te zeggen dat ik nog een paar dagen blijf. Het zou verdacht lijken als ik er nu opeens vandoor ga. De politie is al twee keer in het hotel geweest en ik hoop dat ze met me komen praten zolang ik hier nog ben.’ Hij zuchtte. ‘Ik neem aan dat ze iedereen zullen willen spreken die hier aanwezig was.’

Frída zweeg even en fluisterde toen: ‘Baldvin heeft gebeld.’

‘Wat zei hij?’ vroeg Magnús terughoudend, hoewel hij zich, ondanks Baldvins recente beproevingen, onwillekeurig voelde zwellen van trots bij het horen van de naam van zijn kleinzoon. De jongen was een veelbelovend politicus, net als zijn grootvader op die leeftijd was geweest. Ze leken zelfs sprekend op elkaar en één krant had een foto van de jonge Magnús naast een interview met Baldvin geplaatst om die gelijkenis te laten zien. Magnús glimlachte bij zichzelf; in werkelijkheid zou niemand hen door elkaar halen, hij zo oud en Baldvin zo jong en knap.

‘Hij vroeg naar jou. Wanneer je thuis zou zijn,’ antwoordde Frída. ‘Volgens mij is hij van plan daar ook naartoe te komen.’

‘Nee!’ blafte Magnús. ‘Hij mag in geen geval hiernaartoe komen. Dat zou het allemaal nog veel erger maken. Stel je voor dat hij laatst thuis was gebleven in plaats van te proberen mij te helpen.’

‘Hij bedoelt het goed,’ zei zijn vrouw. ‘Misschien maakt het ook niets uit. Als die Birna iets tegen iemand had gezegd, had je dat inmiddels wel geweten. Misschien heeft zij alles met zich mee het graf in genomen.’ Ze zuchtte. ‘Zullen we dat maar gewoon hopen en er verder een punt achter zetten?’

Magnús kreunde. ‘We weten niets zeker, Frída. Ik heb te veel op het spel gezet om op het laatste moment de handdoek in de ring te gooien. Om over Baldvin nog maar te zwijgen. Ik blijf hier en zie wel hoe alles zich ontwikkelt. In de komende paar dagen wordt alles vast veel duidelijker.’

‘Zal ik naar je toe komen? Neem je je medicijnen wel in?’ Frída klonk nu bijkans hysterisch.

‘Nee. Doe maar niet. En zorg er in vredesnaam voor dat Baldvin geen stomme dingen doet, zoals weer hiernaartoe komen.’ Magnús haalde diep adem. ‘Frída, het signaal is hier zo zwak dat je mij mobiel waarschijnlijk niet zult kunnen bereiken, maar je mag ook niet naar het hotel bellen. Je weet maar nooit wie er meeluistert. Ik hou je op de hoogte.’

Hij hing op, bleef nog even naar de prachtige kustlijn staan kijken en draaide zich toen om om de bergen in het noorden te bewonderen. Hij wachtte tot hij zou worden vervuld met een gevoel van rust en welbevinden, maar er gebeurde niets. Opeens werd hij boos. Met haar slinkse intriges had Birna kapotgemaakt wat hem het dierbaarst was van alles: de geliefde plekken uit zijn kindertijd. Het enige gevoel dat ze nu nog bij hem opriepen was angst, en hij was veel te oud om nog bang te moeten zijn. Elk gevoel van zelfvertrouwen was verdwenen. Dit zou slecht aflopen, voor hem en voor Baldvin. Zijn woede was inmiddels iets gezakt en had plaatsgemaakt voor zwaarmoedigheid. Misschien was Birna dan wel de oorzaak geweest van het probleem en had haar dood er een eind aan gemaakt, maar uiteindelijk was het zijn schuld.

Hij had ergens gelezen dat zonden uit het verleden je eeuwig bleven achtervolgen en dat niemand zich ervoor kon verstoppen. Daar had hij destijds aan moeten denken.

13

Vanaf haar plekje achter de balie zag Vigdís Thóra en Matthew naar Jónas’ kantoor lopen. Ze vroeg zich af of ze hen moest vertellen dat Jónas er niet was, maar besloot het niet te doen. Ze kwamen er vanzelf wel achter. Ze richtte haar blik weer op de online nieuwssite die ze zat te lezen. Niet dat je de artikelen die zij graag las echt ‘nieuws’ kon noemen, maar Vigdís had al lang geen belangstelling meer voor het Midden-Oosten, politiek, de economie en al die andere ellende waar journalisten constant over door bleven zeuren. Dat soort nieuws was een soort gebed zonder eind, terwijl de verhalen die Vigdís las makkelijk te volgen waren en een begin, een midden en een eind hadden. Het was duidelijk wie de goeien waren en wie de slechten en er stonden altijd mooie foto’s bij. Dit waren de roddels over rijke en beroemde mensen. Ze scrolde gretig omlaag — hier had ze het onweerlegbare bewijs dat zowel Nicole Richie als Keira Knightley aan anorexia leed. Ze bestudeerde een close-up van de ribben van die laatste die door een split in de zijkant van haar japon prikten. Vigdís schudde treurig haar hoofd.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei een stem, die kortstondig haar aandacht afleidde van haar bezorgdheid om het welzijn van de jonge actrice. Vigdís keek op. ‘Weet jij soms waar Jónas is?’ vroeg Thóra.

Vigdís sloot het venster op haar computer zodat het reserveringenscherm zichtbaar werd. ‘Jónas moest vandaag even op en neer naar Reykjavík. Vanmiddag is hij weer terug.’ Ze glimlachte professioneel. ‘Kan ik je ergens mee van dienst zijn?’

Thóra keek naar Matthew en toen weer naar Vigdís. ‘We vroegen ons af welke gasten vandaag aanwezig zijn. We willen graag iedereen spreken die Birna wellicht heeft gekend. De kanoër, bijvoorbeeld.’

‘Thröstur Laufeyjarson?’ zei Vigdís, die heel goed was in namen — een talent dat haar goed van pas kwam in haar werk; in feite was het zelfs een van de belangrijkste redenen waarom Jónas haar had aangenomen. Daar kwam bij dat Vigdís het computersysteem zo goed beheerste dat hij alle tekortkomingen die zij eventueel bezat, op de koop toe had genomen.

‘Die, ja,’ antwoordde Thóra. ‘Is hij er?’

‘Nee, hij gaat ’s ochtends altijd heel vroeg trainen. Ik heb gisteravond zijn kano nog op het strand zien liggen. Misschien is hij een eind gaan varen. Als zijn kano niet aan de kleine steiger aan het strand ligt, dan is hij waarschijnlijk het water op. Daar laat hij hem altijd achter.’

Thóra vertaalde haar woorden in het Duits voor Matthew en ze besloten naar het strand te lopen in de hoop Thröstur daar te vinden. Voordat ze weggingen, draaide Thóra zich nog even om naar Vigdís. ‘En Magnús Baldvinsson? Is hij er?’

Vigdís haalde haar schouders op. ‘Dat weet ik niet. Ik heb hem net nog buiten zien rondlopen. Over het algemeen gaat hij niet zo ver en maakt hij alleen korte wandelingetjes, nooit langer dan een uur. Hij is al behoorlijk op leeftijd.’

‘Is hij weduwnaar?’ vroeg Thóra. ‘Jónas zei dat hij hier alleen was.’

‘Nee, dat geloof ik niet,’ antwoordde Vigdís. ‘Zijn vrouw heeft hem hier al een paar keer gebeld.’

‘Vreemd dat ze hier niet met hem samen is.’

‘Misschien is ze wel ziek,’ opperde Vigdís. ‘Aan huis gebonden of iets dergelijks.’

‘Misschien gaan we hem straks wel even zoeken,’ zei Thóra.

Vigdís knikte heftig. ‘Ja, dat moet je echt doen.’

‘Ja?’ zei Thóra. ‘Waarom?’

‘Nou, omdat hij Birna kende,’ antwoordde Vigdís. Ze zweeg even en voegde er toen aan toe: ‘Althans, volgens mij wel. Hij vroeg tenminste nadrukkelijk naar haar toen hij hier aankwam.’

‘Echt waar?’ Dat verbaasde Thóra. Jónas had er niets over gezegd dat Magnús en Birna elkaar kenden. ‘Weet je ook waarvan zij elkaar kenden?’

Vigdís schudde haar hoofd. ‘Geen idee. Meer dan dit weet ik echt niet. Hij vroeg naar haar en ik heb antwoord gegeven. Ik heb ze nooit samen gezien. Hij vroeg niet waar hij haar kon vinden en zij heeft het nooit over hem gehad.’

Thröstur Laufeyjarson legde de peddel dwars over zijn kano en keek op de stopwatch om zijn pols. Ondanks alle training leek hij het slechter te doen dan eerst. De kano dobberde zachtjes op het water en hij piekerde hoe hij zijn trainingsschema kon verbeteren, dat tot nu toe geen enkel verschil leek te maken. Hij slaakte een diepe, kreunende zucht. Eigenlijk was het probleem wel duidelijk: het kwam vast doordat hij niet voldoende aan krachttraining deed. De kleine sportzaal in het hotel was niet zo heel goed uitgerust en dat maakte het moeilijk om een redelijke spiermassa te behouden, laat staan verder te ontwikkelen. Thröstur bewoog zijn schouders een paar maal om de spanning te verlichten en voelde in zijn dry suit een zweetdruppel langs zijn ruggengraat glijden. Het vooruitzicht van een warme douche, misschien gevolgd door een massage, spoorde hem aan de kano langzaam in de richting van het land te draaien. Zo was het wel weer even genoeg geweest. Na de lunch zou hij er opnieuw op uit gaan en dan zou hij sneller zijn.

Toen de punt van de boot in de richting van het hotel wees, aarzelde hij, verminderde zijn krachtige greep om de peddel en tuurde naar de waterkant. Wie waren die mensen daar op het strand? Het leek alsof ze naar hem zwaaiden. Hij kreunde. Was er iets vervelender dan toeristen met hun stompzinnige vragen? ‘Kun je op walvissen jagen in zo’n ding?’

‘Ben je wel eens naar Groenland gepeddeld?’ Hij overwoog wat hem te doen stond. Moest hij zich in zijn lot schikken en die imbecielen onder ogen komen of zou hij wegvaren en ergens anders aan land gaan? Op die manier zou hij geen last van ze hebben, maar belandde hij wel veel verder van het hotel. Toen hij zijn tong langs zijn droge lippen liet gaan, proefde hij de scherpe smaak van zout. De mensen stonden inmiddels nog harder te zwaaien en Thröstur meende de vrouw te herkennen, ze was nog maar pas in het hotel gearriveerd. Zo te zien was het de vrouw die hij naar de architect had horen vragen toen hij gisteren langs de receptie liep. Hij had geen enkele behoefte om met haar te praten. Wie weet wat ze hem zou vragen. Rustig draaide hij de kano weer. Alvorens weg te varen keek hij instinctief naar de peddel, half-en-half verwachtend er nog bloed aan te zien. Maar dat was natuurlijk weg. Hij had het er zelf afgespoeld en als hij iets deed, deed hij het grondig. Hij peddelde weg.

‘Wat gaan we nou krijgen?’ riep Thóra toen de kano bij hen vandaan begon te varen. Ze had als een idioot staan zwaaien om de aandacht van de kanovaarder te trekken, maar liet nu haar armen zakken. ‘Ik weet zeker dat hij ons heeft gezien. Wat mankeert die vent?’

Matthew hield zijn hand boven zijn ogen en keek hoe de man vastberaden in westelijke richting peddelde, weg van het strand. ‘Ja, hij heeft ons gezien. Dus of hij heeft het druk, of hij ontloopt ons met opzet.’ De boot verdween uit het zicht achter een paar rotsen. ‘Ik denk dat hij gewoon niet met ons wilde praten. Misschien is hij verlegen.’

‘Wat denk je, moeten we hier even blijven wachten?’ vroeg Thóra, die de onvriendelijke kanovaarder het liefst zo snel mogelijk wilde spreken. Wat je verder ook van Jónas kon zeggen, hij was behoorlijk pienter en hij wantrouwde Thröstur. ‘Het lijkt me wel duidelijk dat hij iets te verbergen heeft, anders zou hij wel met ons willen praten.’

‘Dat hoeft niet,’ redeneerde Matthew. ‘Misschien is hij gewoon moe en heeft hij geen puf om te praten. Hij weet niet wat wij hem willen vragen. Zullen we maar gewoon naar binnen gaan? We komen hem vast nog wel een keer tegen. Kom, dan gaan we een praatje maken met die oude Magnús.’

Thóra moest toegeven dat dit een veel verstandiger plan was dan zomaar op het strand te blijven staan voor het geval Thröstur nog terug zou komen, wat niet waarschijnlijk was. Ze gingen dus weer naar binnen, waar Vigdís hen vertelde dat ze Magnús die ochtend niet nog een keer had gezien, maar dat hij misschien op zijn kamer was. Ze gingen naar de bovenste verdieping.

‘Laat mij het woord maar doen,’ fluisterde Thóra terwijl ze stevig op de deur klopte. Ze hoorden wat gerommel aan de andere kant van de deur. ‘Hij is zo oud dat hij misschien geen enkele andere taal spreekt dan IJslands, en mogelijk Deens.’ De deur werd op een kiertje geopend en Baldvinsson gluurde naar buiten. ‘Hallo, Magnús Baldvinsson? Mijn naam is Thóra. En dit is Matthew. Kunnen wij u misschien heel even spreken?’

‘Waarom?’ bromde hij. ‘Wie zijn jullie?’

‘O, neemt u mij niet kwalijk. Ik ben advocaat en ik werk voor Jónas, de eigenaar van dit hotel, en dit is mijn assistent.’ Thóra onderdrukte de neiging om haar voet tussen de deur te zetten en hem open te duwen. ‘We vragen maar een ogenblikje van uw tijd. Ik hoop dat u ons kunt helpen.’

De deur ging iets verder open. Toen opende Magnús hem helemaal. ‘Kom maar binnen dan.’

‘Dank u,’ zei Thóra terwijl ze ging zitten. ‘Ik beloof dat we u niet te lang zullen ophouden.’

Magnús wierp haar een stuurse blik toe. ‘Ik heb het niet druk, dus daar hoeft u zich geen zorgen over te maken. Ik weet uit ervaring dat tijd alleen maar kostbaar is zolang je jong bent. Daar komt u zelf ook nog wel eens achter.’

‘Ik weet niet of ik het daar helemaal mee eens kan zijn,’ zei Thóra beleefd. ‘Maar wij wilden graag even met u praten over Birna, de architect die dood op het strand is aangetroffen.’ Ze lette goed op hoe Magnús op haar woorden reageerde.

‘Ja, daar heb ik over gehoord. Verschrikkelijk gewoon,’ zei hij, zonder al te veel emotie te tonen. ‘Ik heb gehoord dat ze vermoedelijk is vermoord, wat het zo mogelijk nog triester maakt.’

‘Dat wordt inderdaad beweerd,’ beaamde ze glimlachend. ‘Wij proberen erachter te komen wie haar dood heeft gewild.’

‘En behoor ik volgens u tot die categorie?’ vroeg Magnús droogjes.

‘Nee, helemaal niet,’ antwoordde Thóra haastig. ‘Wij hebben begrepen dat u haar kende en hoopten eigenlijk dat u wellicht over bruikbare informatie beschikt.’

‘Dat ik haar kende?’ snauwde hij geschrokken en niet in staat zijn ergernis te verbergen. ‘Wie zegt dat ik haar kende? Dat is helemaal niet het geval.’

‘“Kennen” is misschien een groot woord,’ zei ze. ‘Ik hoorde dat u naar haar hebt geïnformeerd bij de receptie, dus toen nam ik aan dat u haar op de een of andere manier kende.’

De oude man aarzelde. ‘Dat kan ik me niet herinneren, maar mijn geheugen is tegenwoordig niet meer wat het geweest is. Als ik inderdaad naar haar heb geïnformeerd, dan moet ik haar naam ergens hebben gezien, misschien op een lijst op de balie. Mijn vrouw en ik zijn op zoek naar een architect en misschien kwam haar naam me bekend voor. Ik meen me wel zoiets te kunnen herinneren, maar ik weet het niet zeker. Weet u zeker dat de receptioniste mij bedoelde?’

Thóra wist zeker dat hij loog. Ze vroeg zich af hoe oud hij was — hij zag er geen dag jonger uit dan tachtig. Waarom had een echtpaar van in de tachtig een architect nodig? Haar ouders waren net zestig en schrokken al terug voor het aanschaffen van een nieuwe auto, laat staan voor ingrijpende verbouwingen aan hun woning. ‘Wilt u een huis laten bouwen?’ vroeg ze.

‘Wat? O, nee,’ zei Magnús langzaam. ‘Wij hebben een oud zomerhuisje bij het Thingvallavatn-meer dat we willen laten verbouwen zodat we er het hele jaar kunnen verblijven. We zoeken een architect om onze plannen mee te bespreken.’ Hij keek haar volkomen argeloos aan. ‘Het lukt ons maar niet er een te vinden. Er wordt op dit moment veel gebouwd.’

‘Maar u bent hier toch niet naartoe gekomen om een architect te vinden?’ vroeg ze, vastbesloten de oude man niet de kans te geven er zo gemakkelijk vanaf te komen.

Magnús keek haar nors aan. ‘Nee, natuurlijk niet. De reden waarom ik hier ben gaat u niets aan en ik zou dit gesprek graag hier en nu willen beëindigen.’ Hij zweeg en wachtte hun reactie af. Zij bleven allebei zwijgend zitten, Matthew omdat hij er geen woord van had verstaan en Thóra omdat ze hem niet nog bozer wilde maken. Toen duidelijk werd dat ze niet van plan waren iets te zeggen, begon de oude man weer te praten. Hij leek al wat minder boos. ‘Eigenlijk kan ik u ook best vertellen waarom ik hier ben. Misschien dat u mij dan met rust laat. U schijnt te denken dat ik iets te verbergen heb, maar niets is minder waar.’

‘Dat denken we helemaal niet,’ verzekerde Thóra hem. ‘We proberen alleen uit te zoeken wat er precies is gebeurd. Dat is alles.’ Ze glimlachte. ‘Het spijt me erg als we aanvallend of beschuldigend klonken; dat was absoluut niet onze bedoeling.’

‘Als u het zegt,’ antwoordde Magnús omzichtig. ‘Het punt is, dat ik ziek ben geweest en wat rust nodig had. De ervaring heeft mij geleerd dat eenzaamheid de beste voeding is voor het lichaam, en zeker voor de ziel. Alleen is dat vandaag de dag niet meer zo gemakkelijk te vinden, met alle drukte en bedrijvigheid van het moderne leven.’

‘Waarom hebt u dit hotel gekozen? Het is gespecialiseerd in homeopathie en spiritualiteit, en ik hoop dat u het niet als een belediging opvat als ik zeg dat dat nu niet bepaald dingen zijn die mensen van uw generatie over het algemeen aanspreken.’

Hij lachte voor het eerst sinds hij de deur voor hen had geopend. ‘U hebt helemaal gelijk: ik geloof niet in die onzin. Ik ben hier naartoe gekomen omdat ik in dit deel van het land ben opgegroeid. Ik heb mijn jeugd doorgebracht op een boerderij niet ver hier vandaan. “Sterk is de verbondenheid die mensen terugvoert naar de aarde die door hun vaders is beploegd,” zoals het gedicht zegt.’

Thóra’s ogen werden groot van verbazing. ‘Echt waar? Dus u hebt de mensen van de boerderij gekend?’

Magnús leek van zijn stuk gebracht. ‘Ja, inderdaad. Is dat belangrijk?’

‘Waarschijnlijk niet. Ik weet alleen dat Birna veel belangstelling had voor de geschiedenis van de boerderij, en ik heb zo’n gevoel dat dat op de een of andere manier iets te maken heeft met haar dood, al heb ik daar geen enkel bewijs voor.’

Magnús trok wit weg. ‘Is dat niet wat al te vergezocht?’ Zijn stem trilde een beetje.

Met bestudeerde nonchalance zei Thóra: ‘Ja, waarschijnlijk wel. Maar het is geweldig dat u bekend bent in deze omgeving. Misschien kunt u ons iets over de geschiedenis ervan vertellen, of over de spookverhalen die hier in omloop zijn?’

Een ogenblik lang leek Magnús sprakeloos. Toen schraapte hij zijn keel en leek hij zijn kalmte te hervinden. ‘Ik geloof niet in spoken en geesten en ik luister al sinds mijn kindertijd niet meer naar dat soort praatjes. Al die verhalen doen hier al heel lang de ronde, maar u zult er iemand anders naar moeten vragen.’ Magnús was een beetje onderuitgezakt in zijn stoel, maar nu richtte hij zich op en vervolgde: ‘Ik ben geen historicus en vroeger had ik niet voldoende belangstelling voor mijn familieachtergrond om de moeite te nemen informatie te verzamelen over wat zich hier allemaal heeft afgespeeld, dus aan mij zult u weinig hebben.’

‘Maar u hebt immers de boeren gekend die hier hebben gewoond? Die man… hoe heette hij ook weer…?’ Thóra probeerde zich te herinneren wat er op de achterkant van de foto’s geschreven stond. ‘Björn huppeldepup?’

Magnús zat als bevroren op zijn stoel. ‘Bjarni, Bjarni Thórólfsson, van Kirkjustétt.’

‘Precies!’ riep Thóra uit. ‘Woonde zijn broer niet op de boerderij ernaast?’

‘Ja, Grímur van Kreppa was Bjarni’s broer.’ Magnús vertrok zijn gezicht. ‘Grímur had medicijnen gestudeerd. Hij was ouder dan Bjarni. Een vreselijke tragedie, de hele geschiedenis met die twee. Maar lot en noodlot gaan niet altijd hand in hand, zoals de sagen zeggen.’

‘O?’ Thóra was nieuwsgierig. Ze had destijds een naar gevoel gekregen bij de foto’s, maar had gedacht dat dat kwam doordat iedereen die erop stond dood en vergeten was. Ze had zich ongemakkelijk gevoeld bij de gedachte een keihard bewijs in handen te hebben van hoe snel levens in de vergetelheid raakten, maar misschien zat er ook nog wel iets anders achter dat onaangename gevoel. ‘Hoe dat zo?’

Magnús gromde. ‘Hun vader was een van de belangrijkste ondernemers met visserij schoeners hier op het schiereiland. Hij bezat ook twee visbedrijfjes met roeiboten en is daar erg rijk mee geworden. Misschien niet zo rijk als ondernemers van visserijbedrijven tegenwoordig, maar destijds gold hij als een zeer vermogend man. Ik weet niet meer hoeveel schoeners hij bezat, maar het waren er heel wat. Zijn bedrijf was gevestigd in Stykkishólmur.’

‘Werkten de broers bij hem in de zaak?’ vroeg Thóra.

‘Nee,’ antwoordde de oude man. ‘Voordat zij volwassen waren, had hij de hele visserijonderneming al van de hand gedaan en het geld in land geïnvesteerd. Hij kocht een groot deel van de landbouwgrond aan de zuidzijde van het schiereiland. Dat was een slimme zet, want niet lang daarna ging het opeens snel bergafwaarts met de visserij industrie. De trawlervissers namen het over en de meeste, zo niet alle, oude schoenerbedrijven gingen over de kop.’

‘Wist hij dan dat dat zou gaan gebeuren?’

‘Nee, hij was niet helderziend, als je dat soms bedoelt. Hij wilde gewoon niet dat zijn zoons naar zee zouden gaan. Hij had te vaak meegemaakt dat jongemannen verdronken of verongelukten en wilde niet dat zijn eigen zoons ook zo zouden eindigen. Hij stuurde ze al op jonge leeftijd naar Reykjavík voor hun opleiding. Grímur was een briljante student en werd arts, zoals ik al zei, maar Bjarni zat niet graag met zijn neus in de boeken. Hij was altijd leuk in de omgang, open, iemand die graag een goede grap uithaalde. Bij lange na niet zo serieus als zijn oudere broer. Het is nauwelijks mogelijk twee broers te vinden die meer van elkaar verschillen. Vergeet niet dat ik dit allemaal van horen zeggen heb; ik heb het van mijn vader gehoord, maar hij was een waarheidlievend man die niet de neiging had zijn verhalen op te smukken.’

‘Werkte Grímur hier dan als dorpsarts?’ vroeg Thóra.

‘Ja, hij kwam hier weer wonen en liet de boerderij bouwen die hij Kreppa noemde. Van zijn werk als arts kon hij niet leven, dus hield hij zich daarnaast ook nog wat met landbouw bezig. Hij probeerde er wel zijn werk van te maken, maar was er niet zo heel erg goed in. Maar toen Bjarni zich op de landbouw ging toeleggen, ging het hem voor de wind. Later verdiende hij ook heel veel geld met beleggen.’

‘Wat was dan de tragedie?’ drong Thóra aan. Tot dusverre klonk het allemaal behoorlijk positief.

‘De tragedie, ach, ja,’ zei Magnús ernstig. ‘Het was de schuld van de liefde, zoals zo vaak. Bjarni trouwde heel jong, met een buitengewoon mooie vrouw. Haar naam was Adalheidur.’ De oude man keek er weemoedig bij. ‘Ik was nog maar een jongetje, maar ik zal haar nooit vergeten. Zij onderscheidde zich van iedereen om haar heen. Ze was de mooiste vrouw uit de wijde omtrek en nog lief ook. Ze werkte heel hard. Bjarni had haar leren kennen in Reykjavík en toen ze hier kwamen wonen wist ze helemaal niets van het boerenbedrijf. Ze kleedde zich altijd alsof ze naar een feest ging, je kent dat type wel. Je begrijpt dat de plaatselijke bevolking weinig vertrouwen in haar had als vrouw van een boer, maar zij liet iedereen versteld staan. Ze deed haar uiterste best om te leren hoe alles in zijn werk ging. Er was heel wat durf en hard werken voor nodig, maar ze liet iedereen versteld staan, dat kan ik je wel vertellen.

Kristrún, Grímurs vrouw, was heel anders. Zij kwam uit deze streek en werkte net zo hard als Adalheidur, maar niet op dezelfde manier. Ze deed trouw haar werk, maar Adalheidur had altijd een glimlach op haar gezicht en lachte als er iets verkeerd ging. Ze pasten heel goed bij hun echtgenoten, dat wel. Bjarni was vrolijk, maar Grímurs gezicht stond altijd op onweer.’

‘Is Adalheidur jong gestorven?’ vroeg Thóra, toen ze eraan dacht hoe de vrouw opeens van de foto’s was verdwenen.

‘Ja,’ zuchtte Magnús. ‘Ze hadden een kind, een dochtertje dat Gudný heette. Een mooi meisje, het evenbeeld van haar moeder. Niet lang daarvoor hadden Grímur en zijn vrouw ook een dochter gekregen. Haar naam was Edda, maar zij stierf rond de tijd dat Gudný werd geboren en dat veroorzaakte spanningen tussen de beide vrouwen. Grímurs vrouw beschuldigde Adalheidur ervan haar dochtertje te hebben vergiftigd, wat belachelijk was, maar de vrouw was buiten zichzelf van verdriet en op het moment dat ze het zei waarschijnlijk niet helemaal toerekeningsvatbaar. De verhouding tussen de broers bekoelde, zozeer zelfs dat ze niet eens meer met elkaar spraken toen het noodlot toesloeg.’

‘Het noodlot?’ echode Thóra.

‘Ja, Adalheidur stierf aan bloedvergiftiging en er wordt beweerd dat Grímurs vrouw krankzinnig werd. Zij werd jarenlang niet meer gezien, zodat de twee broers alleen achterbleven: de een als jonge weduwnaar met een klein dochtertje en de ander met een geesteszieke vrouw maar zonder kinderen. Hun trots weerhield hen ervan hun band weer op te bouwen, zodat zij genoodzaakt waren hun moeizame gevecht in eenzaamheid te voeren. Veel later kregen Grímur en Kristrún nog een dochter. Haar naam was Málfrídur; zij werd vlak voor de oorlog geboren. Zijn vrouw stierf naar verluidt in het kraambed, hoewel er ook geruchten waren dat zij zelfmoord had gepleegd en dat Grímur met de overlijdensakte had geknoeid. Die schreef hij zelf. Maar volgens mij zijn er geen redenen om dat te geloven: Kristrún was inmiddels niet zo jong meer en zoals je weet doen er zich bij oudere vrouwen veel meer problemen voor tijdens de bevalling.’

‘O, ja,’ beaamde Thóra. ‘En is het ooit nog tot een verzoening gekomen tussen de broers?’

‘Nee, maar toen Bjarni ziek werd was er toch wel weer enig contact tussen de beide huishoudens.’

‘Hij kreeg toch tuberculose?’ vroeg Thóra, die zich herinnerde wat Sóldís haar had verteld.

‘Ja,’ antwoordde Magnús. ‘Hij sloot zichzelf op en weigerde naar een sanatorium in Reykjavík te gaan. Hij stierf een paar jaar later.’ Hij zuchtte diep. ‘Maar pas nadat hij Gudný, zijn dochter die hem verzorgde, had besmet. Het duurde niet lang voordat ook zij overleed. Tijdens hun ziekte hield zijn broer de boerderij gaande, maar het zou heel anders zijn gelopen als Bjarni gewoon naar Reykjavík was gegaan om zich te laten behandelen.’ Magnús schudde spijtig zijn grijze hoofd. ‘Niet veel later verhuisde Grímur naar Reykjavík met zijn dochter, Málfrídur. Hij was de enige erfgenaam van zijn broer, dus hij hoefde de boerderij en andere bezittingen hier op het schiereiland niet te verkopen. Hij heeft echter ook niet lang meer geleefd. Een paar jaar nadat hij hier is weggegaan is ook hij gestorven. Hij had ernstige problemen met zijn geestelijke gezondheid, een beetje zoals zijn vrouw.’

‘En Kristín?’ vroeg Thóra. ‘Wie was dat?’

Magnús verstijfde. Hij opende zijn mond alsof hij iets wilde zeggen, maar deed hem meteen weer dicht. ‘Woonde er iemand met de naam Kristín op een van beide boerderijen?’

Magnús’ blik was vlak. ‘Nee. Er heeft hier nooit een Kristín gewoond.’ Hij kuchte. ‘Volgens mij heb ik nu wel genoeg verteld.’

‘Nog één ding tot slot — kent u iemand die banden kan hebben gehad met een nazi-organisatie in deze streek?’ vroeg ze snel, voordat hij hen de deur kon wijzen.

‘Ik heb verder niets meer te zeggen,’ zei Magnús, terwijl hij opstond. Hij wankelde een beetje en even was Thóra bang dat hij flauw zou vallen, maar hij hervond zijn evenwicht en gebaarde naar de deur. ‘Goedendag.’

Thóra zag wel in dat het geen zin had de man nog verder te ondervragen. Maar welke rol hadden de nazi’s gespeeld in de geschiedenis van de boerderij? Of Kristín? En wie was zij eigenlijk?

14

‘Ik raad u aan uw agenda voor de komende paar dagen vrij te maken,’ zei Thórólfur, de rechercheur, ernstig. Hij belde vanuit Reykjavík. ‘Dat wil zeggen, als u van plan bent als raadsvrouw van uw cliënt op te treden.’

Thóra zuchtte. ‘Ik weet niet of dat gaat lukken. Ik moet vandaag terug naar Reykjavík.’

‘Tja, dat moet u natuurlijk zelf weten,’ antwoordde hij. ‘Ik wilde alleen even laten weten dat wij de komende paar dagen verklaringen komen afnemen, voornamelijk van toeristen die we later misschien niet meer kunnen bereiken. We zijn ook van plan om uitgebreid met Jónas te praten. U hebt zich opgeworpen als zijn advocaat, dus we wilden u even op de hoogte brengen. Maar u moet het natuurlijk zelf weten.’

‘O, toch wel?’ zei ze bits. Thóra had er een hekel aan zo neerbuigend te worden behandeld, maar omwille van Jónas moest ze op goede voet blijven staan met de politie, dus zei ze vriendelijker: ‘Fijn dat u mij dit even laat weten. Ik zal kijken of ik iets kan regelen.’

Ze hingen op en Thóra belde Jónas, die de telefoon van Vigdís gebruikte zolang de politie de zijne nog had. Voor Thóra had hij een oude telefoon zo groot als een baksteen opgeduikeld, waar zij haar eigen sim-kaart in had gedaan. Na wat er was gebeurd verwachtte Thóra niet dat de politie enige haast zou maken met het teruggeven van haar eigen telefoon.

Nadat de telefoon drie keer was overgegaan nam Jónas op. Zo te horen zat hij in een auto. Ze vertelde hem dat de politie hem de komende week wilde spreken, wanneer ze langskwamen om verklaringen van de hotelgasten af te nemen.

‘Willen ze míj spreken?’ Jónas klonk oprecht verbaasd.

‘Ja, natuurlijk,’ antwoordde Thóra. ‘Ben je dat sms’je vergeten? Jij bent natuurlijk een verdachte.’

‘Maar dat heb ik niet eens verstuurd. Dat heb ik je toch verteld?’ Jónas klonk bijna gekwetst.

‘Ik weet wat je mij hebt verteld. Maar dat doet niets af aan het feit dat je verdacht lijkt, en dan druk ik me zachtjes uit.’ Thóra hoorde een auto claxonneren aan zijn kant van de lijn. ‘Wil je dat ik erbij ben wanneer je je verklaring aflegt, of kun je het wel zonder mij af?’

‘Ik kan het niet alleen,’ zei Jónas angstig. ‘Ik heb geen idee hoe ik het moet aanpakken. Je moet me helpen.’ Toen leek hij een beetje op te klaren en voegde eraan toe: ‘Het zou voor mij het beste zijn als jij de moordenaar zou kunnen vinden zodat ze mij niet langer verdenken. Ik wil je er graag voor betalen.’

Thóra schoot onwillekeurig in de lach. ‘De politie vindt de moordenaar heus wel, Jónas. Maak je geen zorgen. Als je onschuldig bent, ga je vrijuit.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van,’ zei Jónas weifelend. ‘Ik wil je erbij hebben wanneer ze me ondervragen.’

‘Goed,’ zei Thóra. ‘Ik zal wel het een en ander moeten regelen om hier langer te kunnen blijven. Is er een kamer vrij in het hotel?’

‘Ik weet zeker dat we kamers vrij hebben. We zijn pas in juli weer volgeboekt.’

‘Dan blijf ik hier, als ik tenminste iemand kan vinden om voor de kinderen te zorgen,’ zei Thóra. ‘Dit was hun vaders weekend om ze te hebben, maar het is nu zondag en dan komen ze weer thuis.’

‘Geen probleem, dan laat je ze toch hiernaartoe komen!’ opperde Jónas opgewekt. ‘Kinderen zijn dol op de natuur en het strand heeft ze genoeg te bieden om zich heerlijk te vermaken.’

Thóra glimlachte bij zichzelf. Gylfi was vast wel bereid wat op het strand rond te scharrelen, zolang hij maar een computer en een internetaansluiting had. ‘Ik hoop niet dat dat nodig zal zijn,’ zei ze. ‘Ik laat het je nog wel weten.’ Ze namen afscheid en Thóra kreunde terwijl ze zich omdraaide naar Matthew.

‘Wat?’ vroeg hij, nieuwsgierig. ‘Je klinkt niet bepaald blij.’

‘Nee, dat ben ik ook niet,’ fronste Thóra, terwijl ze wat met haar zware mobiele telefoon speelde. ‘Jónas heeft me gevraagd aanwezig te zijn bij zijn politieverhoor.’

Matthew grijnsde breed. ‘Dat is toch geweldig? Ik heb geen haast om te vertrekken.’

Thóra glimlachte zwakjes. ‘Natuurlijk. Het zou ook geweldig zijn, als ik niet aan de kinderen hoefde te denken. Die zijn nu bij hun vader en het was de bedoeling dat ik ze later vandaag zou oppikken.’

‘Aha,’ zei hij begrijpend, hoewel hij zich duidelijk niet in haar situatie kon inleven. ‘Kun je dan niet bellen en vragen of ze daar nog wat langer kunnen blijven?’

‘Ja, ik heb geen andere keus,’ mopperde Thóra. Ze vond het vreselijk om Hannes om een gunst te moeten vragen, want ze wist hoe hij haar zich eerst in bochten zou laten wringen alvorens akkoord te gaan — vooral omdat zijzelf ook geen mogelijkheid voorbij liet gaan hetzelfde bij hem te doen.

Na het nodige bekvechten aan de telefoon kwamen Thóra en Hannes overeen dat de kinderen nog één nachtje bij hem zouden blijven, maar niet langer. Hannes moest naar de sportschool en er waren nog andere dingen die hij had moeten uitstellen omdat hij tijd aan zijn kinderen had moeten besteden. Thóra vertelde hem liefjes dat ze het begreep en eigenlijk al vond dat hij de laatste tijd nogal was aangekomen. Toen hing ze op en hoopte vurig dat hij een spier of zo zou scheuren op de loopband. En ze gaf toe aan de aanvechting haar tong naar het toestel uit te steken voordat ze het neerlegde.

‘Mooi om te zien hoe volwassen je omgaat met je scheiding,’ zei Matthew. ‘Niet iedere man heeft zo’n begripvolle ex.’

Thóra trok ook naar hem een lelijk gezicht. ‘Spreek je soms uit ervaring?’ vroeg ze, en ze voegde eraan toe: ‘De kinderen kunnen maar één nachtje langer bij hem blijven, dus als ik niet iets anders kan regelen moet ik naar huis.’

‘Ik ben niet gescheiden. Ik heb alleen problemen met het vinden van de juiste vrouw,’ zei Matthew. ‘Hoewel het de laatste tijd wel wat beter lijkt te gaan.’ Bij het zien van Thóra’s afkeurende blik klapte hij in zijn handen en begon over iets anders. ‘Nou, laten we de weinige tijd die we hebben dan maar zo goed mogelijk gebruiken. Wat mij betreft hebben we voldoende gewandeld. Waar zou jij nu eens zin in hebben?’

‘Eén ding is zeker: hoe meer ik te weten kom, des te beter ik Jónas kan helpen tijdens het verhoor,’ zei Thóra, en ze dacht even na. ‘We moeten nog meer gasten te spreken zien te krijgen, of anders Eiríkur de auralezer zoeken, bij wie al die spookverhalen vandaan komen. Jónas zei dat hij gisteren terug werd verwacht.’

Matthew keek beteuterd. ‘Dat was eigenlijk niet wat ik bedoelde, en ik had er ook geen andere gasten of een auralezer bij willen uitnodigen.’

Thóra bloosde, maar deed net of ze hem niet begreep. ‘Kom op, dan gaan we. Zoals je al zei, ik moet de tijd die ik nog heb zo goed mogelijk gebruiken.’

Eiríkur staarde naar de tarotkaarten die hij had neergelegd. Pentakels Koning — goed. De Dood — slecht. Hij streek met zijn vinger langs de rand van de kaart waarop de Dood stond afgebeeld en dacht na. Hij had twee keer achter elkaar precies dezelfde kaarten neergelegd, en hij mocht dan geen tarotdeskundige zijn, maar hij wist wel dat de kans daarop uitermate klein was. Wat wilden de kaarten hem duidelijk maken? Hij vroeg zich af of hij er misschien iemand bij moest halen die meer over de tarot wist, maar kwam tot de slotsom dat dat te veel moeite was. Dan zou hij het knusse personeelsverblijf moeten verlaten om naar het hotel te gaan en daar had hij echt geen zin in. Er was geen vaste telefoonverbinding en hij wist hoe slecht de mobiele ontvangst hier was. Bovendien gebruikte Eiríkur nooit een mobiele telefoon. Als auralezer wist hij dat de golven die die dingen uitstraalden op z’n zachtst gezegd een slechte invloed hadden. Hij liep liever naar de dichtstbijzijnde vaste telefoon dan in een mobieltje te gaan zitten kletsen in de wetenschap dat zijn aura met elk woord dat hij zei zwakker werd. Nee, hij kon dit vast zelf wel uitleggen. Hij legde zijn voorhoofd op zijn handpalm en staarde geconcentreerd naar de kaarten. Pentakels Koning. De Dood.

Eiríkur schoot overeind. Kon het zo zijn dat de Dood geen betrekking had op zijn eigen dood, of op die van iemand die hem na stond, maar gewoon op de dood van de architect? Hij knikte bij zichzelf. Natuurlijk. Het voorspelde dat haar dood een grote impact zou hebben op zijn leven. Daarom verscheen deze kaart telkens weer. Maar hoe zat het dan met de Pentakels Koning? Eiríkur wist wel iets van de tarot en meende zich te herinneren dat de Pentakels Koning naar geld verwees. Hoe paste dat in elkaar? Kon het zijn dat hij rijk zou worden door haar dood? Hij had haar gewaarschuwd. Haar aura was zo zwart geweest als een donderwolk, en dat voorspelde nooit veel goeds. Kon hij deze voorspelling wellicht gebruiken om reclame te maken voor zijn diensten? Verrekte jammer dat zij de enige was geweest aan wie hij het van tevoren had verteld. Nu was hij de enige die het verhaal kon vertellen en iedereen zou denken dat hij het uit zijn duim zoog.

Met een zacht gegrom trachtte Eiríkur zijn verlangen naar een sigaret te onderdrukken. Jónas keurde het af als zijn personeel rookte en Eiríkur had er een hekel aan om het stiekem te moeten doen, als een tiener. Hij was te oud om op zijn hurken achter een muurtje te moeten zitten, in de hoop dat niemand hem zou zien. Zielig gewoon. Misschien was het terecht om de voedingsdeskundige en de personal trainer te verbieden om te roken, maar welke gast zou er in vredesnaam iets op tegen hebben dat een auralezer af en toe een sigaret opstak? Niemand, natuurlijk. Eiríkur schrok op — zijn overpeinzingen over roken hadden een andere gedachte bij hem doen opkomen. Wat had Vigdís ook weer gezegd? Het lichaam was op een vrijdag gevonden en Birna was al niet meer gezien sinds donderdagavond; de avond dat hij even uit de seance was weggeglipt om stiekem een sigaretje te roken. Opeens begreep hij wat hij op dat moment niet had beseft — wat die persoon van plan was geweest. Natuurlijk, hij had de moordenaar gezien. En dan zeggen ze nog wel dat er niets goeds kan voortkomen uit roken, dacht hij tevreden bij zichzelf.

Eiríkur verzamelde de kaarten en glimlachte. Nu snapte hij hoe de Pentakels Koning in verband stond met de moord, die werd verbeeld door de Dood. Het geld was voor hem, want om rijk te worden moest je soms je handen vuil durven maken. Over het bedrag moest worden onderhandeld — geheimhouding was immers goud waard? Maar hij was een eerlijk mens en keek niet zo nauw. Hij moest alleen wel even naar het hotel om gebruik te maken van de telefoon en hij had ook nog een appeltje te schillen met zijn werkgever, Jónas. Het zou een feest zijn om met hem te kunnen praten zonder mooi weer te hoeven spelen om zijn baantje te behouden. Nu hij financiële onafhankelijkheid in het vooruitzicht had, hoefde hij eindelijk niet meer bij de baas te slijmen.

Hij legde de kaarten terug in het doosje, stond op en liep naar de deur. Er was geen tijd te verliezen; hij moest onmiddellijk met de onderhandelingen beginnen. Hij had zoveel haast dat hij voor de verandering eens niet bleef staan om zichzelf te bewonderen in de kleine spiegel naast de kapstok bij de deur. Had hij dat wel gedaan, dan zou hij hebben gezien dat zijn aura zwaar en donker was. Bijna zwart.

Thóra zuchtte. ‘Dus iedereen is weg?’

Vigdís keek haar onbewogen aan. ‘Nou, zo zou ik het niet willen noemen, maar de meeste mensen bezoeken bezienswaardigheden of ondernemen andere activiteiten tijdens hun verblijf. We krijgen hier maar weinig gasten die inchecken en vervolgens in hun kamers blijven zitten wachten om jou te ontmoeten.’

Matthew, die geen woord had verstaan van wat ze zei, keek Vigdís vriendelijk aan. ‘Mooie dag,’ zei hij in het Engels.

‘Heel mooi,’ beaamde Vigdís. ‘Misschien is dat wel de reden waarom er zo weinig mensen binnen zitten.’ Ze wendde zich weer tot Thóra. ‘Ik wil niet onbeleefd zijn, maar ik kan je gewoon niet helpen. Tegen etenstijd druppelen de meeste mensen wel weer binnen. Nieuwe gasten komen natuurlijk vroeger om in te checken, maar volgens mij is er vandaag nog niemand aangekomen.’

‘Verdomme,’ zei Thóra. ‘En er zijn ook geen personeelsleden vrij met wie ik even snel een babbeltje kan maken?’

Vigdís schudde haar hoofd. ‘Er is niet veel personeel aanwezig en iedereen heeft het heel erg druk. Na het avondeten krijgen ze het weer wat rustiger.’ Ze wierp hen een argwanende blik toe. ‘Wat is eigenlijk de bedoeling?’

‘Niets bijzonders,’ zei Thóra. ‘We wilden alleen iets meer te weten komen over Birna — wat ze deed, met wie ze zoal omging. Misschien beschikt iemand over informatie die een verklaring kan geven voor haar dood.’

‘De moord op haar, zul je bedoelen,’ wees Vigdís haar terecht. ‘Als je echt helemaal op een dood spoor zit, kun je altijd nog naar de kerk gaan. Ik weet dat Birna daar wel eens naartoe ging, want dan kwam ze bij mij de sleutel halen.’

‘Kerk?’ vroeg Thóra. ‘Welke kerk?’

‘Een klein kerkje, niet ver hier vandaan. Het hoort in feite niet bij het hotel, maar wij hebben wel de sleutels. Er komen wel eens bussen met toeristen om het te bekijken. Buitenlanders vinden het heel pittoresk.’ Vigdís reikte onder de balie en overhandigde hen een oude sleutel. ‘Bij het omdraaien moet je een beetje tegen de deur duwen.’

Matthew pakte de sleutel aan en Vigdís vertelde hoe ze er konden komen. ‘Het kerkje dateert dan wel uit 1864, maar wordt nog steeds gebruikt door de bewoners van de boerderijen uit de omgeving, dus zorg dat je geen rommel maakt.’ Vigdís geeuwde. ‘Ik weet nog dat Birna ontzettend opgewonden deed over het kerkhof. Ik geloof dat ze op zoek was naar een grafzerk.’

Hij had de hele kamer overhoopgehaald. Hij had alles opengetrokken en uit elkaar gehaald maar niets gevonden. Wat had dat stomme wijf ermee gedaan? Hij zuchtte geërgerd, maar lette er wel op dat hij het heel zachtjes deed. Vond hij het nou maar, dan kwam er eindelijk een eind aan dit hele vervelende verhaal. Hij legde een oor tegen de deur en luisterde. Op de gang leek alles rustig. Hij draaide zich weer om naar de kamer. Moest hij nog verder zoeken, of accepteren dat het hier niet was? Verder zoeken leek geen zin te hebben. Hij liep naar de deur die toegang gaf tot de tuin en gluurde voorzichtig tussen de gordijnen door. Niemand te zien. Hij opende zachtjes de deur en sloop naar buiten, de frisse lucht in. Toen duwde hij de deur weer dicht en liep weg, terwijl hij intussen zijn handschoenen uittrok en in zijn zak stopte. Waar was het in vredesnaam?

15

Het kerkje stond op een stuk grasland, niet ver van het strand. Het piepkleine, uit gitzwart hout opgetrokken gebouwtje stond op een heuveltje en deed Thóra erg denken aan kerken zoals ze die op de lagere school had getekend — gebouwtjes met een kleine toren en een kruis erbovenop. Die van haar waren vrolijker gekleurd geweest, maar ze moest toegeven dat zwart wel bij deze kerk paste. De wit geschilderde ramen en deur staken er mooi bij af en al met al zag hij eruit alsof de plaatselijke bevolking het zo indrukwekkend had gemaakt als hun financiën dat toestonden. Thóra kon zich niet herinneren ooit eerder een kerk in deze kleur te hebben gezien en ze vroeg zich af of men had geprobeerd een replica neer te zetten van het oorspronkelijke gebouw. Hoewel ze maar een geringe kennis van architectuurgeschiedenis had, meende ze zich te herinneren dat de muren vroeger werden geteerd in plaats van geverfd. Nadat ze voor zichzelf had besloten dat dit de verklaring moest zijn, diste ze het verhaal aan Matthew op alsof het een feit was. Hij slikte het.

De brede, stenen muur rond het kerkhof was bijna helemaal begroeid met gras en mos en slechts hier en daar was een stukje grijs zichtbaar. Pal voor de kerkdeur bevond zich een hoog, ijzeren hek dat toegang gaf tot het kerkhof. Ze openden het hek, dat oorverdovend piepte, en liepen naar binnen.

‘Kijk,’ zei Thóra, ‘daar achteraan liggen een paar graven.’

‘Er zijn hier kennelijk minder mensen overleden dan ze hadden verwacht,’ zei Matthew, terwijl hij naar het terrein tussen de kerk en de grafstenen keek.

‘Ja,’ zei Thóra. ‘Dat is wel vreemd. Vigdís zei dat de kerk hier nog steeds in gebruik is, dus misschien wordt het in de loop van de tijd nog wel voller.’

‘Ik kan het me niet voorstellen,’ zei Matthew. Hij liep naar de kerkdeur en bekeek het slot. ‘Wat moest ik ook weer doen? Duwen of trekken?’

‘Duwen, geloof ik. Of trekken. Een van de twee,’ zei Thóra vaag. In plaats van naar Matthew te kijken, liet ze haar blik over de begraafplaats en de grafstenen dwalen. ‘Denk je dat we Kristíns graf hier zullen vinden?’ vroeg ze, terwijl ze zich weer tot Matthew wendde. Hij stond verwoed met de deur te worstelen. ‘Daar heeft Birna vast naar gezocht toen ze hier was.’

‘Weet ik veel,’ snauwde hij. ‘Ik ben nu even met deze verdomde deur bezig.’ Hij duwde een schouder tegen het hout en draaide de sleutel om. Er was een zachte klik te horen. ‘Na endlich!’ zei hij trots en duwde de deur open. ‘Bitte, Frau.’

Het kerkportaal bood hooguit ruimte aan vier mensen. Het leidde naar het schip met een altaar, kerkbanken en een kansel. Ook de binnenkant bestond voornamelijk uit hout, in zachte kleuren geschilderd en versierd met bloempatronen langs de randen van het plafond en langs de banken. Het geheel maakte een verzorgde en warme indruk, met uitzondering van het altaarstuk waarop de kruisiging van Christus op Golgotha was afgebeeld.

‘Waarom zijn die banken zo klein?’ vroeg Matthew, die probeerde te gaan zitten. Zijn achterwerk paste er nauwelijks op en de banken stonden zo dicht op elkaar dat hij amper zijn benen kwijt kon.

‘Waarschijnlijk om ervoor te zorgen dat je niet in slaap valt,’ antwoordde Thóra. ‘Of om ruimte te besparen. Eigenlijk lijkt me dat laatste een meer voor de hand liggende verklaring.’

‘Tenzij de IJslanders vroeger een volk van dwergen waren,’ zei Matthew, terwijl hij opstond. Hij liep naar Thóra, die bij de trap naar de galerij stond. ‘Zullen we ook even boven kijken?’ vroeg hij. ‘Hierbeneden hebben we volgens mij alles wel gezien in de vijftien seconden dat we hier nu zijn.’

Ze liepen de smalle trap op naar de galerij. Alles was in dezelfde zachte kleuren geschilderd. Vanaf de leuning had je goed zicht op het schip en opeens zag Thóra een koperen kroonluchter die in het midden van het plafond hing. Ze keken overal rond, maar er viel niet veel te zien: alleen een indrukwekkend orgel met een opengeslagen boek met bladmuziek erop en een houten kast die gezangboeken en andere spullen van het koor bleek te bevatten. Verder was er op het platform niets te vinden.

‘Dat was zonde van onze tijd,’ zei ze teleurgesteld. ‘Ik had iets spannends verwacht.’

‘Zoals?’ vroeg Matthew. ‘Je zult hier niets aantreffen wat verband houdt met de moord. Birna was gewoon onder de indruk van het gebouw. Ze was per slot van rekening architect.’

Thóra fronste haar wenkbrauwen, nog niet helemaal overtuigd. ‘Zou hier ook niet een soort opslagruimte moeten zijn? De predikanten zullen toch niet elke keer alles heen en weer hoeven sjouwen wanneer ze hier een dienst komen houden?’

Matthew haalde zijn schouders op. ‘Er ligt een bijbel op het altaar. Misschien hebben ze daar genoeg aan. Met een paar kaarsen.’

‘En de kerkarchieven dan? Zijn alle kerken niet verplicht archieven bij te houden?’ Thóra liep weer naar de leuning om een beter beeld van de kerk te krijgen. Misschien was er ergens een kast of een kist heel slim verborgen, hoewel ze niets zag wat daarop wees. ‘Ze moeten alles vastleggen wat hier gebeurt.’

Matthew keek haar vragend aan. ‘Wat bedoel je?’

‘Huwelijken, dopen, confirmaties — het wordt allemaal opgetekend in de kerkarchieven.’ Thóra liep naar de muur aan de andere kant van de galerij bij de trap, waar ze een luik hoopte te vinden. ‘Zie je wel!’ riep ze opgewonden, toen ze boven zich in het plafond een rechthoekig luik zag zitten. ‘Daarboven is ook nog iets.’

Matthew kwam bij haar staan en keek omhoog. Het plafond was heel laag, dus het kostte hem geen enkele moeite het luik te openen. Ze keken allebei omhoog in de donkere opening. ‘Volgens mij zie ik traptreden,’ zei hij. ‘We hebben meer licht nodig.’

Thóra knipte een ouderwetse schakelaar bij de trap aan en er gingen enkele wandlampen branden. ‘Zo beter?’

‘Ja en nee,’ zei hij. ‘Het is beter in de zin dat ik nu iets kan zien, maar slechter in de zin dat ik nu kan zien dat er niks te zien is.’

‘Niks? Geen boeken?’ vroeg Thóra teleurgesteld, en ze rekte zich uit om iets te kunnen zien.

‘Nee,’ antwoordde Matthew. ‘Voor zover ik kan zien is het alleen maar een toegang tot de toren. Ik kan me niet voorstellen dat daar boeken worden bewaard.’ Hij greep met beide handen de rand van het gat en hees zichzelf omhoog. ‘Nee, er is echt niets te zien.’ Hij liet zich weer op de grond zakken en klapte het stof van zijn handen. ‘Misschien weet Vigdís waar de kerkarchieven worden bewaard. Zij heeft de sleutels, dus wie weet, misschien gaat ze daar ook wel over.’

‘Ik ga alleen nog even een kijkje bij het altaar nemen,’ zei Thóra. ‘Ze móéten hier ergens zijn.’ Ze gingen de trap af en zij liep voor Matthew uit naar de lijdende Jezus. In eerste instantie zag ze alleen de bijbel en twee grote kandelaars. Ze stonden op een tafel met een prachtig geborduurd paars kleed erop, die tegen de muur onder het altaarstuk geschoven stond. Toen ze het kleed optilde zag ze dat de tafel in werkelijkheid een klein kastje was. ‘Matthew, kijk!’ riep ze. Ze bukte zich en pakte een van de inspringende handgrepen. Gelukkig zat de kast niet op slot en de deurtjes gingen knarsend open. Thóra wierp een triomfantelijke blik over haar schouder en haalde even later drie grote, in leer gebonden boeken tevoorschijn.

Het bovenste boek zag er vrij nieuw uit en toen Thóra het opensloeg, zag ze meteen dat ze hier geen tijd aan hoefde te verspillen: het jaartal op de eerste pagina was 1996. Ze opende het volgende boek en bladerde het door tot ze een datum rond 1940 vond. ‘Ik denk dat Kristín hier tijdens de oorlog nog was,’ zei ze tegen Matthew. ‘De filmsterrenfoto’s die ik onder de dakspanten heb gevonden, stammen uit die tijd.’ Ze bladerde het hele katern door, maar vond niets. Er waren verschillende geboorten, dopen, huwelijken en sterfgevallen opgetekend, maar de naam Kristín kwam nergens voor.

Wel was er iets vreemds aan de inschrijvingen van 1941, waar de linkerpagina eindigde met de naam van een bruid, terwijl de pagina rechts ervan over een begrafenis leek te gaan. ‘Dat is vreemd,’ zei ze peinzend, terwijl ze het boek wat wijder opende om de verbindingsnaad in het midden te bekijken. Ze gaf het aan Matthew. ‘Moet je zien,’ zei ze, ‘er is een pagina uitgescheurd. Misschien wel twee.’

Matthew bekeek het boek en knikte. ‘Je hebt gelijk,’ antwoordde hij, en hij gaf het boek weer aan Thóra. ‘Bizar. Wie doet nu zoiets? Iemand die een huwelijk wilde uitwissen?’

‘Of iemand die de doop van een kind wilde uitwissen,’ zei Thóra. ‘Als je de naam van een kind uit die tijd uit het geboorteregister verwijdert, heb je zo ongeveer elk spoor van dat kind uitgewist. Ik weet niet of het landelijk register in die tijd al bestond, maar zelfs als dat wel zo is, dan kunnen we er niet zeker van zijn dat er op het platteland op de juiste manier mee werd omgegaan. Het kan in elk geval niet al te moeilijk zijn geweest om jezelf, of iemand anders, buiten het systeem te houden.’

Nadat Thóra alle boeken had doorgebladerd zonder een spoor van Kristín tegen te komen, zetten ze de boeken weer terug.

Buiten, op het kerkhof, hoefden ze niet veel graven te bekijken om te zien hoezeer de tijden veranderd waren. De meeste graven op het kleine kerkhof hadden inscripties als jongen — doodgeboren of meisje — ongedoopt. In veel gevallen lagen verschillende kinderen van dezelfde ouders naast elkaar, of diende één grafsteen voor een groepje kinderen uit één gezin. In de hoop namen tegen te komen die ze herkende, bestudeerde Thóra elke inscriptie met grote zorgvuldigheid. Ze vond twee grafzerken met de naam Kristín erop, maar in beide gevallen had degene die er begraven lag een hoge leeftijd bereikt. Het leek haar onwaarschijnlijk dat deze vrouwen iets te maken hadden met de inscriptie onder de dakbalken.

Uiteindelijk kwamen ze bij twee aangrenzende graven die van elkaar werden gescheiden door een laag hekje. Beide graven hadden opvallend grote en indrukwekkende grafzerken van minstens anderhalve meter hoog en gehouwen uit een lichte steensoort. Ze waren bedekt met oranje mos of korstmos. Op de ene stond een afbeelding van een slang die zich omdraait om in zijn eigen staart te bijten, en een olielamp. Thóra herkende geen van beide symbolen, maar herinnerde zich wel dat er op het omslag van de Gideon-bijbel een olielamp stond. Ze vroeg Matthew of de afbeeldingen hem iets zeiden, maar dat was niet het geval. Ze las de inscriptie, die de namen vermeldde van de familie die op Kirkjustétt had gewoond, de boerderij die tegenwoordig deel uitmaakte van Jónas’ hotel. Helemaal bovenaan stond het gezinshoofd: bjarni thórólfsson, landbouwer op kirkjustétt, geb. 1896 overl. 1944. Daaronder stond: zijn vrouw, adalheidur jónsdóttir, geb. 1900 overl. 1928. En daaronder stonden nog twee namen: bjarni, geb. 1923 overl. 1923 en gudný, geb. 1924 overl. 1945.

‘Dat zijn de mensen van de foto waarvan ik je heb verteld, de mensen die Magnús Baldvinsson heeft gekend.’ Matthew hoefde geen IJslands te kennen om het opschrift van de zerk te kunnen begrijpen, dus bukte hij zich om het te lezen. Thóra vervolgde: ‘Volgens Magnús zijn de boer en zijn dochter aan tbc bezweken en zijn vrouw jaren eerder al aan bloedvergiftiging.’ Ze wees naar de data achter Adalheidurs naam. ‘Een meisje dat voor Jónas werkt beweert dat er op de boerderij sprake was van incest. Vermoedelijk tussen Bjarni en zijn dochter, Gudný.’

‘We kunnen er niet zomaar van uitgaan dat dat waar is,’ zei Matthew. ‘Hoe kan een meisje van die leeftijd iets weten over een geval van incest dat zeventig jaar geleden heeft plaatsgevonden?’

‘Haar grootmoeder had het haar verteld,’ zei Thóra. ‘En uit principe denk ik dat grootmoeders geen leugens vertellen.’

‘Niet alle grootmoeders zijn hetzelfde,’ grinnikte Matthew. ‘Ik zou zo’n verhaal maar liever met een korreltje zout nemen, ook al wordt het verteld door een lief oud dametje.’

‘Je zult wel gelijk hebben,’ gaf Thóra toe. ‘En omwille van Gudný hoop ik maar dat het een onzinverhaal is.’ Toen wees ze naar de naam van het zoontje dat in zijn eerste levensjaar was overleden. ‘Het viel me op de foto’s al op dat Adalheidur zwanger leek, maar er waren geen foto’s van een baby. Misschien heeft hij maar een paar dagen geleefd.’

‘Zoals de meeste kinderen hier,’ zei Matthew, met een gebaar naar de andere graven. ‘Meer dan de helft van deze overledenen zijn volgens mij kinderen die de kleuterleeftijd niet eens hebben bereikt.’

‘Het lijkt inderdaad alsof de mensen uit deze streek moeite hadden hun kinderen gezond groot te brengen,’ zei ze, terwijl ze om zich heen keek. ‘Tenzij de zuigelingensterfte in heel IJsland zo hoog was.’ Ze huiverde. ‘Godzijdank behoort dat allemaal tot het verleden,’ zei ze, terwijl ze naar de volgende grafsteen liep, die iets bescheidener was. ‘Dat is vreemd.’ Hij leek halfleeg. ‘Maar twee inscripties: zijn vrouw, kristrún valgeirsdóttir, geb. 1894 overl. 1940 en daaronder edda grímsdóttir, geb. 1921 overl. 1924. Thóra keek Matthew aan. ‘De naam van de echtgenoot ontbreekt, maar dat moet Grímur Thórólfsson zijn, de oudste broer. De vrouw heeft dezelfde naam als zijn echtgenote en het kind dezelfde als zijn dochtertje.’

‘Denk je dat hij de “papa” is die Kristín heeft vermoord? Misschien was het niet de gewoonte een moordenaar bij zijn gezinsleden te begraven,’ zei hij. ‘Of zou het kunnen dat hij nog leeft? Hoe dan ook, hier ligt hij niet begraven.’

Thóra schudde haar hoofd. ‘Nee, dat kan niet kloppen. Magnús zei dat Grímur een paar jaar na zijn verhuizing naar Reykjavík is overleden.’

‘Waar is hij dan?’ vroeg Matthew. ‘Dan zou hij hier moeten liggen. Er is ruimte genoeg voor zijn naam. Het ziet er raar uit, die lege plek.’

Thóra draaide zich om en keek het kerkhof rond. ‘Hij kan hier niet begraven liggen, anders zou zijn naam op de steen moeten staan.’ Ze wandelden het hele kerkhof over, maar vonden Grímurs, noch Kristíns graf. ‘Misschien was Kristín toch wel gewoon een kat,’ zei Thóra somber, toen ze het piepende hek achter zich sloten.

‘Maar hoe zit het dan met die ontbrekende bladzijde in het kerkregister? Ik denk dat we een praatje moeten gaan maken met de broer en zus die Jónas het land hebben verkocht,’ zei Matthew. ‘Je zou die spokenonzin als voorwendsel kunnen gebruiken om ze uit te horen over de geschiedenis van de boerderij, en over Grímur en Kristín.’

Thóra knikte peinzend. Dat was niet zo’n slecht idee…

Nadat Elín Thórdardóttir had opgehangen, hield ze nog even haar hand op de telefoon. Ze slaakte een diepe zucht, pakte hem weer op en bracht hem naar haar oor. Ze draaide snel een nummer en wachtte ongeduldig tot er werd opgenomen. ‘Börkur,’ zei ze ademloos, ‘moet je nu eens horen!’

‘Wat is er, Elín? Het komt nu even niet zo goed uit.’ Börkur was altijd chagrijnig wanneer zijn zus hem belde. ‘We hebben hier een beetje een toestand.’

‘Wat is er aan de hand dan?’ vroeg Elín, ook al wist ze dat het te maken moest hebben met Svava, Börkurs vrouw, die een enorme zenuwpees was en altijd op het punt stond om van een kleinigheid een zenuwinzinking te krijgen.

‘Dat gaat je niet aan,’ bromde Börkur. ‘Wat is er?’

Elín was gewend aan zijn onvriendelijkheid en besteedde er geen aandacht aan. Eerlijk gezegd had ze er zelfs wel plezier in hem op de kast te jagen. Zij was er altijd op tegen geweest het land te verkopen, maar was uiteindelijk toch gezwicht voor zijn onophoudelijke gezeur. Het was jammer dat hun moeder zich niet tegen het plan had verzet, want het land was van haar geweest, ook al zou de opbrengst ervan naar haar kinderen gaan. Börkur had haar overgehaald om het te verkopen. Nu had Elín de kans wraak te nemen op haar broer voor zijn bazigheid. ‘Ik ben gebeld door ene Thóra. Zij is de advocate van Jónas, die Kirkjustétt en Kreppa heeft gekocht.’ Ze liet opzettelijk een stilte vallen, om hem te dwingen verder te vragen.

‘En?’ vroeg haar broer, geërgerd maar nieuwsgierig. ‘Wat wilde ze?’

‘Het schijnt dat er problemen zijn, broertje van me,’ zei Elín zelfvoldaan. ‘Ze wil ons zien in verband met een verborgen gebrek dat Jónas volgens haar heeft aangetroffen.’

‘Wat een gelul! Een verborgen gebrek? Op een stuk land? Ze moeten zich nodig eens laten nakijken. Wat kan dat nou zijn? Gaat het om bodemvervuiling?’

Elín liet hem een tijdje razen en kapte hem toen af. ‘We zijn niet op de details ingegaan. Ze wilde alleen een afspraak maken. Het liefst ter plaatse.’

‘Ter plaatse? Denkt ze soms dat ik niks beters te doen heb dan heen en weer te reizen naar Snaefellsnes?’ Börkur schreeuwde nu bijna. ‘Ik zit tot over mijn oren in het werk! Ik verzuip erin!’

‘Ach, arme jij,’ zei Elín, met geveinsd medelijden. ‘Misschien moet ik dan maar alleen gaan.’

Börkur dacht even na. ‘Nee. Ik ga wel mee. Wanneer heb je met haar afgesproken?’

‘Morgen,’ antwoordde ze. ‘Lijkt het je niet gemakkelijker om vanavond alvast naar Stykkishólmur te gaan, zodat we morgenochtend niet in alle vroegte weg hoeven?’

‘We zullen zien. Bel me later vandaag nog maar even. Misschien lukt dat wel, als ik vóór vanavond nog een paar dingen kan afhandelen.’

‘Börkur,’ zei Elín, ‘nog één ding. Volgens mij zou dat “verborgen gebrek” wel eens iets vreemds kunnen zijn. Die advocaat deed een beetje raar aan de telefoon.’

‘Hoe bedoel je, “raar”?’ vroeg Börkur.

‘Gewoon, raar,’ zei ze tegen hem. ‘Er is iets eigenaardigs aan de hand, dat weet ik zeker, ik weet alleen niet wat.’

‘Denk je dat het iets te maken heeft met dat lichaam waarover ze het op het nieuws hadden?’ vroeg hij, zijn stem opeens schril van paniek.

‘O. Nee, daar had ik nog niet eens aan gedacht,’ zei Elín verrast. Haar broer klonk niet helemaal zichzelf.

Ze hingen op en Elín bleef nog even in gedachten verzonken bij de telefoon zitten. Ze probeerde zich te herinneren wat ze over het lichaam had gehoord en meende dat het vlak voor het weekend was gevonden. Ze fronste haar wenkbrauwen. Dat was toen Börkur voor iets heel onbenulligs naar Snaefellsnes was gegaan. Wat vreemd.

16

‘Hier moet het zijn.’ Thóra liet haar blik over het strand gaan. ‘Ik denk eigenlijk niet dat we hier veel wijzer zullen worden.’ De stenen aan haar voeten glinsterden. Het was laag tij, maar de gladde rotsen waren nog nat. Niets in dit dramatische landschap wees erop dat hier kortgeleden een lijk was gevonden en Thóra vroeg zich af wat ze had verwacht hier aan te treffen. Geel politielint misschien?

Matthew keek op zijn horloge. ‘Behalve dat we nu weten dat we er exact vijfendertig minuten over hebben gedaan om van het hotel hiernaartoe te lopen.’

‘Maar we hebben ons niet gehaast,’ zei ze. ‘Hoeveel sneller hadden we hier kunnen zijn?’

Matthew haalde zijn schouders op. ‘Geen idee. Ik denk dat je het in vijfentwintig minuten zou kunnen doen, maar niet veel minder, of je zou moeten rennen.’

‘Dus iemand kan vanuit het hotel hiernaartoe zijn gelopen, Birna hebben vermoord en binnen een uur weer terug zijn geweest,’ peinsde Thóra hardop.

Matthew lachte. ‘Ja, maar dat geeft de moordenaar niet veel speling. Dan moet hij hier echt speciaal naartoe zijn gegaan om die vrouw te vermoorden, want dan hebben ze geen tijd gehad om elkaar te ontmoeten en ruzie te krijgen.’

‘Wat maken die vogels een vreselijk kabaal,’ zei Thóra, en ze keek naar de kliffen. ‘Die arme kuikens.’ Ze bleef een ogenblik naar de chaotische massa staan kijken en draaide zich toen weer om naar Matthew. ‘Niemand zal haar hebben horen gillen met die herrie.’

Matthew zwaaide met zijn armen. ‘Wie had haar moeten horen? Er komt hier nooit iemand.’

Thóra keek om zich heen en wilde net bevestigend knikken toen ze boven aan de helling die omlaag voerde naar het strand twee mensen aan zag komen. ‘Misschien heb je dat te vroeg geroepen,’ zei ze, in hun richting knikkend.

Ze keken hoe het stel langzaam afdaalde over de grindhelling — een jonge vrouw die iemand in een rolstoel voortduwde. Ze konden niet zien of er een man of een vrouw in zat, want het hoofd en het gezicht van de zittende persoon ging schuil onder de capuchon van zijn of haar jas. Het leek het meisje nogal wat moeite te kosten de rolstoel door de losse kleischalie op het pad te duwen.

‘Dat moeten die jongelui zijn over wie de Japanners het hadden,’ zei Thóra. ‘En die ze met Birna hebben zien praten. Zullen we een praatje met ze maken?’ Ze keek Matthew aan.

‘Waarom niet?’ zei hij. ‘Je hebt wel gekkere dingen gedaan voor dit eigenaardige onderzoek.’ Haastig voegde hij eraan toe: ‘Niet dat je mij hoort klagen. Ik heb er plezier in, ook al heb ik geen flauw idee waartoe het allemaal gaat leiden.’

Thóra gaf hem een por in zijn ribben. ‘Ben je soms opeens anarchist geworden op je oude dag? Kom mee.’

Ze liepen langzaam de helling op, in de richting van het paar. Even had Thóra het idee dat ze iets in haar oog had, want hoe ze ook haar best deed, het lukte haar maar niet om het gezicht onder de capuchon scherp te krijgen. Maar toen besefte ze opeens dat er niets mis was met haar ogen. Ze kreeg een naar gevoel in haar maag en ze moest zich inhouden om niet om te draaien en hard weg te lopen. Wat mankeerde er aan het gezicht van de persoon in de rolstoel? Hoewel ze haar best deed om zich te concentreren op het meisje, dat een lachend en blozend gezichtje had, werd haar blik onwillekeurig getrokken naar het gezicht onder de capuchon en de uitgerekte, glimmend roze huid die de gehele linkerkant ervan bedekte. Thóra kon niet rechtstreeks naar de misvormde oogkassen van de man kijken, of naar de tragische restanten van zijn neus en de gehavende, plasticachtige huid die van zijn kin tot aan zijn voorhoofd liep, voor zover zij onder zijn diepe capuchon kon kijken. Thóra hoopte van harte dat de arme man — die er jong uitzag — niet zou beseffen hoe hij eruitzag, maar diep vanbinnen wist ze eigenlijk dat dit niet mogelijk was. Ze hoopte dat het Matthew beter verging dan haar, maar ze durfde hem niet aan te kijken, bang als ze was dat haar gezichtsuitdrukking haar afgrijzen zou verraden.

Ze slaagde erin te glimlachen. ‘Hallo,’ zei ze tegen het meisje.

‘Hallo,’ antwoordde het meisje met een vriendelijke glimlach. Ze had een dikke, blonde paardenstaart die heen en weer zwiepte wanneer ze sprak. Ze kwam haar vaag bekend voor, maar Thóra kon haar niet plaatsen. ‘Ik weet niet of we het gaan redden om helemaal beneden te komen,’ zei het meisje. ‘En als het ons wel lukt, gaat het nog veel moeilijker worden om straks weer naar boven te komen.’

‘Er is niet veel te zien,’ antwoordde Thóra. ‘Als je wilt kunnen Matthew en ik je wel naar beneden helpen.’ Ze wees naar Matthew zonder hem aan te kijken. ‘En weer terug naar boven natuurlijk.’

‘Tja, dat zou kunnen,’ zei het meisje, en ze boog zich over de rolstoel. ‘Wat vind jij ervan?’ vroeg ze aan de man. ‘Zullen we hun hulp aannemen of gewoon teruggaan? Blijkbaar is er niets te zien.’ De jongeman mompelde iets wat Thóra niet kon verstaan, maar het meisje leek hem te begrijpen. ‘Oké, als je dat liever wilt.’ Ze keek op naar Thóra. ‘Ik denk dat we toch maar teruggaan. Zou hij me misschien even willen helpen?’

Matthew nam de rolstoel van haar over en samen liepen ze de helling weer op.

‘Afgelopen donderdag had ik jullie hulp wel goed kunnen gebruiken,’ zei het blonde meisje grijnzend.

‘Donderdag?’ zei Thóra verschrikt. ‘Waren jullie hier dan ’s avonds?’ Waren het meisje en de jongen ergens getuige van geweest zonder het belang ervan te hebben ingezien, of hadden ze soms iets met de moord op Birna te maken? Thóra wachtte het antwoord gespannen af, maar het stelde haar teleur.

‘Nee, we zijn hier niet geweest,’ zei het meisje, nog hijgend van de inspanning. ‘We waren van plan samen naar de seance in het hotel te gaan, maar uiteindelijk ben ik alleen gegaan omdat ik de rolstoel niet over een enorme kuil kon krijgen die dwars over de oprit was gegraven. Dat was echt jammer, want er is hier in de omgeving niet veel te doen en Steini had zich erop verheugd.’ Ze rolde met haar ogen naar Thóra. ‘Achteraf heeft hij er niet veel aan gemist. Het was nogal lachwekkend en volgens mij was dat medium een bedrieger.’

Thóra vroeg maar niet of het meisje soms dacht dat er ook echte bestonden. Ze keek achterom naar de baai. ‘Wilden jullie een strandwandeling gaan maken?’ vroeg ze.

‘We wilden alleen even gaan kijken waar het lichaam is gevonden,’ antwoordde het meisje, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. ‘Wij kenden de overleden vrouw.’

Dit was een opluchting voor Thóra. Nu hoefde ze dus niet voorzichtig om het onderwerp van de moord heen te draaien. ‘Wat toevallig,’ zei ze, zo nonchalant mogelijk. ‘Wij waren hier om precies dezelfde reden. We wilden zien waar het is gebeurd.’

Het meisje keek haar sprakeloos aan. ‘Echt waar? Kenden jullie haar ook?’

Thóra schudde haar hoofd. ‘Nee, niet echt. Maar we hadden indirect wel met haar te maken. Ik ben Thóra.’

Het meisje stak haar hand uit. ‘Berta.’ Ze draaide zich om en liet haar blik over het strand dwalen. ‘Het is verschrikkelijk,’ zei ze verdrietig. ‘Ik hoorde op het nieuws dat ze was vermoord.’ Ze keek Thóra weer aan. ‘Waarom heeft iemand haar in vredesnaam willen vermoorden?’

‘Ik heb geen idee,’ zei Thóra eerlijk. ‘Misschien had het niets met haar persoonlijk te maken. Misschien was ze gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plek en is ze de een of andere gestoorde tegen het lijf gelopen.’

‘Denk je?’ vroeg Berta, met een angstige blik in haar ogen. ‘Hier?’

‘Nee,’ zei Thóra. ‘Ik betwijfel het. Maar het lijkt me altijd nog waarschijnlijker dan dat een geest het heeft gedaan.’

‘Een geest!’ riep Berta uit, terwijl alle kleur wegtrok uit haar gezicht. ‘Van de vissers misschien? Dit is hetzelfde strand waar zij zijn aangespoeld.’ Ze huiverde. ‘Ik heb dit altijd een beetje een akelige plek gevonden.’

Thóra keek het meisje verbijsterd aan. Ze had eigenlijk verwacht dat ze in de lach zou schieten toen ze over geesten begon. Blijkbaar vond men in deze contreien de ‘ondoden’ niet iets om lacherig over te doen. ‘Geloof jij in geesten?’ vroeg ze voorzichtig.

‘O, ja,’ antwoordde Berta hartstochtelijk. ‘Het spookt hier. Absoluut. Na zonsondergang ben ik echt bang.’

Thóra wist niet wat ze moest zeggen, maar knoopte wel in haar oren dat Berta dus een potentiële getuige was als het ooit tot een compensatieclaim voor het ‘spoken’ zou komen. Ze schoten aardig op naar de top van de heuvel en Thóra besloot de geesten even te laten voor wat ze waren en meteen maar ter zake te komen. ‘Waar kende je Birna van?’

‘Zij was de architect van het hotel. De grond was vroeger van mijn moeder en ik hielp haar een beetje.’ Ze keek voor zich, waar Matthew nog steeds ingespannen bezig was de rolstoel naar boven te duwen. ‘Ze was erg aardig.’

Thóra drong niet aan, maar ging ervan uit dat de blik betekende dat Birna aardig was geweest voor de jongen in de rolstoel. Opeens drong het tot haar door waarom het meisje haar zo bekend voorkwam: ze leek sprekend op Elín, haar moeder, die Thóra had ontmoet bij het opmaken van de verkoopakte. Het zou misschien niet eerlijk zijn haar voor de rechter tegen haar eigen familie te laten getuigen en Thóra hoopte dat het zover niet zou komen, al was het handig dat ze van haar bestaan op de hoogte was. ‘Op welke manier hielp je Birna?’

‘Ze was erg geïnteresseerd in de geschiedenis van deze streek, maar mijn moeder en mijn oom Börkur hadden geen zin om daar met haar over te praten. Ik heb haar verteld wat ik wist en ben voor haar op zoek gegaan naar oude plattegronden en tekeningen. Niet dat ik die heb gevonden, maar ik heb wel wat foto’s voor haar opgediept. Daar was ze erg blij mee.’

‘Weet je nog wat erop stond?’ vroeg Thóra. Ze begreep het niet. In de kelder lagen een heleboel foto’s, meer dan genoeg voor Birna. Misschien leken die allemaal te veel op elkaar — steeds weer diezelfde muur, zij het met andere personen.

‘Ja, het waren voornamelijk foto’s van de oude boerderij en van mijn overgrootvader en overgrootmoeder. Er stonden ook nog andere mensen op, maar die kende ik niet.’ Het meisje zweeg en keek Thóra bezorgd aan. ‘Denk je dat ik die foto’s nog terug krijg? Mama en oom Börkur weten niet dat ik ze aan haar heb uitgeleend.’

‘Vast wel,’ zei Thóra. ‘Als ik jou was zou ik het gewoon aan de politie vragen. Die zullen hier morgen wel zijn. Woon je in de buurt?’

‘Nee, niet echt. Wij hebben een huis in Stykkishólmur dat ik kan gebruiken. Ik probeer zo vaak mogelijk te komen.’ Ze keek Thóra strak aan en fluisterde: ‘Vanwege Steini. Hij wil niet in Reykjavík wonen.’

Thóra knikte. ‘Zijn jullie familie van elkaar?’ vroeg ze. Zij en het meisje waren wat achteropgeraakt, maar niet zo ver dat Thóra haar durfde te vragen wat de jongeman was overkomen. Ze wilde niet dat hij haar zou horen vragen wat er met zijn gezicht was gebeurd.

‘Ja, hij is een neef van vaderskant.’

Een eindje vóór hen bleef Matthew staan en draaide zich buiten adem om. Ze hadden de top van de heuvel bereikt. Thóra begon snel weer over de moord. ‘Heb jij enig idee wie Birna kan hebben vermoord? Had ze een relatie met iemand, of had ze hier vijanden gemaakt?’

Het meisje schudde haar hoofd. ‘Ik geloof niet dat ze vijanden had. Ze heeft het er in elk geval nooit over gehad. En we hebben elkaar best vaak gezien — ik ben bezig oude spullen van de familie uit te zoeken op de oude boerderij in Kreppa en zij kwam daar ook vaak. Het was leuk om met haar te kletsen. Ik weet niet of het belangrijk is, maar ze zei wel dat ze een vriend had.’

‘Een vriend?’ vroeg Thóra gretig. ‘Weet je iets over hem?’

Berta dacht lang na voordat ze antwoordde. ‘Nou, ik weet eigenlijk niet of ik je dit wel mag vertellen. Hij is getrouwd, en daarom hielden ze het geheim. Ze heeft het mij in vertrouwen verteld, want ze wilde er waarschijnlijk toch graag met iemand over praten. En ik wil Birna’s vertrouwen niet beschamen, ook al is ze dood.’

Thóra dacht dat Birna wel heel eenzaam moest zijn geweest om haar geheimen aan zo’n jong meisje toe te vertrouwen. Berta kon niet veel ouder zijn dan twintig. ‘Ik denk dat je het ons toch beter kunt vertellen. Het lijkt misschien gek, maar het zijn meestal liefdesverhoudingen die tot dit soort situaties leiden. En je wilt toch niet dat degene die het heeft gedaan er ongestraft mee wegkomt?’

Berta schudde heftig haar hoofd. ‘God, nee.’ Ze stond nu samen met Thóra bij Matthew en Steini en wist duidelijk niet wat ze moest doen.

‘Zullen we gaan?’ zei opeens een hese stem vanonder de capuchon. ‘Ik wil weg.’

Berta pakte de handvatten van de rolstoel. ‘Oké, Steini,’ zei ze en ze bedankte Matthew voor zijn hulp. Toen wendde ze zich tot Thóra. ‘Misschien zien we elkaar nog wel een keer. Heb je hier een vakantiehuisje?’

‘Nee, wij zitten in het hotel,’ zei Thóra, en ze baalde ervan dat ze de naam van die getrouwde vriend nog steeds niet wist. Ze keek hoe het meisje naar hen zwaaide en langzaam de rolstoel begon te duwen.

Berta had nog maar een paar stappen gezet toen ze zich opeens omdraaide. ‘Hij heet Bergur. Hij is boer en woont op Tunga.’ Toen vervolgde ze zonder verder nog een woord te zeggen haar weg.

Thóra en Matthew zagen het meisje moeizaam verder ploeteren over het hobbelige pad. Toen ze buiten gehoorsafstand waren, keek Matthew Thóra aan. ‘Wat is er in vredesnaam met die arme jongen gebeurd?’

Vigdís leunde over de balie en keek rond. Niemand. Ze keek op de klok en besloot dat er voorlopig vast nog geen gasten terug zouden komen. Ondanks hun verschillende nationaliteiten en interesses, vervielen de meesten al snel in een vast patroon — tussen acht en negen opstaan en na het ontbijt een wandeling maken. In de regel kwamen ze dan pas ’s middags terug. Ze wist dat Jónas zich hier zorgen over maakte, omdat het oorspronkelijk zijn plan was geweest dat gasten meer tijd — en geld — binnen de muren van het hotel zouden besteden. De masseuses, alternatieve genezers, de sekstherapeute, de auralezer en al die andere deskundigen waren er ook al niet blij mee, want zij kregen betaald voor de behandelingen die zij uitvoerden. Alleen ’s avonds en in de weekends hadden ze het drukker en de meesten hadden zich gedwongen gezien speciale aanbiedingen te verzinnen om toch nog iets te verdienen. Jónas verwachtte dat ze meer te doen zouden krijgen zodra tegen het invallen van de winter de IJslanders zouden komen opdagen. Dan kon hij speciale weekendarrangementen gaan aanbieden. Maar de zomer was nog maar net begonnen, en het was nu al duidelijk dat een deel van de staf zou moeten afhaken als de vraag naar hun diensten niet zou toenemen.

Vigdís maalde er niet om of die charlatans voldoende werk in het vooruitzicht hadden; de huidige situatie kwam haar prima uit. Ze stierf van nieuwsgierigheid. Nadat de politie haar en Jónas had laten beloven dat er niemand in Birna’s kamer zou komen, was zij bevangen geraakt door een overweldigende aandrang niet te gehoorzamen. Jónas had even snel naar binnen gegluurd toen hij de deur had geopend voor de rechercheurs, maar zei dat er niet veel te zien viel. Toch wilde Vigdís dat met eigen ogen zien. Misschien lag er wel bloed — of iets anders, iets nog ergers — dat Jónas vanuit de deuropening niet had kunnen zien, of misschien had hij iets gezien waarover hij niet kon of wilde praten.

Vigdís stond op en nam de loper mee. Nadat ze had gecontroleerd of de gang leeg was, liep ze naar de deur van Birna’s kamer en stak zonder een ogenblik te aarzelen de loper in het slot. Snel duwde ze de deur open, glipte naar binnen en deed hem weer achter zich dicht. Op het moment dat ze het slot hoorde dichtklikken besefte ze dat ze een grote stommiteit had begaan. Het was één grote puinhoop. Bloed lag er niet, maar de kamer lag wel bezaaid met kleren en verscheurd papier. Vigdís begreep dat ze de politie zou moeten vertellen dat iemand in de kamer had ingebroken, maar wat moest ze dan zeggen dat ze zelf in de kamer had gedaan? Afstoffen? Misschien kon ze liegen en zeggen dat ze een geluid had gehoord, maar dat zou alleen maar verwarring scheppen — dan dachten ze misschien dat het net was gebeurd. Met een kreunende zucht tastte Vigdís achter zich naar de deurknop. Terwijl ze weer naar buiten glipte, probeerde ze wanhopig een geloofwaardig excuus te verzinnen voor het feit dat ze binnen was geweest.

‘Is dit een grap? Wie was er verantwoordelijk voor de plaats van het misdrijf?’ Thórólfur keek zijn ondergeschikte woedend aan. Hij gebaarde naar een berg metalen bakken met daarin de voorwerpen die in de buurt van het lichaam op Snaefellsnes waren gevonden. ‘Schelpen en dode krabben!’ Hij deed heel even zijn ogen dicht en wreef over zijn slaap. Hij voelde een hevige hoofdpijn opkomen.

‘Eh, dat was Gudmundur. Hij is nieuw,’ mompelde Lárus.

‘Dit ziet eruit als de verzameling van een tienjarige die met de hele klas aan het strandjutten is geweest. Wat dacht die Gudmundur dat er van hem werd verwacht? Dacht hij soms dat hij met een stofzuiger dat hele klotestrand moest schoonvegen? Volgens mij mag ik nog blij zijn dat ik geen bak vol zand van hem heb gekregen.’ Hij liep om het bureau heen en bekeek de bakken.

‘Kiezels,’ mompelde Lárus, die zijn reactie onmiddellijk betreurde toen Thórólfur zich bliksemsnel omdraaide en hem aankeek. ‘Het… het is een kiezelstrand, geen zandstrand.’

‘Kiezels, zand, wat maakt het uit?’ beet Thórólfur hem toe. ‘Die Gudmundur van jou schijnt geen flauw benul te hebben van waar hij mee bezig is. Ten eerste heeft hij zo te zien een enorme oppervlakte uitgekamd en ten tweede lijkt het erop dat hij alles heeft meegenomen wat niet muurvast zat.’ Thórólfur stak een potlood in een oud, gedeukt bierblikje en tilde het op. ‘Zoals dit hier,’ zei hij, zwaaiend met het blikje. ‘Iedereen met een greintje gezond verstand kan zien dat dit al maanden buiten heeft gelegen. En dit…’ Hij liep naar de volgende bak en hief zijn handen in de lucht. ‘Een dooie meerval!’ Hij wendde zich tot Lárus. ‘Heb je de foto’s van het lijk gezien? Hoe denk je dat een dode meerval in verband kan staan met de dood van die vrouw? Denkt die Gudmundur soms dat ze is uitgegleden over een dooie vis en met haar hoofd op een rots terecht is gekomen? Denk jij er misschien ook zo over?’

Lárus zei niets en schudde alleen maar zijn hoofd. Thórólfur stond nu te schreeuwen, wat nooit een goed teken was. Hij schuifelde van de ene voet op de andere en deed zijn mond open om iets te zeggen, maar voordat hem iets intelligents te binnen wilde schieten, zei zijn baas, op iets rustiger toon: ‘Wat is dit? Een of ander seksspeeltje?’ Lárus liep ernaartoe om het beter te kunnen zien. Hij had gelijk. Onder de wijd openstaande bek van de meerval kwam een gehavend plastic voorwerp tevoorschijn dat veel weg had van een dildo.

17

Thóra gaf Matthew een por en knikte in de richting van de jongeman die langs kwam lopen. ‘Dat is Jökull, de ober die zo onaardig deed over Birna,’ fluisterde ze terwijl ze opstond. ‘Er moet iets zijn voorgevallen waardoor hij zo’n hekel aan haar had. Ik zou dolgraag willen weten wat dat was.’ Ze hadden koffie zitten drinken in een hoekje van de foyer en overlegd wat hun volgende zet moest zijn. Ze hadden nog geen beslissing genomen. Hoewel ze het erover eens waren dat ze Birna’s geliefde, Bergur van Tunga, moesten zien te vinden, waren ze er nog niet uit hoe ze hem het beste konden benaderen. Thóra was het gesprek helemaal zat, zodat de ober een welkome afleiding vormde.

Ze liep hem achterna. Hij was op weg naar de eetzaal, maar Thóra slaagde erin hem op zijn schouder te tikken voordat hij naar binnen kon verdwijnen. ‘Hallo.’ Ze glimlachte. ‘Ken je mij nog?’

Jökull draaide zich verbaasd om. ‘Hè? O, ja. Jij bent toch die advocaat?’

‘Helemaal goed. Mijn naam is Thóra. Heb je een paar minuutjes voor me? Ik wil het graag nog even met je over Birna hebben.’

De ober keek op zijn horloge. ‘Natuurlijk, waarom niet. Maar ik kan je niet veel vertellen. Je weet al hoe ik over haar dacht. Veel meer valt er niet te zeggen.’

‘Je weet maar nooit,’ antwoordde Thóra. ‘Kunnen we hier even gaan zitten?’ Ze wees naar een bank die in de hal was neergezet en blijkbaar een louter decoratieve functie had. Dit was waarschijnlijk de eerste keer dat hij werd gebruikt, dacht ze terwijl ze ging zitten. Ze klopte op het plekje naast zich en zag een paar stofwolkjes opstijgen. ‘Waar kende je haar van? Alleen van de eetzaal?’

Jökull ging op het puntje van de bank zitten. ‘Ik kende haar niet echt, maar het is hier niet zo groot dus zag ik haar wel eens. Ik werk hier nog niet zo lang en ik ging haar uit de weg, dus hebben we elkaar nooit echt goed leren kennen. Ik ben de laatste die iets over haar zou kunnen vertellen.’

Thóra fronste haar wenkbrauwen. ‘Ik snap het niet. Je zegt dat je Birna amper kende, maar kennelijk heb je toch een uitgesproken mening over haar. Heel uitgesproken en heel negatief. Daar moet een reden voor zijn.’

Er gleed een flits van woede over zijn gezicht. ‘Ik heb gewoon veel mensenkennis,’ zei hij, zonder verdere uitleg.

Om hem niet af te schrikken, besloot Thóra het over een andere boeg te gooien. ‘Je heet Jökull, toch?’

‘Ja,’ antwoordde hij, nog steeds defensief. ‘Jökull Gudmundsson.’

‘Kom je uit deze streek?’ vroeg ze.

‘Ja, inderdaad,’ zei Jökull. ‘Ik ben opgegroeid op een boerderij hier in de buurt. Daarna ben ik naar Reykjavík gegaan om als ober in de leer te gaan en daar ben ik vervolgens blijven hangen, maar toen Jónas personeel zocht voor het hotel heb ik die kans met beide handen aangegrepen.’

‘Dat kan ik heel goed begrijpen,’ zei Thóra. ‘Het is hier erg mooi. Ik kan me voorstellen dat je graag terug wilde.’

‘Ja, het is heel iets anders dan Reykjavík,’ antwoordde Jökull en hij liet voor de allereerste keer een glimlachje zien.

‘Weet je veel over de plaatselijke geschiedenis?’ vroeg ze. ‘Weet je bijvoorbeeld dat er over de boerderij wordt beweerd dat het er spookt?’

Jökull klapte weer dicht. ‘Het heeft geen zin om over geesten te praten met mensen uit de grote stad,’ zei hij. ‘Jullie begrijpen dat niet. Als iets niet van teer of beton is gemaakt, kunnen jullie het niet serieus nemen.’

Thóra trok haar wenkbrauwen op. ‘Ik kijk helemaal niet neer op jouw geloof in het bovennatuurlijke. Ik ben namens Jónas een geding aan het voorbereiden dat te maken heeft met geesten. Dat is alles. Ik kan alles gebruiken wat jij me eventueel zou kunnen vertellen over plaatselijke spookverhalen.’

‘Dat zal best,’ zei Jökull opstandig. ‘Maar voor die informatie zul je toch bij iemand anders moeten zijn. Ik ben geen expert in spookverhalen, ook al ken ik er wel een paar. Ik denk dat de wereld heel ingewikkeld in elkaar zit en dat mensen uit Reykjavík lang niet alles weten wat er te weten valt.’

‘Kun je me in dat geval misschien iets meer vertellen over deze plek? Weet je bijvoorbeeld iets over de mensen die vroeger op de boerderij hebben gewoond?’

Jökull schudde zijn hoofd. ‘Nee, niets. Ik ben niet oud genoeg om belangstelling te hebben voor geschiedenis.’

Daar zat iets in, dacht Thóra, en ze nam zich in gedachten voor op zoek te gaan naar oudere mensen die de streek kenden. ‘Woont hier nog familie van je?’

‘Een zus.’

‘Zijn je ouders naar de stad verhuisd?’

‘Nee, die zijn overleden,’ antwoordde Jökull kortaf.

‘O, dat spijt me,’ zei Thóra. Ze wilde niet te nieuwsgierig overkomen. ‘Neem me niet kwalijk dat ik zo blijf doorzeuren over vroeger, maar weet je iets over een nazibeweging die in deze omgeving actief was?’

Jökulls ogen werden groot van verbazing en ze geloofde hem toen hij onmiddellijk antwoordde: ‘Nee, daar heb ik nog nooit van gehoord. En ook al hou ik me niet zo met het verleden bezig, dat zou ik me zeker herinnerd hebben. Dat kan gewoon niet waar zijn.’

‘Waarschijnlijk heb je gelijk,’ antwoordde Thóra. ‘Maar aangezien jij hiervandaan komt, is er één ding dat je me zeker zult kunnen vertellen. Het heeft niets met het verleden te maken.’

‘Wat dan?’ vroeg Jökull argwanend.

‘Ik heb vandaag een jongeman ontmoet die volgens mij ook uit deze omgeving komt. Ik weet niet hoe oud hij is, maar misschien is hij van jouw leeftijd. Hij zat in een rolstoel en zag er verschrikkelijk uit, waarschijnlijk als gevolg van brandwonden. Weet jij wat er met hem is gebeurd?’

Jökull gaf geen antwoord. Hij stond op. ‘Ik moet aan het werk. Die paar minuten zijn al lang voorbij.’ Hij perste zijn lippen stijf op elkaar, alsof hij niet verder durfde te praten.

‘Dus je kent hem niet?’ vroeg Thóra, terwijl ze eveneens opstond.

‘Ik ben al laat. Dag,’ zei Jökull.

Thóra keek hem na. Blijkbaar had ze een gevoelige snaar geraakt.

‘Hij deed heel eigenaardig,’ zei Thóra, terwijl ze een slok koffie nam. Die was inmiddels koud. Ze slikte en trok een vies gezicht.

‘Denk je dat hij iets met de moord te maken heeft?’ vroeg Matthew, ‘of is hij gewoon een beetje vreemd?’

‘Om je de waarheid te zeggen, weet ik niet of hij er iets mee te maken heeft. Het is wel duidelijk dat hij Birna haatte, maar hij wilde niet vertellen waarom. Hij zei alleen dat hij “veel mensenkennis” heeft. Zijn ze misschien geliefden geweest? Misschien heeft ze hem wel gedumpt voor die boer.’

‘Of misschien heeft hij gewoon echt veel mensenkennis,’ zei Matthew schouderophalend. ‘Ik sterf van de honger. Hoe laat is het?’

Thóra negeerde dat. ‘Nee, er iets vreemds gaande. En hij klapte onmiddellijk dicht toen ik hem naar die jongen in die rolstoel vroeg.’

Matthew keek haar verschrikt aan. ‘Heb je naar hem gevraagd? Hoe kwam je daar in vredesnaam bij?’

‘Ik heb het gewoon gedaan. Ze komen allebei uit deze streek en ze zijn ongeveer even oud. Ik dacht dat hij misschien wel wist wat er was gebeurd,’ zei ze. ‘Ik weet best dat ik af en toe te nieuwsgierig ben, maar deze reactie had ik toch niet verwacht. Wat kan Jökull voor reden hebben gehad om zo overgevoelig te reageren? Nu weet ik in elk geval zeker dat ik erachter moet zien te komen wat er is gebeurd.’

‘Ik vind het alleen maar heel erg ongepast,’ zei Matthew, nog steeds verontwaardigd. ‘Persoonlijke vragen stellen over een wildvreemde. En hij is nog gehandicapt ook.’

‘Nou en? Is het soms verboden om navraag te doen naar gehandicapte mensen?’ antwoordde Thóra. ‘Jij bent gewoon chagrijnig omdat je honger hebt. Laten we dan eerst maar iets gaan eten.’ Ze stond op.

Matthew fleurde onmiddellijk op. ‘Zullen we ergens anders een hapje gaan eten?’ vroeg hij. ‘Weet je hier iets in de buurt?’

‘Ja hoor,’ zei ze. ‘In Hellnar bijvoorbeeld. Wie weet lopen we daar wel iemand tegen het lijf die ons meer kan vertellen over de geesten, of over Bergur de boer.’

Matthew kreunde. ‘God, ik hoop van niet.’

Met een enorme krachtsinspanning opende Eiríkur zijn ogen. De auralezer verkeerde in de greep van zijn zwaarste hoofdpijn sinds jaren. Hij probeerde zich te bewegen, maar werd onmiddellijk bevangen door zo’n overweldigend gevoel van misselijkheid dat hij zijn ogen stijf dicht moest knijpen. Toen het ergste voorbij was, probeerde hij zich te oriënteren. Wat was er gebeurd? Had hij gedronken? Hij dacht van niet en hij had geen alcoholsmaak in zijn mond. Hij kon zich vaag herinneren dat hij tarotkaarten had gelegd in het personeelschalet. Had hij zijn eigen toekomst voorspeld of die van iemand anders? Hij had zo’n gevoel dat hij woorden had gehad met Jónas, maar wist niet meer waarover. Had het iets te maken gehad met zijn werk, of met de tarotkaarten? Hij wist het echt niet meer.

Opeens schoten zijn gedachten alle kanten tegelijk op door een verschrikkelijke pijnscheut in zijn benen. Aanvankelijk was de pijn zo intens dat het Eiríkur de grootste moeite kostte die precies te lokaliseren. Waren allebei zijn enkels gebroken, of was er iets mis met een ander deel van zijn benen? Toen nam de pijn iets af en besefte hij dat het een brandende pijn aan zijn voetzolen was. Wat was er gebeurd? Was hij in het hotel?

Eiríkur lag op iets warms en hards. Hij voelde aan twee kanten om zich heen en kwam tot de conclusie dat het aanvoelde als gras of hooi, hoewel een walgelijke stank deed vermoeden dat hij niet buiten was. Hij hoorde een vreemd geluid, maar kon het niet thuisbrengen. Was het een ademhaling? Was hier nog iemand anders? Voorzichtig deed hij één oog open en zag toen dat hij zich inderdaad binnen bevond. Het was behoorlijk donker, maar ergens achter hem scheen een flauwe gloed. Hij had niet de kracht zich om te draaien en te kijken waar het licht vandaan kwam — zelfs ademen kostte hem al moeite. Hij ademde heel behoedzaam in en uit — in, uit, in, uit — en vocht tegen de misselijkheid die steeds erger werd. Misschien was het stom, maar hij wilde niet overgeven voordat hij wist waar hij was en wat er was gebeurd. Opeens wist hij het.

De kaarten. Pentakels Koning, ofwel geld, en de Dood. Zijn hart bonkte in zijn borst en hij draaide zo langzaam mogelijk zijn hoofd om, in de hoop dat hij het bij het verkeerde eind had, maar dat was niet het geval. Hij lag in de stallen. Geld was nergens te bekennen, maar hij had het gevoel dat de dood heel dichtbij was. Hij verloor de controle over zijn ademhaling en begon verschrikkelijk over te geven, zodat hij even niet in staat was aan iets anders te denken. Op het moment dat de misselijkheid was weggetrokken, werd hij opnieuw bevangen door een gevoel van doodsangst. Hij hoorde een luid gehinnik, gevolgd door het harde gekletter van hoeven. Uit welke richting kwamen de geluiden? Waar was het paard? Eiríkur spande zich tot het uiterste in om half overeind te komen en zijn ogen te openen. Hij kokhalsde weer, maar hij had de eerste keer zo hevig gebraakt dat er nu bijna niets meer omhoogkwam. Toen de braakneigingen afnamen, slaagde hij erin zich op zijn ellebogen omhoog te duwen en voorzichtig om zich heen te kijken. Hij keek langs zijn lichaam omlaag en besefte, ondanks zijn verwarde toestand, waar die ondraaglijke stank vandaan kwam. Het kostte hem de grootste moeite om de schreeuw die in hem opwelde te onderdrukken. Toen dwong hij zichzelf zijn blik af te wenden van datgene wat er op zijn borst was gebonden — de bebloede pels, de open bek, de slap bungelende kop — en zich te concentreren op wat er boven hem stond. Hij wilde wanhopig graag het ruwe touw waarmee dat afgrijselijke ding aan hem was vastgebonden losmaken, maar zijn drang om te leven was sterker. Langzaam hief hij zijn hoofd.

Benen. Vier slanke maar machtige benen. Wat was hem verteld? Dat iedereen zou denken dat het een ongeluk was geweest. Een bizar ongeluk met fatale afloop. Dat mocht niet gebeuren. De mensen moesten weten dat dit moord was, geen stom ongeluk. In de loop der jaren had Eiríkur genoeg grappen over zijn werk moeten slikken. Hij was opeens vastbesloten ervoor te zorgen dat hij niet tot in het graf het onderwerp van spot zou blijven. De drang om dit over te brengen was bijna net zo sterk als het verlangen om in leven te blijven. Nu hij begreep wat er met hem gebeurde, moest hij een manier verzinnen om dit kenbaar te maken.

Eiríkur probeerde zich te concentreren. Hij bevond zich in een kleine ruimte, dus veel mogelijkheden had hij niet. Hij kon de woorden niet uitleggen met stukjes stro, want die zouden niet meer op hun plek liggen wanneer er eindelijk iemand poolshoogte kwam nemen. Nee, hij moest het opschrijven. Hij moest een oppervlak vinden dat veilig was voor de hoeven van het dier. Hij keek snel om zich heen en zijn oog viel op de dichtstbijzijnde muur. Met een vastberadenheid die hij niet bij zichzelf had vermoed, slaagde hij erin de misselijkheid lang genoeg te onderdrukken om zich er dichter naartoe te slepen. Onderweg bad hij tot God dat het hem zou lukken met zijn ring een paar letters in de muur te krassen voordat het allemaal voorbij zou zijn. Het dier begon sneller te ademen en Eiríkur verstijfde. Zodra de hengst hem op de grond zag liggen, zo was hem verteld, zou het dier gek worden van angst en hem doodtrappen. Toen zijn ademhaling weer wat rustiger werd, wachtte hij nog even en schoof toen nog wat verder in de richting van de muur. Hij was absoluut niet in staat om op te staan; de pijn in zijn voeten was zo hevig dat het voelde alsof de huid er vanaf was gebrand.

Eiríkurs schouder raakte de muur. Hij stak zijn hand uit en begon met zijn ring in het houten beschot te krassen, maar zodra de hengst dit geluid hoorde begon hij te snuiven. Tot zijn afgrijzen zag Eiríkur de waanzinnige bruine ogen in zijn richting rollen. Het dier hinnikte. Hij probeerde de letters zo snel mogelijk in de muur te krassen, maar durfde zijn blik niet van het beest los te maken. Het paard begon op de grond te stampen, draaide zich toen om en trapte naar hem met zijn achterbenen. Het enige waaraan hij kon denken was of zijn gekras genoeg zou zijn om zijn moordenaar te ontmaskeren. Had hij maar iets meer tijd gehad — nu zou niemand het begrijpen. Het paard maakte een angstaanjagend geluid en Eiríkur sloeg instinctief zijn handen voor zijn gezicht, alsof dat hem kon redden.

Daar was echter even weinig kans op als dat het dier zou kunnen lezen wat er op de muur geschreven stond: rer.

18

‘De hengst is van mijn vrouw. Ik ben niet zo dol op paarden,’ zei Bergur, starend naar de grond.

Thórólfur leunde over de oude keukentafel, maar zorgde ervoor dat zijn mouwen uit de koffie bleven die Bergur had gemorst toen hij met trillende handen zijn beker had volgeschonken. ‘Maar als u dan niet zo’n ruiter bent, wat had u daar dan te zoeken?’

‘De paarden moeten elke avond worden gevoerd. Dat is mijn werk,’ antwoordde Bergur zonder op te kijken. ‘Daar hoef je geen paardenliefhebber voor te zijn.’

Zijn vele jaren bij de politie hadden Thórólfur onder andere geleerd dat hij bij ondervragingen op zijn intuïtie kon vertrouwen. Hij had heel sterk het gevoel dat de man die hier met gebogen schouders voor hem zat iets te verbergen had. Joost mocht weten wat het was, maar Thórólfur was vastbesloten erachter te komen. ‘Nee, dat zal ook wel niet,’ zei hij en hij vervolgde toen: ‘Hoe komt het dat uw paarden nog steeds op stal staan? Ik begrijp van mijn mensen dat ze normaal gesproken in juni de wei in gaan.’

‘Wij verhuren paarden,’ antwoordde de boer. ‘Nou ja, eigenlijk doet mijn vrouw dat, maar zo nodig help ik haar een handje. Ik zorg ervoor dat de dieren worden gevoerd en zo.’ Hij beet op een nagelriem aan zijn linkerhand. ‘We moeten de hengst nog in de omheinde weide zetten, alleen zijn we daar nog niet aan toe gekomen.’

Thórólfur krabbelde iets op een notitieblokje en keek vervolgens op. ‘Wanneer kreeg u het idee dat er iets mis was?’

Bergur haalde zijn schouders op. ‘Het exacte tijdstip weet ik niet, als u dat bedoelt. Ik draag geen horloge en ik loop niet rond met zo’n ding…’ hij wees naar Thórólfurs mobieltje, dat tussen hen in op de tafel lag ‘… maar het was in elk geval kort nadat ik de stallen was binnengegaan.’ Bergur zweeg even en slikte hoorbaar.

‘Ja, natuurlijk,’ zei Thórólfur ongeduldig. ‘Maar hoe kan het dat u het onmiddellijk in de gaten had? De box van de hengst bevindt zich helemaal achterin. Was er een bepaalde reden waarom u daar als eerste naartoe ging?’

Bergur slikte opnieuw. ‘Ik voer de hengst altijd als eerste. Hij is nog niet afgericht en wordt snel onrustig. We hebben onze handen vol aan hem — hij is ongelooflijk op zijn hoede voor mensen, dus hij wordt heel erg onrustig wanneer ik in de stallen ben. Als hij als eerste zijn voer krijgt, kan ik op mijn gemak de andere paarden te eten geven.’

‘Ik begrijp het,’ zei Thórólfur. ‘En als ik het goed begrijp staat hij in de grootste box met de hoogste tussenschotten?’ Bergur knikte zwijgend. ‘Waarom is dat? Vanwege zijn temperament?’

‘Nee, dat is niet de enige reden. Hengsten worden altijd beter afgeschermd. Je moet zien te voorkomen dat ze bij de andere paarden kunnen komen, wat een rampzalige afloop zou kunnen hebben.’

‘Wilt u daarmee zeggen dat deze hengst niet erger is dan andere?’ vroeg de rechercheur. ‘Ik bedoel, zijn ze allemaal zo? Vormen ze een bijzondere bedreiging voor andere paarden?’

‘Nou ja, hengsten zijn agressiever dan ruinen en merries,’ antwoordde Bergur zachtjes, ‘maar deze is wel uitzonderlijk wild. Ik ben geen expert, maar dat kan ik u in elk geval wel vertellen.’

‘Mooi,’ zei Thórólfur, hoewel het de boer niet duidelijk was wat hij daar precies mee bedoelde. ‘Dus u liep meteen naar dat hok…’

‘Box,’ corrigeerde de boer hem.

‘Box dan,’ zei hij geërgerd. ‘En toen zag u daar meteen die man liggen?’

‘Ja, daar komt het wel op neer,’ antwoordde Bergur. ‘Het was allemaal zo onwerkelijk dat ik het moeilijk vind het in detail te beschrijven.’

‘Misschien kunt u het eens proberen,’ stelde Thórólfur voor.

‘Ik geloof dat ik eerst de vos zag en toen de man. Ik herinner me dat ik bloed in het zaagsel zag liggen en dat ik dacht dat het paard zich had verwond. Toen zag ik de vos en dacht dat het bloed daarvan afkomstig moest zijn, en toen…’ Bergur ademde nu zwaar en deed zijn best om kalm te blijven. ‘Het was verschrikkelijk. Hij lag daar gewoon. Eerst vroeg ik me af of hij nog leefde, maar toen ik me over hem heen boog kon ik zien dat hij dood was.’ Hij ademde diep in en herhaalde: ‘Het was verschrikkelijk. En zijn voeten. Godallemachtig…’

‘Dus u bent er nog niet aan gewend?’ viel Thórólfur hem in de rede, terwijl hij met zijn vingers op tafel trommelde.

Bergur keek op, verbaasde en bang. ‘Wat bedoelt u?’

‘Dit is het tweede lijk binnen enkele dagen dat u toevallig hebt gevonden. Ik dacht dat het de tweede keer misschien niet meer zo erg zou zijn,’ zei de rechercheur. ‘Nu ik erover nadenk, is het eigenlijk wel ongelooflijk toevallig, vindt u ook niet?’

‘Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen,’ fluisterde Bergur. ‘Ik zou het niet kunnen verdragen het nog een keer te moeten meemaken en ik wilde dat het me niet was overkomen. Geen van beide keren.’ Hij richtte zich op en keek Thórólfur recht in de ogen. ‘Ik had hier niets mee te maken, als u dat soms denkt.’

‘Nee, nee, dat zal heus niet, maar toch is het interessant,’ zei de andere man, terwijl hij Bergur vorsend aankeek.

‘Het was een ongeluk,’ zei de boer halsstarrig. ‘Daar twijfelt toch geen mens aan?’

‘Hoe dacht u een dergelijk ongeluk te kunnen verklaren?’ vroeg Thórólfur.

‘Ik zou het niet weten,’ antwoordde Bergur, waarna hij even zweeg. ‘Een jager die de vos heeft achtervolgd tot in de stal. Of iets veel… vreemders.’

‘Wat bedoelt u daarmee?’ informeerde Thórólfur.

‘Er zijn gevallen bekend van mannen die zich in veestallen begeven om… hun verlangens te bevredigen. Misschien was hij zo iemand,’ zei de boer, terwijl hij een kleur kreeg.

‘Dan had hij een kruk of een kist nodig gehad om op te staan, nietwaar? En hoe zit het dan met de vos? En de pinnen?’ beet Thórólfur hem met een stalen gezicht toe. ‘Uw verklaringen zijn allebei nogal onaannemelijk.’

Bergur leunde achterover in zijn stoel. ‘Ik leid dit onderzoek niet, dat doet u. Ik heb geen flauw idee hoe die man daar terecht is gekomen. U hebt het mij gevraagd en ik heb antwoord gegeven. Het enige wat ik weet is dat ik er niets mee te maken heb.’

‘Goed, maar het is nog steeds uw schuur, en…’

‘Het is een stál. Schuren zijn voor vee,’ zei Bergur geërgerd. Zijn boosheid verdween meteen weer en hij voegde er op veel rustiger toon aan toe: ‘Ik geloof niet dat ik hier nog langer met u over wil praten. Ik ben nog steeds niet van de schrik bekomen.’ Hij boog zijn hoofd en keek weer naar de tafel.

‘We zijn bijna klaar,’ antwoordde Thórólfur, die weinig sympathie voelde voor de man tegenover hem. ‘Ik zag binnen een geweer aan de muur hangen. Is dat van u?’

‘Ja,’ zei Bergur. ‘Dat is van mij. Ik kan me niet voorstellen dat u in deze omgeving ook maar één boer zult aantreffen die geen geweer bezit.’ Hij keek geërgerd op. ‘Wat wilt u nu eigenlijk? De man is niet neergeschoten.’

De rechercheur glimlachte kil. ‘Nee, maar de vos wel, als ik me niet vergis. Hebt u die vos doodgeschoten?’

Bergur plukte nerveus aan het verschoten tafelzeil. ‘Nee. Misschien. Ik weet het niet.’

‘O, echt?’ zei Thórólfur op een overdreven verbaasde toon. ‘Zou u daar misschien iets duidelijker over kunnen zijn? Ik weet niet of ik het wel goed heb begrepen. U weet niet of u die vos hebt geschoten?’

Bergur liet het tafelzeil los en keek op. ‘Ik schiet vossen wanneer ik ze zie. Er zit hier een kolonie eidereenden en daar willen we geen roofdieren bij in de buurt hebben, maar ik heb al in geen maanden een vos geschoten, behalve laatst, maar die wist te ontkomen. Ik weet dat ik hem heb geraakt, want ik heb wat bloed en stukjes pels gevonden, maar geen dode vos. Ik dacht dat hij was ontsnapt, maar wie zal het zeggen? Misschien is het wel dezelfde vos.’

‘Inderdaad, wie zal het zeggen?’ echode Thórólfur. ‘Misschien kunt u ons precies vertellen waar dat was, en zo zijn er meer dingen die we nog eens goed moeten bekijken.’

‘Maar niet nu,’ kreunde Bergur, die zichtbaar uitgeput was. ‘Dat kan ik echt niet.’

‘Geen probleem,’ zei Thórólfur joviaal. ‘Nog twee laatste punten en dan hebben we het er later nog wel over. Ten eerste: zijn de stallen normaal gesproken open of op slot? En ten tweede: hebt u de overledene gekend of herkend?’

Bergur keek niet op. ‘De stallen zijn nooit op slot. Dat is tot nu toe nooit nodig geweest.’ Toen hief hij zijn hoofd en keek Thórólfur vermoeid aan. ‘Ik heb geen idee of ik de man heb gekend. Het zou iedereen kunnen zijn, u hebt zelf gezien hoe hij eraan toe was.’

‘Daar hebt u gelijk in,’ zei de rechercheur, terwijl hij opstond. ‘O, sorry, nog één laatste vraag.’

Bergur keek gelaten naar hem op. ‘Wat?’

‘Het is ons opgevallen dat op één wand van de box iets geschreven stond, of beter gezegd gekrast. Het zijn maar een paar letters, maar we vroegen ons af of die er al stonden.’

‘Letters?’ herhaalde Bergur verbaasd. ‘Ik herinner me niet dat daar letters stonden. Wat stond er dan?’

‘Ik had het idee dat er “rer” stond. Zegt dat u iets?’

Bergur schudde zijn hoofd. ‘Niets. Ik heb het nooit gezien en ik weet niet wat het betekent.’ Niets in zijn gezicht wees erop dat hij loog, maar toch kon Thórólfur het gevoel niet van zich afzetten dat Bergur iets te verbergen had. De vraag was, wat?

‘Als ik niet zo’n honger had, zou ik voorstellen ergens anders naartoe te gaan,’ zei Matthew terwijl hij de deur voor Thóra opende. Het restaurant was gespecialiseerd in vegetarische gerechten en ondanks Thóra’s ruwe vertaling van een hele verzameling ingelijste persartikelen in de etalage waarin de keuken werd geprezen, kon Matthew zich er niet erg op verheugen.

‘Bier is een groente,’ grinnikte Thóra. ‘Het wordt in elk geval van groentes gemaakt.’

Matthew schudde treurig zijn hoofd. ‘Ik weet niet waar jij je bierkennis vandaan hebt, maar geloof me, daar klopt niets van.’ Hij liep achter haar aan naar binnen. ‘Je zou bier hooguit een graanproduct kunnen noemen.’

‘Graan, groente,’ zei Thóra, terwijl ze om zich heen keek, op zoek naar een ober. ‘Wat maakt het uit?’ Ze zag aan de bar een vrouw zitten die ze herkende en gaf Matthew een por. ‘Die vrouw daar werkt in het hotel. Misschien kunnen we even met haar gaan praten.’

‘Ik ga daar alleen heen als we er een menukaart kunnen krijgen en meteen kunnen bestellen,’ zei Matthew. ‘En dan alleen nog als ze er zoute pinda’s hebben.’

‘Afgesproken,’ zei Thóra, en ze glimlachte naar de ober die naar hen toe kwam. ‘We willen graag aan de bar beginnen, als dat kan,’ zei ze. ‘Maar we hebben flinke trek, dus het zou geweldig zijn als we de menukaart alvast konden bekijken.’

Ze liepen naar de bar, die vrij klein was vergeleken met het restaurantgedeelte en Thóra ging naast de vrouw op een barkruk zitten. Er stonden maar vier krukken, dus ging Matthew aan Thóra’s andere kant zitten, pal voor een schaaltje pinda’s.

‘Hallo,’ zei Thóra, en ze leunde naar voren zodat de vrouw haar gezicht kon zien. ‘Ken ik jou niet van het hotel? Het hotel van Jónas?’

De vrouw had duidelijk iets te diep in het glaasje gekeken. Voor haar op de bar stond een opzichtig glas met een felgroen drankje erin, en naast het glas lagen verscheidene plastic zwaardjes, met aan elk van de punten een cocktailkers geprikt. Het duurde even voor het tot haar doordrong dat haar een vraag was gesteld en die tijd gebruikte ze om haar blik te focussen; haar ogen leken te tranen onder haar zware make-up. Maar toen ze begon te praten, klonk ze niet half zo dronken als ze eruitzag. ‘Ken ik jou?’ vroeg ze, vrij duidelijk.

‘Nee, wij hebben elkaar nooit ontmoet, maar ik heb je wel eens gezien. Ik ben Thóra en ik doe een klusje voor Jónas.’ Thóra stak haar hand uit.

De vrouw drukte haar slapjes de hand. ‘O, ja, dat is waar ook. Nu weet ik weer wie je bent. Ik ben Stefanía, de sekstherapeute van het hotel.’

Thóra wist nog net haar gezicht in de plooi te houden, want ze wist wel zeker dat de vrouw haar opgetrokken wenkbrauwen niet op prijs zou stellen. ‘Juist, ja. Heb je het daar erg druk mee?’

De vrouw haalde haar schouders op en nipte van haar cocktail. ‘Soms wel. Soms niet.’ Ze zette haar glas neer en likte langs haar rode lippen. ‘Volgens Jónas zullen de zaken nog wel aantrekken. Maar eerlijk gezegd vind ik het allemaal erg traag op gang komen.’

‘O jee,’ zei Thóra vol medeleven. ‘Maar vind je het afgezien daarvan geen prettige plek om te werken? Het is een leuk hotel.’

De vrouw snoof en haar gezicht betrok. ‘Helemaal niet!’ Ze draaide zich om, om Thóra aan te kijken, maar haar blik was nog niet helemaal scherp.

‘Heb je het nu over die geest?’ vroeg Thóra. ‘Heb je daar last van?’

Stefanía schudde heftig haar hoofd. ‘Nee. Gelukkig ben ik er ’s avonds nooit. Ik heb nog geen geesten gezien, want die zijn natuurlijk alleen ’s nachts actief. Ik heb nog nooit gehoord van een geest die mensen overdag de stuipen op het lijf jaagt.’ Ze streek een lok haar weg die voor haar oog was gevallen. ‘Nee, ik heb meer een probleem met de vrouwen die er werken.’ Ze zuchtte. ‘Het zijn altijd de vrouwen. Er zou geen vuiltje aan de lucht zijn als er alleen mannen werkten.’ Ze hikte. ‘En ik natuurlijk.’

‘Ja, natuurlijk,’ zei Thóra. ‘Maar welke vrouwen bedoel je dan? Ik heb er nog niet zoveel ontmoet, hoewel ik wel met Vigdís, de receptioniste heb gesproken.’

‘Vigdís, Bigdís,’ mompelde Stefanía. ‘Dat is echt een kreng van een wijf.’

‘O,’ zei Thóra, geschrokken. ‘Ik ken haar natuurlijk niet goed, maar ze leek me wel oké. Maar misschien vergis ik me daar wel in.’

‘Reken maar,’ siste Stefanía. ‘Ze kan mij niet uitstaan, terwijl ik haar nog nooit iets heb misdaan.’ Opeens veel ernstiger, voegde ze eraan toe: ‘Maar ik heb het geanalyseerd en ik weet nu wat haar probleem is.’ Ze zweeg theatraal. ‘Ik vorm een bedreiging voor haar… een seksuele bedreiging.’ Ze keek Thóra triomfantelijk aan.

‘Wat bedoel je daarmee?’ zei Thóra, onthutst. ‘Is ze bang dat je haar zult aanranden?’

Stefanía grinnikte. Haar lach klonk onverwacht helder en natuurlijk. ‘Nee, gekkie. Als vrouw voelt zij zich bedreigd door andere vrouwen die aantrekkelijker zijn.’ Ze glimlachte zelfgenoegzaam. ‘Je hoeft bepaald niet je best te doen om te zien dat ik veel sexier ben dan zij.’ Ze nam een slok van haar drankje. ‘Dat overkomt me nou altijd. Je zou denken dat ik de voortekenen inmiddels zou moeten herkennen.’

Matthew trok aan Thóra’s mouw. ‘Kunnen we nu bestellen? Ik weet al wat ik wil en ik verga van de honger.’

Thóra keek naar het lege pindaschaaltje. ‘Geen probleem. Wenk de ober maar, dan kun je bestellen.’ Ze wilde zich weer omdraaien naar Stefanía, maar Matthew hield haar tegen.

‘En jij dan? Wat wil jij?’ Matthew wees naar de menukaart. Thóra had hem nog geen blik waardig gekeurd.

‘Doe maar wat,’ antwoordde ze. ‘Bestel maar iets voor me.’ Terwijl Matthew de ober bij zich riep, richtte zij zich weer tot Stefanía. ‘Over vrouwen gesproken,’ zei ze, ‘kende jij Birna, de architect?’

Onmiddellijk veranderde Stefanía’s blik. Haar gezicht betrok en even leek het te smelten. ‘O, god,’ zei ze met een brok in haar keel. ‘Wat verschrikkelijk toch.’

‘Ja, dat kun je wel zeggen,’ zei Thóra. ‘Dus zij behoorde niet tot die vervelende vrouwen?’

‘Nee, helemaal niet. Ze was ontzettend aardig,’ zei Stefanía. Ze dronk haar glas in één teug leeg. Toen haalde ze het kleine zwaardje met de cocktailkers eruit, die ze in haar mond stak en droog sabbelde alvorens hem plechtig naast de andere op de bar te leggen. ‘Ik ben er gewoon kapot van en ik ben helemaal in de war.’ Ze keek naar Thóra op. ‘Ik mag hier dan in de buurt wonen, maar het is niet mijn gewoonte hier mijn zondagavonden door te brengen.’

‘Ik begrijp het,’ zei Thóra, hoewel ze het niet begreep, helemaal niet. ‘Je schijnt Birna goed te hebben gekend, heb je misschien enig idee wie haar kwaad heeft willen doen?’

Stefanía pakte haar lege glas op en draaide het rond. De laatste paar druppels walsten over de bodem. ‘Ja, dat heb ik wel,’ zei ze kalm.

‘Echt waar?’ Thóra kon haar gretigheid nauwelijks verbergen. ‘Wie dan?’

Stefanía keek haar vermanend aan. ‘Dat is beroepsgeheim. Sekstherapeuten zijn wat dat betreft aan dezelfde eed gebonden als artsen. En advocaten.’

Thóra moest haar best doen om niet in lachen uit te barsten om deze vergelijking. Misschien was het niet zo vergezocht — sommige van de echtscheidingszaken die haar collega Bragi behandelde grensden aan sekscounseling. ‘Nou, ik ben advocaat en er bestaan altijd uitzonderingen op de regel. Het algemeen belang, bijvoorbeeld.’

Na even te hebben nagedacht, gaf Stefanía zich gewonnen. ‘Als jij advocaat bent, dan mag ik het jou wel vertellen, toch? Het zijn alleen maar een paar namen en jij vertelt toch niks verder? Het is beslist geen kwestie van dat algemeen belang waar jij het over had.’

Thóra kon bijna niet geloven hoe vlotjes dit gesprek verliep. Ze had zich een lange zit aan de bar voorgesteld, waarbij ze had moeten wachten tot Stefanía genoeg had gedronken om haar beroepsgeheim aan haar laars te lappen. ‘Absoluut niet, ik vertel het aan niemand, dat beloof ik je.’

‘Geweldig,’ zei Stefanía. ‘Sinds ik het nieuws heb gehoord, heb ik me zo rot gevoeld, omdat ik het niemand kan vertellen. Misschien ga ik me hierdoor wat beter voelen.’ Ze keek Thóra recht in de ogen. ‘Erewoord?’

‘Erewoord,’ herhaalde Thóra. Achter haar rug kruiste ze haar vingers, ze zou het alleen aan Matthew vertellen. ‘Wie wilde Birna kwaad doen?’

Stefanía had duidelijk niet overdreven toen ze zei dat ze het echt nodig had om haar hart uit te storten. Toen ze eenmaal begon te praten, struikelde ze bijna over haar woorden. ‘Ze had een verhouding met een getrouwde boer die hier in de buurt woont. Hij heet Bergur en hij woont op Tunga. De seks was nogal extreem en ze kwam mij om raad vragen. Ze vond dat het te ver was gegaan.’

‘En kon jij haar helpen?’ vroeg Thóra. ‘Heb je haar aangeraden niet meer met hem af te spreken?’ Het feit dat zijn vriendin het uitmaakte, kon voor een man voldoende reden zijn om een moord te plegen, als hij geestelijk niet al te stabiel was.

Stefanía zette haar glas neer. ‘Nee.’ Ze stak een van haar rode vingernagels in haar mond en beet erop, hard. Toen ze de vinger uit haar mond haalde, zat er een witte streep op de nagel, waar de lak was beschadigd. ‘Nee, dat heb ik niet gedaan.’ Ze staarde als in trance naar haar lege glas. ‘Ik heb gezegd dat ze er gewoon voor moest gaan. Dat ruwe seks niet per se gevaarlijk hoefde te zijn.’

‘Lieve hemel,’ zei Thóra. ‘Geen wonder dat je je zo rot voelt.’

De sekstherapeute knikte langzaam. Toen ze weer naar Thóra opkeek, kreeg ze Matthew in het oog, die achter haar stond. Tot nu toe was ze zo opgegaan in haar eigen ellende dat ze hem niet had opgemerkt. Ze glimlachte ietwat onaangenaam. ‘Wie is dat? Een vriend van je?’ vroeg ze flirterig.

Thóra besloot de taalbarrière in haar voordeel te gebruiken. ‘Hij is een buitenlander. Hij is hier voor zijn rust.’ Ze boog zich naar Stefanía toe en fluisterde: ‘Aids.’ Toen knikte ze samenzweerderig en ging weer rechtop zitten.

Stefanía’s ogen werden groot. ‘Wat zonde,’ zei ze, beteuterd. ‘Als je wilt, kan ik je wel een paar technieken vertellen waar je misschien iets aan hebt. Je kunt heel veel plezier hebben zonder daadwerkelijke penetratie.’

‘Nee, hoor.’ Thóra glimlachte beleefd. ‘Maar bedankt voor het aanbod.’ Ze wendde zich tot Matthew. ‘Kom,’ zei ze in het Duits, ‘het eten zal er zo wel aankomen.’

Stefanía glimlachte naar Matthew. ‘Het is heel belangrijk dat je goed eet en geen maaltijden overslaat,’ zei ze vriendelijk.

‘Oké, dank je,’ zei Matthew, verbaasd.

Thóra legde haar hand op Stefanía’s schouder. ‘Hartelijk bedankt. Ik zie je snel weer, want ik ben nog wel even met dat project voor Jónas bezig.’

Stefanía keek haar stomverbaasd aan. ‘Wil je niet weten wie die ander is?’

‘Welke ander?’ vroeg ze, niet-begrijpend.

‘De andere man die Birna kwaad wilde doen,’ antwoordde Stefanía een beetje geïrriteerd.

Thóra knikte snel. ‘O, ja, natuurlijk.’

Stefanía boog zich naar haar over om iets in haar oor te fluisteren. Toen ze zo dichtbij was dat Thóra zeker wist dat ze lipstick aan haar voor zou krijgen, zei Stefanía heel zachtjes: ‘Jónas.’

Thóra zag de politieauto’s aankomen. Drie wagens, blijkbaar was er iets aan de hand. Ze reden langzaam het grindpad van het hotel op en parkeerden naast elkaar in een hoek. Het dichtslaan van autoportieren verbrak de stilte toen er zes agenten uitstapten, onder wie één vrouw.

‘Wat nu weer?’ vroeg Thóra zich hardop af. ‘Ze zeiden dat ze morgen pas terug zouden komen.’

Ze zagen het groepje in de richting van de hal lopen, waar zij en Matthew allebei met een glas wijn in de late middagzon zaten. Zij had nog steeds honger, omdat Matthew haar de onverschillige houding ten opzichte van het menu betaald had gezet door alleen maar een groene salade voor haar te bestellen. Zelf was hij niet veel beter af geweest met zijn vegetarische lasagne, die uit amper een paar happen had bestaan. Het gevolg was geweest dat ze twee keer om extra brood hadden moeten vragen, en zelfs dat was niet genoeg geweest.

Ze kende twee van de agenten van gezicht; het stel dat Jónas had ondervraagd en zijn telefoon in beslag had genomen. De naam van de oudste was Thórólfur, meende ze.

‘Goedenavond,’ zei ze tegen hem.

‘Hallo,’ zei hij onbewogen.

‘We hadden jullie pas morgen terugverwacht,’ zei Thóra. ‘Is er iets aan de hand?’

Zonder te blijven staan of hen aan te kijken, antwoordde Thórólfur in het voorbijgaan: ‘Dingen veranderen wel eens.’ Toen verdween het groepje agenten door de deur.

19

Thóra schraapte haar keel. ‘Er is één ding dat ik niet begrijp.’ Ze keek naar Jónas, die met een asgrauw gezicht naast haar zat. ‘Waarom wil je met mijn cliënt praten? Hij is niet de eigenaar van de stallen en ik kan me niet voorstellen dat er in dit beginstadium van het onderzoek iets naar boven is gekomen wat doet vermoeden dat hij hier wat mee te maken zou hebben.’ Ze keek Thórólfur kalm aan. ‘Of wel soms?’

Nu was het de beurt aan Thórólfur om zijn keel te schrapen. ‘Het lijkt me nogal voor de hand liggend. De laatste keer dat er hier in de omgeving een lijk is gevonden, bleek dat van een vrouw te zijn die voor uw cliënt werkte, en aangezien dat nog maar een paar dagen geleden is gebeurd, dienen wij ons allereerst de vraag te stellen of hier iemand wordt vermist. Wij hebben reden te geloven dat dezelfde persoon verantwoordelijk is.’

Jónas leunde naar voren in zijn stoel. ‘Zou u misschien zo goed willen zijn mijn naam te gebruiken? Ik vind het niet prettig “de cliënt” te worden genoemd.’

Thóra kreunde inwendig, maar keek Jónas aan en knikte. Toen richtte zij zich weer tot Thórólfur. ‘Met andere woorden, u bent hier alleen om Jónas te vragen of de overledene een gast of werknemer van het hotel zou kunnen zijn? Niet omdat u ervan uitgaat dat hij om welke andere reden dan ook bij de zaak betrokken is?’

Thórólfur balde zijn vuisten. ‘Dat heb ik niet gezegd. Zoals ik al zei, bevindt het onderzoek zich nog in een pril stadium. U moet echter goed begrijpen dat wij op dit moment alleen nog maar achter de identiteit van de overledene proberen te komen. Wat daarna gaat gebeuren staat nog lang niet vast.’

‘Die stallen,’ zei Thóra, ‘mag ik misschien vragen wie daarvan de eigenaar is?’

‘U mag vragen wat u wilt,’ antwoordde Thórólfur stuurs. ‘En misschien geef ik antwoord.’ Hij liet zijn knokkels kraken. ‘Maar het is geen geheim dat de stallen in kwestie deel uitmaken van Tunga.’

Thóra schrok en hoopte dat Thórólfur het niet in de gaten had. ‘Is dat hier in de buurt?’ vroeg ze nonchalant.

‘Het is de eerstvolgende boerderij, even ten westen van hier,’ zei Jónas, blij dat hij een bijdrage kon leveren.

‘Juist,’ zei Thóra. ‘Dan moet het dus vlak bij het strand zijn waar Birna’s lichaam is gevonden, nietwaar?’ Ze richtte haar vraag tot Thórólfur. Toen hij geen aanstalten maakte om te antwoorden, voegde ze eraan toe: ‘Kunt u dan niet beter met de mensen gaan praten die daar wonen, in plaats van met de mensen hier in het hotel?’ Ze had besloten de politie niets te vertellen over de verhouding van de boer met Birna tot zij hem zelf had gesproken. Ze nam zich voor morgenochtend vroeg meteen contact op te nemen met Bergur, want de waarheid zou nu toch aan het licht komen. En zodra dat gebeurde, kreeg zij misschien de kans niet meer om met hem te praten.

‘Even terug naar waar we het over hadden,’ zei Thórólfur enigszins gepikeerd, terwijl hij zich tot Jónas wendde. ‘Ik neem aan dat u de stallen in kwestie kent?’

‘Min of meer, ja,’ antwoordde Jónas. ‘Ik weet waar ze zijn en ik ben er binnen geweest.’

‘Rijdt u zelf?’ vroeg Thórólfur.

‘Nee, absoluut niet,’ antwoordde Jónas. ‘Gewoon uit belangstelling. Ik hoop me in de toekomst ook met die bedrijfstak te gaan bezighouden. Op dit moment heb ik nog mijn handen vol aan de hotelonderneming.’

‘Wat deed u dan in de stallen, de keer dat u er binnen was?’ vroeg de rechercheur.

‘Rósa was zo vriendelijk mij de paarden te laten zien,’ zei Jónas, waarna hij er haastig aan toevoegde: ‘Rósa is de vrouw des huizes, Bergurs echtgenote. De paar keer dat wij elkaar hebben ontmoet, hebben we over paarden gesproken en zij wilde me een jonge hengst laten zien die ze net hadden gekocht. Dat is alweer een tijd geleden, zeker een halfjaar.’

‘Herinnert u zich de naam van die hengst nog?’ vroeg Thórólfur.

‘Ja,’ zei Jónas. ‘Volgens mij heette hij Sneeuwbal.’ Hij glimlachte. ‘Ze hadden hem beter Vuurpijl kunnen noemen — ik heb nog nooit een paard gezien met zoveel temperament.’

Het duurde even voordat Thórólfur zijn volgende vraag had geformuleerd en intussen krabbelde hij iets op een blocnote. Thóra voelde zich niet erg op haar gemak. Iets in deze vragen over het paard wees erop dat dit meer was dan het verzamelen van feitenmateriaal. Ze besloot af te wachten wat er zou gebeuren.

Uiteindelijk keek Thórólfur op van zijn blocnote en wierp Jónas een dreigende blik toe. ‘Met andere woorden, u weet al zes maanden dat er in die bewuste stallen een paard staat dat nogal kwaadaardig is — of sterker nog, onhandelbaar? Is dat juist?’

‘Ja,’ zei Jónas, hem verwonderd aankijkend. ‘Waarom vraagt u dat?’

‘Zomaar,’ zei de rechercheur, terwijl hij weer iets noteerde. ‘En vossen?’ vroeg hij. ‘Kunt u mij iets vertellen over de vossen hier?’

Stomverbaasd keek Jónas van Thórólfur naar Thóra. ‘Moet ik daar echt antwoord op geven?’ vroeg hij, verbijsterd. Thóra knikte. Ze kon niet wachten om te horen waar dit allemaal naartoe ging. Jónas wendde zich weer tot Thórólfur. ‘Ik begrijp de vraag niet helemaal. Wilt u iets weten over vossen in het algemeen, of misschien of ik zelf vossen heb?’

‘Nou,’ zei Thórólfur, ‘ik zou graag willen weten of hier in de omgeving veel vossen zitten. Maar als u zelf vossen houdt, is dat ook handig om te weten.’

Jónas leunde fronsend naar achteren in zijn stoel. ‘Ik hou geen vossen. Waarom zou ik dat doen? Dit is geen pelsboerderij.’ Hij richtte zijn woorden tot Thóra, die haar schouders ophaalde maar tegen hem gebaarde dat hij verder moest gaan. Dat deed Jónas, hoewel hij zich er duidelijk ongemakkelijk bij voelde. ‘Maar er zijn wel wilde vossen in de omgeving. Dat weet ik omdat ze de eidereenden aanvallen en de boeren daarover klagen. Om u de waarheid te zeggen, is dat alles wat ik over vossen kan vertellen.’ Hij zweeg even en voegde er ten slotte nog aan toe: ‘Behalve dan dat de vos het enige zoogdier is dat in IJsland voorkwam in de tijd dat de eerste mensen zich hier vestigden.’

Thórólfur glimlachte maar zijn ogen bleven koud. ‘Ik vroeg niet om een college natuurlijke historie.’ Hij streek met zijn vingers door zijn haar. ‘Vertel me dan eens iets anders. Zeggen de letters “rer” u iets?’

De hotelier schudde zijn hoofd. ‘Nee. Ik zou niet weten wat.’ Hij keek naar Thóra. ‘Jij?’

‘Ik heb geen flauw idee,’ antwoordde ze en ze richtte zich tot Thórólfur. ‘Wat betekenen ze?’

‘Dat doet er niet toe,’ zei hij resoluut en veranderde toen van onderwerp. ‘Is er hier in het hotel een naaikamer?’

‘Nee,’ antwoordde Jónas. ‘Hebt u een losse knoop of iets anders wat gerepareerd moet worden?’ vroeg hij, schijnbaar oprecht.

Thórólfur gaf geen antwoord op Jónas’ vraag, maar vervolgde: ‘Doet u ook aan acupunctuur?’

‘Ik persoonlijk niet, maar we hebben het er wel over gehad tijdelijk een acupuncturist in dienst te nemen,’ antwoordde Jónas verbaasd. ‘Het is een oude techniek, maar je kunt er bij alle mogelijke kwalen ongelooflijke resultaten mee bereiken. Ik ken een man die dertig jaar lang een heel pakje Camel zonder filter had gerookt…’ Verder kwam hij niet.

‘Ik weet niet of u het hebt gemerkt, maar we zijn hier niet om over koetjes en kalfjes te praten,’ bromde Thórólfur. ‘Ik stel de vragen; u beantwoordt ze. Bij voorkeur en indien mogelijk met ja of nee.’ Terwijl hij sprak had hij over een van zijn schouders gewreven en Thóra deed een schietgebedje dat Jónas hem geen hete-stenenmassage zou aanbieden.

‘Wat ik wil weten is het volgende: is hier een naaikamer? Wordt hier aan acupunctuur gedaan? Zo niet, is er dan iets anders waarbij spelden of naalden worden gebruikt?’

Jónas dacht even na en antwoordde toen geheel volgens Thórólfurs instructies: ‘Ja.’

De politieman zuchtte. ‘Ja, en…? Wat voor behandeling?’

Thóra maakte een gebaar dat Jónas moest antwoorden. ‘In elke kamer ligt een klein naaisetje, ter grootte van een lucifersdoosje. Het is voor gasten die kleine verstelwerkjes moeten doen aan hun kleren. Ik kan er wel eentje voor u pakken als u wilt. Er zitten verschillende kleuren garen in, een naald, twee of drie knopen en een veiligheidsspeld, als ik het me goed herinner. Dat is alles.’

‘Geen andere spelden?’ vroeg Thórólfur.

‘Nee,’ zei Jónas, zijn hoofd schuddend. ‘Volgens mij niet.’

‘Voordat ik wegga wil ik graag zo’n setje zien,’ zei Thórólfur. ‘En ik wil ook zien waar u die dingen bewaart.’ Hij zweeg even en keek Jónas dreigend aan. ‘Nog één laatste vraag. Er is mij verteld dat er in Birna’s kamer is ingebroken.’

‘Wat?’ riep Jónas uit. ‘Dat wist ik niet. Wie heeft u dat verteld?’

‘Dat gaat u niet aan, tenzij u me kunt vertellen wie het heeft gedaan en wanneer het is gebeurd.’ Thórólfur bleef hem strak aankijken.

‘Ik weet er niets van. Ik ben er niet meer geweest sinds de politie vrijdagmiddag de kamer heeft laten vergrendelen en iedereen heeft verboden daar nog naar binnen te gaan. Ik zweer dat ik het niet ben geweest.’ Jónas sprak snel en nerveus. ‘Ik heb er niets te zoeken.’

‘Dat zegt u,’ zei Thórólfur, die nu eindelijk zijn hoofd boog om op zijn blocnote te kijken. ‘Toch is er iemand geweest die meende er iets te zoeken te hebben. Als u dat niet was, wie dan wel?’ Hij keek weer naar Jónas op.

‘Ik zou het niet weten. De moordenaar, zou ik denken,’ zei Jónas gespannen.

‘Was dat alles?’ viel Thóra hen in de rede. ‘U had het over “één laatste vraag”, en die heeft Jónas nu beantwoord. Kunnen we nu gaan?’

Thórólfur wapperde achteloos met zijn hand. ‘Ga uw gang. Maar morgen wil ik u beslist nog een keer spreken,’ zei hij tegen Jónas. ‘Dus ga vooral niet weg.’

Jónas keek hem met grote ogen aan en voordat hij zijn mond kon opendoen, antwoordde Thóra: ‘Nee, natuurlijk niet. Wij gaan nergens naartoe. Ik wil u er wel aan herinneren dat ik er altijd bij wil zijn wanneer Jónas wordt ondervraagd. Ik neem aan dat dat geen probleem is.’

‘Nee, nee,’ antwoordde Thórólfur. ‘Waarom zou het?’

Thóra en Jónas verlieten het kantoor dat hij de politiemensen ter beschikking had gesteld — als je het een kantoor kon noemen. Het werd gebruikt als voorraadkamer voor schoonmaakspullen, maar er stond toevallig ook een bureau dat nergens anders paste. Er waren stoelen aangerukt die zo goed en zo kwaad als het ging in de beperkte ruimte waren neergezet, maar het resultaat was enigszins onconventioneel. Zodra ze de kamer binnen waren gegaan, was het Thóra opgevallen hoe weinig bedreigend die eruitzag. Ze vroeg zich af of de politie daar nadeel van zou ondervinden gedurende hun inleidende vraaggesprekken. Nu ze echter een tijdje binnen had gezeten, besefte ze dat de geur van desinfecterende middelen zo overweldigend was dat het de weinig indrukwekkende sfeer meer dan compenseerde. Ze was ongelooflijk opgelucht dat ze er weg kon en haar hoofd tolde. Vossen? Spelden? rer?

Jónas zat achter elkaar glazen cognac achterover te slaan. Hij had Thóra en Matthew bij hem thuis uitgenodigd, omdat zij hem na de ondervraging had willen spreken. Zijn appartement was klein en gezellig en bevond zich in het hotel zelf. Thóra zat naast Matthew op een zachte leren bank, met een glas water in haar hand en een prachtig uitzicht over de gletsjer in het westen. Jónas zat in een stoel naast hen.

‘Ze denken dat ik Birna en die man heb vermoord,’ klaagde hij en hij nam nog een slok cognac. ‘Weet je zeker dat je geen cognacje wilt? Je wordt er echt rustig van.’

‘Weet jij meer dan wat je de politie zo-even hebt verteld?’ vroeg Thóra. ‘Over die vossen en spelden? En letters?’

‘Ik heb geen flauw idee, echt niet,’ antwoordde hij. ‘Ik weet niets over die man en nog minder over vossen, spelden en letters. Ik hád het niet meer. Ik dacht dat hij me in de val wilde laten lopen.’

‘Dat lijkt me hoogstonwaarschijnlijk,’ verzekerde Thóra hem. ‘Maar het was wel erg vreemd.’ Ze wachtte tot Jónas zijn glas leeg had en zijn hand uitstak om nog eens in te schenken. ‘Je moet me één ding vertellen, Jónas.’ Hij keek opzij. ‘Wist jij dat Birna iets had met een boer hier uit de buurt? Een getrouwde man?’

Jónas kreeg een kleur. ‘Nou, ik had er wel een vermoeden van, ja,’ zei hij, met een eigenaardige uitdrukking op zijn gezicht.

‘En dan weet je waarschijnlijk ook dat diezelfde boer de eigenaar is van die stallen?’ ging ze verder.

‘Ja, dat wist ik,’ zei hij, ‘maar dat wilde ik niet zeggen.’

‘Waarom niet?’ vroeg ze.

‘Daarom niet,’ antwoordde Jónas, en hij nam nog een slok.

‘Is de reden misschien dat je zelf een verhouding met haar hebt gehad en niet het risico wilde lopen er dieper bij betrokken te raken?’ zei ze.

‘Misschien,’ antwoordde Jónas gemelijk.

‘Waarom heb je me niet verteld dat jullie samen iets hadden?’ riep Thóra boos uit.

‘Het stelde niets voor, niets,’ antwoordde hij. ‘Ik had geen enkele reden om haar iets aan te doen.’

‘Dus jullie zijn als vrienden uit elkaar gegaan?’ vroeg ze. Ze keek opzij naar Matthew, die een geeuw onderdrukte. Ze voerde het gesprek in het IJslands, zodat Jónas zo natuurlijk mogelijk zou reageren. Die arme Matthew zat er voor spek en bonen bij en keek uit het raam naar de gletsjer. Ze bewonderde zijn geduld; haar ex zou haar al een paar keer hebben aangestoten om te vragen of ze eindelijk naar huis konden.

‘Ja, daar komt het wel op neer,’ antwoordde Jónas. Hij keek een beetje glazig uit zijn ogen, maar Thóra kon niet zien of dat door vermoeidheid kwam — het was middernacht geweest — of door de alcohol. ‘Ik had er nog wel even mee door willen gaan, maar zij wilde er een punt achter zetten. Ze vond me te oud.’

‘Dat klinkt alsof je er niet bepaald gelukkig mee was,’ zei Thóra. ‘Is ze na jou meteen iets met Bergur begonnen?’

‘Ja,’ zei Jónas met een chagrijnige blik. ‘Zo kun je dat wel zeggen, ja.’

‘Je lijkt me behoorlijk boos,’ zei Thóra. ‘Misschien zie ik iets over het hoofd, maar ik vind het nogal vreemd dat je gezien de omstandigheden toch wilde dat ze hier bleef werken, ook al zijn jullie als vrienden uit elkaar gegaan.’

‘We zijn echt als vrienden uit elkaar gegaan, ik lieg niet,’ zei hij. ‘Wat kon ik eraan doen? Zij wilde mij niet meer. Zo gaat dat soms in het leven. Ze was een goede architect en ze begreep mijn plannen voor de ontwikkeling van dit gebied. Ik ben mans genoeg om mijn werk gescheiden te houden van wat ik in mijn vrije tijd doe.’

‘Mooi zo,’ zei Thóra. ‘Laten we hopen dat andere getuigen je verhaal bevestigen wanneer ze worden verhoord.’ Ze keek hem streng aan. ‘Zo niet, dan zal dat geen beste indruk maken.’

‘Waarom niet?’ vroeg Jónas, beledigd. ‘Mag ik soms geen vriendinnetjes hebben?’

‘Natuurlijk wel,’ zei Thóra, lichtelijk geërgerd. ‘Maar je begrijpt best wat ik bedoel. En dan nog iets… wie is die man in de stallen? Misschien is het Bergur wel. Wat dan?’

Hij werd bleek. ‘Ik… ik weet het niet.’

Thóra maakte aanstalten om op te staan. ‘Ik wil je geen al te somber beeld schetsen. We weten nog niet eens of het een ongeluk was of iets ergers.’

Jónas keek haar aan. ‘Denk je echt dat de politie mij vragen zou komen stellen over vossen en raadselachtige letters als er een boerenknecht van een hooizolder was gevallen? Nee, het heeft iets te maken met wat hier is gebeurd.’

Matthews arm lag lichtjes om Thóra’s schouders terwijl ze op het strand naar de branding stonden te kijken. Ze had hem voorgesteld om voor het slapengaan nog even een eindje te gaan wandelen, omdat de geur van desinfecterende middelen nog in haar neus zat en haar als ze niet uitkeek een migraine zou bezorgen. Ze deed haar ogen dicht en stond net op het punt iets romantisch te zeggen toen haar telefoon ging.

‘Je zou bijna gaan denken dat het hotel de enige plek in deze omgeving is waar je geen ontvangst hebt,’ verzuchtte Matthew.

Thóra nam snel op.

‘Hallo, Thóra. Sorry dat ik je zo laat nog bel,’ zei een vrouwenstem. ‘Je spreekt met Dísa, je buurvrouw.’

‘O, hallo,’ zei Thóra, verbaasd. Stond haar huis in de fik?

‘Ik heb het al eerder geprobeerd, maar ik denk dat je telefoon uitstond,’ zei Dísa verontschuldigend.

‘Nee, ik zit op Snaefellsnes en je hebt hier nauwelijks ontvangst,’ zei Thóra, en ze hoopte dat haar buurvrouw meteen zou zeggen wat er aan de hand was. ‘Het wisselt nogal.’

‘Ja, ik wist dat je de stad uit was. Daarom heb ik je gebeld. Ik heb om een uur of elf iemand zien wegrijden met jouw suv, met de caravan erachter. Dat vond ik een beetje vreemd. Heb je hem aan iemand uitgeleend?’

‘Nee,’ zei Thóra, stomverbaasd. ‘Bedankt, Dísa. Ik zal meteen nagaan of iemand hem heeft geleend, en zo niet, dan bel ik de politie. Nogmaals bedankt.’

Ze hing op en zag dat er zes sms-berichten voor haar waren. Ze opende de meest recente. Er stond: ‘bel me zsm — gylfi is weg en heeft soley meegenomen.’

Thóra schoot in de lach, die meteen daarna overging in gekreun. Ze keek Matthew aan en zei vermoeid: ‘Begin nooit aan kinderen. Beperk je maar tot dat kleine meisje in Afrika.’

20

Maandag, 12 juni 2006

Thóra liep rond over het parkeerterrein om te proberen ergens bereik te krijgen. Matthew keek verwonderd toe. ‘Waarom gebruik je de telefoon op je kamer niet?’ vroeg hij, terwijl hij op en neer sprong om een beetje warm te blijven.

Het weer was bar en boos en Thóra wist niet of ze midden in een mistbank stonden of dat het gewoon een laaghangende wolk was.

De vorige avond had ze een vruchteloze poging ondernomen om haar zoon te bellen en het eerste wat ze vandaag wilde doen was zowel hem als haar caravan vinden. De jongen had niet eens een geldig rijbewijs, maar was wel al aan het lessen. Thóra was als de dood dat er iets vreselijks was gebeurd. De serie sms’jes op haar mobieltje had een duidelijk beeld geschetst van hoe het scenario zich had voltrokken. De eerste drie waren afkomstig van Gylfi. In het eerste berichtje sprak hij zijn ongenoegen uit over het feit dat hij nog niet naar huis kon zoals afgesproken was, in het tweede zei hij dat hij gek werd van zijn vader en in het derde stond alleen maar: ‘eye of the tiger — ik ben hier weg.’ Hierop volgden enkele berichtjes van haar ex, waarin deze Gylfi volkomen onmogelijk noemde om mee onder één dak te leven en haar daar de schuld van gaf. Deze berichtjes wiste Thóra. Gylfi was doorgaans een vriendelijke, ijverige scholier en absoluut niet de onbeschofte vlerk die zijn vader beschreef. Maar hij was nog wel jong en had soms moeite zijn mond ergens over te houden, vooral als het om zijn vaders vreselijke pogingen tot karaoke ging. ‘Eye of the Tiger’ was duidelijk de bekende druppel geweest. Thóra kon zich niet herinneren dat Gylfi het ooit leuk had gevonden om bij zijn vader te logeren, zelfs zonder de PlayStation SingStar van zijn zusje. Na hun scheiding had Hannes een vrouw leren kennen die gek was op paarden en hem ook met dit virus had besmet. Gylfi en Sóley deelden deze belangstelling niet — sterker nog, Gylfi was bang voor paarden, een angst die hij van zijn moeder had overgenomen. Hij voelde zich nooit op zijn gemak bij zijn vader thuis, waar hem altijd de dreiging boven het hoofd hing van een ritje te paard. Ondanks al Thóra’s pogingen het hem uit te leggen, weigerde Hannes het te begrijpen. Hij zei altijd dat hun zoon ‘het gewoon nog niet helemaal onder de knie had’.

Thóra zuchtte diep en wachtte tot Gylfi zou opnemen. Ze overwoog de ouders van zijn vriendinnetje te bellen, maar durfde dat toch niet goed. Blijkbaar had Gylfi haar meegenomen op zijn spontane caravanreis, want Thóra had ook een sms-berichtje van haar moeder ontvangen, in bewoordingen die ze liever niet hardop herhaalde. Als moeder kon Thóra de woede van de vrouw wel begrijpen; zelf zou ze ook niet blij zijn als het haar dochter zou zijn die op het punt stond op haar zestiende moeder te worden en er nu vandoor was met een jongen die niet veel ouder was, in een suv met caravan. Ze mocht nog van geluk spreken dat Sigga’s ouders niet beseften dat Gylfi zonder rijbewijs reed.

Uiteindelijk werd de telefoon opgenomen en klonk Gylfi’s slaperige stem door de lijn. ‘Hallo.’

‘Wat zit je?’ riep Thóra, die zich had voorgenomen om kalm te blijven.

‘Wat? Ik?’ vroeg Gylfi stompzinnig.

‘Ja, jij, natuurlijk. Waar zit je?’

Gylfi geeuwde. ‘Ergens in de buurt van Hveragerdi, geloof ik. Daar zijn we gisteren langsgekomen.’

Thóra kon zich wel voor haar kop slaan dat ze niet meer moeite had gedaan om met de kinderen door het land te rijden. Uit ervaring wist ze dat wat Gylfi betreft het hele zuiden van IJsland ‘in de buurt van Hveragerdi’ was, net zoals het hele noorden van IJsland voor hem ‘in de buurt van Akureyri’ was.

‘Zit je in de caravan?’ vroeg ze, en ze voegde er in één adem aan toe: ‘En wie zijn “we”?’

‘“We” zijn ik en Sigga,’ zei Gylfi, waarna hij mompelde: ‘O ja, en Sóley.’

‘Is Sóley nog bij jou?’ riep Thóra uit. ‘Waarom heb je haar niet bij oma afgezet? Je hebt nog niet eens je rijbewijs en al had je dat wel, dan had je nog niet met een caravan achter je auto mogen rijden. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat je je zwangere vriendinnetje en je zusje van zes op sleeptouw hebt genomen.’

‘Autorijden stelt niks voor,’ zei Gylfi met mannelijke zelfverzekerdheid. ‘En trouwens, Sóley is er alleen maar bij omdat ze alleen wilde vertellen waar jij de sleutels van de suv had verstopt als ik haar meenam. Zelfs zij had schoon genoeg van dat kattengejank van pa. Ze kon niet eens haar PlayStation gebruiken omdat hij niet van dat stomme SingStar weg te slaan was.’

Thóra kreunde. ‘Gylfi,’ zei ze, zo kalm mogelijk, ‘jij verplaatst die caravan geen centimeter meer. Ik kom jullie vanavond ophalen. Sta je op een kampeerterrein?’

‘Eh, nee,’ antwoordde Gylfi. ‘Ik geloof van niet. We staan gewoon ergens waar ik ben gestopt.’

‘Juist, ja,’ zei Thóra. Ze deed haar ogen dicht en schudde haar hoofd om een schreeuw te verbijten. ‘Zoek uit waar jullie precies staan en laat me dat weten. Stuur maar een sms’je; de verbinding is hier om te huilen. Rij niet verder. Stel je voor dat je een ongeluk krijgt en jezelf of iemand anders verwondt.’

Nadat Gylfi had beloofd te blijven waar hij was, hing ze op. Thóra kon alleen maar hopen dat hij naar haar zou luisteren. In de regel was hij wel gehoorzaam, maar als ze ergens langs de kant van de weg stonden, zouden ze op een gegeven moment honger krijgen en verder willen. Ze stopte de telefoon in haar zak en wendde zich tot Matthew. ‘Ik heb het gisteren al gezegd en ik zeg het je nu nog een keer. Kinderen? Begin er niet aan.’

Thóra trommelde met de pen die ze tussen haar wijsvinger en haar duim hield op de rand van het bureau.

‘Helpt dat bij het nadenken?’ vroeg Matthew. ‘Ik hoop het maar, want ik kan geen gedachte in mijn hoofd houden met die herrie.’

Ze legde de pen neer en keek Matthew somber aan. ‘Dit is belangrijk. Ik doe echt mijn best om mijn hoofd erbij te houden, maar ik moet telkens aan mijn kinderen denken, daar in die caravan.’ Ze sloot haar ogen en ademde diep in. ‘Waarom heb ik dat onding in vredesnaam aangeschaft?’

‘Omdat je niet met geld kunt omgaan?’ Hij glimlachte.

Ze zaten in de hotelkamer, Thóra aan het bureau en Matthew op het bed. Hij leunde op zijn gemak tegen het hoofdeinde. Zij zat op een modern uitziende stoel, die meer uit esthetische overwegingen was ontworpen dan met het oog op comfort.

‘Begin nou eerst maar eens met op te schrijven wat je zeker weet,’ zei hij, terwijl hij het zich nog wat gemakkelijker maakte. ‘Dan volgt de rest vanzelf.’

Thóra pakte haar pen en dacht even na. Op haar voorstel liepen zij en Matthew de details van de zaak nog eens door als voorbereiding op de ontmoeting met Börkur en Elín, de broer en zus die Jónas de grond hadden verkocht. Ze had het gevoel dat dit haar enige kans zou zijn om hen gedetailleerde vragen te stellen, dus wilde ze alles op een rijtje hebben. ‘Oké,’ zei ze, en ze begon te schrijven.

Toen ze weer opkeek, had ze al drie A4’tjes vol gepend. Toegegeven, de regels stonden ver uit elkaar, dus zoveel tekst was het niet — ze wilde alle details die ze zich herinnerde helder houden. Tevreden over zichzelf keek ze naar het bed. ‘Wakker worden,’ zei ze, toen ze zag dat Matthew was ingedommeld.

Matthew schrok wakker. ‘Ik sliep niet,’ antwoordde hij. ‘Ben je klaar?’

‘Ja,’ zei Thóra, terwijl ze de velletjes papier pakte. ‘Dat wil zeggen, dit is alles wat ik me op dit moment kan herinneren.’

‘Vertel,’ zei Matthew, en hij hees zich weer omhoog. Toen hij in slaap viel was hij een stukje onderuitgezakt.

‘Om te beginnen is er die geest. Ik heb behoorlijk wat mensen gesproken en ze zijn het er allemaal over eens dat het hier spookt. Hoewel de meeste plaatselijke bewoners nogal goedgelovig zijn, ben ik toch geneigd te geloven dat hier iets is gebeurd…’

Matthew viel haar in de rede. ‘Meen je dat nou?’ vroeg hij. ‘Denk je echt dat er iets waar is van dat spookverhaal?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Thóra gepikeerd. ‘Je laat me niet uitpraten. Wat ik wilde zeggen is dat er waarschijnlijk een logische verklaring voor is. De meeste mensen hier geloven in het bovennatuurlijke en zullen vreemde gebeurtenissen op die manier uitleggen; voorvallen waarvoor andere, normale verklaringen zijn. Wij moeten zien uit te vinden wat die verklaringen zijn. Geesten op het gazon, het geluid van huilende kinderen in het holst van de nacht, verschijningen in slaapkamers.’

‘De geest is alleen in Jónas’ kamer verschenen,’ zei Matthew eigenwijs. ‘Maar dat doet er misschien niet toe. Hoe wil je dat allemaal verklaren? Zijn het misschien buitenaardse wezens?’

‘Haha,’ zei Thóra humorloos. ‘Ik heb er ook al aan gedacht dat het misschien gewoon Birna en Bergur waren die buiten aan het vrijen waren. Volgens die therapeute deden ze aan ruige seks. Wie weet was dat jammerende geluid wel van hen afkomstig en waren zij ook die geesten, toen ze een plekje zochten om samen naartoe te gaan.’

‘Ik heb het huilen gehoord en dat had niets met seks te maken,’ zei Matthew, lichtelijk blozend omdat hij wist dat Thóra dacht dat hij het zich had ingebeeld. ‘Bovendien was Birna al dood toen ik het hoorde.’

Thóra keek hem peinzend aan. ‘Ik weet niet hoe ik dit moet zeggen, maar ik geloof niet dat je echt iets hebt gehoord. Volgens mij heb je het allemaal gedroomd.’ Toen ze zag dat Matthew wilde protesteren, vervolgde ze snel: ‘Hoe dan ook, ik weet zeker dat er een verklaring voor is en ik ben vast van plan die te vinden, want het zou heel goed verband kunnen houden met de moorden.’

‘Zou je daarmee Jónas’ zaak wat betreft de verborgen gebreken in het perceel geen kwaad doen?’ vroeg hij. ‘Als je een verklaring voor de geesten kunt vinden, heb je niets meer om de compensatieclaim op te baseren.’

‘Nee, natuurlijk, dat zou een grote tegenvaller zijn — als de zaak ook maar enigszins wettelijk ontvankelijk zou zijn,’ antwoordde ze. ‘Maar ik geloof wel dat Jónas de waarheid vertelt over wat hem ertoe heeft gebracht om actie te ondernemen: die “geesten” hebben een negatieve invloed op zijn werknemers en daarmee op zijn bedrijf. Als ik dat gedoe met die geesten kan verklaren en kan bewijzen dat er geen sprake is van bovennatuurlijke zaken, heb ik exact bereikt wat hij wil. De werknemers zijn weer tevreden en Jónas hoeft zich geen zorgen meer te maken over mensen die ontslag nemen of salarisverhoging eisen.’

‘Als ze je tenminste geloven,’ zei Matthew. ‘Ook al luisteren mensen naar je, dan wil dat nog niet zeggen dat ze ook horen wat je zegt.’

Thóra legde een vel papier neer en pakte een ander op. ‘Het zal wel. Hoe dan ook, volgens mij is er een logische verklaring.’ Ze bekeek de bladzijde vluchtig en keek op. ‘En dan hebben we de moord op Birna. Er zijn een paar dingen die nader onderzocht moeten worden.

‘Zoals die rare cliënt van je?’ gniffelde Matthew.

Even moest Thóra de neiging onderdrukken de asbak naar zijn hoofd te gooien. In plaats daarvan zei ze: ‘Ja. Onder andere. Het is goed mogelijk dat hij hier meer bij betrokken is dan hij wil toegeven. Zo heeft hij me bijvoorbeeld niet de waarheid verteld over zijn relatie met Birna. Ik zou graag een onpartijdig verslag horen over hun relatie en hoe daar een eind aan is gekomen.’

‘Wat vind je van het sms’je dat met zijn telefoon naar Birna is verzonden?’ vroeg Matthew. ‘Geloof je dat dat buiten zijn medeweten is gebeurd?’

Thóra haalde haar schouders op. ‘Al sla je me dood. Eerlijk gezegd kan ik maar moeilijk geloven dat Jónas Birna heeft vermoord, of hij dat berichtje nu wel of niet zelf heeft gestuurd. Hij is echt zo iemand die niet wil toegeven dat hij het heeft verstuurd, vanwege wat er daarna allemaal is gebeurd. En zelfs al heeft hij het berichtje wel verstuurd, dan wil dat nog niet zeggen dat hij haar daar heeft ontmoet. Misschien kwam er iets tussen, of veranderde hij gewoon van gedachten.’ Na even te hebben nagedacht, voegde ze eraan toe: ‘In dat geval kan het zelfs zo zijn dat Jónas de moordenaar heeft verteld waar hij met haar had afgesproken en heeft die vervolgens zijn kans schoon gezien.’

‘Maar wie?’ vroeg Matthew.

‘Dat weet ik niet, maar misschien kan Jónas ons meer vertellen.’ Toen schudde zij haar hoofd. ‘Nee, dat gaat hij natuurlijk niet doen. Hij kan niets zeggen zonder toe te geven dat hij het sms’je heeft gestuurd. Zover krijgen we hem nooit.’

‘De andere mogelijkheid is natuurlijk dat de moordenaar zijn telefoon heeft gepikt en het berichtje uit Jónas’ naam heeft gestuurd. Hij heeft zelf gezegd dat hij zijn telefoon nooit bij zich heeft,’ bracht Matthew haar in herinnering. ‘Er zijn genoeg mensen die er de kans voor hebben gehad. Gasten in het hotel, personeel en natuurlijk het publiek tijdens de seance. Het probleem met die theorie is dat niemand in het hotel, of in elk geval niet iemand die bij de seance was, de tijd heeft gehad om naar het strand te gaan om Birna te vermoorden — niet als de moord rond negen uur is gepleegd, zoals het sms’je suggereert.’

‘Inderdaad,’ zei Thóra, die weer in haar aantekeningen keek. ‘En dan is er nog die boer, Bergur. Ik heb hem onder aan de bladzijde gezet omdat hij er dubbel bij betrokken is vanwege de man die dood in zijn stallen is gevonden. Dat is wel héél erg toevallig. Twee lijken in drie dagen. De een was zijn minnares en de ander is bij hem gevonden. Ik zou nu wel eens willen weten wie die man eigenlijk is.’

Matthew vernauwde zijn ogen tot spleetjes. ‘Heb je aan Bergurs vrouw gedacht? Als hun huwelijk meer voor haar betekende dan voor haar man, zou je toch denken dat zij daarmee een reden had om zich van Birna te ontdoen.’

Thóra knikte langzaam. ‘Dat is zo. Misschien moesten we maar eens bij haar langsgaan. Welk excuus kunnen we daarvoor gebruiken?’

‘We kunnen aanbieden de stallen voor haar uit te mesten,’ opperde Matthew lachend. ‘Dat is iets wat zeker moet gebeuren.’

Thóra glimlachte. ‘Ja, dat is een mogelijkheid, maar dan moet ze wel blind en oliedom zijn. Niemand zal jou aanzien voor een strontschepper. Je kunt net zo goed aanbieden haar IJslandse les te geven.’ Ze keek naar zijn keurig geperste broek en kraakheldere witte overhemd. ‘Misschien kun je zeggen dat je een mormoonse missionaris bent. Dan hoef je je niet eens te verkleden.’

Matthew luisterde niet eens naar haar. ‘Waarom vertellen we ze niet gewoon de waarheid?’ stelde hij voor. ‘En dan proberen we ze vervolgens afzonderlijk te spreken te krijgen.’

‘En wat is “de waarheid”? Dat wij haar verdenken van moord?’ Thóra schudde haar hoofd. ‘Dat lijkt me geen optie.’

‘De waarheid heeft vele kanten,’ zei Matthew. ‘Je zegt gewoon dat je onderzoek verricht naar de geestverschijningen. Dat is geen leugen.’

Thóra dacht na. ‘Daar heb je eigenlijk wel gelijk in. En misschien weten ze ook wel iets over de geschiedenis van de boerderij en de omgeving. Dat is helemaal geen slecht idee.’

‘Wat heb je nog meer?’ vroeg Matthew. ‘Je hebt toch zeker wel meer dan drie kandidaten?’

Thóra keek snel op haar lijstje. ‘Ja, natuurlijk. Ik vind die kanovaarder, Thröstur Laufeyjarson, heel erg verdacht. Met hem moeten we ook gaan praten.’

Matthew leek niet erg overtuigd en haalde zijn schouders op. ‘Echt? Alleen omdat hij meteen wegpeddelde toen hij ons op het strand zag staan?’

‘Onder andere, ja,’ antwoordde ze. ‘En ik vond die Japanse vader en zoon een beetje vreemd, hoewel ik me dat misschien alleen maar inbeeld.’ Ze keek weer op het papier. ‘Die ober, Jökull, was heel erg negatief over Birna. En dan hebben we nog die oude politicus, Magnús. Ik weet zeker dat hij iets verzwijgt. Waarom vertelde hij bijvoorbeeld niet meteen dat hij bij het inchecken naar Birna had gevraagd?’

‘Dat meen je toch niet, hè?’ zei Matthew. ‘Die man is zo oud dat hij nog geen kamerplant om zeep zou kunnen helpen. Het kan best zijn dat hij iets te verbergen heeft, maar ik zie hem geen sms’je verzenden en vervolgens naar het strand hobbelen om iemand te vermoorden. En waarom concentreer je je louter op mannen? De moordenaar kan net zo goed een vrouw zijn.’

‘Zoals?’ vroeg Thóra. ‘Vigdís de receptioniste? Of die dronken sekstherapeute, Stefanía?’

‘Waarom niet?’ wierp Matthew tegen. ‘Of Bergurs vrouw, zoals ik eerder al zei? Ik wil er alleen maar mee aangeven dat je nog veel te weinig weet om wie dan ook uit te sluiten.’

Thóra zuchtte. ‘Dat weet ik ook wel. Helaas.’ Ze pakte het laatste blaadje. ‘En dan zijn er nog een paar dingen die misschien niets met Birna’s dood te maken hebben, maar die ik toch wil uitzoeken.’

‘Kom maar op,’ zei Matthew. ‘Dit vind ik leuk.’

‘Ik wil weten wie Kristín was,’ zei Thóra. ‘Haar naam komt in Birna’s agenda voor, dus de kans bestaat dat zij iets met de moord te maken heeft.’

Matthew schoot in de lach, maar hield zich in toen Thóra hem dreigend aankeek. ‘Ga verder.’

‘Verder wil ik graag een kijkje nemen in Birna’s werkkamer. Ik ben in haar kamer geweest en ik mag dan geen architect zijn, maar het lijkt me duidelijk dat ze daar niet veel werk verrichtte. Er stond bijvoorbeeld geen computer.’

‘Heb je Jónas ernaar gevraagd?’

‘Nee, dat niet. Ik dacht er eigenlijk pas aan toen ik daarnet aantekeningen zat te maken. Maar dat ga ik nog doen. Aangezien iemand de moeite heeft genomen haar hele kamer overhoop te halen, moet er dus iets geweest zijn wat iemand graag wilde hebben.’

‘Inderdaad,’ zei Matthew. ‘Maar als haar werkkamer in Reykjavík is, zal de politie die ongetwijfeld hebben verzegeld.’

‘Ik weet bijna zeker dat ze hier ook wel eens werkte. Volgens Jónas wel, althans,’ zei Thóra, terwijl ze de bladzijde omsloeg. ‘En er is meer,’ vervolgde ze, haar laatste aantekeningen doorlezend. ‘Ik wil ook weten waar Grímur begraven ligt.’ Ze keek op van het papier. ‘En verder wil ik verschrikkelijk graag weten wat er met die jongeman in die rolstoel is gebeurd.’

‘O God,’ zei Matthew. ‘Krijgen we dat weer.’

‘Ik móét het weten,’ hield Thóra vol. ‘Al was het alleen maar omdat die ober zo vreemd reageerde toen ik over hem begon. Dat vond ik heel eigenaardig.’ Weer op haar blaadje kijkend, voegde ze eraan toe: ‘Ook moeten we erachter zien te komen waarom de politie Jónas naar vossen en spelden vroeg, en natuurlijk waar “rer” voor staat. En ten slotte wil ik, zoals ik eerder al zei, meer te weten komen over het tweede slachtoffer.’

‘Het is heel goed om precies te weten wat je wilt,’ plaagde Matthew. ‘Dat alleen is voor sommige mensen al genoeg.’

Thóra luisterde niet naar hem. ‘En ik wil ook wel iets meer weten over nazi-activiteiten in IJsland,’ zei ze, terwijl ze de papieren verzamelde.

Matthew slaakte zo’n kreunende zucht dat Thóra even dacht dat hij ergens pijn had. ‘God, die ellendige nazi’s,’ bromde hij. ‘Vroeg of laat duiken ze toch altijd weer op.’

21

Thóra had het gevoel dat ze minstens een halve eeuw terug was gegaan in de tijd. Ze zat in een woonkamer die volgepropt stond met glanzend gewreven meubels.

‘Jónas vindt het bijzonder spijtig dat dit niet ter sprake is gekomen bij de ondertekening van de aktes,’ zei ze en ze hoorde de veren van de oude bank kraken toen ze naar achteren leunde. Het was een indrukwekkend meubelstuk met een uitzonderlijk diepe zit, en toen ze eindelijk de rugleuning van de bank raakte, besefte ze opeens hoe raar ze erbij zat, dus ging ze snel weer rechtop zitten. De bank was zo groot dat haar voeten nauwelijks de grond raakten.

Börkur en zijn zus Elín hadden haar eerder die ochtend gebeld en haar uitgenodigd naar hun huis in Stykkishólmur te komen. Thóra had besloten op hun uitnodiging in te gaan, in plaats van ze naar het hotel te laten komen. Ze was blij dat ze even weg kon en hoopte dat de verandering van omgeving haar zou helpen alles helder op een rijtje te krijgen.

Het huis was een van de mooiste in de stad. Het was duidelijk door een bemiddeld man gebouwd en uitstekend onderhouden. Waarschijnlijk was het huis van hun overgrootvader geweest, dacht Thóra. Hij had geld verdiend aan de schoenervisserij en was zo verstandig geweest zijn bedrijf te verkopen voordat de trawlers het overnamen. Toen ze voor het huis stonden had Matthew zijn bewondering erover uitgesproken. Het zag er prachtig uit, met witgeschilderde gevels, raamkozijnen en goten. Omdat het gesprek in het IJslands zou plaatsvinden, had hij ervoor gekozen de stad te gaan bekijken, zodat Thóra hier in haar eentje zat onder de waakzame blikken van Börkur en Elín, die tegenover haar zaten, met hun handen gezaghebbend op de leuningen van hun sierlijke stoelen.

‘Dat zijn oudewijvenpraatjes. Die zijn toch niet van belang bij een moderne zakelijke overeenkomst. Geesten van aan hun lot overgelaten kinderen! Wat moet ik daar nou van zeggen?’ zei Börkur laatdunkend. ‘Bovendien vraag ik me af of het verschil had gemaakt als hij het wel had geweten. Die man had alleen maar belangstelling voor het sluiten van de overeenkomst. Hij had niet eens belangstelling voor de zalmtrek in de rivier.’

‘Gezien de aard van zijn onderneming weet ik zeker dat dit heel belangrijk voor hem zou zijn geweest,’ wees zij hem beleefd terecht. ‘Zalm zou in dit geval van secundair belang zijn, maar het bovennatuurlijke beslist niet.’

Börkur snoof smalend. ‘En wat wil hij nou eigenlijk, op grond van deze onzin? Dat we iets van de prijs af doen?’

‘Ja, bijvoorbeeld,’ antwoordde Thóra. ‘Dat zou een mogelijkheid zijn.’

‘Zoiets heb ik nog nooit gehoord,’ blafte hij. ‘We moeten een advocaat in de arm nemen.’ Met zijn gezicht op onweer wendde hij zich tot zijn zuster.

Elín, die onbewogen naast hem zat, antwoordde: ‘Kunnen we dit niet samen verder bespreken? Ik weet zeker dat we tot een oplossing kunnen komen.’ Ze wendde zich tot Thóra. ‘Denkt u ook niet? Of heeft Börkur gelijk?’

‘Als ik dacht dat de enige oplossing een korting of schadevergoeding was, had ik u wel een brief van die strekking gestuurd,’ antwoordde Thóra. ‘Ik ben hier om de kwestie te bespreken en te kijken of we er niet op een andere manier uit kunnen komen.’

‘Schadevergoeding,’ mompelde Börkur. ‘Ik ben degene die schadevergoeding zou moeten eisen. Ik zou nu aan het werk moeten zijn, in plaats van hier dit belachelijke gesprek te voeren.’

‘Ach, hou toch op,’ zei zijn zuster geërgerd. ‘Ik wil wedden dat je personeel blij is even van je af te zijn. Waarschijnlijk gaan ze op dit moment met de pet rond zodat ze je kunnen betalen om weg te blijven.’

Börkur werd knalrood, maar verkoos niet te reageren. In plaats daarvan richtte hij zich weer tot Thóra. ‘Dit is mijn antwoord,’ beet hij haar toe. ‘Zeg maar tegen Jónas dat al dat achterlijke gedoe ons geen donder interesseert en dat dat voor iedereen zal gelden. Ik kan me niet voorstellen dat er ook maar één rechter zal zijn die schadevergoeding zou toekennen vanwege een géést.’ Zwaar ademend voegde hij eraan toe: ‘Het zal hem al moeite genoeg hebben gekost om jou te vinden, een advocaat die bereid is zo’n onzinnige zaak aan te nemen.’

Thóra voelde zich aangesproken door de suggestie dat zij een derderangs advocaat zou zijn, maar besloot haar mond te houden. Ze wist dat het verliezen van je zelfbeheersing de beste manier was om een twistgesprek te verliezen. ‘De beslissing is vanzelfsprekend geheel aan u,’ zei ze rustig, ‘maar ik wil u er wel aan herinneren dat rechters het erg vervelend vinden als mensen niet hun uiterste best doen hun geschillen op te lossen alvorens ze voor de rechtbank uit te vechten. Rechtbanken zijn een laatste toevlucht, geen eerste stap.’

Elín legde haar hand op die van haar broer, die hij om de gebeeldhouwde leuning van zijn stoel geklemd had. ‘Ik begrijp het,’ zei ze tegen Thóra. ‘Maar hoe kunnen we dit anders oplossen? Wat stelt u voor?’ Ze wendde zich met een bemoedigend glimlachje tot haar broer. ‘Wij staan open voor suggesties.’

‘Zullen we er dan maar een exorcist bij roepen?’ bromde Börkur. ‘Wat dacht u daarvan?’

Thóra negeerde hem en concentreerde zich op Elín. ‘Moeten we het er eerst niet eens over hebben of u beiden ooit iets hebt gemerkt van bovennatuurlijke verschijnselen op die plek?’

‘Ja, waarom niet,’ antwoordde Elín, terwijl ze de vingers van haar broer nog wat steviger omknelde. ‘Daar kan ik kort over zijn. Ik heb daar nog nooit iets vreemds gemerkt, omdat ik er nauwelijks ben geweest. Onze moeder is op Kreppa opgegroeid bij onze grootvader, Grímur. Zijn broer, Bjarni, was de eigenaar van Kirkjustétt, waar het hotel is gebouwd, maar hij is jong gestorven. Als er al verhalen over de boerderij bestonden, dan kan het heel goed zijn dat wij die nooit hebben gehoord.’

‘En u?’ vroeg Thóra aan Börkur. ‘Hebt u ooit iets gemerkt, of verhalen gehoord over geestverschijningen op een van de boerderijen?’

Hij schudde ongeduldig zijn hoofd. ‘Natuurlijk niet. Er is niets te merken of te horen. Ik geloof helemaal niet in die onzin. En ik heb er nog minder tijd doorgebracht dan Elín.’

Thóra richtte zich weer tot de zuster. ‘Hoe komt het eigenlijk dat de boerderijen nog in zo’n goede staat verkeren? Ik heb Kirkjustétt niet gezien voordat het hotel werd gebouwd, maar we hebben een kijkje genomen op Kreppa en ik neem aan dat Kirkjustétt er ook zo uitzag.’

‘Ja, dat is zo,’ antwoordde Elín kalm. ‘Wij hebben de hoeves altijd goed onderhouden.’ Ze gebaarde om zich heen naar de kamer waarin zij zaten. ‘Dit huis is al in de familie sinds mijn overgrootvader het heeft gebouwd. We gebruiken het altijd wanneer we dit deel van het land bezoeken. Het is veel huiselijker en ligt niet zo afgelegen als die twee oude boerderijen. Mijn broer en ik komen hier niet vaak, maar we hadden het gemakkelijk kunnen delen.’

‘Maar waarom hebt u de boerderijen dan ook nog aangehouden? Wat had dat voor zin?’ vroeg Thóra.

‘Tja,’ zei Elín. ‘Toen moeder nog gezond was betekenden die plekken heel veel voor haar. Ze wilde niets veranderen en alles houden zoals het was, omdat ze altijd van plan was op haar oude dag terug te gaan naar het platteland. Alleen is dat er nooit van gekomen, omdat de ouderenzorg hier lang niet zo goed is als in Reykjavík.’ Ze hief haar kin. ‘Toen moeder ziek werd hebben we de huizen toch aangehouden, omdat we het idee hadden dat Börkurs kinderen en de mijne ze uiteindelijk konden erven. Hoewel wij tweeën het niet erg vinden dit huis te delen, wisten we dat onze kinderen hier later misschien wel met hun eigen gezinnen wilden komen.’

‘Waarom hebt u ze dan toch verkocht?’ vroeg Thóra. ‘U hebt de boerderijen tientallen jaren goed onderhouden voor uw kinderen, maar toen ze eenmaal volwassen waren hebt u ze toch verkocht.’ Voor de duidelijkheid voegde ze eraan toe: ‘Ik heb uw dochter Berta ontmoet, Elín, en ik neem aan dat uw andere kinderen ongeveer van dezelfde leeftijd zijn.’

Elín glimlachte koeltjes. ‘Zo is het nu eenmaal gelopen. Zelf heb ik maar één dochter, maar Börkur heeft twee zoons. Zij hebben nooit enige belangstelling getoond voor Snaefellsnes, dus is het niet meer nodig de boerderijen aan te houden.’

‘En Berta dan?’ vroeg Thóra. ‘Ik heb haar hier ontmoet en het klonk alsof ze hier best vaak komt.’

Elín liet weer datzelfde kille glimlachje zien. ‘Berta brengt hier veel tijd door, dat is waar. Maar Börkur en ik hebben afgesproken dat ik zijn deel van dit huis van hem koop en het is niet nodig dat mijn dochter en ik twee huizen in West-IJsland bezitten. Het is voldoende voor de familie om al die andere boerderijen in bezit te hebben. We zijn zelfs van plan ze stuk voor stuk van de hand te doen.’

‘Bezit u dan nog meer boerderijen in deze omgeving?’ vroeg Thóra.

‘Jazeker,’ antwoordde Börkur, en ze zag zijn borst zwellen van trots. ‘Behoorlijk wat zelfs.’

Thóra fronste haar voorhoofd. ‘Waarom hebt u Jónas er daar dan niet een van verkocht?’ vroeg ze verbaasd. Het scheen haar toe dat de meeste mensen bezittingen met sentimentele waarde juist als laatste zouden verkopen.

‘Jónas was op zoek naar landbouwgrond met een oud huis erop,’ antwoordde Börkur nors. ‘En toen hij hoorde dat er niet één boerderij op stond, maar twee, wilde hij de grond meteen graag kopen.’

‘Zoals u weet, heeft hij ons een heel goede prijs geboden,’ voegde Elín eraan toe. ‘Het was gewoon tijd om de knoop door te hakken.’

Thóra vroeg zich af of ze nog verder kon vragen naar hun redenen om de boerderijen te verkopen. Ze was nog niet echt overtuigd, vooral gezien Elíns koele manier van doen. Om de vrouw niet te provoceren door nog meer vragen te stellen, begon ze over iets anders. ‘Wist u iets over de geschiedenis van de boerderijen?’

‘Of wij daar iets van wisten?’ herhaalde Elín. ‘Natuurlijk wisten we dat, maar helaas ben ik niet zo goed in dingen als geschiedenis en genealogie.’ Ze liet Börkurs hand los. ‘Hetzelfde geldt voor mijn broer, ben ik bang.’

Börkur ging iets rechter zitten en schraapte zijn keel. ‘Ik ben altijd van plan geweest het eens goed uit te zoeken, maar ik heb er nooit de tijd voor gehad.’

‘Maar u zult in de loop der jaren toch wel verhalen hebben gehoord van uw moeder?’ drong Thóra aan. ‘Herinnert u zich geen verhalen meer over de boerderijen?’

‘Onze moeder had het met ons nooit over haar leven hier,’ antwoordde Elín. ‘Ze was nog heel jong toen ze samen met grootvader naar Reykjavík verhuisde.’ Elín keek naar haar schoot. ‘Het is geen geheim dat haar leven niet over rozen is gegaan. Kristrún, onze grootmoeder, overleed toen mama nog een baby was en wij hebben altijd begrepen dat grootvader niet bepaald een modelvader was. Hij had wat problemen, om het zo maar te zeggen, en na de dood van grootmoeder is het nooit meer helemaal goed met hem gekomen. Ik heb helaas geen enkele herinnering aan hem, dus ik kan er zelf niet over oordelen, maar hij was vast geen slecht mens.’

Thóra fronste. ‘Waarom zegt u dat zo? Mishandelde hij uw moeder?’ Kon dit het incestverhaal zijn waarover Sóldís het had gehad?

‘Op een bepaalde manier wel, ja,’ antwoordde Elín. ‘Hij pleegde zelfmoord toen moeder nog maar negentien was en ik weet zeker dat ik nooit zou willen dat mijn eigen kind mij dood zou vinden, dus naar mijn idee was hij geen goede vader, wat er verder ook over hem te zeggen valt.’

‘Ach, kom op, zeg,’ protesteerde Börkur opeens. ‘Je weet best dat hij ziek was. Je kunt van iemand die klinisch depressief is geen gedrag verwachten dat door de rest van de maatschappij als normaal wordt beschouwd. Dat is discriminatie.’

Elín keek hem een ogenblik woedend aan. Toen liet ze zich toch enigszins vermurwen. ‘Daar heeft mijn broer natuurlijk wel gelijk in. Ik hou zoveel van moeder dat ik me onwillekeurig verbitterd voel over de manier waarop hij haar in de steek heeft gelaten.’ Ze keek om zich heen. ‘Ik weet zeker dat moeder de boerderij voornamelijk draaiende heeft gehouden omdat alles nog goed was toen ze hier woonde. Pas toen ze naar de stad verhuisden begon grootvaders ziekte zich te openbaren. Ze wilde haar herinneringen aan een gelukkige jeugd vasthouden.’

‘Ik begrijp het. Het moet heel moeilijk voor haar zijn geweest,’ zei Thóra begripvol. ‘Ik heb op de begraafplaats bij de boerderij de grafsteen van uw grootmoeder gezien, maar zo te zien ligt uw grootvader Grímur niet naast haar begraven. Als ik zo vrij mag zijn het te vragen, waarom is dat?’

Elín perste haar lippen op elkaar. ‘Moeder zei dat zij dat na zijn dood zo had besloten. Hij had geen instructies achtergelaten over de plek waar hij begraven wilde worden en zij wilde hem niet hier op Snaefellsnes laten begraven. Misschien wilde ze hem dichter bij zich hebben, want zij woonde toen in Reykjavík.’

Dit leek Thóra een eigenaardig soort logica. Ze maakte het zichzelf wat gemakkelijker op de bank. ‘Kunt u mij eigenlijk iets vertellen over uw oudoom Bjarni, die oorspronkelijk op Kirkjustétt woonde?’

‘Hij is jong gestorven, aan tbc,’ zei Börkur snel, duidelijk blij dat hij de eerste was met een antwoord. ‘Hij had ook al jong zijn vrouw verloren, dus de levens van de broers verliepen volgens eenzelfde patroon. Ze werden allebei jong weduwnaar, en hadden allebei een dochter.’

‘Maar zij is ook gestorven,’ zei Thóra. ‘Zijn dochter, bedoel ik, Gudný. Ook aan tbc, toch?’

‘Ja,’ zei Elín kordaat. Aan haar gezichtsuitdrukking was te zien dat het haar helemaal niet zinde dat ze de controle over het gesprek aan haar broer had moeten afstaan. ‘Ze werden allebei ziek en weigerden naar Reykjavík te gaan om zich in een sanatorium te laten behandelen, zoals ze de tbc-klinieken destijds noemden. Ik heb geen idee of het dan anders was gelopen. Ik weet heel weinig over tuberculose — niets eigenlijk — maar ik weet wel dat grootvader hen zo goed mogelijk heeft verzorgd; hij was arts. Maar helaas was dat niet genoeg.’

Thóra leunde naar voren. ‘Ik moet u iets vragen en ik ben me ervan bewust dat dit misschien niet gemakkelijk voor u is.’ Ze zweeg even. De broer en zus zaten als verlamd te wachten. ‘Ik heb verhalen gehoord over incest op de boerderij. Er wordt beweerd dat Bjarni zijn dochter misbruikte. Kan daar iets van waar zijn?’

‘Nee!’ snauwde Elín. ‘Dat is onzin. Zo zie je maar weer dat mensen destijds niets beters te doen hadden dan smerige verhalen te verzinnen over fatsoenlijke mensen die waren overleden en zich niet meer konden verdedigen tegen roddel en achterklap.’ Toen ze zweeg was haar gezicht vuurrood. Blijkbaar hoorde ze dit niet voor het eerst.

‘Hoe kunt u daar zo zeker van zijn?’ vroeg Thóra voorzichtig. ‘Uw moeder was nog zo jong dat ze er misschien niets van heeft geweten en u zegt zelf dat u uw grootvader niet hebt gekend, dus kunt u ook nooit zijn kant van het verhaal hebben gehoord.’

Elín keek Thóra woedend aan. ‘Ik heb mijn moeder dit verhaal zo vurig horen ontkennen dat er wat mij betreft geen enkele twijfel bestaat. Het is absoluut een verzinsel.’ Ze fronste. ‘Om u de waarheid te zeggen zie ik geen reden om dit gesprek nog langer voort te zetten. Als u geen intelligente vragen meer hebt, dan moesten we er maar een punt achter zetten.’

‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zei Thóra nederig. ‘We zullen het hier niet meer over hebben.’ Om te verhinderen dat ze eruit zou worden gegooid, zocht ze wanhopig naar een ander onderwerp. ‘Weet u toevallig waarover uw grootvader en zijn broer ruzie hadden?’ vroeg ze snel. ‘Ik heb begrepen dat ze elkaar jarenlang niet gesproken hebben.’

Elín was nog te kwaad om te antwoorden, dus deed Börkur dat. ‘Dat had te maken met hun echtgenotes. De vrouwen kregen ruzie en de mannen volgden hun voorbeeld. Ik geloof niet dat iemand weet wat de reden was voor de onenigheid tussen grootmoeder en haar schoonzus, maar het was kennelijk zo serieus dat de broers nooit meer goed met elkaar konden opschieten, zelfs niet nadat beide vrouwen waren overleden. Koppigheid en het koesteren van rancunes zijn eigenschappen die in onze familie veel voorkomen…’

Elín viel hem in de rede. ‘Moeder heeft mij verteld dat onze grootmoeder Kristrún een baby verloor en daar zo van in de war raakte dat zij haar schoonzuster ervan beschuldigde het kindje te hebben vermoord. Die beschuldiging sloeg nergens op; het kind was ziek geweest, maar grootmoeder was destijds geestelijk niet in orde. Bjarni voelde zich erg beledigd door haar beschuldigingen tegen zijn vrouw en hij en grootvader kregen hooglopende ruzie, maar tegen de tijd dat Bjarni overleed hadden ze het alweer goedgemaakt — ik heb gehoord dat grootvader Bjarni heel goed heeft behandeld en hem tijdens zijn ziekte heeft verzorgd, toen niemand anders bij hem in de buurt durfde te komen uit angst voor besmetting.’

Thóra knikte. ‘Weet u ook of er ooit brand is geweest op een van de boerderijen?’ vroeg ze, denkend aan de tekening van het brandende huis, die ze op het kinderbureautje op Kreppa had zien liggen.

‘Brand?’ vroegen ze in koor.

Elín schudde haar hoofd. ‘Nee, niet dat ik weet. Beide boerderijen verkeren nog in hun oorspronkelijke staat.’

Thóra knikte weer. ‘En zegt de naam Kristín u iets, in verband met de boerderijen?’

‘Nee, dat zegt me niets,’ zei Börkur, niet van zijn stuk gebracht door haar verandering van onderwerp. ‘Er zullen wel een paar Kristíns in de omgeving hebben gewoond, maar ik kan me niemand met die naam herinneren.’ Elín schudde haar hoofd. Beiden leken volkomen oprecht.

Heel zorgvuldig formuleerde Thóra haar volgende vraag, waarvan ze verwachtte dat het de laatste zou zijn. ‘Kunt u mij vertellen of een van de broers, of wellicht allebei, tijdens de oorlog met de nationaalsocialisten sympathiseerde?’

‘Nationaalsocialisten?’ echode Börkur, rood aanlopend. ‘Nazi’s, bedoelt u?’

‘Ja,’ zei Thóra.

‘Nou is het genoeg,’ zei Elín, terwijl ze met haar handen op de armleuningen van haar stoel sloeg en opstond. ‘Ik weiger nog meer tijd te verspillen aan deze onzin.’

Thóra stond eveneens op. ‘Nog één laatste vraag, over iets heel anders. U hebt waarschijnlijk gehoord over de vrouw die vorige week is vermoord. Nu is er opnieuw een moord gepleegd, naar alle waarschijnlijkheid gisteravond. Was u op de avonden in kwestie toevallig hier in de buurt?’

In hun woede leken broer en zus griezelig veel op elkaar. De woedende uitdrukking die vrijwel gelijktijdig op hun gezichten verscheen maakte hen opeens zo goed als identiek. ‘Het enige beleefde antwoord dat ik op uw onaangename insinuatie kan verzinnen is: nee, wij hebben geen van beiden ook maar iets met die moorden te maken. En nu wil ik graag dat u weggaat,’ beet Elín haar toe. ‘Geesten, incest, nazi’s en nu ook nog moord. Ik wil niets meer met deze nonsens te maken hebben.’

Buiten stond Matthew nonchalant tegen een lantaarnpaal geleund, maar hij schoot onmiddellijk overeind toen Thóra tevoorschijn kwam. Zodra zij over de drempel was gestapt werd de deur luidruchtig achter haar dichtgesmeten en hij glimlachte ondeugend. ‘Heb je nog naar die jongen met de brandwonden gevraagd?’ zei hij.

‘Nee,’ zei Thóra nors. ‘Zover ben ik niet gekomen.’

Matthews lach werd breder. ‘Maakt niet uit,’ zei hij. ‘Kom mee, ik moet je iets laten zien.’

22

‘Wat is hier zo bijzonder aan?’ vroeg Thóra, en ze wendde zich af van de kleine winkeletalage. Ze begreep niet waarom Matthew haar zo enthousiast op de prullen had gewezen waar de stoffige witte planken in de etalage vol mee stonden. ‘Een zootje oud serviesgoed, en wat dan nog?’

‘Kijk,’ zei hij, een beetje teleurgesteld, en hij wees naar een klein voorwerp dat tussen een aardewerken valk en een vaas met een verbleekte roos lag.

Thóra tuurde door het glas en zag een zilveren schildje waarin een helm en twee zwaarden gegraveerd stonden. Omdat het plat op de plank lag, moest ze op haar tenen gaan staan om het goed te kunnen zien. ‘Wat is dat?’ vroeg ze.

‘Dat is een Duitse medaille uit de Tweede Wereldoorlog,’ zei Matthew zelfvoldaan.

‘Nou en?’ antwoordde zij. ‘Wil je het kopen?’

Hij lachte. ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei hij, terwijl hij haar naar de ingang leidde. ‘Maar ik heb daarnet een glimp opgevangen van de eigenaar en hij zag er nog ouder uit dan de spullen die hij verkoopt. Het leek me een goed idee om even naar binnen te gaan en hem een paar vragen te stellen over nazi’s op Snaefellsnes. Hij kan ons vast wel iets vertellen. Die medaille is een mooie binnenkomer.’

‘Aha,’ zei Thóra. ‘Nu snap ik het.’

Terwijl zij de winkel betraden, begon het belletje aan de deur luid te rinkelen. Thóra zag er de noodzaak niet van in, want het winkeltje was zo klein dat de winkelier iedereen die binnenkwam meteen kon zien. Elke vierkante centimeter was afgeladen met snuisterijen, zodat de ruimte nog kleiner leek dan hij al was. De volgepropte planken aan alle vier de muren reikten bijna tot aan het plafond. Tegen een van de muren stond een ladder. Alles was bedekt met een dun laagje stof, hetgeen deed vermoeden dat de klanten niet in de rij stonden. Achter in de winkel stond een grijze, oude man achter een ouderwetse kassa, die vast niet voldeed aan de veeleisende richtlijnen die daarvoor golden. Na een tijdje te hebben rondgesnuffeld, baanden ze zich een weg naar de toonbank, waarbij ze voorzichtig tussen de verschillende her en der verspreid staande kleine meubelstukken moesten navigeren.

‘Goedemiddag,’ zei Thóra glimlachend tegen de man, toen ze eindelijk zonder iets te breken de toonbank hadden bereikt.

‘Middag,’ zei de man rustig, zonder terug te lachen. ‘Wat kan ik voor u doen?’

‘Mijn vriend hier komt uit Duitsland en zijn belangstelling is gewekt door een sierspeld die hij in de etalage heeft zien liggen,’ antwoordde Thóra. ‘Kunnen we hem eens zien?’

De man knikte en schuifelde langs de snuisterijen naar de etalage. ‘Ah, ja, die ligt hier al een hele tijd, dat kan ik u wel vertellen,’ zei hij, terwijl hij zijn hand ernaar uitstak. ‘Eigenlijk is het geen sierspeld, maar een medaille.’ Hij draaide zich om en legde hem op de toonbank. ‘Een onderscheiding voor degenen die gewond waren geraakt in de strijd.’

‘O,’ zei Thóra, terwijl ze de medaille oppakte. Zoals ze al had gedacht, waren er een helm en twee zwaarden in gegraveerd, maar nu zag ze ook de kleine swastika op de helm. Langs de rand van de medaille liep een lauwerkrans. ‘Dus deze werd toegekend aan soldaten die gewond waren geraakt in de strijd? Dan zijn er zeker heel veel van in omloop?’

De oude man fronste verwijtend zijn wenkbrauwen en Thóra had meteen spijt van haar opmerking. Waarschijnlijk dacht hij nu dat ze wilde afdingen. Hij pakte de medaille uit haar handen. ‘Er zijn er heel veel uitgereikt, ja. Op het hoogtepunt van de oorlog werd hij ook toegekend aan burgers die gewond waren geraakt bij luchtaanvallen. Wat dit exemplaar zo bijzonder maakt, is het feit dat hij van zilver is. Er waren drie verschillende klassen, toegekend overeenkomstig de ernst van de verwondingen van de soldaat. Standaard, zilver en goud. De standaardklasse werd vaak toegekend voor verwondingen die waren opgelopen in de strijd. Die kwam verreweg het meeste voor.’

‘Hoe ernstig moest je gewond zijn om een zilveren te krijgen?’ vroeg Thóra.

‘Er waren verschillende redenen op grond waarvan de zilveren werd uitgereikt, zoals het verliezen van een arm of been, of licht hersenletsel.’ Hij pakte de medaille op en liet het bleke zonnetje eroverheen schijnen. ‘Het was geen medaille die mensen graag wilden krijgen, dat kan ik u wel vertellen.’

‘Om over de gouden medaille nog maar te zwijgen,’ zei Thóra. ‘Ik moet er niet aan denken wat je moest hebben doorstaan om daarvoor in aanmerking te komen.’ Ze keek hem glimlachend aan. ‘Ik denk wel dat mijn vriend hem wil kopen. Kunt u ons misschien vertellen waar hij vandaan komt?’

De oude man glimlachte nu ook. ‘Nee, helaas niet. Ik heb hem, samen met nog wat andere persoonlijke bezittingen, uit de nalatenschap van iemand die enkele tientallen jaren geleden overleden is. Er was geen informatie over hoe hij eraan is gekomen.’

‘Ik bedacht dat hij natuurlijk ook van een IJslander geweest kan zijn,’ zei Thóra. ‘Dat zou nog eens interessant zijn.’

‘Ik zou het niet weten,’ zei de oude man. ‘Het is mogelijk, maar ik betwijfel het. Volgens mij werd hij uitsluitend toegekend aan Duitsers, met name als het om burgers ging.’

‘Maar vochten er niet ook IJslanders mee aan de kant van de Duitsers? Kan een van hen de medaille niet hebben gekregen?’ opperde Thóra, die het gesprek in de richting van nazi’s op Snaefellsnes trachtte te sturen.

‘Heel weinig, volgens mij. Ik weet dat een paar halvegaren zich in Noorwegen en Denemarken bij de Duitsers hebben aangesloten, maar ik geloof niet dat die ooit ook maar één voet op een slagveld hebben gezet.’ De man legde de medaille op de toonbank. ‘De IJslanders die destijds warmliepen voor zulke dingen waren geen helden. Stelletje idioten. Ik denk dat ze zich vooral aangetrokken voelden tot de uniformen.’

‘Echt waar?’ zei Thóra. ‘Ik moet eerlijk bekennen dat ik helemaal niets weet van de situatie in IJsland. Dus er bestond hier wel een nazibeweging?’

‘O, ja,’ zei de winkelier. ‘Dat waren nationalisten, vooral jongens in de tienerleeftijd die het leuk vonden om met vlaggen te marcheren en tegen de socialisten te vechten. Ik denk dat ze daar meer door jeugdige energie toe werden aangezet dan door enige politieke overtuiging.’

‘Was de beweging hier op Snaefellsnes wijdverbreid?’ vroeg Thóra onschuldig.

Hij krabde op zijn hoofd. Het viel Thóra op dat zijn haar ongewoon dik was voor zo’n oude man, ook al was het helemaal wit. ‘Gelukkig heeft het hier nooit echt voet aan de grond gekregen,’ zei hij, waarbij hij Thóra met fletse, waterige oogjes aankeek. ‘Er was één man aan de zuidkust, hier niet ver vandaan, die de boodschap trachtte te verspreiden en rekruten probeerde te werven, maar hij werd ziek voordat hij veel had kunnen bereiken. Toen hij eenmaal uit beeld verdween, verloren de plaatselijke jongelui die hij tot het nationalisme had weten te bekeren al snel elke belangstelling, zodat het nooit echt iets is geworden.’

Thóra had wel willen juichen, maar ze hield haar stem luchtig en ongeïnteresseerd. ‘Ja, natuurlijk. Was dat niet Grímur Thórólfsson, de boer van Kreppa?’ zei ze, terwijl ze een schietgebedje deed dat ze het bij het goede eind had. Als het Börkur en Elíns grootvader was geweest, zou dat de nazi-attributen verklaren die ze in de doos had gevonden.

De oude man keek Thóra argwanend aan. ‘Ik dacht dat u er niets van af wist,’ zei hij. ‘Dan zit u er welbeschouwd niet erg ver naast.’

‘Ik ken de familie toevallig,’ mompelde Thóra ontwijkend. ‘Ik weet verder niets over die nationalistische beweging.’ Ze wendde zich tot Matthew en zond hem een samenzweerderige knipoog die de oude man niet kon zien. ‘Nou, ga je die speld nog kopen?’

‘Medaille,’ verbeterde hij haar terwijl hij zijn portefeuille trok. ‘Wat kost hij?’

De winkelier zei wat hij ervoor wilde hebben en aan Matthews blik te zien vond hij het geen koopje. Hij rekende zwijgend af en terwijl de man de medaille inpakte draaide hij zich om naar Thóra en vroeg: ‘Wanneer ben je jarig? Ik heb al een cadeautje voor je.’

Thóra stak haar tong uit en draaide zich om naar de oude man om de ingepakte medaille aan te nemen. ‘Dank u,’ zei ze en vervolgens baanden ze zich voorzichtig een weg naar de deur. Daar draaide Thóra zich om, vastbesloten om toch nog even te vragen wie die nationalistische boer was, maar ze hoefde niet eens iets te zeggen.

De oude man stond nog steeds op zijn plek achter de toonbank, en had zijn handen erop gelegd. Hij bleef Thóra enkele ogenblikken strak aankijken en antwoordde toen voordat ze haar vraag kon stellen: ‘Het was Bjarni,’ zei hij, langzaam en weloverwogen. ‘Grímurs broer. Bjarni Thórólfsson, van Kirkjustétt.’

‘Die Bjarni klinkt als een fijne vent,’ zei Matthew, de medaille tussen hen in op tafel leggend. ‘Misbruikt zijn dochter en verspreidt nazipropaganda.’ Hij draaide de medaille zo dat de helm en de zwaarden bij Thóra vandaan wezen. ‘Ik denk dat hij je geweldig zal staan.’

Thóra schoof het ding van zich af. ‘Voel je je wel helemaal lekker?’ zei ze. ‘Zoiets zou ik echt nooit dragen. Hij brengt vast ongeluk en bovendien zouden de mensen wel eens kunnen denken dat ik geestelijk niet in orde ben.’ Ze gebaarde naar het bord dat voor Matthew stond. ‘Eet nou maar — het gebeurt niet vaak dat ik een man uitnodig voor een lunch.’ Ze zaten in een klein restaurantje, waar Thóra Matthew trakteerde, om iets terug te kunnen doen voor het geld dat hij voor haar had moeten uitgeven. ‘Dit is voor die medaille, oké?’

Ze schepte haar vork vol pasta en stak hem in haar mond. Nadat ze haar hap had doorgeslikt, zei ze: ‘Maar ik heb nog steeds geen flauw idee of dit nu iets met Birna te maken heeft. Ik weet eigenlijk nog steeds niet meer dan hiervoor.’

‘Ik moet eerlijk zeggen dat een op een blocnote getekende swastika nou niet echt een aanwijzing is waar je veel mee kunt.’

‘Nee, misschien niet,’ antwoordde Thóra. ‘Maar ik heb zo’n gevoel dat het allemaal met elkaar te maken heeft.’

‘Soms is zo’n gevoel de moeite waard om aandacht aan te besteden,’ zei Matthew, ‘maar jammer genoeg niet altijd.’ Hij nam een slokje water. ‘Het mooiste zou zijn als je dat gevoel van jou met feitelijke argumenten kon onderbouwen. Bij voorkeur steekhoudende.’

Thóra prikte met haar vork in haar pasta. Toen keek ze blij naar hem op. ‘Weet je wat ik zou moeten doen?’

‘Eh, geen idee, dit hele gedoe vergeten en het onderzoek aan de politie overlaten?’ opperde Matthew hoopvol.

‘Nee,’ zei Thóra. ‘Ik moet gewoon het internet op en verder moet ik Birna’s agenda nog eens nauwkeuriger bekijken. Ik heb alles niet zo goed gelezen omdat ik me schuldig voelde. Ik kan dus best iets over het hoofd hebben gezien.’ Ze klonk met haar limonade tegen Matthews waterglas. ‘Daar drinken we op.’

Thóra zat bij de receptie achter de computer die gasten konden gebruiken. Ze had een laptop in haar kamer, waar ze geacht werd een draadloze verbinding te hebben, maar na tien vruchteloze pogingen om op internet te komen had ze het opgegeven en Matthew meegesleept naar de receptie. ‘Dit moet hem zijn: “Grímur Thórólfsson, in 1890 geboren te Stykkishólmur, in 1957 overleden te Reykjavík.”’ Ze zat door de begraafplaatsarchieven van Reykjavík te bladeren en had Grímurs naam gevonden. Ze klikte hem aan en las van het scherm: ‘“Fossvogur Begraafplaats. Graf H-36-0077.”’ Ze keek Matthew triomfantelijk aan.

‘Ik wil je plezier niet bederven, maar wat hebben we daaraan?’ vroeg hij.

‘Ik ben benieuwd wat er op zijn grafsteen staat. Wie weet, misschien ligt Kristín wel naast hem. Helaas kun je niet zoeken op grafnummer, dus zal ik er iemand naartoe moeten sturen.’

‘Wie?’ vroeg Matthew. ‘Hopelijk niet je vluchtelingen in de caravan.’

‘Nee,’ antwoordde Thóra. ‘Ons eigen wonder — Bella.’

‘Ja, Bella, ik vraag je om naar de Fossvogur Begraafplaats te gaan en een graf voor me te zoeken.’ Thóra mimede een wanhopig gekerm en sloeg haar ogen ten hemel. Matthew grijnsde.

‘En dan moet je me vertellen wat er op de grafsteen staat en of daar, of daar vlak in de buurt, ook iemand begraven ligt die Kristín heet.’ Ze zweeg even om de protesten van haar secretaresse aan te horen, maar viel haar toen in de rede. ‘Natuurlijk begrijp ik dat je niet tegelijkertijd op een begraafplaats en op kantoor kunt zijn. Maar het zal niet veel tijd in beslag nemen. Je kunt de telefoon laten doorschakelen naar je mobieltje en voor je het weet zit je weer aan je bureau.’ Thóra luisterde en wreef over haar voorhoofd. ‘Mooi zo. En laat me weten wat je ontdekt.’ Ze hing op. ‘Verdorie. Waarom heb ik geen normale secretaresse die meteen haar kans grijpt om een frisse neus te halen? Ook al is het op een begraafplaats.’

Matthew glimlachte. ‘Ze valt wel mee. Je moet haar alleen een kans geven.’ Hij lag in bed, blij met alles en iedereen, inclusief Bella. Het was dankzij haar dat Thóra en hij wat tijd over hadden gehad en hij had daar onmiddellijk dankbaar gebruik van gemaakt. De eerste keer dat Thóra haar had gebeld, had Bella niet opgenomen, de tweede keer ook niet en de derde keer evenmin. Toen had Thóra besloten Bella nog een halfuur te geven voordat ze een vierde poging deed.

Thóra zat in een badjas de koffie te drinken die ze had gezet met het kleine koffiezetapparaatje in de hotelkamer. Op een klein bijzettafeltje vóór haar lag Birna’s agenda. Ze tikte op een pagina. ‘Dit is vreemd.’ Ze keek naar Matthew, die half lag te dommelen onder het dekbed in het grote bed.

‘Probeer je er soms uit alle macht voor te zorgen dat elke vierkante centimeter van dat boekje onder jouw vingerafdrukken zit voor het geval dat het ooit in handen van de politie belandt?’ vroeg hij slaperig.

‘Nee, luister,’ zei Thóra opgewonden. ‘Op de bladzijden vóór de swastika was ze bezig de dozen te doorzoeken die ik zelf ook heb bekeken in de kelder. Ik herken de beschrijving van een paar van de dingen die erin zaten.’ Ze hield het boekje omhoog zodat Matthew het kon zien. ‘Kijk, hier beschrijft ze een deel van de inhoud. Misschien heeft ze wel wat aantekeningen gemaakt. Ze moet dezelfde dingen zijn tegengekomen als ik, inclusief die nazivlag. Die zat in de eerste doos die ik openmaakte, maar misschien heeft zij ze in een andere volgorde geopend.’

‘En wat dan nog?’ vroeg Matthew. ‘Wat wil je met die briljante ontdekking aantonen?’

Thóra legde de agenda neer. ‘Dat weet ik niet precies,’ zei ze, terwijl ze de pagina met de swastika omsloeg. ‘Het is wel duidelijk dat dit belangrijk voor haar was, als je nagaat hoe zorgvuldig ze het symbool heeft getekend en ingekleurd. Kijk maar.’ Ze hield de agenda nogmaals omhoog zodat Matthew mee kon kijken.

‘Wacht maar tot je veertig bent,’ zei hij, half overeind komend om het beter te kunnen zien. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en liet zijn hoofd toen weer op het kussen zakken. ‘Je hebt gelijk, het is heel zorgvuldig getekend. Wat heeft ze er omheen geschreven?’

‘Van alles en nog wat,’ zei Thóra. ‘Het is gedeeltelijk onleesbaar omdat ze eroverheen heeft gekrabbeld, maar ik zie hier “Swastika??” en “Waar was hij dan?” En dan volgen er een paar telefoonnummers die ik niet kan lezen omdat zij ze heeft doorgestreept.’

‘Misschien heeft zij ze eerst gebeld en daarna doorgestreept?’

‘Vijf, acht en nog iets…’ zei Thóra, met haar neus bijna op het papier. Opeens richtte ze zich op en sloeg op haar bovenbeen. ‘Wacht eens, ik heb de nummers opgeschreven die Birna vanaf haar hotelkamer heeft gebeld. Ik kan proberen die te bellen.’

Ze viste een papiertje uit haar zak, ging naar de telefoon en draaide het eerste nummer. Na enkele ogenblikken werd er opgenomen. ‘KB Bank. Wat kan ik voor u doen?’ zei een stem aan de andere kant van de lijn.

Thóra legde het toestel neer. ‘Dat is niks,’ zei ze tegen Matthew en ze draaide het volgende nummer. Toen er werd opgenomen legde ze een vinger op haar lippen om aan te geven dat Matthew zijn mond moest houden.

‘Reykjalundur Revalidatiecentrum. Wat kan ik voor u doen?’ zei een opgewekte vrouwenstem.

Thóra, die had gehoopt dat het een privénummer zou zijn van iemand die zich Birna herinnerde, wist even niet wat ze moest zeggen. Ze besloot ter zake te komen. ‘Hallo. U spreekt met Thóra.’

‘Hallo, hoe kan ik u helpen?’

‘Ik ben op zoek naar informatie over Birna Halldórsdóttir, een architect. Zij heeft dit nummer genoteerd en ik vroeg me af of u haar misschien hebt gekend, of dat u kunt nagaan wie zij kende bij uw instelling.’ Thóra kon zich wel voor haar kop slaan — deze benadering ging natuurlijk niet werken.

De vrouw aan de andere kant van de lijn leek er niet van op te kijken. ‘Wij houden helaas geen gegevens bij van bezoeken of telefoongesprekken. We hebben hier zoveel patiënten dat dat onmogelijk is.’

‘Misschien gaat het niet om een patiënt,’ zei Thóra, die hoopte dat Birna geprobeerd had een werknemer te bellen.

‘Daar hebben we ook geen zicht op,’ zei de vrouw. ‘Ik vrees dat ik u niet kan helpen. Neemt u mij niet kwalijk, maar ik krijg een gesprek op een andere lijn. Goedendag.’

‘Reykjalundur,’ zei ze zuchtend tegen Matthew. ‘Een privékliniek. Kunnen niet achterhalen wie ze daar heeft gebeld.’ Ze pakte het papiertje weer op. ‘Dit is het laatste nummer. Jammer dat ik het zo haastig heb neergekrabbeld. Is dat een vijf of een zes?’ Ze pakte de telefoon weer op en draaide nog een nummer. Nadat hij tien keer was overgegaan wilde ze het net opgeven toen een mechanische stem haar vertelde dat het gesprek werd doorgeschakeld. Ditmaal werd de telefoon na één keer overgaan al opgenomen.

‘Gemeentehuis. Wat kan ik voor u doen?’

‘Hallo,’ zei Thóra. ‘Sorry, maar ik verstond u zo gauw niet. Zei u: “Gemeentehuis”?’

‘Ja,’ zei het meisje aan de andere kant van de lijn. ‘Wilde u Baldvin spreken?’ Toen Thóra aarzelde, voegde ze eraan toe: ‘Ik zag dat u zijn toestelnummer had gedraaid. Hij houdt elke woensdag tussen vier en zes telefonisch spreekuur. Probeert u het dan nog eens.’ Ze zei opgewekt gedag.

Thóra keek Matthew aan. ‘Dat was het nummer van Baldvin Baldvinssons kantoor op het Gemeentehuis. Hij is raadslid, vandaar dat hij daar een kantoor heeft.’

‘En wie mag die Baldvin zijn?’ vroeg Matthew onverschillig.

‘De kleinzoon van de oude Magnús,’ antwoordde ze, en ze greep naar de agenda. Ze tuurde naar de nummers die waren doorgestreept. ‘Hij wordt beschouwd als een van de meest veelbelovende politici van dit moment, maar ik kan me niet voorstellen dat Birna hem belde om het over de verbouwing van zijn grootvaders zomerhuisje voor permanente bewoning te hebben. En ik weet zeker dat dit een van de nummers is die Birna in de agenda heeft geschreven.’ Ze bladerde een eindje terug. ‘Volgens mij heb ik ook ergens een e-mailadres zien staan, maar dat heb ik niet goed gelezen. Dat zou het zijne wel eens kunnen zijn.’ Ze bladerde snel door het boekje tot ze een bladzijde vond waarop in de kantlijn ‘baldvin. baldvinsson@reykjavik.is’ stond geschreven. ‘Hier heb ik het. Dat kan alleen maar van hem zijn.’

‘Wat denk je dat ze van hem wilde?’ vroeg Matthew.

‘Dat weet ik niet, maar wat ik wel weet, is dat we de oude man nog eens aan de tand moeten gaan voelen,’ antwoordde Thóra. Toen pakte ze de agenda weer op en bladerde hem door. ‘Hier staat vast nog veel meer nuttige informatie in, als ik maar wist hoe ik het kaf van het koren moest scheiden.’

‘Kun je je voorstellen hoe blij de politie met die agenda zou zijn?’ vroeg Matthew. ‘Als ze die agenda hadden, zouden ze de moordenaar misschien al achter de tralies hebben.’

‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg Thóra. ‘Wil je daarmee zeggen dat de politie slimmer is dan ik?’

‘Nee, nee,’ antwoordde Matthew, ‘maar jij beschikt niet over de middelen om een gedegen onderzoek in te stellen naar een zaak als deze.’

Thóra pakte de agenda en begon te lezen. Omdat ze niet wist wat ze op zijn opmerking moest zeggen, deed ze maar alsof ze helemaal opging in een willekeurig opgeslagen bladzijde. Het bleek het ontwerp te zijn voor de bouwplaats, met opmerkingen van Birna. ‘Wat is er mis met deze plek??? Oude tekeningen???’ Ze bekeek de twee pagina’s zorgvuldig en toen ze niets nieuws ontdekte bladerde ze verder. Op de volgende bladzijde stond geschreven: ‘De rots misschien?’ En daarachter stond: ‘Er moeten tekeningen zijn — Jónas vragen.’

Thóra stond op en liep naar het raam. Het keek uit over het gebied waarin Birna zoveel belang had gesteld en Thóra wilde kijken of ze iets zag wat haar opviel. Ze trok het gordijn helemaal open en keek uit over het gras. Het land was vrij vlak en leek Thóra een ideale plek om iets op te bouwen. In een poging de exacte locatie van het bijgebouw te vinden, raadpleegde ze de voorgaande pagina’s. Het stond aan de oostkant van het hotel, ver genoeg verwijderd om het uitzicht vanuit de kamers die al waren gebouwd niet te bederven.

‘Er is niks mis met die grond,’ zei ze, meer tegen zichzelf dan tegen Matthew. ‘Het is een doodgewoon grasveld. Maar het gras moet wel worden gemaaid.’ Ze kneep haar ogen tot spleetjes. Boven het hoge groene gras, dat golfde in de wind, stak een groot, grijs rotsblok uit. ‘Kom op,’ zei ze tegen Matthew, terwijl ze aan een punt van het dekbed trok. ‘Kleed je aan. We gaan een rots bekijken.’

23

‘En hiervoor heb je me uit bed gesleurd?’ mopperde Matthew, en hij keek om zich heen. Ze stonden in het hoge gras in het weiland achter het hotel. ‘Dit is gewoon gras,’ zei hij.

‘Het gras interesseert me niet,’ zei Thóra, terwijl zij zich over het rotsblok boog dat boven de groene vlakte uit stak. ‘Dit wilde ik zien.’

‘O, ja, in dat geval begrijp ik het helemaal,’ zei hij, terwijl hij naar haar toe liep. Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat is een grijze steen, Thóra,’ zei hij. ‘Je hoeft hem niet eens aan te raken om te weten wat het is.’

‘Oké, maar hij hoort hier niet,’ zei Thóra, en ze duwde het gras opzij. De steen was driehoekig, als een enorm stuk Toblerone. ‘Kijk nu eens om je heen,’ zei ze, ‘zie je nog andere rotsblokken in het gras?’

‘Nee,’ moest Matthew toegeven nadat hij om zich heen had gekeken. ‘Het wordt steeds spannender,’ voegde hij er sarcastisch aan toe.

‘Nee, maar nou even serieus,’ zei Thóra, die naar hem opkeek vanuit haar knielende houding. ‘Vroeger deden de mensen heel veel moeite om de stenen uit de weilanden te krijgen. Waarom zouden ze zo’n groot rotsblok als dit er middenin laten staan?’

‘Omdat het te zwaar was?’ opperde hij, en hij hurkte naast haar neer. ‘Of kan het een betoverde elfenrots zijn?’

Thóra schudde haar hoofd. ‘Nee, die waren veel groter; dat waren eerder zwerfkeien.’ Ze stond op en liep naar de andere kant van de steen. ‘Ik ben geen expert, maar volgens mij is deze kant gladgemaakt. Kijk maar.’ Matthew volgde haar en zag dat ze gelijk had. Aan de andere kant was het oppervlak ruw en oneffen, maar hier leek de steen gezaagd of gehouwen en vervolgens gepolijst. Thóra liet haar hand eroverheen glijden. ‘Kijk daar,’ zei ze, opgewonden. ‘Er is iets in gebeiteld.’ Ze duwde het hoge gras aan de kant en ze zagen de verweerde inscriptie in het midden van de rots.

‘Wat staat er?’ vroeg Matthew.

Thóra boog zich eroverheen en tuurde naar de inscriptie. Het eerste wat bij haar opkwam was dat het een grafsteen was, maar ze zag al snel dat er een gedicht in gegraveerd was, geen naam en data. Hardop las ze voor:

een hoeve was ook voor mij bestemd
ook ik had moeten huwen
net als gij.

‘Wat betekent dat?’ vroeg Matthew gretig. ‘Is het iets belangrijks?’

Thóra leunde naar achteren. ‘Ik weet het eigenlijk niet,’ zei ze. ‘Het ziet eruit als een gedicht, maar ik begrijp het niet helemaal.’ Thóra boog zich weer over de steen, om er zeker van te zijn dat ze de tekst goed had gelezen. Ze stond weer op. ‘Ik vraag me af of dit is wat Birna zo dwarszat aan het weiland.’

‘Deze rots?’ Hij lachte. ‘Dat kan ik me niet voorstellen. Je zou hem gemakkelijk weg kunnen halen, dus ik zie niet in hoe deze rots heeft kunnen voorkomen dat dit stuk grond werd bebouwd.’ Hij keek uit over het weiland. ‘Dit is een doodgewoon stuk grasland met een rotsblok erop. Misschien is het gedicht wel van een boer die nogal een hoge dunk had van zijn eigen dichtkunst. Misschien lag hier vroeger wel een bloemperk of lag er een huisdier begraven. Heeft het gedicht iets met dieren te maken?’

‘Al sla je me dood,’ zei Thóra.

‘Waarom denk je dat het gras hier niet gemaaid is?’ vroeg Matthew opeens, terwijl hij naar beneden keek. Het gras stond zo hoog dat hij niet eens zijn eigen schoenen kon zien.

‘Wat?’ zei Thóra. ‘Waarom wel? Het ziet er geweldig uit. Heel natuurlijk.’

‘Het gras in het weiland aan de andere kant van het hotel wordt wel gemaaid,’ merkte Matthew op.

‘Je hebt gelijk.’ Ze wees naar een klein bergje bruine aarde, een eindje verderop. ‘Wat is dat?’ vroeg ze, en ze begon ernaartoe te lopen.

‘Jouw speurzin kent werkelijk geen grenzen,’ zei Matthew, neerkijkend op het bergje. ‘Kijk nou toch, je hebt een hoopje aarde gevonden.’

‘Ik weet dat het aarde is,’ zei Thóra. ‘De vraag is, wat doet het daar boven op het gras?’

Matthew keek om zich heen. ‘Zo te zien heeft iemand hier staan graven,’ zei hij. ‘Er liggen hier en daar nog wat van die bergjes.’

‘Hoe verklaar je dat? Kan het iets te maken hebben met de nieuwbouw van het hotel?’ Ze begon terug te lopen. ‘Misschien weet Vigdís van de receptie het en misschien kan zij ons ook vertellen waarom dit stuk niet gemaaid is.’

‘Vraag haar dan meteen of Birna nog een andere werkplek had dan haar kamer,’ zei Matthew, die achter haar aan liep.

Ze draaide zich grijnzend om. ‘Begin je soms te denken dat ik op het juiste spoor zit?’

Matthews glimlachje was ondoorgrondelijk. ‘Jij zit zo ver van het spoor als een blinde spoorzoeker.’

Vigdís zat op haar plek in de receptie, maar haar wangen waren rood en koortsig, haar ogen stonden glazig en haar handen beefden. Ze was met haar gedachten zo ver weg dat ze hen pas in de gaten kreeg toen ze luidruchtig kuchten. Ze schrok op en keek hen met open mond aan. Toen smeet ze de telefoon waar ze naar had zitten staren op de haak. ‘Jezus christus!’ zei ze, huiverend.

‘Is alles in orde?’ vroeg Thóra.

Vigdís keek met grote ogen naar haar op. ‘Nee, helemaal niet,’ antwoordde ze met trillende stem. ‘Alles is zo verschrikkelijk niet in orde dat ik gewoon niet meer weet wat ik moet zeggen.’

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Thóra gespannen. ‘Er is toch niet nog een lichaam gevonden?’

‘Nee, dat niet,’ antwoordde Vigdís. ‘Maar ik heb net gehoord wie de dode in de stallen is.’ Haar wangen werden nog roder. ‘Het was Eiríkur,’ zei ze, en ze schudde verdrietig haar hoofd.

‘Eiríkur?’ herhaalde Thóra. ‘Wie is dat?’

‘Wie wás dat,’ verbeterde Vigdís haar. ‘We zullen eraan moeten wennen in de verleden tijd over hem te praten. God, dit is bizar. Eerst Birna en nu Eiríkur.’

‘En dat is…?’ herhaalde Thóra, maar ze haastte zich vervolgens om zichzelf te corrigeren. ‘Wás, bedoel ik.’

‘Hij was de auralezer hier in het hotel,’ antwoordde Vigdís. ‘Een lange vent, mager, kalend.’ Ze kreunde. ‘Dit is niet te geloven.’

Thóra gaf het nieuws door aan Matthew. Omdat ze het Duitse woord voor ‘aura’ niet kende, probeerde ze het uit te beelden, waarop Matthew dacht dat ze een stralenkrans bedoelde. Toen zei Thóra ongeduldig dat ze hem later wel zou uitleggen wat het beroep van de man was geweest. Ze richtte haar aandacht weer op Vigdís. ‘Hoe weet je dat?’ vroeg ze. ‘Heeft iemand je gebeld?’

‘Ja,’ jammerde Vigdís. ‘Zijn zus. Ze hebben een bonnetje van een creditcard in zijn zak gevonden en de naam getraceerd. En toen hebben ze haar gebeld en gevraagd of ze het lichaam kon komen identificeren. Zij was zijn enige naaste familie. Het lichaam is overgebracht naar Reykjavík.’ Ze zuchtte alsof dat nog het allerergste was. ‘Zijn zus was er helemaal kapot van. Ze zei dat hij was doodgetrapt.’

‘Door een paard?’ vroeg Thóra. Toen de politie met Jónas sprak hadden ze geen doodsoorzaak genoemd.

‘Dat heeft ze niet gezegd en ik ben zo geschrokken dat ik er niet aan heb gedacht het te vragen.’ Opeens keek Vigdís doodsbang. ‘Denk je dat het nog wel veilig is om hier te blijven? Wat gebeurt er toch allemaal?’

‘Dat moet iedereen voor zichzelf beslissen,’ zei Thóra, en ze voegde er op geruststellende toon aan toe: ‘Ik denk niet dat er een seriemoordenaar vrij rondloopt, als je dat soms bedoelt. We weten niet eens zeker of die man niet gewoon door een ongeluk om het leven is gekomen. Het kan een ongelukkig toeval zijn.’ Thóra dacht even na. ‘Heeft zijn zus misschien gezegd of de politie zijn dood als verdacht beschouwt?’

‘Nee, daar heeft ze het niet over gehad.’ Vigdís aarzelde. ‘Maar er was wel iets vreemds,’ zei ze. ‘Vlak voordat ze ophing, zei ze dat ik voorzichtig moest zijn. Net alsof ze wilde suggereren dat er iets niet in orde was.’ Vigdís kneep onderzoekend haar ogen tot spleetjes. ‘Maar wie wilde Eiríkur in vredesnaam vermoorden? Hij was niet bepaald een vrolijk iemand, maar hij was geen slecht mens. O, die arme man.’ Ze knipperde met haar ogen en Thóra had het gevoel dat ze er een paar tranen uit probeerde te persen. ‘Misschien had ik wat aardiger voor hem moeten zijn. Maar hij kon zo vreemd doen en hij had de gewoonte om altijd een babbeltje te komen maken wanneer ik het juist heel erg druk had.’

Thóra had geen zin om getuige te zijn van haar aanstellerij en ook niet om haar tijd te verdoen met het troosten van Vigdís. ‘Weet je toevallig of hij een paardenliefhebber was?’ vroeg ze.

‘God, nee, dat geloof ik niet,’ antwoordde Vigdís. ‘Hij zag zo bleek dat hij volgens mij alleen maar naar buiten ging om een sigaretje te roken.’ Toen zei ze resoluut: ‘Nee, hij was beslist geen paardentype.’

‘En had hij… belangstelling voor vossen?’ vroeg Thóra, en ze hoorde meteen hoe stom dat klonk.

‘Vossen?’ zei Vigdís, stomverbaasd. ‘Hoe bedoel je?’

‘O, niks,’ antwoordde Thóra. Nu Vigdís toch al dacht dat ze niet goed bij haar hoofd was, gooide ze er nog maar een vossenvraag tegenaan. ‘En zijn zus heeft het toevallig ook niet over vossen gehad?’

‘Nee,’ zei Vigdís en ze keek Thóra aan met de behoedzame blik van iemand die twijfelt aan de geestelijke gezondheid van degene tegenover haar. ‘Ik heb je alles verteld wat ze heeft gezegd.’

‘Heb je enig idee met welke bedoeling Eiríkur naar de stallen is gegaan?’ vroeg Thóra, en ze nam zich voor om het niet meer over vossen te hebben. ‘Was hij bevriend met Bergur, de boer daar?’

Vigdís trok een wenkbrauw op. ‘Hij was niet met Bergur bevriend,’ zei ze, en ze vervolgde toen veelbetekenend: ‘Maar Birna… Birna en Bergur waren intieme vrienden.’

‘Ja, dat had ik al begrepen,’ zei Thóra en ze zag Vigdís’ roddelstemming verdwijnen als sneeuw voor de zon. ‘Praatte Eiríkur veel met Birna, of had hij het over haar? Waren ze bevriend?’

‘Beslist niet,’ zei Vigdís, zeker van haar zaak. ‘Je kunt je geen twee mensen voorstellen die meer van elkaar verschilden dan die twee. Hij was een beetje, nou ja, ik bedoel…’ Ze weifelde.

‘Je kunt net zo goed vertellen waar het op staat,’ zei Thóra. ‘Het heeft geen zin om net te doen alsof hij een heilige is, alleen maar omdat hij dood is.’

Dit leek Vigdís gerust te stellen. ‘Je hebt gelijk,’ zei ze. ‘Om je de waarheid te zeggen was Eiríkur gewoon een slons. Hij was vies. Hij schoor zich bijna nooit. Hij zag eruit als een zwerver. Hij was een recalcitrant type en ook een beetje een vrek.’ Kennelijk had Vigdís geen enkele moeite om haar roze bril af te zetten. ‘Birna zorgde goed voor zichzelf, zag er altijd goed verzorgd uit. Maar ergens diep vanbinnen was ze heel anders. Heel lief wanneer ze iets van je nodig had, maar anders, vergeet het maar. Ze wond Jónas om haar vinger.’ Eindelijk hield ze heel even haar mond om adem te halen. ‘Zij en Eiríkur hadden één ding met elkaar gemeen: ze waren allebei bezeten van geld. Afgezien daarvan verschilden ze als dag en nacht.’

Thóra knikte ernstig en probeerde niet te laten merken hoezeer ze schrok van zoveel venijn. ‘Dus ze waren nooit samen?’ vroeg ze. ‘Eiríkur wist niet méér van wat haar bezighield dan iedereen?’

‘Nee, absoluut niet,’ zei Vigdís beslist. ‘Al waren ze de laatste twee mensen op aarde geweest, dan had Birna nog niet met Eiríkur willen praten.’

‘Juist, ja,’ zei Thóra. ‘Zeg eens, gedroegen Eiríkur of Birna zich vlak voor hun dood anders dan normaal? Herinner je je of een van beiden iets ongebruikelijks heeft gezegd of gedaan?’

Vigdís dacht even na en schudde toen haar hoofd. ‘Nee, dat kan ik me niet herinneren. Ik weet niet eens meer wanneer ik Birna voor het laatst heb gezien, maar als ze zich vreemd had gedragen, zou ik dat zeker nog weten. De laatste keer dat ik Eiríkur heb gesproken, was toen hij langskwam omdat hij op zoek was naar Jónas.’ Ze sloeg haar hand voor haar mond. ‘O, dat moet vlak voor zijn dood zijn geweest.’

Thóra haalde heel diep adem. ‘En heeft hij Jónas gevonden?’ vroeg ze kalm.

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde het meisje. ‘Ik zei dat hij in zijn kantoor moest gaan kijken, maar ik heb niet gezien of ze elkaar hebben getroffen.’

Thóra wist niet wat ze nog meer over Eiríkur kon vragen, dus keerde ze weer terug naar haar oorspronkelijke vraag. ‘Hoe komt het,’ zei ze, ‘dat de westkant van het gazon wel gemaaid is, maar de oostkant niet?’

Vigdís keek vreemd op van de nieuwe richting die Thóra opeens in leek te slaan. ‘Ik heb geen idee.’ Ze kneep haar ogen half dicht. ‘Waarom vraag je dat?’

‘Ik vroeg het me gewoon af,’ antwoordde Thóra. ‘Ik vond het een beetje vreemd.’ Ze voegde er snel aan toe: ‘Weet je misschien of Jónas een paar gaten heeft laten graven om dat stuk grond te testen? Of Birna misschien?’

Vigdís keek haar niet-begrijpend aan. ‘Gaten om de bodem te testen? Bedoel je gewone gaten, die in de grond zijn gegraven?’

Thóra knikte. ‘Gewoon kleine gaten, meer een soort krabbels in de aarde eigenlijk. Ze lijken in elk geval niet gemaakt met speciale grondverzetmachines.’

Vigdís schudde driftig haar hoofd. ‘Beslist niet. Als er aan iemand was gevraagd om daar te gaan graven, zou ik dat hebben geweten. Ik hou alles in de gaten. Jónas kan soms zo afwezig zijn dat ik alles moet zien en horen wat hier gebeurt.’

‘Had Birna nog ergens een kantoor of een atelier?’ viel Matthew hen in de rede. ‘Behalve haar hotelkamer?’

‘Dat weet ik niet, maar het zou me niet verbazen,’ antwoordde Vigdís. ‘Het gebeurde vaak dat ze niet in het hotel was, zowel ’s ochtends als ’s middags. Dan liep ze niet buiten rond, dus moet ze een andere plek hebben gehad om naartoe te gaan.’ Ze wierp een schuine blik op Thóra. ‘Misschien ging ze dan wel naar Bergur.’

‘Wie weet?’ zei Thóra, met een samenzweerderig glimlachje. Ze keek op haar horloge. ‘Nog een laatste vraag en dan laten wij je met rust: wie maait het gras?’

Vigdís keek haar weifelend aan, haalde toen haar schouders op en antwoordde: ‘Jökull. Hij werkt hier ook als ober.’

‘Meen je dat nou?’ vroeg Jökull, en hij keek om zich heen alsof hij een verborgen camera verwachtte te zien. ‘Je wilt echt weten waarom dat gazon niet is gemaaid?’

‘Ja,’ glimlachte Thóra. ‘Mij is verteld dat dat jouw werk is.’

Jökull trok een chagrijnig gezicht, dat hevig botste met zijn keurige zwart-witte oberkostuum. ‘Ja, dat doe ik om een extraatje te verdienen. Buiten de etenstijden is hier niets voor mij te doen, dus heb ik tijd genoeg om het allebei te doen.’

‘Slim,’ zei Thóra. ‘Maar waarom wordt op die plek het gras niet gemaaid? Komt dat door die grote steen?’

‘Nee, die ligt niet in de weg,’ mompelde Jökull. ‘Er ligt iets anders onder het gras waar de maaier op stukloopt. Iets bobbeligs. De maaier slaat dan altijd af en het is lastig om eromheen te manoeuvreren, dus heb ik besloten daar maar niet te maaien. Ik heb nog geen klachten gehad. Heeft Jónas er iets over gezegd?’

‘Nee, helemaal niet,’ stelde Thóra hem gerust. Ze wilde al weglopen, maar draaide zich nog even om. ‘Kun je ons misschien een schop lenen?’

‘Eerlijk is eerlijk,’ zei Matthew, terwijl hij een schep aarde achter zich gooide. ‘Jij bent werkelijk een unieke vrouw. Voor niemand anders zou ik een schop oppakken.’

‘Sst,’ zei Thóra. ‘Niet kletsen, maar graven.’ Ze stonden weer in het weiland, waar Thóra net zo lang met haar handen over de grond had gevoeld tot ze een heuveltje had gevonden dat Matthew voor haar moest afgraven. ‘Ik weet zeker dat dit iets is.’

Hij kreunde. ‘Dat mag ik hopen.’ Hij stak de schop in de grond en zette zijn handen op zijn heupen. ‘Ziezo.’

Thóra kwam naast hem staan en tuurde in de ondiepe kuil. ‘Het lijkt wel een soort fundering.’

Matthew krabde aan zijn voorhoofd. ‘Voor een gebouw? Denk je dat hier een huis heeft gestaan?’ Hij pakte de spade weer op en schraapte aan weerskanten nog wat aarde weg. ‘Krijg nou wat.’

‘Zie jij wat ik zie?’ zei Thóra terwijl ze zich bukte. Ze kwam weer overeind en toonde hem haar handpalm. ‘As.’ Ze keek Matthew aan. ‘Dit gebouw is afgebrand.’

‘Zoals op die kindertekening?’ vroeg Matthew. Hij zweeg even en zei toen: ‘Stond er op die tekening niet iemand in het brandende huis?’

24

‘Ze heeft opgehangen,’ zei Thóra en ze trok een lelijk gezicht. Ze keek naar het schermpje van het mobieltje dat Jónas haar had geleend. ‘Tenzij de verbinding is verbroken.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, ze heeft opgehangen.’

‘En verbaast je dat?’ vroeg Matthew. ‘Zij en haar broer hebben je vanochtend bijna hun huis uit gegooid. Ze zit dus niet te popelen om jou weer te spreken.’

‘Nee, misschien niet,’ mopperde Thóra, terwijl ze het mobieltje weer in haar zak stak. ‘Het zou alleen heel erg handig zijn geweest als ze ons had kunnen vertellen wat voor gebouw hier heeft gestaan.’ Zij en Matthew stonden nu aan de rand van het grasveld, aangezien er bij het rotsblok geen bereik was geweest. ‘Misschien weet haar dochter, Berta, iets,’ peinsde Thóra. ‘Als ik haar tenminste niet óók heb beledigd.’

‘Dat betwijfel ik,’ zei Matthew. ‘Maar ik denk wel dat ze snel zal dichtklappen zodra je haar vragen gaat stellen over die vriend van haar die in een rolstoel zit.’

‘Inderdaad,’ zei Thóra. ‘Dat zal ik voorlopig maar niet doen. Op dit moment wil ik graag wat meer weten over dit gebouw.’ Ze liepen in de richting van het hotel. Toen ze de plek passeerden waar Matthew de fundering had blootgelegd, bleef Thóra staan. ‘Hoe kan het dat Birna hier niets van heeft geweten? Als we haar agenda mogen geloven, heeft ze grondig over dit stuk grond nagedacht.’

‘Maar dat is toch logisch,’ antwoordde Matthew. ‘Jökull maait de gazons, dus hij is waarschijnlijk de enige die weet hoe oneffen de bodem hier is. Hij en Birna konden blijkbaar absoluut niet met elkaar opschieten, dus heeft hij het haar vast niet verteld, zelfs niet als ze hem ernaar zou hebben gevraagd.’

‘Maar toch heeft iemand hier iets lopen zoeken. Als ze op zoek waren naar die fundering, dan hebben ze niet goed uit hun doppen gekeken. Die gaten waren niet eens in de buurt van die verhoging in de bodem.’

‘Je kunt het ook nauwelijks gaten noemen,’ bracht Matthew haar in herinnering. ‘Maar ik ben het met je eens dat onze mysterieuze gatengraver, als hij op zoek was naar het afgebrande huis, als speurder niet veel voorstelde.’

‘Ik zou bijna weer teruggaan naar de kelder om al die dozen nog eens grondig te doorzoeken,’ zei Thóra, koortsachtig nadenkend. ‘Misschien zit daar iets in waaruit we kunnen afleiden wat hier heeft gestaan. Een foto misschien.’

Matthew keek op zijn horloge. ‘Ik weet niet of dat wel zo’n goed idee is. Moet jij je kinderen en de caravan niet gaan ophalen?’

‘Dat kan wel tot vanavond wachten,’ antwoordde zij. ‘Ik heb Gylfi net even gebeld en ze redden zich daar nog wel even. Ze waren van plan naar een winkel te wandelen die daar niet ver vandaan is.’ Ze kruiste haar vingers. ‘Ik hoop alleen dat zijn vriendinnetje haar ouders laat weten dat alles in orde is. Ik ga ze in elk geval niet bellen. Dan beginnen ze meteen weer te zeuren over de problemen die Gylfi hun kleine schat heeft bezorgd. Ze vinden dat het allemaal mijn schuld is.’

‘En je ex?’ vroeg Matthew. ‘Denk je dat Gylfi hem zal bellen?’

‘Ik hoop het niet,’ zei Thóra. ‘Wat mij betreft mag Hannes ziek worden van bezorgdheid. Het is zijn schuld dat ze ervandoor zijn gegaan.’ Ze klopte op haar zak met het mobieltje erin. ‘Ik heb al een paar honderd ongelezen berichten van hem ontvangen. Ik lees ze wel wanneer ik er tijd voor heb, of…’ Haar telefoon ging en ze viste hem uit haar zak. Het was Bella.

‘Hallo,’ zei Thóra. ‘Hoe is het gegaan?’ Terwijl ze met haar secretaresse sprak, zocht ze in haar zakken naar pen en papier. ‘Geen Kristín, zeg je?’ Ze schreef snel op wat Bella haar vertelde. Toen hing ze op en draaide zich om naar Matthew. ‘Hij ligt daar alleen begraven. Geen Kristín in de nabijgelegen graven.’ Ze zuchtte teleurgesteld. ‘Op zijn grafsteen staan zijn naam, zijn geboortedatum en de datum van overlijden, en een kort gedicht.’

‘Leuk,’ zei Matthew. ‘Nog meer poëzie. Brand maar los.’

Thóra las Bella’s boodschap van het papiertje:

Een boerderij is beter
ook al is hij klein,
ieder mens houdt van zijn eigen huis.
Bloeden doet het hart
van iemand die om elke maaltijd
moet bedelen.

Ze keek op naar Matthew. ‘Dit komt me ergens bekend voor, in tegenstelling tot dat andere gedicht, dat ik nooit eerder had gehoord. Misschien kan ik het wel op internet vinden. Het zou me niet verbazen als het afkomstig is uit De Spreuken van de Hoge.’

Matthew tikte haar op de schouder. ‘Zo te zien heeft de politie versterkingen gehaald,’ zei hij, en hij wees naar de patrouillewagen die voor het hotel tot stilstand kwam. ‘Ik denk dat jij voorlopig nog even niet naar de kelder gaat.’

‘Waarom wil je niet naar buiten?’ vroeg Berta, terwijl zij de gordijnen opentrok. Het werd meteen licht in de schemerige kamer. ‘Het is heerlijk weer.’ Ze bleef een tijdje naar buiten staan kijken en draaide zich toen om van het raam. ‘Kom op, daar knap je van op.’

‘Ga jij maar,’ zei Steini kortaf, terwijl hij met zijn goede hand aan een klein stukje loszittend rubber aan een wiel van zijn stoel peuterde. ‘Ik heb geen zin.’

‘Doe nou niet zo,’ zei Berta. Ze liep naar hem toe en hurkte voor hem neer zodat hun gezichten zich op gelijke hoogte bevonden. Ze wist dat hij vaak beter reageerde als ze oogcontact maakte. ‘Ik weet zeker dat je je beter zult voelen door wat frisse lucht. Er zit je duidelijk iets dwars en wie weet, misschien helpt het wel om even je zinnen te verzetten.’

‘Dat helpt toch niet,’ antwoordde Steini stuurs.

Berta was inmiddels gewend aan zijn korte antwoorden. Hij sprak moeilijk vanwege de brandwonden aan één kant van zijn mond, waar de huid van zijn lippen op de een of andere manier was versmolten. Berta had zich er altijd over verbaasd dat de artsen daar niets aan hadden gedaan en zij vermoedde dat Steini had geweigerd verdere operaties te ondergaan; wanneer ze hem ernaar vroeg wilde hij er nooit over praten. Het was onmogelijk dat hij nog steeds op een wachtlijst stond, zoals hij haar ooit had verteld. Een veel plausibeler verklaring was dat hij nog niet voldoende was hersteld van de pijn en de ongemakken van zijn eerste operaties en dat hij de gedachte aan nieuwe ingrepen nog niet aankon. Vorige week had ze nog een boodschap van Steini’s fysiotherapeut op zijn antwoordapparaat gehoord, waarin hij vroeg hem terug te bellen om het hervatten van zijn behandeling te bespreken. Toen Berta hem had gevraagd de man terug te bellen, was Steini volledig dichtgeklapt. Kennelijk had hij meer tijd nodig om te herstellen, zowel geestelijk als lichamelijk.

‘We kunnen ook wel een eindje gaan rijden, als je dat liever wilt,’ stelde ze vriendelijk voor. ‘Ik ben voor alles in, maar ik vind wel dat we iets moeten gaan doen.’

‘Alles?’ herhaalde Steini, haar recht in de ogen kijkend.

‘Bijna alles,’ antwoordde Berta gemaakt vrolijk, terwijl ze opstond. Ze wist niet zeker wat hij probeerde te zeggen, maar ze durfde er niet verder op in te gaan. Nu niet en het liefst nooit. ‘Je weet wel wat ik bedoel.’ Ze legde een hand op zijn knie. ‘Kom nou. Alsjeblieft?’

Steini rukte het kleine stukje rubber van zijn band. ‘Ben jij nooit bang?’ vroeg hij.

‘Bang?’ vroeg Berta, uit het veld geslagen. ‘Waar zou ik bang voor moeten zijn?’ Ze glimlachte. ‘De zomer komt eraan.’

Hij bleef haar een tijdje zwijgend zitten aankijken. Toen staarde hij naar zijn schoot. ‘Ik voel me rot.’

Berta voelde een steek in haar maag. Ze vond het verschrikkelijk hem zo te zien. Het was allemaal al erg genoeg voor hem. Het was zo oneerlijk. Waarom moest hij zo ernstig gewond raken bij het ongeluk? Er waren voldoende mensen die ongelukken kregen en er zonder een schrammetje vanaf kwamen. Had ze hem maar niet opgebeld…

Ze dwong zichzelf te blijven glimlachen. ‘Ik weet wat,’ zei ze, ‘laten we naar Kreppa gaan. Ik loop mijlenver achter met inpakken en misschien vinden we nog wel iets interessants. Weet je nog hoeveel plezier we de vorige keer hebben gehad?’

Steini lachte kil. ‘Plezier, zei je?’ Hij zuchtte. ‘O, wat kan mij het ook schelen. Laten we dan maar gaan.’

‘Fijn,’ zei ze. ‘Ik weet zeker dat je er geen spijt van gaat krijgen.’ Ze was opgelucht. Zodra ze de deur uitgingen, zou hij opmonteren. Zo ging het altijd. Opeens schoot zijn hand naar voren en klemde zich om haar pols. Ze schrok ervan.

‘Kun je het me vergeven?’ vroeg hij zwakjes.

‘Vergeven?’ zei ze. ‘Wat zou ik je moeten vergeven?’

‘Als het ergste gebeurt, kun je het me dan vergeven?’

Berta schudde stomverbaasd haar hoofd. Dat was de langste zin die ze in maanden van hem had gehoord. ‘Waar heb je het over?’ Voorzichtig trok ze haar pols los uit zijn greep en ging achter de rolstoel staan. ‘Moet je jezelf nu eens horen. Ik zou jóú moeten vergeven?’ zei ze, terwijl ze begon te duwen. ‘Malle jongen, wat heb jij mij ooit aangedaan?’

‘Hopelijk niets,’ zei Steini, en hij trok zijn capuchon over zijn hoofd terwijl Berta hem naar buiten reed.

Thórólfur fronste en leunde tegen de deur van het tijdelijke kantoortje in het hotel. ‘We hebben aanzienlijke vorderingen gemaakt. Meer kan ik er op dit moment niet over zeggen.’

Thóra stond met haar armen over elkaar vóór hem in de gang. Om te voorkomen dat Jónas, die binnen op ze zat te wachten, haar zou horen, sprak ze fluisterend. Hij had Thóra gevraagd erbij aanwezig te zijn wanneer Thórólfur hem bij zich zou roepen, maar ze waren nog niet gaan zitten of Thórólfur had hem op zijn rechten gewezen en eraan toegevoegd dat hij als verdachte niet hoefde in te gaan op de beschuldigingen die hem ten laste werden gelegd. Nu stond zij buiten op de gang met de politieman te redetwisten.

‘U hebt geen antwoord gegeven op mijn vraag. Waarom wordt Jónas opeens als verdachte behandeld?’ vroeg ze. ‘Wat is er veranderd?’

Thórólfur sloeg ook zijn armen over elkaar en keek haar streng aan. ‘Wij hebben verschillende getuigen gesproken, zowel gisteren als vandaag. Het beeld dat zij ons hebben geschetst, ziet er niet goed uit voor uw cliënt.’

Thóra haalde diep adem. ‘Wat wilt u daarmee zeggen? Gaat u hem arresteren?’

‘Dat is afhankelijk van wat hij tijdens het verhoor gaat zeggen.’ Thórólfur haalde zijn schouders op. ‘Wie weet, misschien kan hij het een en ander uitleggen.’

‘Het een en ander?’ zei Thóra. ‘Zoals? Hij heeft u tot dusverre alles verteld wat u wilde weten.’

‘Zoals ik al zei, hebben zich gisteren en vandaag enkele ontwikkelingen voorgedaan, dingen die we de laatste keer dat wij met hem spraken nog niet wisten. Daar komt bij dat ik zijn verklaringen tot dusverre niet bepaald bevredigend vond,’ antwoordde Thórólfur. ‘Zullen we maar? Dan krijgt u tenminste te horen wat het is dat wij hem willen vragen.’

‘Geef me twee minuten alleen met hem,’ zei ze. ‘Ik moet hem deze verandering in status uitleggen.’

Hij was er niet blij mee, maar kon het haar niet weigeren. Nu Jónas als verdachte werd aangemerkt, had zij als zijn advocaat het recht haar cliënt voorafgaand aan een verhoor onder vier ogen te spreken. De rechercheur riep zijn assistent uit het kantoor en Thóra ging naar binnen. Ze ging snel naast Jónas zitten, die haar in opperste verwarring aankeek.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij gespannen. ‘Waarom ging je weg?’

Thóra legde een hand op zijn knie. ‘Jónas, er zijn een paar dingen veranderd,’ zei ze. ‘Tot nu toe ben je ondervraagd als getuige en ben je aan het begin van elk verhoor in die hoedanigheid op je rechten gewezen. Nu ben je een verdachte.’

‘Wat?’ riep Jónas met schorre stem uit. ‘Ik?’

‘Ja, jij,’ antwoordde zij. ‘We hebben niet veel tijd, dus laten we geen tijd verspillen. Luister goed.’ Ze keek hem aan. ‘Thórólfur heeft mij verteld dat er zich bij de ondervraging van getuigen verschillende ontwikkelingen hebben voorgedaan, met als gevolg dat jij nu als verdachte wordt beschouwd.’

‘Wat? Maar ik heb niets gedaan; dat heb ik ze verteld,’ zei Jónas, en hij schreeuwde bijna. ‘Het kan niet anders dan dat ze liegen.’ Thóra voelde zijn been trillen.

‘Het is mogelijk dat de getuigen niet de waarheid vertellen, Jónas,’ zei ze, en ze greep zijn knie wat steviger vast om hem te kalmeren. ‘Het is nu heel belangrijk dat je uitlegt waar je bent geweest en overtuigende antwoorden geeft op Thórólfurs vragen. Als je antwoorden hem om welke reden dan ook niet bevallen, loop je het risico dat je wordt gearresteerd.’

Jónas’ been hield op met beven. Hij trok wit weg. ‘Gearresteerd? Hoe bedoel je?’

‘Gearresteerd door de politie, Jónas,’ zei Thóra. ‘Dan brengen ze je in een politieauto naar het bureau en moet je morgenochtend voor de rechter verschijnen, met de aanbeveling dat je in hechtenis blijft.’ Thóra had nog maar drie gevallen behandeld waarbij sprake was geweest van een kort voorarrest, dus ze was niet heel erg bekend met het hele proces. De bewuste gevallen waren vrij onbeduidend geweest, maar dit leek Thóra niet het moment om Jónas op haar onervarenheid te wijzen.

‘Ik kan niet naar de gevangenis,’ zei Jónas, en hij begon zo hevig te trillen dat Thóra geen moment aan zijn woorden twijfelde. ‘Dat kan gewoon niet. Het is maandag.’

Thóra trok haar wenkbrauwen op. ‘Maandag? Is dat erger dan een andere dag?’

‘Nee, nee,’ zei hij afwezig. ‘Ik wil vandaag gewoon niet in deze hele kwestie verwikkeld raken. Maandag is mijn ongeluksdag.’

Voordat hij verder kon bazelen over sterren en aura’s viel Thóra hem in de rede. ‘Luister goed. We laten zo meteen de politie weer binnen en dan gaan ze je ondervragen. Hopelijk heb je voor alles waarmee ze je schuld menen te kunnen bewijzen een verklaring en in dat geval lopen wij hier straks samen weer de kamer uit.’

‘En als ik die verklaring niet heb?’ vroeg Jónas, die haar hand greep. ‘Wat dan?’

‘Dan zullen we gewoon maar moeten zien wat er gebeurt,’ zei ze, en ze gaf hem een klopje op zijn schouder. ‘Kop op en doe je best om zo normaal mogelijk te doen.’ Ze stond op en liep naar de deur. ‘Ben je er klaar voor?’ vroeg ze, met een hand op de deurknop. Jónas knikte, maar zo zag hij er niet bepaald uit.

‘Eh, dat weet ik niet,’ zei Jónas, met een nerveuze blik op Thóra, die naast hem zat.

Thórólfur veinsde overdreven verbazing. ‘Echt niet? Als u mij zou vragen of ik afgelopen donderdag naar bed was geweest met een mooie jonge vrouw, zou het me geen enkele moeite kosten me dat te herinneren. Of is het voor u misschien iets wat regelmatig voorkomt?’

Thóra kreunde inwendig. ‘Mijn cliënt wenst deze vraag niet te beantwoorden,’ zei ze onbewogen.

‘Goed,’ zei de rechercheur. ‘We gaan toch een dna-monster van hem vragen, dus het antwoord is niet van belang.’

Er was geen dna-test nodig om de vraag te beantwoorden. Jónas zat als verstijfd naast Thóra en straalde uit al zijn poriën schuld uit. Het was iedereen overduidelijk dat Jónas die dag, ongelukkig genoeg dezelfde dag waarop zij zo gruwelijk aan haar einde was gekomen, seks had gehad met de architect.

‘Is er sperma gevonden in Birna’s vagina?’ vroeg Thóra. ‘Ik moet u eraan herinneren dat ik, indien mijn cliënt in hechtenis wordt genomen, inzage moet krijgen in al het bewijsmateriaal, want tegen een dergelijk bevel zouden wij zeker beroep aantekenen bij de Hoge Raad.’ Ze hoorde Jónas zacht jammeren.

Thórólfur had een potlood in zijn hand en kauwde daarop terwijl hij hierover nadacht. ‘Ik zie geen enkel juridisch beletsel om te bevestigen dat er inderdaad sperma is aangetroffen in de vagina van de overledene,’ zei hij uiteindelijk.

‘Mag ik vragen of het onderzoek Birna’s relatie met een plaatselijke boer al aan het licht heeft gebracht?’ vroeg Thóra, in de hoop dat de politie daar nog niet van op de hoogte was. ‘Dat sperma kan ook van hem afkomstig zijn.’

‘Wij weten alles van hem,’ zei Thórólfur en er gleed een eigenaardige uitdrukking over zijn gezicht.

‘O ja?’ zei ze. ‘Kunnen jullie dan niet beter hem ondervragen, in plaats van Jónas?’

‘O, maar dat doen we ook,’ zei Thórólfur, terwijl hij behendig zijn potlood tussen zijn vingers liet rollen. ‘Ongeacht de uitkomst van zijn dna-test, hebben we ook een monster van uw cliënt nodig.’

‘En waarom?’ vroeg Thóra. ‘Als het sperma van de boer blijkt te zijn, kan het moeilijk van Jónas zijn.’ Thórólfur glimlachte vals en opeens drong de waarheid tot Thóra door. ‘Is er sperma aangetroffen van twee verschillende mannen?’

Thórólfur staakte het spelen met het potlood. ‘Misschien,’ antwoordde hij na een korte stilte.

Meer hoefde Thóra niet te horen. Birna had dus op de dag van de moord met twee mannen seks gehad. Jónas was in elk geval een van hen en de ander was Bergur, of de moordenaar, tenzij zij een en dezelfde persoon waren. Ze voelde Jónas naast zich verstarren en ze wist genoeg van mannen om te begrijpen wat hem dwarszat. Ze boog zich naar hem toe en fluisterde, zonder dat de politie haar kon horen, in zijn oor: ‘Jij was vast en zeker de eerste.’ Ze moest zien te voorkomen dat Jónas nog zenuwachtiger werd. Ze voelde hem enigszins ontspannen. ‘Met iemand naar bed gaan is niet hetzelfde als iemand vermoorden, nietwaar?’ zei ze tegen Thórólfur, en ze voegde eraan toe: ‘Wat niet wil zeggen dat Jónas in dit stadium van het onderzoek ook maar iets van dien aard wil bekennen.’

‘Nee, dat zal wel niet,’ antwoordde hij. ‘Maar wanneer het slachtoffer van de moord zowel uitwendig als inwendig letsel vertoont dat overeenkomt met verkrachting, dan zien de zaken er opeens heel anders uit, nietwaar?’

Thóra verkoos hierop niet te antwoorden. ‘Is er verder nog iets waarover Jónas opheldering moet verschaffen, of gaat het alleen om het sperma?’

‘Er is nog iets,’ zei Thórólfur. ‘Laten we eens teruggaan naar het tweede sms’je dat met uw mobieltje is verzonden, Jónas. Hebt u daar inmiddels al een betere verklaring voor dan de vorige keer? Bijvoorbeeld door ons te vertellen waar u op de avond in kwestie tussen negen en tien uur was?’

Jónas wendde zich wanhopig tot Thóra. Zij knikte snel en keek hem met half toegeknepen ogen aan. ‘Ik kan dat berichtje nog steeds niet verklaren. Ik heb het niet verzonden, dus moet iemand anders mijn telefoon hebben gebruikt. Ik ben om een uur of zeven een eindje gaan wandelen en toen heb ik mijn mobieltje achtergelaten. Iemand moet het hebben gestolen terwijl ik weg was.’

‘Gestolen, zegt u,’ zei Thórólfur sarcastisch. ‘Dus iemand heeft het “gestolen” en later weer teruggelegd?’

‘Eh, ja,’ antwoordde Jónas aarzelend. ‘Ik heb het niet altijd bij me; ik laat het overal slingeren, dus zo moeilijk kan dat niet geweest zijn.’ Hij wreef over zijn slapen, op van de zenuwen. ‘Het was druk in het hotel. Er werd een seance gehouden. Iedereen kan het hebben gedaan.’

‘Grappig dat u dat zegt,’ zei de rechercheur peinzend. ‘Dat is precies het detail waar wij moeite mee hadden. Het was, precies zoals u zegt, druk in het hotel, en toch kan niemand zich herinneren u die avond te hebben gezien. Waar bent u naartoe gewandeld? Naar het strand?’

‘Nee!’ riep de hoteleigenaar uit, terwijl hij met zijn hand op het bureau sloeg. ‘Ik ben een eindje gaan lopen, maar eerst ben ik naar de oprit gewandeld, om te zien of de aannemer die de afvoer zou repareren al een beetje was opgeschoten. Daarna heb ik misschien nog een uurtje gewandeld. Toen ik terugkwam ben ik nog even in mijn kantoor geweest en daarna ben ik naar mijn kamer gegaan. Ik weet zeker dat iemand me moet hebben gezien. Ik heb niet geprobeerd mensen te ontlopen. Ik was even voor tienen terug en de seance was nog aan de gang, als ik het me goed herinner.’

‘En toch heeft niemand u rond die tijd gezien, niet binnen en niet buiten. Tussen halftien en tien uur was er een pauze. De bezoekers van de seance liepen door het hele hotel — sommigen gingen naar buiten om te roken; anderen gingen een kop koffie halen — maar niemand heeft u gezien. En toch zegt u dat u rond dat tijdstip bent teruggekomen,’ zei Thórólfur. ‘Maar laten we het even over iets anders hebben. Gisteravond is er in een stallencomplex hier in de buurt opnieuw een stoffelijk overschot gevonden. Kunt u ons vertellen waar u gisteravond, zondag dus, rond etenstijd was?’

‘Ik? Ik was in Reykjavík,’ zei Jónas.

‘Hoe laat bent u hier vertrokken?’

‘Om een uur of twee.’ Zijn stem trilde een beetje.

‘En ik neem aan dat u via de tunnel bent gegaan?’

‘Ja,’ zei Jónas, voordat Thóra hem kon tegenhouden. Iets aan deze manier van ondervragen zat haar niet lekker.

‘Met uw eigen auto, neem ik aan?’ hield Thórólfur vol. Hij grijnsde vergenoegd.

‘Mijn cliënt kiest ervoor deze vraag niet te beantwoorden,’ viel Thóra hem snel in de rede. Ze legde een hand op Jónas’ knie en kneep er stevig in.

‘Goed,’ zei de rechercheur, met een spottend lachje. ‘Maar we hebben dus vastgesteld dat u via de tunnel naar Reykjavík bent gereden. Aangezien het ten strengste verboden is zich te paard, te voet of met de fiets in die tunnel te begeven, moeten we de conclusie trekken dat u een gemotoriseerd voertuig, van welke aard dan ook, bestuurde.’

‘Ja, ik ben met mijn eigen auto gegaan,’ zei Jónas beteuterd, ondanks de druk die Thóra op zijn bovenbeen uitoefende. Ze kon de verleiding niet weerstaan even haar nagels in zijn been te zetten om hem te straffen voor zijn domheid. Jónas kromp ineen en wierp Thóra een verwijtende blik toe, maar ze negeerde hem.

Thórólfur grijnsde zo mogelijk nog breder. Toen verscheen er een smalende uitdrukking op zijn gezicht. Hij pakte wat papieren die aan elkaar waren geniet en smeet ze voor de hotelier op het bureau. ‘Dit is een lijst van alle auto’s die gisteren door de Hvalfjördur-tunnel zijn gereden. Het kenteken van uw auto staat er niet bij.’ Hij keek Jónas dreigend aan. ‘Hoe verklaart u dat?’

Ditmaal had Jónas de tegenwoordigheid van geest om niets te zeggen. ‘Mijn cliënt kiest ervoor deze vraag niet te beantwoorden,’ zei Thóra. ‘Ik moet erop wijzen dat Jónas op dit moment erg in de war is en dat wat hij zojuist heeft gezegd op een vergissing kan berusten.’

‘Het was gísteren!’ antwoordde Thórólfur. Toen Thóra en Jónas geen van beiden reageerden, haalde hij zijn schouders op. ‘Hoe dan ook, laten we het over iets anders hebben.’

Nóg iets anders? Thóra probeerde niet te laten merken hoeveel zorgen ze zich maakte om Jónas. Welke bewijzen konden ze nog meer tegen hem hebben?

‘En toen kreeg Jónas ruzie met Eiríkur, de man die ze dood in de stallen hebben gevonden,’ zei Thóra tegen Matthew. ‘Vlak voordat Eiríkur het hotel verliet. En bovendien zat zijn bloed vol slaappillen, van hetzelfde soort dat Jónas op zijn nachtkastje heeft staan.’ Ze zuchtte. ‘Die rotzakken hadden een huiszoekingsbevel.’

Matthew floot. ‘Ik neem aan dat dat betekent dat hij schuldig is?’

‘Ik mag hangen als ik het weet,’ antwoordde Thóra. ‘Zijn vingerafdrukken zaten op Birna’s ceintuur en hij heeft zeker seks met haar gehad op de dag dat ze is vermoord, ook al weigert hij dat toe te geven. En verder heeft hij gelogen over het feit dat hij gisteren naar Reykjavík is gegaan.’ Ze liet Matthew de lijst met kentekennummers zien. ‘Ze hebben het nummer van elke wagen die door die tunnel is gekomen, genoteerd. De een of andere arme drommel heeft de hele nacht naar de opnames van de beveiligingscamera zitten turen. Ze hebben die lijst laten liggen, dus heb ik hem maar meegenomen.’

‘En toen?’ vroeg Matthew. ‘Waar hebben ze hem naartoe gebracht?’

‘Naar Borgarnes,’ antwoordde Thóra. ‘Hij moet morgenochtend voorkomen voor de West-IJslandse Arrondissementsrechtbank. Ze zullen verzoeken om een bevel tot inhechtenisneming.’ Ze haalde haar hand door haar haren. ‘En dat zullen ze krijgen ook, tenzij de rechter dronken is.’

‘Is daar kans op dan?’ vroeg Matthew, geschokt.

‘Nee, bij wijze van spreken natuurlijk,’ zei Thóra, terwijl ze rechtop ging zitten in de leunstoel. ‘Maar we kunnen altijd hopen.’

‘O, ik vergeet je helemaal te vertellen wat er is gebeurd toen jij weg was,’ zei Matthew opeens. ‘Ik zat koffie te drinken aan de bar en toen ik in mijn zakken zocht naar wat kleingeld, vond ik de medaille die ik in Stykkishólmur voor je heb gekocht. Toen ik hem samen met het losse geld op de bar legde, raakte de man die naast me zat helemaal buiten zinnen. Het was die oude kerel, Magnús Baldvinsson.’

‘Echt waar?’ vroeg Thóra verbijsterd. ‘Wat zei hij?’

‘Geen idee,’ zei Matthew. ‘Het was in het IJslands, maar hij klonk niet blij. Uiteindelijk pakte hij de medaille en smeet hem achter de bar op de grond. Toen stond hij op en liep weg. De barman wist niet wat hem overkwam. Hij zei dat Magnús beweerde dat ik hem provoceerde. Toen gaf hij me de medaille terug. Hij was net zo stomverbaasd als ik.’

‘Dat zal best,’ zei Thóra, die haar oren niet kon geloven. ‘Magnús reageerde toch ook zo vreemd toen ik hem naar nazi’s vroeg? Het was niet het soort reactie dat je in IJsland zou verwachten,’ verklaarde ze. ‘Het IJslandse nazisme heeft nauwelijks navolgers of invloed gehad, dus hoewel iedereen hun politieke overtuiging weerzinwekkend vindt, is het niet gebruikelijk dat mensen wildvreemden naar de keel vliegen bij de aanblik van nazisouvenirs. Misschien moeten we toch nog maar eens met hem gaan praten.’ Ze pakte haar telefoon. ‘Maar niet nu — eerst moet ik mijn kinderen veilig thuis zien te krijgen. Voorlopig ziet het er niet naar uit dat ik zelf spoedig naar huis kan.’ Ze toetste het nummer van haar zoon in.

‘Hallo, Gylfi. Met mama. Hebben jullie het naar je zin in Selfoss?’

25

‘Ga jij maar eerst,’ zei Thóra, terwijl ze Matthew een duwtje gaf. ‘Doe maar net alsof je een paardenliefhebber bent. Je bent tenslotte een Duitser, dus dat geloven ze wel.’ Ze stonden op het erf van Tunga en hoopten Bergur, de boer, te zien te krijgen. Naar Thóra’s mening moest hij de hoofdverdachte zijn van de moord waarvan Jónas nu beschuldigd werd. Ze waren regelrecht naar het woonhuis gelopen, dat voor een prikje leek te zijn neergezet. Het zag er hetzelfde uit als elk ander klein, vrijstaand huis uit het begin van de jaren zeventig, maar verkeerde in een slechtere staat van onderhoud. Op het dak van ijzeren golfplaten waren grote kale plekken zichtbaar waar de verf was afgebladderd en op de plekken waar de metalen verstevigingsbalken te zien waren, liepen roestsporen omlaag langs de vuilgele muren. ‘Toe maar, je hoeft niet verlegen te zijn,’ drong Thóra aan.

‘Je weet best dat dat het niet is, schatje,’ antwoordde Matthew, voorzichtig snuivend. ‘Wat is dat voor vreselijke stank?’ Hij keek om zich heen.

‘Vind je dat geen heerlijk ouderwetse, landelijke geur?’ Thóra haalde diep adem. ‘Maar het kan ook zijn dat de wind komt van de plek waar die gestrande walvis ligt. Kom op,’ zei ze. ‘Bij nader inzien doe ik het woord wel. Het is waarschijnlijk beter om eerlijk te zijn.’ Ze klopte op de verweerde voordeur. Op de deur hing een houten bordje met daarop in zwierige letters de namen van de bewoners: bergur en rósa. Thóra hoopte dat de vrouw des huizes niet open zou doen. Ze kwamen voor Bergur en Thóra wist niet eens of zijn vrouw wel op de hoogte was van zijn relatie met Birna. Zij wilde niet degene zijn die haar dit nieuws moest mededelen en ze konden niet met Bergur praten zonder het onderwerp ter sprake te brengen. Ze kon alleen maar duimen dat hij zelf open zou doen.

De deur ging open en een man van even in de dertig keek naar buiten. Hij was mager maar goed gebouwd, met brede schouders en een ontwikkelde biceps. Thóra kon heel goed begrijpen wat Birna in hem had gezien — zijn krachtige gelaatstrekken en donkere krullen hadden iets heel aantrekkelijks.

‘Hallo,’ zei ze. ‘Bent u Bergur?’

‘Ja,’ antwoordde de man op zijn hoede.

Thóra glimlachte. ‘Mijn naam is Thóra en ik ben de advocaat van Jónas van het hotel. Dit is Matthew uit Duitsland. Hij staat mij bij, om het zo maar te zeggen.’ Matthew knikte beleefd. ‘Wij wilden u graag even spreken.’ Ze keek hem recht in de ogen. ‘Over de moord op Birna en het andere lichaam dat is gevonden.’

Er verscheen een dreigende blik in Bergurs ogen. Zoals Thóra al had verwacht, was hij niet bepaald blij hen te zien. ‘Volgens mij valt er niets te vertellen,’ zei hij vermoeid. ‘Ik ben eindeloos aan de tand gevoeld door de politie en ik ben er doodmoe van. Kunt u niet gewoon de getuigenverklaringen lezen? Ik heb er niets aan toe te voegen.’

Thóra keek teleurgesteld. ‘Eerlijk gezegd spreek ik mensen liever persoonlijk dan dat ik hun verklaringen moet lezen. En de vragen die ik graag beantwoord zou zien, worden niet altijd gesteld.’ Ze zuchtte. ‘Maar als u zelf niet met ons wilt praten, kunnen we morgen misschien contact opnemen met uw vrouw. Ik neem aan dat zij niet zo moe is als u.’

Bergur aarzelde. ‘Zij wil jullie net zo min spreken als ik.’

‘Dat merken we dan vanzelf wel, nietwaar?’ antwoordde Thóra. ‘Ik bel haar wel om haar uit te leggen wat de bedoeling is. Ik weet zeker dat ze mij zal willen spreken.’ Dat moest voldoende zijn, dacht ze, terwijl ze haar beste pokerface opzette.

Bergur keek over zijn schouder het huis in en keek Thóra toen woedend aan. Hij deed alsof hij Matthew niet zag. ‘Goed dan,’ zei hij nors. ‘Ik zal even met u praten, maar niet hier. In de stallen is een kleine koffieruimte waar we kunnen zitten.’ Hij pakte iets achter de deur vandaan, trok een paar schoenen aan en riep luidkeels: ‘Rósa, ik ben even weg.’ Toen trok hij, hoewel zijn vrouw iets onverstaanbaars had teruggeroepen, zonder nog iets te zeggen de deur achter zich dicht en beende zwijgend weg.

‘Die stallen!’ riep Thóra hem na, terwijl hij voor haar uit in de richting van een betrekkelijk nieuw, met ijzeren golfplaten bedekt gebouw liep, ‘is dat waar het lichaam van Eiríkur is gevonden?’ Toen Bergur niet antwoordde, trok Thóra een gezicht naar Matthew — zo schoten ze niet echt op. Vervolgens wees ze op haar mond om aan te geven dat hij zich in het gesprek moest mengen. Hij glimlachte alleen maar en schudde zijn hoofd.

Ze volgden Bergur naar een grote deur, die hij opengooide. ‘Kom binnen,’ zei hij.

‘Bedankt,’ zei Thóra, lachend om Matthews blik toen de geur van paardenmest hem in het gezicht sloeg. ‘Wat een lekkere paardenlucht,’ zei ze, zonder dat Bergur haar kon horen, en ze knipoogde naar Matthew. Hij hield zijn lippen zo stijf op elkaar geklemd dat hij onmogelijk kon glimlachen, maar toen ze de koffieruimte bereikten leek zijn gezicht enigszins te ontspannen.

‘Ga hier maar zitten,’ zei Bergur, en hij wees op drie harde stoelen rond een oude keukentafel. Hij leunde tegen een klein aanrechtblok waarop een vuile koffiebeker stond en een doos waarin geweerkogels hadden gezeten.

‘Dank u,’ zei Thóra, terwijl ze ging zitten. Ze zag Bergur smalend kijken toen hij zag hoe Matthew zijn stoel afstofte voordat hij ging zitten. ‘Ik weet niet of u mijn vraag zojuist hebt gehoord,’ zei ze, ‘maar zijn dit de stallen waar Eiríkurs lichaam is gevonden?’

Bergur knikte. ‘Ja,’ zei hij aarzelend.

‘En als ik het goed heb bent u degene die hem heeft gevonden?’ vervolgde Thóra. Toen hij zwijgend knikte, ging ze verder: ‘En Birna’s lichaam hebt u ook ontdekt. Is dat niet vreemd?’ zei ze huichelachtig.

In plaats van iets te zeggen, staarde Bergur haar vanonder zijn zware wenkbrauwen strak aan, net zo lang tot Thóra met haar ogen moest knipperen. Toen pas deed hij zijn mond open. ‘Probeert u soms iets te insinueren?’ beet hij haar toe. ‘In dat geval wil ik tegen u hetzelfde zeggen als tegen de politie — ik heb met allebei die sterfgevallen niets te maken.’

‘Moorden,’ corrigeerde ze hem.’ Ze zijn allebei vermoord. Hoe dan ook, we weten dat u een verhouding had met Birna. Ging alles goed tussen u twee?’

Bergur kreeg een kleur en Thóra wist niet of het van woede was of van schaamte omdat hij hier met een wildvreemde over zijn ontrouw zat te praten. Toen hij weer sprak, wees zijn stem op het laatste. ‘Alles ging prima,’ zei hij, met opeengeklemde lippen.

‘En wist uw vrouw ervan? Hoe heet ze ook alweer?’ zei Thóra. ‘Rósa, dat was het. Wist Rósa ervan?’

Hij kleurde nog dieper. ‘Nee,’ zei hij. ‘Zij wist het niet en volgens mij heeft ze er ook nog niets over gehoord. Niet van mij in elk geval.’

‘Dus het was niet meer dan een bevlieging?’ vroeg Thóra. ‘Ik vraag dat alleen omdat u het voor uw vrouw hebt verzwegen.’

‘Het was meer geworden dan dat,’ antwoordde Bergur, verwijtend. ‘Ik was van plan van Rósa te scheiden. Het was alleen niet het juiste moment.’

‘Ik begrijp het,’ zei ze. ‘Dus heeft het geen zin het haar nu nog te vertellen, met het oog op wat er is gebeurd?’

‘Dat gaat u niet aan!’ riep hij uit, zijn gezicht was inmiddels vuurrood aangelopen.

‘Nee, daar hebt u gelijk in,’ was Thóra het met hem eens. Haar stoel kraakte toen ze wat gemakkelijker probeerde te gaan zitten. ‘Ik heb vandaag iets over Birna gehoord wat me vreemd voorkomt in het licht van wat u mij zojuist hebt verteld.’ Ze zweeg even, alsof ze zich afvroeg of ze Bergur deelgenoot moest maken van het geheim.

‘Wat dan?’ Zijn nieuwsgierigheid was gewekt.

‘Nee, het is vast niet waar,’ zei Thóra en ze begon haar nagels te bestuderen. Toen keek ze op. ‘Oké. Op de dag dat Birna werd vermoord, heeft ze seks gehad met twee mannen. Met u, neem ik aan, en met iemand anders — misschien de moordenaar, misschien ook niet. Kan het zijn dat jullie relatie niets anders dan een pleziertje voor haar was?’

Bergur richtte zich op in zijn volle lengte en haalde diep adem. ‘Ik weet niet hoe u aan die informatie komt, maar mij is verteld dat ze verkracht is. Je hoeft geen genie te zijn om te concluderen dat die tweede keer tegen haar wil is gebeurd,’ riep hij.

‘Dus u geeft toe dat u een van de twee was?’ vroeg Thóra.

Bergur liet zich weer terugvallen tegen het aanrecht. ‘Ja,’ zei hij. ‘Het gebeurde absoluut met wederzijdse instemming, enkele uren voor haar dood. Wij waren die hele middag samen en ze is ’s avonds vermoord.’

Thóra dacht even na. ‘Wie heeft volgens ú Birna vermoord?’ vroeg ze. ‘Jullie waren heel close; u moet het zich toch hebben afgevraagd.’

‘Jónas,’ snauwde hij. ‘Wie anders?’

Thóra haalde haar schouders op. ‘Hij beweert dat hij onschuldig is. Net als u,’ zei ze. ‘En waarom zou hij haar dood hebben gewild? Ze werkte aan een project dat heel belangrijk voor hem was. Zonder haar komt er niets van terecht, of zal het in elk geval ernstige vertraging oplopen. Ik heb begrepen dat hij zich erbij had neergelegd dat zij met hem had gebroken, dus het lijkt me sterk dat hij jaloers was.’

‘Ze zijn nooit echt een stel geweest,’ zei Bergur boos. ‘Ze gingen met elkaar naar bed, maar het was geen relatie.’ Hij zweeg even. ‘Maar hij miste haar verschrikkelijk en het is niet waar dat hij zich bij de breuk had neergelegd.’

‘Hoe weet u dat?’ vroeg ze.

‘Dat heeft Birna me verteld,’ zei Bergur nors. ‘Hij zat nog steeds achter haar aan. Daarom gebruikte ze haar hotelkamer niet meer als werkruimte. Hij weigerde haar met rust te laten.’

Thóra kreeg het warm van opwinding. ‘Waar werkte ze dan?’ vroeg ze. ‘Ik neem aan ergens in de buurt.’

Het ontging Bergur natuurlijk niet dat Thóra’s belangstelling was gewekt en hij genoot ervan zijn antwoord zo lang mogelijk te rekken. ‘Ze verhuisde naar Kreppa,’ zei hij ten slotte. ‘De boerderij hoort bij het hotel, maar staat leeg. Ze heeft er al haar spullen naar overgebracht.’

‘Ik ken de boerderij,’ antwoordde Thóra. ‘Ik ben er zelfs binnen geweest, maar ik heb geen aanwijzingen gevonden dat iemand daar onlangs nog heeft gewerkt,’ zei ze weifelend. ‘Weet u misschien welke kamer ze gebruikte?’

‘Een van de kamers boven,’ zei hij, zonder er verder op in te gaan.

‘Juist,’ zei ze, vastbesloten om de eerste de beste gelegenheid aan te grijpen om nog een bezoekje te brengen aan de boerderij. Er moesten nog wat van Birna’s spullen liggen, hopelijk iets wat enig licht kon werpen op haar dood, al was dat misschien te veel gevraagd. ‘Vertelt u eens,’ zei ze. ‘Kent u de geschiedenis van de twee boerderijen, Kreppa en Kirkjustétt?’

Bergur schudde zijn hoofd. ‘Nee,’ zei hij. ‘Ik kom uit de Westelijke Fjorden. Ik ben hier pas komen wonen toen ik een jaar of twintig was.’

‘U hebt nooit iets gehoord over een brand op Kirkjustétt?’ vroeg ze hoopvol, ook al wist ze dat het onwaarschijnlijk was.

‘Nee, nooit,’ zei Bergur. ‘Het schijnt dat de huizen nog in de oorspronkelijke staat verkeren, dus er kan alleen brand zijn geweest als het is gebeurd vlak nadat ze gebouwd waren en de schade onmiddellijk is hersteld. Maar dat kan ik me niet voorstellen, want Birna was helemaal gefascineerd door die twee boerderijen en zij heeft er nooit iets over gezegd.’

‘Heeft ze u wel eens iets over hun geschiedenis verteld?’ vroeg Thóra. ‘En heeft ze het in verband met de huizen wel eens over nazi’s gehad?’

Bergur keek haar verbaasd aan. ‘Nu u het zegt, ja,’ zei hij. ‘We hadden het er niet zoveel over, maar ze heeft me inderdaad een keer gevraagd of ik wist of hier in de omgeving in het verleden nazi’s waren geweest. Daar wist ik natuurlijk niets van, maar toen ik haar vroeg wat ze bedoelde, zei ze dat het niet belangrijk was en begon ze over iets anders. Vreemd dat u er nu ook over begint. Ik was het helemaal vergeten.’

‘En Kristín?’ vroeg ze. ‘Heeft ze ooit de naam Kristín genoemd?’

Bergur lachte vreugdeloos. ‘Noem mij een IJslander die in zijn hele leven nog nooit de naam Kristín in de mond heeft genomen.’ Zijn lach verdween. ‘Maar nee, ik kan me niet herinneren dat ik haar die naam ooit heb horen noemen.’

‘Goed,’ zei Thóra. ‘Als u het niet erg vindt, wil ik u ook nog een paar vragen stellen over Eiríkur, de auralezer.’ Zonder zijn antwoord af te wachten, ging ze verder: ‘Kenden jullie elkaar?’

‘Nee,’ antwoordde Bergur. ‘Ik wist wie hij was. Dat was alles. Ik heb hem nooit gesproken.’

‘Kunt u me vertellen hoe u het lichaam hebt gevonden?’

‘Wilt u dat niet liever zelf zien?’

Thóra en Matthew stonden op en volgden hem naar achteren, de eigenlijke stallen in. Thóra was inmiddels aan de stank gewend en hield zich groot, maar Matthew trok een vies gezicht toen ze de koffieruimte verlieten. Ze liepen naar een van de boxen, die hogere scheidingswanden had dan de andere.

‘Hier lag hij,’ zei Bergur, met een bleek gezicht. ‘De hengst stond ook in de box en die had hem doodgetrapt. Zo kwam het althans op mij over.’ Hij opende de staldeur. ‘Het paard staat hier niet meer.’

Thóra keek naar binnen. Er was niet veel te zien, nu de vloer was schoongemaakt. ‘Ik neem aan dat de politie alles grondig heeft doorzocht?’ vroeg ze.

‘Ja, ze zijn hier de hele nacht gebleven,’ antwoordde hij. ‘Het was geen fraai gezicht.’

‘Dat geloof ik graag,’ zei Thóra. ‘Wat kwam u hier eigenlijk doen?’

‘Ik moet de dieren voeren,’ antwoordde hij nors. ‘Helaas.’

‘Helaas?’ herhaalde ze. ‘Hoe bedoelt u?’

‘Ik wou dat ik het nooit had gezien. Het was afschuwelijk,’ zei de boer openhartig. ‘Het was vreselijk om te zien. De vos, de spelden, het bloed… en die arme man.’

‘De vos?’ vroeg Thóra. ‘Was er een vos?’

‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Vastgebonden op zijn borst. Eerst dacht ik dat het een pruik was; toen drong het tot me door. Ik heb hier een tijd lang als aan de grond genageld gestaan. Ik kon mijn ogen er niet van afhouden.’ Hij deed de staldeur dicht.

‘Waarom bindt iemand een vos op zijn borst, of op die van iemand anders?’ peinsde Thóra hardop. ‘Hebben vossen in deze streek misschien een speciale betekenis?’

‘Niet dat ik weet,’ antwoordde Bergur. ‘Ik heb geen flauw idee wat de bedoeling was. Misschien was het alleen om het nog erger te maken voor die arme kerel. Die vos stonk verschrikkelijk. Het dier was al veel langer dood dan hij.’

Thóra knikte, in gedachten verzonken. Ze kon geen logische verklaring verzinnen. ‘En wat zei u over naalden? Had de man zichzelf ergens mee ingespoten?’ Dat zou Thórólfurs bizarre vragen over acupunctuur en naaigarnituurtjes kunnen verklaren.

Het was duidelijk dat Bergur moeite had met de herinnering, want hij fronste zijn voorhoofd. Voordat hij antwoordde, slikte hij moeizaam. ‘Er waren spelden in zijn voetzolen gestoken.’ Hij aarzelde even en voegde er toen aan toe: ‘Hetzelfde was bij Birna gedaan.’ Hij huiverde en vervolgde toen: ‘Degene die dit op zijn geweten heeft is een soort monster.’

‘Spelden?’ vroeg Thóra verbaasd. ‘Naaispelden?’

‘Ja.’ Bergur beet op zijn lip. ‘Ik wil er liever niet over praten. Ik denk er liever niet te veel aan.’

Thóra liet de kwestie rusten, maar was zo verbijsterd dat ze geen idee had wat ze verder nog kon vragen. Waarom zou iemand spelden in iemands voeten steken alvorens hem te vermoorden? Waren Birna en Eiríkur misschien gefolterd om informatie uit ze los te krijgen? Thóra gaf haar overpeinzingen op en veranderde van onderwerp. ‘Mag ik u vragen of u kunt vertellen waar u was op de tijdstippen waarop de politie denkt dat Birna en Eiríkur zijn vermoord?’

‘Ja en nee,’ zei Bergur. ‘Ik kan wel vertellen waar ik was, maar ik ga er meestal alleen op uit, dus de enige die mijn verklaring kan bevestigen, is mijn vrouw.’ Hij wierp Thóra een blik toe alsof hij haar uitdaagde hem tegen te spreken. Dat kon ze niet en ze vond hem veel slimmer dan Jónas, die een alibi had verzonnen dat gemakkelijk te weerleggen was. ‘Zij zou nooit tegen de politie liegen,’ voegde hij er ironisch aan toe, alsof dit een ernstige tekortkoming was.

‘Nog één ding,’ zei Thóra snel. ‘Wat betekent rer?’

Bergur opende de staldeur. ‘Ik heb geen idee waar die letters voor staan.’ Hij wees naar de muur. ‘Eiríkur heeft het voor hij stierf op de wand van de box gekrast.’

Thóra ging weer naar binnen, op de voet gevolgd door Matthew. Nadat zij hem had uitgelegd wat Bergur haar had verteld, bukten zij zich om de letters beter te bekijken. Matthew pakte zijn mobieltje om er een foto van te maken.

‘rer,’ zei Thóra, terwijl ze achter hem aan naar buiten liep. ‘Reb?’ zei ze. ‘“Rebbi” is een woord dat ook wel gebruikt wordt voor een vos. Kan het zijn dat hij Rebbi heeft willen schrijven? Die R kan net zo goed een B zijn.’

Bergur haalde zijn schouders op. ‘Zoals ik al zei, ik heb geen flauw idee.’ Hij deed de deur dicht. ‘Ik moet weer naar binnen. Zijn we klaar?’

Er klonk een zacht geknars toen de staldeur openging. Een vrouw van ongeveer Bergurs leeftijd kwam voorzichtig binnen. Thóra schrok van haar verschijning. Niet dat ze lelijk was, maar er was iets aan haar houding en haar kleding wat haar heel erg onaantrekkelijk maakte. Haar haren waren sluik en kleurloos en werden bijeengehouden door een haarband die betere tijden had gekend. Er zat geen stippeltje mascara op haar korte wimpers. Zij was het soort vrouw die je vijf minuten nadat zij de kamer had verlaten al niet meer kon beschrijven en ze zag eruit alsof ze dat wist. Aan haar uitdrukking te zien wilde ze het liefst door de aarde verzwolgen worden. Terwijl zij daar zo aarzelend in de deuropening stond probeerde Thóra haar een bemoedigend glimlachje te geven.

De vrouw schraapte haar keel en zei toen zacht: ‘Kom je?’ Ze richtte haar woorden tot Bergur, alsof ze Thóra en Matthew niet eens had zien staan.

‘Ja,’ zei Bergur, zonder een spoortje warmte in zijn stem. ‘Ga maar vast naar binnen. Ik kom eraan.’

‘Goed,’ zei Thóra opgewekt. ‘Dan gaan we maar weer eens.’ Ze wendde zich tot Bergur. ‘Bedankt. Het was erg nuttig om de plaats van de misdaad te kunnen bekijken.’ Ze draaide zich om naar de vrouw van wie ze aannam dat het Rósa was. ‘Uw man is zo vriendelijk geweest ons de box te laten zien waar het lichaam is gevonden. Ik ben advocaat en ik werk namens een cliënt aan deze zaak.’

Rósa knikte zonder enige belangstelling. ‘Hallo, ik ben Rósa.’ Ze maakte geen aanstalten Thóra een hand te geven. Haar blik bleef slechts een fractie van een seconde op Thóra rusten voordat ze haar man weer aankeek. ‘Kom je?’ zei ze nogmaals. Bergur zei niets.

Thóra probeerde de spanning te doorbreken door een laatste vraag te stellen, en ze was blij dat Matthew hem niet kon verstaan. ‘De laatste vraag, dat beloof ik,’ zei ze. ‘Ik heb in de buurt van het hotel een jongeman in een rolstoel gezien. Ik meen dat hij hier in de omgeving woont. Weten jullie misschien hoe hij gewond is geraakt?’ Bergur en Rósa stonden haar als aan de grond genageld aan te staren. ‘U weet wel, die jongen met die verschrikkelijke brandwonden?’ lichtte ze haar vraag toe. Meer hoefde ze niet te zeggen, want de stroom van scheldwoorden en verwensingen die Rósa opeens over hen uitstortte liet er geen enkele twijfel over bestaan dat zij wist wie Thóra bedoelde. Thóra keek sprakeloos toe hoe Bergur zijn vrouw bij een arm greep en meevoerde.

Matthew legde een hand op haar schouder. ‘Ik kan je niet vertellen hoe graag ik weg wil uit dit stinkende hok, maar ik verzet geen voet voordat je me vertelt wat je in vredesnaam tegen dat arme mens hebt gezegd.’

Magnús Baldvinsson lachte in zichzelf. Hoe oud en moe hij ook was, er waren nog steeds momenten dat hij zich weer jong voelde. Dit was zo’n moment. Hij draaide het nummer en wachtte vrolijk tot zijn vrouw zou opnemen. Intussen nam hij een flinke slok van de cognac die hij aan de bar had gehaald en genoot van de warmte van de goudkleurige vloeistof voordat hij die doorslikte. ‘Hallo, Frída,’ zei hij. ‘Het is voorbij.’

‘Wat?’ zei ze. ‘Kom je naar huis? Wat is er gebeurd?’

‘De politie heeft een man gearresteerd voor de moord op Birna,’ antwoordde Magnús, terwijl hij het glas hief en de cognac voor zijn ogen door het glas liet walsen. ‘Zeg maar tegen Baldvin dat hij me kan komen ophalen zodra hem dat schikt.’

‘Hij zit ergens in het oosten om het partijcongres voor te bereiden. Ik geloof dat hij pas vanavond laat wordt terugverwacht,’ zei zijn vrouw, met een angstige klank in haar stem. ‘Zal ik iemand anders vragen je te komen halen?’

‘Nee, dat is niet nodig,’ zei Magnús opgewekt. Zijn vreugde over het feit dat er eindelijk een einde was gekomen aan de spanning en de angst van de afgelopen paar dagen werd nog versterkt door het vertrouwde gevoel van trots op zijn kleinzoon. ‘Ik rij graag met hem mee, dus ik wacht wel. Bovendien wil ik alles over het congres horen.’

‘Hij heeft voortdurend naar je geïnformeerd sinds hij je daarnaartoe heeft gebracht,’ zei ze. ‘Wat zal hij blij zijn je weer thuis te hebben.’ Het bleef even stil en toen voegde ze er met een mengeling van argwaan en ongerustheid aan toe: ‘Zijn jullie iets van plan samen?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Magnús resoluut. ‘Nou, ik ga ophangen. Zeg maar tegen Baldvin dat hij me kan komen ophalen wanneer het hem uitkomt. Ik wacht wel.’

Ze namen afscheid en Magnús hing op. Hij liet zijn hand nog even op de telefoon liggen. Hij wist niet of het de alcohol was of de aanblik van zijn gerimpelde, klauwachtige hand, maar iets had hem teruggesleurd naar de werkelijkheid en hij voelde zich weer een oude man. Tot zijn verbazing voelde hij een traan over zijn verweerde gezicht lopen en hij keek hoe de druppel op zijn broekspijp viel. Starend naar de vlek, werd hij opeens overmand door schuldgevoel en verdriet.

O, Kristín.

Thóra wreef in haar ogen. ‘Ik weet niet wat we hier aan hebben, maar ik had gelijk — het vers op Grímur Thórólfssons grafsteen komt uit De Spreuken van de Hoge,’ zei ze, en ze leunde naar achteren. Ze keek Matthew trots aan, tot ze besefte dat hij geen idee had waar zij het over had. ‘De Spreuken van de Hoge zijn wijze uitspraken die worden toegeschreven aan de god Odin. Veel van zijn adviezen zijn nog steeds heel actueel.’ Thóra herkende het gebrek aan belangstelling op Matthews gezicht uit haar eigen schooltijd, toen ze voor het eerst over De Spreuken had gehoord. ‘Hoe dan ook,’ vervolgde ze. ‘Hier staat dat het vers beschrijft hoe vervelend mensen zich voelen wanneer ze afhankelijk zijn van anderen.’

‘Wat ons niet veel verder brengt,’ zei Matthew. ‘Dat weet immers iedereen.’

‘Ik vind juist dat het ons wel degelijk verder brengt,’ wierp zij tegen. ‘Zo is het bijvoorbeeld niet voor niets op Grímurs grafsteen gezet. Het is natuurlijk geen willekeurig gekozen spreuk.’

Ze richtte haar blik weer op het scherm en zocht naar het vers dat ze op de steen achter het hotel hadden gevonden. Dit leverde minder resultaat op; het enige wat ze vond was een verwijzing naar Jón Árnasons negentiende-eeuwse verzameling volkssagen op een pagina over het gebruik om kinderen buiten te vondeling te leggen en hoewel ze verschillende pogingen deed lukte het haar niet het gedicht zelf te vinden.

‘Dat vers heeft te maken met het te vondeling leggen van zuigelingen,’ zei ze tegen Matthew. ‘Hier staat dat het gejammer van ongedoopte baby’s die buiten aan hun lot worden overgelaten om te sterven, kan worden gehoord wanneer het hard waait op de plek waar ze zijn gestorven. En er staat ook dat de geesten van die baby’s zich kunnen verplaatsen door zich op één knie op te richten en zich met één hand voort te slepen.’ Ze keek naar Matthew op. ‘Is dat wat je hebt gezien toen je uit dat raam keek?’ Hij wierp haar een valse blik toe en Thóra richtte haar aandacht grijnzend weer op de computer. ‘Wanneer je er nog eens eentje ziet, moet je ervoor zorgen dat hij niet drie keer om je heen kan kruipen, want dan word je gek. Je moet altijd proberen ze weg te jagen. Dan gaan ze ervandoor en vinden ze uiteindelijk hun moeder terug.’ Ze keek Matthew met een onschuldig glimlachje aan.

‘Heel grappig,’ zei hij nors. ‘Ik meende het serieus, ik heb echt een kind gehoord.’

‘Ik moet een exemplaar van die volkssagen te pakken zien te krijgen en gaan lezen.’ Thóra geeuwde. ‘Maar dat heeft geen haast.’

‘Nee, er is geen haast bij,’ zei Matthew. ‘Ik heb niet het idee dat je daarmee de moordenaar eerder te pakken krijgt.’

‘Je weet maar nooit,’ zei ze, terwijl ze de trefwoorden voor haar laatste zoekactie — naar informatie over de tuberculose-epidemie in IJsland — intypte. Het leverde slechts een klein aantal internetpagina’s op en ze begon ze door te snuffelen. ‘Wat een pech,’ zei ze. ‘In 1946 zijn er medicijnen voor tbc op de markt gekomen. Een jaar na Gudný’s overlijden.’ Na nog wat verder te hebben gelezen, logde ze uit en stond op. ‘Ik begrijp nu wel waarom Gudný en haar vader niet naar een sanatorium wilden. Volgens de informatie die ik hier net lees, waren de pogingen om tbc te behandelen of te genezen bijzonder onaantrekkelijk. Eén long laten inklappen, een aantal ribben verwijderen, dingen die geen enkele zin hadden en in veel gevallen tot ernstige invaliditeit van de patiënten leidden.’

Matthew tikte haar op de schouder. ‘Dat is allemaal erg interessant, maar je moet nu toch echt even kijken wie er zojuist binnen is komen wandelen.’

Thóra keek in de richting van de balie, maar wendde onmiddellijk haar blik af. ‘Wat komt zíj hier doen? Denk je dat ze me heeft gezien?’

‘Misschien komt ze je in elkaar slaan,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Maar wees gerust, ik zet al mijn geld op jou.’

Zonder hem te antwoorden, wierp Thóra nogmaals een snelle blik achter zich. Ze zag Jökull, ober en tuinman, naar de balie lopen, waar Bergurs vrouw aarzelend stond te wachten. Hij droeg een anorak en wandelschoenen en omhelsde Rósa vol genegenheid waarna ze samen het gebouw verlieten. Zij leken Thóra en Matthew geen van beiden te hebben gezien.

Thóra keek Matthew aan. ‘Hoe kennen zij elkaar in vredesnaam?’

26

‘Ik weet dat het bijna tijd voor jou is om naar huis te gaan, Bella,’ zei Thóra vermoeid. ‘Ik vraag je ook niet om het vanavond te doen. Je kunt het morgenochtend uitzoeken.’ Ze schudde haar hoofd naar Matthew toen haar secretaresse aan de andere kant van de lijn haar beklag deed. ‘Bella, het leek me gewoon een ideaal karweitje voor jou omdat jij zo gek bent op paarden.’ Thóra vroeg zich voor de zoveelste keer af hoe de reusachtige Bella er in vredesnaam ooit in kon slagen een paard te bestijgen. ‘Je hoeft alleen maar voor me uit te zoeken of er een verband bestaat tussen paarden en vossen, of tussen vossen en de dood.’ Ze zuchtte en sloot haar ogen toen Bella haar met een nieuwe vraag in de rede viel. ‘Bella, ik heb geen idee waarnaar je precies moet zoeken. Probeer er gewoon achter te komen of vossen en paarden, en in het bijzonder hengsten, iets met elkaar gemeen hebben.’ Thóra begreep dat ze duidelijker zou moeten zijn. ‘Het punt is dat er een man is gevonden die in een stal is doodgetrapt door een hengst. Er was een dode vos op zijn lichaam vastgebonden. Daar moet een reden voor zijn.’

Matthew knipoogde en lachte naar Thóra. Hij was op de hoogte van de wrijving tussen haar en haar secretaresse en vond het leuk om mee te luisteren, al verstond hij er geen woord van. ‘Doe haar de groeten van me,’ fluisterde hij.

Thóra trok een gezicht naar hem. ‘Ja, ja, Bella. Je vindt heus wel iets. Je hebt het op het kerkhof ook prima gedaan en ik weet zeker dat het je nu ook weer gaat lukken. En je moet de groeten hebben van Matthew.’ Terwijl ze dit zei, glimlachte ze liefjes naar hem. ‘Wanneer we terug zijn wil hij dolgraag een keer met je naar de manege. We hebben vandaag ook stallen bezocht en daar was hij helemaal weg van. Hij kan bijna niet wachten om een keer een stal uit te mesten en paarden te voeren. Duitsers zijn dol op IJslandse paarden.’ Ze nam afscheid en wendde zich tot Matthew. ‘Bella heeft je uitgenodigd een keer met haar naar de manege te gaan wanneer we weer terug zijn in de stad,’ zei ze. ‘Ze laat je de groeten doen.’

‘Ha, ha,’ zei Matthew. ‘Om te gillen. Hopelijk heb je haar verteld over de warme ontvangst die jij kreeg toen we de stallen bezochten. Je hebt — wat? — drie woorden kunnen zeggen voordat Rósa helemaal uit haar plaat ging.’

‘Je moet toch toegeven dat ze nogal vreemd reageerde,’ zei Thóra, ‘hoe ongepast de vraag misschien ook was. Ik moet erachter zien te komen wat haar relatie is met Jökull.’

‘Ze reageerde wel een beetje overdreven,’ gaf hij toe, ‘maar ik had je gewaarschuwd dat je je er niet mee moest bemoeien.’

‘Het grappige is dat ik juist beleefd probeerde te blijven omdat ik vond dat Bergur zo lelijk tegen haar deed,’ zei Thóra. ‘Naar die jongen in de rolstoel vragen was het enige wat ik zo snel kon bedenken.’

‘Ja, jammer,’ zei Matthew. ‘Kun je er niets over vinden op internet? Zijn verwondingen zijn duidelijk niet aangeboren; ze zien eruit alsof hij ze in een brand heeft opgelopen, en branden komen meestal wel in het nieuws. Vooral als er gewonden bij vallen. Misschien kun je wat oude verhalen vinden op websites van kranten.’

‘Ja, dat zou ik kunnen proberen,’ zei Thóra. ‘Het zou alleen zoveel gemakkelijker zijn als ik iemand kon vinden die het me kon vertellen. Ik weet niet waar ik moet zoeken; ik weet niet eens of het tien jaar of een maand geleden is gebeurd. De kranten vermelden bijna nooit verwondingen — ze zeggen eerder dat een slachtoffer in kritieke toestand verkeert, zwaargewond is of het naar omstandigheden goed maakt. Daar komt bij dat ik niet eens weet of het om een huisbrand gaat of dat die jongen gewoon in een geiser is gevallen.’ Ze zuchtte. ‘En ik moet echt proberen om die arme Jónas te helpen.’

‘Als je dat kunt,’ bromde Matthew. ‘Je moet toch toegeven dat hij schuldig zou kunnen zijn.’

‘Ja, helaas wel,’ zei ze. ‘Maar ik ben er vrij zeker van dat hij die moorden niet heeft gepleegd.’

‘Maar wie dan wel?’ vroeg Matthew. ‘Het zou er stukken beter uitzien als er nog een verdachte was.’

Thóra dacht na. ‘Bergur zou een goede kandidaat zijn, alleen zou ik niet weten waarom hij Eiríkur zou hebben willen vermoorden.’ Ze beet op haar lip. Ze stonden tegen Matthews huurauto geleund op het parkeerterrein van het hotel, waar Thóra naartoe was gelopen om Bella te bellen. ‘Iedereen die bij de seance was kunnen we toch zeker wel uitsluiten?’ peinsde Thóra. ‘Die was volgens de politie nog aan de gang op het moment dat Birna werd vermoord.’

‘Weten we het exacte tijdstip van overlijden dan al?’ vroeg Matthew.

‘Thórólfur zei dat het afgelopen donderdag tussen negen en tien uur moet zijn gebeurd,’ antwoordde ze. ‘Dat zal hij wel op de lijkschouwing hebben gebaseerd. Het klopt ook met het sms’je waarin haar wordt gevraagd om negen uur naar het strand te komen.’ Ze zuchtte. ‘De seance begon om acht uur. Wij hebben er vanaf het strand ongeveer een halfuur over gedaan, dus als de moordenaar de seance te voet heeft verlaten, kan hij nooit op tijd terug zijn geweest voor de pauze om halftien. De oprijlaan naar het hotel was opengebroken, dus niemand kon er met de auto komen en het zou te lang hebben geduurd om eerst naar de weg te lopen.’

‘Weet je wie er bij de seance waren?’ zei Matthew. ‘Het heeft weinig zin een heel gezelschap mensen uit te sluiten als je niet eens weet wie het waren.’

‘Nee, maar Vigdís weet vast wel wie er zouden komen. Zij heeft de kaartjes verkocht,’ zei Thóra. ‘En waarschijnlijk hebben veel mensen met een creditcard betaald, dus zo kunnen we ook nog wel wat namen te weten komen.’

‘Kun je je niet beter concentreren op de mensen die in aanmerking komen als verdachte, in plaats van op de mensen die het zeker niet hebben gedaan?’ opperde hij.

‘Ja, maar op deze manier kan ik veel mensen uitsluiten. En het bezorgt me ook een lijst van mensen die Jónas in de pauze misschien hebben zien lopen en hem een alibi kunnen verschaffen,’ zei Thóra. Ze keek naar een overvliegende zeemeeuw. ‘Tenzij de moordenaar heeft gevlogen,’ zei ze terloops, maar ze schoot meteen overeind. ‘Wat dacht je van de zee?’ zei ze. ‘Denk je dat hij een motorboot kan hebben gehad om mee naar de inham te varen?’

Matthew leek niet erg overtuigd. ‘Is dat niet een beetje link?’ zei hij. ‘Ik heb die inham gezien en ik zou niet graag proberen op dat strand aan land te gaan. Volgens mij kost dat je de bodem van je boot.’ Maar toen schoot hem iets te binnen en hij voegde er bedachtzaam aan toe: ‘Hoewel ik een eindje verderop een betonnen aanlegsteiger heb gezien. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn.’ Hij zweeg en dacht na. ‘In dat geval moet de boot voorafgaand aan de seance aan de hotelsteiger hebben gelegen en herinnert iemand zich dat misschien. Kom, dan gaan we daar even kijken.’

Ze liepen langs het hotel naar de aanlegsteiger, die in een kleine inham ten oosten van het hoofdgebouw lag. Toen ze het eind van de steiger hadden bereikt, draaide Matthew zich om en keek naar het hotel. ‘Niemand kan ons hier zien,’ zei hij, wijzend. Vanaf de plek waar ze stonden konden ze het dak van het hotel zien, maar geen ramen of deuren. ‘Je zou hier ongestoord zo’n beetje alles kunnen doen wat je wilt.’ Hij keek om zich heen. ‘Maar zo te zien wordt de steiger niet veel gebruikt. Er hangen zelfs geen touwen aan de meerpalen.’

Thóra boog zich over de zijkant van de steiger, maar zag geen rubber banden als stootkussens langs de rand hangen, of enig ander teken dat de steiger regelmatig werd gebruikt. ‘Inderdaad,’ zei ze, ‘maar ik ga toch aan Vigdís vragen of zij die avond een boot heeft gezien.’ De wind veranderde van richting en de stank van de gestrande walvis overspoelde hen. ‘Jezus!’ riep Thóra uit, terwijl ze uitkeek over het strand. ‘Daar ligt dat walviskarkas, kijk!’ Ze wees naar een enorme zwarte berg, een eind verderop.

Matthew sloeg zijn hand voor zijn neus en mond, maar tuurde in de richting waarin Thóra had gewezen. ‘Wat is dat in vredesnaam? Ik heb nog nooit zoiets smerigs geroken.’

‘Zullen we even gaan kijken?’ zei Thóra. ‘Als we gewoon dit strand volgen, zijn we er zo.’

Matthew keek Thóra ongelovig aan. ‘Meen je dat nou echt? Jij wilt dus echt naar die weerzinwekkende berg rottend walvisspek gaan kijken.’

‘Ja, natuurlijk wil ik dat. Hij ligt vlakbij,’ zei Thóra, maar toen ging haar telefoon. Ze kreunde even toen ze het nummer zag. ‘Hallo,’ zei ze.

‘Was je nog van plan mijn sms’jes te beantwoorden, of wilde je ze gewoon maar blijven negeren?’ zei haar ex-man kwaad. ‘Ik heb geen idee waar je uithangt, maar ik ben het een beetje zat verstoppertje met je te spelen. Ik ben niet achterlijk; ik weet heus wel dat je je telefoon hebt uitgezet omdat je ergens zit met de een of andere kerel die je nog maar net kent.’

Thóra verwaardigde zich niet hierop te reageren, maar vond toch wel dat ze iets moest zeggen. ‘Als je heel even je mond zou willen houden, Hannes,’ zei ze, ‘dan kan ik je vertellen dat ik hier voor mijn werk ben en als je ooit de moeite had genomen je buiten de grote stad te wagen, zou je weten dat je niet overal een goede mobiele ontvangst hebt.’ Ze zei dit zonder enige gewetenswroeging, hoewel ze dit zelf ook nog maar sinds een paar dagen wist. ‘Het enige wat ik wil zeggen is dat Gylfi en Sóley ergens vlak buiten Selfoss zitten en moeten worden opgehaald. Sigga is er ook bij.’

‘En wat denk je dat ik daaraan kan doen?’ riep Hannes. ‘Ik werk ook. Ik kan je niet op je wenken bedienen en elk moment voor je klaarstaan.’

‘Kun je ze ophalen of niet?’ vroeg Thóra. ‘Zo niet, dan bel ik mijn ouders en vraag ik of zij het willen doen. Maar ik wil je er wel aan herinneren dat het in wezen jouw schuld is. Als jij niet steeds maar weer “Eye of the Tiger” had lopen zingen, dan waren zij nooit gevlucht.’ Opeens realiseerde Thóra zich dat ze muziek op de achtergrond hoorde. ‘Ik hoor “The Final Countdown”,’ zei ze geschokt. ‘Ben je nu nog steeds SingStar aan het spelen?’

Uiteindelijk stemde Hannes erin toe de kinderen te gaan ophalen en Thóra hing op, boos op zichzelf omdat ze boos op hem was geworden. Ze belde Gylfi om hem te vertellen dat zijn vader hen zou komen halen. Toen vermande ze zich. ‘Dat was even een klein familiedrama,’ zei ze tegen Matthew, die haar vragend aankeek. ‘Laten we naar Kreppa gaan en proberen Birna’s werkplek te vinden.’

‘Graag zelfs,’ antwoordde hij. ‘Zolang ik maar niet naar een dode walvis hoef te kijken. En wie weet? Misschien staan er ergens in het huis nog wel meer namen van vermoorde mensen in hout gekerfd.’

Ze liepen net weer in de richting van het hotel toen Thóra een man zag die naar hen stond te zwaaien. Het was de reisfotograaf, Robin Kohman. Thóra wuifde terug en hij kwam naar hen toe.

‘Hallo,’ riep hij toen zij elkaar naderden. ‘Ik heb jullie gezocht.’

‘O ja?’ riep ze terug, haar pas versnellend. ‘Wij zijn er nogal veel op uit geweest.’

‘Ik vertrek vanavond,’ zei de fotograaf nadat ze elkaar hadden begroet, ‘en ik wilde je Birna’s foto’s nog geven.’ Toen voegde hij er somber aan toe: ‘Ik heb gehoord wat er is gebeurd en ik wilde ze aan iemand geven die haar heeft gekend.’ Hij schudde treurig zijn hoofd. ‘Het is allemaal zo tragisch en ook zo onverwacht in een land als IJsland.’

‘Ja, het is verschrikkelijk,’ zei Thóra. ‘We kunnen alleen maar hopen dat ze de dader snel zullen vinden.’

‘Is de politie al met je komen praten?’ vroeg Matthew. ‘Ik weet zeker dat ze alle hotelgasten willen spreken voordat die vertrekken.’

Robin knikte. ‘Ja, ik heb ze vanmorgen gesproken, maar ik kon ze niets vertellen.’

‘En wilde je de foto’s dan niet aan de politie geven?’ vroeg Thóra. ‘Niet dat wij ze niet willen hebben, natuurlijk.’

‘Nee, ze leken me niet echt relevant,’ zei Robin. ‘Ze hebben in geen geval iets te maken met de moord op Birna. Het zijn doodgewone, onschuldige foto’s.’ Hij glimlachte. ‘Hoewel er wel een eigenaardige bij zit van een dode vos.’

Matthew legde de foto neer. Ze zaten samen met Robin in de bar en op het tafeltje voor hen lag een stapeltje foto’s die Robin uit een grote envelop had gehaald waarop Birna’s naam stond geschreven.

‘Waar is deze genomen?’ vroeg Matthew, wijzend op de dode vos in het midden van de foto. Het magere beest lag op zijn zij in het gras. Zijn tong hing uit zijn bek en zijn dikke bruine pels was vuil en bebloed.

‘Hij lag naast het pad, op weg naar die oude boerderij hier in de buurt,’ antwoordde Robin. ‘Birna had me gevraagd met haar mee te gaan om wat foto’s te maken en toen kwamen we dit arme dier tegen. Birna vroeg me er een foto van te schieten; ze vond hem zo triest. Aan de foto kun je het niet zien, maar alles wees erop dat de vos zich zwaargewond naar die plek had gesleept.’ Robin wees op een wond in de zij van het dier. ‘Hij is waarschijnlijk aan de jager ontsnapt, maar later is de wond hem toch fataal geworden.’

‘Hebben jullie de vos meegenomen?’ vroeg Thóra.

‘Nee, ben je gek?’ zei Robin. ‘We hebben hem met geen vinger aangeraakt. Hij stonk vreselijk.’

‘Denk je dat hij later door iemand anders kan zijn meegenomen?’ vroeg Thóra.

Robin keek verbaasd van haar naar Matthew. ‘Ik begrijp niet helemaal waar deze belangstelling vandaan komt, maar natuurlijk is dat mogelijk. Iedere voorbijganger kon die vos zien liggen.’ Hij trok een vies gezicht. ‘Maar ik kan me niet voorstellen waarom iemand een dood dier zou willen meenemen. Tenzij de pels kostbaar zou zijn.’ Hij keek Thóra aan. ‘Zijn IJslanders zo dol op vossen?’

Ze glimlachte. ‘Nee, niet dol genoeg om dode exemplaren mee naar huis te nemen. Onze belangstelling heeft een heel andere reden, maar het zou te veel tijd kosten om dat allemaal uit te leggen.’ Ze pakte het stapeltje foto’s en begon ze door te nemen. ‘Heeft Birna je verteld waarom ze deze specifieke onderwerpen heeft gekozen?’ vroeg ze aan hem. ‘Ik zie dat er veel foto’s bij zitten van de oude boerderij en het terrein achter het hotel, maar hier zie ik er ook een van een stalen luik en eentje, voor zover ik dat kan zien, van een binnenmuur. Heeft ze daar iets over gezegd?’ Ze overhandigde de foto’s waarover ze het had aan Robin.

Robin bestudeerde de foto’s en knikte. ‘Als ik het me goed herinner, zit dit luik in het weiland bij de oude boerderij, aan de andere kant van de heuvel,’ zei hij. ‘De foto van die muur is hier in de kelder genomen, in het oude gedeelte van het hotel. De dag nadat we eropuit waren geweest om te fotograferen, vroeg ze me deze foto te nemen, maar ze zei er niet bij waarom, en ook niet bij dat luik. Ik dacht dat het iets met architectuur te maken had, maar verder begreep ik ook niet waarom ze die foto’s wilde hebben.’

‘En heeft ze iets over deze steen gezegd?’ vroeg Matthew, terwijl hij hem drie foto’s liet zien van het rotsblok met de inscriptie dat ze achter het hotel hadden gevonden.

Robin bekeek de afbeeldingen. ‘Ja, gek genoeg wel. Ik vroeg haar ernaar terwijl we hem van alle kanten aan het fotograferen waren. Ze vertaalde de dichtregels voor me en omdat ik het nogal ongewoon vond, vroeg ik haar of het een IJslandse gewoonte was om gedichten op rotsblokken te schrijven.’ Hij legde de foto’s neer. ‘Ze zei dat dat niet het geval was en het leek haar nogal te verbazen dat ze die inscriptie op die plek vond.’

‘Maar ze heeft je niet verteld wat zij dacht dat die steen daar deed?’ vroeg Thóra hoopvol.

‘Niet echt,’ antwoordde Robin. ‘Ze vroeg zich af of de regels geschreven konden zijn door de bewoners van de boerderij, of dat er misschien een dichter had gewoond. Ook overwoog ze of er misschien een huisdier was begraven, hoewel de dichtregels haar dan niet echt toepasselijk leken. Ik geloof niet dat ze tot een conclusie is gekomen.’

Matthew trok aan Thóra’s mouw. ‘Dit is wel een interessante,’ zei hij, en hij liet haar een foto zien waarop Birna voor de ingang van het hotel met een oude man stond te praten. Thóra griste hem uit zijn vingers. ‘Misschien stonden ze daar de verbouwing van zijn vakantiehuis wel te bespreken,’ zei Matthew met een ironische ondertoon in zijn stem.

Robin boog zich over het tafeltje heen om te kijken welke foto hun aandacht had getrokken. ‘O ja, die,’ zei hij. ‘Die heb ik gewoon voor de lol genomen. We wilden net op weg gaan naar de oude boerderij toen die man het hotel uit kwam gelopen en tegen Birna begon te praten. Ik weet dat hij een hotelgast is omdat ik hem al een paar keer in de eetzaal heb gezien.’

Thóra knikte. ‘Weet je ook waar ze het over hadden?’

‘Nee, ik heb geen idee,’ zei Robin. Ze spraken IJslands, maar eerlijk gezegd hoefde ik het niet eens te kunnen verstaan om te begrijpen dat het geen vriendelijk gesprekje was. Ik heb ook maar één foto gemaakt, omdat ze al snel ruzie kregen en het me niet gepast leek om verder te fotograferen.’

‘Heeft ze je verteld waar ze ruzie over hadden gekregen?’ vroeg Matthew.

‘Ze mompelde iets over dat mensen hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun daden,’ zei Robin. ‘Ze was behoorlijk boos, dus ik heb niet doorgevraagd.’ Hij dacht even na. ‘En toen zei ze iets over oude zonden die vrucht afwerpen, net als oude schulden. Ik begreep er niets van, dus begon ik maar over iets anders.’

Thóra en Matthew keken elkaar eens aan. Magnús Baldvinsson. Oude zonden?

De verpleegster liep naar het bed van de oude vrouw en raakte zachtjes haar schouder aan om haar te wekken. ‘Malla, lieverd,’ zei ze vriendelijk. ‘Wakker worden. Het is tijd voor je medicijnen.’

De oude vrouw deed zonder een woord te zeggen haar ogen open. Ze staarde omhoog naar het plafond, knipperde een paar keer met haar ogen en kuchte zwakjes. De verpleegster wachtte zwijgend af. Ze wist dat de oude dame soms even tijd nodig had om zich te oriënteren. Ze stond rustig naast haar, met een hand op haar broodmagere schouder en een klein plastic bekertje in de andere. Daar zaten de witte en rode pillen in die ze haar moest toedienen. ‘Kom maar,’ zei ze vriendelijk. ‘Dan mag je straks weer lekker gaan liggen.’

‘Ze is bij me geweest,’ zei de oude vrouw opeens. Ze lag nog steeds naar het plafond te staren en had de vrouw die geduldig naast haar bed stond te wachten nog niet aangekeken.

‘Wie?’ antwoordde de verpleegster vaagjes. Ze was wel gewend dat de oude mensen allerlei onzin uitkraamden, vooral wanneer ze nog niet helemaal wakker waren. Het leek soms alsof ze terug reisden naar lang vervlogen tijden, toen ze nog jonger en gezonder waren en niet volkomen hulpeloos.

‘Ze is bij me geweest,’ herhaalde de oude vrouw met een glimlach. ‘Ze heeft het me vergeven.’ Nu keek ze voor het eerst naar de verpleegster op, nog steeds stralend. ‘Ze was helemaal niet boos. Ze was altijd zo lief.’

‘Wat fijn,’ zei de verpleegster sussend. ‘Het is niet goed om boos te zijn.’ Ze schudde het bekertje met pillen. ‘Kom, dan zal ik je overeind helpen, zodat je je pilletjes kunt innemen.’

In plaats van naar de pillen te kijken, bleef de oude vrouw de jonge verpleegster aanstaren. ‘Ik vroeg haar of ze boos was,’ zei ze, ‘en toen zei ze gewoon: “Waarom zou ik boos moeten zijn?”’ Met enige moeite duwde ze zichzelf op haar ellebogen omhoog. ‘Ze was altijd zo lief.’

‘Zal ik het water vasthouden, of kun je dat zelf?’ vroeg de verpleegster, terwijl ze haar hand uitstak naar een glas op het nachtkastje. Ze gaf het water aan haar patiënte.

‘Toen heb ik haar natuurlijk verteld waarom ze boos zou moeten zijn,’ zei de oude dame, die het water en de pillen volkomen negeerde. ‘En ik dacht dat ze altijd al had geweten dat ik erbij was.’ Ze schudde verwonderd haar hoofd en haar witte krullen dansten. ‘Blijkbaar was dat dus niet zo,’ zei ze, en ze sloot haar ogen weer. ‘Maar toch heeft ze het me vergeven.’

‘Daar ben ik blij om,’ zei de verpleegster, terwijl ze het bekertje met de pillen en het waterglas neerzette. ‘Kom,’ zei ze, en ze pakte de vrouw onder haar armen vast, ‘je moet iets verder overeind komen.’ Ze tilde haar in een betere houding. Haar rug was krom en ze kon niet meer helemaal rechtop zitten, maar zo ging het wel. ‘Zo en dan gaan we nu een paar tabletjes innemen.’ Ze pakte de pillen. ‘Er liggen nog meer mensen te wachten, dus we moeten een beetje opschieten.’ Ze hield het glas voor de dunne, bleke lippen van de vrouw.

De oude dame deed haar mond open en liet toe dat de verpleegster de pillen erin liet vallen. Ze kende de gang van zaken en slikte ze pas door toen ze het water had aangepakt. De pillen verdwenen met luidruchtige slokken, waarvoor ze zich niet leek te generen.

Toen ze klaar was, veegde ze met de rug van haar hand haar mond af en keek naar de verpleegster op. ‘Ze was zo lief. Stel je toch eens voor.’

‘Stel je wát voor, lieverd?’ vroeg de verpleegster beleefd, en ze begon zich intussen af te vragen of de oude vrouw ze nog wel allemaal op een rijtje had.

‘Dat ze het me heeft vergeven,’ zei ze, en ze klonk bijna nog verbaasder dan eerst, ‘terwijl ik niets heb gedaan om haar te helpen.’

‘O, maar weet je dat wel zeker?’ De verpleegster glimlachte. ‘Ik weet zeker dat je genoeg voor haar hebt gedaan. Alleen weet je dat niet meer.’

De oude vrouw keek haar boos aan. ‘Natuurlijk weet ik het nog. Ze is gestorven. Hoe zou ik dat ooit kunnen vergeten?’

De verpleegster streelde de vrouw zachtjes over haar spierwitte haar. De arme, oude schat sloeg wartaal uit, precies zoals ze al had vermoed. Een dode vrouw die bij haar op bezoek was gekomen? Ze onderdrukte een glimlach en legde haar weer in een comfortabele houding. ‘Ziezo, Malla, probeer maar weer lekker te gaan slapen.’

Zodra haar hoofd het kussen raakte, deed de oude vrouw haar ogen dicht. ‘Vermoord. Het kwaad is overal.’ Ze smakte met haar lippen en mompelde toen slaperig: ‘Mijn lieveling. Mijn lieve Kristín.’

27

‘Het moet dezelfde vos zijn geweest die op Eiríkurs lichaam was gebonden,’ zei Matthew. ‘Ik zie hem hier tenminste nergens meer liggen.’ Hij en Thóra hadden het pad gevolgd dat Birna en Robin naar Kreppa hadden genomen en stonden nu op de plek waar zij de vos moesten hebben gevonden. Hij was nergens meer te bekennen.

‘Het kan zijn dat een ander dier hem heeft opgegeten, maar ik denk toch dat je gelijk hebt,’ zei Thóra. ‘De enige dieren die ik hier in de buurt heb gezien zijn schapen, en voor zover ik weet eten die geen vossen.’ Ze keek naar de lucht. ‘Vogels, misschien, maar dan zouden de botten hier nog moeten liggen.’

‘De moordenaar moet dus iemand zijn die dit pad gebruikt,’ zei Matthew, terwijl hij met een tak die hij had opgeraapt in het hoge gras langs het pad sloeg.

‘Ja, of hij heeft op de vos geschoten en heeft hem hier gevonden toen Robin en Birna al weg waren,’ zei Thóra. ‘Ik zou er wat voor overhebben om te weten waarom hij het heeft gedaan.’

‘Wie weet komt ons wonder Bella daar wel achter,’ zei Matthew. ‘Misschien had de vos een bepaalde betekenis.’

‘Een soort boodschap?’ zei Thóra, niet erg overtuigd. ‘Van een actiegroep voor dierenrechten of zoiets?’

‘Nee, van een moordenaar,’ antwoordde hij. ‘Misschien is het wel een psychopaat die iets duidelijk wil maken. Weten we eigenlijk al zeker dat er niet zoiets op Birna’s lichaam was vastgemaakt?’

‘Voor zover ik weet was dat niet het geval,’ zei Thóra. ‘Ze hadden allebei spelden in hun voetzolen, maar niemand heeft iets gezegd over een vos of een ander dier in verband met haar.’

Op het grindpad naar de hoeve bleven ze staan. ‘Van wie is die auto?’ vroeg Matthew, en hij wees op de tamelijk nieuwe Renault Mégane.

Thóra haalde haar schouders op. ‘Geen idee,’ zei ze. ‘Er hoort hier op dit moment niemand te zijn.’ Ze zag licht achter een van de ramen. ‘Misschien zijn Elín en haar broer het huis aan het leegruimen. Ik hoop het maar.’ Ze haalde de sleutel tevoorschijn en ze liepen naar de voordeur, die niet op slot bleek te zijn. Thóra maakte hem open en stak haar hoofd naar binnen. ‘Hallo,’ riep ze. ‘Is daar iemand?’

‘Hallo!’ riep iemand terug en ze hoorden voetstappen dichterbij komen.

‘Hé, hallo,’ zei Thóra opgewekt toen Elíns dochter Berta verscheen. Haar haar werd uit haar gezicht gehouden door een hoofddoek en ze hield een vuile stofdoek in haar hand.

‘Jullie lieten me schrikken!’ zei Berta. ‘Kom binnen. Ik ben wat oude spullen aan het inpakken voor mama en oom Börkur.’ Ze zwaaide met de stofdoek. ‘Alles is heel erg stoffig, dus ik probeer alle dingen schoon te maken voordat ik ze inpak, ook al ben ik op die manier waarschijnlijk eeuwen bezig.’

Matthew keek haar glimlachend aan, blij dat iemand er eindelijk eens aan dacht dat hij een buitenlander was en de moeite nam om Engels te spreken. ‘Hallo,’ zei hij, en hij stak haar zijn hand toe. ‘Leuk je weer te zien.’

‘Dat vind ik ook,’ zei Berta. ‘Ik heb er gelukkig aan gedacht een thermosfles met verse koffie mee te nemen. Jullie komen precies op het goeie moment, want Steini wil geen koffie en ik heb veel te veel gezet.’

Ze volgden haar naar de keuken, waar de jongeman in zijn rolstoel zat. Net als eerst had hij een capuchon over zijn hoofd getrokken om zijn gezicht te bedekken, en toen ze binnenkwamen keek hij hen vanonder de capuchon aan, maar hij zei niets.

‘We hebben bezoek, Steini,’ zei Berta, en bij wijze van antwoord mompelde hij iets onverstaanbaars. ‘Ga je gang,’ zei ze, wijzend op de porseleinen kopjes op het aanrecht. ‘Wees maar niet bang, ik heb ze afgewassen.’ Ze grinnikte.

‘Dank je,’ zei Thóra. ‘Ik besef nu pas hoezeer ik aan koffie toe ben.’ Ze schonk een kopje voor Matthew in en een voor zichzelf. ‘Dit is zeker wel een hele klus voor je?’ zei ze, na een slokje te hebben genomen.

‘O, ja,’ antwoordde Berta meteen. ‘Ik weet niet wat me bezielde toen ik aanbood dit te doen.’ Toen voegde ze eraan toe: ‘Eigenlijk heb ik er wel plezier in. Het is best vreemd om allerlei dingen door mijn handen te laten gaan die zoveel betekend hebben voor mijn overgrootouders.’

‘Dat kan ik me voorstellen,’ zei Thóra. ‘We kwamen eigenlijk langs om een kijkje te nemen in de kamer die Birna als werkkamer gebruikte. We hebben begrepen dat zij hier een werkruimte had ingericht, klopt dat?’

‘Ja, boven,’ antwoordde Berta. ‘Zal ik hem even laten zien? Er is niet veel, alleen wat tekeningen en zo, geen computer. Ze gebruikte altijd een laptop, maar die sloot ze hier nooit aan.’ Ze wees naar het stopcontact waar de stekker van het koffiezetapparaat in zat. ‘De stopcontacten zijn zo oud dat je er een adapter voor nodig hebt. Birna was bang dat de elektriciteit onbetrouwbaar was en wilde niet het risico lopen haar computer te beschadigen. Ze laadde hem voordat ze hierheen kwam altijd op in het hotel.’

‘Dat maakt niet uit,’ zei Matthew. ‘We waren niet speciaal op zoek naar haar computer. We wilden gewoon zien waar ze mee bezig was.’

Berta kneep haar ogen een beetje dicht en keek hen sceptisch aan. ‘Denk je dat haar dood op de een of andere manier verband houdt met het gebouw dat ze aan het ontwerpen was? Ligt het niet veel meer voor de hand dat ze is vermoord door een psychopathische verkrachter?’

‘Nee, zeker niet,’ antwoordde Thóra, en ze besloot het nog maar even niet over Jónas’ arrestatie te hebben. Dan zou Berta het idee kunnen krijgen dat Thóra en Matthew voor de moordenaar werkten en zou ze misschien weigeren de mensen te helpen die iets met de dood van haar vriendin te maken hadden. ‘Maar het lijkt me niet erg waarschijnlijk dat haar werk als architect iets met de moord te maken had. We willen alleen maar kijken of we iets kunnen vinden dat aan een verklaring kan bijdragen.’

‘Ik begrijp het,’ zei Berta. ‘Ik ben er sinds de moord niet meer binnen geweest,’ voegde ze eraan toe. ‘Ik had verwacht dat de politie de kamer zou willen doorzoeken, dus wilde ik nergens aankomen. Maar ze zijn hier niet geweest, dus misschien doet het er niet toe.’ Ze keek Thóra aan. ‘Jij werkt toch als advocaat? Voor Jónas en het hotel?’ vroeg ze.

‘Inderdaad,’ zei Thóra, en ze hoopte dat het meisje niet verder zou vragen naar haar cliënt.

‘Dan zou ik niet weten waarom jij er niet naar binnen zou mogen,’ zei ze. ‘Jij zou het onderzoek toch nooit in gevaar willen brengen?’

‘God, nee,’ loog Thóra vurig. ‘Ik zou er niet over piekeren. We nemen niets mee, we willen alleen maar even rondkijken.’ Ze nam nog een slokje koffie. ‘Lekkere koffie.’ Ze glimlachte.

‘Dank je,’ zei Berta. ‘Sommige mensen vinden mijn koffie te sterk.’ Ze wees met haar kin naar Steini.

‘Hij is ook te sterk,’ zei de stem vanonder de capuchon. ‘Veel te sterk.’

Kennelijk voelde Matthew zich beter op zijn gemak dan Thóra, want hij aarzelde niet om Steini’s opmerking te beantwoorden. ‘Dan moet je er meer melk in doen. Dat is de truc,’ zei hij op volkomen normale toon. ‘Probeer het maar eens. Room is nog lekkerder.’

‘Misschien,’ zei Steini. ‘Ik drink liever cola.’

Berta zond Matthew een warme glimlach toe en Thóra wilde dat ze ook iets kon bedenken om tegen de jongeman te zeggen. De genegenheid die het meisje voor hem toonde was gewoon aandoenlijk.

‘Zal ik jullie de kamer dan maar laten zien?’ zei Berta opeens. ‘Steini en ik wilden er voor vandaag eigenlijk toch een punt achter zetten.’ Ze liep naar de gangdeur.

‘Graag,’ antwoordde Thóra, terwijl ze haar kopje neerzette. Matthew volgde haar voorbeeld. ‘Jullie hoeven niet te blijven, hoor,’ zei ze, terwijl ze achter Berta aan liep. ‘We nemen niets mee en we zullen niets kapotmaken.’

‘Nee, dat zit wel goed,’ zei Berta. ‘Ik moet toch nog een paar dingen afmaken.’

De drie liepen achter elkaar de trap op en naar de deur van Birna’s kamer. Het bleek de kamer te zijn waarvan Thóra en Matthew de eerste keer dat ze hier waren de deur niet open hadden kunnen krijgen.

‘Zodra ik van de moord hoorde, heb ik hem op slot gedaan,’ zei Berta, en ze bewoog de sleutel in het stroeve slot. Met een handige beweging slaagde ze er ten slotte in de sleutel om te draaien en de deur te openen. Er stond een fles frisdrank op het bureau, een asbak in de vensterbank en her en der verspreid stonden en lagen nog verschillende attributen van het moderne leven. Net als in Birna’s hotelkamer hingen ook hier tekeningen aan de muur, voornamelijk schetsen, maar ook een aantal computerprints.

Thóra bekeek de tekeningen aan de muur waarop de geplande locatie van de nieuwbouw en verschillende dwarsdoorsneden te zien waren. ‘Wat is dit?’ vroeg ze, wijzend op een schets van een gebouw met dennen erachter. Er stonden ook bussen en voetgangers op afgebeeld. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat dit haar idee was voor de nieuwbouw van Jónas’ hotel?’ Het gebouw was een en al glas en ze kon zich geen hotelkamers voorstellen met glazen wanden.

Berta kwam bij de tekening kijken. ‘God, nee,’ zei ze. ‘Birna heeft me haar tekeningen voor het gebouw laten zien en die leken hier totaal niet op.’ Ze boog zich naar voren om een hoekje van de print te kunnen bekijken. ‘Deze is van een week geleden,’ zei ze, ‘en de laatste keer dat Birna mij hier binnen vroeg hing hij er nog niet.’

‘Maar hij hing er toch wel toen je de kamer kwam afsluiten?’ vroeg Matthew. ‘Hij kan hier toch niet na haar dood zijn opgehangen?’

Het meisje fronste haar voorhoofd terwijl ze het zich probeerde te herinneren. ‘Ik weet het echt niet meer,’ zei ze. ‘Ik heb alleen even om een hoekje gekeken voordat ik de kamer afsloot en ik kan me echt niet herinneren of deze tekening er toen al hing of niet.’ Ze keek beschaamd, bijna schuldbewust, alsof ze op de een of andere manier in gebreke was gebleven. ‘Maar sinds ik de kamer heb afgesloten, is hier niemand meer geweest. Dat weet ik zeker.’

‘En wanneer was dat precies?’ vroeg Thóra.

‘Dat was zaterdag,’ antwoordde Berta. ‘Het exacte tijdstip weet ik niet meer, maar het was ’s middags. Is dat belangrijk?’ vroeg ze ongerust. ‘Denk je dat de moordenaar hier is geweest?’

‘Nee,’ stelde Thóra haar gerust. ‘Dat betwijfel ik ten zeerste. Niet veel mensen schijnen van dit stekkie van haar op de hoogte te zijn geweest.’

Ze liep naar het bureau. Daarop lagen nog meer tekeningen uitgespreid, samen met een aantal creditcardkwitanties. Ze maakten haar niet veel wijzer, behalve dat Birna klant was geweest bij Esso en de Hvalfjördur-tunnel. De bureaulades klemden en het kostte haar grote moeite ze open te krijgen. Twee ervan waren helemaal leeg en in de derde lag een potlood, een puntenslijper en een sleutel aan een metalen sleutelhanger met een logo dat ze niet herkende. Ze pakte de sleutel op. Hij was te klein om op een deur te passen, of in een autoslot, of wat Thóra verder ook maar kon verzinnen. ‘Weet jij waar deze van is?’ vroeg ze.

Berta schudde haar hoofd. ‘Geen idee,’ zei ze, ‘maar hij is in elk geval van Birna, want hij lag er nog niet toen zij deze kamer in gebruik nam. Dat weet ik omdat ik de kamer voor haar heb leeggeruimd.’

Thóra stak de sleutel in haar zak. ‘Ik leen hem alleen maar even,’ zei ze tegen het meisje. ‘Maak je maar geen zorgen om de politie. Als die hem willen hebben, kunnen ze hem meteen van me krijgen.’

‘Dat zal me een zorg zijn,’ zei Berta. ‘Het enige wat ik wil is dat de moordenaar wordt gepakt. Wie dat doet maakt mij niet uit.’

‘Zijn we hier klaar?’ vroeg Matthew toen ze de hele kamer hadden doorzocht. ‘Liggen er verder nog spullen van haar in dit huis?’

‘Het kan zijn dat er beneden nog een glas staat,’ zei Berta. ‘Ja, en laarzen in de gang. Willen jullie die ook hebben?’

Thóra glimlachte. ‘Nee, nee. Maar misschien kun je me nog iets vertellen,’ zei ze. ‘Birna had veel belangstelling voor een luik buiten. Weet jij misschien waarom?’

Het meisje schudde langzaam haar hoofd. ‘Nee, maar dat was waarschijnlijk toen ze een aanbouw aan dit huis overwoog,’ zei ze. ‘Dat was bijna twee maanden voordat ik haar hier voor het eerst tegenkwam.’

‘Nee, het was daarna, nog heel kort geleden,’ zei Matthew. ‘Weet je welk luik we bedoelen?’

‘Ja,’ zei ze. ‘Ik denk het wel. Er is maar één luik buiten. Willen jullie het zien?’

Thóra keek Matthew aan en haalde haar schouder op. ‘Waarom niet?’ zei ze.

Ze volgden Berta de kamer uit en bleven bij haar staan toen zij de deur zorgvuldig weer achter zich op slot deed. Op weg naar buiten greep Thóra de gelegenheid aan om haar te vragen of zij bij het inpakken oude nazisouvenirs was tegengekomen, of dat Birna het daar wel eens over had gehad.

Berta draaide zich in de deuropening om en keek Thóra stomverbaasd aan. ‘Nee, waarom vraag je dat?’

‘Dat vroeg ik me gewoon af,’ zei Thóra. ‘Er liggen er ook een paar in de kelder van het hotel.’

‘Echt waar?’ zei Berta, die haar verbazing niet onder stoelen of banken stak. ‘Dat vind ik wel vreemd. Zouden ze van iemand anders dan mijn familie kunnen zijn?’

‘Misschien,’ zei Thóra, die wel beter wist. ‘En dan nog iets,’ vervolgde ze terwijl ze verder liepen, ‘zegt de naam Kristín je iets?’

‘Kristín Sveinsdóttir?’ zei Berta zonder zich om te draaien. Thóra’s hart sloeg een slag over. ‘Daar heb ik jaren bij in de klas gezeten, maar ik heb haar al tijden niet gezien.’ Toen keek ze om naar Thóra. ‘Ken je haar?’

Thóra probeerde haar teleurstelling te verbergen. ‘Nee, ik dacht aan een andere Kristín die heel lang geleden hier of hier in de buurt moet hebben gewoond.’

Berta schudde haar hoofd. ‘Nee, ik herinner me niemand met die naam. Maar eigenlijk moet je niet bij mij zijn voor vragen over mensen van vroeger. Daar kan mijn moeder je waarschijnlijk beter bij helpen.’

Vergeet het maar, dacht Thóra. ‘Is dit het luik?’ vroeg ze en ze wees naar een stalen plaat met een gesmede handgreep eraan vast, waarbij Berta was blijven staan. Ze bevonden zich een meter of twintig achter het huis.

‘Ja,’ zei Berta. ‘Er is niet zoveel aan te zien. Wil je het openmaken?’ vroeg ze, en ze gebaarde dat Matthew dat mocht doen als hij dat wilde.

Hij bukte zich en spande zich in om het zware luikdeksel te openen. De scharnieren kraakten toen hij eraan trok, maar hij kreeg het niet open. ‘Wat is daarbeneden?’ vroeg hij.

‘Niets,’ zei Berta. ‘Voor zover ik weet werd het vroeger voor opslag gebruikt. In de kelder is een ingang. Volgens mij werden hier indertijd kolen opgeslagen voor de verwarming van het huis. Het is sinds god mag weten wanneer niet meer open geweest. Het huis wordt al zo lang ik me kan herinneren elektrisch verwarmd.’

‘Mogen we een kijkje nemen in de kelder?’ vroeg Matthew, terwijl hij zijn vuile handen aan het gras afveegde.

Berta knikte, maar waarschuwde hem dat er echt niets te zien was. Ze liep voor hen uit de trap af en via een kleine deur achterin de kelder en een kort, bijna tunnelachtig gangetje, kwamen ze uiteindelijk bij een stalen deur, die ze openduwde. Binnen was het aardedonker. Bij het zwakke licht vanuit de kelder konden ze nog net zien dat de kolenkelder bedekt was met een laag zwart stof met hier en daar wat zwarte hoopjes op de vloer.

‘Smerig, eigenlijk,’ zei Berta terwijl ze de deur weer dichttrok. ‘Hier kan Birna nooit belangstelling voor hebben gehad. Ik kan me niet herinneren dat ze ooit hier in de kelder is geweest.’ Ze liep naar de trap. ‘Ze was hier natuurlijk meestal in haar eentje, dus het kan zijn dat ze er een kijkje heeft genomen, maar ik zou niet weten waarom.’

Toen ze weer boven waren, besloten Thóra en Matthew het voor vandaag voor gezien te houden. Ze namen afscheid van Berta en bedankten haar voor haar hulp. Matthew vroeg haar de groeten te doen aan Steini, terwijl Thóra wederom heel erg haar best deed niet te vragen wat er met hem was gebeurd. Opeens floepte de vraag er toch uit. ‘Berta, hopelijk neem je het me niet kwalijk dat ik het vraag, maar wat is er met je vriend gebeurd?’ zei ze, zo zachtjes dat het in de keuken niet te horen was.

Berta slaakte een diepe zucht. ‘Hij heeft een auto-ongeluk gehad. Een andere auto knalde op de zijne en die is toen in brand gevlogen. Hij zat te roken,’ zei ze, net zo zacht als Thóra.

‘Jezus,’ zei Thóra. ‘Wat verschrikkelijk. Is hij verlamd?’

‘Nee,’ antwoordde het meisje. ‘Dat wil zeggen, zijn ruggengraat is niet beschadigd. Maar zijn benen zijn er zo slecht aan toe dat hij niet goed kan lopen. Een deel van zijn spieren is verbrand en hij heeft nog veel last van de huidtransplantatie. Ik hoop hem zover te krijgen dat hij binnenkort weer met fysiotherapie begint. Het heeft veel tijd nodig.’ Ze keek snel even om een hoekje om te kijken of Steini buiten gehoorsafstand was. ‘Het ergste is dat de man die op hem inreed dronken was. Steini had geen druppel gedronken.’

‘En wat is er met hem gebeurd?’ vroeg Thóra. ‘Hij is er toch zeker niet ongestraft vanaf gekomen?’

Berta glimlachte kil. ‘Zo zou je het kunnen noemen. Hij is bij het ongeluk om het leven gekomen. En zijn vrouw ook.’ Ze zweeg even, alsof ze niet zeker wist of ze verder moest gaan. ‘Ze waren van een boerderij hier in de buurt. Hun dochter is Rósa, de vrouw van Bergur.’

Krijg nou wat, dacht Thóra. Alle wegen leidden naar Bergur de boer.

28

Thóra zat achter de computer in het kantoor van Jónas en had hem aan de telefoon. ‘De politie zal de rechter de bewijzen voorleggen van jouw vermeende schuld en ik zal proberen aan te tonen dat die bewijzen irrelevant of onvoldoende zijn. Daarna zal de rechter je ondervragen en krijg je de kans om op de beschuldigingen te reageren. Je bent niet verplicht de vragen te beantwoorden, maar ik zou je niet adviseren het te weigeren, tenzij je daar buitengewoon goede redenen voor hebt.’

‘Word ik niet in de gelegenheid gesteld om te vertellen dat ik onschuldig ben?’ vroeg Jónas angstig. ‘Ik kan me niet voorstellen dat de rechter niet zal kunnen zien dat ik de waarheid spreek. Rechters horen dat toch te kunnen zien?’

Thóra kon een lachje niet onderdrukken en legde snel een hand op de hoorn. ‘Jónas,’ zei ze, zich snel herstellend, ‘rechters zijn mensen zoals jij en ik en kunnen net zo goed tot verkeerde conclusies komen als ieder ander. Bovendien moet een rechter rekening houden met het bewijsmateriaal dat hem wordt voorgelegd. Als dat er duidelijk op wijst dat jij schuldig bent of iets achterhoudt, moet hij zijn beslissing daarop baseren, hoe overtuigend jij ook roept dat je onschuldig bent.’

‘Ik schijt zeven kleuren,’ zei Jónas vol overtuiging. Thóra hoopte dat hij net zoveel emotie kon tonen wanneer hij de volgende ochtend zijn onschuld moest betuigen. Je wist het maar nooit met rechters.

‘Dat begrijp ik, Jónas,’ zei ze, ‘maar laat je niet gek maken. Bedenk maar dat ik morgen bij je ben en dat alles hopelijk in orde komt.’

‘Wat ga jij zeggen?’ vroeg hij. ‘Kom je nog met iets nieuws?’

‘Nou, dan zou er vanavond nog wel het een en ander moeten gebeuren. Je wordt morgen om tien uur voorgeleid en ik denk niet dat ik voor die tijd nog nieuwe informatie zal vinden.’ De wanhopige stilte aan de andere kant van de lijn sprak boekdelen. ‘Maar ik zal alles doen wat in mijn macht ligt, dat beloof ik je.’

‘Het maakt niet uit wat!’ zei Jónas. ‘Kon je de moordenaar maar vinden, of iemand die zegt dat hij dat is!’

‘Ik denk dat ik lang zou moeten zoeken om een acteur te vinden die bereid is voor de rechter een misdrijf te bekennen dat hij niet heeft begaan.’ Thóra bewoog de muis heen en weer en het scherm voor haar lichtte op. ‘Wat is je wachtwoord, Jónas? Ik heb je computer aangezet, maar ik kom er niet in.’

‘hasjiesj,’ zei Jónas. ‘Allemaal kleine letters.’

Thóra kreunde. ‘Ben je helemaal gek geworden?’ zei ze. ‘Ik zal het voor je veranderen. Als de politie je computer in beslag neemt, lijkt me dat niet het soort wachtwoord dat ze moeten zien. Ik kies wel iets onschuldigers.’ Onmiddellijk nadat ze had opgehangen veranderde ze het wachtwoord. ‘vrijspraak,’ zei ze hardop. ‘Allemaal kleine letters.’

‘Tegen wie heb jij het?’ vroeg Matthew toen hij binnenkwam. ‘Tegen de geest?’

Thóra keek glimlachend naar hem op. ‘Ja, dat leek me de moeite van het proberen waard. Misschien kan de geest ons vóór tien uur morgenochtend de naam van de moordenaar doorgeven.’

Matthew liet zich theatraal in de stoel tegenover Thóra vallen. Hij gooide een dikke stapel papier op het bureau. ‘Ik heb een aantal van die auto’s gevonden,’ zei hij.

Thóra pakte de papieren op. Matthew was met de lijst naar het parkeerterrein gegaan om na te gaan of er ook auto’s van de gasten of het personeel door de Hvalfjördur-tunnel waren gereden op de dag dat Eiríkur was vermoord.

‘Hoe is het je gelukt om zoveel kentekens en namen te controleren?’ vroeg ze. ‘Hoeveel zijn het er eigenlijk?’

‘Een stuk of vijfduizend, maar de politie is zo vriendelijk geweest de lijst langs te lopen en aan te kruisen welke auto’s iets met de moord te maken zouden kunnen hebben. Dat zijn onder andere de auto’s van een aantal personeelsleden van het hotel,’ zei Matthew. ‘De huurauto’s waren een probleem, omdat de verhuurmaatschappij als eigenaar staat geregistreerd, dus daar hebben we op deze manier niet veel aan.’

‘Dus je hebt de nummers vergeleken met de kentekenplaten op het parkeerterrein?’ vroeg Thóra.

‘Ja. Ik heb buiten een paar huurauto’s gevonden die op de lijst voorkwamen en vervolgens heb ik de hulp van Vigdís ingeroepen,’ zei Matthew. ‘Zij is met me meegelopen naar het parkeerterrein en heeft me aangewezen welke auto van wie was. Dat mens heeft een griezelig goed geheugen.’ Hij pakte de papieren en bladerde ze door. ‘Jammer genoeg had ik er niet veel aan. De bestuurders van de huurauto’s zijn natuurlijk allemaal buitenlanders en komen eigenlijk geen van allen in aanmerking als verdachte. Maar ik weet nu bijvoorbeeld wel dat zowel de Japanse vader en zoon, als Robin de fotograaf die dag niet de tunnel hebben genomen.’

‘Robin zei dat hij naar het Westelijke Fjordengebied was geweest,’ zei Thóra. ‘Dan klopt het dat hij de tunnel niet heeft genomen. Volgens Vigdís gaan die Japanners nooit ergens naartoe, dus het verbaast me niet dat zij niet weg waren. En hoe zit het met de rest?’

‘Ik weet niet of dit iets betekent, maar van de wagens die de politie heeft aangekruist, is Bergur door de tunnel gereden en vóór de middag weer teruggekeerd, dus hij is nog steeds in beeld,’ zei Matthew zonder op te kijken. ‘Die effectenmakelaar op krukken is niet weggeweest — dat wil zeggen, ik ben zijn naam niet tegengekomen op de lijst. Eigenlijk denk ik dat hij in zijn toestand helemaal niet rijdt. Thröstur, de kanovaarder, is hier om een uur of zes weggereden. De moord is rond etenstijd gepleegd, dus lijkt hij boven elke verdenking verheven. Hij kwam pas veel later terug.’

‘Hoeveel later precies?’ vroeg Thóra. ‘Er is namelijk een langere route — dan rij je om Hvalfjördur heen, in plaats van de tunnel te nemen. Hij kan dus de tunnel hebben genomen, op de terugweg om Hvalfjördur heen zijn gereden, Eiríkur hebben vermoord en vervolgens weer terug zijn gereden — via de lange route — naar de andere kant van de tunnel en daar zijn omgedraaid om weer door de tunnel terug te keren.’ Ze trok een grimas. ‘Dat klinkt misschien wat al te onaannemelijk. Als hij een halfuur of een uur voor de moord door de tunnel is gereden, is het heel erg onwaarschijnlijk dat hij in zo korte tijd hiernaartoe kon komen, Eiríkur mee kon slepen naar de stallen, hem daar kon vermoorden en dan de hele route naar de tunnel en weer terug kon rijden. Ik weet het exacte tijdstip van overlijden niet, alleen dat het rond etenstijd is gebeurd.’

Matthew vergeleek de tijdstippen waarop Thröstur was vertrokken en teruggekeerd. ‘Hij is tweeënhalf uur nadat hij door de tunnel is gereden, weer teruggekomen.’

‘Dan kan het dus echt niet,’ zei Thóra. ‘Het lijkt me zo goed als onmogelijk, maar ik vind toch dat we hem moeten polsen. Misschien weet hij iets. Wat heb je daar nog meer?’

‘In grote lijnen komt het erop neer dat het personeel hier is gebleven; er staan tenminste maar een paar auto’s op de lijst die van hen zijn. Het is natuurlijk altijd mogelijk dat ik iets over het hoofd heb gezien, maar voor zover ik kan nagaan, hebben maar twee werknemers die dag gebruikgemaakt van de tunnel. Jökull heeft de tunnel genomen en is twee uur later weer teruggereden, dus die komt nog steeds in aanmerking. En dan heeft de politie nog een auto aangekruist die volgens Vigdís van de masseuse is. Zij is tegen de middag vertrokken en niet meer teruggekomen. En er is volgens Vigdís nog een werkneemster aangestreept door de politie. Ze heet Sóldís en ze is hier schoonmaakster. Zij is vlak na de moord vertrokken. Vigdís zegt dat ze zondag haar auto bij een garage in Reykjavík ging neerzetten en dat ze met iemand anders is teruggereden. Ik herken de naam niet, maar zij kan dus elk moment van de dag terug zijn gekomen, omdat we niet weten van wie ze een lift heeft gekregen.’

‘Sóldís is nog maar een meisje. Het lijkt me sterk dat zij er iets mee te maken heeft,’ zei Thóra. ‘Ik heb haar vóór jouw komst kort gesproken en ze leek me een leuke meid. Ik denk trouwens helemaal niet dat we naar vrouwen moeten kijken,’ voegde ze eraan toe. ‘Niet als we ervan uitgaan dat beide moorden door een en dezelfde persoon zijn gepleegd. Vergeet niet dat Birna verkracht is.’

‘Dat kan zijn, maar de politie heeft namen van mannen en van vrouwen aangekruist,’ zei Matthew. ‘We weten per slot van rekening niet of de bestuurder van de auto in alle gevallen ook de eigenaar was. De vrouwen kunnen hun wagen wel aan iemand hebben uitgeleend; de moordenaar kan best in een auto hebben gereden die niet van hem was. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de auto’s van de mannen. We kunnen er niet zonder meer van uitgaan dat zij, alleen omdat ze de rechtmatige eigenaars zijn, ook achter het stuur hebben gezeten.’

‘Nee, dat is waar,’ zei Thóra. ‘Dus dan schieten we hier eigenlijk niet veel mee op, toch?’

‘Nou,’ antwoordde Matthew, ‘ik heb nog wat andere namen op die lijst bekeken, want je weet immers maar nooit waar de politie naar op zoek is.’ Hij bladerde wat verder. ‘Ik zag dat Börkur en Elín vóór de moord allebei in deze richting door de tunnel zijn gereden. Ze zijn niet teruggekomen. En dan is er nog dat meisje, Berta; zij was een uur voor de moord op weg naar Reykjavík en is die dag niet teruggekomen.’

‘Denk je dat de broer en zus de moordenaars zouden kunnen zijn?’ vroeg Thóra. Zij fronste. ‘Daar had ik nog niet eens aan gedacht. Ik kan me alleen niet voorstellen waarom ze die twee zouden willen vermoorden.’

‘Je weet het nooit,’ zei Matthew. ‘O, ja, ik heb Vigdís ook nog naar die oude kerel, Magnús Baldvinsson, gevraagd, en zij zei dat hij hier niet met zijn eigen auto is gekomen — zijn kleinzoon heeft hem gebracht — dus zelfs al zouden we hem tot moord in staat achten, dan nog kan hij die hele dag niet zijn weggeweest.’

‘En dan hebben we nog de vrouw van Bergur,’ zei Thóra peinzend. ‘Het lijkt me zo onwaarschijnlijk dat dit allemaal bij hen voor de deur kon gebeuren zonder dat ze er iets mee te maken hebben. Hij is Birna’s minnaar en vindt toevallig haar lichaam; vervolgens wordt Eiríkur in hun eigen stallen vermoord. Zij had reden genoeg om Birna dood te wensen, ook al zou ik niet weten waarom ze Eiríkur wilde vermoorden.’ Thóra keek Matthew aan. ‘Denk je ook niet dat zij Birna moet hebben vermoord? Vandaag in de stallen was ze behoorlijk overstuur. Heeft ze misschien een medeplichtige gehad die de verkrachting op zijn geweten heeft?’

Matthew haalde zijn schouders op. ‘Ja, dat kan, maar wie? Haar vriend Jökull, misschien?’

Thóra bromde wat en keerde zich naar de computer. ‘Ik verga van de honger,’ zei ze, met een blik op het klokje in de hoek van het scherm. ‘Zullen we gaan kijken of we iets te eten kunnen krijgen? Als we nog langer wachten, ben ik bang dat de keuken dicht is. De computer kan wel even wachten.’

Ze liepen het kantoortje uit. Matthew liet de lijst liggen en Thóra deed de deur achter zich op slot, zodat niemand hem mee kon nemen. Ze was er niet zo zeker van dat de politie haar een nieuw exemplaar zou geven als ze de eerste kwijtraakte, want eigenlijk had ze hem natuurlijk helemaal niet in handen mogen krijgen. En ook al gaven ze die haar wel, dan was de kans klein dat ze weer een exemplaar zou krijgen waarop al die kentekennummers zo handig stonden aangekruist, en dan waren ze weer terug bij af.

‘Ik hoop dat er schaaldieren op het menu staan,’ zei Thóra met een rammelende maag, ‘of misschien gehaktballetjes.’

‘Ik heb meer trek in een stevige sandwich en een biertje,’ zei Matthew. ‘Zolang het maar geen walvisvlees is, en voel je ook vooral niet verplicht om je schaaldieren met mij te delen.’ Hij zweeg toen Thóra zachtjes aan zijn mouw trok. Ze knikte in de richting van een slank meisje dat in gezelschap van een bejaarde dame naar de lobby liep.

‘Dat is Sóldís,’ fluisterde Thóra, ‘zij is degene wiens naam je niet herkende op de lijst.’ Thóra stak haar hand naar haar op. ‘Hallo, Sóldís,’ zei ze.

Sóldís en de andere vrouw bleven staan en het meisje deed nauwelijks moeite om een glimlach te forceren. ‘O, hallo.’

Thóra stelde zich voor aan de bejaarde vrouw en gaf haar een hand. ‘Ik ben advocaat,’ zei ze, ‘en ik werk voor de eigenaar van dit hotel. Sóldís heeft mij met verschillende dingen heel goed geholpen.’ De vrouw stelde zich voor als Lára. Thóra glimlachte naar haar jonge metgezel. ‘Ik wilde je nog één vraagje stellen, als jullie tenminste geen haast hebben.’

‘Wat mij betreft niet,’ zei de oude vrouw. ‘Ik kwam haar alleen maar ophalen en we hebben geen haast. Toe maar, Sóldís.’

‘Best, hoor. Het maakt mij niet uit,’ zei Sóldís met de feilloze onverschilligheid van een tiener. Ze kauwde op een stuk kauwgom dat kennelijk veel te groot was, want ze praatte een beetje onduidelijk. ‘Wat wil je weten?’

‘Het is niets bijzonders, hoor,’ antwoordde Thóra. ‘We zijn een lijst met auto’s aan het natrekken die zondag door de Hvalfjördur-tunnel zijn gekomen en het schijnt dat jij jouw auto naar Reykjavík hebt gereden voor reparatie.’

‘Dat klopt,’ antwoordde het meisje. Ze wees met haar duim naar de bejaarde dame naast haar. ‘Ik krijg hem woensdag pas terug, daarom komt mijn oma me nu ophalen.’

‘Oké,’ zei Thóra. ‘Wat ik wilde vragen is: met wie ben je vanuit Reykjavík weer teruggereden? We proberen voor die dag van iedereen de gangen na te gaan.’

Aan haar gezichtsuitdrukking te zien leek Sóldís het maar een rare vraag te vinden. ‘Ik ben met Thröstur teruggereden,’ zei ze.

‘De kanovaarder?’ zei Thóra verbaasd.

‘Ja, ik had hem horen zeggen dat hij even heen en weer moest naar Reykjavík en ik zat een beetje omhoog, dus toen heb ik gevraagd of hij me op de terugweg een lift wilde geven. En dat vond hij prima.’

Ze blies een grote kauwgombei en liet hem klappen. Toen zoog ze met veel lawaai de lange slierten kauwgom terug in haar mond. ‘Steini had me laten zitten, dus ik was blij dat Thröstur me kon helpen.’

‘Steini?’ vroeg Thóra. ‘Wie is Steini?’ Ze kon toch zeker de jongen in de rolstoel niet bedoelen?

‘Een vriend,’ antwoordde het meisje. ‘Min of meer. Hij zou me komen ophalen, maar dat ging op het allerlaatste moment niet door. Hij is een beetje vreemd. Vroeger niet, maar toen heeft hij dat ongeluk gehad en…’ Ze maakte met haar wijsvinger een ronddraaiende beweging bij haar slaap.

‘Je bedoelt die jongen in de rolstoel, met al die brandwonden?’ vroeg Thóra verbijsterd. ‘Kan die autorijden?’

‘O, ja,’ zei Sóldís. ‘Hij is alleen aan de rechterkant verbrand en aan zijn andere hand mankeert hij niets. Zijn benen zijn er allebei slecht aan toe, maar hij heeft een hulpmiddel in zijn auto waarmee hij de pedalen kan bedienen en hij rijdt in een automaat.’

‘Dat maakt voor hem natuurlijk een wereld van verschil,’ zei Thóra, terwijl ze haar verbazing probeerde te verbergen. Het was zelfs nooit bij haar opgekomen dat hij in staat was een auto te besturen. Ze was ervan uitgegaan dat hij volledig afhankelijk was van anderen omdat hij in een rolstoel zat. ‘Waar ken je hem van?’ vroeg ze.

‘We hebben vanaf ons zesde jaar bij elkaar in de klas gezeten,’ zei Sóldís. ‘Er was altijd van elke groep maar één klas, zie je, en wij zijn in hetzelfde jaar geboren. Na het ongeluk is hij hier in de buurt komen wonen en ging ik af en toe bij hem langs, eerst uit medelijden en later gewoon om te kletsen.’

‘Dus hij is een goede vriend van je?’ vroeg Thóra, die haar best deed om het allemaal te bevatten. Ter verduidelijking voegde ze eraan toe: ‘Ik heb hem twee keer ontmoet en toen leek hij me zo… gereserveerd.’

‘Hij is oké, hoor. Hij is alleen niet zo goed met vreemden,’ zei Sóldís, waarna ze haar kauwgom weer liet knallen. ‘Hij vindt het vervelend wanneer mensen naar hem staren. Eigenlijk zijn er maar twee mensen die veel met hem omgaan, zijn nichtje Berta en ik.’

‘Haar heb ik ook ontmoet,’ zei Thóra. ‘Zijn jullie ook vriendinnen?’

‘Ja, best wel,’ antwoordde Sóldís. ‘Ik ken haar nog niet zo lang, want ze komt uit Reykjavík. Ik heb haar bij Steini leren kennen. Ze is heel lief voor hem; ze lijkt me wel oké.’

‘Ja, dat was heel verschrikkelijk allemaal,’ zei Sóldís’ grootmoeder Lára opeens. ‘Er wonen hier niet zoveel mensen, dus een ongeluk waarbij twee mensen om het leven komen en één persoon zwaargewond raakt vergeet je niet zo snel.’

‘Ik heb begrepen dat het om een echtpaar van middelbare leeftijd ging van een boerderij hier in de buurt,’ zei Thóra.

‘Ja, vreselijk gewoon,’ antwoordde de oude vrouw. ‘En het allerergste was nog dat Gudmundur dronken was. Als hij niet dronken achter het stuur was gaan zitten, was het nooit gebeurd. Het is erg zwaar geweest voor hun dochter, Rósa. Zij is sindsdien nogal geïsoleerd geraakt. Ze was al niet zo’n gezelschapsmens, maar na het ongeluk trok ze zich helemaal terug, wat natuurlijk belachelijk is, want er is niemand die haar iets kwalijk neemt.’

Thóra knikte. ‘Dus u komt hiervandaan?’ vroeg ze aan Lára.

‘Ja, geboren en getogen.’ Ze glimlachte. Thóra zag hoeveel Sóldís op haar leek. Ook al zat er misschien wel zestig jaar leeftijdsverschil tussen de twee, ze hadden dezelfde gelaatstrekken. ‘Toen ik jong was heb ik een paar jaar in Reykjavík gewoond, maar ik kwam er algauw achter dat ik liever hier was. Dit is de beste plek om te wonen, dat geloof ik nog steeds.’

Thóra glimlachte. ‘Sinds ik hier ben heb ik allerlei interessante dingen ontdekt. U hebt zeker niet de mensen gekend die op de twee boerderijen hebben gewoond die bij deze grond horen?’

‘Op Kreppa en Kirkjustétt? Jazeker heb ik die gekend,’ zei Lára trots. ‘Gudný, het meisje van Kirkjustétt, en ik waren dikke vriendinnen. Daarom kom ik hier zo graag, ook al is het soms moeilijk om te zien waar het verleden eindigt en het heden begint.’

‘Dus u kunt zich die tijd goed herinneren?’ zei Thóra, terwijl ze probeerde te bedenken wat ze het liefst wilde vragen.

‘Absoluut. Natuurlijk is mijn geheugen, zoals het met alles gaat, niet meer wat het geweest is, maar het grappige is dat de oudste herinneringen het langst lijken te beklijven. Je mag me alles vragen wat je wilt. Grímur en zijn broer, Bjarni, waren anders dan anderen, dus jij vindt je eigen vragen waarschijnlijk vreemder dan ik! Het leven hier op de boerderij was behoorlijk ongewoon, dus ik kijk nergens van op.’

Thóra kon haar wel zoenen. ‘O, wat een opluchting om dat te horen. Het kost me zoveel moeite mensen zover te krijgen dat ze erover willen praten; of ze weten niets of ze willen het er niet over hebben.’ Ze haalde een keer diep adem en stak van wal. ‘Kunt u zich herinneren of de boerderij op wat voor manier dan ook in verband stond met het nazisme? Ik heb een vlag en wat andere spullen gevonden die hier niet op hun plaats lijken en ik moet zeggen dat het me erg verbaasde ze aan te treffen in de kelder van een boerderij op het platteland van IJsland. Weet u daar iets van?’

Lára zuchtte diep. ‘Ja, ik ben bang van wel. Bjarni was erdoor geobsedeerd. Je moet bedenken dat hij rond 1930, na de dood van zijn vrouw Adalheidur, nooit meer de oude is geworden. Ze was alles voor hem en je zou kunnen zeggen dat hij toen zij stierf zijn verstand kwijtraakte.’ De oude vrouw grinnikte schalks. ‘In zekere zin was dat een geluk, want hij verdiende letterlijk zijn geld met het feit dat hij zo vreemd was. Hij investeerde in allerlei wilde projecten waaraan hij normaal gesproken bankroet zou zijn gegaan, maar vanwege de tijd waarin we leefden leverden ze hem een vermogen op. Net toen hij begon met beleggen, brak de oorlog uit en alles zat hem mee. Het was puur toeval dat de economie van de ene op de andere dag een transformatie onderging vanwege de militaire bezetting en de bevolkingsgroei. Maar die arme Grímur, die juist altijd zo verstandig was, had minder geluk.’

‘Ging hij failliet?’ vroeg Thóra.

‘Nee, zo erg was het niet, maar ik denk dat het niet veel heeft gescheeld. Hij was arts, maar omdat hier al een dokter woonde had hij niet voldoende werk, en ging hij zich steeds meer toeleggen op het boerenbedrijf. Uiteindelijk gaf hij zijn artsenpraktijk helemaal op en wijdde al zijn krachten aan het opbouwen van zijn boerderij, alleen kon hij niemand vinden die voor hem wilde werken. Iedereen was naar Reykjavík vertrokken, waar de geallieerde strijdkrachten veel beter betaalden. Uiteindelijk redde Bjarni zijn broer van de financiële ondergang. Hij kocht al Grímurs bezittingen op, maar liet alles wel gewoon door hem gebruiken alsof het zijn eigendom was — ook al wisselden die twee amper nog een woord met elkaar — zodat het best moeilijk voor Grímur moet zijn geweest om zijn hulp te accepteren.

Tot overmaat van ramp overleed omstreeks die tijd ook Grímurs vrouw, Kristrún, zodat hij alleen achterbleef met zijn dochtertje. Kristrún was geestelijk niet in orde. Ik kende haar amper en ze kwam niet veel onder de mensen,’ zei de oude vrouw. Ze zweeg even en vervolgde toen: ‘Wat die nazikwestie betreft: Bjarni kreeg bezoek van mensen uit Reykjavík die van hem een soort nazileider van West-IJsland wilden maken. Hij moest jongemannen werven om in dit deel van het land een politieke vertegenwoordiging te creëren. In het zuiden was er ook één en ik dacht in het noorden ook, hoewel die nooit erg ver zijn gekomen.’

‘En hij wel?’ vroeg Thóra. ‘Is hij lid geworden van de partij en heeft hij mensen geworven?’

‘Hij is er wel mee begonnen en het ging hem niet eens zo slecht af.’ Lára glimlachte opnieuw. ‘Maar het was niet het manifest, de partij of de swastika waar de jongemannen op afkwamen, maar Bjarni’s dochter, Gudný.’

‘En zij was dus uw vriendin?’ zei Thóra.

‘Ja, dat was ze zeker. Vriendschap was in die tijd natuurlijk heel anders dan nu. Wij zagen elkaar lang niet zo vaak als meisjes elkaar tegenwoordig zien. Toch was het een echte vriendschap; we waren heel erg aan elkaar verknocht.’ De oude vrouw staarde dromerig voor zich uit. ‘Ze was zo mooi — een mooi meisje dat in een mooie jonge vrouw veranderde, net als haar moeder. Zodra ze in de puberteit kwam, lagen alle plaatselijke jongens aan haar voeten en ze grepen elke kans om bij haar thuis te komen met beide handen aan, ook al moesten ze zich daarvoor een avondje voordoen als nationaalsocialisten. Volgens mij hadden ze geen idee wat het nazisme inhield. Ze wilden alleen maar in de buurt van Gudný zijn.’

‘Was zij ook bij die bijeenkomsten?’

‘O, nee, kindje, maar ze zette wel koffie en ging rond met versnaperingen. Ik hielp haar wel eens. Dan flirtten we een beetje met de jongens en rolden later van onze stoel van het lachen.’ Lára’s blik betrok en ze schudde verdrietig haar hoofd. ‘Ik weet niet hoe het anders zou zijn gelopen, maar het noodlot sloeg toe en wat gebeurde, gebeurde.’

‘Bedoelt u de tuberculose?’ vroeg Thóra.

‘Onder andere, ja,’ zei ze. ‘Bjarni werd ziek en sloot zichzelf op — en dat betekende dat Gudný hetzelfde deed.’ Ze zuchtte. ‘Ik verhuisde rond die tijd met een tante naar Reykjavík en zo verloren we elkaar, op een enkele brief na, uit het oog. Dat hele nazigedoe ging als een nachtkaars uit.’

‘Wat denkt u van de geruchten dat Bjarni Gudný misbruikte?’

Lára keek haar openhartig aan. Ze zuchtte even en sloot toen haar ogen. ‘Hemeltjelief, het is zo’n tijd geleden. Eerlijk gezegd heb ik de laatste tijd veel aan Gudný gedacht.’ Ze wees naar Sóldís, die nog steeds naast haar stond en haar kauwgom door haar mond liet bewegen. ‘Toen Sóldís hier ging werken, kwam het allemaal weer naar boven.’ Ze aarzelde even en keek Thóra toen resoluut aan. ‘Ik geloof niet dat Bjarni zijn dochter ooit met een vinger heeft aangeraakt, niet uit woede en ook niet vanuit andere zondige gedachten. Hij mocht dan een beetje zonderling zijn, maar hij was een goed mens en aan haar brieven kon ik zien dat zij heel erg veel van hem hield, dus ik kan dat niet geloven.’ Ze keek omlaag. ‘Maar dat er iets gebeurd is staat wel vast. Gudný schreef niet meer zo vaak, maar in haar laatste brief vertrouwde ze me toe dat ze een baby had gekregen. De brief was vlak na haar vaders dood geschreven en toen was het kind vier jaar oud. Ze zei dat ze niet eerder de moed had gehad het mij te vertellen. Destijds was zoiets nog een enorm schandaal. Ze moet zestien zijn geweest toen de baby werd geboren. Over de vader repte ze met geen woord, maar ze zei dat ze me het hele verhaal later nog wel zou vertellen. Maar daar heeft ze nooit de kans voor gekregen, want het eerste wat ik daarna over haar hoorde was dat ze was overleden.’

‘Wie denkt u dat de vader kan zijn geweest,’ vroeg Thóra, ‘als haar eigen vader het niet was?’

‘Veel andere kandidaten waren er niet, dat kan ik je wel vertellen,’ antwoordde Lára. ‘Mensen waren bang voor tbc, omdat het zo besmettelijk was en genezing in die tijd nog niet mogelijk was. Toen haar vader eenmaal had besloten thuis te blijven in plaats van naar Reykjavík te gaan, waren zij met z’n tweeën volledig geïsoleerd. Zij wilde hem niet alleen laten, dus dat was dat. De enige die bij mijn weten bij hen langsging was Bjarni’s broer, Grímur. Ik heb hem er altijd van verdacht Gudný te hebben misbruikt, hoewel ik dat eigenlijk niet zou mogen zeggen, met als enige reden het feit dat hij geen goed mens was.’

‘Wat is er met het kind gebeurd?’ zei Thóra. ‘Was het een jongen of een meisje?’

‘Een meisje. Ik weet niet wat er van haar is geworden, want toen ik hier terugkwam leek niemand iets van haar te weten. De dominee die haar moet hebben gedoopt was net overleden en de mensen die ik ernaar vroeg hadden geen klein meisje gezien. Een paar mensen hadden gehoord dat Gudný spullen had besteld die ze alleen nodig kon hebben gehad als er een baby op de boerderij was geweest. Boze tongen beweerden dat de baby in de vrieskou was achtergelaten om te sterven, of net als haar moeder aan tbc was gestorven. Het incestverhaal begon pas te circuleren toen Gudný en Bjarni allebei dood waren. Misschien zijn mijn pogingen om het kindje te vinden zelfs wel de aanzet geweest tot die geruchten.’

‘Hebt u het er met Grímur over gehad?’ vroeg Thóra.

‘Dat heb ik wel geprobeerd, maar hij wilde er niet over praten. Niet lang nadat ik weer hier was komen wonen is hij naar Reykjavík verhuisd. Niemand wilde me helpen de kwestie tot op de bodem uit te zoeken omdat er zo’n groot taboe op incest rustte — het was een enorme schande.’

‘Weet u hoe het kind heette?’

‘Kristín. In haar brief had ze het over de kleine Kristín. Ik heb overal gezocht naar een grafsteen met die naam erop, maar ik heb er nooit een gevonden, dus ik heb geen idee wat er van haar geworden is.’

‘Kristín,’ mijmerde Thóra. ‘Ze heeft dus toch bestaan.’

‘Heeft bestaan?’ zei Gudný. ‘Ik heb nog steeds de hoop dat ze in leven is. Ik heb altijd geloofd dat Gudný een goed thuis voor haar heeft gevonden, maar het geheim heeft gehouden. Ze wilde natuurlijk niet dat mensen bang waren tbc op te lopen door het kind. Misschien is dat wel de reden geweest voor al die geheimzinnigheid na de geboorte en heeft ze Grímur gevraagd de geboorteakte niet naar de autoriteiten te sturen, of hem zelfs op de een of andere manier te vervalsen. Ik neem aan dat Grímur de bevalling heeft begeleid, want de baby is geboren toen er al niemand meer bij Gudný en haar vader over de vloer kwam.’ Er verscheen een koppige blik op Lára’s gezicht. ‘Mijn vriendin Gudný was een godvrezend meisje. Zij zou het nooit goed hebben gevonden dat haar kind, als het was overleden, in ongewijde grond was begraven. Dan had zij haar zeker hier op het kerkhof laten begraven en daarom geloof ik dat ze nog leeft.’

Thóra knikte. Geen enkele normale moeder zou een overleden kind zomaar ergens begraven wanneer er een kerkhof in de buurt was. Kristín moest haar moeder dus hebben overleefd. Thóra wilde Lára liever niet vertellen over de boodschap die in de balk was gekrast en waarin werd beweerd dat Kristín was vermoord. Voor haar was het beter te geloven dat ze nog leefde.

Thóra begon over iets anders. ‘Weet u misschien wat voor gebouw hier vroeger achter het hotel heeft gestaan? Het moet lang geleden zijn afgebrand.’

‘Een gebouw?’ zei Lára. “Er heeft hier maar één gebouw gestaan en dat staat er nog steeds, ook al is het nu opgegaan in het hotel.’ Ze fronste nadenkend haar voorhoofd. ‘Tenzij je de schuur bedoelt,’ zei ze opeens. ‘Nu je het zegt, die staat er niet meer.’ Ze keek om, zoekend naar een opening waardoor ze het land achter het hotel kon zien, maar die was er niet. ‘Aan de andere kant van de boerderij stond een gebouw dat dienstdeed als schuur en als veestal. Het kan best zijn dat het is afgebrand, maar dat moet dan geweest zijn voordat ik terugkwam, want ik kan me geen brand herinneren. Ik kan niet met zekerheid zeggen of het gebouw er nog stond toen ik hier terugkeerde.’

‘Ik weet dat dit vreemd moet klinken, maar herinnert u zich iets bijzonders over het kolenhok op Kreppa?’ vroeg Thóra. ‘Het bevindt zich ondergronds, maar kan zowel vanuit de kelder als via een luik in het weiland worden bereikt.’

Lára vertrok peinzend haar gezicht. ‘Niet dat ik weet. Is het belangrijk?’

‘Wat zijn die lui daar van plan?’ zei Sóldís opeens, voordat Thóra iets terug kon zeggen. ‘Weten ze soms niet dat ze hier niet mogen kamperen? Er staat een groot bord bij de oprit. Dit is een beschermd natuurreservaat.’

‘O, nee,’ zuchtte Thóra toen zij zag hoe haar suv met caravan het parkeerterrein van het hotel op kwam hobbelen.

29

De caravan stak een flink eind uit achter de parkeerplek. Thóra keek toe hoe Gylfi uit de suv stapte en de portieren opende voor zijn kleine zusje en Sigga, die samen achterin zaten. Blijkbaar had hij niet gewild dat de airbag zijn ongeboren kind zou verwonden als ze een ongeluk kregen. Gylfi stelde in elk geval de juiste prioriteiten, ook al had hij niet eens een rijbewijs. Na het uitstappen kromde Sigga haar rug en haar buitenproportioneel gezwollen buik leek meer dan ooit in tegenspraak met haar tengere figuurtje. Thóra hoopte voor haar dat het kind wat betreft geboortegewicht niet op z’n vaders kant van de familie zou lijken, want zowel Gylfi als Sóley had bij de geboorte een hoofd als een pompoen gehad. Terwijl ze zich afvroeg hoe ze weer van ze af kon komen, bedacht ze dat het al tien uur ’s avonds was — te laat om nog iemand te charteren om hen te komen halen.

‘Waarom zijn jullie niet met je vader meegegaan?’ riep ze tegen Gylfi, terwijl ze over het parkeerterrein naar ze toe liep. ‘Hij zou jullie oppikken in Selfoss.’

‘Gewoon,’ zei Gylfi, terwijl hij keurig de wagen afsloot. ‘Wij wilden alle drie niet met hem mee en we wilden ook niet naar Sigga’s ouders, dus toen hebben we maar besloten om te blijven kamperen. Ik heb het papa laten weten zodat hij niet voor niets zou komen, als je daar soms bang voor was.’

Dat was wel het laatste waarover Thóra zich zorgen maakte. Wat haar betreft mocht Hannes voor niks de halve wereld rond rijden, maar ze maakte zich wel zorgen over de vraag hoe zij alles nu moest regelen — Jónas, Matthew en haar twee kinderen, om nog maar te zwijgen van haar zwangere aanstaande schoondochter — zonder iets, of alles, in het honderd te laten lopen.

‘Hoe voel je je, Sigga?’ vroeg ze aan het meisje, terwijl ze Sóley knuffelde, die zich enthousiast in haar moeders armen had geworpen.

‘Nou,’ zei Sigga, ‘ik heb pijn in mijn rug.’

Thóra hapte naar adem. ‘Denk je dat de baby eraan komt? Als dat zo is kun je hier natuurlijk niet blijven.’

‘Welnee, mam,’ zei Gylfi, geschokt. ‘Het is nog geen negen maanden.’ Kennelijk had hij nog nooit van te vroeg geboren baby’s gehoord.

‘Kom mee naar binnen,’ zei Thóra, en ze loodste haar bezoek mee naar de foyer van het hotel. ‘We moeten het nog wel een keer over deze stunt van jou hebben, Gylfi, maar dat komt later wel,’ fluisterde ze in het oor van haar zoon. ‘Je hebt me heel erg teleurgesteld.’ Toen zei ze met luidere stem, zodat iedereen haar kon horen: ‘Ik zal kijken of ik een kamer voor jullie kan krijgen. Jullie hebben genoeg gekampeerd. Dat komt wel weer wanneer de baby eenmaal is geboren.’ Opeens kreeg ze een visioen van Gylfi, die met een pasgeboren baby in zijn armen de voortent van de caravan probeerde op te zetten, dus voegde ze er snel aan toe: ‘En naar school gaat.’

Matthew stond breed glimlachend bij de deur. Thóra trok over hun hoofden heen een lelijk gezicht naar hem. ‘Kinderen, jullie kennen Matthew nog wel. Hij helpt me met een zaak die te maken heeft met het hotel. Jullie zullen je moeten gedragen, want ik moet echt werken. Ga niet weg en zorg dat je niets breekt.’ Bijna had ze eraan toegevoegd: ‘En nog even niet bevallen,’ maar ze bedacht zich op het laatste moment. Ze zouden al moeite genoeg hebben zich aan de eerste twee opdrachten te houden.

‘Maak je niet druk,’ zei Matthew toen ze weer achter de computer in het kantoor van Jónas zaten. ‘Het komt wel goed. Ik vind dat je leuke kinderen hebt. Dit zou best eens interessant kunnen worden, ook al is het niet bepaald de vakantie die ik in gedachten had.’ Hij gaf haar een samenzweerderig knipoogje. ‘Misschien kun je een babysitter regelen en kunnen we een restaurant zoeken dat uitsluitend biologisch gekweekte vogelmuur serveert.’

Thóra keek niet op van het scherm. ‘Waarom staan Jón Árnasons verzamelde volksverhalen niet op internet?’ mompelde ze.

‘Mag ik daaruit concluderen dat je het een goed plan vindt?’ vroeg Matthew.

‘Wat?’ vroeg Thóra afwezig, terwijl ze omlaag scrolde over de pagina die ze zat te lezen. ‘O, ja,’ antwoordde ze, zonder er ook maar een flauw vermoeden van te hebben waar ze mee instemde. ‘Waar ik ook zoek, ik kan het verhaal zelf nergens vinden, alleen het vers. Ik moet naar een bibliotheek.’

Matthew keek op zijn horloge. ‘Die zijn niet meer open,’ zei hij. ‘Denk je werkelijk dat die tekst zo belangrijk is?’

Thóra keek naar hem op. ‘Nee,’ gaf ze toe. ‘Maar ik heb gewoon niets anders te doen. Ik grijp elke strohalm aan voor morgen — ik heb verder niet veel om mee te werken.’

‘Als Bergur de moordenaar is, of zijn vrouw, zoals jij schijnt te denken, denk ik niet dat dat rotsblok er iets mee te maken kan hebben,’ zei Matthew. ‘Volgens mij kun je je beter op iets recenters concentreren.’ Hij liep naar het raam en zag een wagen voor het hotel tot stilstand komen. Hij parkeerde op een plek vlak onder het raam. ‘Ik herken dat kenteken,’ zei hij, het gordijn loslatend. ‘Waar ligt die lijst?’

Thóra staarde hem met open mond aan. ‘Wil je zeggen dat je één zo’n nummer herkent uit de duizenden die je onder ogen hebt gehad?’ vroeg ze, terwijl ze hem de lijst overhandigde.

‘Het is een gepersonaliseerde nummerplaat,’ antwoordde hij. ‘Die zijn me opgevallen, want daar waren er niet zoveel van.’ Hij bladerde de lijst door. ‘Hier heb ik hem. Een uur voordat Eiríkur werd vermoord, is deze wagen vanuit Reykjavík door de tunnel gereden.’ Hij gaf de lijst weer aan Thóra en wees haar het kenteken aan. ‘Daar. “veritas”,’ zei hij. ‘Deze herinner ik me zo goed omdat ik me afvroeg wat de eigenaar ervan voor werk zou doen. Ik kon niets bedenken wat verband hield met “waarheid”, tenzij het een wiskundeleraar was. En toen zag ik van wie hij was.’

Thóra pakte de lijst van hem aan en las de naam van de eigenaar. ‘Aha,’ zei ze, en ze legde de lijst weer neer. ‘Baldvin Baldvinsson, de kleinzoon van de oude Magnús, met wie wij hebben gesproken.’ Ze stond op. ‘Wat komt hij hier nu weer doen?’

‘Op bezoek bij zijn opa misschien?’ opperde Matthew. ‘Of misschien komt hij stemmen werven.’

‘Laten we het hem gaan vragen,’ zei Thóra. ‘Als zijn kentekenplaat klopt, zal hij ons in elk geval de waarheid vertellen.’

Baldvin stond in de foyer te wachten en trommelde intussen ongeduldig met zijn vingers op de balie. Vigdís zat met haar rug naar hem toe op de computer te werken. Thóra hoopte dat ze een fatsoenlijk salaris kreeg, want het leek wel alsof ze dag en nacht achter de balie zat.

‘Neem jij nooit pauze?’ vroeg ze toen ze samen met Matthew op Baldvin af liep. Het leek Thóra beter hem niet rechtstreeks aan te spreken, maar eerst wat met Vigdís te kletsen. Aangezien hij op iets leek te wachten, was het niet waarschijnlijk dat hij meteen weg zou lopen.

Vigdís keek even om naar Thóra. ‘O! Ach, natuurlijk wel. Eigenlijk zou Jónas deze dienst nemen, maar…’ Ze aarzelde. ‘Je weet wel. Het was de bedoeling dat hij nog iemand in dienst zou nemen, maar dat is er nog steeds niet van gekomen.’ Na nog even op het toetsenbord te hebben getikt, draaide zij zich om naar Baldvin. ‘U kunt kamer veertien nemen. Dat is de kamer naast die van uw grootvader.’ Ze overhandigde hem de sleutel.

Thóra wendde zich tot Baldvin. ‘U bent toch Magnús’ kleinzoon? Het raadslid?’

Baldvin schrok. Hij zag er moe uit, wat de treffende gelijkenis met zijn grootvader alleen maar versterkte. Thóra dacht aan de foto’s van Magnús als jongeman en vroeg zich af hoe het moest zijn om exact te weten hoe je er later uit zou zien. ‘Eh, ja, dat ben ik,’ antwoordde hij. ‘Ken ik u?’

Thóra stak hem haar hand toe. ‘Nee, maar ik heb over uw grootvader gehoord. Birna was een vriendin van mij.’ Terwijl ze hem stevig de hand drukte, vroeg ze op de man af: ‘U hebt haar toch ook gekend?’

Baldvin keek alsof hij een vlieg had ingeslikt. Hij slikte moeizaam en wist zich toen te vermannen. ‘Een vriendin van Birna, zegt u? Helaas geloof ik niet dat ik iemand ken die Birna heet.’

‘Echt niet?’ zei Thóra, maar ze besloot niet te veel risico te nemen. Ze hield nog steeds zijn hand vast en voelde dat zijn palm vochtig begon te worden. ‘Weet u dat zeker? U was hier zondag toch ook?’

Baldvin verstijfde, maar ze wist niet of dat door haar stevige handdruk kwam of door de vraag. ‘Ik? Nee, ik denk dat u mij met iemand anders verwart.’ Hij wierp haar een zalvende glimlach toe.

‘Denkt u?’ zei Thóra met geveinsde verbazing. ‘Ik dacht dat ik in de tunnel vlak achter u reed. Misschien vergis ik me.’ Eindelijk liet ze haar greep verslappen en Baldvin rukte zijn hand terug alsof ze lepra had.

‘Dat moet haast wel. Ik was heel ergens anders.’ Hij wendde zich weer tot Vigdís. ‘Bedankt,’ zei hij. Tegen Thóra zei hij, met een parelwitte glimlach, als een echte politicus: ‘Prettig kennis met u te hebben gemaakt.’

‘Insgelijks,’ antwoordde Thóra met een stralend gezicht. Toen hij weg was, draaide ze zich om naar Matthew en fluisterde dringend: ‘Hij liegt dat hij barst.’ Toen vroeg ze aan Vigdís: ‘Weet jij nog of hij hier zondagavond was?’

Vigdís schudde haar hoofd en geeuwde. ‘Nee, ik heb hem pas twee keer eerder gezien,’ zei ze. ‘De dag dat hij zijn grootvader hier kwam afzetten en de avond van de seance.’

Thóra greep de rand van de balie vast. ‘Was hij hier toen ook?’

‘Ja, dat zeg ik toch net?’ zei Vigdís verontwaardigd. ‘Hij at ’s avonds samen met zijn grootvader. En daarna zijn ze naar de seance gegaan. Ik denk dat ze al snel doorhadden dat het niets voor hen was, want ze gingen al vóór de pauze weg.’

Thóra keek veelbetekenend naar Matthew. Hij gebaarde naar Vigdís, die opstond om weg te gaan. Thóra begreep meteen wat hij bedoelde. Ze hield een sleutel in haar hand die identiek was aan het exemplaar dat ze in het bureau op Kreppa hadden gevonden.

‘Is er iets?’ vroeg ze, verbaasd dat zij er nog stonden. ‘Was de kamer voor de kinderen in orde?’

‘O, ja,’ antwoordde Thóra, naar de sleutel starend. ‘Zou ik die sleutel misschien even mogen zien?’ Ze haalde de hare tevoorschijn. ‘Ik heb precies zo’n zelfde gevonden en ik vroeg me af waar hij op past.’

‘Dit is de sleutel van mijn personeelskluisje,’ zei ze, terwijl zij hem terughoudend aan haar liet zien. ‘Als je er een hebt gevonden, moet hij van iemand zijn die hier werkt. Er raakt er wel eens eentje kwijt.’

Thóra vergeleek de sleutels. Ze waren nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Ze gaf Vigdís die van haar terug. ‘Ik denk niet dat hij van iemand van het personeel is,’ zei ze. ‘Weet je misschien of Birna een kluisje tot haar beschikking had?’

Vigdís perste haar lippen op elkaar en dacht na. ‘Voor zover ik weet niet, maar het zou kunnen. De kluisjes zijn nog maar kort geleden geplaatst. Zij heeft ze zelf uitgekozen en besteld. Misschien heeft ze er een voor zichzelf gehouden.’ Vigdís liep om de balie heen. ‘Kom maar mee,’ zei ze, en ze beende weg. ‘Er zijn er niet zoveel, dus we zien snel genoeg of deze sleutel ergens op past.’

Thóra en Matthew volgden Vigdís naar de personeelsruimte, waar één wand werd ingenomen door een rij metalen kastjes.

‘Zal ik maar gewoon beginnen?’ vroeg Thóra, met de sleutel in haar hand.

‘Doe maar,’ zei Vigdís. ‘Nummer zeven kun je overslaan: die is van mij.’

Thóra begon bij het eerste kastje. Ze had niet veel tijd nodig, want de sleutel paste al bij haar derde poging. Bij het omdraaien hoorde ze een zacht klikje. Voorzichtig draaide ze het chromen handvat om en maakte het kluisje open. Met ingehouden adem en een blik op Matthew gluurde ze naar binnen. Bijna onmiddellijk trok ze haar hoofd weer teleurgesteld terug. ‘Leeg. Verdomme.’ Ze deed een stap opzij om hem te laten kijken. Toen hij zijn hoofd naar binnen stak en niet onmiddellijk weer terugtrok, tikte ze ongeduldig op zijn rug. ‘Wat? Zie je iets?’

Matthew draaide zich om, om het hele kastje vanbinnen te kunnen bekijken, ook de bovenkant. ‘Hier zit iets vastgeplakt,’ echode zijn stem in de holle ruimte. ‘Heb je een pincet?’ vroeg hij, terwijl hij weer rechtop ging staan. ‘Als het iets belangrijks is, mogen er natuurlijk geen vingerafdrukken op komen.’

Thóra keek Vigdís aan. ‘Hebben jullie hier een ehbo-doos?’ Toen ze haar hoofd in het kastje stak, zag ze dat er een wit, rechthoekig stukje papier met plakband aan de bovenkant was bevestigd. De randen waren enigszins omgekruld. ‘Wat is dat in vredesnaam?’ vroeg ze zich hardop af, terwijl ze een pincet van Vigdís aanpakte.

Matthew en Vigdís keken hoe ze het plakband probeerde te verwijderen, al zagen ze niet veel meer dan haar rug.

‘Bingo!’ zei ze, terwijl ze zich oprichtte met het witte stukje papier tussen de pincet geklemd. ‘Het is een foto.’ Ze draaide hem om. ‘O!’ Ze liet hem aan de anderen zien.

‘Goeie God!’ riep Vigdís uit. ‘Baldvin Baldvinsson! Ik wist niet dat hij een neonazi was!’

‘Dit is Baldvin niet,’ zei Thóra, terwijl ze de foto op de kantinetafel legde. ‘Dit is zijn grootvader, Magnús. Die foto is jaren geleden gemaakt.’

‘Jezus, die twee lijken sprekend op elkaar,’ zei Vigdís verbaasd. ‘Als ik Magnús was geweest, of Baldvin, had ik die foto mooi weggegooid.’

‘Misschien hebben ze daar de kans niet voor gekregen,’ zei Thóra. Ze wendde zich tot Vigdís. ‘Je mag dit absoluut aan niemand vertellen,’ zei ze.

‘God, nee,’ antwoordde Vigdís. ‘Natuurlijk niet.’ Intussen probeerde ze zich al te herinneren of ze het nieuwe nummer van haar vriendin Gulla bij zich had en bedacht ze hoe laat Kata de volgende ochtend in de schoonheidssalon zou zijn. Maar die waren natuurlijk te vertrouwen. Als je beloofde iets absoluut aan niemand te vertellen, wist iedereen dat hartsvriendinnen daarop een uitzondering vormden.

Ze pakte haar handtas uit haar eigen kluisje en liep terug naar de receptie. In het voorbijgaan legde ze even een hand op Matthews schouder en zei vriendelijk tegen hem dat de mensen in IJsland bijzonder ruimdenkend waren en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken over vooroordelen. Matthew keek haar verbijsterd na.

‘Wat bedoelde ze daarmee?’ vroeg hij stomverbaasd aan Thóra.

Het begon Thóra te dagen dat het beroepsgeheim van de sekstherapeute niet zo onschendbaar was als Stefanía had doen voorkomen. Thóra haalde haar schouders op. ‘Het zijn hier wel een paar eigenaardige types bij elkaar,’ zei ze onschuldig. Toen glimlachte ze even. ‘Ik denk dat ik Sóley maar eens naar bed moet gaan brengen. Het zal wel even duren voordat ik zelf mijn bed in kan, zoals de zaken er nu voor staan.’

Thóra zat weer achter Jónas’ computer. ‘Het past allemaal in elkaar,’ zei ze, terwijl ze snel de Google-resultaten voor ‘Baldvin Baldvinsson’ doorlas. Ze opende een paar links die niets belangwekkends bevatten en bleef vruchteloos doorklikken terwijl ze zaten te praten.

‘Hoe dan?’ vroeg Matthew. ‘Ik geef toe dat het feit dat Birna die foto op zo’n plek heeft verborgen, suggereert dat zij niet wilde dat hij gevonden zou worden. De enige die hem waarschijnlijk wil hebben is Magnús, maar hij is te oud om iemand te vermoorden. Bovendien zou ik eigenlijk niet weten waarom hij Birna zou willen vermoorden, zelfs al wist hij dat zij de foto had.’

‘Ik denk eigenlijk niet dat hij de enige is,’ zei Thóra. ‘Kleinzoon Baldvin heeft veel meer te verliezen. Hier staat dat hij komend voorjaar meedoet aan de voorverkiezing voor de parlementsverkiezingen en een recent krantenartikel wijst er nog eens op hoezeer hij in alle opzichten op zijn grootvader lijkt. Een foto van zijn grootvader in nazi-uniform die net zo goed een foto van hem zou kunnen zijn, kan zijn hele campagne de das omdoen.’ Ze keek op. ‘Die man rijdt rond in een auto met een kentekenplaat waar veritas op staat. Het lijkt me duidelijk welke indruk hij wil wekken. En nazi’s passen beslist niet in dat beeld. Zijn grootvader is een van de redenen van zijn schitterende politieke carrière. Als de reputatie van de oude man wordt bezoedeld, zal dat die van Baldvin ook aantasten, ook al was er van die hele Baldvin destijds nog lang geen sprake.’

‘Wat kan Birna’s motief dan zijn geweest?’ vroeg Matthew zich hardop af. ‘Waarom heeft ze hem die foto niet gewoon gegeven? Probeerde ze hem te chanteren? Ze zien er geen van beiden bijzonder rijk uit. Die auto met die veritas-kentekenplaten is gewoon een oude jeep.’

‘Toen ze de foto vond, waarschijnlijk in dat oude album in de kelder waaruit er eentje leek te ontbreken, heeft ze hem er misschien alleen maar uitgehaald om hem beter te kunnen bekijken. Ze schrok natuurlijk toen ze er zo’n bekende persoon op herkende. Op dat moment moet ze hebben beseft dat ze daar haar voordeel mee kon doen, en ik vermoed dat ze iets anders van hem wilde dan geld,’ zei Thóra, en ze klikte de zoveelste link aan. Ze las even en keek toen weer op. ‘Dit is wel interessant,’ zei ze. ‘Baldvin zit in de gemeenteraadscommissie die een ontwerp voor een nieuw busstation moet uitkiezen dat ze in Reykjavík gaan bouwen. Herinner jij je die tekening van dat glazen complex aan de muur op Kreppa? Je hebt niet zoveel beboste gebieden in IJsland. De voorgestelde locatie bij de heuvel op Öskjuhlíd is er een van. Er stonden bussen op die tekening.’ Ze stak triomfantelijk haar vinger in de lucht. ‘Ze was natuurlijk vastbesloten om die opdracht in de wacht te slepen. Dat zou ook verklaren waarom ze hem heeft opgebeld.’

Matthew keek weifelend. ‘Wil je zeggen dat ze bereid was Baldvin te chanteren om zijn invloed in de commissie aan te wenden? Alleen maar om die opdracht te krijgen?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat kan ik me bijna niet voorstellen.’

‘Voor een architect in IJsland is zo’n project een soort lot uit de loterij,’ zei ze. ‘Het gaat om een groot openbaar gebouw op een drukke locatie en daarmee zou iemand in één klap naam kunnen maken. De mensen zouden voor hem of haar in de rij staan met nieuwe projecten. Zo werkt dat hier en in andere landen zal het niet veel anders zijn.’

‘Maar hoe kan één commissielid de keuze beïnvloeden?’ vroeg hij. ‘De anderen hebben toch ook iets te zeggen?’

‘Natuurlijk,’ zei Thóra. ‘Maar hij heeft toegang tot informatie die de andere architecten niet tot hun beschikking hebben en hij kan bijvoorbeeld uitzoeken welke prioriteiten de andere commissieleden stellen. Hoewel in ontwerpprijsvragen over het algemeen de primaire vereisten worden vastgesteld, wijkt de winnende inzending vaak enigszins af van de oorspronkelijke specificaties. Als een architect bijvoorbeeld weet dat de commissie eigenlijk een groter gebouw zou willen hebben dan waar ze om vraagt…’ Thóra haalde haar schouders op ‘… dan is hij of zij beslist in het voordeel. En ik weet zeker dat één persoon de rest van de commissie kan overtuigen, als hij maar goed van de tongriem is gesneden en precies weet wat hij wil. Op een van de websites heb ik gezien dat Baldvin toen hij nog op school zat, twee jaar achter elkaar kampioen debatteren is geweest. Hij moet dus wel een overtuigend spreker zijn.’

‘En wat ga je nu doen?’ vroeg Matthew. ‘Dit is niet waterdicht en het verklaart ook niet waarom Eiríkur is vermoord.’

‘Herinner je je Baldvins e-mailadres in Birna’s agenda?’ vroeg Thóra.

‘Ja,’ zei Matthew. ‘Ga je hem mailen?’

‘Nee,’ antwoordde Thóra. ‘Ik wil een gokje wagen.’ Ze pakte de telefoon. ‘Ik ga de politie vragen in haar computer te zoeken of er e-mails van Baldvin in staan. Ze hebben hem vast in beslag genomen en het is helemaal niet gezegd dat ze naar e-mails van hem hebben gezocht.’

Toen er na lang wachten eindelijk werd opgenomen, stelde Thóra zich voor en probeerde zo officieel mogelijk te klinken. ‘Kunt u mij alstublieft doorverbinden met Thórólfur Kjartansson? Ik bel in verband met de moorden op Snaefellsnes. Ik moet hem een dringende boodschap doorgeven, en wil hem bij voorkeur persoonlijk spreken.’

Terwijl ze wachtte tot ze werd doorverbonden floot ze zachtjes mee met de achtergrondmuziek. Even later hield die op en zei een vermoeid klinkende Thórólfur: ‘Wat is er?’

Thóra lag op het bed met haar armen om haar dochter heen geslagen. Ze had haar — diep in slaap — uit Gylfi en Sigga’s kamer meegenomen naar de hare, eigenlijk omdat ze bang was dat Sigga in het bijzijn van haar dochter ging liggen bevallen. Matthew was zonder morren naar zijn eigen kamer gegaan en daar was ze hem heel dankbaar voor, want ze had op dit moment al genoeg aan haar hoofd. Ze zag vooral op tegen de volgende ochtend, bang dat Thórólfur niet zou toehappen, zodat haar niet veel anders meer zou resten dan voor Jónas een standaardverdediging op te voeren. En dat was een akelig vooruitzicht.

Er was echter nog meer wat haar hinderde. Als Magnús, of Baldvin, Birna had vermoord, was er geen enkele logische verklaring waarom een van beiden ook Eiríkur zou hebben vermoord en er was ook geen verband tussen hen. Was hij Birna’s handlanger geweest? Waartoe diende de vos en waar stonden de letters ‘rer’ voor, áls ze al iets betekenden?

Kristín zat haar nog het meest dwars. Thóra had dan wel ontdekt dat zij Gudný’s dochter was, maar dat leek niets met de zaak te maken te hebben. Er spookte van alles door haar hoofd, maar ze was te moe om zich op één gedachte te concentreren en algauw versmolt alles tot een vormeloze massa: kolen, muren, paarden, verkoopaktes, verlopen rechten, een gebroken been…

Opeens schrok ze wakker van het geluid van een huilende baby. Slaapdronken trok ze haar arm onder het hoofd van haar slapende dochtertje vandaan en ging zitten. Toen het geluid nogmaals klonk, stapte ze uit bed en liep naar het raam, maar ze zag niets in het halfduister. Ergens in de verte ging het vreemde gejammer verder en stopte toen even plotseling als het begonnen was. Thóra sloot het raam en trok de gordijnen goed dicht, zodat ze haar het uitzicht benamen. Een pasgeboren baby die zich in bebloede doeken gewikkeld met één arm voortsleepte, leek opeens niet meer zo bespottelijk als toen zij Matthew ermee had geplaagd. Ze kroop weer gauw bij haar dochter in bed, vastbesloten dit aan niemand te vertellen. Ze had het zich vast en zeker verbeeld. Ze kon door het gesloten raam nog net horen hoe het meelijwekkende gehuil weer begon.

30

Dinsdag, 13 juni 2006

Gekleed in een zwarte, met donkerblauw satijn afgezette toga, keek de rechter Thóra streng aan. Hij hield zijn handen onder zijn kin en voor zijn mond, en het was goed mogelijk dat hij op dat moment zijn tong naar haar uitstak, of een geeuw van verveling probeerde te verbergen. ‘Ik verzoek de verdediging om door te gaan,’ baste hij. ‘Dit is bijzonder interessant.’

Thóra glimlachte beleefd. ‘Zoals ik eerder al zei, heb ik door puur toeval dit bewijsstuk in handen gekregen en heb ik de politie daar onmiddellijk van op de hoogte gesteld. Ik wijs het argument van de openbare aanklager van de hand dat ik hen had moeten inlichten alvorens de foto te verwijderen, aangezien ik niet kon weten van welk belang deze voor het onderzoek zou zijn tot ik zag wat erop stond. Teneinde dit te kunnen zien, moest ik hem eerst verwijderen. Ik heb alle voorzorgen in acht genomen om niets te verstoren en heb hem alleen maar aangeraakt met een pincet.’

‘CSI Miami?’ vroeg de rechter en hij haalde zijn handen voor zijn mond vandaan. Hij keek Thóra glimlachend aan.

‘Ja, zo zou je het kunnen noemen,’ zei Thóra, en ze beantwoordde zijn glimlach.

De rechter richtte zich tot de functionaris van het bureau van de districtscommissaris, die had verzocht Jónas in hechtenis te houden. ‘Het lijkt erop dat het bureau van de commissaris geen behoorlijk onderzoek heeft verricht. In plaats van bezwaar te maken tegen de argumenten van de verdediging, kunt u haar beter bedanken voor haar hulp, anders was de foto in kwestie misschien nooit onder de aandacht van de autoriteiten gekomen.’

De functionaris vroeg toestemming om te reageren en stond op. ‘Het is waar dat wij blij zijn met dit bewijsmateriaal en natuurlijk zullen wij deze nieuwe kijk op de zaak onderzoeken. Er is onmiddellijk een agent naar de plaats van handeling gestuurd, ook al is dit gisteravond laat gebeurd, en de foto wordt op dit moment onderzocht.’ Hij schraapte zijn keel. ‘Wij zien echter geen reden alleen op grond van deze gebeurtenissen het verzoek om de verdachte in voorlopige hechtenis te houden, af te wijzen. Zijn alibi is ontoereikend en hij is nog steeds de hoofdverdachte voor deze gruwelijke misdrijven. De foto alleen verandert hier niets aan.’

‘Wat hebt u hierop te zeggen, raadsvrouwe?’ vroeg de rechter aan Thóra.

‘De foto is bij lange na niet het enige bewijsstuk. Baldvin Baldvinsson is op zondag om 17.51 uur door de Hvalfjördur-tunnel gereden. Dat betekent dat hij op tijd op Snaefellsnes kon zijn om de tweede moord te plegen, ook al ontkende hij tegenover mij die rit te hebben gemaakt. De politie beschikt vermoedelijk over een vergelijkbare lijst voor de dag dat Birna is vermoord en ik heb me laten vertellen dat Baldvin Baldvinsson die dag ook in het hotel is geweest. Hij woonde een seance bij die ’s avonds werd gehouden, maar vertrok nog vóór de pauze, hetgeen betekent dat hij alle kans heeft gehad om Birna te vermoorden. De politie is ongetwijfeld in het bezit van e-mails die zijn uitgewisseld tussen Baldvin en Birna, maar ik ben niet in de gelegenheid gesteld die lijst in te zien en hetzelfde geldt voor alle andere bewijsstukken, met uitzondering van de lijst van auto’s die zondag door de tunnel zijn gekomen, die ze zo vriendelijk zijn geweest mij te doen toekomen.’ Vanuit haar ooghoeken zag Thóra Thórólfur onrustig heen en weer schuiven op zijn stoel. Hij zat natuurlijk te popelen om dit verzinsel recht te zetten, maar de enige manier om dat te doen was door toe te geven dat hij de lijst per ongeluk had laten liggen, dus moest hij zich bedwingen.

Thóra vervolgde: ‘Ook wil ik op de mogelijkheid wijzen dat Eiríkur de naam Reykjavík afgekort op de muur heeft willen schrijven, maar er niet in is geslaagd de laatste letter goed te krijgen. De “K” kan per ongeluk een “R” zijn geworden. Laten we niet vergeten dat een dolle hengst intussen bezig was hem dood te trappen. r-e-k zou kunnen verwijzen naar Baldvins positie als gemeenteraadslid van Reykjavík.’

De rechter knikte langzaam. ‘Laten we niet te hard van stapel lopen. Baldvin Baldvinsson is een gemeenteraadslid en zijn grootvader Magnús een voormalig minister, dus we moeten heel voorzichtig zijn met insinuaties dat zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan een ernstig misdrijf. Ik hoef niet uit te weiden over de consequenties als zo’n theorie zonder reden in de openbaarheid zou komen.’

‘Voor mijn cliënt zou het net zo erg zijn om in een dergelijke positie te komen,’ zei Thóra. ‘Ook hij is bijzonder gesteld op zijn goede reputatie.’ Ze dankte Onze-Lieve-Heer op haar blote knieën dat het wachtwoord van Jónas’ computer niet bekend was geworden. ‘Mijn cliënt heeft toegegeven op de donderdag in kwestie met de overledene naar bed te zijn geweest, maar dat was lang voor het vermoedelijke tijdstip van de moord. Dat verklaart zijn vingerafdrukken op haar ceintuur, omdat ze zich die dag niet heeft verkleed — ik ben me althans niet bewust van aanwijzingen dat ze dat wel zou hebben gedaan. Voorts heeft mijn cliënt verteld waar hij zich beide dagen bevond, hoewel er nog geen tijd is geweest om zijn verklaring te bevestigen. In zijn verklaring tegenover de politie heeft hij verzuimd melding te maken van zijn rit naar Reykjavík die zondag, maar dat kunnen we eenvoudig toeschrijven aan een menselijke vergissing.’

De rechter gaf de vertegenwoordiger van het bureau van de districtscommissaris een teken dat hij het woord kon nemen. ‘Deze hele discussie heeft aangetoond,’ zei die laatste, ‘dat het onderzoek van de plaatsen delict nog geenszins is afgerond, aangezien er nog steeds bewijsmateriaal wordt verzameld. Reden te meer derhalve, om de verdachte op dit moment niet in vrijheid te stellen. Wij weten niet welke verdere sporen hij zou kunnen wissen. Hoe interessant de theorie over Baldvin Baldvinsson ook mag zijn, hij lijkt me uiterst onwaarschijnlijk en doet in geen enkel opzicht iets af aan de verdenking op de hier aanwezige persoon. Zo is er bijvoorbeeld geen verband aangetoond tussen Baldvin Baldvinsson en Eiríkur. Wij herhalen derhalve ons verzoek de verdachte nog veertien dagen in voorarrest te houden.’

‘Met betrekking tot Paragraaf I, Artikel 103 van het Wetboek van Strafrecht,’ antwoordde Thóra, ‘achten wij de beschuldigingen jegens mijn cliënt geenszins voldoende onderbouwd, terwijl ook de voorwaarden voor een verzoek zoals vermeld in het artikel ontbreken. Gezien het feit dat wij de vraag hebben opgeworpen van nalatigheid bij het onderzoek van de kant van de politie, wil ik u voorleggen dat het absurd is te veronderstellen dat de verdachte het onderzoek in gevaar zou willen brengen door sporen te wissen, zoals omschreven in Clausule A van het voornoemde artikel. Indien mijn cliënt van het bestaan van de foto had geweten, had hij ruimschoots de kans gehad om die ofwel te vernietigen of in de openbaarheid te brengen. Het is derhalve aantoonbaar onaannemelijk dat hij met het bewijsmateriaal zou knoeien, aangezien hij dat in de afgelopen paar dagen al lang had kunnen doen. Hij heeft dit niet gedaan, zoals de foto bewijst, en daarom vragen wij u de eis van de politie af te wijzen, met een reserveberoep om de geëiste periode van voorarrest te verkorten. Indien dit gebeurt, sta ik erop onmiddellijk toegang te krijgen tot al het bewijsmateriaal waarover de politie beschikt.’

‘Sta mij toe erop te wijzen, Edelachtbare,’ zei de functionaris, ‘dat twee mensen het leven hebben gelaten door de hand van een moordenaar en dat wij een redelijk vermoeden van schuld jegens de beklaagde hebben. Het moge duidelijk zijn dat misdrijven als deze tegen het algemeen belang indruisen, temeer daar nog niet bekend is of de moordenaar zijn slachtoffers op andere gronden uitkiest dan puur willekeurige. Iedereen kan de volgende zijn. Indien niet aan de voorwaarden van Artikel 1 blijkt te worden voldaan, verzoeken wij u de verdachte in hechtenis te nemen op grond van Artikel 2 inzake het algemeen belang.’

De rechter verklaarde de bijeenkomst voor beëindigd en stond op. Hij zei dat hij zich tot de middag op de zaak zou beraden en vervolgens uitspraak zou doen en gelastte hen in de buurt van het gerechtsgebouw te blijven. Toen liep hij, gevolgd door de griffier, de rechtszaal uit.

Thóra wendde zich tot Jónas. ‘Nu is het een kwestie van afwachten en hopen,’ zei ze zachtjes.

‘Wat denk je dat hij gaat zeggen?’ fluisterde Jónas terug. ‘Ik vond je briljant en de stand van de planeten is bijzonder gunstig. Ik kan me niet voorstellen dat ze iets anders zullen doen dan dat belachelijke verzoek om mijn voorarrest te verlengen, te verwerpen.’ Hij keek haar trots aan. ‘Geweldig hoe jij al die nummers van die wetsartikelen zomaar uit je hoofd kende.’

Thóra keek hem glimlachend aan. Eindelijk iemand die haar voordrachten kon waarderen. Op dit moment had ze heel lang gewacht. Alleen jammer dat de man die haar zo ophemelde een verdachte in een moordzaak was en dat hij in één adem de gunstige stand van de planeten noemde. ‘Dat was nog niets,’ zei ze. ‘Je zou me moeten horen wanneer ik over brievenbussen begin.’

Thóra liet zich met een diepe zucht in een van de rieten stoelen voor de foyer van het hotel vallen en legde een zware map met processtukken over de zaak op het tafeltje. Ze waren haar in de arrondissementsrechtbank overhandigd, gewikkeld in een plastic supermarkttasje. ‘Jammer dat het niet gelukt is,’ zei ze tegen Matthew, die naast haar kwam zitten. ‘Zijn voorarrest is met zeven dagen verlengd.’ Ze keek om zich heen. ‘Waar zijn de kinderen?’

‘Die zijn naar die gestrande walvis gaan kijken,’ zei Matthew. ‘Ik weet niet of ze mijn beschrijving helemaal hebben begrepen, dus het kan zijn dat ze voor een smerige verrassing komen te staan.’

Thóra dacht dat hij daar wel eens gelijk in kon hebben. ‘Nee, ze hebben je vast niet goed verstaan,’ zei ze. Ze kende haar kinderen goed genoeg om te weten dat zij geen van beiden veel moeite zouden doen om een rottend dierenkarkas te gaan bekijken, en al helemaal geen walvis. Ze kende Sigga nog niet goed genoeg om te weten of zij ertegen zou kunnen.

Ze tikte op het oranje plastic boodschappentasje. ‘Maar de processtukken heb ik wel,’ zei ze. ‘Thórólfur probeerde het nog te rekken door te zeggen dat hij ze in Reykjavík zo snel mogelijk door iemand zou laten kopiëren, maar de rechter bood de hulp van zijn eigen secretaresse aan, pakte de map en liet kopieën voor me maken. De politieadvocaat had natuurlijk zijn eigen kopie.’ Ze lachte bij de herinnering aan deze kleine, maar zoete overwinning. ‘Ik moet dit zo snel mogelijk allemaal doornemen in de hoop iets te vinden wat we nog niet weten.’

‘Ik hoop dat het niets slechts is voor Jónas,’ zei Matthew. ‘Denk je dat de politie meer bewijsmateriaal tegen hem kan hebben verzameld dan ze hem, of jou, hebben verteld?’

‘Ik kan je verzekeren dat ze tijdens de hoorzitting alles tegen hem in de strijd hebben geworpen,’ antwoordde ze. ‘Het ging hard tegen hard.’ Ze vond niet dat ze overdreef, maar de rechter had in elk geval het voorarrest met een week verkort, dus had ze toch nog iets goed gedaan. Dat hield ze zichzelf althans voor. ‘Die arme Jónas vatte het nieuws niet best op,’ zei ze.

‘Wat had jij dan verwacht?’ zei Matthew. ‘Waar is hij nu?’

‘De politie heeft hem overgebracht naar de gevangenis van Litla-Hraun. Het is zo vervelend dat ze preventief gedetineerden daarheen brengen, want het is een heel eind rijden van Reykjavík,’ zei ze, en ze voegde eraan toe: ‘En hiervandaan nog veel verder.’

‘Moet jij eigenlijk niet terug naar de stad?’ vroeg hij.

‘Eerlijk gezegd zit ik hier beter,’ antwoordde ze. ‘Thórólfur heeft gezegd dat ze Jónas de komende twee dagen nog niet gaan ondervragen. Ze concentreren zich vooralsnog op het onderzoek hier ter plaatse en willen ook eerst de getuigen ondervragen die ze nog niet hebben kunnen vinden. Hij was niet blij met de opmerkingen van de rechter over de manier waarop zij met de plaats delict zijn omgegaan.’

‘Is er hier nog iets te zien dan?’ vroeg Matthew. ‘Het was puur toeval dat we de sleutel van dat kluisje hebben gevonden. Zoveel mazzel hebben we geen tweede keer.’

‘Ik weet het niet. Er zit me iets niet helemaal lekker en dan bedoel ik iets anders dan alle losse eindjes in deze zaak.’ Ze stond op en klemde het plastic tasje tegen haar borst. ‘Ik ga dit snel even doornemen en kijken of er iets in staat wat de zaak helemaal op zijn kop zou kunnen zetten. Ik ben ook nog naar de bibliotheek geweest voor dat boek met volksverhalen, want stel je voor dat het verhaal achter dat ene vers voor een verklaring kan zorgen. Ik denk niet dat ik lang bezig zal zijn, maar het zou fijn zijn als je mijn kinderen, als en wanneer ze terugkomen, er met een nieuwe onmogelijke opdracht op uit zou willen sturen.’

Twee uur later kwam Thóra zonder veel te zijn opgeschoten Jónas’ kantoor weer uit. Ze had elke letter gelezen van de documenten in de dossiermap, die een groot aantal getuigenverklaringen bevatte, en ook samenvattingen van het sporenonderzoek op de plaats delict, twee lijkschouwingsrapporten en de resultaten van tests op de lichamen van de overledenen en hun lichaamsvloeistoffen. De uitkomst van de dna-tests op het sperma dat in Birna’s lichaam was aangetroffen zat niet in de map, maar bij de documenten zat wel een verzoek van die strekking. Er zaten echter wel resultaten bij over de bloedgroep van de bron van het sperma en daaruit bleek dat het afkomstig was van twee mannen. Thóra kon er niet uit opmaken of die ontdekking een kwestie van toeval was of dat er al een vermoeden van bestond toen de test werd aangevraagd. Ze vroeg zich af hoe vaak het voorkwam dat een vrouw op één dag seks had met twee verschillende mannen, tenzij het haar beroep was. Wat haar bevreemdde was een rapport waarin stond dat er naast het sperma nog een andere biologische substantie in Birna’s vagina was aangetroffen, aangeduid als A. barbadensis Mill, A. vulgaris Lam. Thóra noteerde de naam, in de hoop dat Matthew die zou herkennen, al leek dit haar onwaarschijnlijk. Misschien was de substantie door Birna zelf ingebracht, hoewel Thóra zich niet kon voorstellen waarom.

Ze wuifde naar Matthew en liep naar de bar, waar hij een biertje zat te drinken. Ze legde de map neer en ging naast hem zitten. ‘Is er nog steeds sprake van drie kinderen?’ vroeg ze.

‘Het heeft niet veel gescheeld,’ zei hij. ‘Je zoon en dochter zagen lichtelijk groen toen ze terugkwamen van het strand. De aanstaande moeder was de enige die nergens last van leek te hebben. Ik heb colaatjes voor ze besteld bij de bar en die hebben ze mee naar hun kamer genomen om een video te gaan kijken.’

‘Ik maakte me eerder zorgen of ze misschien gezelschap hadden gekregen van een vierde,’ zei ze, terwijl ze de ober wenkte en zelf een cola bestelde.

‘Wees gerust, je bent nog geen oma,’ zei Matthew. Hij klonk met zijn glas tegen het hare en wees toen op de map. ‘Ben je nog iets interessants tegengekomen?’ Hij nam een slokje.

‘Nee, eerlijk gezegd niet. Er worden dingen bevestigd die wij al hadden gehoord of bedacht. Bij beide slachtoffers waren naalden of spelden in de voetzolen gestoken, er was een vos op Eiríkurs lichaam gebonden en volgens de tests die op het beest zijn uitgevoerd was het al enige tijd dood — neergeschoten met een geweer. Helaas heb ik geen verklaring gevonden voor de vraag waarom die vos daar is achtergelaten.’

‘Heb je nog niets gehoord van de lieftallige Bella?’ vroeg Matthew. ‘Zij zou dat toch voor je uitzoeken?’

‘Verdomme, ik was haar helemaal vergeten,’ zei Thóra. Ze pakte haar telefoon, liep een eind de parkeerplaats op en belde snel naar kantoor.

‘Hallo,’ zei Bella op effen toon toen ze opnam. Niet ‘Central Advocaten’, niet ‘Wat kan ik voor u doen?’ — niets waaruit bleek dat de beller een fatsoenlijke advocatenpraktijk aan de lijn had in plaats van een privénummer.

‘Hallo, Bella. Met Thóra. Heb je nog iets gevonden met betrekking tot een verband tussen vossen en paarden?’ Thóra had geen zin haar voor de zoveelste keer de les te lezen over haar telefoonmanieren.

‘Hè?’ antwoordde het meisje dommig. ‘O, dat.’ Toen ze zweeg, meende Thóra een zuigend geluidje te horen, gevolgd door een snelle uitademing.

‘Bella, zit je te roken op kantoor?’ vroeg ze geërgerd. ‘Je weet dat dat niet mag.’

‘Natuurlijk niet,’ antwoordde Bella. ‘Ben je gek?’

Thóra wist zeker dat ze het geknetter van brandende tabak hoorde. Rookte dat kind soms pijp?

Voordat ze de kans kreeg het te vragen, vervolgde Bella: ‘De paardentypes die ik heb gesproken, hadden nog nooit van een specifiek verband gehoord, dus toen ben ik met een vossenjager die ik ken gaan praten en hij kon me iets meer vertellen.’

Thóra vergat helemaal dat Bella zat te roken. ‘Wat zei hij?’ vroeg ze gretig. Zou nu blijken dat haar secretaresse toch ergens goed voor was?

‘Nou,’ zei Bella,’ hij vertelde me dat paarden gek kunnen worden van angst als ze een dode vos ruiken, vooral als hij al begint te rotten.’

‘Is dat iets wat waarschijnlijk alleen bij vossenjagers bekend is?’ vroeg Thóra opgewonden, ‘of weten alle ruiters dat? Zou het kunnen dat degenen die jij hebt gesproken er toevallig niet zoveel vanaf weten?’

‘Van vossen, bedoel je?’ vroeg Bella sarcastisch. ‘Ik heb geen flauw idee, maar ik denk dat ze er in de regel niet veel van weten. Ik bedoel, hoe vaak kom je nou een vos tegen?’

‘Bedankt, Bella,’ zei Thóra, waarschijnlijk voor de allereerste keer gemeend. ‘Wat dacht je ervan om de rest van de dag lekker vrij te nemen?’ Haar aanbod was minder royaal dan het leek, aangezien de afwezigheid van de secretaresse geen enkel waarneembaar effect op het functioneren van het bedrijf zou hebben. Ze hing op en vertelde Matthew wat ze had gehoord.

‘Dus de moordenaar heeft een vos op Eiríkurs lichaam gebonden om het paard gek te maken — en ervoor te zorgen dat de arme man echt zou worden doodgetrapt en niet alleen maar zwaargewond zou raken.’ Matthew trok een wenkbrauw op. ‘Hij is dus behoorlijk koelbloedig en berekenend.’

‘Maar de meeste ruiters weten helemaal niet hoe paarden op een dode vos reageren,’ zei Thóra peinzend. ‘Dat is vooral bekend bij vossenjagers.’ Na een ogenblik te hebben nagedacht, zei ze: ‘Ik vraag me af of Bergur op vossen jaagt. Hij heeft wel een kolonie eidereenden op zijn land.’ Ze keek naar Matthew op. ‘Ik heb een doos geweermunitie in de stallen zien staan, in de kantine.’

Matthew staarde haar aan. ‘Kan “rer” een mislukte poging zijn geweest om “ber” te schrijven, voor “Bergur”?’ Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn en zocht de foto op die hij van de letters op de muur had genomen. Het duurde even om de afbeelding te vergroten en te centreren. ‘Krijg nou wat,’ zei hij, na de foto grondig te hebben bestudeerd. Hij gaf de telefoon aan Thóra. ‘De onderste schuine lijn van de eerste “R” is niet recht, zoals de tweede.’

Thóra legde de telefoon neer en richtte zich tot Matthew. ‘Thórólfur nam het nieuws behoorlijk goed op,’ zei ze. ‘Hij bleef heel onderkoeld, maar ik hoorde dat hij er blij mee was. Ik voorspel dat Bergur zeer binnenkort de politie op bezoek krijgt.’

‘Bergur zelf, of anders zijn vrouw,’ zei Matthew. ‘Je weet maar nooit.’

‘Jawel,’ antwoordde zij. ‘Sommige dingen weet je gewoon. Ik heb het lijkschouwingsrapport gelezen en daaruit blijkt duidelijk dat Birna het slachtoffer is geweest van een bijzonder gewelddadige verkrachting, dus zijn er geen vrouwen in het spel, behalve misschien als medeplichtigen. Als Rósa al een rol heeft gespeeld bij de moord, dan toch zeker niet samen met haar man. Ik kan me niet voorstellen dat die twee het ooit over iets eens kunnen worden, laat staan over zoiets.’

Op dat moment kwam Sóldís naar hen toe lopen. ‘Oma wil je graag spreken,’ zei ze een beetje verlegen. ‘Ik moest je vragen of je haar wilt bellen. Het heeft iets te maken met waar jullie het gisteren over hadden.’ Ze keek naar haar voeten. ‘Als je het liever niet doet, hoeft het niet per se, hoor, maar hier heb je haar nummer.’ Ze gaf Thóra een geeltje.

Thóra bedankte haar vriendelijk en haalde meteen haar telefoon tevoorschijn, terwijl Sóldís zich omdraaide en snel wegliep. Na één keer werd er al opgenomen.

‘Hallo, Lára. Je spreekt met Thóra, de advocaat van het hotel. Ik hoorde van Sóldís dat je me wilde spreken.’

‘Ja, hallo. Ik ben blij dat je belt. Sinds we elkaar gisteren hebben gesproken kan ik aan niets anders meer denken dan aan Gudný. Ik geloof werkelijk dat jij ervoor gaat zorgen dat nu eindelijk eens wordt ontdekt wat er met het kind is gebeurd.’ Thóra had de indruk dat Lára erg emotioneel was, ook al was dat aan haar stem niet echt te horen. ‘Ik heb Gudný’s brief, waarover ik je gisteren vertelde, hier in mijn hand,’ zei de oude vrouw, met een bijna onhoorbare snik. ‘Ik heb alles afgezocht en uiteindelijk heb ik hem gevonden bij een paar andere spullen uit die tijd die ik altijd heb bewaard. Ik heb hem een aantal malen doorgelezen en volgens mij heb ik iets gevonden door tussen de regels door te lezen.’

‘Wat bedoel je?’ vroeg Thóra.

‘Op een gegeven moment schrijft ze dat de baby op de vader lijkt en dat ik de gelijkenis onmiddellijk zal zien,’ zei Lára. ‘Toen al die geruchten over incest destijds begonnen, dacht ik eigenlijk dat ze het over haar vader of oom had. Nu ik ouder ben, besef ik dat een vrouw zoiets nooit zou zeggen over een kind dat onder zulke omstandigheden is geboren. Ze vraagt ook of ik het adres weet van een bepaalde jongeman op wie ze verliefd was voordat ik verhuisde. Ze wilde iets van zich laten horen.’ Lára zweeg even en slaakte een diepe zucht. ‘Ik denk dat die jongeman de vader van het kind moet zijn geweest. Hij is kort na mij naar Reykjavík verhuisd en ik weet nog hoe vreemd hij zich gedroeg toen ik hem ongeveer een jaar later een keer tegen het lijf liep. Hij wilde niet met me praten. Destijds begreep ik daar niets van en dat doe ik eigenlijk nog steeds niet. Maar de baby zou zijn reactie kunnen verklaren. Misschien dacht hij dat ik van de baby of Gudný’s zwangerschap op de hoogte was en wilde hij er niet over praten. Hij had een jongedame aan zijn arm.’

‘Wie was hij?’ vroeg Thóra. ‘Leeft hij nog?’

‘Zeer zeker,’ antwoordde Lára. ‘Wanneer hij overlijdt, zal dat meteen in alle kranten staan. Hij was vroeger lid van het kabinet.’

Thóra klemde haar vingers om de telefoon. ‘Magnús Baldvinsson?’ vroeg ze, zo kalm mogelijk.

‘Ja, hoe wist je dat?’ riep Lára stomverbaasd uit. ‘Ken je hem?’

‘Hij logeert hier in het hotel,’ antwoordde Thóra, ‘maar het kan zijn dat hij inmiddels is vertrokken — zijn kleinzoon kwam hem gisteravond ophalen.’

‘Wat vreemd,’ zei Lára. ‘Sinds hij al die jaren geleden naar Reykjavík is verhuisd, is hij hier maar een paar keer heel kort teruggeweest.’

‘Hoe bestaat het,’ was het enige wat Thóra kon verzinnen. ‘Denk je dat hij het zo erg vond van de baby dat hij…’ ze aarzelde omdat ze niet goed wist hoe ze dit moest zeggen. Als het om volwassenen ging was het al erg genoeg, laat staan om baby’s. ‘… Dat hij het kind na Gudný’s overlijden heeft laten adopteren, of zich er op de een of andere manier… van heeft ontdaan?’ Ze hoopte dat haar eufemisme duidelijk genoeg was.

‘Ik heb geen idee,’ zei Lára. Haar oude stem haperde. ‘Lieve hemel, ik kan me niet voorstellen dat iemand zoiets zou doen. Magnús was een slappeling, oké, maar slecht? Ik weet het niet. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat iemand zoiets zou doen. Onze samenleving zou voor zo iemand absoluut geen genade kennen. Vandaag de dag niet, maar destijds al evenmin.’ Ze zweeg even om haar neus te snuiten. ‘En dan was er nog je andere vraag — over die kolenkelder. Ik heb er nog eens over nagedacht en ik herinnerde me toen dat beide boerderijen nog voordat ik hier wegging op elektrische verwarming overgingen, wat iedereen toen heel chic vond. Bjarni plaatste een kleine generator bij een van de watervallen op de berghelling, even ten noorden van de grote weg. Ik weet niet of je er iets aan hebt, maar vanaf dat moment hadden de boerderijen dus geen kolen meer nodig en werden de kolenkelders niet meer gebruikt.’ Het praten over iets praktisch als centrale verwarming leek Lára’s stem weer wat kracht te geven en er klonk nu geen enkel verdriet meer in door. ‘In de doos waarin ik Gudný’s brief bewaar heb ik ook een oude foto van ons tweeën achter de boerderij gevonden, en toen ik die eens goed bekeek, kwam dit allemaal weer bij me boven. Ik zag het luik van de kolenkelder en toen kwamen opeens alle herinneringen terug.’

Thóra viel haar in de rede. ‘Je hebt het nu over “achter de boerderij”, maar welke boerderij bedoel je dan?’

‘Kirkjustétt,’ zei Lára. ‘We kwamen destijds niet zo vaak op Kreppa. Bjarni en Grímur spraken nauwelijks meer tegen elkaar en ik weet vrij zeker dat ze alleen nog maar contact hadden over de generator, die beide hoeves van stroom voorzag.’

‘Dus Kirkjustétt had net zo’n kolenkelder als Kreppa?’ zei Thóra. ‘Achter het hotel is daar niets meer van terug te vinden. Zou het kunnen dat de nieuwbouw erbovenop is gezet?’

‘Dat lijkt me niet,’ antwoordde Lára. ‘Als ik het me goed herinner, bevond de kelder zich een eindje van de hoeve vandaan, niet in de buurt waar de nieuwbouw nu staat. Als het goed is ligt het luik in het grasveld achter het hotel. Beide hoeves hadden dezelfde indeling. Het was indertijd heel erg modern om de kolenkelder een eindje bij het huis vandaan te hebben, omdat het veel duurder was dan de kolen regelrecht in de kelder te storten. Het allerduurst was het om vanuit je kelder een ingang naar het kolenhok te hebben, ook al lag dat een eind verder.’

Thóra keek Matthew met grote ogen aan. Ze kon niet wachten om in de kelder te gaan zoeken of er een deur naar het kolenhok was en beëindigde haar gesprek met Lára, maar voordat ze ophing beloofde ze Lára het haar te laten weten als ze aanwijzingen zou vinden omtrent het lot van het mysterieuze kind.

‘Ik moet snel even bellen,’ zei ze tegen Matthew, terwijl ze het nummer van de gevangenis draaide. ‘Ik zal het je zo allemaal uitleggen.’ Terugdenkend aan de foto die Robin op Birna’s verzoek van de keldermuur had gemaakt, verwachtte Thóra daar geen deur aan te treffen. Toen Jónas naar de telefoon was gebracht, kwam ze meteen ter zake. ‘Jónas, het kan zijn dat ik een gat in de keldermuur onder het oude gedeelte van het hotel moet maken. Dat wilde ik je even laten weten. Gaat het verder goed met je?’

Thóra, Matthew en Gylfi stonden in de kelder voor de muur die volgens hen aan het grasveld moest grenzen. Ze hadden er lang over gedaan om uit te zoeken waar ze moesten beginnen, maar door Sóley op te tillen zodat zij door de vieze kleine raampjes kon kijken, waren ze erachter gekomen dat de muur op Birna’s foto de goede was. Matthew legde de foto neer en pakte de voorhamer. Thóra liep naar achteren, waar Sóley en Sigga opgewonden toekeken. Gylfi bleef bij Matthew staan, klaar om het over te nemen wanneer de Duitser even wilde uitrusten.

Haar zoon had per se mee gewild toen zij gewapend met scheppen het grasveld op waren gelopen — om zich ervan te verzekeren dat het luik daar inderdaad was voordat ze aan de slag gingen om het interieur van het hotel te verbouwen — en de meisjes wilden ook mee, om even iets anders te kunnen doen. Ze vonden het luik op ongeveer dertig centimeter diepte, vlak achter het rotsblok met de inscriptie, maar in plaats van het moeizaam uit te graven, waren ze naar de kelder gegaan om de deur te zoeken die daar ergens moest zijn — een luik dat tientallen jaren onder de grond had gelegen zou niet gemakkelijker te openen zijn dan het luik achter Kreppa waarmee ze zo hadden geworsteld.

‘Wat denken jullie hierachter te vinden?’ vroeg Gylfi, die nog twijfelde of het wel zo verstandig was de muur open te hakken.

‘Wil je dat echt weten? Ik heb geen flauw idee,’ antwoordde Thóra, ‘maar hij is hier kennelijk neergezet om mensen weg te houden. Er is geen enkele reden om een betonnen muur voor een kelderdeur te zetten. Het kan dus alleen zijn gedaan om hem te verbergen.’

‘En als er helemaal niets is?’ zei hij. ‘Wat zal de eigenaar dan zeggen?’

‘Niets,’ stelde ze hem gerust. ‘Ik heb hem over onze plannen verteld, en in het ergste geval heeft hij er een paar vierkante meter kelderruimte bij.’ Ze gebaarde ongeduldig. ‘De beuk erin!’

Dit lieten Gylfi en Matthew zich geen twee keer vertellen en ze begonnen op de muur in te beuken. Thóra en de meisjes keken verwachtingsvol toe, maar zagen al snel dat het een langdurige operatie ging worden. Het duurde meer dan een halfuur — waarin Sóley inmiddels van verveling in slaap was gevallen op een stapel oude dozen en Sigga aan één stuk door zat te gapen — voordat het gat in het pleisterwerk, het hout en de stenen groot genoeg was om doorheen te klimmen. Matthew en Gylfi, met opgestroopte mouwen, vies, bezweet en buiten adem, deden een stap opzij.

‘Ik ga niet als eerste naar binnen,’ zei Thóra, haar hoofd terugtrekkend uit het gat. ‘Het is daar vreselijk bedompt. Het ruikt branderig.’

‘Ik ga wel,’ bood Gylfi aan, maar Thóra kende hem goed genoeg om te weten dat hij het niet meende.

‘Ga jij maar eerst, Matthew,’ zei ze, en ze duwde hem naar de opening. ‘Waar is de zaklantaarn?’

Nadat ze zich alle drie door de opening hadden geperst, liepen Thóra en Gylfi achter Matthew aan door de halfduistere gang. De dunne lichtbundel van de zaklantaarn lichtte alleen Matthew bij en toen hij aan het eind van de gang opeens stilstond voor een dichte deur, botsten ze tegen hem op. Hij draaide zich om en hield de zaklantaarn onder zijn kin. Tot zijn grote plezier deinsden Thóra en Gylfi verschrikt achteruit. Hij haalde de zaklantaarn weg van zijn gezicht en scheen ermee op de deur. ‘Zal ik hem openmaken?’

Ze hadden beter nee kunnen zeggen.

31

‘En ik moet dus geloven dat jullie dit puur toevallig hebben gevonden?’ vroeg Thórólfur. ‘Jullie waren stom toevallig gewapend met voorhamers in de kelder en dachten dat de ruimte er wel eens van zou kunnen opknappen als jullie een van de muren zouden weghalen?’

Thóra plukte een houtsplinter uit haar haar en zag tot haar opluchting dat het geen tand was, zoals ze even had gevreesd. ‘Nee,’ zei ze. ‘Ik dacht dat ik duidelijk was geweest. We wilden zeker weten dat we jullie niet voor niets zouden laten komen en geld van de belastingbetalers over de balk zouden gooien. De enige manier om erachter te komen wat er te vinden was, was door er een kijkje te nemen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik dit ook niet had verwacht.’ Ze huiverde toen er twee rechercheurs voor haar langs liepen met een kruiwagen vol beenderen. Ze voerden een vieze brandlucht met zich mee.

Het hotel krioelde van de politieagenten van naburige korpsen en deskundigen uit Reykjavík. Thóra vermoedde dat de meesten geen geldige reden hadden om hier te zijn, maar dat ze gedreven werden door nieuwsgierigheid. Haar gezicht vertrok. ‘Zoals ik al zei verwachtte ik het skelet van een enkel kind aan te treffen, in plaats van beenderen tot aan het plafond.’

‘En u had niet door dat het dierenbotten waren?’ vroeg Thórólfur. ‘Was het misschien moeilijk te zien in het donker?’

‘De botten die ik als eerste zag waren niet afkomstig van een dier,’ zei Thóra vastbesloten. ‘Voordat de hele berg omviel, scheen het licht van de zaklantaarn op een klein wollen wantje. Er stak een bot uit, dus ik kan alleen maar aannemen dat daar ergens een kind moet liggen. Er kan alleen maar een hand in dat wantje hebben gezeten. Ik zag hem uit de berg botten steken voordat die instortte, dus hij zal waarschijnlijk pas gevonden worden als alle beenderen zijn weggehaald. Als ik u was zou ik de mannen opdragen uiterst voorzichtig te werk te gaan, want helemaal onderop ligt een…’ Ze kon de zin niet afmaken.

‘Misschien hebt u gemerkt dat dit een langzaam karwei is,’ zei Thórólfur, met een gebaar naar de mannen en vrouwen die om hen heen aan het werk waren. ‘Wij volgen alle procedures die van toepassing zijn op het onderzoek van een plaats delict, of we nu menselijke botten vinden of niet. We moeten vaststellen wat hier is gebeurd, want het is niet echt normaal om half verbrande karkassen op deze manier te begraven. Dus wees maar niet bang dat we bewijsmateriaal vernietigen. U kunt zich beter zorgen blijven maken om Jónas, want dit houdt absoluut geen verband met de kwestie van zijn schuld.’

‘Zelfs niet als ik u zou vertellen dat u onder al deze botten het skelet zult aantreffen van het onwettige kind van Magnús Baldvinsson, uit de Tweede Wereldoorlog?’

‘Ik zou niet weten wat dat voor verschil zou maken,’ zei Thórólfur onverschillig, hoewel het duidelijk te zien was dat zijn belangstelling was gewekt. ‘Of bedoelt u misschien dat hij zijn eigen kind heeft vermoord, vervolgens tientallen dieren heeft geslacht en hun botten boven op het lijk heeft gegooid?’ Hij lachte smalend. ‘En dat hij zestig jaar later is teruggekomen om verder te gaan waar hij ooit is opgehouden?’

‘Het is aan u om te kijken wat u uit dit alles kunt afleiden, maar het vaderschap zal aantoonbaar zijn, want er moet natuurlijk een dna-monster worden genomen van de stoffelijke resten van het kind. Hoewel we daarmee niet kunnen bewijzen wie haar heeft vermoord, zal de vaderschapstest zeker vragen opwerpen en ik denk niet dat daaruit zal blijken dat Magnús Baldvinsson een zuiver geweten heeft.’

‘U blijft dus bij uw theorie dat Magnús of Baldvin zowel Birna als Eiríkur heeft vermoord?’ vroeg Thórólfur.

Thóra plukte nog wat rommel uit haar haar. ‘Ik begon eigenlijk net te denken dat het Bergur wel eens geweest kan zijn, of zijn vrouw met een mannelijke handlanger,’ zei ze en ze legde hem vervolgens uit wat Matthew en zij eerder die dag hadden besproken met betrekking tot het geweer, de vossen en Eiríkurs mysterieuze rer-graffiti. ‘Matthew en ik hebben haar het hotel zien verlaten met een ober die hier werkt. Ze leken erg close,’ zei Thóra. ‘We dachten dat Rósa hem kan hebben verleid en hem vervolgens kan hebben overgehaald om Birna te vermoorden, als wraak voor de verhouding met haar man.’

Thórólfur trok zijn wenkbrauwen op. ‘U hebt Bergurs vrouw ontmoet,’ zei hij. ‘Komt zij u voor als een echte verleidster?’

‘Eerlijk gezegd niet, nee,’ moest Thóra bekennen, ‘maar liefde maakt blind, dus je kunt nooit weten.’

Thórólfur grinnikte boosaardig. ‘Is de naam van die ober toevallig Jökull Gudmundsson?’ vroeg hij.

‘Ja,’ zei Thóra. ‘Zijn achternaam herinner ik me niet, maar ik weet zeker dat zijn voornaam Jökull is. Wist u dat zij iets met elkaar hadden?’

‘Ze zijn broer en zus,’ zei hij. ‘Dat verklaart waarschijnlijk hoe “close” ze leken toen u ze zag.’

Thóra zei niets. Nu begreep ze Jökulls antipathie tegen Birna: zijn zwager had een verhouding met haar gehad. Het verklaarde ook zijn reactie op haar vraag over Steini. Zijn vader had het ongeluk veroorzaakt, dus was het logisch dat het voor hem net zo gevoelig lag om erover te praten als voor zijn zus. ‘Aha,’ zei ze ten slotte. ‘Dat verandert de zaak.’

‘Ja, hè?’ antwoordde Thórólfur. ‘Maar het kan geen kwaad u te vertellen dat we nog steeds onderzoek doen naar Bergurs eventuele betrokkenheid,’ voegde hij er welwillend aan toe, zonder overigens te laten doorschemeren of hij net als Jónas als verdachte gold. ‘Ik kan u ook vertellen dat zijn geweer wordt vergeleken met de kogel die in het kadaver van de vos is gevonden. In IJsland hebben we daar de faciliteiten niet voor, dus is hij naar het buitenland gestuurd. Helaas duurt het een paar dagen voordat we de resultaten kunnen verwachten, maar intussen hebben we nog wel het een en ander te doen.’ De politie-inspecteur groette haar en daalde af naar de kelder om te zien of er al vorderingen werden gemaakt.

Thóra liep naar Matthew, die net klaar was met het afleggen van zijn verklaring aan de politie. Dit had behoorlijk wat tijd in beslag genomen, omdat de agent erop had gestaan een tolk te gebruiken.

‘Denk je dat we straks Jónas gezelschap gaan houden in de gevangenis?’ grinnikte Matthew terwijl ze samen wegliepen. ‘Zoals ik er nu bij loop, zou ik daar bepaald niet uit de toon vallen,’ voegde hij eraan toe. Zijn kleren waren besmeurd met stof en aarde, want hij had nog geen tijd gehad zich te verkleden nadat al die botten bovenop hen waren gevallen.

Thóra nam hem van boven tot onder op en lachte. ‘Hoelang is het geleden dat je voor het laatst zo vies bent geweest?’ vroeg ze, en ze plukte iets van zijn trui wat eruitzag als een botsplinter.

‘Eeuwen,’ antwoordde hij. ‘Bij de bank hakken we niet vaak muren om en ik ben nog nooit zo’n grote berg botten tegengekomen in de kelder.’

Thóra rilde. Ze had hem verteld over de relatie tussen Rósa en Jökull — bepaald niet de Bonnie en Clyde die zij in gedachten hadden gehad. ‘Weet je,’ zei ze, ‘ik wil wedden dat degene die dat rotsblok met inscriptie hier heeft neergezet, heel goed wist wat eronder lag. Het moet als een soort grafsteen bedoeld zijn. Een geheim gedenkteken.’

‘Wat waarschijnlijk betekent dat het kind geen natuurlijke dood is gestorven. Waarom moest het anders in het geheim?’ zei Matthew, toen ze bij Thóra’s kamer aankwamen. ‘Bovendien zou iemand die bij zijn volle verstand is een dood kind nooit op zo’n plek neerleggen als hij niet iets te verbergen had.’

‘Ik denk dat Magnús die grafsteen heeft geplaatst,’ antwoordde ze, terwijl ze de deur opendeed. Ze liep regelrecht naar de telefoon op het nachtkastje. ‘Ik ga Elín bellen om te vragen of zij er iets van weet. Misschien kunnen zij en haar broer zich herinneren wanneer het rotsblok daar is neergelegd en door wie.’

‘Denk je dat ze met je zal willen praten?’ vroeg hij.

‘Ik kan me niet voorstellen dat ze deze keer de hoorn op de haak smijt,’ zei zij. ‘Niet wanneer ik haar vertel dat er een skelet van een kind is gevonden op het land waar haar grootvader en zijn broer hebben gewoond, en dat al decennialang familiebezit is.’ Ze zocht Elíns nummer op. ‘En ik leid haar om de tuin door de hoteltelefoon te gebruiken, voor het geval ze toevallig mijn mobiele nummer zou herkennen.’ Ze draaide zich weer om naar de telefoon. ‘Hallo, je spreekt met Thóra Gudmundsdóttir,’ zei ze toen er werd opgenomen.

‘Wat wil je?’ beet Elín haar toe. Thóra kon horen dat ze in een auto zat.

‘Om te beginnen wilde ik je laten weten dat er zojuist een enorme berg beenderen is aangetroffen op de hoeve.’

‘En wat heb ik daarmee te maken?’ riep Elín uit. ‘Steeds weer hetzelfde liedje. Sinds Jónas dat land heeft gekocht, schijnen er in de omgeving enorme hoeveelheden lichamen te worden gevonden. Ik hoorde op de radio dat hij vanmorgen in hechtenis is genomen.’

‘Ja, dat klopt,’ zei Thóra, terwijl ze haar ergernis trachtte te verbijten over het feit dat de pers zich al in Jónas’ zaak had vastgebeten. ‘Alleen hebben deze botten niets met hem te maken, aangezien ze er waarschijnlijk al lagen, lang voordat hij de grond kocht. Als ik het me goed herinner, heeft jouw familie de gebouwen die er nu staan gebouwd en altijd in bezit gehouden. Dat klopt toch? Ik ben bang dat dit wel eens veel slechter voor jou en je broer zou kunnen uitpakken dan voor Jónas. De meeste botten zijn van dieren, maar naar alle waarschijnlijkheid zit er ook het skelet van een kind bij.’

‘Wat?’ riep Elín met schrille stem. ‘Een skelet van een kind?’ Ze klonk oprecht geschokt en in verwarring. ‘Van welk kind?’

‘Dat weten we nog niet,’ zei Thóra. ‘De politie zal binnenkort met je komen praten, dus ik kan je beter niet te veel vertellen. Ik wilde je alleen één ding vragen.’ Ze wachtte even, maar Elín zei niets, dus ging ze verder: ‘Achter het huis, aan de oostkant, staat een groot rotsblok waarin een vers is gegraveerd dat volgens mij uit een volksverhaal komt. Iemand moet het daar hebben neergezet, want het is niet het werk van de natuur. Kun jij me er misschien iets over vertellen, of weet je wie het er heeft neergezet?’

‘Het rotsblok?’ zei Elín, stomverbaasd. ‘Wat heeft dat met de hele zaak te maken?’

‘Misschien niets,’ zei Thóra, niet geheel naar waarheid. ‘Ik wil alleen graag weten wat het is, zodat ik het kan uitsluiten als bewijsmateriaal.’ Ze hoopte maar dat Elín haar zou geloven.

‘Ik kan je verzekeren dat het niets met dit alles te maken heeft,’ zei Elín. ‘Dat rotsblok is daar lang geleden neergezet door mijn moeder. Het was een soort huwelijkscadeau aan zichzelf, althans dat heeft ze mij altijd verteld. Vraag me niet waarom — ze heeft het nooit uitgelegd — maar je kunt er rustig van uitgaan dat het niets te maken heeft met een dood kind.’

Thóra stond ervan te kijken dat het Málfrídur, Grímurs dochter, was geweest die het rotsblok daar had geplaatst, en toen vervolgde ze: ‘Nog één ding. Wat kwamen jij en je broer, Börkur, hier zondagavond doen? Ik heb een uitdraai van de politie waarop de voertuigen vermeld staan die die dag door de tunnel zijn gekomen en jullie staan er allebei op.’

‘Wij kwamen naar jou toe,’ antwoordde Elín geërgerd. ‘Weet je dat niet meer? Jij zou ons die maandag komen opzoeken. Wij besloten de ochtenddrukte voor te zijn en al de avond ervoor naar Stykkishólmur te rijden. Je denkt toch zeker niet dat Börkur en ik iets met die moordzaak te maken hebben?’

Thóra begon aan een halfslachtige uitleg. ‘Het is gewoon een van de punten die ik wil kunnen afstrepen,’ legde ze uit.

‘Nou, dan kun je deze ook afstrepen: Börkur is donderdag ook niet naar het westen gereden om iemand te vermoorden,’ zei Elín bits.

Thóra zei niets, want ze wilde niet laten blijken dat ze geen idee had gehad dat Börkur die dag ook op pad was geweest. Kennelijk verkeerde Elín in de veronderstelling dat Thóra voor elke dag zo’n lijst met auto’s had. ‘Wat kwam hij dan doen?’ informeerde ze voorzichtig.

‘Hij zal niet blij zijn dat ik je dit heb verteld,’ antwoordde de andere vrouw. ‘Het heeft me moeite genoeg gekost het uit hem te krijgen.’ Ze werd onderbroken door het harde geluid van een claxon, en toen kwam ze scheldend weer aan de lijn. ‘Stomme ouwe klootzak! Waarom pakken ze die lui hun rijbewijs niet af voordat ze seniel achter het stuur kruipen?’ zei ze boos, en ze vervolgde: ‘Ik vertel je dit alleen om van je af te zijn en nog meer ongefundeerde aantijgingen tegen ons te voorkomen.’

‘Het kan me geen bal schelen waarom je me dit vertelt,’ kaatste Thóra terug. ‘Dus, wat heeft hij gedaan?’

‘Hij ging bij een makelaar langs die interesse had in de resterende agrarische percelen, met de bedoeling ze van de hand te doen,’ zei Elín. ‘Hij weet dat ik wil wachten en hij heeft het buiten mij om gedaan. Als je het wilt controleren, de makelaar kan het bevestigen.’

Thóra bedankte haar en hing op. ‘De moeder van Börkur en Elín heeft die steen daar laten plaatsen,’ zei ze tegen Matthew. ‘Het zijn heel eigenaardige mensen, wat niet zo vreemd is als je naar de medische geschiedenis van hun familie kijkt — de ouders van hun moeder hadden allebei psychische problemen — maar de moorden hebben ze hoogstwaarschijnlijk niet gepleegd. Ze had in elk geval goede verklaringen voor het feit dat ze hier waren.’

Thóra stond op en pakte de tassen met Jón Árnasons verzamelde volksverhalen. ‘Als ik dat vers kan vinden, staat er misschien wel verdere uitleg in de begeleidende tekst. Misschien komen we er zo achter waarom hun moeder dat vers in het rotsblok heeft laten beitelen en waarom ze het vervolgens daar heeft neergezet.’ Ze zette de tassen op tafel. ‘Ik moet niet vergeten die boeken terug te brengen wanneer we weer naar Reykjavík gaan,’ zei ze. ‘Met alle boetes die ik betaal kunnen ze thuis al een hele nieuwe vleugel aan de bibliotheek bouwen. Ik heb geen zin om dat voor het hele land te gaan doen.’

‘Die ga je toch zeker niet allemaal lezen?’ vroeg Matthew, terwijl hij zag hoe Thóra het ene na het andere loodzware boek tevoorschijn haalde. ‘Ik denk dat ik intussen even ga douchen.’

‘Ik heb het zo opgezocht,’ zei Thóra. Ze sloeg de inhoudsopgave van Deel 1 open en zocht naar ‘vondelingen’. ‘Hier heb ik het al!’ riep ze opgewonden en ze keek op van het boek. ‘Hier heb ik een verhaal met de titel “Ook Ik Had Moeten Huwen”. Dat moet het zijn.’ Snel las Thóra het korte verhaal door en legde het opengeslagen boek toen in haar schoot.

‘Wat is er?’ vroeg Matthew. ‘Ik weet niet of dat goed of juist slecht nieuws betekent.’

‘Ik ook niet,’ zei Thóra. ‘Het is het verhaal van een moeder die haar pasgeboren baby buiten achterliet om te sterven. Enkele jaren later kreeg ze nog een dochtertje, dat ze wel grootbracht. Toen het meisje de huwbare leeftijd bereikte, vroeg een jongeman om haar hand en verloofden zij zich. Op het hoogtepunt van de huwelijksplechtigheid werd er op het raam gebonkt en hoorden de gasten dit vers zingen: “Een hoeve was ook voor mij bestemd, ook ik had moeten huwen, net als gij”.’ Ze keek Matthew aan. ‘Het was de geest van het dode meisje die tot haar zuster sprak.’

‘Dus het vers verwijst naar het feit dat de zuster datgene krijgt wat eigenlijk ten deel had moeten vallen aan het kind dat is achtergelaten om te sterven?’ vroeg Matthew.

‘Ja, blijkbaar,’ zei Thóra. ‘Denk je dat Gudný nog een kind heeft gekregen?’ Terwijl ze het zei, schudde ze haar hoofd. ‘Nee, dat denk ik niet.’

‘Maar wie heeft datgene gekregen wat eigenlijk het kind toekwam?’ vroeg Matthew. ‘Ik neem aan dat het kind haar moeders erfgename was?’

Thóra blies haar wangen op en liet de lucht vervolgens langzaam ontsnappen. ‘Het hangt ervan af wanneer Gudný precies aan tbc is bezweken. Als het kind eerder is gestorven, heeft ze natuurlijk niet van haar moeder kunnen erven. Als het kind pas na Gudný’s dood is overleden, verandert dat de zaak. Gudný’s vader stierf als eerste. Aangezien hij weduwnaar was en zij zijn enig kind, was Gudný automatisch zijn enige erfgename en zou het kind bij de dood van haar moeder al haar bezittingen hebben geërfd.’

‘En als dat het geval is, moet er iemand van de dood van het kind hebben geprofiteerd,’ zei Matthew, ‘en al Gudný’s bezittingen hebben geërfd die anders naar het kind zouden zijn gegaan. Wie kan dat in dit geval zijn geweest?’

‘De naaste familie van de moeder,’ zei Thóra. ‘Grímur, Gudný’s oom en de oudoom van het kind.’ Ze sloeg het boek dicht. ‘Lára, Sóldís’ grootmoeder, zei dat hij geldproblemen had, dus hij kan haar hebben vermoord om te voorkomen dat ze de volwassen leeftijd zou bereiken. Zodra het meisje zou trouwen of zelf een kind kreeg, zou Grímur zijn rechten op de erfenis kwijt zijn.’

‘Dat is wel ongelooflijk harteloos,’ zei Matthew. ‘Maar hij was niet degene die dat rotsblok daar heeft neergezet. Zijn dochter, Málfrídur, de moeder van Elín en Börkur, moet hebben geweten van het lichaam dat eronder lag. Het kan geen toeval zijn dat zij een steen met die inscriptie juist op die plek heeft neergezet.’

‘Málfrídur,’ zei Thóra peinzend. ‘Toen haar eigen vader jaren later in Reykjavík overleed, heeft Málfrídur geërfd wat eigenlijk aan het kind toebehoorde. Als er tenminste echt een kind is, en als het dat van Gudný is.’

‘Als, als en nog eens áls,’ zei Matthew, ‘maar ik moet toegeven dat het heel plausibel klinkt. Kan zij de moord hebben gepleegd, in plaats van haar vader, Grímur?’

‘Lijkt me niet. Tijdens de oorlog was ze nog maar een klein meisje. Toen Lára hier na de oorlog terugkwam, was Gudný’s kind al van de aardbodem verdwenen. We kunnen er redelijkerwijs van uitgaan dat Gudný’s dochter, Kristín, de Kristín is wiens naam boven in die deurpost staat gekrast. Als dat zo is, lijkt het me waarschijnlijk dat het Málfrídur is geweest die de woorden papa heeft kristín vermoord. ik haat papa daar heeft achtergelaten. Het was per slot van rekening in hun huis. Misschien is ze er zelf achter gekomen, of is ze getuige geweest van de moord, of misschien heeft hij het haar zelfs