/ Language: Netherlands / Genre:sf / Series: Doodstrijd

Doodsstrijd op Pyrrus

Harry Harryson

Naar onderwerp behoort dit verhaal tot het genre dat een menselijke kolonie en haar moeilijkheden beschrijft op een vreemde planeet en in een vreemde ecologie, de onderling afhankelijke samenhang van de levensvormen in een begrensd gebied. Jason dinAlt, interplanetair beroepsgokker, raakt door zijn talenten verwikkeld in de worsteling van de nederzetting op de planeet Pyrrus tegen zijn omgeving. De worsteling is uitzichtloos, want flora en fauna hebben letterlijk en bewust de krachten gebundeld om de kolonisten uit te roeien, ledereen op Pyrrus wordt vanaf de wieg getraind voor zijn ‘overleving’ tot een ongelooflijke graad van qui-vive en reactiesnelheid; niettemin wordt de mens stap voor stap teruggedrongen. Diep onder de indruk van deze tragedie begint Jason dinAlt een nieuwe strijd: zijn eigen één-mans gevecht om omgeving en bevolking te verzoenen omdat hij heeft ontdekt dat dit de enige en laatste kans is op handhaving.

Harry Harrison

Doodsstrijd op Pyrrus

1

Met een zacht gezucht deponeerde de dienstenbuis een boodschapcapsule in de ontvangstbak. Het belletje rinkelde een keer en was weer stil. Jason dinAlt keek naar de onschuldige capsule alsof het een tikkende bom was.

Er zat wat scheef. Hij voelde een harde knoop van spanning in zich samentrekken. Dat was geen gewone dienst-memo of hotelmededeling, dat was een verzegelde, persoonlijke boodschap. Toch kende hij niemand op deze planeet, waar hij pas acht uur tevoren was aangekomen. En aangezien zelfs zijn naam nieuw was — sinds de laatste keer dat hij van schip veranderd was — konden er geen persoonlijke boodschappen komen. En daar lag er een.

Hij brak het zegel eraf met de nagel van zijn duim en haalde het bovenste gedeelte los. De recorder in de capsule, zo groot als een potlood, gaf de opgenomen stem een iel geluidje, dat geen enkele aanwijzing gaf omtrent de spreker. ‘Kerk Pyrrus zou Jason dinAlt willen spreken. Ik wacht in de lobby.’

Het zat goed fout, maar hij kon er niet omheen. De kans bestond dat de man ongevaarlijk was. Een zakenman misschien, of alleen maar een geval van persoonsverwisseling. Ondanks dat plaatste Jason zorgvuldig zijn revolver achter een kussen op de divan, met de veiligheidspal los. Het was niet te voorspellen hoe deze affaire zich zou ontwikkelen. Hij gaf aan de receptie door dat ze de bezoeker naar boven konden sturen. Toen de deur openging, lag Jason languit op een hoek van de divan en nipte van een groot glas. Een ex-worstelaar. Dat was Jasons eerste gedachte toen de man binnenkwam. Kerk Pyrrus was een grijze rots van een man, zijn lichaam leek te bestaan uit een beeldhouwwerk van bundels spieren. Zijn grijze kleren waren zo ouderwets dat het bijna een uniform was. Aan zijn onderarm zat een stevige, zeer versleten holster gegespt, de mond van een revolver loerde er blind uit.

‘Jij bent dinAlt de speler,’ zei de vreemdeling bot. ‘Ik heb je een voorstel te doen.’

Jason keek over de rand van zijn glas, en speelde in zijn gedachten met de mogelijkheden. Dit was ofwel de politie ofwel de concurrentie — en met geen van beide wilde hij wat te maken hebben. Hij moest heel wat meer weten voor hij zich in een of ander zaakje begaf.

‘Neem me niet kwalijk, makker,’ glimlachte Jason. ‘Maar je hebt de verkeerde te pakken. Ik ben je graag van dienst, maar het lijkt wel of dat gokken van mij de casino’s altijd meer plezier doet dan mijzelf. Dus, zie je —’

‘Laten we elkaar niet voor de gek houden,’ onderbrak Kerk met een dreunend geluid uit zijn borstkas. ‘Jij bent dinAlt, en dezelfde als Bohel. En als je nog meer namen wilt, ik kan je Mahauts Planeet noemen, het Nebula Casino, en nog een heleboel meer. Ik heb een voorstel waar wij allebei goed bij gaan, en het zou beter zijn als je even naar me luisterde.’ Geen van de namen bracht de geringste verandering in de vage glimlach van Jason. Maar zijn lichaam was waakzaam en gespannen. Deze gespierde vreemdeling wist dingen die hij helemaal niet mocht weten. Het werd tijd om van onderwerp te veranderen.

‘Dat is een flinke ploffer die je daar hebt,’ zei Jason. ‘Maar ze maken me altijd nerveus. Ik zou het prettig vinden als je hem afdeed.’

Kerk keek omlaag naar de revolver alsof hij die voor het eerst zag.

‘Nee, ik doe hem nooit af.’ Hij leek een beetje geërgerd door het verzoek.

De tijd van proberen was voorbij. Jason moest betere papieren hebben wilde hij hier levend uit vandaan komen. Terwijl hij voorover leunde om zijn glas op tafel te zetten, viel zijn andere hand als onwillekeurig achter het kussen. Hij had de kolf van de revolver vast toen hij zei: ‘Ik ben bang dat ik aan moet dringen. Ik voel me nooit helemaal op mijn gemak bij mensen die gewapend zijn.’ Hij bleef praten om de aandacht af te leiden, terwijl hij zijn ploffer trok. Snel en kalm. Hij kon net zo goed in slow motion bewogen hebben. Kerk Pyrrus stond doodstil terwijl hij zijn revolver trok en in zijn richting zwaaide. Pas op het allerlaatste moment kwam hij in actie. Toen hij dat deed, was de beweging onzichtbaar. Het ene ogenblik was z’n revolver nog in het armholster — het volgende ogenblik was hij tussen Jasons ogen gericht. Het was een lelijk, zwaar wapen, met een mond met putjes, die vertelden dat hij veel gebruikt was.

Jason wist dat als hij zijn eigen wapen nog een millimeter omhoog zwaaide, dat hij dan dood zou zijn. Hij liet zijn arm voorzichtig zakken, boos op zichzelf omdat hij geprobeerd had hersenen door geweld te vervangen. Kerk liet zijn eigen wapen in het holster terugvallen met hetzelfde gemak als waarmee hij het getrokken had. ‘Genoeg daarvan,’ zei Kerk. ‘Nou gaan we zaken doen.’ Jason strekte zijn arm uit en nam een grote slok uit zijn glas en hield zijn woede in. Hij was snel met de revolver — zijn leven had er vaak genoeg van afgehangen — en dit was de eerste keer dat hij overtroffen was. Het was die terloopse, die nonchalante manier waarop het gedaan was, die hem irriteerde.

‘Ik ben niet van plan om zaken te doen,’ zei hij scherp. ‘Ik ben naar Cassylia gekomen voor vakantie, om eens helemaal uit mijn werk te zijn.’

‘Laten we elkaar niet voor de gek houden, dinAlt,’ zei Kerk ongeduldig. ‘Je hebt nog nooit van je leven eerlijk werk gedaan. Je bent een beroepsspeler en daarom ben ik ook bij je gekomen.’

Jason stouwde zijn woede weg en gooide de ploffer naar de andere kant van de divan, opdat hij niet in de verleiding zou komen om zelfmoord te plegen.

Hij was er zo zeker van geweest dat niemand hem hier op Cassylia kende, en hij had verlangend uitgezien naar een grote slag in het Casino. Dat zou later allemaal wel komen. Deze worstelaarfiguur scheen op alles een antwoord te weten. Laat hem z’n gang es even gaan, dan zien we waar we terechtkomen.

‘Goed, wat wil je?’

Kerk viel neer in een stoel, die onheilspellend kraakte onder zijn gewicht, en viste een envelop uit een van zijn zakken. Hij scheurde hem snel open en gooide een handvol glimmende Melkweg-Betaalmiddelen op tafel. Jason keek er even naar — en ging onmiddellijk rechtop zitten.

‘Wat zijn dat — valse?’ vroeg hij, terwijl hij er een tegen het licht hield.

‘Zo echt als het maar kan,’ zei Kerk. ‘Ik heb ze net van de bank gehaald. Om precies te zijn, zevenentwintig stuks, oftewel zevenentwintig miljoen kredits. Ik wil dat jij ermee gaat werken als je vanavond naar het Casino gaat. Gok ermee en win.’

Ze zagen er echt genoeg uit — en ze konden onderzocht worden. Jason liet ze nadenkend door zijn vingers gaan terwijl hij de ander scherp opnam.

‘Ik weet niet wat jij wilt,’ zei hij, ‘maar je snapt toch wel dat ik je niets kan garanderen. Ik speel — maar ik win niet altijd.’

‘Jij speelt en je wint als jij dat wilt,’ zei Kerk grimmig. ‘We hebben dat lang genoeg bestudeerd, voordat ik naar je toekwam.’

‘Als je daarmee wilt zeggen dat ik vals speel...Voorzichtig aan; Jason kreeg zijn opkomende woede weer in bedwang. Het had geen zin om vervelend te doen. Kerk ging verder met dezelfde stem en negeerde Jasons groeiende woede.

‘Misschien noem jij het geen vals spelen, dat kan me geen zier schelen. Voor mijn part heb je je mouwen vol azen en elektromagneetjes in de punten van je schoenen. Zolang je maar wint. Ik ben hier niet om een discussie te beginnen over wat wel en niet mag. Ik zei dat ik een voorstel had. We hebben hard voor dit geld gewerkt, maar nog steeds is het niet genoeg. Om precies te zijn, we hebben drie miljard kredits nodig. De enige manier om die bij elkaar te krijgen is gokken. Met deze zevenentwintig miljoen als werkkapitaal.’

‘En wat zit er voor mij aan?’ Jason vroeg het koeltjes, alsof dit hele fantastische aanbod volkomen zinnig was.

‘Alles boven de drie miljard kun je houden, dat is eerlijk genoeg. Je zet niet je eigen geld op het spel, maar je bent in staat voldoende te winnen om er de rest van je tijd van te leven.’

‘En als ik verlies?’

Kerk dacht een ogenblik na, de smaak van dat idee vond hij niet zo aangenaam. ‘Ja, er is een kans dat je verliest. Ik had daar nog niet over nagedacht.’ Hij kwam tot een besluit. ‘Als je verliest, nou, ik geloof dat dat een risico is dat we maar moeten nemen. Hoewel ik je dan waarschijnlijk wel zal vermoorden. Degenen die kapot zijn gegaan om die zevenentwintig miljoen te verdienen zijn we dat in ieder geval verschuldigd.’

Hij zei het rustig, niet boosaardig, het was meer een weloverwogen besluit dan een dreigement.

Jason kwam overeind, vulde zijn glas weer en bood er Kerk een aan, die het aannam met een knikje. Hij ijsbeerde heen en weer, niet in staat om te zitten. Het hele voorstel maakte hem boos, en had tegelijkertijd toch ook een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Hij was een speler, en deze woorden waren als het zien van dope voor een verslaafde. Plotseling stopte hij — en besefte dat hij zijn besluit allang genomen had. Winnen of verliezen. Leven of dood — hoe kon hij nee zeggen tegen de kans om te spelen met zoveel geld? Hij keerde zich opeens om en wees met een vinger naar de grote man in de stoel.

‘Ik doe het. Ik neem aan dat je dat wist vanaf het moment dat je binnenkwam. Maar er zijn een paar voorwaarden van mezelf. Ik wil weten wie jij bent en wie zij zijn waar je het steeds over hebt. En waar komt het geld vandaan — is het gestolen?’

Kerk leegde zijn glas en zette het weg.

‘Gestolen geld? Nee, integendeel. Twee jaar erts delven om het te krijgen. Het komt uit de grond van Pyrrus en is hier op Cassylia verkocht. Je kunt dat heel makkelijk nagaan. Ik ben de ambassadeur van Pyrrus op deze planeet.’ Hij glimlachte bij de gedachte. ‘Niet dat dat zoveel betekent. Ik ben ook nog ambassadeur op minstens zes andere planeten. Handig als je zaken wilt doen.’

Jason keek naar de gespierde man met zijn grijze haar en versleten uniformachtige kleren, en besloot niet te lachen. Je hoorde vreemde dingen over de verre planeten en ieder woord zou best eens waar kunnen zijn. Hij had ook nog nooit van Pyrrus gehoord, hoewel dat niets zei. Er waren meer dan dertigduizend planeten bekend in het bewoonde deel van het heelal.

‘Ik zal nagaan wat je mij vertelde,’ zei Jason. ‘Als het waar is kunnen we zaken doen. Bel me morgen op ...’

‘Nee,’ zei Kerk. ‘Het geld moet vannacht gewonnen worden. Ik heb al een cheque uitgeschreven voor deze zevenentwintig miljoen: die komt zo zeker retour als een komeet, tenzij we het geld morgenochtend deponeren, dus tot dan hebben we de tijd.’

Ieder ogenblik werd de hele zaak fantastischer — en Jason nieuwsgieriger. Hij keek op zijn horloge. Er was nog genoeg tijd om na te gaan of Kerk loog of niet. ‘Goed, we zullen het vanavond doen,’ zei hij. ‘Alleen moet ik een van die biljetten hebben om te laten verifiëren.’ Kerk stond op. ‘Neem ze allemaal maar, ik zie je niet eerder dan nadat je gewonnen hebt. Ik zal natuurlijk ook in het Casino zijn, maar je kent me niet. Het is veel beter als ze niet weten waar je geld vandaan komt en hoeveel je hebt.’

Toen verdween hij, na een bottenkrakende handdruk die zich als een bankschroef om Jasons hand sloot. Jason was alleen met het geld. De biljetten uitgespreid alsof het een hand vol kaarten betrof, staarde hij naar hun sepia met gouden voorkant en probeerde de realiteit tot zich te laten doordringen. Zevenentwintig miljoen kredits. Wat hield hem tegen om gewoon de deur uit te lopen met het geld en hem te smeren? Niets eigenlijk, behalve zijn eergevoel. Kerk Pyrrus, de man met dezelfde naam als de planeet waar hij vandaan kwam, was de grootste idioot van het heelal. Of hij wist gewoon heel goed wat hij deed. Afgaande op de wijze waarop het gesprek was verlopen, leek het laatste hem het meest waarschijnlijk.

‘Hij weet dat ik veel liever met het geld speel dan ermee vandoor ga,’ zei hij wrevelig.

Hij liet een kleine ploffer in zijn heupholster glijden, deed het geld in zijn zak en ging naar buiten.

2

De robotkassier bij de bank gaf van schrik een elektronisch gilletje toen hij een van de biljetten aanbood, en verlichtte een bordje dat hem verzocht naar Vice-president Wain te gaan. Wain was een gladde kerel die zijn oogjes samenkneep en iets van zijn kleur verloor toen hij de bundel biljetten zag.

‘Wilt u — dit bij ons deponeren?’ vroeg hij, terwijl hij zijn vingers er gedachteloos overheen liet strijken.

‘Vandaag niet,’ zei Jason. ‘Zij werden mij betaald als een schuld. Wilt u nu alstublieft nagaan of ze echt zijn en ze dan wisselen, ik zou graag vijfhonderdduizend kreditbiljetten hebben.’

Zijn beide binnenzakken waren volgepakt toen hij de bank verliet. De biljetten waren echt en hij voelde zich een wandelende Munt. Dit was de eerste keer in zijn hele leven dat hij zich niet op zijn gemak voelde met een grote som gelds op zak. Hij wenkte een passerende helitax, en ging meteen naar het Casino, waar hij veilig zou zijn voor een tijdje.

Cassylia Casino was het speelressort van de zwerm naburige sterrenstelsels. Het was de eerste keer dat Jason het zag, hoewel hij het soort goed genoeg kende. Hij had de meeste tijd van zijn leven doorgebracht in casino’s als dit, op andere werelden. Het decor verschilde, maar ze waren altijd hetzelfde. Gokken en gezelligheid in het openbaar — en achter de schermen alle geheime verdorvenheid die je je kon veroorloven. Theoretisch spelen zonder limit, maar dat ging alleen op tot een bepaald punt. Als de bank echt goed geraakt werd, werd het eerlijke spel een beetje minder eerlijk, en moest de fortuinlijke winnaar goed op zijn tellen passen. Tegen deze overmacht had Jason dinAlt al ontelbare malen gespeeld. Hij was op zijn hoede, maar niet bijster ongerust.

De eetzaal was bijna leeg en de majordomo haastte zich de vreemdeling in de rijke kleren te begeleiden. Jason was mager en donker en bewoog zich op een makkelijke, zelfverzekerde manier. Meer als de bezitter van een geërfd fortuin dan als een beroepsgokker. Dit voorkomen was belangrijk en hij hield het met zorg in stand. De keuken zag er goed uit en de kelder bleek voortreffelijk. Hij had een enthousiast gesprek op kennersniveau met de wijnhofmeester terwijl hij op de soep wachtte, en ging er toen voor zitten om van zijn maaltijd te genieten.

Hij at op zijn gemak en de grote eetzaal was gevuld voordat hij klaar was. Hij rookte een lange sigaar en bekeek het spul om nog meer tijd te doden. Toen hij eindelijk naar de speelzalen ging waren ze vol en in actie.

Terwijl hij langzaam de zaal rond ging, zette hij een paar duizendjes in.

Hij keek nauwelijks hoe hij speelde, hij schonk meer aandacht aan het verloop van het spel. Het spel scheen volkomen eerlijk en er was nergens geknoeid. Dat kon heel gauw veranderen, wist hij. Meestal was het niet eens nodig, het percentage van de bank was genoeg om winst te maken. Een keer zag hij Kerk uit de hoek van zijn oog, maar hij schonk hem geen aandacht.

De ambassadeur verloor regelmatig kleine bedragen aan de pokertafel en leek ongeduldig. Waarschijnlijk wachtte hij tot Jason echt zou beginnen te spelen. Hij glimlachte en slenterde op zijn gemak verder.

Jason begon aan een dobbeltafel, zoals hij meestal deed. Het was de zekerste weg om kleine bedragen te winnen. En als ik het vanavond in m’n vingers heb, kan ik het hele casino laten springen! Dat was zijn geheim, de kracht die gestadig voor hem won — en hem af en toe in staat stelde om een slag te slaan, en er dan snel vandoor, voor de moordzuchtige huurlingen kwamen om het geld terug te halen.

De dobbelsteen kwam bij hem en hij gooide met moeite een acht. De inzet was klein en hij forceerde zich niet, maar bleef uit de buurt van de zevens. Hij haalde een point en maakte een mooie kans; toen gooide hij toch een zeven en gaf de stenen door.

Terwijl hij daar zat, en voortdurend kleine bedragjes inzette terwijl de dobbelsteen de tafel rondging, dacht hij na over die kracht. Gek, na al die jaren werk weten we nog maar weinig van psi. Ze kunnen er mensen een beetje in oefenen, en bestaande talenten een beetje vergroten — maar verder niet.

Hij voelde zich sterk vanavond, hij wist dat het geld in zijn zak hem het extra steuntje gaf dat hem soms hielp om er te komen. Met zijn ogen half gesloten pake hij de dobbelsteen — en liet zijn gedachten spelen met het patroon van verzonken stippen. Toen schoten zij uit zijn hand en hij zag een zeven liggen. Daar was het. Sterker dan hij in jaren gevoeld had. Het gewicht van het pak van een miljoen kredits had het gedaan. Alles om hem heen was scherp en helder en de steen was volkomen in zijn macht. Hij wist tot op een tiende kredit hoeveel de andere spelers in hun portefeuille hadden en wist ook precies wat voor kaarten de spelers achter hem in hun hand hadden.

Langzaam, voorzichtig verhoogde hij de inzetten.

Er waren geen moeilijkheden met de dobbelstenen: zij renden weg en zaten op als gedresseerde hondjes. Jason nam de tijd en concentreerde zich op de psychologie van de spelers en de croupier. Het duurde twee uur voordat hij zevenhonderdduizend kredits op tafel had gekregen. Toen merkte hij de croupier seinen dat zij een grote winnaar hadden. Hij wachtte totdat de man met de stalen ogen op zijn gemak kwam aanslenteren om het spel gade te slaan, ademde toen op de dobbelsteen, zette zijn hele winst in en verloor hem met een enkele gooi. De hoofdcroupier glimlachte verheugd, de croupier ontspande zich — en uit een hoekje van zijn oog zag Jason dat Kerk paars aanliep. Zwetend, bleek en met licht trillende handen maakte Jason zijn jasje los en haalde een van de enveloppen met nieuwe biljetten te voorschijn. Hij verbrak het zegel met zijn vinger en legde er twee op tafel.

‘Kunnen we het spel zonder limit spelen?’ vroeg hij. ‘Ik zou graag wat van mijn geld terug willen winnen.’

De croupier had moeite om zijn glimlach te bedwingen, hij keek naar de hoofdcroupier die snel ja knikte. Zij hadden een sukkel te pakken — en zouden hem uitkleden. De hele avond had hij met geld uit zijn portefeuille gespeeld, maar nu had hij een verzegelde envelop aangebroken om te proberen zijn verlies terug te winnen. Een dikke envelop ook nog, waarschijnlijk niet zijn eigen geld. Niet dat dat de bank ook maar iets kon schelen. Voor hen had geld niets met eerlijkheid te maken. Het spel ging verder, het casino was bijzonder ontspannen.

Dit was precies zoals Jason het wilde. Hij moest er zo diep mogelijk inhakken voordat zij zich zouden realiseren dat zij misschien aan de verliezende hand waren. Dan zou het grove geschut komen en dat wilde hij zo lang mogelijk uitstellen. Het zou moeilijk zijn om gladjes te winnen — en zijn psikracht zou even vlug weg kunnen vallen als hij was gekomen. Dat was al eerder voorgekomen.

Hij speelde tegen de bank nu, de twee andere spelers waren duidelijk twee bange wezels, en een dichte menigte had zich om hen heen geschaard om te kijken. Na wat verliezen en winnen, gooide hij een hele serie gouden handjes achter elkaar en zijn torentje gouden fiches stapelde zich hoger en hoger op. Er was nu bijna een miljard, schatte hij. De stenen vielen nog steeds goed, alhoewel hij baadde in het zweet van de inspanning. Terwijl hij de hele stapel fiches inzette, reikte hij naar de dobbelstenen. De croupier was sneller en harkte ze weg. ‘Nieuwe dobbelstenen,’ zei hij zonder een spier te vertrekken.

Jason ging rechtop zitten en veegde zijn handen af, blij met dat ogenblikje van opluchting. Dit was de derde keer dat hij nieuwe dobbelstenen had gevraagd om te proberen hem uit zijn gouden worp te halen. Het was hun recht. De hoofdcroupier met de staalharde ogen opende zijn portefeuille zoals hij al eerder had gedaan en haalde er een willekeurig paar uit. Hij gooide ze nadat hij er het plastic hoesje vanaf gestroopt had, in de lengte over de tafel naar Jason. Ze kwamen omhoog op een zeven en Jason glimlachte.

Toen hij ze naar zich toehaalde, verdween de glimlach geleidelijk. De stenen waren transparant, prachtig gemaakt, volkomen uitgebalanceerd aan alle zijden — en vals.

Het pigment van de stippen van vijf zijden van elke steen was van een of andere zware metaalverbinding, waarschijnlijk lood. De zesde kant was ijzerhoudend. Zij zouden eerlijk rollen totdat zij terechtkwamen in een magnetisch veld — wat betekende dat de gehele oppervlakte van de tafel magnetisch kon zijn. Hij zou het verschil nooit opgemerkt hebben als hij er niet met heel zijn geest naar gekeken had. Maar wat kon hij eraan doen?

Langzaam schuddend, keek hij snel de kamer rond. Daar stond wat hij moest hebben. Een asbak met een magneet in de bodem om hem aan de metalen rand van de tafel gekleefd te houden. Jason hield op de stenen te schudden, en reikte toen over de tafel naar de asbak. Hij liet de bodem tegen zijn hand zakken.

Toen hij de asbak omhoog hield, ging er een algemeen oooh! op van alle kanten. De stenen zaten daar vast, ondersteboven, met hun goeie kant naar boven.

‘Noemt u dit eerlijke stenen?’ vroeg hij. De man die de stenen had gegooid greep snel naar zijn broekzak. Jason was de enige die zag wat er daarna gebeurde. Hij hield de hand scherp in zijn oog: zijn eigen hand vlak ‘bij de ploffer. Toen de man naar zijn zak greep, pakte een hand uit de menigte hem van achter beet. Te oordelen naar de grote vierkante vorm, kon die hand maar aan één iemand toebehoren. De dikke duim en wijsvinger schroefden zich snel om de pols van de hoofdcroupier en waren weer verdwenen. De man gilde schril en hield zijn arm omhoog, de hand bengelde erbij als een handschoen vanaf het gebroken polsgewricht.

Aan zijn flank goed beschermd kon Jason verder gaan met het spel.

‘De oude stenen alstublieft,’ zei hij rustig.

Als verdoofd schoof de croupier ze naar hem toe. Jason schudde snel en liet ze rollen. Voordat ze de tafel raakten, drong het tot hem door dat hij ze niet in zijn macht had — de tijdelijke psikracht was weg. Tergend langzaam rolden ze door. En lieten een zeven zien.

Toen hij de fiches telde die naar hem toe geschoven werden, kwam hij tot bijna een miljard kredits. Zoveel zouden ze winnen als hij er nu mee ophield, maar het was niet de drie miljard die Kerk nodig had.

Nou, het moest maar genoeg zijn. Terwijl hij naar de fiches reikte viel zijn oog op Kerk aan de overkant van de tafel en de ander schudde gestadig zijn hoofd: nee. ‘Laten we doorgaan,’ zei Jason mat, ‘nog één keertje.’ Hij ademde op de stenen, en poetste ze op op zijn manchet en vroeg zich af hoe hij ooit in deze situatie verzeild was geraakt. Miljarden waarover werd beslist door een paar dobbelstenen. Zoveel als de jaarlijkse inkomsten van sommige planeten. Het enige dat het mogelijk maakte om zulke hoge inzetten te hebben was het feit dat de regering van deze planeet een aanzienlijk zakelijk belang had in dit casino. Hij schudde zolang hij kon en tastte naar de kracht die hem verlaten had — toen liet hij ze gaan.

Alles in het casino stond stil, de mensen stonden op tafels en stoelen te kijken. Er kwam geen enkel geluid uit die grote menigte. De stenen sprongen terug van de tafel met een luid gekletter en tuimelden over het kleed. Een vijf en een één, zes. Hij moest zijn point nog hebben. Jason veegde de stenen naar zich toe en praatte tegen ze, mummelde de oude spreuken die geluk brachten en gooide weer.

Hij moest vijf keer gooien voordat hij een zes had.

De menigte zuchtte met hem mee en hun stemmen klonken snel op. Hij wilde stoppen en een diepe zucht slaken, maar hij wist dat het niet kon. Het geld winnen was maar een gedeelte van het werk — nu moesten ze ermee vandoor. Het moest heel gewoon gaan. Een kelner kwam langs met een blad drankjes. Jason hield hem aan en stopte een honderdje in zijn zak.

‘Jullie drinken van mij,’ riep hij, terwijl hij het blad uit de handen van de kelner loswrong. Mensen die hem geluk wensten zorgden ervoor dat de gevulde glazen verdwenen waren en Jason stapelde de fiches op het blad. Het waren er meer dan erop konden, maar Kerk verscheen op dat moment met een tweede blad.

‘Ik zal u met genoegen helpen, meneer, als u mij toestaat,’ zei hij.

Jason keek hem aan en glimlachte instemmend. Het was de eerste keer dat hij Kerk goed bekeek in het casino. Hij droeg een los donkerrood huisjasje over wat een vals buikje moest zijn. De mouwen waren lang en slobberig, zodat hij er dik uitzag in plaats van gespierd. Het was een eenvoudige maar doeltreffende vermomming.

Voorzichtig droegen zij de volgeladen bladen naar het loket van de kassier, omgeven door een menigte opgewonden klanten. De manager was er zelf, zuur grijnzend. De grijns verdween helemaal toen hij de fiches telde.

‘Kunt u morgen niet terugkomen?’ zei hij. ‘Ik ben bang dat we zoveel geld niet in kas hebben.’

‘Wat is dat nou?’ riep Kerk, ‘probeert u er onder uit te komen om hem te betalen? U kon mijn geld makkelijk aannemen toen ik verloor — dat geldt ook andersom!’ De omstanders, altijd verheugd om de bank te zien verliezen, gromden afkeurend. Jason maakte er met luide stem een einde aan.

‘Ik zal redelijk zijn. Geef me het geld dat u in kas heeft en voor de rest neem ik een cheque.’

Er was geen uitweg. Onder de ogen van de vrolijke menigte pakte de manager een envelop vol biljetten en schreef een cheque uit.

Jason keek er snel naar en stopte hem toen in zijn binnenzak. Met de envelop onder de arm, volgde hij Kerk naar de deur.

Vanwege de omstanders hadden ze geen last in de zaal, maar net toen zij bij de zijuitgang waren, schoven er twee mannen voor die hen de weg versperden. ‘Een ogenblikje,’ zei de ene. Hij maakte de zin niet af. Kerk wandelde op hen af zonder in te houden en zij vielen als kegels om. Toen waren Kerk en Jason het gebouw uit en liepen snel weg. ‘Naar de parkeerplaats,’ zei Kerk. ‘Daar heb ik een auto.’

Toen ze de hoek omkwamen reed er een auto op hen in. Voordat Jason zijn pistool uit de holster had, stond Kerk al voor hem. Zijn arm ging omhoog en zijn grote lelijke wapen barstte door de stof van zijn mouw in zijn hand. Een enkel schot doodde de bestuurder, slingerend reed de auto verder en te pletter. De twee andere mannen in de auto werden gedood toen zij uit het portier sprongen, hun pistolen gleden uit hun hand.

Daarna hadden ze geen moeilijkheden meer. Kerk reed op topsnelheid weg van het Casino, de gescheurde mouw van zijn jasje fladderde in de wind, en gaf telkens een glimp van het grote wapen in de holster te zien.

‘Als ’t eens zo uitkomt,’ zei Jason, ‘moet je me toch eens laten zien hoe die holster in z’n werk gaat.’

‘Als ’t zo uitkomt,’ antwoordde Kerk, terwijl de auto de tunnel naar de stad indook.

3

Het gebouw waarvoor zij stopten lag in een van de betere wijken van Cassylia. Onder het rijden had Jason het geld geteld en zijn deel eraf genomen. Bijna zestien miljoen kredits. Het leek nog steeds een droom. Toen zij voor het gebouw uitstapten, gaf hij de rest aan Kerk.

‘Hier zijn je drie miljard. En denk niet dat het makkelijk was,’ zei hij.

‘Het had beroerder gekund,’ was het enige antwoord.

De stem van een bandje kraakte door de luidspreker boven de deur.

‘Sire Ellus heeft zich voor de nacht teruggetrokken, wilt u alstublieft morgenochtend terugkomen. Alle afspraken worden van te voren gemaakt.

De stem brak af toen Kerk de deur opendrukte.

Hij deed het bijna zonder inspanning, met de vlakke hand. Toen zij naar binnen gingen keek Jason naar de restanten losgescheurd metaal van het slot en verbaasde zich opnieuw over zijn metgezel.

Kracht — meer dan lichamelijke kracht — hij heeft veel van de kracht der elementen. Ik heb het gevoel dat niets hem kan tegenhouden.

Het maakte hem nijdig — en tegelijkertijd fascineerde het hem. Hij wilde niet met de zaak ophouden voordat hij meer had uitgevonden over Kerk en zijn planeet. En over ‘degenen’ die hun leven gegeven hadden voor het geld waarmee hij had gegokt.

Sire Ellus was oud, kaal en kwaad, helemaal niet gewend dat zijn rust verstoord werd. Zijn metgezellen hielden plotseling op toen Kerk het geld op tafel gooide. ‘Wordt het schip al geladen, Ellus? Hier is de verschuldigde som.’

Ellus graaide even alleen maar naar de biljetten voordat hij Kerks vraag kon beantwoorden. ‘Het schip — maar natuurlijk. Wij zijn begonnen met laden toen jij daar opdracht toe gaf en de waarborg deponeerde. U wilt mijn verwarring excuseren; dit is een beetje ongewoon. Wij behandelen transacties van deze grootte nooit contant.’

‘Dat is mijn manier om zaken te doen,’ antwoordde Kerk. ‘Ik heb de waarborgsom geannuleerd, dit is de totale som. Wat zegt u van een ontvangstbewijsje?’ Ellus had het uitgeschreven voordat hij weer bij zijn positieven was. Hij hield het stevig vast terwijl hij onzeker naar de drie miljard keek die voor hem lagen uitgespreid.

‘Wacht — ik kan het nu niet in ontvangst nemen, U moet morgenochtend maar terugkomen op de bank. Op de normale manier van zaken doen,’ besloot Ellus ferm. Kerk boog zich naar voren en trok het papier zachtjes uit Ellus’ hand.

‘Bedankt voor het bewijs,’ zei hij. ‘Ik zal hier morgenochtend niet meer zijn dus is het zo wel voor elkaar. En als je je zorgen maakt over het geld, raad ik je aan om je in verbinding te stellen met al je nachtwakers en bedrijfspolitie. Dan zul je je vast veel veiliger voelen.’

Toen zij weggingen door de vernielde deur, was Ellus als een razende nummers aan het draaien op zijn scherm. Kerk beantwoordde Jasons volgende vraag voordat die hem had kunnen stellen.

‘Ik geloof dat je het prettig zou vinden om dat geld levend uit te kunnen geven, daarom heb ik twee plaatsen geboekt op een interplanetair schip.’ Hij keek op het autoklokje. Het vertrekt over ongeveer twee uur, dus hebben we nog tijd genoeg. Ik heb honger, laten we een restaurant opzoeken. Ik hoop dat je niets in het hotel hebt waar je voor terug moet. Het zou een beetje moeilijk zijn.’

‘Niets dat een kogel waard zou zijn,’ zei Jason. ‘Nou, waar gaan we eten? Ik heb je een paar vragen te stellen.’ Zij cirkelden voorzichtig omlaag naar de transportwegen totdat zij er zeker van waren dat zij niet gevolgd werden.

Kerk parkeerde de auto met zijn neus in een overschaduwde laadhaven, waar zij hem achterlieten.

‘We kunnen altijd een andere auto nemen,’ zei hij, ‘en waarschijnlijk zijn zij deze al op het spoor. We lopen terug naar de vrachtweg, daar heb ik een restaurant gezien toen wij voorbij kwamen.’

Donkere vormen doemden op van de zwaar beladen vrachtwagens op het parkeerterrein. Zij vonden de weg langs de manshoge wielen naar het lawaaierige restaurant. Chauffeurs en vroege arbeiders namen geen notitie van hen toen zij een celletje ergens achteraf ingingen en een maaltijd doorbelden. Kerk hakte een stuk vlees van het plateau voor hem en propte dit opgewekt in zijn mond. ‘Stel je vragen,’ zei hij, ‘ik voel me al een stuk beter.’

‘Wat zit er in dat schip dat je vannacht besteld hebt? Voor wat voor lading heb ik mijn leven op het spel gezet?’

‘Ik dacht dat je je leven op het spel zette voor geld,’ zei Kerk droog. ‘Maar wees gerust, het is voor een goed doel. Die scheepslading betekent het leven van een hele planeet. Geweren, ammunitie, mijnen, explosieven, enzovoort.’

Jason verslikte zich in een mond vol eten. ‘Wapensmokkel! Wat ben je aan het doen, financier je een privé-oorlog? En hoe kun je praten over leven als het gaat over zulk een dodelijke vracht? Probeer me niet wijs te maken dat je er vreedzame bedoelingen mee hebt. Wie ga je vermoorden?’

Het goede humeur van de grote man was grotendeels verdwenen: hij had die grimmige trek op zijn gezicht die Jason zo goed kende.

‘Ja, vreedzaam is het goede woord, want in vrede leven is eigenlijk alles wat we willen. En het is niet wie gaan we vermoorden, maar wat.’

Jason duwde zijn bord weg met een boos gebaar. ‘Je spreekt in raadsels,’ zei hij. ‘Wat je zegt heeft geen betekenis.’

‘Betekenis genoeg,’ zei Kerk. ‘Maar slechts op één planeet in het heelal. Hoeveel weet je eigenlijk van Pyrrus?’

‘Helemaal niets.’ Een ogenblik lang zat Kerk in gedachten verzonken met een dreigende blik op zijn gezicht. Toen ging hij verder.

‘De mens hoort niet thuis op Pyrrus — toch is hij er op het ogenblik al bijna driehonderd jaar. De gemiddelde levensduur van mijn volk is zestien jaar. Natuurlijk worden de meeste volwassenen ouder, maar de hoge kindersterfte brengt het gemiddelde omlaag.

‘Het is precies wat een door mensen bewoonde wereld niet zou moeten zijn. De zwaartekracht is bijna tweemaal zo groot als op aarde. De temperatuur kan dagelijks wisselen van pool- tot tropentemperatuur. Het klimaat — nou, dat zul je moeten meemaken om het te geloven. Het is niet te vergelijken met welke andere plaats in de melkweg.’

‘Ik ben verschrikkelijk bang,’ zei Jason droog. ‘Wat hebben jullie, metaan- of chloorreacties? Ik ben op dergelijke planeten geweest —’ Kerk sloeg zijn hand met kracht op de tafel. De borden sprongen omhoog en de tafelpoten kraakten. ‘Laboratoriumreacties!’ gromde hij. ‘Ze zien er geweldig uit op een werktafel — maar wat gebeurt er als je een wereld hebt die vol is van deze verbindingen? In een oogwenk wordt alle kracht gebundeld in leuke stabiele verbindinkjes. De atmosfeer mag dan giftig zijn voor iemand die zuurstof ademt, maar op zichzelf genomen is hij even onschadelijk als chauffeursbier.

‘Er is maar één structuur die als atmosfeer van een planeet zuiver vergif is. Meer dan genoeg H2O, het meest algemene oplosmiddel dat er maar bestaat, plus vrije zuurstof om mee —’

‘Water en zuurstof!’ viel Jason in de rede. ‘Je bedoelt de Aarde — of een planeet als Cassylia hier? Dat is belachelijk.’

‘Helemaal niet. Omdat jij geboren bent in dit soort omgeving, aanvaardt je het als juist en vanzelfsprekend. Je staat er niet bij stil dat metalen corroderen, kustlijnen veranderen en stormen de communicatie storen. Dat zijn de normale verschijnselen op zuurstof-waterwerelden. Op Pyrrus bestaan deze omstandigheden tot in de n-de macht. De as van deze planeet helt bijna 42°, zodat er een geweldig verschil in temperatuur is tussen de seizoenen. Dit is een van de hoofdoorzaken van een constant veranderende ijskap. Het weer dat hier uit voortvloeit is op z’n zachtst gezegd opzienbarend.’

‘Als dat alles is,’ zei Jason, ‘begrijp ik niet waarom —’ ‘Dat is niet alles — het is ternauwernood het begin. De open zeeën vervullen de dubbel vernietigende functie van het leveren van waterdamp om het weer aan de gang te houden, en het opbouwen van reusachtige vloedgolven. Samas en Bessos, de twee satellieten van Pyrrus, werken soms samen om de oceanen omhoog te stuwen tot vloedgolven van dertig meter. En tot je één van deze vloedgolven een werkende vulkaan hebt zien bedelven, heb je nog helemaal niets gezien.

‘Het zijn de zware elementen die ons naar Pyrrus gebracht hebben — en die zelfde elementen zorgen ervoor dat de planeet steeds kookt als een vulkaan. Er zijn tenminste dertien supernova’s in de onmiddellijke astronomische nabijheid geweest. Zware elementen zijn te vinden op de meeste van hun planeten, natuurlijk, — evenals atmosferen waar totaal niet geademd kan worden. Mijnbouw en exploitatie op lange termijn kunnen uitsluitend gedaan worden door een kolonie die zichzelf onderhoudt. Dit betekende Pyrrus, waar de radioactieve elementen opgesloten liggen in de planetaire kern, omgeven door een schil van licht. Terwijl dit de atmosfeer schept die de mens nodig heeft, zorgt het ook voor een onophoudelijke vulkanische activiteit, omdat het gesmolten plasma zich de weg baant naar de oppervlakte.’ Voor het eerst was Jason stil; hij probeerde zich voor te stellen hoe het leven eruit zou zien op een planeet die voortdurend met zichzelf in oorlog was.

‘Het mooiste heb ik voor het laatst bewaard,’ zei Kerk met grimmige humor. ‘Nu je enig idee hebt van de omgeving — denk eens aan de soorten levensvormen die het zouden kunnen bevolken. Ik betwijfel of er één soort van buiten is die er een minuut zou leven. De planten en dieren op Pyrrus zijn keihard. Zij vechten tegen hun wereld en tegen elkaar. Honderdduizenden jaren van genetisch uitsorteren hebben dingen voortgebracht die zelfs een elektronisch brein nachtmerries zouden bezorgen. Gepantserd, vergiftig, voorzien van klauwen en slagtanden, dat geeft een beschrijving van alles wat loopt, vliegt of alleen maar zit en groeit. Ooit een plant met tanden gezien — die bijten? Ik geloof niet eens dat je het zou willen. Je zou ervoor op Pyrrus moeten zijn en dat betekent dat je binnen enkele minuten na het verlaten van het schip dood was. Zelfs ik zal een nieuwe cursus moeten volgen voordat ik in staat zal zijn de landingsgebouwen te verlaten. De nooit ophoudende doodsstrijd maakt dat de levensvormen altijd veranderen en elkaar bestrijden. Doodgaan is eenvoudig, maar de manieren waarop het kan gebeuren zijn te talrijk om op te sommen.’

Een ongemakkelijk gevoel drukte zwaar op de brede schouders van Kerk. Nadat hij lang had nagedacht, zag je dat hij een beweging maakte om het af te schudden. Terwijl hij zijn aandacht op zijn eten richtte en de jus van zijn bord veegde, sprak hij een deel van zijn gevoelens uit.

‘Ik veronderstel dat er geen logische reden is waarom wij er blijven en deze oorlog-zonder-eind voeren. Behalve dan dat Pyrrus ons thuis is.’ Het laatste stuk in jus gesopt brood verdween en hij wuifde met de lege vork naar Jason. ‘Wees blij dat jij van een andere wereld bent en het nooit zult hoeven zien.’

‘Dat heb je verkeerd,’ zei Jason zo kalm mogelijk. ‘Ik ga natuurlijk met jou mee terug.’

4

‘Praat geen onzin,’ zei Kerk, terwijl hij nog zo’n biefstuk liet komen. ‘Er zijn veel eenvoudiger manieren om zelfmoord te plegen. Besef je wel dat je nu miljonair bent? Met wat je nu in je zak hebt kun je de rest van je leven uitrusten op de planeten van plezier. Pyrrus is een wereld van de dood, geen bezienswaardigheid voor afgejakkerde toeristen. Ik kan je niet toestaan om met mij mee terug te gaan.’

Gokkers die hun humeur verliezen hebben geen lang leven. Jason was nu erg kwaad. Het was echter alleen op een negatieve manier te zien aan het ontbreken van uitdrukking op zijn gezicht en aan de kalmte van zijn stem.

‘Vertel mij niet wat ik wel en niet mag doen, Kerk Pyrrus. Je bent een grote kerel en snel met de ploffer — maar dat maakt je nog niet tot mijn oppasser. Het enige wat je kunt doen is me beletten mee terug te gaan met jouw schip. Maar ik kan het me makkelijk veroorloven er op een andere manier te komen. En probeer me niet te vertellen dat ik naar Pyrrus ga als een gewone toerist, als je geen idee hebt van mijn ware beweegredenen.’

Jason deed zelfs geen poging om zijn beweegredenen uit te leggen, ze waren maar vaag bewust en té persoonlijk. Hoe meer hij reisde des te meer leek alles op elkaar. De oude, beschaafde planeten zonken weg in een eentonige gelijkvormigheid. Pionierswerelden hadden allemaal de grove gelijkvormigheid van tijdelijke kampen in een bos. Niet dat de werelden van de melkweg hem verveelden. Het was alleen maar dat hij hun begrenzingen had gezien — al had hij die van zichzelf nog nooit gevonden. Totdat hij Kerk had ontmoet had hij nog nooit in iemand zijn meerdere erkend of zelfs maar zijn gelijke. Dat was meer dan eigenwaan. Het was de feiten onder ogen zien. Nu werd hij gedwongen onder ogen te zien dat er een hele wereld bestond met mensen die hem misschien de baas waren. Jason zou zich nooit tevreden voelen voor hij daar geweest was en het zelf had gezien. Zelfs als hij erin zou blijven.

Niets van dit alles kon aan Kerk worden verteld. Er waren andere redenen die hij beter zou begrijpen.

‘Je denkt niet vooruit, wanneer je me tegenhoudt om naar Pyrrus te gaan,’ zei Jason. ‘Ik zal het helemaal niet hebben over morele verplichtingen die je zou kunnen hebben, nu ik dat geld heb gewonnen dat je nodig had. Maar wat gebeurt er de volgende keer? Als je één keer zoveel dodelijke goederen nodig hebt, zul je die waarschijnlijk een andere keer weer nodig hebben. Zou het niet beter zijn als je mij bij de hand had — een oude bekende, in plaats van een nieuw plan te verzinnen dat misschien niet uitvoerbaar is?’

Kerk kauwde nadenkend op zijn tweede biefstuk. ‘Dat is zo. En ik moet bekennen dat ik er nog niet eerder aan gedacht had. Eén gebrek dat wij mensen van Pyrrus hebben is een gebrek aan belangstelling voor de toekomst. Iedere dag in leven blijven maakt het al moeilijk genoeg. Dus zijn wij geneigd onvoorziene moeilijkheden pas onder ogen te zien als ze er zijn en de toekomst maar de toekomst te laten. Je mag mee. Ik hoop dat je nog in leven zult zijn als we je nodig hebben. Als Pyrraans ambassadeur in een heleboel plaatsen nodig ik je officieel uit om naar onze planeet te komen. Alle uitgaven worden betaald. Op voorwaarde dat je al onze instructies die je persoonlijke veiligheid betreffen volkomen naleeft.’

‘Voorwaarden aangenomen,’ zei Jason. En vroeg zich af waarom hij zo opgeruimd was bij het tekenen van zijn eigen doodvonnis.

Kerk baande zich net een weg door zijn derde dessert toen zijn alarmhorloge een klein zoemgeluidje maakte. Onmiddellijk legde hij zijn vork neer en stond op. ‘Tijd om te gaan,’ zei hij. ‘Wij werken volgens schema nu.’

Terwijl Jason overeind kwam, gooide hij geldstukken in de meter, totdat het lichtje betaald ging branden. Toen gingen zij de deur uit en liepen snel weg.

Jason was helemaal niet verbaasd dat zij bij een openbare roltrap uitkwamen vlak achter het restaurant. Hij begon zich te realiseren dat al hun bewegingen sinds ze het restaurant verlaten hadden, zorgvuldig gepland en getimed waren. Zonder twijfel had men al alarm geslagen en was de hele planeet naar hen op zoek. Toch hadden ze tot nu toe nog niet het minste teken van achtervolging opgemerkt.

Dit was niet de eerste keer dat Jason de autoriteiten een stapje voor moest zijn — maar het was wel de eerste keer dat iemand hem aan het handje hield terwijl hij het deed. Hij moest lachen om zijn eigen automatische instemming. Hij had het zoveel jaar alleen opgeknapt dat hij er nu een zeker heimelijk plezier in had om iemand anders te volgen.

‘Schiet op,’ gromde Kerk na een snelle blik op zijn horloge. Hij ging in een regelmatig, moordend tempo de roltrap op. Zo gingen ze vijf lagen omhoog — zonder iemand anders te zien — totdat Kerk het kalmer aan deed en de roltrap het werk liet doen.

Jason stelde er een eer in om zich in conditie te houden. Maar het plotselinge klimmen na de slapeloze nacht deed hem naar adem snakken en in het zweet baden. Kerk, zonder een druppeltje zweet op zijn voorhoofd, ademde gewoon, liet nergens zien dat hij gehold had. Zij waren op de tweede verkeersverdieping toen Kerk van de langzaam omhoog gaande treden afstapte en Jason gebaarde mee te komen. Toen ze door de uitgang naar de straat liepen, reed er een auto naar de trottoirband vlak voor hen. Jason was verstandig genoeg om niet naar zijn ploffer te grijpen. Juist op het moment dat zij bij de auto waren, opende de bestuurder de deur en stapte uit. Kerk gaf hem snel een stukje papier, zonder een woord te zeggen en gleed achter het stuur. Er was net tijd genoeg voor Jason om in de auto te springen voordat hij wegstoof. De hele overdracht had minder dan drie seconden geduurd. Jason had in het vage lichtschijnsel maar een glimpje van de bestuurder kunnen opvangen, maar hij had hem herkend. Natuurlijk had hij de man nog nooit eerder gezien, maar nu hij Kerk kende kon hij zich niet vergissen in de gedrongen kracht van een geboren Pyrraan.

‘Dat was het bewijsje van Ellus dat je hem gaf,’ zei Jason.

‘Natuurlijk, dat betaalt het schip en de lading. Zij zullen de planeet af zijn en een veilig eind weg voordat het spoor van de cheque van het casino tot Ellus gevolgd is. Dus laten we nu voor ons zelf gaan zorgen. Ik zal je het plan in details uitleggen, zodat er geen vergissingen van jouw kant kunnen zijn. Ik zal het hele geval een keer uitleggen en als er vragen zijn moet je ze stellen als ik klaar ben.’

De stem klonk zo bevelend dat Jason als automatisch rustig en gehoorzaam luisterde. Hoewel een gedeelte van zijn geest hem wilde laten lachen om de gewilligheid waarmee hij zijn eigen onkunde aanvaardde.

Kerk zwaaide de auto in een gedurige verkeersstroom die vanuit de stad naar de ruimtehaven bewoog. Hij reed met gemak terwijl hij praatte.

‘Er wordt in de stad gezocht, maar we zijn al een heel eind verder. Ik ben er zeker van dat de Cassylianen niet te koop zullen lopen met het feit dat ze slechte verliezers zijn, daarom zal er niet zo iets grofs zijn als een barricade. Maar de haven zal wemelen van alle agenten die ze hebben. Zij weten dat het geld, als het eenmaal van de planeet af is, voor altijd weg is. Wanneer wij proberen erdoor te komen, zullen zij er zeker van zijn dat wij het geld nog steeds bij ons hebben. Dus dan zal het schip met munitie geen moeilijkheden hebben om weg te komen.’

Jasons stem klonk een beetje geschokt. ‘Je bedoelt dat wij twee kleiduiven zijn die de aandacht moeten afleiden van het munitieschip?’

‘Zo zou je het kunnen noemen. Maar aangezien we toch van de planeet af moeten, steekt er geen kwaad in om van onze ontsnapping een rookgordijn te maken. Houd nu verder je mond tot ik klaar ben, zoals ik gezegd heb. Nog een interruptie en ik laat je hier staan.’

Jason wist dat hij het zou doen. Hij luisterde gespannen en rustig, terwijl Kerk woord voor woord herhaalde wat hij straks gezegd had en verder ging: ‘De officiële autoingang zal waarschijnlijk wijd openstaan en al het verkeer gaat er gewoon doorheen. En een heleboel agenten zullen in burger zijn. We kunnen misschien zelfs het veld opkomen zonder herkend te worden, hoewel ik het betwijfel. Het is niet belangrijk. Wij zullen door de ingang rijden tot de startplaats. De Darkhans Roem, waar we kaartjes voor hebben, zal zijn tweeminutensein laten horen en de loopplank binnenhalen. Tegen de tijd dat we goed en wel op onze plaats zitten zal het schip vertrekken.’

‘Dat is allemaal fantastisch,’ Zei Jason. ‘Maar wat doen de wachten in die tijd?’

‘Die zullen op ons schieten en op elkaar. Wij zullen gebruik van de verwarring maken en aan boord gaan.’ Dit antwoord bevredigde Jason niet, maar hij liet het voor een ogenblik rusten. ‘Goed, zeg dat we aan boord komen. Waarom laten ze het dan gewoon niet vertrekken totdat wij van boord gesleept zijn en tegen de muur gezet?’

Kerk had een verachtelijke blik voor hem over voordat hij zijn ogen weer op de weg richtte. ‘Ik zei dat het schip Darkhans Roem heette. Als je dit stelsel ook maar een beetje kende, zou je weten wat dat betekent. Cassylia en Darkhan zijn zusterplaneten en eikaars vijand in elk opzicht. Het is nog geen twee eeuwen geleden dat zij een oorlog voerden die hen bijna allebei vernietigde. Nu leven ze in een tot de tanden gewapende neutraliteit die ze geen van beiden durven schenden. Op het moment dat we voet aan boord van het schip zetten zijn we op het gebied van Darkhan. Er is geen uitleveringsverdrag tussen de planeten, Cassylia zal ons graag willen hebben, maar niet zo graag dat ze er een nieuwe oorlog voor over hebben.’

Dat was alle uitleg waar tijd voor was. Kerk stuurde de wagen uit de verkeersstroom naar een brug, waar op stond: Alleen Officiële Auto’s. Jason had een naakt gevoel toen zij onder de schelle lichten van de ruimtehaven naar het bewaakte hek reden. Het was gesloten. Een andere auto naderde het hek van de binnenkant en Kerk liet hun auto langzaam voortkruipen. Een van de wachten praatte met de bestuurder van de auto aan de binnenkant van het hek, zwaaide toen naar de bewaker aan het hek. De zware poort begon naar binnen te zwaaien en Kerk drukte het versnellingspedaal in.

Alles gebeurde tegelijk. De turbine jankte, de wervelende banden gilden over de weg en de auto ramde de poort open. Jason zag in het voorbijgaan een glimp van de wachten met open mond, toen slipten zij om de hoek van een gebouw. Een paar schoten werden achternagezonden, maar geen kwam in de buurt.

Terwijl hij met één hand stuurde, reikte Kerk onder het dashboard en haalde een wapen te voorschijn dat een tweeling was van het monster dat aan zijn arm vastzat. ‘Gebruik deze in plaats van je eigen,’ zei hij. ‘Explosieve kogels met raketaandrijving maken enorm lawaai. Doe geen moeite op iemand te schieten — daar zorg ik voor. Breng alleen maar een beetje leven in de brouwerij en laat ze op een afstand blijven. Kijk, zo.’

Hij vuurde een enkel schot af uit een raampje en gaf de revolver aan Jason bijna voor de kogel insloeg. Een lege truck werd met een klap opgeblazen, en de brokstukken regenden neer op de auto’s eromheen, waarvan de bestuurders in paniek wegvluchtten.

Hierna was het een rit uit een nachtmerrie, door een gekkenhuis. Kerk reed met ware doodsverachting. Andere auto’s volgden hen en werden op twee wielen afgeschud in de bochten. Zij joegen bijna over de volle lengte van het terrein, een spoor van rokende chaos achterlatend. Toen was de jacht achter de rug en het enige vóór hen de slanke spits van de Darkhans Roem.

De Roem was omgeven door een sterke omheining passend bij de betreurenswaardige status van de planeet van herkomst. De ingang was gesloten en werd bewaakt door soldaten met het geweer in de aanslag, klaar om op de naderende auto te schieten. Kerk deed geen moeite om dichtbij te komen. In plaats daarvan voedde hij de laatste reserve aan de auto en reed recht op de omheining af. ‘Bedek je gezicht,’ zei hij.

Jason had zijn armen voor zijn gezicht gedaan op het moment dat zij ertegenaan reden.

Scheurend metaal gilde, de omheining verboog, vouwde zich om de wagen maar brak niet. Jason vloog van zijn stoel tegen het stootkussen van het dashboard. Tegen de tijd dat Kerk de kromme deur open had, besefte hij dat de rit afgelopen was. Kerk moest het draaien van zijn oogballen gezien hebben. Hij zei niets maar trok Jason naar buiten en gooide hem op de motorkap van de vernielde auto.

‘Klim over de omheining en ren naar het schip,’ schreeuwde hij.

Als er nog enige twijfel bestond over wat hij bedoelde dan gaf hij Jason nu het voorbeeld van het betere loopwerk. Onvoorstelbaar dat iemand van zijn omvang zo snel kon rennen, toch deed hij het. Hij bewoog meer als een aanvallende tank dan als een mens. Jason schudde de nevel uit zijn hoofd en zette er zelf de benen in. Niettemin was hij nauwelijks halverwege het schip toen Kerk de loopplank al bereikt had. Hij was al los van het schip, maar de geschrokken bedienden hielden op hem weg te rollen toen de grote man de treden opsprong.

Bovengekomen draaide hij zich om en vuurde naar de soldaten die toestroomden door het geopende hek. Zij lieten zich vallen, tijgerden verder en beantwoordden zijn vuur. Maar heel weinig schoten in de richting van de rennende Jason.

Het tafereel voor Jasons ogen ging over in slow motion. Kerk die daar boven op de loopplank stond en koelbloedig het vuur beantwoordde dat van alle kanten losspatte. Hij had zich in een ogenblik in veiligheid kunnen stellen door de open deur vlak achter hem. De enige reden dat hij daar bleef was om Jason te dekken.

‘Bedankt,’ hijgde Jason bij de laatste stappen de loopplank op, sprong over het gat ertussen en stortte het schip in. ‘Niets te danken,’ zei Kerk, terwijl hij zich bij hem voegde, zijn pistool heen en weer zwaaiend om het af te koelen.

Een officier van het schip met een grimmige trek op zijn gezicht stond buiten bereik van het vuur en bekeek hen allebei van hoofd tot voeten.

‘En wat is hier verdomme aan de gang?’ gromde hij. Kerk probeerde de loop met een natte duim, liet toen zijn wapen in de holster glijden. ‘Wij zijn rechtschapen burgers van een ander stelsel die geen misdaden hebben begaan. De wilden van Cassylia zijn te barbaars voor beschaafd gezelschap. Daarom gaan we naar Darkhan — hier zijn onze kaartjes — op welks grondgebied, naar ik aanneem, we ons op dit moment bevinden.’ Dit laatste werd toegevoegd vanwege de verschijning van een Cassyliaanse officier die juist de top van de loopplank opgestrompeld was en zijn pistool omhooghief.

Het was de soldaat niet kwalijk te nemen. Hij zag deze vurig gezochte misdadigers ontkomen. Aan boord van een Darkhaans schip nog wel. Woede maake zich van hem meester en hij bracht zijn pistool omhoog. ‘Kom eruit jullie schoften! Zo makkelijk komen jullie niet weg! Kom eruit, langzaam met je handen omhoog, of ik schiet jullie voor je —’

Het was een ijselijk moment dat voortduurde en voortduurde. Het pistool was gericht op Kerk en Jason. Geen van beiden echter pakte z’n eigen wapen. Het pistool draaide een beetje toen de officier van het schip zich bewoog en bleef toen weer gericht op de twee mannen. De Darkhaanse ruimtevaarder was niet weggegaan, maar deed een stap voorbij het luik. Dat was genoeg om hem bij een rood kastje te brengen dat in één vlak met de muur hing. Met een enkele vlugge beweging tilde hij het deksel op en zette zijn duim op de knop erbinnen. Toen hij lachte, trokken zijn lippen weg om al zijn tanden te laten zien. Hij had zijn besluit genomen, en het was het aanmatigende gedrag van de Cassyliaanse officier geweest dat de beslissing bracht.

‘Een enkel schot op grondgebied van Darkhan en ik druk deze knop in,’ schreeuwde hij. ‘En je weet wat deze knop doet — al jullie schepen hebben er ook een. Bega een vijandige daad tegen dit schip en iemand zal een knop indrukken. Iedere moderatorstaaf zal uit de scheepsreactor geblazen worden en op dat moment zal de helft van die vuile stad van jullie in rook opgaan.’ Zijn glimlach was in zijn gezicht gebeiteld en er was geen twijfel dat hij zou doen wat hij zei. ‘Vooruit, schiet maar. Ik denk wel dat ik het leuk zou vinden om deze knop in te drukken.’

Het vertreksignaal werd nu gegeven en het luik-dicht-licht seinde een boze boodschap van de brug. Als vier spelers in een naargeestig drama, keken zij elkaar nog een ogenblik aan.

Toen gromde de Cassyliaanse officier onverstaanbaar van ingehouden woede, keerde zich om en sprong terug naar de trap.

‘Alle passagiers aan boord, vijfenveertig seconden voor start. Deuren vrij.’ De officier sloeg de deksel van het kastje dicht en sloot het terwijl hij praatte. Er was nauwelijks tijd om de versnellingsbanken te bereiken voordat de Darkhans Roem los van de grond kwam.

5

Toen het schip eenmaal in de ruimte was, liet de kapitein Jason en Kerk bij zich komen. Kerk deed het woord en biechtte alles op omtrent hun activiteiten in de voorafgaande nacht. Het enige belangrijke feit dat hij verzweeg was Jasons achtergrond als beroepsgokker. Hij gaf een levendige beschrijving van twee gelukkige vreemdelingen die de boze machten van Cassylia van hun speelwinsten wilden ontroven. Dit alles paste precies in het idee dat de kapitein van Cassylia had. Tenslotte feliciteerde hij zijn officier met de juistheid van zijn handelen en begon een lang verslag aan zijn regering voor te bereiden. Hij gaf de twee mannen zijn beste wensen en de vrijheid in zijn schip.

Het was een korte reis. Jason had nauwelijks de tijd om zijn slaap in te halen voordat zij op Darkhan landden. Omdat zij geen bagage hadden waren zij het eerst door de douane. Ze verlieten de loods juist op tijd om een ander schip te zien landen op een ver verwijderde plek.

Kerk bleef staan om ernaar te kijken en Jason volgde zijn blik. Het was een grijs schip, vol littekens. Het had de logge lijnen van een vrachtschip — maar even veel kanonnen als een kruiser.

‘Jouw schip, natuurlijk,’ zei Jason. Kerk knikte en begon in de richting van het schip te lopen. Een van de luiken opende zich toen zij naar boven klommen, maar er verscheen niemand. In plaats daarvan ratelde een op een afstand bedienbare vouwladder neer tot de grond. Kerk sprong erop en Jason volgde hem onwillig. Op de een of andere manier, vond hij, was dit een beetje te veel van die geen-onzin-geen-aanstellerij-houding.

Toch begon Jason de Pyrraanse houding al aardig te leren. De ontvangst van de ambassadeur aan boord van het schip was precies wat hij verwachtte. Niets. Kerk sloot het luik zelf en zij vonden een plaatsje terwijl het vertreksein werd gegeven. De hoofdbuizen loeiden, de versnelling viel met een smak op Jason neer.

Het hield niet op. In plaats daarvan werd het sterker, het drukte de lucht uit zijn longen en het gezicht uit zijn ogen. Hij schreeuwde, maar kon zijn eigen stem niet horen door het gebulder in zijn oren. Dankbaar raakte hij bewusteloos.

Toen zijn bewustzijn terugkeerde was het schip in nul-G. Jason hield zijn ogen gesloten en liet de pijn uit zijn lichaam sijpelen. Kerk sprak plotseling; hij stond naast de bank. ‘Mijn fout, Meta, ik had je moeten vertellen dat we een één-G passagier aan boord hadden. Je had het wel een beetje kalmer aan kunnen doen met je gebruikelijke bloedstollende start.’

‘Het lijkt hem niet al te veel kwaad gedaan te hebben — maar wat doet hij hier?’ Jason voelde een lichte verbazing dat de tweede stem die van een meisje was. Maar hij was niet genoeg geïnteresseerd om de moeite te nemen zijn pijnlijke ogen open te doen.

‘Hij gaat mee naar Pyrrus. Ik probeerde het natuurlijk uit zijn hoofd te praten, maar ik kon hem niet van gedachten doen veranderen. Het is verschrikkelijk akelig. Ik wou dat ik meer voor hem gedaan had. Hij is de man die ons het geld heeft bezorgd.’

‘Oh, dat is afschuwelijk,’ zei het meisje. Jason vroeg zich af wat er nu zo afschuwelijk was. Zijn suffe hersens begrepen er niets van. ‘Het zou veel beter geweest zijn als hij op Darkhan was gebleven,’ ging het meisje verder. ‘Hij is erg knap. Het zou zonde zijn als hij sterven moest.’

Dat was te veel voor Jason. Hij deed voorzichtig een oog op een kiertje open, toen het andere. De stem hoorde bij een meisje van een jaar of eenentwintig, dat naast het bed op Jason stond neer te kijken. Zij was mooi. Jason deed zijn ogen wijder open toen het tot hem doordrong dat zij erg mooi was — het soort schoonheid dat hij nooit gevonden had op de planeten in het centrum van de melkweg. De vrouwen die hij gekend had, hadden allemaal die te bleke huid, te afhangende schouders, grauwe gezichten overdekt met kleurtjes verf. Zij waren het product van een eeuwenlange voortplanting van zwakken, naarmate het vorderen van de wetenschap meer en meer de ongeschikten in leven hield.

Dit meisje was het directe tegenovergestelde in ieder opzicht. Zij was het product van de strijd om het leven op Pyrrus. De grote zwaartekracht die uitpuilende spieren bij de mannen veroorzaakte, maakte een stevige kracht in flinke spieren bij de vrouwen. Zij had het strakke figuur van een godin, een gebruinde huid en een volmaakte gezichtsvorm. Haar haar, dat kort geknipt was, omkranste haar hoofd als een gouden kroon. Het enige onvrouwelijke aan haar was het pistool, dat zij in een omvangrijke armholster droeg. Toen zij zag dat Jason zijn ogen geopend had, glimlachte zij tegen hem. Haar tanden waren net zo wit als hij verwacht had.

‘Ik ben Meta, de piloot van dit schip. En jij dan —’

‘Jason dinAlt. Dat was een waardeloze start, Meta.’

‘Het spijt me echt,’ lachte zij. Maar als je geboren bent op een twee-G planeet raak je een beetje immuun voor versnelling. Ik bespaar ook brandstof met de curve van synergie...’

Kerk bromde neutraal: ‘Kom mee, Meta, we gaan eens kijken naar de lading. Een deel van het spul zal de gaten dichten in de ommuring.’

‘O ja,’ zei ze, ze klapte bijna in haar handen van vreugde. ‘Ik heb de specificaties gelezen, ze zijn gewoon fantastisch.’

Als een schoolmeisje met een nieuwe jurk. Of een doos flikken. Dat is een geweldige houding tegenover bommen en vlammenwerpers.

Jason glimlachte wrang bij die gedachte, terwijl hij van de bank opstond. De twee Pyrranen waren weggegaan en hij duwde zich met pijn en moeite achter hen aan naar de deur. Het duurde lang voordat hij de weg naar de ruimte gevonden had. Het schip was groot en er was geen bemanning te zien. Uiteindelijk vond Jason een man die lag te slapen in een van de helder verlichte cabines. Hij herkende in hem de bestuurder die de auto aan hen had overgegeven op Cassylia. De man die een ogenblik geleden nog vast had liggen slapen, opende zijn ogen op het moment dat Jason de kamer binnenkwam. Hij was klaar wakker.

‘Hoe kom ik naar de laadruimte?’ vroeg Jason.

De ander vertelde het hem, sloot zijn ogen en viel onmiddellijk weer in slaap, voordat Jason hem had kunnen bedanken.

In de laadruimte hadden Kerk en Meta een paar kratten geopend en gniffelden van vreugde om hun dodelijke inhoud. Meta, met een hogedrukkartets in haar armen, keerde zich om naar Jason toen hij binnenkwam.

‘Moet je eens kijken,’ zei ze. ‘Dit poeder hier — je kunt het eten als vuil, met minder nadelige gevolgen. Toch is het direct dodelijk voor alle vormen van plantaardig leven —’ Zij hield plotseling op toen ze merkte dat Jason haar grote opwinding niet deelde. ‘Neem me niet kwalijk. Ik vergat eventjes dat jij geen Pyrraan bent. Je begrijpt er zeker niets van, hè?’

Voordat hij kon antwoorden, riep de P.A.-luidspreker haar naam.

‘Tijd voor de sprong,’ zei ze. ‘Kom met me mee naar de brug, terwijl ik de vergelijkingen maak. Daar kunnen we praten. Ik weet zo weinig van andere plaatsen dan Pyrrus dat ik een miljoen dingen te vragen heb.’

Jason volgde haar naar de brug, waar ze de dienstdoende officier afloste en voorbereidingen begon te maken voor de sprong. Zij leek niet op haar plaats tussen de machines, een stoer maar lenig figuurtje in een eenvoudig, eendelig ruimtepak. Toch viel de geoefendheid waarmee ze haar werk verrichtte niet te ontkennen.

‘Meta, ben je niet een beetje jong om piloot te zijn van een ruimteschip?’

‘Is dat zo?’ Zij dacht een ogenblik na. ‘Ik weet werkelijk niet hoe oud piloten moeten zijn. Ik ben al ongeveer drie jaar piloot en ik ben al bijna twintig. Is dat jonger dan gewoonlijk?’

Jason opende zijn mond en lachte toen. ‘Ik veronderstel dat dat allemaal afhangt van de planeet waar je vandaan komt. Op sommige plaatsen zou je niet makkelijk een brevet krijgen. Maar ik wed dat het allemaal anders is op Pyrrus. Naar hun maatstaven moet je al beschouwd worden als een oude dame.’

‘Nu maak je een grapje,’ zei Meta kalm, terwijl ze een getal in de rekenmachine stopte. ‘Ik heb oude dames gezien op sommige planeten. Zij zijn gerimpeld en hebben grijs haar. Ik weet niet hoe oud ze zijn, ik vroeg het aan eentje, maar ze wilde het niet zeggen. Maar ik ben er zeker van dat zij ouder moeten zijn dan wie ook op Pyrrus, niemand ziet er daar zo uit.’

‘Ik bedoel niet oud op die manier.’ Jason zocht naar het juiste woord. ‘Niet oud — maar groot, volwassen. Volwassen.’

‘Iedereen is volwassen,’ antwoordde ze. ‘In ieder geval al heel gauw nadat zij de bewaarplaats verlaten. En dat doen ze als ze zes jaar zijn. Mijn eerste kind is volwassen, en het tweede zou het ook zijn, alleen is het dood. Dus moet ik zéker volwassen zijn’ —

Dat leek de vraag voor haar afdoende beantwoord te hebben, ofschoon Jasons gedachten geschokt waren door de vreemde ideeën en achtergrond die aan haar woorden vastzaten.

Meta ponste de laatste instelling in en de koersband begon uit zijn doos te rollen. Zij richtte haar aandacht weer op Jason.

‘Ik ben blij dat je aan boord bent, hoewel ik het jammer vind dat je naar Pyrrus gaat. Maar we hebben massa’s tijd om te praten en er zijn zoveel dingen die ik graag zou willen weten. Over andere planeten. En waarom de mensen zich gedragen zoals zij doen. Helemaal niet zoals thuis, waar je altijd weet waarom de mensen dingen doen.’ Zij keek een ogenblik naar de band, keerde toen weer terug tot Jason.

‘Hoe is jouw geboorteplaneet?’ Achter elkaar kwamen de leugens die hij de mensen gewoonlijk vertelde naar zijn lippen, maar hij duwde ze weg. Waarom zou hij moeite doen om te liegen tegen dit meisje dat het echt niet kon schelen of hij van adel was of niet? Voor haar waren er maar twee soorten mensen in de melkweg. Pyrranen en anderen. Voor het eerst sinds hij gevlucht was uit Porgorstorsaand, hoorde hij zichzelf de waarheid van zijn afkomst vertellen.

‘Mijn geboorteplaneet? Zo ongeveer de stoffigste, saaiste achterhoek van het heelal. Je zult niet geloven hoe vernietigend decadent een planeet is die hoofdzakelijk agrarisch is, stand-bewust en volkomen tevreden met haar eigen vervelende bestaan. Niet alleen is er geen verandering — maar niemand wil ook verandering. Mijn vader was een boer, daarom had ik ook boer moeten worden — als ik geluisterd had naar de raad van mijn ouders. Het was ondenkbaar, zowel als verboden om iets anders te doen. En alles wat ik wilde doen was verboden. Ik was vijftien toen ik leerde lezen — uit een boek gestolen uit een adelschool. Nadien was er geen terugkeer mogelijk. Tegen de tijd dat ik mij aan boord van een ruimtevrachtschip verstopte, op mijn negentiende, moet ik zo ongeveer iedere wet van de planeet overtreden hebben. Graag gedaan. Weggaan van huis was voor mij alsof ik uit de gevangenis kwam.’

Meta schudde haar hoofd bij de gedachte. ‘Ik kan me geen plaats voorstellen zoals die. Maar ik ben er zeker van dat ik het daar niet prettig zou vinden.’

‘Dat ben ik ook,’ glimlachte Jason. ‘Toen ik eenmaal in de ruimte was zonder rechtschapen talenten of vaardigheden, kwam ik gewoon van het een in het andere verzeild. In dit tijdperk van techniek was ik nergens op mijn plaats. Oh, ik neem aan dat ik het niet gek gedaan zou hebben in een of ander leger, maar ik ben niet zo goed in gehoorzamen. Als ik eens gokte, deed ik het aardig, en zo raakte ik er langzamerhand in verzeild. Mensen zijn overal hetzelfde, zodat ik het overal aardig kon redden.’

‘Ik weet wat je bedoelt met ‘mensen zijn hetzelfde’, maar ze zijn zo anders. Ik ben niet helemaal duidelijk, hè? Wat ik bedoel is, dat ik thuis weet wat de mensen zullen doen en tegelijk waarom. Mensen op andere planeten doen allemaal hetzelfde, zoals ik zei, maar toch kost het me moeite om te begrijpen waarom. Bijvoorbeeld, ik vind het leuk om het plaatselijke eten te proeven wanneer we op een planeet zijn, en als er tijd voor is doe ik het altijd.

‘Er zijn bars en restaurants vlakbij iedere ruimtehaven, dus daar ga ik heen. En altijd heb ik last met mannen. Zij bieden me altijd iets te drinken aan, en willen mijn hand vasthouden.’

‘Nou, een meisje alleen in die gelegenheden kan een zekere belangstelling van de mannen verwachten.’

‘Oh, dat weet ik wel,’ zei ze. ‘Wat ik alleen niet begrijp is dat ze niet luisteren als ik zeg dat ik geen belangstelling heb en dat ze op moeten schieten. Zij lachen alleen maar en schuiven een stoel bij, meestal. Maar ik heb gemerkt dat één ding helpt, waar ik ook ben. Ik zeg dat als zij niet ophouden mij lastig te vallen dat ik hun dan een arm breek.’

‘Houden ze dan op?’ vroeg Jason.

‘Nee, natuurlijk niet. Maar als ik dan hun arm gebroken heb, gaan ze weg. En de anderen vallen mij dan ook niet meer lastig. Het is een hele klus en het eten is meestal afschuwelijk.’

Jason lachte niet. Vooral niet toen hij besefte dat dit meisje inderdaad de armen kon breken van ieder stukje tuig in de ruimtehavens van de melkweg. Zij was een vreemde mengeling van argeloosheid en kracht, zoals hij nog nooit was tegengekomen. Opnieuw drong het tot hem door dat hij de planeet moest bezoeken, die mensen voortbracht zoals zij en Kerk.

‘Vertel mij over Pyrrus,’ vroeg hij. ‘Waarom nemen jij en Kerk zo automatisch aan dat ik dood neerval, zodra ik aan land kom? Wat is het voor een planeet?’

Alle warmte was nu uit haar gezicht verdwenen. ‘Dat kan ik je niet vertellen. Dat moet je zelf zien. Dat weet ik in ieder geval sinds ik andere werelden bezocht heb. Pyrrus lijkt op niets dat jullie melkwegmensen ooit hebben meegemaakt. Je zult het niet geloven, totdat het te laat is. Wil je me iets beloven?’

‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Tenminste niet voor dat ik gehoord heb wat het is en een besluit genomen heb.’

‘Verlaat het schip niet als we landen. Aan boord zul je veilig genoeg zijn, en ik ga een andere lading wegbrengen over een paar weken.’

‘Ik kan je niets van dien aard beloven. Ik ga eruit als ik eruit wil.’ Jason wist dat ze ongetwijfeld een reden had voor haar woorden, maar de vanzelfsprekende superioriteit die zij zich aanmatigde, stond hem tegen.

Meta maakte de voorbereidingen voor de sprong zwijgend af. Er hing een sfeer die hen er allebei van weerhield om te praten.

Pas de volgende scheepsdag zag hij haar weer, en toen was het volkomen toevallig. Zij was in de astrogatiekoepel toen hij binnenkwam en omhoog keek naar het hier en daar flonkerende zwart van de sprongenhemel. Voor het eerst zag hij haar zonder dat zij dienst had, zij droeg iets anders dan haar scheepspak. Dit was een zachtglanzende jurk die om haar lichaam sloot.

Ze glimlachte naar hem. ‘De sterren zijn zo prachtig. Kom eens kijken.’

Jason stond dicht naast haar en keek omhoog. De eigenaardige meetkundige figuren van de sprongenlucht waren hem bekend, toch hadden ze nog steeds genoeg aantrekkingskracht om hem naar voren te laten stappen. Vooral nu. Meta’s aanwezigheid maakte een verontrustend verschil in de donkere stilte van de koepel. Haar opgeheven hoofd rustte bijna op zijn schouder, de krans van haar haar overschaduwde een gedeelte van de hemel, de geur ervan zacht in zijn neus.

Bijna zonder erbij na te denken legde hij zijn armen om haar heen en voelde haar warme stevige lichaam onder de dunne jurk. Zij vond het goed, want zij bedekte zijn handen met de hare.

‘Je glimlacht,’ zei ze. ‘Je houdt ook van de sterren.’

‘Heel veel,’ antwoordde hij. ‘Maar meer nog. Ik herinner me het verhaal dat je me vertelde. Wil je mijn arm breken, Meta?’

‘Natuurlijk niet,’ zei ze ernstig, en glimlachte toen terug. ‘Ik vind je aardig Jason. Ook al ben je geen Pyrraan, vind ik je heel erg aardig. En ik ben zo alleen geweest.’

Toen zij naar hem opkeek kuste hij haar. Zij antwoordde z’n kus met een vurigheid die geen schaamte of valse bescheidenheid kende.

‘Mijn hut is aan het einde van deze gang,’ zei ze.

6

Hierna waren ze steeds samen. Wanneer Meta dienst had, bracht hij haar maaltijden naar de brug en dan praatten zij.

Jason kwam slechts weinig meer te weten over haar wereld, aangezien er bij stilzwijgende overeenkomst niet over werd gesproken. Hij praatte over de vele planeten die hij bezocht had en over de mensen die hij gekend had. Zij was een dankbare luisteraar en de tijd ging snel voorbij. Zij vonden het prettig in eikaars gezelschap te zijn en het was een fantastische reis.

Toen was het afgelopen.

Er waren veertien mensen aan boord van het schip. Toch had Jason er nooit meer dan twee of drie tegelijk gezien. Er was een vaste roulatie van diensten die zij op het schip in acht namen. Als zij geen dienst hadden, bemoeiden de Pyrranen zich slechts op een zelfgenoegzame manier met hun eigen zaken. Alleen toen het schip uit de sprong kwam en de P.A. verzamelen schreeuwde, kwamen zij allemaal bij elkaar.

Kerk gaf bevelen voor de landing en vragen werden heen en weer gesnauwd. Het was allemaal technisch en Jason deed geen moeite om het te volgen. Het was het gedrag van de Pyrranen dat zijn aandacht trok. Zij praatten vlugger nu en handelden sneller. Als soldaten die zich klaarmaakten voor het gevecht.

Hun onderlinge gelijkenis trof Jason voor de eerste maal. Niet dat zij uiterlijk op elkaar leken of dezelfde dingen deden. Het was de manier waarop zij zich bewogen en handelden die de opvallende gelijkenis deed ontstaan. Zij leken grote sluipende katten. Zij liepen snel, gespannen en klaar om te springen, hun ogen stonden geen moment stil. Jason probeerde met Meta te praten na de bijeenkomst, maar zij was bijna een vreemde. Zij antwoordde in lettergrepen en haar ogen gleden weg van de zijne. Hij had eigenlijk niets te zeggen, zodat ze een beweging maakte om weg te gaan. Hij wilde zijn hand uitsteken om haar tegen te houden, maar bedacht zich toen. Er zou een betere gelegenheid komen om te praten.

Kerk was de enige die notitie van hem nam — alleen maar om hem te bevelen naar een versnellingsbank te gaan.

Meta’s landingen waren oneindig veel slechter dan haar starts. In ieder geval toen ze landde op Pyrrus. Er waren plotselinge versnellingsvlagen in iedere richting. Eenmaal was er een vrije val die eindeloos leek. Er waren luide doffe slagen tegen de romp, die het hele frame van het schip deden schudden. Het leek meer op een veldslag dan op een landing en Jason was benieuwd hoeveel daar van waar was. Toen het schip eindelijk landde, merkte Jason het zelfs niet. De constante twee-G voelde aan als vertraging. Alleen het afnemend gedreun van de machines van het schip overtuigde hem ervan dat ze op de grond stonden. Losmaken van de gespen en rechtop gaan zitten was een enorme inspanning.

Twee-G leek toch niet zo erg. In ’t begin dan. Lopen vereiste dezelfde inspanning als het dragen van een man van zijn eigen gewicht op zijn schouders. Toen Jason zijn arm optilde om de deur te ontgrendelen was de arm even zwaar als twee armen. Langzaam schuifelde hij naar de hoofduitgang. Zij waren er allang allemaal, twee mannen rolden transparante cilinders uit een kamer dichtbij. Uit hun klaarblijkelijk gewicht en de manier waarop zij klonken toen zij vielen leidde Jason af dat ze van transparant metaal gemaakt waren. Hij kon werkelijk niet raden waar ze voor waren. Lege cilinders, een meter in doorsnee en langer dan een man. De ene kant helemaal dicht, de andere voorzien van scharnieren en verzegeld. Pas toen Kerk aan een verzegeld wiel draaide en een van de cilinders opende, werd het hem duidelijk.

‘D’r in,’ zei Kerk. ‘Als je erin opgesloten zit, word je het schip uitgedragen.’

‘Nee, dank je wel,’ zei Jason. ‘Ik heb niet bepaald veel behoefte om een spectaculaire landing op je planeet te maken, ingepakt en verzegeld als een worst.’

‘Doe niet zo dwaas,’ was Kerks snauwende antwoord. ‘We gaan er allemaal in die cilinders uit. We zijn te lang weg geweest om ons op de bodem te wagen zonder her-oriëntatie.’

Jason voelde zich een beetje belachelijk toen hij de anderen in de cilinders zag gaan. Hij nam de dichtstbijzijnde, liet zich erin glijden met zijn voeten eerst, en trok het deksel dicht. Toen hij het wiel stevig vastdraaide, perste het dicht tegen een flexibele pakking. Binnen een minuut ging het CO2-gehalte in de gesloten cilinder omhoog en een luchtververser op de bodem kwam zoemend tot leven. Kerk was de laatste. Hij controleerde eerst de pakkingen van alle andere cilinders en drukte in grote haast de breekschakelaar van de luchtsluis open. Toen die begon te draaien sloot hij zichzelf snel in de overblijvende cilinder. Zowel de binnen- als de buitensluizen gingen langzaam open en een vaal licht sijpelde door gordijnen van regen.

De hele zaak leek Jason een anticlimax. Al deze voorbereidingen voor niets. Lange minuten van ongeduld gingen voorbij voordat de heftruck naderde, bestuurd door een Pyrraan. Hij laadde de cilinders op zijn truck alsof er geen levende lading inzat. Jason had het ongeluk om op de bodem van een stapel terecht te komen, zodat hij absoluut niets kon zien toen ze naar buiten reden.

Pas toen de cilinders met hun menselijke inhoud in een kamer met metalen wanden waren gegooid, maakte Jason voor het eerst kennis met een levend wezen van Pyrrus. De heftruckbestuurder zwaaide een zware deur dicht toen er iets naar binnenvloog en tegen de verste wand aan smakte. Jasons aandacht werd aangetrokken door de beweging; hij keek wat het was, toen het precies boven zijn gezicht neerviel.

Niet denkend aan het metaal van de cilinderwand, probeerde hij weg te duiken. Het ondier raakte het doorzichtige metaal en bleef eraan vast zitten. Jason had nu mooi de gelegenheid om het in details te bekijken.

Het was bijna te afschuwelijk om te geloven. Als een brenger-van-de-dood tot de essenties teruggebracht, kaal. Een bek die de kop in tweeën sneed, rijen tanden, gezaagd en puntig. Leerachtige vleugels met klauwen aan het uiteinde, nog langere klauwen aan de ledematen die aan de metalen wand scheurden.

Angst schoot op in Jason, toen hij zag dat de klauwen groeven in het transparante metaal trokken. Waar het speeksel van het ondier neerkwam vlekte en splinterde het metaal onder de aanval van de tanden. Zijn logisch verstand zei hem dat het alleen maar krassen waren in de zware cilinder. Het kon geen kwaad, maar blinde en onredelijke angst deden Jason zover mogelijk wegkruipen. In zichzelf wegkruipen, pogen te ontsnappen.

Pas toen het vliegende onding uiteen begon te vallen, kreeg hij door in wat voor kamer ze lagen. Een mist van stomende vloeistof kwam van alle kanten, en regende neer totdat de cilinders bedekt waren. Na een laatste haal van zijn klauwen, werd het Pyrraanse dier weggevaagd. De vloeistof stroomde weg door de vloer en een tweede en een derde douche volgden.

Terwijl de oplossingen weggepompt werden, vocht Jason om zijn emoties de baas te worden. Hij was verbaasd over zichzelf. Hoe verschrikkelijk het ondier ook geweest mocht zijn, hij kon toch niet begrijpen dat het zoveel angst had kunnen opwekken door de wand van de verzegelde cilinder. Zijn reactie was volkomen buiten verhouding tot de zaak geweest. Zelfs nu het dier vernietigd was en uit het gezicht, kostte het al zijn wilskracht om zijn zenuwen in bedwang te houden en zijn adem weer normaal te krijgen.

Meta liep voorbij, en hij begreep dat het sterilisatieproces afgelopen was. Hij opende zijn eigen cilinder en klom er vermoeid uit. Meta en de anderen waren in de tussentijd verdwenen en alleen een onbekende met een haviksgezicht stond op hem te wachten.

‘Ik ben Brucco van de aanpassingskliniek. Kerk heeft me verteld wie je bent. Het spijt me dat je hier bent. Maar kom mee, ik wil een paar bloedproeven doen.’

‘Nu voel ik me helemaal thuis,’ zei Jason. ‘De echte Pyrraanse gastvrijheid.’ Brucco gromde alleen maar en stapte naar buiten. Jason volgde hem door een lege gang naar een steriel laboratorium.

De dubbele zwaartekracht vermoeide hem, het was een voortdurende druk op de spieren, die al zeer deden. Terwijl Brucco proeven deed met de bloedmonsters, rustte Jason. Hij was bijna weggedoezeld in een pijnlijke slaap, toen Brucco terugkwam met een blad met flessen en injectienaalden.

‘Ongelooflijk,’ zei hij, ‘geen een antilichaam in je serum dat van enig nut zou zijn op deze planeet. Ik heb hier een partijtje antigenen die je zo ziek als een hond zullen maken voor op z’n minst een dag. Trek je overhemd uit.’

‘Heb je dit vaak gedaan?’ vroeg Jason. ‘Ik bedoel, een vreemdeling volpompen en klaarmaken voor de genoegens van jullie wereld?’

Brucco stak een naald in die over het bot scheen te schrapen.

‘Niet zo erg vaak. De laatste keer was jaren geleden. Een stuk of zes onderzoekers van een of ander instituut, die goed wilden betalen voor de gelegenheid om de plaatselijke levensvormen te bestuderen. We hebben geen nee gezegd. We kunnen altijd meer melkweg-valuta gebruiken.’

Jason begon zich al een beetje licht in zijn hoofd te voelen van de injecties. ‘Hoeveel hebben het overleefd?’ mompelde hij slaperig.

‘Eentje, we kregen hem op tijd weg. We hebben ze van tevoren laten betalen natuurlijk.’ Eerst dacht Jason dat de Pyrraan een grapje maakte. Toen herinnerde hij zich dat ze maar heel weinig gevoel voor humor hadden. Als de helft van wat Kerk en Meta hem verteld hadden waar was, was een kans van een op de zes nog niet eens zo slecht. Er stond een bed in de aangrenzende kamer en Brucco hielp hem erheen. Jason voelde zich bedwelmd, waarschijnlijk was hij dat ook. Hij viel in een diepe slaap en droomde angst en haat. In gelijke delen gemengd gleden ze rood en heet over hem heen. Als dit een droom was, wilde hij nooit meer slapen. Als het geen droom was wilde hij sterven. Hij probeerde ertegen te vechten maar hij zonk er alleen maar dieper in weg. Er was geen begin en geen eind aan de angst, en geen enkele manier om te ontsnappen.

Toen zijn bewustzijn terugkeerde, kon Jason zich geen enkel detail van de nachtmerrie herinneren. Alleen de angst was gebleven. Hij was drijfnat van het zweet en alle spieren deden pijn. Het moest de loodzware dosis injecties geweest zijn, besloot hij tenslotte, en de beestachtige zwaartekracht. Dat spoelde echter de smaak van de angst niet uit zijn mond.

Brucco stak zijn hoofd om de deur en bekeek Jason van onder tot boven.

‘Dacht je dat je dood was,’ zei hij. ‘Sliep de hele klok rond. Blijf daar, ik zal wat voor je halen om je op te knappen.’ De opknapper kwam in de vorm van nog een naald en een glas met akelige vloeistof. Het leste zijn dorst, maar maakte hem op een pijnlijke manier bewust van een knagende honger.

‘Eten?’ vroeg Brucco. ‘Dat weet ik wel zeker. Ik heb je stofwisseling versneld zodat je vlugger spieren ontwikkelt.

Enige manier waarop je ooit de zwaartekracht de baas wordt. Geeft je echter flinke honger voor een tijdje.’

Brucco at met hem mee en Jason had de gelegenheid een paar vragen te stellen. ‘Wanneer krijg ik de kans om rond te kijken op jullie opwindende planeet? Tot nu toe is deze reis zo interessant geweest als zitten in de nor.’

‘Kalm aan, geniet van je eten. Zal waarschijnlijk maanden duren voordat je naar buiten kunt. Misschien wel helemaal niet.’

Jason vielde dat zijn onderkaad neerhing en sloot zijn mond met een klap. ‘Zou je mij mogelijkerwijs kunnen vertellen waarom?’

‘Natuurlijk. Je zult dezelfde cursus moeten volgen die onze kinderen volgen. Ze doen er zes jaar over. Toegegeven, dat zijn de zes eerste jaren van hun leven. Dus men zou kunnen denken dat jij, een volwassene, vlugger zou kunnen leren. Maar dan, zij hebben het voordeel dat ze hier geboren zijn. Alles wat ik kan zeggen is, dat je buiten deze gesloten gebouwen zult komen zodra je klaar bent.’

Brucco had zijn maaltijd beëindigd onder het gesprek, en zat met groeiende walging naar Jasons naakte armen te kijken. ‘Het eerste wat we voor je gaan halen is een pistool,’ zei hij. ‘Het maakt me misselijk om iemand zonder pistool te zien.’

Natuurlijk droeg Brucco zijn eigen wapen voortdurend, zelfs binnen de afgesloten gebouwen.

‘Ieder pistool wordt aangepast aan zijn bezitter en zou geen enkel nut hebben voor enig ander,’ zei Brucco. ‘Ik zal je laten zien waarom.’

Hij ging Jason voor naar een arsenaal, volgestouwd met dodelijke wapens. ‘Steek je arm hierin terwijl ik de aanpassingen maak.’

Het was een doosachtige machine met een revolverhandgreep opzij. Jason pakte de greep vast en liet zijn elleboog rusten op de metalen lus. Brucco zette aanwijsnaalden vast die zijn arm raakten, en schreef toen de meterstanden op. Terwijl hij de getallen op zijn lijst aflas, zocht hij de verschillende onderdelen uit dozen en zette toen snel een ploffer met holster in elkaar. Met de holster aan zijn arm gebonden en het pistool in zijn hand, merkte Jason voor het eerst dat deze twee met elkaar verbonden waren door een buigzame kabel. Het wapen paste volmaakt in zijn hand.

‘Dit is het geheim van de bekrachtigde holster,’ zei Brucco, terwijl hij op de buigzame kabel tikte. ‘Het zit volkomen los, terwijl je het wapen gebruikt. Maar als je het terug wilt hebben in je holster’ — Brucco kwam ergens aan en de kabel werd een stijve staaf, die de ploffer uit Jasons hand zweepte en hem in de lucht liet hangen.

‘Nu terug.’ De kabelstaaf snorde en smakte de revolver terug in het holster. ‘Het trekken is natuurlijk het tegenovergestelde hiervan.’

‘Een geweldig dingetje,’ zei Jason. ‘Maar hoe trek ik? Moet ik fluiten of zo en komt de ploffer er dan uit springen?’

‘Nee, het is geen geluidsbediening,’ antwoordde Brucco met een ernstig gezicht. ‘Het is veel nauwkeuriger. Kijk, neem je linkerhand en pak een denkbeeldige kolf beet. Span je vinger om de trekker. Zie je het patroon van je pezen in je rechterpols? Gevoelige activators staan in verbinding met de pezen in je rechterpols. Zij letten op geen enkel patroon behalve op dat wat zegt hand klaar om ploffer te ontvangen. Na een tijdje wordt het mechanisme volkomen automatisch. Als je hem wilt hebben, is hij in je hand. Als je hem niet wilt hebben, is hij in je holster.’

Jason maakte grijpende bewegingen met zijn rechterhand, kromde zijn wijsvinger. Er kwam een plotselinge verpletterende pijn tegen zijn hand en ook een luide brul. De ploffer was in zijn hand — de helft van zijn vingers was gevoelloos — en er kringelde rook uit de loop.

‘Er zitten natuurlijk alleen maar losse flodders in, totdat je het onder de knie hebt. Revolvers zijn altijd geladen. Veiligheid bestaat niet. Kijk maar, de trekker heeft geen bescherming. Op die manier kun je je vinger een klein beetje meer krommen als je trekt, zodat de ploffer afgaat op het moment dat hij je hand raakt.’

Het was zonder enige twijfel het meest dodelijke wapen dat Jason ooit had gebruikt, en tegelijk ook het moeilijkste om mee om te gaan.

Terwijl hij zich te weer stelde tegen de brandende spierpijn die de hoge zwaartekracht veroorzaakte, vocht hij om met het duivelse apparaat te leren werken. Het had de tergende eigenschap om in de holster te verdwijnen juist als hij op het punt stond de trekker over te halen. Nog erger was de neiging om eruit te springen voordat hij helemaal klaar was. De revolver ging naar de plaats waar zijn hand moest zijn. Als de vingers niet op de goede manier waren geplaatst, werden ze opzij geslagen. Jason hield pas op met oefenen toen zijn hand één grote grauwe blauwe plek was.

Volledige beheersing zou mettertijd komen, maar hij kon nu al begrijpen waarom de Pyrranen hun ploffer nooit aflegden. Het zou zoiets zijn als een deel van je lichaam afleggen. De beweging ploffer-holster-hand was te snel voor hem om na te gaan. Het was in ieder geval vlugger dan de zenuwimpuls die de hand de positie ‘revolver vasthouden’ deed aannemen. Het was alsof je de bliksem in je vingertop had. Wijs met je vinger en beng daar is de explosie.

Brucco had Jason alleen gelaten om te oefenen. Toen zijn pijnlijke hand niets meer kon hebben, hield hij op en ging terug, in de richting van zijn eigen verblijf. Terwijl hij de hoek omsloeg zag hij vluchtig een bekende gestalte die zich van hem verwijderde.

‘Meta! wacht even! Ik wil met je praten.’

Zij draaide zich ongeduldig om terwijl hij naar haar toe bewoog, zo snel hij kon onder de dubbele zwaartekracht. Zij leek heel anders dan het meisje, dat hij op het schip gekend had. Zware laarzen reikten tot de knieën, haar figuur ging schuil onder een ruime overall van een of ander metaalachtig weefsel. De smalle taille werd verdikt door een koppel met granaten. Haar uitdrukking zelf was van een koele afstand.

‘Ik heb je gemist,’ zei hij. ‘Ik had er niet bij stil gestaan dat je in dit gebouw was.’ Hij voelde naar haar hand, maar zij trok hem buiten zijn bereik.

‘Wat wil je?’ vroeg zij.

‘Wat ik wil?’ echode hij, met een nauw verholen woede. ‘Ik ben Jason, weet je nog? Wij zijn vrienden. Het is niet verboden dat vrienden met elkaar praten zonder dat ze iets willen.’

‘Wat op het schip gebeurde heeft niets te maken met wat op Pyrrus gebeurt.’ Ze begon ongeduldig te lopen, terwijl zij praatte. ‘Ik ben klaar met mijn heraanpassing en ik moet terug naar mijn werk. Jij blijft hier in de gesloten gebouwen, dus zal ik je niet meer zien.’

‘Waarom blijf je niet bij de andere kinderen, dat bedoel je met die toon. En probeer niet weg te lopen, er zijn een paar dingen die we eerst moeten regelen.’

Jason maakte de fout zijn hand uit te steken om haar vast te houden. Hij wist niet precies wat er daarna gebeurde. Het ene moment stond hij overeind — het volgende lag hij opeens languit op de vloer. Zijn schouder deed gemeen zeer en Meta was verdwenen.

Terwijl hij terug hinkte naar zijn eigen kamer, mompelde hij zachtjes een serie vloeken. Hij liet zich op het keiharde bed vallen en probeerde zich de redenen te herinneren die hem naar hier hadden gevoerd. En hij woog die af tegen de eeuwige marteling van de zwaartekracht, de angstdromen die het veroorzaakte, de werktuiglijke minachting voor iedere buitenstaander die deze mensen hadden. Vlug zette hij de groeiende neiging zichzelf zielig te vinden stop. Naar de maatstaven van Pyrrus was hij inderdaad week en hulpeloos. Als hij wilde dat zij beter over hem zouden denken, zou hij een heleboel moeten veranderen. Toen zonk hij weg in een uitgeputte slaap, die alleen werd verstoord door de gillende angst van zijn dromen.

7

’s Morgens werd Jason wakker met een erge hoofdpijn en het gevoel dat hij helemaal niet geslapen had. Toen hij een paar zorgvuldig gedoseerde stimulerende middelen had genomen die Brucco hem had gegeven, vroeg hij zich opnieuw verbaasd af wat de combinatie van factoren was die zijn slaap met zulk een verschrikking gevuld hadden.

‘Eet snel,’ zei Brucco, toen zij elkaar in de eetzaal troffen. ‘Ik heb niet langer de tijd om jou privé-instructie te geven. Je moet naar de gewone klassen en de voorgeschreven cursussen volgen. Kom alleen naar me toe als er een bijzonder probleem is waar de instructeurs of trainers niet uitkomen.’

De klassen waren, zoals Jason al verwachtte, vol kleine kinderen met stoere gezichten. Met hun stevige lichaam en hun geen-gekheid-maniertjes waren ze helemaal echt Pyrraans. Maar zij waren nog kind genoeg om het grappig te vinden dat ze een volwassene in hun klas hadden. Jason, achter een van de kleine tafeltjes gepoot, met een vuurrood gezicht, vond het niet zo erg grappig.

Alle overeenkomst met een normale school hield op bij de uiterlijke vorm van de klas. Ten eerste droeg ieder kind, het gaf niet hoe klein, een ploffer. En de lessen gingen allemaal over in-leven-blijven. Het enige cijfer dat je kon halen bij deze leerstof was een tien en de leerlingen bleven net zolang aan een les werken tot ze die volkomen onder de knie hadden. Er werd geen les gegeven in de gewone vakken. Waarschijnlijk werden die behandeld nadat het kind de overlevingsschool had afgemaakt en op eigen benen kon staan. Een logische en koelbloedige kijk op de dingen. Eigenlijk paste die omschrijving op iedere activiteit op Pyrrus; logisch en koelbloedig.

Het grootste deel van de ochtend werd gewijd aan het werken met één van de medicijndozen die om het middel gegespt zaten. Dit was een infectie- en gif-ontleder die op een steekwond werd gedrukt. Als er toxines aanwezig waren, werd het tegengif automatisch ter plaatse ingespoten. Eenvoudig te bedienen, maar van een ongelooflijk ingewikkelde constructie. Aangezien alle Pyrranen voor hun eigen uitrusting zorgden, was het op die manier je eigen schuld als het niet werkte — daarom moesten zij de constructie en het repareren van alle apparaten leren. Jason deed het veel beter dan de kinderen, hoewel de inspanning hem uitputte, ’s Middags had hij zijn eerste ervaring met een oefenmachine, de trainer. Zijn leraar was een jongen van twaalf jaar, wiens koude stem de verachting voor de weke vreemdeling niet verborg.

‘Alle trainers zijn duplicaten van de ware oppervlakte van de planeet, voortdurend gewijzigd en aangepast naarmate de levensvormen veranderen. Het enige verschil onderling is het verschil in mate van dodelijkheid. De eerste machine die je gaat gebruiken is natuurlijk degene waar baby’s ingezet worden ...’

‘Je bent al te vriendelijk,’ mompelde Jason. ‘Je vleit me te veel.’ De instructeur ging verder, zonder op de onderbrekingen te letten.

‘... baby’s ingezet worden zodra ze kunnen kruipen. Het is volkomen echt, maar helemaal onschadelijk gemaakt.’

Trainer was niet het goede woord, merkte Jason toen ze door de zware deur naar binnen gingen. Dit was een stukje van de buitenwereld, nagemaakt in een enorme zaal. Het kostte hem niet veel verbeeldingskracht om het geschilderde dak en de kunstzon hoog boven zijn hoofd te vergeten en zich eindelijk buiten te wanen. De omgeving leek vredig genoeg. Hoewel dreigende wolkenvelden aan de horizon een hevige Pyrraanse storm voorspelden.

‘Je moet rondwandelen en de dingen onderzoeken,’ zei de leraar tegen Jason. ‘Als je iets aanraakt met je hand, wordt er wat over gezegd. Zoals hier —’

De jongen boog voorover en drukte zijn vinger tegen een blad van het zachte gras dat de grond bedekte. Onmiddellijk kraakte er een stem uit verborgen luidsprekers.

‘Vergiftig gras. Altijd laarzen dragen.’

Jason knielde neer en bekeek het gras. Het blad eindigde in een harde, glimmende haak. Met een schok besefte hij dat ieder blaadje gras hetzelfde was. Het zachte groene veld was een tapijt des doods. Terwijl hij overeind kwam, zag hij iets wegglippen onder een plant met brede bladeren. Een kruipend dier, met schubben bedekt, waarvan de spitse snuit eindigde in een lange doorn.

‘Wat is dat in m’n zondagstuintje?’ vroeg hij. ‘Jullie geven de baby’s aardige speelmakkertjes, dat is zeker.’ Jason draaide zich om en merkte dat hij tegen de lucht sprak; de instructeur was verdwenen. Hij haalde zijn schouders op en aaide het geschubde monstertje.

‘Hoornduivel,’ zei de onpersoonlijke stem uit de lucht. ‘Kleren en schoenen zijn geen bescherming. Dood het.’

Een scherp gekraak verscheurde de stilte toen Jasons pistool afging. De hoornduivel viel op zijn zij, afgesteld om te reageren op een losse flodder.

‘Nou, ik leer al aardig,’ zei Jason, en de gedachte deed hem plezier. De woorden dood het waren door Brucco gebruikt toen hij leerde hoe hij zijn geweer moest gebruiken. De prikkel ervan had een onbewust niveau bereikt. Hij wist pas dat hij wilde schieten toen hij het schot al gehoord had. Zijn respect voor de Pyrraanse trainingsmethoden groeide.

Jason bracht een danig onplezierige middag door, wandelend in de kinderverschrikkingstuin. De dood was overal. Terwijl de hele tijd de stem zonder lichaam hem ernstige adviezen gaf in eenvoudige taal. Op die manier kon hij dingen doen, zonder dat het met hem gedaan was. Hij had zich nooit gerealiseerd dat een gewelddadige dood in zoveel afzichtelijke vormen kon komen. Alles hier was dodelijk voor de mens — van het kleinste insekt tot de grootste plant. Zulk een enge doelbewustheid leek volkomen onnatuurlijk. Waarom was deze planeet zo vreemd vijandig voor menselijk leven? Niet vergeten om het aan Brucco te vragen. Intussen probeerde hij een levensvorm te ontdekken die het niet had voorzien op zijn bloed. Hij slaagde er niet in. Na lange tijd gezocht te hebben, vond hij het enige dat als het werd aangeraakt geen dodelijk advies verstrekte. Dit was een rotsblok dat uitstak boven een weide van giftig gras. Met een tevreden gevoel ging Jason erop zitten en trok zijn voeten op. Een oase van rust. Er gingen enkele minuten voorbij waarin hij zijn zwaartekracht-moede lichaam liet uitrusten. ‘ROTZWAM! NIET AANRAKEN!’

De stem knalde met een tweemaal zo groot volume en Jason sprong weg alsof hij werd beschoten. Met de revolver in zijn hand, speurde hij rond naar een doelwit. Pas toen hij voorover boog en de rots waarop hij had gezeten van dichtbij bekeek, begreep hij het. Er waren schilferige grijze plekjes die hij niet had opgemerkt toen hij ging zitten.

‘O, jullie gemene bedriegers!’ schreeuwde hij tegen de machine. ‘Hoeveel kinderen zullen jullie van die rots afgejaagd hebben, net toen ze dachten een klein beetje rust gevonden te hebben!’

Hij was kwaad over het sluwe stukje conditionering, maar had er tegelijkertijd bewondering voor. Pyrranen leerden heel vroeg in hun leven dat er op deze planeet geen veiligheid bestond — behalve die welke zij zichzelf schiepen. Terwijl hij zijn lessen leerde over Pyrrus, kreeg hij ook een beter inzicht in de Pyrranen.

8

Dagen werden weken in de school, afgesneden van de buitenwereld. Jason werd bijna trots op zijn vaardigheid om met de dood om te gaan. Hij herkende alle dieren en planten in de kleuterzaal en werd bevorderd tot een trainer waar de beesten onhandige aanvallen op hem deden. Zijn ploffer schoot de aanvallers de een na de ander met saaie regelmaat neer. De eeuwige dagelijkse lessen begonnen ook stierlijk te vervelen. Hoewel de zwaartekracht hem nog steeds neerdrukte, waren zijn spieren al aardig aangepast.

Na de dagelijkse lessen viel hij niet langer onmiddellijk in bed. Alleen werden de nachtmerries erger. Hij had het er tenslotte met Brucco over gehad, die een slaapmiddel had gemaakt dat het meeste van hun effect wegnam. De dromen waren er nog steeds, maar Jason was ze zich slechts vaag bewust bij het ontwaken.

Tegen de tijd dat Jason de werking van alle apparaatjes die de Pyrranen in leven hielden beheerste, werd hij bevorderd tot een meer levensechte trainer, die nog maar een haartje van het echte verschilde. Het verschil bestond alleen in kwaliteit. Het gif van de insekten veroorzaakte zwellingen en pijn, in plaats van een onmiddellijke dood. Dieren konden kneuzingen veroorzaken en vlees wegscheuren, maar begonnen niet aan het aftrekken van ledematen. Je kon niet gedood worden in deze trainer, maar wel bijna.

Jason wandelde door deze grote en ruime wildernis met de rest van de vijfjarigen. Er was iets grappigs, maar toch ook iets droevigs aan hun onkinderlijke grimmigheid. Hoewel zij misschien nog wel eens lachten in hun slaapzalen, zij wisten dat er buiten niets te lachen viel. In leven blijven was voor hen vast verbonden met maatschappelijk aanvaard worden en gevraagd zijn. Wat dat betreft was Pyrrus een eenvoudige zwart-wit-maatschappij. Om je waarde aan jezelf en de wereld te bewijzen, moest je alleen maar in leven blijven. Dit was van groot belang voor het overleven van het ras, maar had nogal belachelijke invloeden op de individuele persoonlijkheid. Kinderen werden gemaakt tot eenvormige afmakers, altijd klaar om te doden. Sommige kinderen mochten de buitenwereld in en andere namen hun plaats in. Jason sloeg dit proces een tijdje gade, totdat hij door kreeg dat iedereen van de groep waarmee hij was begonnen, al verdwenen was. Diezelfde dag ging hij naar het hoofd van het aanpassingscentrum.

‘Brucco,’ vroeg Jason, ‘hoe lang denk je me nog in deze kleuterschietschool te houden?’

‘Je wordt hier niet ‘gehouden’,’ zei Brucco op z’n gewone geërgerde toon. ‘Je zult hier blijven tot je klaar bent om naar buiten te gaan.’

‘Wat, ben ik bang, nooit zal gebeuren. Ik kan nu al die vervloekte machientjes van jou in het donker uit elkaar halen en weer in elkaar zetten. Ik ben akelig precies met dit kanon. Op dit moment zou ik, als het moest, een boek kunnen schrijven over de Complete Flora en Fauna van Pyrrus, en Hoe je Die Afmaakt. Misschien ben ik niet zo goed als mijn zes jaar oude vriendjes. Maar ik heb het gevoel dat ik het nooit beter zal doen dan nu. Is dat waar?’

Brucco probeerde dit op een onhandige manier te ontwijken, wat niet lukte. ‘Ik denk, dat wil zeggen, je weet dat je hier niet geboren bent, en —’

‘Kom, kom’, zei Jason met een lachje. ‘Een eerlijke ouwe Pyrraan als jij moet niet proberen te liegen tegen eentje van de zwakkere rassen die zich daarin specialiseren. Vanzelfsprekend zal ik altijd traag zijn met die zwaartekracht, en ook m’n andere aangeboren handicaps blijven. Dat geef ik toe. Maar daar hebben we het nu niet over. De vraag is, zal ik nog beter worden door meer training, of heb ik het hoogtepunt van mijn ontwikkeling nu bereikt?’

Brucco zweette. ‘Na verloop van tijd zul je nog beter worden, natuurlijk —’

‘Sluwe vos!’ Jason schudde zijn vinger tegen hem. ‘Ja of nee, nou. Zal ik nu beter worden door nu meer te trainen?’

‘Nee,’ zei Brucco en keek nog steeds erg moeilijk. Jason schatte hem als een hand met kaarten.

‘Laten we daar nou eens over denken. Ik zal niet beter worden, en toch zit ik nog steeds hier. Dat is niet toevallig. Je moet dus wel van iemand opdracht gekregen hebben om me hier te houden. En uit wat ik gezien heb van deze planeet, heel weinig, toegegeven, zou ik concluderen dat Kerk jou bevel heeft gegeven me hier te houden? Klopt dat?’

‘Hij deed het voor je eigen bestwil,’ legde Brucco uit. ‘Om te proberen je in leven te houden.’

‘Daar hebben we de waarheid,’ zei Jason. ‘Laten we die dus maar vergeten. Ik ben hier niet gekomen om robots te schieten samen met jullie kroost. Dus wees zo vriendelijk om me de buitendeur te wijzen. Of is er eerst nog een eindexamenceremonie? Toespraken, het overhandigen van schoolmedailles, sabels boven het hoofd —’

‘Niets van dat alles,’ snauwde Brucco. ‘Ik begrijp niet hoe een volwassen man als jij altijd zulke nonsens kan praten. Zo is het natuurlijk helemaal niet. Alleen wat sluitwerk, in de gedeeltelijke-overlevingskamer. Dat is een ruimte die in verbinding staat met buiten — eigenlijk is het een deel van buiten — alleen zijn de meest woeste levensvormen weggelaten. En zelfs lukt het soms die nog om erbinnen te komen.’

‘Wanneer ga ik?’ vuurde Jason af.

‘Morgenochtend. Probeer eerst een nacht goed te slapen. Je zult het nodig hebben.’

Er was één klein beetje ceremonie bij het eindexamen. Toen Jason die morgen in het kantoor kwam, schoof Brucco een zware patroonhouder over de tafel.

‘Dit zijn echte patronen,’ zei hij. ‘Ik ben er zeker van dat je ze nodig zult hebben. In het vervolg je pistool altijd geladen dragen.’

Zij kwamen bij een zware luchtsluis, de enige gesloten deur die Jason in het instituut gezien had. Terwijl Brucco hem opendraaide en de grendels eraf gooide, kwam er een acht jaar oude jongen met een nuchter gezicht en een been in verband aanhinken.

‘Dit is Grif,’ zei Brucco. ‘Hij zal van nu af aan bij je blijven, waar je ook heen gaat.’

‘Mijn privé-lijfwacht?’ vroeg Jason, en keek omlaag naar het stevige kind dat nauwelijks tot zijn borst kwam.

‘Zo zou je het kunnen noemen.’ Brucco zwaaide de deur open. ‘Grif heeft het met een zaagvogel aan de stok gehad, daarom is hij ’n tijdje niet in staat om echt werk te doen. Je hebt zelf toegegeven dat je nooit zo goed zou worden als een geboren Pyrraan, dus wees maar blij met een beetje bescherming.’

‘Die Brucco toch, altijd goed voor een vriendelijk woordje,’ zei Jason. Hij boog naar voren en schudde de hand van de jongen. Zelfs de achtjarigen hadden een ijzeren hand. De twee gingen de luchtsluis in en Brucco zwaaide de binnendeur achter hen dicht. Meteen nadat die verzegeld was ging de buitendeur open.

Hij was nog maar gedeeltelijk open toen Grifs revolver twee keer afging. Toen stapten zij naar buiten op de bodem van Pyrrus, over het walmende lichaam van een van zijn dieren heen. Heel symbolisch, dacht Jason. Hij werd ook gehinderd door het besef dat hij er niet alleen niet aan gedacht had uit te kijken naar iets dat binnen kon komen, maar dat hij het beest ook niet kon identificeren aan de verkoolde resten. Op zijn hoede keek hij om zich heen, en hoopte dat hij in staat zou zijn de volgende keer het eerst te schieten.

Dit bleek een onvervulde hoop. De paar beesten die ze tegenkwamen werden steeds het eerst gezien door de jongen. Na een uurtje was Jason zo geïrriteerd dat hij een kwaadaardig uitziende doornplant aan flenters schoot. Hij hoopte dat Grif er niet te nauw naar zou kijken. Natuurlijk deed de jongen dat wel.

‘Die plant was niet dichtbij. Het is stom om je goeie munitie te verspillen aan een plant,’ zei Grif.

Er waren die dag geen echte moeilijkheden. Jason was tenslotte danig verveeld, hoewel hij drijfnat was van de aanhoudende regenbuien. Als Grif al in staat was om een gesprek te voeren, liet hij het niet merken. Al Jasons pogingen waren vergeefs. De volgende dag ging op dezelfde manier voorbij. Op de derde dag verscheen Brucco en bekeek Jason zorgvuldig van onder tot boven.

‘Ik vind het niet prettig om te zeggen, maar ik geloof dat je nu zo klaar bent om te vertrekken als je ooit zult zijn. Verwissel de virusfilter-neusdopjes iedere dag. Controleer altijd je laarzen en je metalen kleren op scheuren. Medidoos iedere week bijvullen.’

‘En m’n neus snuiten en m’n overschoenen dragen. Nog meer?’ vroeg Jason.

Brucco wilde iets zeggen, maar slikte het in. ‘Niets dat je al niet heel goed behoort te weten, zo langzamerhand. Wees op je hoede. En veel geluk’. Hij deed zijn woorden vergezeld gaan van een krachtige handdruk die volkomen onverwacht was. Zodra Jasons pijnlijke hand weer normaal was, gingen hij en Grif weg door de grote toegangssluis.

9

Zo echt als de trainingskamers geweest waren, zij hadden hem niet voorbereid op de bodem van Pyrrus. Er was een basis die er op leek, natuurlijk. Het voelen van het giftige gras onder je voeten en het grillige vliegen van een steekvleugel, het laatste moment voor Grif hem neerschoot. Maar dat waren dingen die wegvielen in de botsing met de elementen rond hem heen.

Er viel een zware regen, het was meer een gordijn van water dan afzonderlijke druppels. Windstoten trokken eraan, en slingerden de zondvloed in zijn gezicht. Hij wreef zijn ogen droog en kon ternauwernood de kegelachtige vormen van twee vulkanen aan de horizon onderscheiden, die rookwolken en vlammen uitbraakten. De weerschijn van deze hel was een dof rood op de wolken die in banken boven hem langsjoegen.

Er klonk een geratel op zijn pantserhoed en er viel iets af op de grond. Hij boog zich voorover en pakte een hagelsteen op zo dik als zijn duim. Een plotselinge stortvloed van hagel hamerde pijnlijk op zijn rug en nek, snel kwam hij overeind.

Zo snel als de storm begonnen was, zo snel ging hij ook weer liggen. De zon brandde als vuur, deed de hagelstenen smelten en wolkjes stoom omhoogkringelen van de natte straat. Jason zweette onder zijn gepantserde kleren. Voordat zij een straat verder waren, regende het al weer en rilde hij van de kou.

Grif sjokte gestadig voorwaarts, zich niets aantrekkend van het weer of de vulkanen die rommelden aan de horizon en de grond onder hun voeten deed schudden. Jason probeerde zijn onbehaaglijke gevoel te negeren en het tempo van de jongen bij te houden.

Het was een ontmoedigende wandeling. De zware, gedrongen gebouwen die grauw en grijs door de regen opdoemden, waren voor meer dan de helft ruïnes. Zij liepen op een voetpad in het midden van de straat. Af en toe gingen er gepantserde trucks voorbij, aan weerskanten. De ligging van het voetpad in het midden van de straat was een raadsel voor Jason, totdat Grif iets neerschoot dat uit een van de ruïnes op hen afkwam. De centrale ligging gaf hun enige kans om te zien wat er aankwam. Jason was opeens erg moe.

‘Ik denk dat er hier wel niet zoiets als een taxi zal bestaan?’ vroeg hij.

Grif staarde hem slechts fronsend aan. Het was duidelijk dat hij zelfs dat woord nog nooit gehoord had. Zo sukkelden ze verder, terwijl de jongen inhield ten einde Jason niet achter te laten komen. Binnen een half uur hadden ze alles gezien wat hij wilde.

‘Grif, deze stad van jullie ligt goed in puin, dat is zeker. Ik hoop dat de andere in betere staat verkeren.’

‘Ik begrijp niet wat je bedoelt met puin. Maar er zijn geen andere steden. Een paar mijnkampen die niet binnen de ommuring vallen. Maar geen andere steden.’

Dit verbaasde Jason. Hij had zich de planeet altijd voorgesteld met meer dan één stad. Er waren een heleboel dingen op Pyrrus die hij niet wist, besefte hij plotseling. Sinds de landing was hij volkomen in beslag genomen door de overlevingslessen. Hij had heel wat vragen te stellen, maar dan aan iemand anders dan zijn mopperende achtjarige lijfwacht. Er was een persoon die hem het best kon vertellen wat hij wilde weten.

‘Ken je Kerk?’ vroeg hij aan de jongen. ‘Hij is kennelijk jullie ambassadeur op een heleboel plaatsen, maar zijn achternaam —’

‘Tuurlijk, iedereen kent Kerk. Maar hij is bezig, je mag niet naar hem toe.’

Jason schudde zijn vinger tegen hem. ‘Waker over mijn lichaam mag je zijn, maar waker over mijn ziel ben je niet. Wat zeg je ervan als ik mijn kans waag en jij verder jouw kans waarneemt met het neerknallen van de monsters? Goed?’

Zij schuilden voor een plotselinge hagelbui met stenen zo groot als een vuist. Toen leidde Grif hem met tegenzin naar een van de grote centrale gebouwen. Er waren hier meer mensen en sommigen keken zelfs even naar Jason, voor ze weer aan het werk gingen. Jason sleepte zich twee trappen op tot bij een deur waar opstond COÖRDINATIE EN BEVOORRADING.

‘Is Kerk hier binnen?’ vroeg Jason.

‘Ja,’ zei de jongen. ‘Hij is de baas.’

‘Mooi zo. Nou ga jij fijn een flesje prik drinken of een broodje eten of zo, en dan ontmoeten we elkaar weer hier over een paar uur. Ik denk dat Kerk wel net zo goed op me kan passen als jij.’

De jongen stond een paar tellen vol twijfel te kijken, toen ging hij weg. Jason veegde nog een keer wat zweet weg en duwde de deur open. Er was een handjevol mensen binnen. Niemand van hen keek op of vroeg Jason wat hij kwam doen. Alles had een doel op Pyrrus. Als hij hier kwam, had hij daar een goeie reden voor. Niemand zou er ook maar over denken om hem te vragen wat hij wilde. Jason, gewend aan het officiële kantoorgedoe op duizenden werelden, stond een paar ogenblikken te wachten voordat hij het begreep. Er was maar één andere deur in de kamer, in de verste muur. Hij schuifelde ernaar toe en opende hem. Kerk keek op van een bureau dat bezaaid was met papieren en grootboeken. ‘Ik was benieuwd wanneer je op zou komen dagen,’ zei hij.

‘Heel wat eerder als jij het niet verhinderd had,’ zei Jason, toen hij vermoeid in een stoel viel. ‘Het drong eindelijk tot me door dat ik de rest van m’n leven in jouw bloeddorstige kleuterschool zou slijten als ik er niets aan deed. En daar ben ik dan.’

‘Klaar om terug te gaan naar de beschaafde werelden? Nu je genoeg gezien hebt van Pyrrus?’

‘Nee, dat niet,’ zei Jason. ‘En het begint me knap te vervelen dat iedereen me zegt dat ik moet vertrekken. Ik begin te denken dat jij en de rest van de Pyrranen iets proberen te verbergen.’

Kerk glimlachte bij de gedachte. ‘Wat zouden we te verbergen hebben? Ik geloof niet dat er een planeet bestaat zo eenvoudig en rechtlijnig als de onze.’

‘Als dat waar is, dan vind je het zeker niet erg om een paar rechtstreekse vragen met betrekking tot Pyrrus te beantwoorden?’

Kerk wilde protesteren, maar lachte toen. ‘Goed zo. Ik zou beter moeten weten zo langzamerhand, dan met jou te discussiëren. Wat wil je weten?’

Jason probeerde een makkelijke houding te vinden in de harde stoel, maar gaf het op. ‘Hoe groot is de bevolking van je planeet?’ vroeg hij.

Een paar seconden aarzelde Kerk, zei toen: ‘Ruw geschat dertigduizend. Dat is niet veel voor een planeet die al zolang wordt bewoond, maar de reden daarvoor is duidelijk.’

‘Goed, bevolking dertigduizend,’ zei Jason. ‘Nu wat betreft de oppervlakte die jullie beheersen. Ik heb met verbazing gemerkt dat deze stad binnen zijn beschermende muur — de ommuring — de enige is op de planeet. Laten we de delfkampen buiten beschouwing laten, aangezien die duidelijk alleen maar dependances zijn van de stad. Zou je zeggen dat jullie de oppervlakte meer of minder beheersen dan je in het verleden deed?’

Kerk pakte een stuk stalen pijp van het bureau dat hij als presse-papier gebruikte, en speelde ermee terwijl hij dacht. Het dikke staal boog als rubber onder zijn handen, terwijl hij zich concentreerde op zijn antwoord.

‘Dat is moeilijk te zeggen, zo uit het blote hoofd. Er moeten wel staatjes zijn of zo, maar ik zou niet weten waar ik die moest vinden. Het hangt van zoveel factoren af —’

‘Laten we dat nou even vergeten,’ zei Jason. ‘Ik heb een andere vraag, die eigenlijk meer terzake doet. Is het niet zo dat de bevolking van Pyrrus gestadig afneemt, jaar na jaar?’

Er kwam een scherp beng toen de pijp de muur raakte. Toen stond Kerk tegenover Jason, zijn handen uitgestrekt naar de kleinere man, zijn hoofd rood van woede.

‘Zeg dat nooit meer,’ schreeuwde hij. ‘Laat ik dat nooit meer van je horen I’

Jason zat zo rustig mogelijk, praatte langzaam en koos zijn woorden zo zorgvuldig mogelijk. Zijn leven hing ervan af.

‘Word niet boos, Kerk. Ik bedoelde het niet kwaad. Ik sta aan jouw kant, weet je wel? Ik kan met jou praten omdat jij veel meer gezien hebt van het heelal dan de Pyrranen die de planeet nog nooit verlaten hebben. Jij bent gewend om over de dingen te praten. Jij weet dat woorden alleen maar symbolen zijn. We kunnen praten in de wetenschap dat je niet kwaad hoeft te worden om een paar woorden —’

Kerk liet langzaam zijn armen zakken en stapte weg. Toen draaide hij zich snel om en schonk zichzelf een glas water in uit een fles op het bureau. Hij hield zijn rug naar Jason toegekeerd terwijl hij dronk.

Maar heel weinig van het zweet dat Jason van zijn kletsnatte gezicht afveegde was te wijten aan de hitte in de kamer.

‘Het — het spijt me dat ik kwaad werd,’ zei Kerk, en hij liet zich zwaar in zijn stoel vallen. ‘Dat gebeurt gewoonlijk hier. Heb hard gewerkt de laatste tijd, mijn humeur moet op het randje geweest zijn.’ Hij maakte geen enkele opmerking over wat Jason gezegd had.

‘Dat overkomt ons allemaal wel eens,’ zei Jason. ‘Ik zal je maar niet beschrijven in welke staat mijn zenuwen verkeerden toen ik op deze planeet aankwam. Ik ben tenslotte wel gedwongen om toe te geven dat alles wat je over Pyrrus verteld hebt waar is. Het is de dodelijkste plaats in dit sterrenstelsel. En alleen geboren Pyrranen kunnen hier in leven blijven. Ik kan me nu een beetje redden na mijn training, maar ik weet dat ik het nooit in mijn eentje zou afkunnen. Je weet zeker wel dat ik een jongen van acht jaar als lijfwacht heb. Dat geeft je een goed idee van mijn ware status hier.’

De woede was onderdrukt, Kerk had zichzelf nu weer onder controle. Zijn ogen vernauwden zich in gedachten.

‘Het verbaast me jou dat te horen zeggen. Nooit gedacht dat ik jou zou horen toegeven dat er iemand iets beter kon dan jij. Was dat niet waarvoor je hier kwam? Om te bewijzen dat je net zo goed was als welke geboren Pyrraan dan ook?’

‘Eén-nul voor jou,’ gaf Jason toe. ‘Ik wist niet dat het zo duidelijk was. En ik ben blij dat je geest niet zo taai gespierd is als je lichaam. Ja, ik geef toe dat dat waarschijnlijk de voornaamste reden was om hier te komen, dat en mijn nieuwsgierigheid.’

Kerk volgde zijn eigen gedachtengang en vroeg zich af waar die heen leidde. ‘Je kwam hier om te bewijzen dat je net zo goed was als iedere geboren Pyrraan. Toch geef je nu toe dat iedere jongen van acht jaar je de baas is. Dat komt niet overeen met wat ik van je weet. Als je geeft met je ene hand, haal je het weer terug met je andere. Op welke manier voel je nog steeds je natuurlijke superioriteit?’ Hij vroeg het luchtig, maar er was een zware spanning achter zijn woorden.

Jason dacht lang na voor hij antwoordde.

‘Ik zal het je vertellen,’ zei hij tenslotte. ‘Maar breek me mijn nek er niet voor. Ik gok erop dat je beschaafde kant je reflexen onder controle kan houden. Omdat ik over dingen moet praten die absoluut taboe zijn op Pyrrus.

‘In de ogen van jouw mensen ben ik een zwakkeling, omdat ik niet van deze wereld kom. Maar besef dat dat ook mijn kracht is. Ik kan dingen zien die voor jou verborgen zijn door de lange gewenning. Je weet wel, het oude verhaal van door de bomen het bos niet meer kunnen zien.’

Kerk knikte instemmend en Jason ging verder. ‘Om de vergelijking voort te zetten, ik landde op een ruimteschip, en in het begin was alles wat ik kon zien het bos. Voor mij zijn enkele feiten heel duidelijk. Ik denk dat jullie ze ook wel kennen, maar jullie houden je gedachten zorgvuldig onderdrukt. Het zijn verborgen gedachten die volkomen taboe zijn. Ik ga je de grootste van die geheimen vertellen en ik hoop dat je jezelf genoeg onder controle hebt om me niet te vermoorden.’

Kerks grote handen sloten zich om de leuningen van de stoel, het enige teken dat hij het gehoord had. Jason sprak angstig, maar zijn woorden drongen even glad en gemakkelijk door als een lancet in hersenweefsel.

‘Ik geloof dat de mens de oorlog op Pyrrus aan het verliezen is. Na honderden jaren is dit de enige stad op de planeet — en die ligt half in puin. Alsof ze eens een grotere bevolking heeft gehad. Die stunt die we uithaalden om de scheepslading oorlogsmateriaal hierheen te krijgen was inderdaad een stunt. Het had evengoed kunnen mislukken. Als het mislukt was, wat zou er dan met de stad gebeurd zijn? Jullie wandelden op de brokkelende rand van een vulkaan en je wilt het niet toegeven.’

Iedere spier in Kerks lichaam was gespannen, terwijl hij stijf in zijn stoel zat, zijn gezicht bedekt met kleine druppeltjes zweet. Het kleinste duwtje te ver en hij zou exploderen. Jason zocht naar een manier om de spanning wat te verminderen.

‘Ik vind het niet leuk je deze dingen te vertellen. Ik doe het omdat ik er zeker van ben dat je ze al weet. Je kunt deze feiten niet onder ogen zien, omdat je dan zou moeten toegeven dat al dit vechten en doden absoluut van geen enkel nut is. Als de bevolking steeds minder wordt, dan is jullie vechten niets anders dan een bijzondere vorm van zelfmoord voor een heel volk. Je zou deze planeet kunnen verlaten, maar dat zou betekenen dat je je nederlaag toegaf. En ik weet dat Pyrranen de dood verkiezen boven de nederlaag.’

Toen Kerk half uit zijn stoel kwam stond Jason ook op, en schreeuwde zijn woorden door de mist van woede van de andere man heen.

‘Ik probeer je te helpen — begrijp je dat? Hou jezelf niet langer voor de gek, het is je dood. Op dit moment vechten jullie een strijd die al verloren is. Dit is geen echte oorlog, alleen maar een rampzalig behandelen van symptomen. Als het één voor één afhakken van verkankerde vingers. Het enige resultaat moet een algehele nederlaag zijn. Je staat jezelf niet toe om dat te beseffen. Daarom zou je me liever vermoorden dan me het onzegbare horen zeggen.’

Kerk was nu uit zijn stoel en hing over Jason heen als een toren des doods, op het punt te vallen. Hij werd alleen omhoog gehouden door de kracht van Jasons woorden.

‘Je moet beginnen de realiteit onder ogen te zien. Alles wat je kunt zien in een eeuwigdurende oorlog. Je moet beginnen in te zien dat je de oorzaken van deze oorlog kunt bestrijden en hem voor eeuwig beëindigen!’

De betekenis drong door en de schok van de woorden deed Kerks woede wegebben. Hij viel terug in de stoel, met een bijna koddige uitdrukking op zijn gezicht. ‘Wat bedoel je, verdomme? Je praat als een vuile vreter!’

Jason vroeg niet wat een vreter was, maar hij onthield het woord.

‘Je praat onzin,’ zei Kerk. ‘Dit is gewoon een vreemde wereld waartegen gevochten moet worden. De oorzaken zijn overduidelijke ervaringsfeiten.’

‘Nee, dat zijn ze niet,’ hield Jason vol. ‘Ga maar eens na: wanneer je een tijdje lang of kort van deze planeet bent weg geweest moet je een herhalingscursus volgen. Om te zien hoe alles slechter is geworden tijdens je afwezigheid. Nou, dat is een rechtlijnige progressie. Als de dingen erger worden, wanneer je de lijn doortrekt naar de toekomst, dan moeten ze beter gaan, wanneer je teruggaat in het verleden. Het is ook een goede theorie, hoewel ik niet weet of de feiten mijn bewering zullen staven. Om te zeggen dat als je ver genoeg teruggaat in het verleden, je een tijd zult bereiken, waarin de mens en Pyrrus niet met elkaar in oorlog waren.’

Kerk kon geen woord meer uitbrengen, kon alleen maar zitten luisteren, terwijl Jason de klappen van de onweerlegbare logica uitdeelde.

‘Er is bewijsmateriaal om deze theorie te steunen. Zelfs jij zult toegeven dat ik, hoewel ik niet opgewassen ben tegen het leven op Pyrrus, wel enige ervaring heb gekregen en alle Pyrraanse flora en fauna die ik gezien héb, hebben één ding gemeen: ze zijn niet functioneel. Niets van hun enorme wapenarsenaal wordt tegen elkaar gebruikt. Hun vergiften lijken niet te werken tegen Pyrrus zelf. Ze kunnen alleen maar de dood brengen aan Homo Sapiens en dat is concreet onmogelijk. In de driehonderd jaar dat de mens op deze planeet leeft, kunnen de levensvormen zich niet op een natuurlijke wijze zo aangepast hebben.’

‘Maar ze hebben het gedaan!’ brulde Kerk.

‘Je hebt gelijk,’ zei Jason kalm. ‘En als ze het dan gedaan hebben, moet er een of andere bemiddelende kracht aan het werk zijn. Hoe die werkt? Ik heb er geen idee van. Maar iets heeft veroorzaakt dat het leven op Pyrrus de oorlog heeft verklaard, en ik zou graag willen weten, wat dat iets is. Wat was de dominerende levensvorm op deze planeet toen je voorvaderen hier landden?’

‘Ik weet het absoluut niet,’ zei Kerk. ‘Je wilt toch niet zeggen dat er redelijke wezens op Pyrrus zijn, anders dan van menselijke afkomst? Wezens, die de planeet organiseren om tegen ons te vechten?’

‘Dat zeg ik niet. Dat doe jij. Dat betekent dat je het idee gekregen hebt. Ik heb er geen idee van wat deze verandering veroorzaakt heeft, maar ik zou het graag te weten komen en dan eens kijken of we het weer terug kunnen veranderen. Ik beloof natuurlijk niets, maar je zult toegeven dat het de moeite waard is om het te onderzoeken.’

Zijn vuist klapte in zijn handpalm, zijn zware voetstappen deden het gebouw schudden, terwijl Kerk de kamer op en neer liep. Hij vocht tegen zichzelf. Nieuwe ideeën vochten tegen oud geloof. Het was zo plotseling — en zo moeilijk om het niet te geloven.

Zonder toestemming te vragen, nam Jason wat gekoeld water uit de fles en zonk terug in zijn stoel, doodmoe. Er kwam iets binnen vliegen door het open raam en scheurde door het veiligheidsscherm. Kerk schoot het neer zonder in te houden, zonder zelfs maar te beseffen dat hij het gedaan had.

Het besluit was gauw genomen. Gewend om vlug te handelen vond de grote Pyrraan het onmogelijk om niet snel te besluiten. Het ijsberen hield op en hij keek Jason recht aan.

‘Ik zeg niet dat je me overtuigd hebt, maar ik kan onmogelijk een antwoord vinden op jouw argumenten. Dus tot ik dat vind, zullen we moeten doen alsof ze waar zijn. Wat ben je van plan te doen, wat kun je doen?’

Jason telde de punten af op zijn vingers. ‘Ten eerste heb ik een plaats nodig om te wonen en te werken, die goed beschermd is, zodat ik in plaats van al mijn energie te verbruiken met in leven te blijven, de gelegenheid heb om dit project te bestuderen. Ten tweede wil ik iemand hebben die me helpt, en die tegelijkertijd als mijn lijfwacht kan fungeren. En alsjeblieft iemand met een beetje wijdere belangstelling dan mijn huidige waakhond. Ik zou Meta als de meest geschikte persoon voor dit werk willen voorstellen.’

‘Meta?’ Kerk was verrast. ‘Zij is een ruimtepiloot en afweerschermbediener; wat kan zij voor goeds doen bij een dergelijk project?’

‘Al het goeds. Zij is op andere werelden geweest en kan haar gezichtspunt wijzigen, een beetje tenminste. En ze moet net zoveel weten over deze planeet als iedere andere volwassene met een opleiding, en iedere vraag die ik stel kunnen beantwoorden.’ Jason glimlachte. ‘Daarbij komt nog dat ze een knap meisje is, die ik graag in de buurt heb.’

Kerk knorde. ‘Ik vroeg me af of je die laatste reden ook nog zou noemen. Maar de andere zijn goed, dus ik zal ze niet tegenspreken. Ik zal een vervanger voor haar verzorgen en haar meteen hierheen sturen. Er zijn genoeg afgesloten gebouwen die je kunt gebruiken.’ Nadat hij met een van de assistenten van het kantoor gesproken had, voerde Kerk enkele gesprekken via het scherm. De juiste bevelen werden snel gegeven. Jason sloeg dit alles belangstellend gade.

‘Neem me maar niet kwalijk dat ik het vraag,’ zei hij tenslotte, ‘maar ben jij de dictator van deze planeet? Je knipt maar met je vingers en ze vliegen allemaal.’

‘Zo zal het wel lijken,’ gaf Kerk toe. ‘Maar dat is alleen maar schijn. Niemand is helemaal de baas op Pyrrus. Er is ook niets dat lijkt op een democratisch systeem. Uiteindelijk is onze hele bevolking niet groter dan een legerdivisie. Iedereen doet het werk waar hij het meest voor geschikt is. Verschillende activiteiten zijn verdeeld in afdelingen met de meest geschikte aan het hoofd. Ik leid de Coördinatie en Bevoorrading, wat zo ongeveer de meest losse groep is. We vullen de gaten tussen de afdelingen en behandelen de bevoorrading van buiten de planeet.’

Toen kwam Meta binnen en praatte tegen Kerk. Ze negeerde Jason volledig. ‘Ik werd afgelost en hierheen gestuurd,’ zei ze. ‘Wat is er? Een verandering in het vliegschema?’

‘Zo zou je het kunnen noemen,’ zei Kerk, ‘want van nu af aan ben je ontheven van al je oude functies en aangesteld bij een nieuwe afdeling. Onderzoek en Research. Die vermoeid kijkende meneer hier is je afdelingschef.’

‘Gevoel voor humor,’ zei Jason, ‘het eerste dat van Pyrrus zelf komt. Gefeliciteerd. Er is nog hoop voor de planeet.’

Meta keek van de een naar de ander. ‘Ik begrijp het niet, ik kan het niet geloven. Ik bedoel, een nieuwe afdeling, waarom?’ Ze was zenuwachtig en van streek.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Kerk. ‘Het was niet mijn bedoeling om wreed te zijn. Ik dacht misschien dat je je meer op je gemak zou voelen. Wat ik zei was waar. Jason heeft iets, heeft misschien iets, dat van enorme waarde is voor Pyrrus. Wil je hem helpen?’

Meta kreeg haar zelfbeheersing terug. En een beetje woede.

‘Moet ik dat? Is dat een bevel? Je weet dat ik werk te doen heb. Ik ben er zeker van dat je beseft dat dat belangrijker is dan iemand die niet van deze planeet komt, zich zou kunnen voorstellen. Hij kan het niet goed begrijpen. ..’

‘Ja, het is een bevel.’ Het korte was terug in Kerks stem. Meta kreeg een kleur.

‘Misschien kan ik het uitleggen,’ onderbrak Jason. ‘Per slot van rekening is het hele geval mijn idee. Maar eerst zou ik graag je medewerking willen hebben. Zou je de patroonhouder uit je revolver willen halen, en die aan Kerk geven?’

Meta keek bang, maar Kerk knikte bevestigend. ‘Voor een paar minuten maar, Meta. Ik heb mijn revolver, dus je bent veilig. Ik geloof dat ik weet wat Jason denkt, en uit eigen ervaring ben ik bang dat hij gelijk heeft.’

Met tegenzin gaf Meta de houder en haalde de revolver leeg. Pas daarna begon Jason zijn uitleg.

‘Ik heb een theorie over het leven op Pyrrus, en ik ben bang dat ik een paar illusies moet verstoren bij mijn uitleg. Om te beginnen moet het feit worden toegegeven dat jullie de oorlog hier langzaam aan het verliezen zijn, en uiteindelijk vernietigd zullen worden ..’

Voordat hij halverwege was was Meta’s revolver tussen zijn ogen gericht en trok zij wild aan de trekker. Er was slechts haat en afkeer in haar uitdrukking. Het was voor haar de meest verschrikkelijke gedachte die er bestond. Dat deze oorlog waar zij allen hun leven voor opofferden al verloren was.

Kerk greep haar bij de schouders en zette haar in zijn stoel voordat er iets ergs kon gebeuren. Het duurde een tijdje voordat zij kalm genoeg was om naar Jason te luisteren. Alleen het feit dat zij iets van andere werelden gezien had, stelde haar in staat om überhaupt te luisteren.

Het licht van redeloosheid scheen nog steeds in haar ogen toen hij uitgesproken was en hij haar de dingen verteld had, die hij met Kerk had besproken. Ze zat gespannen tegen Kerks handen aangedrukt, alsof die het enige waren om haar ervan te weerhouden om Jason aan te vallen.

‘Misschien is dit te veel om in een keer te bevatten,’ zei Jason. ‘Laten we het daarom in eenvoudiger bewoordingen zeggen. Ik geloof dat we een oorzaak kunnen vinden voor deze meedogenloze haat voor de mens. Misschien ruiken we wel niet lekker. Misschien vind ik een zalfje uit van geperste Pyrraanse luizen, dat ons immuum maakt als we ons daarmee insmeren. Dat weet ik nog niet. Maar wat het resultaat ook is, we moeten het onderzoeken. Kerk is dat met mij eens.’

Meta keek naar Kerk en die knikte van ja. Haar schouders zakten omlaag in een plotselinge verslagenheid. Zij fluisterde de woorden.

‘Ik ... kan niet zeggen dat ik het ermee eens ‘ben, of zelfs maar begrijp wat je allemaal gezegd hebt. Maar ik zal je helpen, als Kerk denkt dat het goed is.’

‘Dat doe ik,’ zei hij. ‘Wil je nu de patronen terug? Ben je niet meer van plan op Jason te schieten?’

‘Dat was dom van me,’ zei ze koud, terwijl ze haar revolver weer laadde. ‘Ik heb geen revolver nodig. Als ik hem moet doden, kan ik het wel met mijn blote handen.’

‘Ik hou ook van jou,’ glimlachte Jason beminnelijk. ‘Ben je nu bereid om mee te gaan?’

‘Natuurlijk.’ Ze veegde een los krulletje op zijn plaats. ‘Allereerst moeten we een plaats zoeken waar je kunt werken. Daar zal ik voor zorgen. Daarna kun je aan de gang met je nieuwe afdeling.’

10

Ze liepen in een ijzige stilte naar beneden. Op straat schoot Meta een steekvleugel neer, die hen onmogelijk aangevallen kon hebben. Er was een boosaardig plezier bij de daad. Jason besloot haar niet te berispen over het verspillen van munitie. Liever de vogel dan hij.

Er waren lege kamers in een van de computergebouwen. Deze waren volkomen beveiligd, om loslopend gedierte uit de kwetsbare machinerieën te houden. Terwijl Meta een matras haalde uit een van de magazijnen, sleepte Jason met grote moeite een bureau, een tafel en stoelen aan uit een naburig leeg kantoor. Toen ze terugkwam met een opblaasbed ging hij er meteen op liggen met een dankbare zucht. Haar mond krulde een beetje vanwege zijn duidelijke zwakte.

‘Wen maar gauw aan dit beeld,’ zei hij. ‘Ik ben van plan zo veel mogelijk in horizontale positie te doen, en jij bent mijn sterke rechterhand. En nu, Rechterhand, zou ik graag willen dat je iets eetbaars voor me opscharrelde. Ik ben ook van plan mijn voedsel zo veel mogelijk in de eerder genoemde positie te nuttigen.’

Snuivend van verachting stampte Meta naar buiten. Terwijl ze weg was kauwde Jason in gedachten op het uiteinde van een pen en maakte toen voorzichtig een paar aantekeningen. Nadat zij het bijna smakeloze voedsel opgegeten hadden, begon hij het onderzoek.

‘Meta,waar kan ik het historisch archief van Pyrrus vinden? Het geeft niet wat voor informatie over de eerste jaren van de pioniers op deze planeet.’

‘Daar heb ik nog nooit van gehoord. Ik zou niet weten . ..’

‘Maar er moet iets zijn, ergens,’ hield hij vol. ‘Ook al besteedt jullie huidige cultuur al haar tijd en energie aan overleven. Je kunt erop rekenen dat dat niet altijd zo geweest is. De hele tijd van de ontwikkeling maakten de mensen aantekeningen en hielden ze staten bij. Waar vinden we die? Hebben jullie een bibliotheek hier?’

‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘We hebben een buitengewoon goede technische bibliotheek. Maar ik weet zeker dat daar niets van dat soort dingen te vinden is.’

Jason probeerde niet te kreunen en stond op. ‘Laat mij dat maar beoordelen, wijs jij me de weg maar.’

De bibliotheek werkte volautomatisch. Een geprojecteerde index gaf het volgnummer voor iedere tekst die nageslagen moest worden. De band werd afgeleverd op het uitleenbureau binnen dertig seconden nadat het nummer geponst was. Teruggebrachte bandjes werden op een jacobsladder gegooid en automatisch weer op hun plaats gezet. Het mechanisme werkte gesmeerd.

‘Fantastisch,’ zei Jason, terwijl hij bij de index vandaan schoof. ‘Een eerbewijs aan technisch vernuft. Alleen zit er niets van waarde voor ons in. Het zijn alleen maar rekken vol leerspoelen.’

‘Wat zou er anders nog in een bibliotheek moeten zijn?’ vroeg Meta oprecht verwonderd.

Jason wilde het haar uitleggen, maar bedacht zich. ‘Daar zullen we het later nog wel eens over hebben,’ zei hij. ‘Veel later. Nu moeten we een beginnetje vinden. Is het mogelijk dat er een paar bandjes zijn, of misschien wel gedrukte boeken, die niet in deze machine geregistreerd zijn?’

‘Het lijkt onwaarschijnlijk, maar we kunnen het Poli vragen. Hij woont hier ergens en heeft de leiding over de bibliotheek. Hij registreert nieuwe boeken en verzorgt de machine.’

De enige deur die toegang gaf tot de rest van het gebouw was gesloten, en geen bonzen was voldoende om de oppasser te wekken.

‘Als hij nog leeft, moet dit wel werken,’ zei Jason. Hij drukte op de buitendienst-knop op het controlepaneel. Het had het gewenste effect. Binnen vijf minuten ging de deur open en sleepte Poli zich naar buiten.

De dood kwam meestal snel op Pyrrus. Als de verwondingen een man traag maakten, deden de altijd klaarstaande krachten van vernietiging gauw de rest. Poli was een uitzondering op deze regel. Wat hem ook aangevallen mocht hebben, het had zijn werk goed gedaan. Het grootste deel van zijn onderkaak was verdwenen. Zijn linkerarm was lam en onbruikbaar. De schade aan zijn lichaam en benen liet hem ternauwernood de mogelijkheid om van de ene plaats naar de andere te strompelen.

Niettemin had hij nog een goede arm en ook zijn beide ogen. Hij kon in de bibliotheek werken en een gezonde man vervangen. Hoe lang hij de nutteloze klomp lichaam al door het gebouw rondsleepte, wist niemand. Ondanks de pijn die zijn roodomrande vochtige ogen vulde, was hij blijven leven, werd hij ouder, ouder dan welke Pyrraan Jason ook maar had gezien. Hij strompelde naar voren en zette de alarmbel die hem geroepen had af.

Toen Jason het begon uit te leggen, luisterde de oude niet. Pas toen de bibliothecaris een hoorapparaatje uit zijn jas te voorschijn had gehaald, begreep Jason dat hij ook nog doof was. Jason legde opnieuw uit waar hij naar zocht. Poli knikte en schreef zijn antwoord op een blocnote. Er zijn een heleboel boeken in de magazijnen beneden. Het grootste deel van het gebouw werd in beslag genomen door het automatische archief en sorteerapparaat. Langzaam bewogen ze langs de batterijen machines achter de kreupele bibliothecaris aan naar een gesloten deur in de achterkant. Hij wees ernaar. Terwijl Jason en Meta uit alle macht probeerden de vastgeroeste deur open te krijgen, schreef hij weer iets op zijn blok.

Jaren niet open geweest. Ratten.

Jasons en Meta’s revolver kwamen als bij reflex in hun handen toen zij het lazen. Jason slaagde er in zijn eentje in de deur open te krijgen. De twee geboren Pyrranen stonden met hun gezicht naar het open gat. Het was maar goed dat zij dat deden. Jason had het nooit in zijn eentje klaargespeeld tegen wat er door die deur kwam. Hij maakte hem zelfs niet helemaal alleen open. De geluiden die ze op de deur hadden gemaakt moesten al het gespuis onder het gebouw hebben aangetrokken. Jason had de laatste grendel weggeduwd en begon aan de kruk te trekken — toen de deur van de andere kant werd opengeduwd.

Open de poort naar de hel en kijk eens wat eruit komt. Meta en Poli stonden schouder aan schouder in de walgelijke massa te vuren, die door de deur naar buiten stroomde. Jason sprong aan de kant en maaide de beesten neer die zijn kant op kwamen. De vernietiging leek eeuwig door te gaan. Minuten gingen voorbij voordat het laatste geklauwde beest zijn eind had gevonden. Meta en Poli wachtten of er nog meer kwam; zij waren opgewonden en verheugd over deze kans om ze te vernietigen. Jason voelde zich een beetje misselijk na de stille, woeste aanval. Een woestheid die de Pyrranen beantwoordden. Hij zag een haal op Meta’s gezicht waar een van de beesten haar geraakt had. Zij leek het niet te merken. Jason haalde zijn medidoosje te voorschijn en liep om de stapel krengen heen. In het midden bewoog er iets en krakend ploegde er een schot doorheen. Toen was hij bij het meisje en drukte de analysatorsonden tegen de wond. De machine klikte en Meta maakte een sprongetje toen de tegengifnaald toestak. Voor het eerst merkte zij wat Jason deed.

‘Dank je, ik had het niet gemerkt,’ zei ze. ‘Er waren er zoveel, en ze kwamen er zo vlug uit.’

Poli had een sterke batterijlamp en als bij stilzwijgende afspraak droeg Jason die. Kreupel als hij was, de oude man was nog steeds een Pyrraan wanneer het erom ging een pistool vast te houden. Langzaam zochten ze hun weg langs de met afval beladen trap.

‘Wat een stank!’ zei Jason met een vies gezicht. ‘Zonder die filterdopjes in mijn neus, denk ik dat alleen de stank al te veel voor me zou zijn.’

Er schoot iets tot binnen de lichtstraal en een schot maakte er midden in de lucht een eind aan. De ratten waren hier een hele tijd geweest en stelden hun komst niet op prijs. Aan de voet van de trap keken zij rond. Er waren boeken en bandjes geweest. Zij waren systematisch opgevreten en vernietigd gedurende tientallen jaren.

‘Dat mag ik graag zien, zoals je op je ouwe boeken past,’ zei Jason vol afschuw. ‘Help me eraan herinneren er geen een aan je uit te lenen.’

‘Zij hadden van geen enkel belang kunnen zijn,’ zei Meta koel, ‘of ze zouden wel netjes in de bibliotheek boven opgeborgen zijn.’

Jason wandelde somber door de kamers. Er was niets van waarde overgebleven. Stukken en brokken beschreven en gedrukt papier. Nooit genoeg op één plaats om de moeite van het bij elkaar zoeken waard te zijn. Met de punt van zijn gepantserde laars trapte hij kwaad tegen een hoop rommel, bereid het op te geven. Er was een glinstering van roestig metaal onder het vuil.

‘Hou dit vast!’ Hij gaf de lamp aan Meta en, het gevaar voor een ogenblik vergetend, begon hij de troep opzij te krabben. Een platte metalen doos met een nummerslot werd blootgelegd.

‘Kijk nou, een logboekdoos,’ zei Meta verrast.

‘Dat dacht ik ook,’ zei Jason. ‘En als dat zo is hebben we misschien toch nog geluk gehad.’

11

Toen zij de kelder weer afgedicht hadden droegen zij de doos naar Jasons nieuwe kantoor. Pas nadat ze hem hadden bespoten met desinfecterende vloeistof, bekeken ze hem van dichtbij. Meta zag iets gegraveerd op het deksel.

R.T. POLLUX VICTORY — dat moet de naam van het ruimteschip zijn waar dit logboek vandaan komt. Maar ik ken de klasse niet, of wat dat dan ook mag betekenen, ‘R.T.’

‘Ruimte Transport,’ zei Jason, terwijl hij het mechanisme van het slot onderzocht. ‘Ik heb ervan gehoord, maar ik heb er nooit een gezien. Ze werden gebouwd tijdens de laatste expansiegolf in de ruimte. Eigenlijk alleen maar reusachtige metalen kokers die in de ruimte in elkaar werden gezet. Nadat zij volgeladen waren met mensen, machinerieën en voorraden, werden ze weggesleept naar het planetenstelsel dat hun bestemming was. Dezelfde slepers en éénmalige raketten remden de R.T.’s af voor een landing. En dan lieten ze ze achter. De romp was een kant en klare ijzermijn en de kolonisten konden meteen beginnen te bouwen op hun nieuwe wereld. En ze waren groot. Er gingen in allemaal op zijn minst vijftigduizend mensen.’

Pas toen hij dat gezegd had, besefte hij welke uitwerking zijn woorden hadden. Meta’s dodelijke blik maakte dat duidelijk. Er waren nu minder mensen op Pyrrus dan er in de oorspronkelijke nederzetting geweest waren. En een menselijke bevolking zonder strenge geboorteregeling groeide meestal meetkundig aan. Jason herinnerde zich Meta’s overgevoelige trekkervinger.

‘Maar we weten helemaal niet zeker hoeveel mensen er op dit schip aan boord waren,’ zei hij haastig. ‘Of zelfs maar dat dit het logboek is van het schip dat op Pyrrus is neergezet. Kun je iets vinden om dit open te wrikken? Het slot is volkomen verroest.’

Meta leefde haar woede uit op de doos. Haar vingers kregen het voor elkaar wat ruimte te maken tussen het deksel en de doos. Zij wrikte en trok. Roestig metaal kraakte en scheurde. Het deksel schoot los in haar handen en een zwaar boek tuimelde op de tafel. De omslagtekst sloot alle twijfel uit.

LOGBOEK R. T. POLLUX VICTORY. HEENREIS SETANI NAAR PYRRUS. 55.000 KOLONISTEN AAN BOORD.

Meta kon nu niet meer tegenspreken. Zij stond met gebalde vuisten achter Jason en las over zijn schouder mee, terwijl hij de brosse gele bladzijden omsloeg. Hij werkte zich snel door het begin heen, dat de voorbereidingen voor de vlucht en de vlucht zelf betrof. Pas toen hij bij de eigenlijke landing was gekomen begon hij langzaam te lezen. De draagwijdte van de oude woorden overviel hem.

‘Hier heb je het!’ schreeuwde Jason. ‘Het positieve bewijs dat we op het goeie spoor zijn. Zelfs jij zult dat moeten toegeven. Lees maar, hier staat het.

... tweede dag dat de slepers weg zijn, we zijn nu helemaal op ons zelf aangewezen. De kolonisten zijn nog steeds niet aan de planeet gewend, hoewel we iedere avond oriëntatiegesprekken hebben. Ook de moreel-werkers die ik twintig uur per dag laat werken. Ik geloof dat ik de mensen eigenlijk de schuld niet kan geven, zij hebben allemaal in de onderstraten van Setani gewoond, en ik betwijfel of zij één keer per jaar de zon zagen. Deze planeet heeft een verschrikkelijk weer, erger dan ik ooit op honderd andere planeten gezien heb. Had ik het verkeerd om er bij de oorspronkelijke planning niet op te staan om kolonisten uit een van de landbouwwerelden te nemen? Mensen die aan het buitenleven gewend waren. Deze verstedelijkte Setanïers zijn bang om de regen in te gaan. Maar natuurlijk hebben zij zich volkomen aangepast aan hun eigen 1,5 G zwaartekracht, dus de 2 G doet hun niet zoveel. Dat was de doorslaggevende factor. In ieder geval, het is nu te laat om er nog wat aan te doen. Of aan de eeuwige kringloop van regen, sneeuw, hagel, wervelstormen enzovoort. Het antwoord zal zijn dat ze de mijnen op gang brengen, het metaal verkopen en volkomen gesloten steden bouwen. Het enige op deze ellendige planeet dat niet tegen ons is zijn de dieren. Een paar grote roofdieren in het begin, maar de wachters maakten korte metten met ze. De rest van het dierenleven laat ons met rust. Daar ben ik blij om! Ze hebben zolang voor het bestaan gevochten, dat ik nooit een dodelijker verzameling heb gezien. Zelfs de kleine knaagdiertjes, niet groter dan een hand zijn gepantserd als tanks —

‘Ik geloof er geen woord van,’ onderbrak Meta. ‘Dat kan Pyrrus niet zijn waar hij over schrijft.’ Haar woorden stierven weg toen Jason zwijgend op de omslagtitel wees. Hij sloeg de bladzijden verder om, snel en oplettend. Een zin trok zijn aandacht en hij stopte. Hij zette zijn vinger op deze plaats en las hardop.

.... en de moeilijkheden blijven komen. Eerst Har Palo met zijn theorie dat het vulkanisme zo dicht aan de oppervlakte ligt dat de grond warm blijft en de gewassen goed groeien. Zelfs als hij gelijk heeft — wat kunnen we dan doen? En dan dat andere. Het schijnt dat de bosbrand een heleboel nieuwe soorten dieren in onze richting heeft gedreven. Beesten, insecten en zelfs vogels hebben de mensen aangevallen. (Noot voor Har: ga na of een periodieke trek de aanvallen misschien kan verklaren). Er zijn veertien sterfgevallen door verwondingen en vergiftigingen. We moeten de regels voor het gebruiken van insectenlotion strenger maken. En, geloof ik, een soort verdedigingsommuring bouwen om de grotere dieren buiten het kamp te houden.

‘Dat is het begin’, zei Jason. ‘Nu kennen we tenminste de ware aard van de strijd waarin we gewikkeld zijn. Het maakt Pyrrus niet makkelijker te hanteren, of de levensvormen minder gevaarlijk, te weten dat ze eens de mens vriendelijker gezind waren. Het enige wat dit doet is ons de weg wijzen. Iets nam bezit van de vreedzame levensvormen, zette ze in beweging en veranderde deze planeet in een grote dodelijke valkuil voor de mens. Dat iets is wat ik wil ontdekken.’

12

Het verder lezen van het logboek leverde geen nieuw bewijsmateriaal op. Er was nog veel meer informatie over het vroegere dieren- en plantenleven en hoe dodelijk zij waren, en ook de eerste verdedigingsmaatregelen. Historisch van belang, maar volkomen nutteloos voor het keren van de dreiging. Het kwam kennelijk nooit in de kapitein op dat de levensvormen op Pyrrus zich wijzigden, in plaats daarvan geloofde hij dat er steeds nieuwe gevaarlijke beesten werden ontdekt. Hij beleefde het niet meer dat hij de waarheid kende. Het laatste hoofdstuk in het logboek, minder dan twee maanden na de eerste aanval, was erg kort. En in een ander handschrift.

Kapitein Kurkowski is vandaag overleden, een vergiftiging door een insectenbeet. Zijn dood wordt zeer betreurd. Het ‘waarom’ van de afkeer van de planeet moest nog ontsluierd worden.

‘Kerk moet dit boek zien,’ zei Jason. ‘Hij moet enig idee hebben van de vooruitgang die we maken. Kunnen we transport krijgen — of lopen we naar het stadhuis?’

‘Lopen natuurlijk,’ zei Meta.

‘Dan draag jij het boek maar. Bij 2 G vind ik het moeilijk om een heer te zijn en de pakjes te dragen.’

Zij waren net Kerks kantoor binnen toen er een schril geschreeuw uit het visi-scherm kwam. Het kostte Jason een paar seconden om te beseffen dat het een mechanisch signaal was, geen menselijke stem.

‘Wat betekent dat?’ vroeg hij.

Kerk kwam de deur uithollen en ging op de ingang af. Ieder ander in het kantoor ging dezelfde weg. Meta keek verward, wilde ook naar de deur, keek dan om naar Jason.

‘Wat betekent het? Kun je ’t me niet vertellen?’ Hij schudde aan haar arm.

‘Sector alarm. Een zware doorbraak van het een of ander in de ommuring. Iedereen behalve andere ommuringswachters moet erheen.’

‘Nou, ga dan,’ zei hij. ‘Maak je geen zorgen om mij. Ik red me wel.’

Zijn woorden hadden de uitwerking van het overhalen van een trekker. Meta had haar wapen in haar hand en was weg voordat hij uitgesproken was. Jason ging moe in het verlaten kantoor zitten.

De onnatuurlijke stilte in het gebouw begon op zijn zenuwen te werken. Hij schoof zijn stoel naar het visi-scherm en draaide het op ontvangst. Het scherm flitste op in kleur en geluid. In het begin kon Jason er helemaal geen wijs uit worden. Een warrige hoop gezichten en stemmen. Het was een meerkanalentoestel voor militair gebruik. Meerdere beelden tegelijk waren op het scherm te zien, rijen hoofden of wazige achtergronden waar de gebruiker het gezichtsveld had verlaten. Veel van de hoofden praatten tegelijkertijd en het geroezemoes van hun stemmen was de grootste onzin. Nadat hij de knoppen onderzocht had en een paar experimenten had gedaan, begon Jason de werking te begrijpen. Hoewel alle stations steeds op het scherm kwamen, konden hun geluidskanalen bestuurd worden. Op die manier konden twee, drie of meer stations samengevoegd worden tot een gesloten circuit, waarbij zij in een ronde-tafelverbinding stonden met elkaar, maar toch nooit het contact zouden verliezen met de andere stations.

Identificatie tussen stem en geluid ging automatisch. Als er een van de figuren op het scherm sprak, werd deze figuur rood. Na veel geprobeer kreeg Jason het geluid van de stations die hij wilde en trachtte het verloop van de aanval te volgen.

Al heel gauw begreep hij dat dit niet iets gewoons was. Op de een of andere manier, niemand vertelde hoe precies, was een sectie van de ommuring doorbroken en er moesten hulptroepen heen om het gat in te kapselen. Kerk scheen de leiding te hebben, hij was tenminste de enige met een draagbare zend-ontvanger. Hij gebruikte hem voor algemene bevelen. De vele kleine figuurtjes verdwenen en zijn gezicht verscheen eroverheen en vulde het hele scherm.

‘Alle ringmuurstations. Stuur vijfentwintig procent van jullie aanvullingen naar Gebied 12.’

De kleine figuurtjes kwamen weer terug en het geroezemoes werd sterker. Rode lichtjes flikkerden van gezicht naar gezicht.

‘... verlaten de eerste verdieping, de chemische bommen vallen buiten schootsafstand.’

‘Als we het houden, zullen we afgesloten zitten, maar de voorhoede is ons voorbij op de westelijke flank. Vragen bijstand.’

‘NIET DOEN MERVV — HET HEEFT GEEN ZIN!’

‘... en de napalmtanks zijn bijna leeg. Bevelen?’

‘De truck is er nog steeds, breng hem naar het Bevo-magazijn, daar zijn nieuwe voorraden.

Van de waterval van gepraat begreep hij alleen de laatste twee brokstukken. Jason had de bordjes beneden gezien toen hij binnenkwam. De eerste twee verdiepingen van dit gebouw stonden volgestouwd met militaire voorraden. Dit was zijn kans om mee te doen.

Alleen maar zitten kijken was om wat van te krijgen. Vooral wanneer het een wanhopige noodtoestand was. Hij overschatte zijn waarde niet, maar hij was er zeker van dat er altijd plaats was voor nog een ploffer. Tegen de tijd dat hij zich naar de straat omlaag had gesleept, was er een turbotruck aan komen gieren tot vlak voor het laadplateau. Twee Pyrranen rolden vaten napalm naar buiten met een roekeloos negeren van hun eigen veiligheid. Jason durfde deze maalstroom van rollend metaal niet te naderen. Hij merkte dat hij zich nuttig kon maken door de zware vaten op hun plaats te zetten op de truck, terwijl de anderen ze erop rolden. Zij accepteerden zijn hulp zonder te bedanken.

Het was vermoeiend, zweterig werk, de loodzware vaten op hun plaats te zetten bij de grote zwaartekracht. Na een tijdje werkte Jason op de tast, door een rood waas van kloppend bloed. Hij merkte pas dat het werk klaar was toen de truck plotseling vooruitschoot en hij tegen de vloer smakte.

Daar lag hij, met zwoegende longen. Terwijl de bestuurder het zware voertuig voortzweepte, was het enige dat Jason kon doen op de vloer in het rond stuiteren. Hij kon goed genoeg zien, maar hapte nog steeds naar adem toen zij afremden in de gevechtszone.

Voor Jason was het een toneel van ongelooflijke verwarring. Vurende geweren, vlammen, mannen en vrouwen die alle kanten uit holden. De vaten napalm werden zonder zijn hulp uitgeladen en de truck verdween om nog meer te halen. Jason leunde tegen een muur van een half verwoest gebouw en probeerde zich te oriënteren. Het was onmogelijk. Er schenen een heleboel kleine dieren te zijn; hij schoot er twee neer die hem aanvielen. Verder kon hij de aard van de slag niet bepalen.

Een Pyrraan, gebruind gezicht, nu wit van pijn en inspanning, strompelde in zijn richting. Zijn rechterarm, nat van druppend bloed en rauw vlees, hing lam langs zijn zij. Het was bedekt met pas aangebracht chirurgisch schuim. Hij hield zijn ploffer in zijn linkerhand, een eindje controlekabel bungelde eraan. Jason dacht dat de man medische hulp zocht. Hij had het helemaal verkeerd.

De Pyrraan klemde zijn revolver tussen zijn tanden, greep een vat met napalm met zijn goede hand en gooide het om. Toen, met zijn pistool weer in zijn hand, begon hij het vat met zijn voeten over de grond te rollen. Het was een langzaam, omslachtig werk, maar hij vocht nog steeds mee. Jason drukte zich door de haastige menigte en boog zich over het vat.

‘Laat mij het doen,’ zei hij. ‘Jij kunt ons tweeën dekken met je ploffer.’

De man veegde het zweet uit zijn ogen met de rug van zijn hand, en grijnsde tegen Jason. Hij scheen hem te herkennen. Maar de grijns was een grimas van pijn, zonder humor.

‘Doe dat, ik kan nog steeds schieten.’ Twee halve mannen, misschien zijn we samen een hele.’ Jason was te hard aan het werk om de belediging zelfs maar te horen. Een explosie had een grote kuil in de volgende straat geslagen.

Twee mannen waren op de bodem bezig hem nog dieper uit te scheppen. Het hele gedoe leek zinloos. Net toen Jason en de gewonde man met het vat kwamen aanrollen, sprongen de scheppers uit de kuil en begonnen erin te schieten. Een van hen keerde zich om, het was een jong meisje, nauwelijks een tiener.

‘Loof de ommuring!’ hijgde ze. ‘Ze hebben de napalm gevonden. Een van de nieuwe verschrikkingen is bezig door Gebied 13 te breken, we hebben het net gevonden.’ En onder het praten draaide ze het vat opzij, sloeg de stop eruit en begon de ijskoude inhoud in het gat te gieten. Toen de helft naar beneden gegorgeld was gooide ze het vat er helemaal in. Haar metgezel trok een fakkel uit zijn gordel, stak hem aan en gooide deze achter het vat aan.

‘Snel achteruit. Zij houden niet van hitte,’ zei hij.

Dit was erg zacht gezegd. De napalm vatte vlam, vuurtongen en wolkende, vettige rook klommen naar de lucht. Onder Jasons voeten rolde en trilde de aarde. Een zwart en lang iets bewoog midden in de vuurhaard en kromde zich omhoog in de lucht boven hun hoofd. Midden in die verzengende hitte bleef het nog steeds bewegen met vreemde schokkende bewegingen. Het was reusachtig, minstens twee meter dik en van een onafzienbare lengte. De vlammen hielden het niet tegen, ze hinderden het alleen maar. Jason kreeg enig idee van de lengte van het ding, toen de straat over een lengte van vijftig meter aan beide kanten van het gat openbarstte en brak. Grote kronkels van het wezen kwamen uit de grond te voorschijn. Hij schoot zijn pistool af, net als de anderen. Niet dat het enig effect scheen te hebben. Steeds meer mensen kwamen erbij, uitgerust met een grote afwisseling wapens. Vlammenwerpers en granaten leken het meeste effect te hebben.

‘Ontruim het gebied, we gaan het verzadigen. Terugtrekken.’

De stem was zo luid dat het pijn deed in Jasons oren. Hij keerde zich om en herkende Kerk die met truckladingen uitrusting gekomen was. Hij had een luidspreker op zijn rug, de microfoon hing voor zijn mond. Zijn versterkte stem veroorzaakte een onmiddellijke reactie bij de mensen. Zij kwamen in beweging. Jason twijfelde er nog steeds over wat hij moest doen. Ontruim het gebied. Maar welk gebied? Hij liep naar Kerk toe voordat hij merkte dat de rest van de Pyrranen in de andere richting gingen. Zelfs bij de dubbele zwaartekracht bewogen zij.

Jason had het naakte gevoel alleen op het toneel te staan. Hij bevond zich in het midden van de straat en de anderen waren verdwenen. Er was niemand meer. Op de gewonde man na die Jason had geholpen. Hij strompelde naar Jason toe, zwaaiend met zijn gezonde arm. Jason kon niet verstaan wat hij zei. Kerk schreeuwde opnieuw bevelen van een van de trucks. Ook die waren in beweging gekomen. De nood begon te dringen en Jason begon te rennen. Het was te laat. Aan alle kanten begon de aarde te bobbelen en te scheuren, terwijl nog meer kronkelingen van het ondergrondse ding aan het licht kwamen. Daarginds was hij veilig. Alleen ervoor rees een berg van vuil en grijs. Er zijn seconden die een eeuwigheid lijken te duren. Een moment van subjectieve tijd dat vastgegrepen is en uitgerekt tot een oneindige afstand. Dit was een van die momenten. Jason stond als bevroren. Zelfs de rook in de lucht hing onbeweeglijk. De hele hoge kronkelmassa onbekend leven was voor hem, ieder detail doordringend duidelijk.

Mansdik, gerimpeld en grauw als oude boombast. Dunne twijgen staken er aan alle kanten uit, bleke gedraaide staken die langzaam kronkelden met een slangachtig leven. De vorm van een plant en de bewegingen van een dier. En scheurend en splijtend, dat was het ergste.

Groeven en gaten verschenen. Splinterende gapende muilen, die een horde bleke beesten uitbraakten. Jason hoorde hun gekrijs, schril en toch ver. Hij zag de naaldachtige tanden rond hun kaken.

De verlamming van het onbekende hield hem daar vast. Hij had dood moeten zijn. Kerk donderde tegen hem door de luidspreker, anderen vuurden in het aanvallende gevaarte. Jason wist niet wat te doen.

Dan schoot hij naar voren, vooruit geduwd door een keiharde schouder. De gewonde man was er nog steeds, hij probeerde Jason in veiligheid te krijgen. Met de revolver tussen zijn tanden, sleepte hij Jason voort met zijn goede arm. In de richting van het ding. De anderen staakten het vuren. Zij zagen wat hij van plan was en het was een goed plan.

Een kronkeling van het ding kromde in de lucht en liet een opening tussen zijn lichaam en de grond. De gewonde Pyrraan plantte zijn voeten stevig neer en spande zijn spieren. Met één hand, met één enkele duw tilde hij Jason van de grond en gooide hem al buitelend onder de levende boog door. Bewegende twijgen veegden vlammen langs zijn gezicht, toen was hij erdoor, om en om rollend over de grond. De gewonde Pyrraan sprong achter hem aan. Het was te laat. Er was voor één man een kans om eruit te komen. De Pyrraan had het makkelijk gehaald — maar in plaats daarvan had hij Jason er het eerst doorgeduwd. Het ding had de beweging gevoeld toen Jason langs de twijgen schuurde. Hij liet zich vallen en ving de gewonde man onder zijn gewicht. Hij verdween uit het gezicht, terwijl de twijgen zich om hem heen slingerden, en de dieren over hem heen zwermden. Zijn trekker moest wel automatisch afgesteld zijn, want de revolver bleef nog een hele tijd schieten, nadat hij al dood had moeten zijn.

Jason kroop verder. Een paar van de beesten met giftanden kwamen op hem af, maar werden neergeschoten. Hij merkte er niets van. Toen grepen ruwe handen hem vast en trokken hem naar voren. Hij smakte in de richting van een truck en Kerks gezicht was vlak voor het zijne, rood van woede. Een van de reuzenvuisten greep Jasons kleren van voren en hij werd op zijn voeten gezet en door elkaar geschud als een voddebaal. Hij protesteerde niet en zou het zelfs niet gekund hebben, al had Kerk hem vermoord.

Toen hij op de grond was gegooid tilde iemand hem op en schoof hem in het achterste gedeelte van de truck. Hij verloor zijn bewustzijn niet toen de truck wegbonsde, hij kon zich alleen niet bewegen. De vermoeidheid zou zo meteen overgaan en hij zou gaan zitten. Dat was alles, alleen een beetje moe. En terwijl hij dat dacht, verloor hij zijn bewustzijn.

13

‘Net als vroeger,’ zei Jason, toen Brucco de kamer in kwam met een schaal voedsel. Zonder een woord gaf Brucco Jason zijn eten en ook de gewonde mannen in de andere bedden en ging weer weg. ‘Dank je wel,’ riep Jason tegen zijn rug. Een grapje, een grijns, als van ouds. Zeker. Maar zelfs terwijl hij grinnikte en zijn lippen het grapje vorm gaven, voelde Jason het als een vernisje aan de buitenkant. Iets dat er op gepleisterd zat, met een eigen leven. Van binnen was hij verdoofd en onbeweeglijk. Zijn lichaam was stijf terwijl zijn ogen nog steeds naar die onbekende berg van vlees keken, die neerdaalde en de eenarmige Pyrraan met zijn miljoenen brandende vingers smoorde.

Hij kon zichzelf onder die berg voelen. Had tenslotte de gewonde man niet zijn plaats ingenomen? Hij beëindigde zijn maal zonder te beseffen dat hij at.

Vanaf de ochtend dat hij bij kennis kwam was het zo geweest. Hij wist dat hij de dood had moeten vinden in die geweldige strijd in de straat. Zijn leven had uitgeblazen moeten worden om zijn foutieve veronderstelling dat hij de vechtende Pyrranen kon helpen. In plaats van een sta in de weg te zijn. Zonder Jason zou de man met de gewonde arm hier in veiligheid gebracht zijn in de heroriëntatiegebouwen. Hij wist dat hij in een bed lag dat aan die man toebehoorde.

De man die zijn leven voor Jason gegeven had.

De man wiens naam hij niet eens kende. Er zaten slaapmiddelen in het eten en hij viel in slaap. De medicinale bufferstoffen verminderden de pijn en de rauwheid van de brandwonden waar de tentakels zijn gezicht hadden verschroeid. Toen hij voor de tweede keer ontwaakte was zijn contact met de realiteit hersteld.

Een man was dood opdat hij zou leven. Jason zag het feit onder ogen. Hij kon dat leven niet terugroepen, hoe graag hij het ook wilde. Wat hij wel kon doen was de dood van de man terug betalen. Als men kan zeggen dat een dood ooit terugbetaald kan worden — Hij bracht zijn gedachten terug van dat punt.

Jason wist wat hem te doen stond. Zijn werk was nu nog belangrijker. Als hij het raadsel van deze dodelijke wereld kon oplossen, kon hij een gedeelte van de schuld die hij had terug betalen.

Toen hij overeind kwam werd hij draaierig in zijn hoofd en hield zich vast aan de rand van het bed totdat het over was. De anderen in de kamer keken niet op toen hij langzaam en pijnlijk zijn kleren aantrok. Brucco kwam binnen, zag wat hij aan het doen was en ging weer weg zonder iets te zeggen.

Het aankleden duurde een hele tijd, maar hij kreeg het uiteindelijk voor elkaar. Toen Jason eindelijk het vertrek verliet, trof hij Kerk die op hem zat te wachten. ‘Kerk, ik wou je zeggen ...’

‘Je zegt me niks!’ De donder in Kerks stem kaatste terug van het plafond en de muren. ‘Ik zal jou wat vertellen. Ik zeg je eens en voor al dat jij hier op Pyrrus niet gewenst bent, Jason dinAlt; noch jij, noch je dierbare buitenwereldplannetjes zijn hier gewenst. Ik heb me een keer door je slangentong laten verleiden. Je geholpen ten koste van belangrijker werk. Ik had moeten weten wat het resultaat van jouw logica zou zijn. Nu heb ik het gezien. Welf stierf opdat jij kon leven. Hij was een twee keer betere man dan jij ooit zult zijn.’

‘Welf? Was dat zijn naam?’ vroeg Jason stamelend. ‘Ik wist niet —’

‘Je wist het niet eens.’ Kerks lippen trokken weg van zijn tanden in een smalende grimas. ‘Je wist zelfs niet eens hoe hij heette — toch is hij doodgegaan opdat jij in staat zou zijn je miserabele bestaan voort te zetten.’ Kerk spoog alsof de woorden een vieze smaak in zijn mond hadden achtergelaten, en stampte op de uitgang af. Alsof hem nog iets te binnen schoot, keerde hij zich naar Jason om.

‘Je blijft hier in de gesloten gebouwen totdat het schip over twee weken terugkomt. Dan verlaat je deze planeet en je zult nooit meer terugkomen. Als je terugkomt, vermoord ik je meteen. Met plezier.’ Hij ging door de deur.

‘Wacht,’ riep Jason. ‘Je kunt dat niet zo beslissen. Je hebt het bewijsmateriaal nog niet eens gezien dat ik ontdekt heb. Vraag Meta —’

De deur klapte dicht en Kerk was weg. Het hele geval was gewoon te gek. Woede begon de plaats in te nemen van de zinloze wanhoop van daarnet. Hij werd behandeld als een onverantwoordelijk kind, het belang van zijn ontdekking van het logboek werd volkomen genegeerd.

Jason keerde zich om en zag voor het eerst dat Brucco daar stond. ‘Hoorde je dat?’ vroeg Jason hem.

‘Ja. En ik ben het helemaal met hem eens. Je kunt je zelfs nog gelukkig prijzen.’

‘Gelukkig!’ Jason was woedend nu. ‘Gelukkig, om behandeld te worden als een onmondig kind, met minachting voor alles wat ik doe.’

‘Ik zei gelukkig,’ snauwde Brucco. ‘Welf was Kerks enige nog levende zoon. Kerk had hoge verwachtingen van hem en leidde hem op om na verloop van tijd zijn plaats in te nemen.’

Hij keerde zich om, maar Jason riep hem na:

‘Wacht. Het spijt me van Welf. Het kan me niet méér spijten nu ik weet dat hij Kerks zoon was. Maar dat verklaart tenminste waarom Kerk er zo snel mee is om mij eruit te gooien — en ook meteen het bewijsmateriaal dat ik ontdekt heb. Het logboek van het schip —’

‘Ik weet het, ik heb het gezien,’ onderbrak Brucco. ‘Meta heeft het gebracht. Een heel interessant historisch document.’

‘Is dat de enige manier waarop je het bekijkt, als een historisch document? Ontgaat de betekenis van de planetaire verandering je dan?’

‘Die ontgaat me niet,’ antwoordde Brucco kort. ‘Maar ik kan niet zien dat het enig belang heeft voor het heden. Het verleden is niet te veranderen en in het heden moeten we vechten. Dat is genoeg om al onze energie in beslag te nemen.’

De druk van de zinloosheid werd zwaarder in Jason die vocht voor een weg naar buiten. Waar hij zich ook keerde, er was alleen onverschilligheid.

‘Je bent een intelligente man, Brucco, en toch kun je niet verder kijken dan je neus lang is. Ik geloof dat het onvermijdelijk is. Jij en de rest van de Pyrranen zijn supermensen bij aardse maatstaven. Hard, meedogenloos, onverslaanbaar en snel met schieten. Waar ze jullie ook neergooien, jullie komen altijd op je pootjes terecht. Jullie zouden volmaakte Texas Rangers zijn, Canadese Mounties, Moeraswachters van Venus — welke mythische vechtjassen uit het verleden ook. En ik geloof dat dat is waar jullie thuishoren. In het verleden. Op Pyrrus is de mens tot de uiterste grens van aanpassingsvermogen in spieren en reflexen gestuwd. En het is een doodlopende weg. Hersenen waren de dingen die de mens uit de holen trokken en hem op weg stuurden naar de sterren. Als wij weer met onze spieren gaan denken zijn we op de weg terug naar precies diezelfde holen. Is dat niet wat jullie Pyrranen doen? Een stelletje holenmensen die beesten op hun kop slaan met stenen bijlen. Sta je er ooit bij stil waarom je hier bent? Wat je aan het doen bent? En waar je heen gaat?’

Jason moest ophouden, hij was uitgeput en snakte naar adem. Brucco wreef in gedachten over zijn kin. ‘Holen?’ vroeg hij. ‘Natuurlijk leven we niet in holen of gebruiken we stenen knuppels. Ik begrijp niet wat je bedoelt.’

Het was onmogelijk boos te worden of zelfs geërgerd. Jason wilde antwoorden, maar begon in plaats daarvan te lachen. Een verre van vrolijk lachen. Hij was te moe om nog verder te discussiëren. Hij bleef tegen dezelfde stenen muur lopen bij alle Pyrranen. Hun logica was die van het ogenblik. Verleden en toekomst zijn onveranderlijk, onkenbaar — onbelangrijk.

‘Hoe is het met de slag bij de ommuring?’ vroeg hij tenslotte, omdat hij van onderwerp wilde veranderen.

‘Afgelopen. Of in ieder geval bijna.’ Brucco was enthousiast toen hij Jason opnamen liet zien van de aanvallers. Hij merkte niet dat Jason een plotselinge huivering onderdrukte.

‘Dit was de ernstigste doorbraak in jaren, maar we hebben hem op tijd opgevangen. Ik moet er niet aan denken wat er gebeurd zou zijn als hij een paar weken later ontdekt was.’

‘Wat zijn het voor dingen?’ vroeg Jason. ‘Reuzenslangen of zoiets?’

‘Doe niet zo absurd,’ snoof Brucco. Hij tikte op het stereoapparaat met de nagel van zijn duim. ‘Wortels. Dat is alles. Sterk gewijzigd, maar nog steeds wortels. Ze kwamen binnen onder de ringmuur barricade, veel dieper dan iets dat we ooit daarvoor gehad hebben. Ze zijn zelf geen echte bedreiging, want ze zijn weinig wendbaar. Ze sterven snel nadat ze afgehakt zijn. Het gevaar kwam van het feit dat ze gebruikt werden als toegangstunnels. Ze boorden zich verder en verder met horden dieren, en twee of drie soorten beesten leven er binnen in, in een soort symbiose. Nu weten we wat het is en kunnen ernaar uitkijken. Het gevaar bestond dat zij de ringmuur totaal hadden kunnen ondermijnen om van alle kanten tegelijk naar binnen te komen. Dan hadden we niet veel kunnen doen.’

Het randje van de vernietiging. Leven op de rand van een vulkaan. De Pyrranen waren tevreden met elke dag, die zonder totale vernietiging voorbij ging. Er leek geen enkele manier te bestaan om hun gedrag te veranderen. Jason liet het hierbij. Hij haalde het logboek van de POLLUX VICTORY uit Brucco’s kamer en nam het mee naar zijn vertrek. De gewonde Pyrranen daar negeerden hem toen hij op het bed neerviel en het boek op de eerste bladzijde opensloeg.

Twee dagen lang verliet hij zijn vertrek niet. De gewonde mannen gingen spoedig weer weg en hij had de kamer voor zichzelf. Bladzij voor bladzij werkte hij het logboek door, totdat hij ieder detail kende van de nederzetting op Pyrrus. Hij maakte een nauwkeurige kaart van de originele nederzetting, en legde die over een nieuwe. Zij klopten helemaal niet.

Het was een doodlopende weg. Met de ene kaart over de andere heen, was wat hij vermoed had pijnlijk duidelijk. De terreinbeschrijvingen in het logboek waren nauwkeurig genoeg. De stad was kennelijk verplaatst sinds de eerste landing. Alle gegevens die er konden zijn waren in de bibliotheek, en die had hij uitgeput. De rest zou achtergelaten zijn en allang vernietigd.

Regen striemde langs het dikke raam boven zijn hoofd, dat plotseling verlicht werd door een bliksemflits. De onzichtbare vulkanen waren weer actief, en lieten de vloer trillen door gerommel diep in de aarde.

De schaduw van de nederlaag drukte zwaar op Jason en maakte zijn schouders rond en maakte de duistere dag nog donkerder.

14

Jason bracht een neerslachtige dag door op zijn slaapbank met spijkertjes tellen en dwong zichzelf zijn nederlaag toe te geven. Kerks bevel dat hij het gesloten gebouw niet mocht verlaten maakte hem volkomen machteloos. Hij voelde dat hij dicht bij de oplossing was — maar hij zou die nooit bereiken.

Een nederlaag erbij kon hij niet hebben. Kerks houding was volkomen emotioneel, niet gecorrigeerd door de geringste logica. Dit feit bleef door Jasons hoofd hameren tot hij het niet langer kon negeren. Emotioneel redeneren was iets dat hij al vroeg in zijn leven had leren wantrouwen. Hij kon het absoluut niet met Kerk eens zijn — wat inhield dat hij dan de overblijvende dagen moest benutten om het probleem op te lossen. Als dat al betekende dat hij ongehoorzaam moest zijn, het moest toch gebeuren.

Hij pakte zijn notitieplaatje met nieuw enthousiasme. Zijn eerste informatiebronnen waren opgebruikt, maar er moesten andere zijn. Op zijn stift kauwend en hard nadenkend, bouwde hij langzaam een lijst op van andere mogelijkheden. Elk idee, het deed er niet toe hoe buitensporig, werd opgeschreven. Toen het plaatje vol was, veegde hij de onwaarschijnlijkheden en de onmogelijkheden uit — zoals het consulteren van historische bronnen buiten de planeet. Dit was een Pyrraans probleem en moest hier op deze planeet worden opgelost of helemaal niet.

De lijst werd afgewerkt tot er nog twee mogelijkheden over waren. Of oude verslagen, notitieboeken of dagboeken die individuele Pyrranen in het bezit konden hebben, of mondeling overgeleverde verhalen. De eerste keus leek de meest waarschijnlijke, en hij begon hem meteen uit te werken. Nadat hij zorgvuldig zijn medidoos en ploffer had gecontroleerd zocht hij Brucco op.

‘Wat is er voor nieuws en dodelijks in de wereld sinds ik hier ben?’ vroeg hij.

Brucco staarde hem aan. ‘Je mag er niet uit, Kerk heeft het verboden ...’

‘Heeft hij jou aangesteld als wacht om te kijken of ik gehoorzaam?’ Jasons stem was kalm en koud.

Brucco wreef over zijn kaak en fronste nadenkend zijn wenkbrauwen. Na een tijdje haalde hij alleen zijn schouders op. ‘Nee, ik bewaak je niet — ik zou niet eens willen. Zo ver ik weet gaat dit tussen jou en Kerk en zo mag het blijven. Vertrek wanneer je wilt. En kom ergens rustig aan je eind, zodat er eens en voor al een eind komt aan de narigheid die jij veroorzaakt.’

‘Ik vind jou ook aardig,’ zei Jason. ‘Vertel me nu maar over het wild.’

De enige nieuwe mutatie waar de gewone voorzorgsmaatregelen geen antwoord op hadden was een leikleurige hagedis die een snelwerkend vergif uitspoog met een dodelijke nauwkeurigheid. De dood trad na een paar seconden in als het speeksel op de blote huid terechtkwam. Je moest op je hoede zijn voor de hagedissen en ze neerschieten, voordat ze binnen bereik gekomen waren. Een uurtje schieten op hagedissen maakte hem bedreven in de juiste handelwijze.

Jason verliet de gesloten gebouwen stilletjes en niemand zag hem weggaan. Hij volgde de kaart naar de dichtstbijzijnde barakken en schuifelde vermoeid over de stoffige straten. Het was een hete, rustige dag, alleen verbroken door gerommel in de verte, en het gewone gekraak van zijn revolver.

Het was koud in de dikommuurde barakken en hij viel neer op een bank tot het zweet was opgedroogd en zijn hart niet meer bonsde. Toen ging hij naar de dichtstbijzijnde recreatiekamer en begon zijn onderzoek.

Voordat hij eigenlijk begonnen was, was het al geëindigd. Geen van de Pyrranen bewaarde kunstwerken van welke soort, en ze vonden het idee erg leuk. Na het twintigste ontkennende antwoord was Jason bereid om zijn nederlaag toe te geven bij deze manier van onderzoeken. Hij had evenveel kans een Pyrraan met oude documenten te ontmoeten als een bundeltje brieven van grootvader in een soldatenkist.

Dit liet nog een mogelijkheid over — mondelinge overlevering. Weer deed Jason navraag met hetzelfde resultaat, niets. Voor de Pyrranen was de lol eraf en ze begonnen te grommen. Jason hield ermee op nu hij nog heel en gezond was. Er werd hem een maaltijd voorgezet die smaakte naar plasticpasta en houtpulp. Hij at het snel op en zat toen te broeden boven het lege blad, absoluut niet van zins om weer een nederlaag toe te geven. Wie kon hem van antwoorden voorzien? Al de mensen waar hij nu mee gesproken had waren zo jong. Ze hadden geen belangstelling of geduld voor verhalen. Dat was een liefhebberij van oude mensen en die waren er niet op Pyrrus.

Met één uitzondering, de bibliothecaris, Poli. Dat was een mogelijkheid. Een man die werkte met verslagen en boeken zou misschien interesse hebben in oudere exemplaren. Misschien herinnerde hij zich zelfs wel boeken die nu verwoest waren. Een heel iel spoor, toegegeven, maar toch een spoor dat nagegaan moest worden.

De wandeling naar de bibliotheek was bijna Jasons dood. De stromende regen maakte het lopen moeilijk en in het schemerlicht was het lastig om te zien wat er aankwam. Een bijter kwam dicht genoeg in de buurt om een stuk vlees af te happen, voordat hij hem neer kon schieten. Het tegengif maakte hem duizelig en hij verloor wat bloed voor hij de wond verbonden had. Uitgeput en kwaad kwam hij bij de bibliotheek.

Poli was bezig met de ingewanden van een van de catalogusmachines. Hij hield pas op toen Jason hem op zijn schouder getikt had. Terwijl hij zijn hoorapparaat aanzette, stond de Pyrraan rustig, kreupel en krom te wachten tot Jason zou spreken.

‘Heb je soms nog oude papieren of brieven die je hebt gehouden voor persoonlijk gebruik?’

Een hoofdschudden, nee.

‘En verhalen, je weet wel, over grote daden die in het verleden gebeurd zijn, die iemand je misschien verteld heeft toen je nog jong was?’ Nee.

Resultaten negatief. Iedere vraag beantwoordde Poli met een schudden van zijn hoofd, en op den duur werd de oude man kwaad en wees naar het werk dat hij nog niet af had.

‘Ja, ik weet dat je nog werk te doen hebt,’ zei Jason. ‘Maar dit is belangrijk.’ Poli schudde zijn hoofd met een boos neen en reikte naar zijn hoorapparaat om het af te zetten. Jason zocht naar een vraag die misschien een positiever antwoord zou opleveren. Er trok iets aan zijn gedachten, een woord dat hij gehoord had en opgetekend om later te onderzoeken. Iets dat Kerk gezegd had ...

‘Dat is het!’ Daar was het — op het puntje van zijn tong. ‘Nog een ogenblik, Poli, nog één vraag. Wat is een ‘vreter’? Heb je er ooit één gezien of weet je wat zij doen, of waar ze gevonden kunnen worden?’

De zin werd afgebroken toen Poli zich omdraaide en de achterkant van zijn goede arm tegen Jasons gezicht sloeg. Hoewel de man oud was en kreupel, brak de slag bijna Jasons kaak en deed hem over de vloer tuimelen. Door een waas zag hij Poli op zich af komen hobbelen, terwijl hij dikke gorgelende geluiden in zijn verwoeste keel maakte en wat er over was van zijn gezicht was van woede vertrokken.

Dit was geen ogenblik om diplomatiek te doen. Zo snel hij kon bij de hoge zwaartekracht, sleepte Jason zich naar de gegrendelde deur. Hij was geen partij voor welke Pyrraan dan ook in een gevecht van man tegen man, of hij nu jong was en klein of oud en kreupel. De deur sloeg dicht toen hij erdoor was, vlak voor Poli’s gezicht.

Buiten was de regen in sneeuw overgegaan en Jason sjouwde moe door de blubber, wreef over zijn zere kaak en dacht na over het enige feit dat hij had. Vreter was een sleutel — maar waartoe? En wie zou hij nog meer informatie durven vragen? Kerk was de man waar hij het beste mee had kunnen praten, maar nu niet meer. Dan bleef alleen Meta over als mogelijke bron. Hij wilde meteen naar haar toe, maar een plotselinge uitputting overviel hem. Het kostte hem al zijn kracht om naar de schoolgebouwen terug te strompelen.

’s Morgens at hij en ging vroeg weg. Er was nog maar één week over. Haast was onmogelijk en hij vloekte toen hij zijn dubbelzware lichaam naar het toewijzingscentrum sleepte. Meta had nachtdienst bij de ommuring en zou gauw terug zijn op haar kamer. Hij schuifelde er naar toe en lag op haar bank toen ze binnenkwam.

‘Eruit,’ zei ze met een vlakke stem. ‘Of moet ik je eruit gooien?’

‘Een beetje geduld alsjeblieft,’ zei hij en ging rechtop zitten. ‘Ik rustte hier alleen maar tot je terug zou komen. Ik heb een enkele vraag en als je die meteen zoudt willen beantwoorden ga ik meteen en zal ik je niet meer lastig vallen.’

‘Wat dan?’ vroeg ze, ongeduldig met haar voet tikkend. Maar er klonk ook een beetje nieuwsgierigheid in haar stem; Jason dacht zorgvuldig na voor hij sprak.

‘Probeer nu niet op me te schieten. Je weet dat ik iemand ben die niet van deze planeet komt, met een grote mond, en je hebt me sommige afschuwelijke dingen horen zeggen zonder dat je op me schoot. Nu heb ik nog iets. Wil je alsjeblieft je superioriteit ten opzichte van de andere mensen in de melkweg tonen door je humeur te bewaren en me niet te herleiden tot mijn samenstellende atomen.’ Haar enige antwoord was een tikje van haar voet. Hij haalde diep adem en waagde de sprong.

‘Wat is een ‘vreter’?’

Een lange tijd was ze stil en verroerde zich niet. Toen keek ze hem vol afschuw aan. ‘Jij vindt ook altijd de meest weerzinwekkende onderwerpen.’

‘Dat kan zijn,’ zei hij. ‘Maar dat geeft nog steeds geen antwoord op mijn vraag.’

‘Het is — nou, iets waar je gewoon niet over praat.’

‘Ik wel,’ verzekerde hij haar.

‘Maar ik niet! Het is het meest walgelijke dat er bestaat, en dat is alles wat ik te zeggen heb. Praat daar maar met Krannon over en niet met mij.’ Ze greep hem bij zijn arm terwijl ze dat zei en sleurde hem half naar de hal. De deur sloeg achter hem dicht en hij sputterde binnensmonds.

Kampioen worstelen voor dames. Zijn woede ebde weg toen hij besefte dat zij hem ongewild een aanwijzing had gegeven. De volgende stap was uit te vinden wie of wat Krannon was.

Het toewijzingscentrum had een Krannon op de lijst en gaf zijn ploegnummer en de plaats waar hij werkte. Het was dichtbij en Jason wandelde erheen. Een groot, kubusachtig gebouw zonder ramen met alleen het woord VOEDSEL naast elke gegrendelde deur. De kleine ingang waar hij door naar binnen ging was een serie automatische ontsmetters die hem door ultrasonisch, ultraviolet, antibiotische douche, roterende borstels en tenslotte drie spoelingen draaide. Tenslotte werd hij, vochtiger maar veel schoner, toegelaten tot het binnengedeelte. Mannen en robots waren kratten aan het opstapelen en hij vroeg een van de mannen naar Krannon. De man bekeek hem koud van onder tot boven en spuugde op zijn schoen voor hij antwoordde.

‘Krannon werkt alleen in een grote opslagruimte.’

Het was een kort stevig mannetje in een verstelde overall met als enige uitdrukking een diepe somberheid. Toen Jason binnenkwam hield hij op met balen verslepen en ging op de dichtstbijzijnde zitten. De lijnen van ontevredenheid waren in zijn gezicht gegroefd en leken dieper te worden toen Jason hem het doel van zijn komst uitlegde. Al het gepraat over de oude geschiedenis van Pyrrus verveelde hem ook en hij gaapte openlijk. Toen Jason ophield, gaapte hij weer en verwaardigde zich niet eens om te antwoorden.

Jason wachtte een ogenblik en vroeg toen opnieuw: ‘Ik zei, heb je ook oude boeken, brieven, verslagen, of zoiets?’

‘Je hebt precies de goeie uitgepikt om lastig te vallen, vreemdeling,’ was zijn enige antwoord. ‘Als je met mij gepraat hebt krijg je verder alleen maar moeilijkheden.’

‘Waarom dan?’ vroeg Jason.

‘Waarom?’ Voor het eerst werd hij bezield door iets anders dan droefheid. ‘Ik zal je vertellen waarom! Ik maakte één keer een fout, eentje maar, en ik krijg straf voor mijn hele leven. Voor mijn hele leven — hoe zou jij dat vinden? Alleen ik, altijd in mijn eentje, moet zelfs bevelen van vreters aannemen.’

Jason hield zich in bedwang en hield de opwinding uit zijn stem.

‘Vreters, wat zijn vreters?’

De stompzinnigheid van de vraag deed Krannon versteld staan. Het leek onmogelijk dat er iemand kon bestaan die nog nooit van vreters had gehoord. Blijdschap haalde een beetje droefheid van zijn gezicht toen hij besefte dat hij een gehoor had dat één en al oor was voor zijn problemen.

‘Vreters zijn verraders — dat zijn ze. Verraders van het menselijk ras en ze zouden uitgeroeid moeten worden. Leven in de jungle. De dingen die zij met de dieren doen —’

‘Je bedoelt dat het mensen zijn — Pyrranen zoals jij?’ onderbrak Jason.

‘Niet zoals ik, meneer. Maak die fout niet nog een keer als je wilt blijven leven. Het kan zijn dat ik een keer in slaap gevallen ben toen ik wacht had en dat ik daarom nou aan dit baantje vast zit. Maar dat wil nog niet zeggen dat ik het leuk vind of dat ik hen aardig vind. Ze stinken, ze stinken echt, en als we geen voedsel van ze moesten hebben, zouden ze morgen allemaal dood zijn. Dat is een moorddadig werkje dat ik met hart en ziel zou doen.’

‘Als ze jullie van voedsel voorzien, geven jullie zeker iets in ruil?’

‘Handelswaar, kralen, messen, de gewone dingen. Bevoorrading stuurt ze in kartonnen dozen en ik zorg voor de aflevering.’

‘Hoe?’ vroeg Jason.

‘Per gepantserde truck naar de plaats van aflevering. Dan kom ik later terug om het voedsel op te halen dat zij in ruil daarvoor neergelegd hebben.’

‘Mag ik met je mee bij de volgende aflevering?’

Krannon dacht een ogenblik na over het idee. ‘Ja, ik denk dat dat wel gaat als je gek genoeg bent om mee te willen. Je kunt me helpen laden. Ze zijn nu op de helft van de oogst, dus de volgende rit zal niet eerder zijn dan over acht dagen.’

‘Maar dat is nadat het schip vertrokken is — dat is te laat. Kun je niet eerder?’

‘Dat is mijn zaak niet, meneer,’ gromde Krannon en hij kwam overeind. ‘Dan ga ik en die datum wordt niet voor jou veranderd.’

Jason besefte dat hij alles wat hij in een keer uit de man kon krijgen te pakken had. Hij ging op de deur af, maar keerde zich om. ‘Nog een ding,’ zei hij. ‘Hoe zien die wilden, die vreters, eruit?’

‘Hoe weet ik dat nou!’ snauwde Krannon. ‘Ik handel met ze, ik bedrijf geen liefde met ze. Als ik er ooit een zou zien, zou ik hem ter plaatse neerschieten.’ Hij kromde zijn vingers en zijn revolver sprong in en uit zijn hand toen hij het zei. Jason ging stil naar buiten.

Terwijl hij op zijn bed lag, en zijn zwaartekracht-moede lichaam liet rusten zocht hij naar een manier om Krannon zo ver te krijgen dat hij de afleveringsdatum zou veranderen. Zijn miljoenen waren op deze wereld zonder deviezen waardeloos. Als de man niet omgepraat kon worden, moest hij omgekocht worden. Waarmee? Jasons ogen vielen op de kast waar zijn buitenwereldse kleren nog steeds hingen en hij kreeg een idee.

Het was ochtend voor hij terug kon naar het voedselpakhuis — en een dag dichter bij zijn limiet. Krannon nam niet de moeite van zijn werk op te kijken toen Jason binnenkwam.

‘Wil je dit hebben?’ vroeg Jason, terwijl hij de verschoppeling een platte gouden doos, ingelegd mt enkele diamanten overhandigde. Krannon knorde en draaide het om en om.

‘Speelgoed,’ zei hij. ‘Wat kan je ermee doen?’

‘Nou, als je dit knopje indrukt krijg je een vlam.’ Een vlammetje verscheen door een opening aan de bovenkant. Krannon wilde het teruggeven. ‘Wat moet ik met zo’n klein vlammetje? Alsjeblieft, hou het maar.’

‘Wacht even,’ zei Jason. ‘Dat is niet alles. Als je op de steen in het midden drukt, komt er zo’n dingetje uit.’

Een zwart balletje ter grootte van een vingernagel viel in zijn handpalm. ‘Een granaat, helemaal van ultraniet. Hard in knijpen en dan gooien — Drie seconden later explodeert hij met genoeg kracht om dit hele gebouw weg te vagen.’

Ditmaal glimlachte Krannon bijna toen hij naar de doos reikte. Destructieve en dodelijke wapens gaan erin als koek bij de Pyrranen. Terwijl hij ernaar keek, deed Jason zijn aanbod.

‘Het doosje en de granaten zijn van jou als je de datum van je volgende aflevering op morgen stelt, en mij met je mee laat gaan.’

‘Kom hier morgen om nul-vijfhonderd,’ zei Krannon. ‘We vertrekken vroeg.’

15

De truck rammelde naar de ringmuurpoort en stopte. Krannon wuifde naar de wacht door het voorraampje en sloot er toen een metalen scherm overheen. Toen de poorten openzwaaiden kroop de truck — eigenlijk een machtig gepantserde tank — langzaam naar voren. Er was een tweede hek achter het eerste, dat niet openging voor het eerste gesloten was. Jason keek door de periscoop van de bijrijder terwijl de buitenpoort omhoog ging.

Automatische vlammenwerpers laaiden op in de opening, en hielden pas in toen de truck dichtbij was. Een verschroeid gebied omringde de poort. Daarbuiten begon de jungle. Onbewust week Jason terug op zijn plaats. Al de planten en dieren waar hij alleen voorbeelden van gezien had, leefden hier in overvloedige aantallen. Takken en klimplanten met ringen van doornen strengelden zich dooreen tot een totale massa, waarin het wild krioelde. Een woedende zee van geluid wierp zich op hen, het dreunde en knarste op de gepantserde tank. Krannon lachte en haalde de handel over die het buitenste rooster onder stroom zette. Het krassen stierf weg toen het beest de stroomkring sloot op de geaarde romp. Het was een langzaam werk, in lage versnelling door de wildernis te breken. Krannon had zijn hoofd in het periscoopmasker begraven en worstelde zwijgend met de bediening. Iedere mijl scheen het beter te gaan, totdat hij tenslotte de periscoop omhoog duwde en de raampantsers opende.

De wildernis was nog steeds dicht en dodelijk maar lang niet zo erg als het gebied in de onmiddellijke nabijheid van de ommuring Het leek of het meeste van de dodelijke krachten van Pyrrus waren geconcentreerd op het ene gebied rond de nederzetting. Waarom? vroeg Jason zich af. Waarom deze heftige en gerichte haat van de planeet?

De motor sloeg af en Krannon stond op en rekte zich uit.

‘We zijn er,’ zei hij. ‘Laten we gaan uitladen.’ Er waren naakte rotsen rondom de truck, een rond heuveltje, dat uit het oerwoud stak, te glad en te steil dan dat er iets op kon groeien. Krannon opende de luiken en zij duwden de kisten en kratten naar buiten. Toen zij klaar waren viel Jason uitgeput op de stapel neer.

‘Ga in de wagen, we gaan terug,’ zei Krannon.

‘Jij gaat terug, ik blijf hier.’

Krannon keek hem koud aan. ‘Ga in de truck of ik vermoord je. Niemand blijft hier. Ten eerste blijf je hier in je eentje geen uur meer in leven, maar wat veel erger is, de vreters zouden je te pakken krijgen. En je meteen vermoorden natuurlijk, maar dat is niet belangrijk. Maar je hebt uitrustingsstukken die niet in hun handen mogen vallen. Wil je soms een vreter met een ploffer zien?’

Terwijl de Pyrraan praatte waren Jasons gedachten verder gehold. Hij hoopte dat Krannons reflexen even snel waren als zijn schedel dik was.

Jason keek naar de bomen, liet zijn blik omhooggaan door de dikke takken. Hoewel Krannon nog steeds praatte, was hij zich automatisch bewust van Jasons aandacht. Toen Jasons ogen wijder opengingen en zijn ploffer in zijn hand sprong, verscheen Krannons eigen wapen en draaide hij zich in dezelfde richting om.

‘Daar — in de top!’ schreeuwde Jason en vuurde in de wirwar van takken. Krannon vuurde ook. Zodra hij schoot, gooide Jason zich achterover, rolde zich op tot een bal en liet zich langs de hellende rots naar beneden rollen. De schoten hadden het geluid van zijn bewegingen overstemd en voor Krannon zich om kon keren had de zwaartekracht hem al van de rots in de dikke beplanting gesleurd. Krakende takken sloegen naar hem en braken zijn val. Toen hij stillag, was hij verdwenen in de wirwar. Krannons schoten kwamen te laat om hem te raken.

Terwijl hij daar moe en gekneusd lag, hoorde Jason de Pyrraan vloeken. Hij stampte op de rots rond, vuurde een paar schoten af, maar bedacht zich wel om het bos in te gaan. Tenslotte gaf hij het op en ging terug naar de truck. De motor sloeg aan en de rupsen knarsten en schraapten over de rots terug het oerwoud in. Er was wat dof gerommel en gekraak dat langzaam wegstierf.

Toen was Jason alleen.

Tot dusver was het niet helemaal tot hem doorgedrongen hoe eenzaam hij zou zijn. Omgeven door alleen de dood, nu de truck uit het gezicht verdwenen was. Hij moest een overweldigend verlangen om er achteraan te rennen bedwingen. Gedane zaken nemen geen keer.

Dit was een groot risico, maar het was de enige manier om met de vreters in contact te komen. Zij waren wilden, maar zij waren altijd nog van menselijke afkomst. En zij waren nog niet zo diep gezonken dat zij de handel met de beschaafde Pyrranen gestopt hadden. Hij moest met hen in contact komen, en op goede voet raken. En uitvinden hoe zij het voor elkaar hadden gekregen om veilig te leven in dit gekkenhuis.

Als er een andere manier was geweest om dit probleem op te losen zou hij die genomen hebben; hij schiep er geen genoegen in de martelaar te spelen. Maar Kerk met zijn ultimatum had hem ertoe gedwongen. Het contact moest snel gelegd worden en dit was de enige manier. Waar de wilden waren viel niet te zeggen en ook niet of zij gauw zouden komen. Als het woud niet al te dodelijk was kon hij zich daar verstoppen en zijn tijd afwachten om hen te benaderen. Als zij hem tussen de voorraden aantroffen, zouden ze hem ter plaatse afmaken met een typisch Pyrraanse reflex.

Moeilijk liep hij voort en naderde de rand van het bos. Er bewoog iets op een tak, maar verdween toen hij naderbij kwam. Geen van de planten bij een dikke boom zag er giftig uit en daarom gleed hij erachter. Er was niets dodelijks in zicht, en dat verbaasde hem. Zijn lichaam ontspande zich een beetje terwijl hij tegen de ruwe bast aan leunde.

Er viel iets zachts en verstikkends over zijn hoofd; zijn lichaam zat in een ijzeren greep. Hoe meer hij tegenspartelde, des te steviger werd hij vastgehouden, tot het bloed in zijn oren suisde en zijn longen om lucht brulden.

Pas toen hij verlamd was werd de druk minder. Zijn eerste paniek ebde een beetje weg toen hij besefte dat het geen beest was dat hem had aangevallen. Hij wist niets van de vreters, maar zij waren mensen, dus had hij nog steeds een kans.

Zijn armen en benen werden stevig vastgebonden, zijn pistool werd van zijn arm gerukt. Hij voelde zich vreemd naakt. De sterke handen grepen hem weer vast en hij werd de lucht ingeslingerd om met zijn gezicht in iets warms en zachts te vallen. De angst nam weer toe want het was een of ander groot dier. En alle Pyrraanse dieren waren dodelijk.

Toen het dier met hem wegliep, maakte de paniek plaats voor een stijgend gevoel van uitgelatenheid. De vreters waren erin geslaagd een soort wapenstilstand tot stand te brengen, met tenminste een diersoort. Hij moest uitvinden hoe. Als hij achter dat geheim kon komen — en het terug kon brengen naar de stad — zou het al zijn pijn en moeite rechtvaardigen. Het zou misschien zelfs Welfs dood rechtvaardigen als de eeuwenoude oorlog kon worden verminderd of beëindigd.

Jasons stevig gebonden armen en benen deden eerst vreselijk pijn, maar werden gevoelloos toen de bloedcirculatie ophield. De hortende en stotende rit ging eindeloos verder, hij kon op geen enkele manier de tijd schatten. Een regenbui doorweekte hem, daarna voelde hij dat zijn kleren stoomden toen de zon erdoor kwam.

Eindelijk was het afgelopen. Hij werd van de rug van het dier afgetrokken en neergegooid. Zijn armen vielen slap neer toen iemand de touwen losmaakte. De terugkerende bloedcirculatie overspoelde hem met pijn terwijl hij daar lag en worstelde om zich te kunnen bewegen. Toen zijn handen hem eindelijk gehoorzaamden bracht hij ze naar zijn gezicht en haalde de blinddoek weg, een zak van dik bont. Het licht verblindde hem terwijl hij de frisse lucht in- en uitademde.

Hij knipperde tegen de felle gloed en keek rond. Hij lag op een vloer van ruwe planken, de ondergaande zon scheen in zijn ogen door de deurloze ingang van het gebouwtje. Buiten strekte zich een omgeploegd land uit langs de heuvel tot aan de zoom van het woud. Het was te donker om binnen in de hut veel te kunnen zien.

Er kwam iets dat het licht in de ingang tegenhield, een grote dierlijke gestalte. Toen hij nog eens keek merkte Jason dat het een man was met lang haar en een dikke baard. Hij was gekleed in bontvellen; zelfs zijn benen waren in bont gewikkeld. Zijn ogen waren gericht op de gevangene, terwijl hij met zijn ene hand de bijl die aan zijn middel hing liefkoosde.

‘Wie ben je? Wat wil je?’ vroeg de baardige man plotseling. Jason koos zijn woorden langzaam, zich afvragend of deze wilde hetzelfde heetgebakerde karakter had als de stadsbewoners.

‘Mijn naam is Jason. Ik kom in vrede. Ik wil je vriend zijn.’

‘Leugens!’ gromde de man en trok de bijl uit zijn riem. ‘Rotzooiers-trucjes! Ik zag hoe je je verborg. Wachtte om mij te vermoorden. Ik vermoord jou eerst.’

Hij probeerde het scherp van de bijl met een eeltige duim en hief hem toen omhoog.

‘Wacht,’ zei Jason wanhopig. ‘Je begrijpt het niet!’

De bijl zwaaide weer naar beneden.

‘Ik kom van een andere planeet!’

Een zware schok ging door hem heen toen de bijl zich naast zijn hoofd in het hout boorde. Op het laatste ogenblik had de man naast hem gericht. Hij greep Jason bij zijn kleren en trok hem overeind tot hun gezichten elkaar raakten.

‘Is dat waar?’ schreeuwde hij. ‘Kom je van een andere planeet?’ Zijn greep werd losser en Jason viel terug voordat hij antwoord kon geven. De wilde sprong over hem heen naar het donker achter in de hut.

‘Dat moet Rhes weten,’ zei hij, terwijl hij aan iets morrelde tegen de muur. Opeens was het licht. Jason kon alleen maar staren. De harige in bont gehulde wilde bediende een zender. De eeltige met vuil bedekte vingers trokken behendig aan de schakelaars en draaiden een nummer.

16

Het kon niet waar zijn! Jason probeerde de moderne machine te rijmen met de barbaar, maar het lukte niet. Wie riep hij op? Het bestaan van een zender betekende dat er in ieder geval nog een was. Was Rhes een persoon of een ding?

Met een geestelijke krachtsinspanning kreeg hij zijn gedachten onder controle en remde ze af. Er was iets nieuws hier, factoren waar hij geen rekening mee gehouden had. Hij bleef zichzelf verzekeren dat er voor alles een verklaring was, als je eenmaal de feiten goed bij elkaar had.

Jason deed zijn ogen dicht om de felle stralen van de zon buiten te sluiten die door de toppen van de bomen heen kwamen, en bekeek de feiten opnieuw. Ze vielen gelijkelijk uiteen in twee soorten, die hij zelf waargenomen had, en die hij van de bewoners van de stad gekregen had. Die laatste soort ‘feiten’ wilde hij vasthouden, om te zien of zij klopten met wat hij ondervonden had. Er was een goede kans dat de meeste of alle onjuist zouden blijken te zijn.

‘Sta op,’ onderbrak de stem zijn gedachten. ‘We vertrekken.’ Zijn benen waren nog steeds gevoelloos en bijna niet te gebruiken. De gebaarde man snoof verachtelijk en trok hem overeind en zette hem tegen de buitenmuur. Jason greep de knoestige schors van de blokken vast toen hij alleen was. Hij keek rond en verzamelde indrukken.

Het was de eerste keer sinds hij van huis was weggelopen dat hij op een boerderij was. Een andere wereld met een andere flora en fauna, maar de overeenkomst was duidelijk genoeg. Een pas omgeploegde akker strekte zich uit van de blokhut naar de heuvel. Geploegd door een goede boer. Zelfs goed getrokken voren die de contouren van de heuvel volgden. Een andere, grotere blokhut stond naast deze, waarschijnlijk een schuur.

Er kwam een snuffelend geluid van achter hem en Jason draaide zich snel om — en verstijfde. Zijn hand riep om de ploffer die er niet was en zijn vinger spande zich om de afwezige trekker.

Het was uit het oerwoud gekomen en zachtjes naar hem toegeslopen. Het had zes dikke poten met klauwen die in de grond drongen. Het twee meter lange lichaam was bedekt met een geel met zwarte vacht die alleen de kop en schouders vrij liet. Deze waren bedekt met hoornachtige schubben die elkaar overlapten. Jason kon alles zien omdat het beest vlakbij was.

Hij wachtte op het einde.

De bek ging open, een kikkerachtige spleet in de haarloze schedel, en liet een dubbele rij puntige tanden zien.

‘Hier Fido!’ zei de man met de baard. Hij kwam naar Jason toe en knipte met zijn vingers. Het ding kwam naar voren, streek langs de verdwaasde Jason en wreef zijn kop langs het been van de man. ‘Brave hond,’ zei de man, en krabde met zijn vinger onder de rand van de schubben waar die in vacht overgingen.

De gebaarde man had twee rijdieren meegebracht uit de schuur, gezadeld en van teugels voorzien. Jason merkte nauwelijks iets van de details zoals de zachte huid en de lange poten, toen hij op een ervan ging zitten. Zijn voeten werden snel in de stijgbeugels geslagen. Toen zij wegreden kwam het beest met de geschubde kop achter hen aan.

‘Brave hond,’ zei Jason en begon zonder enige aanleiding te lachen. De man met de baard draaide zich om en keek hem dreigend aan tot hij weer rustig was.

Toen zij het oerwoud naderden, was het donker. Het was onmogelijk onder het dikke bladerdak iets te zien, en zij gebruikten geen lampen. De dieren schenen de weg te kennen. Er waren schrapende geluiden en schrille kreten uit het oerwoud om hen heen, maar het deed Jason niet veel. Misschien stelde de automatische manier waarop de andere man de reis ondernam hem gerust. Of de aanwezigheid van de ‘hond’, die hij meer voelde dan zag. De reis was lang maar niet al te ongemakkelijk.

De regelmatige beweging van het dier en zijn vermoeidheid overmanden Jason en hij doezelde in slaap, maar werd telkens weer wakker wanneer hij voorover zakte. Tenslotte sliep hij rechtop in het zadel in. Uren gingen op die manier voorbij totdat hij zijn ogen opende en een verlichte vierkante plek voor zich zag. De reis was afgelopen.

Zijn benen waren stijf en geschaafd door het zadel. Nadat zijn voeten losgemaakt waren was het afstijgen een hele krachtsinspanning en hij viel bijna. Er ging een deur open en Jason stapte naar binnen. Het duurde enige tijd voor zijn ogen aan het licht gewend waren, maar toen zag hij een man op het bed voor hem.

‘Kom hier en ga zitten.’

De stem was vol en sterk, gewend om te bevelen. Het lichaam was dat van een invalide. Een deken bedekte hem tot zijn middel, daarboven was het vlees ziekelijk wit en bedekt met rode vlekken, en het hing los om de botten heen. Er leek niets van de man over dan alleen het geraamte.

‘Niet zo best,’ zei de man op het bed. ‘Maar ik ben er gewend aan geraakt.’ Zijn toon veranderde plotseling.

‘Naxa zei dat je van een andere wereld kwam. Is dat waar?’

Jason knikte van ja en zijn antwoord bracht leven in het skelet. Het hoofd kwam uit de kussens omhoog en de roodomrande ogen zochten de zijne met een wanhopige intensiteit.

‘Mijn naam is Rhes en ik ben een vreter. Wil je me helpen?’

Jason was verbaasd over de heftigheid van Rhes’ vraag, helemaal niet in verhouding tot de simpele inhoud. Toch zag hij geen reden om een ander dan het eerste en voor de hand liggende antwoord te geven.

‘Natuurlijk zal ik je helpen, waar ik maar kan. Zolang het niet inhoudt dat ik een ander kwaad doe. Wat wil je?’

Het hoofd van de zieke man was slap neer gevallen, uitgeput, terwijl Jason praatte. Maar het vuur brandde nog steeds in zijn ogen.

‘Wees er zeker van, ik wil niemand anders kwaad berokkenen,’ zei Rhes. ‘Integendeel. Zoals je ziet lijd ik aan een kwaal die onze medicijnen niet kunnen genezen. Binnen een paar dagen zal ik dood zijn. Nu heb ik gezien — dat de mensen uit de stad — een apparaat gebruiken, zij drukken het op een wond of op een beet van een beest. Heb jij zo’n apparaat?’

‘Dat klinkt als een beschrijving van de medidoos,’ Jason drukte op het knopje op zijn middel dat het medidoosje in zijn hand deed vallen. ‘Ik héb de mijne hier. Het analyseert en behandelt de meeste ...’

‘Wil je het op mij gebruiken?’ onderbrak Rhes, met een dringende klank in zijn stem.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Jason. ‘Dat had ik moeten begrijpen.’ Hij stapte naar voren en drukte de machine op een van de ontstoken gedeelten van Rhes’ borst. Het lampje ging branden en de dunne naald van de analysesonde kwam naar beneden. Toen die terugtrok zoemde het apparaatje, klikte toen drie keer terwijl drie verschillende injectienaalden in de huid drongen. Toen ging het lampje uit.

‘Is dat alles?’ vroeg Rhes terwijl hij keek hoe Jason de medidoos in zijn gordel terugdeed.

Jason knikte, keek toen op en zag dat er natte plekken van tranen op het gezicht van de oude man zaten. Rhes merkte het en veegde ze boos weg.

‘Wanneer een man ziek is,’ gromde hij, ‘worden het lichaam en al zijn zintuigen verraders. Ik geloof dat ik niet meer gehuild heb sinds ik een kind was — maar je moet bedenken dat ik niet om mijzelf huil. Het is om de naamloze duizenden van mijn volk die gestorven zijn door gebrek aan dat kleine apparaatje dat jij zo gewoon bij je draagt.’

‘Maar jullie hebben toch zelf dokters en medicijnen?’

‘Kruidendokters en medicijnmannen,’ zei Rhes, terwijl hij met een ongeduldig gebaar van zijn hand hen allen tot de vergetelheid veroordeelde. ‘De paar hardwerkende eerlijke mannen worden gehinderd door het feit dat de gebedsgenezers gewoonlijk beter genezen dan hun sterkste drankjes.’

Het spreken had Rhes vermoeid. Hij stopte plotseling en sloot zijn ogen. De ontstoken plekken op zijn borst verloren al iets van hun kwaadaardige kleur omdat de injecties begonnen te werken. Jason keek de kamer rond en zocht naar een sleutel van het mysterie van dit volk. De vloer en de wanden waren gemaakt van lange planken zonder verf of versieringen. Zij zagen er eenvoudig en ruw uit, alleen geschikt voor de wilden die hij verwacht had te ontmoeten. Of waren zij wel ruw? Het hout had een golvende vlammende nerf. Toen hij dichterbij keek zag hij dat er was in het hout was gewreven om het patroon beter te laten uitkomen. Was dit een daad van wilden — of van kunstzinnige mensen die probeerden alles uit eenvoudige materialen te halen? Het uiteindelijke effect ging de saaie geverfde en geklonken stalen kamers van de stadspyrranen ver te boven. Was het niet zo dat beide uiteinden van de artistieke ladder werden gedomineerd door eenvoud? De niet ontwikkelde inboorling gaf een eenvoudige expressie aan een helder idee en schiep schoonheid. Aan het andere eind verwierp de ‘geleerde’ kritische mens al de uitgekiendheden en versierselen en zocht de eerlijke helderheid van ongekunstelde kunst. Naar welk eind van de ladder keek hij nu?

Deze mensen waren wilden, was hem verteld. Zij waren gehuld in dierehuiden en spraken een gebroken taaltje, Naxa tenminste. Rhes gaf toe dat hij gebedsgenezers prefereerde boven dokters. Maar als dit alles waar was, waar paste dan de zender in dit geheel? Of het lichtgevende plafond dat deze kamer zacht verlichtte?

Rhes opende zijn ogen en staarde Jason aan, alsof hij hem voor het eerst zag. ‘Wie ben je?’ vroeg hij. Tin wat kom je hier doen?’

Er was een koude dreiging in zijn woorden en Jason begreep waarom. De Pyrranen uit de stad haatten de vreters en zonder twijfel was dit gevoel wederzijds. Naxa’s bijl had dat wel bewezen. Terwijl zij praatten was Naxa zwijgend naderbij gekomen en stond daar met zijn vingers om de steel van dezelfde bijl. Jason wist dat zijn leven nog steeds gevaar liep tot hij een antwoord gaf dat deze mensen tevreden stelde.

Hij kon de waarheid niet vertellen. Als zij eenmaal vermoedden dat hij hier aan het spioneren was om de mensen uit de stad te helpen, zou het afgelopen zijn. Niettemin moest hij vrij zijn om over het overlevingsprobleem te praten.

Het antwoord kwam in hem op zodra hij voor dit probleem geplaatst werd. Dit alles had maar een ogenblik van overweging gekost, terwijl hij zich omkeerde naar de invalide en hij antwoordde meteen. Hij probeerde zijn stem normaal en ongedwongen te laten klinken.

‘Ik ben Jason dinAlt, een ecoloog, dus je ziet dat ik de beste redenen van het heelal heb om deze planeet te bezoeken.’

‘Wat is een ecoloog?’ onderbrak Rhes. Er was niets in zijn stem om te kunnen vaststellen of hij de vraag ernstig meende, of dat het als een val bedoeld was. Alle sporen van het gemak van hun eerdere gesprek waren weg; zijn stem had een klank, dodelijk als het gif van een steekvleugel.

Jason koos zijn woorden zorgvuldig. ‘Eenvoudig gezegd is het die tak van biologie die de relaties tussen de organismen en hun omgeving bestudeert. Hoe klimatologische en andere factoren de vormen van leven beïnvloeden en hoe de levensvormen op hun beurt elkaar en hun omgeving beïnvloeden.’ Dat was allemaal waar — maar eerlijk gezegd wist hij niet veel méér over dit onderwerp, daarom ging hij snel op iets anders over.

‘Ik hoorde verslagen over deze planeet, en kwam tenslotte hier om het uit de eerste hand te bestuderen. Ik deed zoveel mogelijk werk in de stad, maar dat was niet genoeg. De mensen daar denken dat ik gek ben, maar zij gaven mij tenslotte toestemming om hierheen te gaan.’

‘Wat voor regeling is er getroffen voor je terugkeer?’ snauwde Naxa.

‘Geen enkele,’ zei Jason. ‘Ze waren er zeker van dat ik onmiddellijk gedood zou worden en dachten niet dat ik terug zou keren. Zij wilden me niet laten gaan en ik moest losbreken.’

Dit antwoord scheen Rhes tevreden te stellen en op zijn gezicht brak een trieste glimlach door. ‘Natuurlijk dachten ze dat, die rotzooiers kunnen geen meter buiten hun muren zonder een gepantserde machine zo groot als een schuur. Wat hebben ze je over ons verteld?’

Weer wist Jason dat zijn lot van zijn antwoord afhing. Deze keer dacht hij zorgvuldig na voor hij begon te spreken.

‘Nou, misschien krijg ik de bijl in mijn nek voor deze woorden, maar ik moet eerlijk zijn. Jullie moeten wel weten wat zij denken. Zij zeiden dat jullie vuile en stomme wilden waren — die stonken. En jullie nou — hadden vreemde manieren om met dieren om te gaan. In ruil voor voedsel, leverden zij jullie kralen en messen ...’

Beide Pyrranen barstten in een schaterend gelach uit. Rhes hield gauw weer op, hij was nog zwak, maar Naxa lachte tot hij begon te hoesten en water over zijn hoofd moest gooien uit een kalebaskruik.

‘Dat wil ik graag geloven,’ zei Rhes. ‘Het zijn precies de stommiteiten die zij zouden zeggen. Die mensen weten niets van de wereld waarin zij leven. Ik hoop dat de rest van wat je zei waar is, maar zelfs als dat niet zo is, ben je hier welkom. Je bent van een andere planeet, dat weet ik. Een rotzooier zou de moeite niet hebben genomen om mijn leven te redden. Je bent de eerste buitenwerelder die mijn volk ooit gekend heeft en daarom ben je dubbel welkom. We zullen je op alle mogelijke manieren helpen. Mijn arm is jouw arm.’

Deze laatste woorden hadden een rituele klank en toen Jason ze herhaalde knikte Naxa goedkeurend. Tegelijkertijd voelde Jason dat ze meer waren dan een zinloos ritueel. Onderlinge afhankelijkheid betekende overleven op Pyrrus en hij wist dat deze mensen elkaar bijstonden tot de dood tegen de moordende gevaren rond hen. Hij hoopte dat het ritueel hem binnen de beschermsfeer had gehaald.

‘Dat is genoeg voor vannacht,’ zei Rhes. ‘De spikkelziekte heeft me verzwakt, en je medicijnen hebben me nog slapper gemaakt. Je blijft hier, Jason. Daar ligt een deken, maar nog geen bed, voorlopig.’

Enthousiasme had Jason tot dusver overeind gehouden en had hem de inspanning bij de dubbele zwaartekracht van de hele dag doen vergeten. Nu sloeg de vermoeidheid hem neer. Hij herinnerde zich vaag dat hij voedsel afsloeg en zich in een deken op de grond rolde. Daarna vergetelheid.

17

Iedere vierkante centimeter van zijn lichaam deed pijn, waar de dubbele zwaartekracht zijn lichaam op het harde hout van de vloer gedrukt had. Zijn ogen waren gezwollen en hij had een onbeschrijfelijke smaak in zijn mond die er in wolkjes uitkwam. Overeind komen was een krachtsinspanning en hij moest een kreun onderdrukken toen zijn gewrichten kraakten.

‘Goedemorgen Jason,’ riep Rhes van het bed. ‘Als ik niet zo sterk in medicijnen geloofde, zou ik geneigd zijn te zeggen dat er een wonder in je machine zit dat mij in een nacht genezen heeft.’

Er was geen twijfel aan dat hij herstellende was. De ontstoken vlekken waren verdwenen en het brandende licht was uit zijn ogen. Hij zat op zijn bed naar de morgenzon te kijken die de hagelbui van de nacht op de velden deed smelten. ‘Er is vlees in de kast daar en water of visk om te drinken.’

De visk bleek gedistilleerd te zijn van buitengewone kracht die onmiddellijk de mist in Jasons hoofd deed opklaren, hoewel er wel een zacht gefluit in zijn oren overbleef. En het vlees was een zacht, gerookt stuk, het beste voedsel dat hij geproefd had sinds hij Darkhan had verlaten. Alles bij elkaar genomen gaven zij hem zijn vertrouwen in het leven en de toekomst terug. Hij zette zijn glas met een bevrijde zucht neer en keek rond.

Tegelijk met het verdwijnen van de druk van de onmiddellijke overleving en de uitputting, keerden zijn gedachten automatisch terug naar zijn probleem. Wat waren deze mensen werkelijk — en hoe hadden zij het klaargespeeld in leven te blijven in de dodelijke wildernis? In de stad had men hem verteld dat ze wilden waren. Toch zat er een zorgvuldig onderhouden zendinstallatie aan de muur. En naast de deur stond een kruisboog, die machinaal gefabriceerde pijlen afschoot. Hij kon de indrukken van de machine duidelijk op de schachten zien. Het enige wat hij nodig had was meer informatie. Hij kon beginnen met een van zijn foutieve informaties kwijt te raken.

‘Rhes, je lachte toen ik je vertelde wat de mensen uit de stad zeiden over het ruilen van kralen voor voedsel. Wat ruilen zij in werkelijkheid met jullie?’

‘Alles, binnen bepaalde grenzen,’ zei Rhes. ‘Kleine gefabriceerde artikelen zoals elektronische onderdelen voor onze zenders. Roestvrije legeringen die wij niet kunnen maken in onze smeltovens, snijwerktuigen, kernelektriciteitskrachtbronnen die energie produceren uit elk radioactief element. Zulke dingen. Binnen het redelijke ruilen ze alles wat we vragen als dat niet op de verboden lijst staat. Zij hebben het voedsel hard nodig.’

‘En de goederen op de verboden lijst?’

‘Wapens natuurlijk, of alles wat je kunt gebruiken om wapens te maken. Zij weten dat wij buskruit maken, dus krijgen we geen gegoten of naadloze buis waar we zware lopen van zouden kunnen maken. We draaien onze eigen geweerlopen met de hand, hoewel de kruisboog in het oerwoud stiller en sneller is. En dan willen ze ons ook niet al te veel laten weten, daarom is het enige leesmateriaal dat we krijgen technische onderhoudshandleidingen, zonder enige elementaire theorie.

‘De laatste soort op de lijst weet je: medicijnen. Dat is het enige wat ik niet begrijp, en dat mijn haat doet branden bij elk sterfgeval dat zij hadden kunnen voorkomen.’

‘Ik ken hun redenen,’ zei Jason.

‘Vertel ze me dan, want ik kan er geen een bedenken.’

‘Overleven — meer niet. Ik betwijfel of je beseft dat ze een teruglopende bevolking hebben. Het is alleen een kwestie van jaren voor ze verdwenen zullen zijn. Daarentegen moet jullie bevolking tenminste op hetzelfde peil blijven — zo die al niet langzaam toeneemt — een bevolking die blijft bestaan zonder al hun technische bescherming. Daarom haten ze jullie in de stad en tegelijkertijd zijn ze jaloers. Als ze jullie medicijnen gaven en het jullie goed ging, zouden jullie de slag winnen die zij verloren hebben. Ik veronderstel dat ze jullie tolereren als een noodzakelijk kwaad om hun van voedsel te voorzien. Voor de rest wensen ze jullie allemaal dood.’

‘Dat is te begrijpen,’ gromde Rhes, terwijl hij met zijn vuist tegen het bed sloeg. ‘Het soort verdraaide logica dat je van die rotzooiers kunt verwachten. Zij gebruiken ons om zich te kunnen voeden, geven ons het absolute minimum in ruil en tegelijkertijd snijden ze ons af van de kennis die ons uit dit van-de-hand-in-de-tand leven kan krijgen. Wat erger is, veel erger, zij snijden ons af van de sterren en de rest van de mensheid.’ De haat op zijn gezicht was zo groot dat Jason onwillekeurig achteruit week.

‘Denk jij dat wij hier wilden zijn, Jason? We gedragen ons als beesten en zien eruit als beesten omdat we voor ons bestaan moeten vechten op dierlijk niveau. Toch weten we van de sterren. In die kist daar, verzegeld in metaal, liggen meer dan dertig boeken, alles wat we hebben. De meeste ervan zijn romans, met wat geschiedenis en algemene wetenschap. Net genoeg om de verhalen over de nederzetting en de rest van het heelal levend te houden. We zien de schepen in de stad landen en we weten dat er daarboven andere werelden zijn waar we alleen van kunnen dromen en die we nooit zullen zien. Verwondert het je dan dat we die beesten die zichzelf mensen noemen haten, en dat we ze in een klap zouden vernietigen als we de kans kregen? Ze hebben gelijk dat ze de wapens bij ons vandaan houden — want zo zeker als de zon ’s morgens opgaat, zouden we ze tot de laatste man vermoorden als we konden, en de dingen in bezit nemen die zij ons onthouden.’

Het was een hard oordeel, maar in beginsel waar. Vanuit het gezichtspunt van een buitenstaander dan. Jason probeerde de boze man niet uit te leggen dat de stadspyrranen hun houding als de enig juiste en enig logische beschouwden.

‘Hoe is deze oorlog tussen jullie twee groepen eigenlijk ontstaan?’ vroeg hij.

‘Ik weet het niet,’ zei Rhes. ‘Ik heb er vaak over nagedacht, maar er zijn geen documenten uit die tijd. We weten wel dat we afstammen van de kolonisten die hier allemaal tegelijk zijn gekomen. Ergens, op een keer, zijn de twee groepen uit elkaar gegaan. Misschien was het een oorlog, ik heb daarover gelezen in de boeken. Ik heb een gedeeltelijke theorie, hoewel ik die niet kan bewijzen, dat het ging om de plaats van de stad.’

‘De plaats van de stad? Dat begrijp ik niet.’

‘Nou, je kent de rotzooiers en je hebt gezien waar hun stad ligt. Zij kregen het voor elkaar om die precies in het midden van de gevaarlijkste plek van deze planeet neer te zetten. Je weet dat ze niets om levende wezens geven, behalve om zichzelf; schieten en doden is hun enige logica. Ze wilden er niet bij stilstaan waar zij hun stad precies moesten bouwen, en zo kregen ze het voor elkaar hem op de stomste plaats te bouwen die je je kunt voorstellen. Ik ben er zeker van dat mijn voorvaderen zagen hoe stom dit was en hun dat probeerden te vertellen. Dat zou reden genoeg zijn voor een oorlog, denk je niet?’ ‘Misschien wel — als het echt zo gegaan is,’ zei Jason. ‘Maar ik denk dat je het probleem omdraait. Het is een oorlog tussen het oorspronkelijke Pyrraanse leven en de mensen en ieder vecht om de ander te vernietigen. De levensvormen veranderen steeds en zijn uit op de uiteindelijke vernietiging van de indringer.’

‘Jouw theorie is nog fantastischer dan de mijne,’ zei Rhes. ‘Dat is helemaal niet waar. Ik geef toe dat het leven op deze planeet niet gemakkelijk is — als het waar is wat ik in de boeken over andere planeten gelezen heb — maar het verandert niet. Je moet snel ter been zijn en je ogen goed openhouden voor alles wat groter is dan jezelf, maar je kunt in leven blijven. In ieder geval, het doet er niet toe waarom, de rotzooiers zijn op moeilijkheden uit geweest. Ik ben blij te zien dat ze er nu genoeg hebben.’

Jason probeerde niet verder op dit punt in te gaan. Het was niet de moeite waard Rhes’ houding in de grond te veranderen — als het al mogelijk was. Hij was er niet in geslaagd om in de stad iemand te overtuigen van de dodelijke mutaties, zelfs toen zij de feiten konden overzien, maar Rhes kon nog steeds informatie leveren.

‘Ik geloof wel dat het niet belangrijk is wie de strijd begon,’ zei Jason om de andere man tevreden te stellen, maar hij meende er geen woord van. ‘Maar je zult het met me eens moeten zijn dat de stadsmensen permanent in oorlog zijn met al het plaatselijke leven. Jullie echter zijn erin geslaagd om in ieder geval met twee soorten die ik gezien heb goeie maatjes te worden. Heb je er enig idee van hoe dat gegaan is?’

‘Naxa zal zo hier zijn,’ zei Rhes, en wees naar de deur. ‘Zodra hij klaar is met de dieren. Vraag het hem. Hij is de beste prater die we hebben.’

‘Prater?’ vroeg Jason. ‘Ik had het tegenovergestelde idee over hem. Hij praatte niet veel en wat hij zei was soms een beetje moeilijk te verstaan.’

‘Niet dat soort praten,’ onderbrak Rhes ongeduldig. ‘De praters passen op de dieren. Zij trainen de honden en de doryms, en de betere zoals Naxa proberen altijd met de andere beesten te werken. Zij kleden zich primitief, maar dat moeten zij wel. Ik heb ze horen zeggen dat de dieren niet van synthetische stoffen, metaal of gelooid leer houden, daarom dragen zij voor het grootste gedeelte ongelooide bontvellen. Maar laat het vuil je niet misleiden, het heeft niets met zijn verstand te maken.’ ‘Doryms? Zijn dat jullie lastdieren, waarmee we hierheen reden?’

Rhes knikte. ‘Doryms zijn meer dan lastdieren, ze zijn eigenlijk een beetje van alles. De grote mannetjesdieren trekken de ploeg en andere machines, terwijl de jonge dieren voor het vlees gebruikt worden. Als je meer wilt weten vraag het aan Naxa. Je kunt hem in de schuur vinden.’

‘Dat zou ik wel willen,’ zei Jason, terwijl hij opstond. ‘Ik voel me alleen zo ongekleed zonder mijn pistool.’

‘Pak hem, ga je gang, hij ligt in de kist naast de deur. Kijk alleen uit wat je hier neerschiet.’

Naxa was achter in de schuur een van de puntige teennagels van een dorym aan het afvijlen. Het was een vreemd gezicht. De in bont geklede man met het grote beest — en als contrast de beryllium-koperen vijl en de elektroluminescerende plafondplaten die de schuur verlichtten. De dorym sperde zijn neusgaten open toen Jason binnenkwam en wilde weg. Naxa klopte op zijn hals en praatte zachtjes totdat hij rustiger werd en stilstond, nog wel een beetje huiverend.

Er kwam iets in Jasons hersenen in beweging, hij had het gevoel dat een in lang niet gebruikte spier gespannen werd. Een gewaarwording die hem angstig bekend voor kwam.

‘Goedemorgen,’ zei Jason. Naxa gromde iets en ging door met vijlen. Jason bleef een tijdje staan kijken en probeerde het nieuwe gevoel te analyseren. Het jeukte en gleed weg toen hij het wilde pakken en glipte weg. Wat het ook was, het was begonnen toen Naxa tegen de dorym praatte.

‘Naxa, kun je misschien een van de honden hier roepen, ik zou er graag een van dichtbij willen zien.’

Zonder zijn hoofd op te heffen floot Naxa zachtjes. Jason was er zeker van dat het buiten de schuur niet hoorbaar was. Toch sloop er binnen een minuut een van de Pyrraanse honden naar binnen. De prater wreef het dier over de kop en sprak vriendelijk tegen hem, terwijl het dier gespannen in zijn ogen keek.

Toen Naxa weer aan het werk ging met de dorym werd de hond rusteloos. Hij sloop snuffelend in de schuur rond en ging snel op de openstaande deur af. Jason riep hem terug. Tenminste, hij wilde hem terugroepen. Op het laatste moment zei hij niets. Niet overhard tenminste. In een plotselinge opwelling hield hij zijn mond dicht — hij riep hem alleen in gedachten. Hij dacht: ‘Kom hier’ en richtte de gedachtenstoot op het dier met alle kracht en precisie die hij ooit gebruikt had om de dobbelstenen te beïnvloeden. Terwijl hij dat deed besefte hij dat het lang geleden was dat hij er zelfs maar over gedacht had zijn psi-kracht te gebruiken.

De hond bleef staan en keerde zich naar hem om.

Hij aarzelde, keek naar Naxa en liep toen naar Jason toe. Van zo dichtbij was de hond een dier uit een nachtmerrie. De kale beschermende schubben, de roodomrande ogen en de ontelbare van speeksel druipende tanden boezemden hem weinig vertrouwen in. Toch voelde Jason geen vrees.

Er was een relatie tussen man en hond die vanzelf sprak. Zonder zich ervan bewust te zijn, strekte hij zijn hand uit en krabde de hond op zijn rug, waar hij wist dat het jeukte.

‘Wist niet dat je een prater was,’ zei Naxa. Tewijl hij naar hem keek was er voor het eerst een soort vriendschap in zijn stem.

‘Ik wist het ook niet — tot nu toe,’ zei Jason. Hij keek in de ogen van het dier voor hem, krabde op de lelijke hobbelige rug en begon het te begrijpen.

De praters moesten goed ontwikkelde psi-krachten hebben, dat was nu wel duidelijk. Er bestaat geen barrière van ras of uiterlijk wanneer twee levende wezens hun emoties met elkaar delen. Eerst meevoelen, zodat er geen haat of angst zou zijn. Daarna directe communicatie. De praters waren misschien degenen die het eerst de barrière van haat op Pyrrus doorbroken hadden en die geleerd hadden met de oorspronkelijke dieren en planten te leven. Anderen konden hun voorbeeld gevolgd hebben — dit zou misschien de verklaring voor het ontstaan van de gemeenschap van vreters zijn.

Nu hij zich erop concentreerde was Jason zich bewust van het zachte golven van allerlei gedachten om hem heen. Het bewustzijn van de dorym stemde overeen met andere soortgelijke patronen in het achterste gedeelte van de schuur. Hij wist zonder buiten te gaan kijken dat er meer grote beesten daar achter in het veld waren.

‘Dit is helemaal nieuw voor mij,’ zei Jason. ‘Heb je er ooit over nagedacht, Naxa? Hoe voelt het om een prater te zijn? Ik bedoel: weet je waarom de dieren je gehoorzamen, terwijl het andere mensen helemaal niet lukt?’

Dit soort redeneren was te moeilijk voor Naxa. Hij haalde zijn vingers door zijn dikke haar en keek dreigend toen hij antwoordde: ‘Nooit over nagedacht. Doe het gewoon. Moet het beest goed leren kennen, kan je aanvoelen wat ze gaan doen. Dat is alles.’

Het was duidelijk dat Naxa nog nooit nagedacht had over de oorsprong van zijn bekwaamheid om met de dieren om te gaan. En als hij het niet gedaan had, zou niemand anders het waarschijnlijk wel gedaan hebben. Zij hadden er geen reden voor. Zij accepteerden eenvoudig de kracht van praters als een heel gewoon feit. Ideeën schoven langs elkaar heen in zijn geest, als stukjes van een puzzle die in elkaar pasten. Hij had tegen Kerk gezegd dat het oorspronkelijke leven van Pyrrus zich aaneengeschaard had in de strijd tegen de mens, hij wist niet waarom. Nou, hij wist nog steeds niet waarom, maar hij kreeg er enig idee van hoe het gegaan was.

‘Hoever zijn we hier ongeveer van de stad?’ vroeg Jason. ‘Heb je enig idee hoe lang het duurt om er per dorym heen te gaan?’

‘Halve dag heen — halve dag terug. Waarom? Wil je erheen?’

‘Ik wil de stad niet in, nog niet. Maar ik wil er wel dichtbij komen,’ zei Jason.

‘Kijk maar wat Rhes zegt,’ was Naxa’s antwoord.

Rhes gaf onmiddellijk zijn goedkeuring zonder enige vraag te stellen. Zij zadelden de doryms en gingen meteen op weg om de hele trip voor het donker werd achter de rug te hebben.

Zij waren nog geen uur op weg toen Jason al wist dat ze in de richting van de stad gingen. Met iedere minuut werd het gevoel sterker. Naxa merkte het ook en schoof onrustig in het zadel heen en weer. Zij moesten hun rijdieren voortdurend op de hals kloppen en geruststellen, omdat ze schichtig en rusteloos werden.

‘Dit is ver genoeg,’ zei Jason. Naxa stopte dankbaar.

De ongeformuleerde gedachte hamerde door Jasons hoofd en nam het helemaal in bezit. Hij voelde het aan alle kanten om zich heen — alleen nog veel sterker voor hem uit, in de richting van de onzichtbare stad. Naxa en de doryms reageerden op dezelfde manier, waren rusteloos en niet op hun gemak, zonder de reden te weten.

Een ding was nu duidelijk, de Pyrraanse dieren waren gevoelig voor psi-straling — waarschijnlijk de planten en de lagere levensvormen ook. Misschien was het hun manier van communicatie, aangezien zij de mensen gehoorzaamden die er een strenge controle over hadden. En in deze omgeving was er een uitstraling van psi-kracht zoals hij nog nooit te voren had gevoeld. Hoewel zijn persoonlijke talenten meer de kant van de psychokinese uitgingen — de mentale controle van onbezielde materie — was hij toch nog steeds gevoelig voor de meeste mentale verschijnselen. Bij het kijken naar een sportevenement had hij dikwijls een eenstemmige verbondenheid van geest gevoeld. Wat hij nu voelde was iets dergelijks.

Alleen verschrikkelijk verschillend. Een menigte jubelde bij een of ander succes op het sportveld, en kreunde bij een misser. Dat gevoel wisselde en veranderde bij het voortgaan van de wedstrijd. Hier was de gedachte-uitstraling oneindig, sterk en angstaanjagend. Het was niet goed in woorden om te zetten. Het was gedeeltelijk haat, gedeeltelijk angst en helemaal vernietiging.

‘DOOD DE VIJAND’ was zo nabij als Jason het kon uitdrukken, maar het was meer. Een oneindige stroom van mentale razernij en moordlust.

‘Laten we nu teruggaan,’ zei hij, plotseling ziek en misselijk van de gevoelens die hij door zich heen had laten spoelen. Toen zij op de terugweg waren begon hij veel dingen te begrijpen.

Zijn plotselinge onbeschrijfelijke angst toen het Pyrraanse beest hem die eerste dag op de planeet was aangevallen En zijn steeds terugkerende nachtmerries, die nooit helemaal verdwenen, zelfs niet met de pillen. Beide waren zij reactie op de haat die tegen de stad gericht was. Hoewel hij het om een of andere reden nog niet direct gevoeld had, was er genoeg tot hem doorgedrongen om een sterke emotionele reactie te veroorzaken.

Rhes sliep toen zij terugkwamen en Jason kon pas de volgende dag met hem praten. Ondanks zijn vermoeidheid van de reis, bleef hij wakker tot laat in de nacht en liet zijn gedachten gaan over de ontdekkingen van die dag. Kon hij Rhes vertellen wat hij uitgevonden had? Niet zo goed. Als hij dat deed zou hij het belang van zijn ontdekking moeten uitleggen en waar hij het voor wilde gebruiken. Alles wat de inwoners van de stad zou helpen zou Rhes niet in het minst aanspreken. Het was het beste om niets te zeggen totdat de hele zaak voorbij was.

18

Na het ontbijt vertelde hij Rhes dat hij naar de stad terugwilde.

‘Dan heb je dus genoeg van onze barbaarse wereld en wil je terug naar je vrienden. Om hen te helpen ons uit te roeien misschien?’ Rhes zei het op luchtige toon maar er was een ondertoon van koude boosaardigheid in zijn stem.

‘Ik hoop dat je dat niet echt denkt,’ zei Jason. ‘Je moet begrijpen dat het tegendeel waar is. Ik zou graag zien dat deze burgeroorlog ophield en dat jouw volk al de voordelen van de technische en medische wetenschap kreeg die jullie onthouden zijn. Ik zal alles doen om dat voor elkaar te krijgen.’

‘Ze zullen toch nooit veranderen,’ zei Rhes somber. ‘Dus verspil je tijd maar niet. Er is echter één ding dat je moet doen, voor je eigen veiligheid en voor die van ons. Geef niet toe, ook niet in bedekte termen, dat je met vreters gepraat hebt.’

‘Waarom niet!’

‘Waarom niet — Dat is je dood! Ben je dan zo simpel? Zij zullen alles doen om ons niet te ver te laten komen en zouden er de voorkeur aan geven als wij allemaal dood waren. Dacht je dat ze dan zouden aarzelen om jou te doden, als ze ook maar veronderstellen dat je met ons gepraat hebt? Ze beseffen dat jij — ook al besef je het zelf niet — in je eentje de hele krachtsverhouding op de planeet kan wijzigen. De gewone rotzooier mag dan van ons denken als weinig verheven boven de dieren, de denkende leiders niet. Zij weten wat wij nodig hebben en wat we willen. Zij kunnen waarschijnlijk precies raden wat ik je nu ga vragen.

‘Help ons, Jason dinAlt. Ga terug naar deze menselijke varkens en lieg. Zeg dat je nooit met ons gepraat hebt, dat je je verborgen hebt in het bos en dat we je aanvielen en dat je moest schieten om jezelf te beschermen. We zullen een paar verse lijken neerleggen om dat deel van je verhaal geloofwaardig te maken. Laat ze je geloven en zelfs als je denkt dat je ze overtuigd hebt, speel dan het spel verder want wij zullen je in de gaten houden. Vertel ze dan dat je klaar bent met je werk en gereed om te vertrekken. Raak veilig van Pyrrus weg, naar een andere planeet en ik beloof je alles in het heelal. Wat je ook maar wilt, je zult het krijgen, Macht, geld — alles.

‘Dit is een rijke planeet. De rotzooiers hebben mijnen en verkopen het metaal, maar wij zouden het veel beter kunnen. Breng een ruimteschip hier terug en land ergens op dit vasteland. We hebben geen steden maar onze mensen hebben overal boerderijen en zij zullen je vinden. We zullen dan zelf handel hebben en verkeer. Dat is wat wij willen en waar we hard voor willen vechten. En jij zult dat dan gedaan hebben. Wat je ook wilt, we zullen het je geven. Dit is een belofte, en wij verbreken geen beloften.’

De heftigheid en de draagwijdte van wat hij beschreef deden Jason wankelen. Hij wist dat Rhes de waarheid sprak en dat alle bronnen van de planeet van hem zouden zijn; als hij deed wat werd gevraagd. Een moment werd hij verleid; proefde de gedachte hoe het zou zijn. Toen drong het tot hem door dat het een halve macht zou zijn, en een armzalige bovendien. Als deze mensen de kracht hadden die zij wilden, zou hun eerste daad een poging zijn de stadsmensen uit te roeien. Het resultaat zou een bloedige burgeroorlog worden, die hen waarschijnlijk allebei zou vernietigen. Rhes’ antwoord was een goed antwoord, maar het was een half antwoord.

Jason moest een betere oplossing vinden. Een die een eind zou maken aan al het vechten op de planeet en een die ervoor zou zorgen dat de twee groepen mensen in vrede zouden leven.

‘Ik zal niets doen dat jouw volk onrecht doet, Rhes — en alles wat in mijn macht ligt om hen te helpen,’ zei Jason.

Dit halve antwoord stelde Rhes tevreden, die er maar één uitleg aan kon geven. Hij bracht de rest van de ochtend door aan de communicator, met het bestellen van de voedselvoorraden die naar de ruilplaats gebracht moesten worden.

‘De voorraden zijn klaar en we hebben het teken gegeven,’ zei hij. ‘De truck zal morgen hier zijn en jij daar in de buurt. Alles is geregeld zoals ik je verteld heb. Je gaat nu met Naxa op weg. Je moet op de ontmoetingsplaats zijn voor de trucks komen.’

19

‘Trucks bijna hier. Weet wat je moet doen?’ vroeg Naxa. Jason knikte en keek nog eens naar de dode man. Een of ander beest had zijn arm afgerukt en hij was doodgebloed. De afgerukte arm was in de mouw van zijn shirt gebonden, zodat het er van een afstand normaal uitzag. Deze afgescheurde arm plus de witte huid en de geschrokken uitdrukking op het gezicht van zo dichtbij gezien gaven Jason een akelig gevoel. Hij zag zijn lijken liever veilig begraven. Hoewel, het belang ervan vandaag kon hij begrijpen.

‘Daar zijn ze. Wacht tot hij met zijn rug naar je toestaat,’ fluisterde Naxa.

De gepantserde truck had ditmaal drie krachttrailers op sleeptouw. De trein maalde tegen de rots op en kwam gierend tot stilstand. Krannon klom uit de cabine en keek zorgvuldig om zich heen voordat hij de aanhangwagens opende. Hij had een laadrobot bij zich om hem te helpen met het stouwen. ‘Nu!’ siste Naxa.

Jason rende het open gedeelte op en riep Krannons naam.

Er klonk gekraak achter hem toen twee van de verborgen mannen het lijk door het gebladerte achter hem aan gooiden. Hij keerde zich om en vuurde zonder stil te staan en deed het ding midden in de lucht ontbranden. Het knallen van een andere revolver klonk toen Krannon vuurde; zijn schot schokte het voor de tweede keer gestorven lichaam voor het op de grond terecht kwam. Toen viel hij plat voorover en vuurde achter de rennende Jason in de bomen.

Net toen Jason de truck bereikte zoemde er iets en trok er een felle pijn door zijn rug en smakte hem tegen de grond. Hij keek achterom toen Krannon hem de truck indroeg en zag de metalen schacht van een kruisboogpijl uit zijn schouder steken.

‘Geluk gehad,’ zei de Pyrraan. ‘Een centimeter lager en je hart zou geraakt zijn. Ik heb je gewaarschuwd voor de vreters. Je hebt geluk dat je er zo afkomt.’

Hij lag naast de deur en vuurde schoten af in het stille bos. Het verwijderen van de pijl deed meer pijn dan het binnendringen. Jason vervloekte de pijn toen Krannon een verband aanlegde en bewonderde de doelbewustheid van de mensen die op hem geschoten hadden. Ze hadden zijn leven op het spel gezet om de vlucht er echt uit te laten zien. En zij riskeerden ook de kans dat hij zich tegen hen zou keren als hij geraakt was. Zij deden hun werk helemaal en grondig en hij vervloekte hen om hun nauwgezetheid.

Krannon klom behoedzaam uit de truck nadat Jason was verbonden. Hij laadde de rest snel in en startte de trein van trailers terug naar de stad. Jason kreeg een pijnstillende injectie en doezelde meteen in slaap toen zij weggingen. Krannon moest naar de stad geseind hebben terwijl hij sliep, want toen zij aankwamen wachtte Kerk hen op. Zodra de truck binnen de ringmuur was, rukte hij de deur open en trok Jason naar buiten. Het verband scheurde los en Jason voelde de wond opengaan. Hij klemde zijn tanden op elkaar; Kerk zou niet het genoegen smaken hem te horen schreeuwen van pijn.

‘Ik heb je gezegd in de gebouwen te blijven tot het schip zou vertrekken. Waarom ben je weggegaan? Waarom kwam je naar buiten? Je hebt met de vreters gepraat — is het niet zo?’

Bij iedere vraag schudde hij Jason door elkaar.

‘Ik heb met — niemand gepraat,’ wist Jason uit te brengen. ‘Ze probeerden me te pakken te krijgen. Ik heb er twee neergeschoten — en me toen verborgen tot de trucks terugkwamen.’

‘Je raakte er toen nog een,’ zei Krannon. ‘Ik heb het gezien. Goed geschoten. Denk dat ik er ook nog een paar geraakt heb. Laat hem gaan, Kerk, zij schoten hem in zijn rug voor hij de truck kon bereiken.’

Genoeg uitleg, dacht Jason bij zichzelf. Overdrijf het niet. Laat hem er maar even over nadenken. Nu is het tijd om van onderwerp te veranderen. Er is één ding dat zijn gedachten van de vreters afleidt.

‘Ik heb jouw oorlog voor je gevochten, Kerk, terwijl jij veilig binnen de ommuring was.’ Jason viel terug tegen de zijkant van de truck toen de ander zijn greep liet verslappen. ‘Ik heb gevonden waar jullie strijd met deze planeet eigenlijk om gaat — en hoe je hem kunt winnen. Laat me nou zitten, dan zal ik het je vertellen.’

Er waren meer Pyrranen om hen heen komen staan terwijl zij praatten. Geen van allen bewoog zich nu. Net als Kerk stonden ze als bevroren naar Jason te kijken. Toen Kerk sprak, deed hij dat namens allen.

‘Wat bedoel je?’

‘Precies wat ik zeg. Pyrrus vecht tegen jullie — letterlijk en bewust. Ga ver genoeg van deze stad vandaan en je kunt de golven van haat voelen die ertegen gericht zijn.

‘Nee, dat is verkeerd — dat kun je niet, want je bent er mee opgegroeid. Maar ik kan het wel, als ieder ander die op een of andere manier psi-gevoelig is. Onafgebroken wordt er een oorlogsverklaring naar jullie uitgestraald. De levensvormen van deze planeet zijn psi-gevoelig en zij reageren op dat bevel. Ze vallen aan en veranderen en muteren om wille van jullie vernietiging. En dat zullen ze blijven doen tot jullie allemaal dood zijn. Tenzij je een eind aan deze oorlog kunt maken.’

‘Hoe?’ snauwde Kerk en ieder gezicht vertoonde dezelfde vraag.

‘Door uit te vinden wie of wat deze boodschap zendt. De levensvormen die je aanvallen hebben geen redelijk intellect. Ze worden gedwongen om dit te doen. Ik geloof dat ik weet hoe ik de bron van deze bevelen kan vinden. Daarna is het zaak om zelf een boodschap over te brengen, en een wapenstilstand te vragen, voor een uiteindelijk staken van de vijandelijkheden.’

Er volgde een dodelijke stilte op zijn woorden, toen de Pyrranen deze gedachten probeerden te bevatten. Kerk bewoog zich het eerst en wuifde hen allen uit de weg.

‘Ga weer aan je werk. Dit is mijn verantwoording en ik zal het behandelen. Zodra ik uitgevonden heb wat hiervan waar is — als er al iets van waar is — zal ik er een compleet verslag van maken.’ De mensen dropen stilletjes af en keken nu en dan om.

20

‘Begin bij het begin,’ zei Kerk. ‘En laat niets weg.’

‘Er is weinig meer dat ik aan de concrete feiten kan toevoegen, ik heb de dieren gezien en hun boodschap begrepen. Zelfs heb ik met sommige geëxperimenteerd en ze reageerden op mijn mentale bevelen. Wat me nu te doen staat is de bron van de bevelen op te sporen, die deze oorlog op gang houden.

‘Ik zal je iets vertellen. Ik heb het nog nooit aan iemand anders verteld. Niet met gokken alleen ben ik gelukkig. Ik heb genoeg psi-vermogen om de waarschijnlijkheid te mijnen gunste te wijzigen. Het is een zwevende kracht die ik om voor de hand liggende redenen heb proberen te ontwikkelen. In de laatste tien jaar is het me gelukt aan alle centra die aan psi-onderzoek doen te studeren. Vergeleken met andere takken van wetenschap weten ze er verbazend weinig van. Elementaire psi-talenten kunnen worden ontwikkeld door oefening en er zijn wat machines ontwikkeld die werken als psionische versterkers. Eén hiervan, mits goed gebruikt, is een heel goede richtingzoeker.’

‘En zo’n machine wil je bouwen?’ vroeg Kerk.

‘Precies. Hem bouwen en mee de stad uit nemen in het schip. Ieder signaal dat sterk genoeg is om deze eeuwenoude strijd aan de gang te houden zal ook sterk genoeg zijn voor opsporing. Ik zal het volgen. In contact treden met de wezens die het uitzenden en trachten uit te vinden waarom ze dat doen. Ik neem aan dat je akkoord gaat met ieder redelijk plan, dat een eind maakt aan deze oorlog?’

‘Alles wat redelijk is,’ zei Kerk koud. ‘Hoe lang duurt het voor je deze machine gebouwd hebt?’

‘Een paar dagen maar, als je al de onderdelen hier hebt,’ zei Jason.

‘Doe het dan maar; ik zal het vertrek van het schip uitstellen en het hier in gereedheid houden. Als de machine klaar is, moet je dat signaal opsporen en aan mij verslag uitbrengen.’

‘Afgesproken,’ zei Jason en stond op. ‘Zodra er naar dit gat in mijn rug gekeken is, zal ik een lijst opstellen van de benodigde dingen.’

Een grimmige man zonder een glimlach, genaamd Skop, werd aangesteld als Jasons gids en bewaker. Hij vatte zijn taak heel ernstig op, en Jason begreep al gauw dat hij een loslopende gevangene was. Kerk had zijn verhaal aanvaard, maar dat garandeerde nog niet dat hij het geloofde. Met een enkel woord van hem kon de bewaker in een beul verkeren.

De kille gedachte kwam in Jason op dat dit ongetwijfeld naderhand gebeuren zou. Of Kerk het verhaal nu wel of niet aanvaardde, een risico kon hij zich niet veroorloven. Zolang er de geringste mogelijkheid bestond dat Jason met de vreters in verbinding had gestaan, mocht hij de planeet niet levend verlaten. De bosmensen waren naïef wanneer ze dachten dat zulk een doorzichtig plan als dit kon slagen. Of hadden ze er gewoon op gegokt dat het heel misschien toch een kans van slagen had? Zij hadden er in elk geval niets bij te verliezen.

Slechts de helft van Jasons gedachten werd in beslag genomen door zijn werk, toen hij de lijst opmaakte van het materiaal dat hij nodig had voor de psionische richtingzoeker. Zijn gedachten dwaalden in gesloten cirkels rond, zochten een uitweg die niet bestond. Hij zat er nu te diep in vast om alles zo maar in de steek te laten. Daar zou Kerk wel voor waken. Tenzij hij een manier kon vinden om de oorlog af te breken en het vretersprobleem op te lossen, zat hij voor zijn leven aan Pyrrus vast. Een heel kort leven.

Toen de lijst klaar was belde hij Bevoorrading. Met een paar vervangingen was alles wat hij mogelijkerwijs nodig kon hebben in voorraad en het zou gebracht worden. Skop zonk weg in een schijnslaap op zijn stoel en Jason, het hoofd gesteund met een arm tegen de trek van de zwaartekracht, begon een werktekening van zijn machine.

Jason keek plotseling op, zich bewust van de stilte. Hij kon de apparatuur in de gebouwen horen en stemmen in de hal buiten. Wat voor soort stilte —?

Mentale stilte. Hij was zo in beslag genomen sinds zijn terugkeer in de stad dat hij het absoluut ontbreken van ieder psi-gevoel niet had opgemerkt. Het onafgebroken waas van dierlijke reacties was er niet, evenmin als de vage tastgewaarwording van zijn psychokinese. Plotseling drong het tot hem door dat het binnen de stad altijd zo was.

Hij probeerde met zijn geest te luisteren — en hield weer op haast voordat hij begonnen was. Er was een voortdurende druk van gedachten die hij gewaar werd toen hij luisterde. Het was alsof je in een schip was ver onder het oppervlak van de oceaan, met je hand tegen de deur die de angstige druk weerstond. Als je de deur aanraakte zonder hem te openen, kon je de spanning voelen, de kracht die ertegen duwde en wachtte om je te verpletteren. Zo was het met de psi-druk in de stad. Het naamloze, van haat bezeten geschreeuw van Pyrrus zou onmiddellijk ieder denken vernietigen dat het opving. Een of andere functie in zijn brein werkte als een psi-zekering, die het bewustzijn afbrak voordat de geest vernietigd kon worden. Er lekte genoeg door om hem de druk steeds te laten merken en om hem van de grondstof te voorzien voor zijn eeuwige nachtmerries.

Er was één voordeel. Het ontbreken van de druk op zijn gedachten vergemakkelijkte zijn concentratie. Ondanks zijn vermoeidheid vorderde het schema snel.

Meta kwam de onderdelen waar hij om had gevraagd laat die middag brengen. Zij zette de lange doos op de werkbank, wilde iets zeggen, maar veranderde van gedachten en zweeg. Jason keek naar haar op en glimlachte.

‘In de war?’ vroeg hij.

‘Ik weet niet wat je bedoelt,’ zei ze. ‘Ik ben niet in de war. Alleen geërgerd. De normale reis is uitgesteld en ons bevoorradingsschema ligt voor maanden overhoop. En in plaats van vlieg- of ommuringsdiensten heb ik opdracht om rond te hangen en op jou te wachten. Daarna een of andere malle vlucht te maken op jouw aanwijzingen. Vind je het dan vreemd dat ik geërgerd ben?’

Jason zette zorgvuldig de onderdelen op het onderstel voordat hij sprak. ‘Zoals ik al zei, je bent in de war. Ik kan uitleggen, hoe erg je in de war bent — en dat zal je alleen maar nog meer verwarren. Een verleiding waaraan ik eerlijk gezegd maar moeilijk weerstand kan bieden.’

Gefronst keek zij over de werkbank naar hem op en speelde onbewust met een lokje haar. Zo vond Jason haar aardig.

Als een Pyrraan op volle kracht had ze evenveel karakter als een tandwiel in een machine. Eenmaal uit dat systeem, deed ze hem meer denken aan het meisje dat hij gekend had op die eerste vlucht naar Pyrrus. Hij vroeg zich af of het mogelijk was haar echt duidelijk te maken wat hij bedoelde.

‘Ik beledig je niet als ik zeg ‘in de war’, Meta. Met jouw achtergrond zou je niet anders kunnen zijn. Je hebt een afgesloten karakter. Ik geef toe, Pyrrus is ongewoon afgesloten met een heleboel loodzware problemen, in het oplossen waarvan jullie experts zijn. Dat maakt het niet minder afgesloten. Als je een ruimer probleem onder ogen krijgt raak je in de war. Of erger nog, als jullie afgesloten problemen in een grotere samenhang geplaatst worden. Dat is zo iets als een eigen spel spelen, terwijl de regels onderhand steeds worden veranderd.’

‘Je praat onzin,’ snauwde ze tegen hem. ‘Pyrrus is geen eiland en vechten om te overleven is zeker geen spelletje.’

‘Neem me niet kwalijk,’ glimlachte hij. ‘Ik bedoelde het maar figuurlijk en misschien koos ik de verkeerde figuur. Laten we het vraagstuk wat concreter stellen. Veronderstel bijvoorbeeld dat ik je vertelde dat daar aan de deurpost een steekvleugel hing —’

Meta’s revolver was op de deur gericht, voor hij het laatste woord had uitgebracht. Er klonk een gekraak toen de bewaker uit zijn stoel viel. Hij was in een ogenblik uit zijn halve sluimering opgesprongen tot volledige waakzaamheid en had zijn wapen ook op de deurpost gericht.

‘Dat was nu een voorbeeld,’ zei Jason. ‘Er is daar helemaal niets.’ Het wapen van de bewaker verdween weer en hij keek minachtend naar Jason, terwijl hij zijn stoel overeind zette en zich erin liet vallen.

‘Jullie tweeën hebben bewezen dat je in staat bent om een Pyrraans probleem op te lossen,’ vervolgde Jason. ‘Maar wat zouden jullie doen als ik zei dat daar aan de deurpost een ding hing dat op een steekvleugel leek, maar in werkelijkheid een groot insect was dat fijne zijde spon die gebruikt kan worden om er kleren van te weven?’

De bewaker gluurde van onder zijn zware wenkbrauwen naar het lege deurkozijn, zijn wapen schoof half uit het holster, vloog dan weer terug. Hij gromde iets onverstaanbaars tegen Jason, stampte toen de andere kamer in en sloeg de deur achter zich dicht. Meta fronste nadenkend haar wenkbrauwen en keek verwonderd.

‘Het zou alleen maar een steekvleugel kunnen zijn,’ zei ze tenslotte. ‘Niets anders kan er zo uit zien. En zelfs al spon het zijde, het zou bijten als je dichterbij kwam, dus je zou het toch moeten doden.’ Ze glimlachte voldaan om de onwrikbare logica van haar antwoord.

‘Weer fout,’ zei Jason. ‘Ik beschreef alleen maar de kameleo-spinner die op Stover’s Planeet leeft. Hij bootst de meest woeste vormen van leven daar na, zo goed dat hij geen andere verdediging nodig heeft. Hij zal rustig op je hand blijven zitten en meters voor je spinnen. Als ik er een scheepslading van losliet hier op Pyrrus, zou je er nooit zeker van zijn of je moest schieten.’

‘Maar nu zijn ze er niet,’ hield Meta vol. ‘Toch zouden ze er heel gemakkelijk kunnen zijn. En als ze er waren, zouden alle regels van jullie spel veranderen. Krijg je er nu een idee van? Er zijn een paar vaste wetten en regels in de melkweg, maar niet die waar jullie naar leven. Jullie regel is: Eindeloze oorlog met het plaatselijke leven. Ik wil jullie reglement te buiten gaan en een eind maken aan die oorlog. Zou je dat niet fijn vinden? Zou je het niet fijn vinden een bestaan te hebben dat meer was dan een eindeloze strijd om te overleven? Een leven met een kans op geluk, liefde, muziek, kunst — al de prettige dingen waar jullie nog nooit tijd voor hebt gehad?’

Alle Pyrraanse stugheid was van haar gezicht verdwenen toen zij naar hem luisterde en die vreemde ideeën door haar gedachten liet spelen. Hij had als vanzelf zijn hand uitgestoken toen hij praatte en haar hand gepakt. Die was warm en haar polsslag ging snel onder zijn greep.

Meta werd zich plotseling bewust van zijn hand en trok de hare weg, terwijl ze gelijk opstond. Toen zij in den blinde op de deur afging klonk Jasons stem haar scherp achterna.

‘Skop, de bewaker, rende weg omdat hij zijn kostelijke tweewaardige logica niet wilde verliezen. Dat is alles wat hij heeft, maar jij hebt andere delen van de melkweg gezien, Meta, jij weet dat er veel meer in het leven bestaat dan dood-en-wordt-gedood hier op Pyrrus. Je voelt dat het waar is zelfs al wil je het niet toegeven.’

Zij keerde zich om en rende de deur uit.

Jason keek haar na en schraapte in gedachten over zijn ongeschoren kin. ‘Meta, ik heb de vage hoop dat de vrouw gaat winnen van de Pyrraan. Ik geloof dat ik — misschien voor het eerst in de geschiedenis van deze bloedige, door oorlog verscheurde stad — in de ogen van één van zijn burgers een traan zag.’

21

‘Laat dat toestel vallen en Kerk rukt je ongetwijfeld je beide armen uit,’ zei Jason. ‘Nu is hij daar en kijkt zo spijtig als het maar kan dat ik hem hier ooit toe bepraat heb.’

Skop vloekte onder de omvangrijke massa van de psi-detector en gaf hem door aan Meta die in het open luik van het ruimteschip stond te wachten. Jason hield toezicht op het laden en verzengde al het leven dat kwam kijken. Er waren heel wat hoornduivels vanmorgen en hij schoot er vier. Hij kwam het laatst aan boord en sloot het luik achter zich.

‘Waar ga je hem zetten?’ vroeg Meta.

‘Dat mag jij zeggen,’ zei Jason. ‘Ik heb een plaats nodig voor de antenne waar geen dicht metaal voor de kom zit dat het signaal afsnijdt. Dun plastic is goed. Als het niet anders kan, zal ik hem aan de buitenkant monteren, met afstandsbediening.’

‘Dat zal wel moeten,’ zei ze. ‘De romp is een ononderbroken geheel. We doen al het kijken met een scherm en instrumenten. Ik geloof niet — wacht — er is een plaats die misschien geschikt is.’

Ze wees de weg naar een bolle uitwas in de romp waar zich een van de reddingsboten bevond. Zij gingen naar binnen door het altijd-open-luik en Skop kwam achter hen aan geworsteld met het apparaat.

‘Deze reddingsboten zitten half in het schip,’ legde Meta uit. ‘Zij hebben doorzichtige boegpoorten die bedekt zijn met wrijvingsschilden, die automatisch terugwijken als de boot wordt gelanceerd.’

‘Kunnen we die schilden nu weghalen?’

‘Ik denk van wel,’ zei ze. Ze volgde de lanceercircuitstot een verbindingsdoos en opende het deksel. Toen zij het schildrelais met de hand sloot, gleden de zware platen terug in de romp. Er was een helder uitzicht, aangezien het grootste deel van de kijkpoort buiten het moederschip stak.

‘Prachtig,’ zei Jason. ‘Ik zal hem hier neerzetten. Hoe kan ik met jou in het schip praten?’

‘Hierzo,’ antwoordde ze. ‘Deze communicator is tevoren afgesteld. Raak niets aan. Vooral deze knop niet.’ Ze wees naar een grote handel die midden op het bedieningspaneel zat. ‘Noodlanding. Twee seconden nadat die overgehaald is, komt de reddingsboot vrij en toevallig heeft deze boot geen brandstof.’

‘Afblijven dus,’ zei Jason. ‘Laat Dikkie hier me verbinden met de energievoorziening, dan zal ik dit spul installeren.’

De detector was eenvoudig, hoewel het instellen precies moest gebeuren. Een komvormige antenne haalde het signaal binnen voor de zorgvuldig uitgebalanceerde detector. Er was een scherpe spanningsdaling aan beide kanten van de input zodat de richting nauwkeurig werd bepaald. Het uiteindelijke signaal werd gevoed aan een versterkertrap. Anders dan de elektronische onderdelen van de eerste trap werd deze in symbolen getekend op wit papier. Zorgvuldig opgeplakte ingangs- en uitgangsdraden liepen erheen.

Toen alles klaar was en op zijn plaats geklemd, knikte Jason naar Meta’s gezicht op het scherm. ‘Breng hem omhoog — en zachtjes alsjeblieft. Niet van die 9-G grapjes. Ga langzaam in een kring rond de ommuring tot ik je andere instructies geef.’

Met gelijkmatige kracht verhief het schip zich en worstelde omhoog, en gleed dan in zijn cirkelkoers. Zij draaiden vijf keer rond de stad tot Jason zijn hoofd schudde. ‘Het ding lijkt goed te werken, maar we krijgen te veel ruis van het plaatselijke leven. Ga dertig kilometer van 7de stad en draai een nieuwe cirkel.’

Deze keer waren de resultaten beter. Een krachtig signaal kwam uit de richting van de stad en bleef binnen een booggraad beperkt. Met de antenne gefixeerd in een rechte hoek ten opzichte van de vliegrichting, was het signaal tamelijk constant. Meta draaide het schip om zijn hoofdas, tot Jasons reddingsboot recht onderaan was.

‘Gaat lekker zo,’ zei hij. ‘Houd de instrumenten zoals ze nu staan en laat de neus niet afwijken.’

Nadat hij zorgvuldig een teken op de afstemcirkel had gezet draaide Jason de ontvangstantenne honderd tachtig graden.

Terwijl het schip in zijn cirkel bleef vliegen, probeerde hij signalen naar de stad op te vangen. Ze waren al halverwege voor hij een nieuw signaal ontving. Daar was het, smal maar sterk. Om helemaal zeker te zijn liet hij het schip nog twee maal cirkelen en iedere keer noteerde hij de richtingen op het girokompas. Ze vielen samen. De derde keer riep hij Meta.

‘Maak je klaar voor een volle bocht naar rechts, of hoe je dat ook noemt. Ik denk dat ik onze richting heb. Klaar — nu.’

Het werd een langzame bocht en Jason verloor het signaal niet. Een paar maal zakte het weg maar hij bracht het terug. Toen het kompas bleef staan, zette Meta meer vaart.

Zij zetten koers naar de inheemse Pyrranen.

Een uur vliegen, vrijwel op atmosferische topsnelheid, bracht geen verandering. Meta klaagde, maar Jason hield haar in de koers. Het signaal was nu constant en werd langzaam sterker. Zij kwamen over de keten van vulkanen die de grenzen van het vasteland markeerden en het schip stampte in de woeste thermiekstromen. Toen ze de kust eenmaal achter zich hadden en boven het water waren, begon Skop met Meta mee te grommen. Hij bleef zijn geschutskoepel ronddraaien, maar er viel weinig te schieten, zover van het land.

Toen de eilanden boven de kim kwamen begon het signaal te duiken.

‘Kalm aan nu,’ riep Jason. ‘Die eilanden daar konden de bron wel eens zijn!’

Eens was hier vasteland geweest, drijvend op Pyrrus’ plastische kern. De druk veranderde, landmassa’s verschoven en het vasteland verdween onder de oceaan. Al wat nog restte van het krioelende leven op die landmassa was opgesloten in een gordel van eilanden, eens de pieken van de hoogste bergen. Op deze eilandjes, waarvan de zijden steil uit het water oprezen, woonden de laatste bewoners van het verloren continent. De uitgezweefde nakomelingen van de overwinnaars uit ontelbare woeste gevechten. Hier woonden de oudste inheemse Pyrranen.

‘Laag invliegen,’ gaf Jason door, ‘in de richting van die grote piek. De signalen schijnen daar vandaan te komen.’

Zij schoten laag over de berg, maar er was niets anders te zien dan bomen en zonverzengde rots.

De pijn sneed Jason haast zijn hoofd af. Een haatexplosie door de versterker schoot zijn schedel in. Hij trok de koptelefoon van zijn hoofd en klemde hem tussen zijn handen. Met tranende ogen zag hij de zwarte wolk van vliegende beesten uit de bomen beneden omhoog stormen. Hij zag een glimp van de heuvelrug voor hem, voordat Meta de machines op volle kracht liet razen en het schip wegsprong.

‘We hebben ze!’ Haar woeste opwinding verdween van haar gezicht toen ze Jason op de communicator zag. ‘Ben je in orde? Wat is er gebeurd?’

‘Voel me . . . doorgebrand .. . Heb wel eerder een psi-schok gevoeld maar nooit een als hier! Ik zag een glimp van een gat, net als een grot, vlak voor de vlaag kwam. Het leek daaruit te komen.’

‘Ga liggen,’ zei Meta. ‘Ik zal je zo snel mogelijk terugbrengen. Ik ben Kerk aan het oproepen. Hij moet weten wat er gebeurd is.’

Een groep mannen stond te wachten op het landingsstation toen ze neerkwamen. Ze stormden naar buiten zodra het schip contact maakte, en beschermden hun gezicht tegen de hitte van de reactiebuizen. Kerk kwam binnenvallen zodra de deur op een kier stond, en spiedde rond naar Jason die op een versnellingsbank lag uitgestrekt.

‘Is het waar?’ blafte hij. ‘Heb je de vreemde misdadigers gevonden die deze oorlog gewild hebben?’

‘Rustig, man, rustig,’ zei Jason. ‘Ik heb de bron van de psi-boodschap die jullie oorlog aan de gang houdt opgespoord. Ik heb geen bewijs gevonden over wie de oorlog is begonnen en ik wil zeker niet zover gaan om ze misdadigers te noemen ...’

‘Ik ben jouw spelen met woorden moe,’ onderbrak Kerk. ‘Je hebt die wezens gevonden en de plaats waar ze zich ophouden is vastgesteld.’

‘Staat op de kaart,’ zei Meta. ‘Geblinddoekt zou ik erheen kunnen vliegen.’

‘Goed zo, goed zo,’ zei Kerk, terwijl hij zo hard in zijn handen wreef dat ze het scherpe raspen van het eelt hoorden. ‘Het kost wel moeite om het idee te vatten dat na al deze eeuwen de oorlog misschien zijn eind zal vinden. Maar het is nu mogelijk. In plaats van gewoon die verdomde steeds aangroeiende legioenen van aanvallers af te slachten, kunnen we nu doordringen tot de leiders. Ze uitroken, ze voor de verandering zelf in de oorlog betrekken, dan hun smet van deze planeet weg schroeien!’

‘Niets van dat alles!’ zei Jason, terwijl hij moeizaam omhoog zat. ‘Komt niks van in! Sinds ik op deze planeet ben word ik gestuurd en gesteld en heb ik tientallen keren mijn leven gewaagd. Denk je dat ik dit gedaan heb louter om jullie bloeddorstige ambities te bevredigen? Ik wil vrede — geen vernietiging. Je hebt beloofd in verbinding te treden met deze schepsels, en te proberen met ze te onderhandelen. Ben je dan geen man van eer, die zijn woord houdt?’

‘Ik zal de belediging maar door de vingers zien — hoewel ik je er iedere andere keer voor zou hebben gedood,’ zei Kerk. ‘Je hebt ons een grote dienst bewezen en we schamen ons niet om een eerlijke schuld te erkennen. Maar beschuldig me ondertussen niet van woordbreuk, dat heb ik nooit gedaan. Ik herinner me precies wat ik heb gezegd. Ik beloofde mee te gaan met ieder redelijk plan dat deze oorlog zou beëindigen. Dat is precies wat ik wil. Jouw plan om te onderhandelen over een vrede is niet redelijk. Daarom gaan we de vijand vernietigen.’

‘Denk eerst na,’ riep Jason tegen Kerk die zich omdraaide om weg te gaan. ‘Wat is er verkeerd aan onderhandelen of het bereiken van een wapenstilstand? Als het dan mislukt kan je altijd nog jouw manier proberen.’

Het vertrek raakte vol toen nog meer Pyrranen naar binnen kwamen. Kerk, haast bij de deur, keerde zich om en keek Jason aan.

‘Ik zal je zeggen wat er verkeerd is aan een wapenstilstand,’ zei hij. ‘Het is een oplossing voor een lafaard, en anders niet. Jij kunt het wel voorstellen, jij komt van een andere planeet en weet niet beter. Maar denk je echt dat ik zo’n defaitistisch idee maar een ogenblik zou overwegen? Als ik spreek doe ik dat niet alleen voor mezelf, maar voor ons allen hier. Wij vinden het niet erg te vechten, en we weten hoe we het moeten doen. We weten dat als deze oorlog voorbij zou zijn, dat wij hier dan een betere wereld konden opbouwen. Maar als we de keus hebben tussen voortzetting van de oorlog of een laffe vrede — dan stemmen wij voor oorlog.

Deze oorlog zal pas afgelopen zijn als de vijand volkomen is vernietigd!’ De luisterende Pyrranen mompelden hun instemming en Jason moest roepen om er boven uit te komen. ‘Dat is pas geweldig. Ik wed zelfs dat je denkt dat het origineel is. Maar hoor je al dat applaus niet in de zaal? Dat zijn de geesten van al die sabelkletterende schoften die ooit ijverden voor de edele oorlog. Ze herkennen zelfs de oude leus. Wij staan aan de kant van het licht en de vijand is een schepsel van de duisternis. En het doet er geen donder tos dat de tegenpartij hetzelfde zegt. Je gebruikt nog steeds dezelfde oude woorden die mensen gedood hebben sinds de geboorte van het mensenras. Een ‘laffe’ vrede, die is goed. Vrede betekent niet in oorlog zijn, niet vechten. Hoe kan er een laf niet vechten bestaan? Wat probeer je te verbergen met deze begripsverwarring? Je eigenlijke motieven? Ik kan het je niet kwalijk nemen, dat jullie je ervoor schaamt — dat zou ik ook. Waarom zeg je niet eerlijk dat je deze oorlog op gang houdt omdat je plezier hebt in het moorden? Dingen te zien sterven maakt jou en je moordenaars gelukkig en je wilt ze nog gelukkiger maken!’

Er was een voelbare maar onuitgesproken spanning in de stilte. Zij wachtten tot Kerk zou spreken. Hij zag wit van woede, maar hield die uit alle macht in.

‘Je hebt gelijk, Jason. Wij vinden het fijn om te doden. En we gaan doden. Alles op deze planeet dat ooit tegen ons gevochten heeft gaat eraan. We zullen het erg fijn vinden.’

Hij draaide zich om en ging weg, terwijl het gewicht van zijn woorden nog in de lucht hing. De rest volgde met opgewonden gepraat. Jason viel terug op de bank, uitgeput en verslagen.

Toen hij opkeek, waren ze verdwenen — allen behalve Meta. Ze had dezelfde blik van bloeddorstige vervoering op haar gezicht als de anderen, maar deze verdween toen ze naar hem keek.

‘Wat is er, Meta?’ snauwde hij. ‘Geen twijfel? Denk je ook dat vernietiging de enige manier is om deze oorlog te beëindigen?’

‘Ik weet het niet,’ zei ze. ‘Ik kom er niet uit. Voor het eerst in mijn leven merk ik dat er meer dan één antwoord is op dezelfde vraag.’

‘Gefeliciteerd,’ zei hij bitter. ‘Het betekent dat je volwassen wordt.’

22

Jason stond aan de kant en keek toe hoe de dodelijke lading in het ruim van het schip werd geladen. De Pyrranen waren in een goede stemming terwijl ze de geweren, granaten en gasbommen stouwden. Toen de draagbare atoombom aan boord werd gebracht, begon iemand een marsliedje te zingen en de anderen vielen in. Misschien waren ze gelukkig, maar het naderende bloedbad vervulde Jason louter met diepe somberheid. Hij voelde dat hij op de een of andere manier een verrader van het leven was. Misschien moest de door hem gevonden levensvorm vernietigd worden — en misschien ook niet. Maar zonder een geringste poging tot verzoening zou de vernietiging een regelrechte moord zijn.

Kerk kwam uit het hoofdkwartier en de startpompen in het schip kwamen jankend op gang. Over enkele minuten zouden ze vertrekken. Jason bracht zich tot een draf met loden schoenen, en ontmoette Kerk halverwege.

‘Ik ga met je mee, Kerk. Dat ben je toch wel aan me schuldig. Ik heb ze gevonden.’

Kerk aarzelde. Het idee stond hem niet aan. ‘Dit is is een operationele actie,’ zei hij. ‘Geen plaats voor waarnemers, en hun extra gewicht... en het is te laat om ons tegen te houden, Jason, dat weet je.’

‘Jullie Pyrranen zijn de slechtste leugenaars van het heelal,’ zei Jason. ‘Wij weten allebei, dat dit schip tien keer het gewicht kan dragen dan het nu doet. Nou, laat je me meegaan, of verbied je het, zonder enige reden?’

‘Ga aan boord,’ zei Kerk. ‘Maar blijf uit de weg, anders word je onder de voet gelopen.’

Deze keer ging de vlucht veel sneller, nu het doel bekend was. Meta trok het schip in de stratosfeer in een hoge ballistische baan, die ophield bij de eilanden. Kerk zat op de plaats van de tweede piloot. Jason zat achter hem zodat hij de schermen kon zien. De landingsploeg, vijfentwintig vrijwilligers, zat beneden in het ruim bij de wapens. Alle schermen in het schip waren afgesteld op de boegkijker. Zij zagen het groene eiland verschijnen en groter worden, daarna verdwijnen achter de vlammen van de remraketten. Meta stuurde het schip zorgvuldig en zette het neer op een vlakte bij de ingang van de grot.

Jason was deze keer voorbereid op de uitbarsting van mentale haat, maar het deed nog steeds pijn. De schutters lachten en moordden vrolijk toen ieder dier van het eiland op het schip afkwam. Zij werden bij duizenden afgeslacht en er kwamen steeds meer.

‘Is dit nodig?’ vroeg Jason. ‘Dit is moord, slachten, om die beesten zo neer te maaien.’

‘Zelfverdediging,’ zei Kerk. ‘Zij vallen ons aan en worden gedood. Eenvoudiger kan het niet. En hou nou je bek of ik gooi je er middenin.’

Het duurde een half uur voor het vuren minder werd. Nog steeds vielen de dieren hen aan, maar de massale aanvallen leken voorbij. Kerk sprak over de intercom.

‘Landingsploeg eruit, kijk uit waar je loopt. Ze weten dat we hier zijn en ze zullen het ons zo moeilijk mogelijk maken. Breng de bom in die grot en kijk hoe diep hij is. We kunnen ze altijd nog vanuit de lucht bombarderen maar daar schieten we niks mee op als ze zitten ingegraven onder massieve rots. Hou je scherm open, laat de bom liggen en trek terug als ik het zeg. Vooruit nu.’

De mannen zwermden de ladders af en stelden zich op in open gevechtsformatie. Zij werden al gauw aangevallen, maar de beesten werden weggemaaid voordat ze dichtbij konden komen. Het duurde niet lang of de eerste man had de grot bereikt. Hij had zijn ontvanger voor zich uit gericht en de kijkers in het schip volgden de vorderingen.

‘Grote grot,’ mompelde Kerk. ‘Helt naar beneden. Was ik al bang voor. Een bom daarop zou hem alleen maar afsluiten. Geen garantie dat wat erin opgesloten werd er naderhand niet weer uit zou komen. We zullen moeten kijken hoe diep hij is.’

Er was nu genoeg hitte in de grot om de infrarood filters te gebruiken. De rotswanden staken scherp zwart en wit af onder het voortgaan.

‘Geen teken van leven sinds we in de grot zijn,’ rapporteerde de officier. ‘Afgeknaagde botten bij de ingang en wat vleermuisuitwerpselen. Het ziet eruit als een natuurlijke grot — tot nu toe.’

Stap voor stap gingen ze vooruit, steeds langzamer. Ongevoelig als de Pyrranen waren voor psi-druk werden zelfs zij zich bewust van de haatexplosie die voortdurend op hen afkwam. In het schip had Jason een hoofdpijn die langzaam verergerde.

‘Kijk uit!’ schreeuwde Kerk die ontzet naar het scherm keek.

De grot werd van muur tot muur gevuld met bleke beesten zonder ogen. Zij stroomden uit kleine zijgangen en leken letterlijk uit de grond op te rijzen. Hun voorste gelederen gingen in vlammen op, maar er kwamen er meer naar binnen geperst. Op het scherm zagen de kijkers in het schip de grot duizelingwekkend ronddraaien toen de cameraman viel. Bleke lichamen rezen omhoog en bedekten de lens.

‘Sluit de gelederen. Vlam wapens en gas!’ loeide Kerk in de microfoon.

Minder dan de helft van de mannen was nog in leven na die eerste aanval. De overlevenden beschermden zichzelf met de vlammenwerpers en gooiden met gasgranaten. Hun gesloten strijdpantser beschermde hen terwijl dit gedeelte van de grot volstroomde met gas. Iemand baande zich een weg door de lichamen van de aanvallers en vond de ontvanger.

‘Laat de bom liggen en trek terug,’ beval Kerk. ‘We hebben al genoeg verliezen.’

Een andere man keek in het scherm. De officier was dood. ‘Het spijt me,’ zei hij, ‘maar het is even gemakkelijk om vooruit te gaan als achteruit zolang we genoeg grasgranaten hebben. We zijn nu te dicht bij om nog terug te gaan.’

‘Dit is een bevel!’ schreeuwde Kerk, maar de man was uit het beeld verdwenen en de groep rukte verder op. Jasons vingers deden pijn waar hij ze om de leuning van de stoel geklemd hield. Hij trok ze los en masseerde ze.

Op het scherm wuifde de zwart-witte rots hem nog steeds tegemoet. Minuten gingen zo voorbij. Iedere keer als de beesten aanvielen werden er een paar gasgranaten meer verbruikt.

‘Iets voor ons — ziet er anders uit,’ hijgde de stem door de luidspreker. De nauwe grot liep langzaam uit op een enorme zaal, zo groot dat de muren in de verte verloren gingen.

‘Wat zijn dat?’ vroeg Kerk. ‘Zet een zoeklicht op dat rechtergedeelte daar.’

Het beeld op het scherm was wazig en moeilijk te onderscheiden, het signaal verzwakt door de rotslagen ertussen. Details konden niet duidelijk gezien worden maar het was duidelijk dat dit iets ongewoons was.

‘Nooit iets gezien dat hier op leek,’ zei de luidspreker. ‘Ziet eruit als een soort grote planten, minstens tien meter hoog — en toch bewegen ze. Die takken, tentakels of wat het ook zijn, wijzen naar ons, en ik krijg het akelige gevoel —’

‘Verschroei er een, kijk wat er gebeurt,’ zei Kerk. Het wapen vuurde en op het zelfde ogenblik rolde er een hevige golf van mentale haat over de mannen, die hen op de grond wierp. Zij wentelden van pijn, raakten bewusteloos en waren niet in staat te denken of te vechten tegen de ondergrondse wezens die zich in een nieuwe aanval op hen stortten. In het schip, ver daarboven, voelde Jason de schok in zijn geest en vroeg zich af hoe de mannen daar beneden dat overleefd konden hebben. De anderen in de controlekamer waren er ook door geraakt. Kerk stompte tegen de rand van het scherm en schreeuwde naar de mannen die hem niet hoorden. ‘Trek terug! Kom terug!’

Het was te laat. De mannen verroerden zich nauwelijks toen de zegevierende Pyrraanse wezens hen overspoelden, klauwend naar de voegen in hun pantser. Slechts één man bewoog, hij stond overeind en sloeg de wezens weg met zijn blote handen. Hij strompelde een paar meter verder en bukte over de wriemelende massa voor zich. Met een ruk van zijn schouders trok hij een andere man overeind. De man was dood, maar het pak zat nog steeds op zijn schouders. Bloederige vingers frommelden eraan en toen werden de beide mannen bedolven onder een golf des doods.

‘Dat was de bom!’ schreeuwde Kerk tegen Meta. ‘Als hij de afstelling niet heeft veranderd, staat hij nog steeds op een minimum van tien seconden. Uit de buurt met het schip!’

Jason had net genoeg tijd om terug te vallen op de versnellingsbank voor de raketten ontbrandden. De druk leunde zwaar op hem en bleef toenemen. Hij kon niets meer zien, maar verloor zijn bewustzijn niet. De lucht gierde langs de romp, het geluid hield op toen zij de atmosfeer achter zich lieten.

Net toen Meta snelheid minderde barstte er een gloed van licht op het scherm. Het werd onmiddellijk weer zwart toen de ontvangers op de romp doorbrandden. Ze schoof de filters op hun plaats, drukten toen op de knop die de nieuwe ontvangers in stelling bracht.

Ver beneden, in de kokende zee, vulde een opstijgende, paddestoelvormige wolk van rook en vlammen de plek waar enige seconden daarvoor het eiland nog geweest was. Alle drie keken zij ernaar, zwijgend en onbeweeglijk. Kerk herstelde zich het eerst.

‘Naar huis Meta, en zet het hoofdkwartier op het beeld. Vijfentwintig mannen dood, maar zij hebben hun plicht gedaan. Zij hebben die beesten uitgeroeid, — of wat het ook waren — en de oorlog beëindigd. Ik kan geen betere manier bedenken om te sterven.’

Meta zette de koers uit en riep toen het hoofdkwartier op.

‘Krijg geen verbinding,’ zei ze. ‘Ik krijg wel een robotlandingssignaal, maar niemand beantwoordt de oproep.’

Er verscheen een man op het lege scherm. Hij droop van het zweet en had een gejaagde blik in zijn ogen. ‘Kerk,’ zei hij, ‘ben jij daar? Kom onmiddellijk hierheen met het schip! We hebben de vuurkracht nodig bij de perimeter. De hel is een minuut geleden losgebroken, een algemene aanval van alle kanten, erger dan ik ooit heb gezien.’

‘Wat bedoel je?’ stamelde Kerk ongelovig. ‘De oorlog is voorbij. We hebben ze verschroeid, hun hoofdkwartier is volkomen vernietigd.’

‘De oorlog is erger dan ooit!’ snauwde de andere man. ‘Ik weet niet wat je gedaan hebt, maar het heeft hier alle poppen van de hel aan het dansen gebracht. Hou op met praten en breng dat schip terug!’

Kerk draaide zich langzaam om naar Jason, zijn gezicht vertrokken van ruwe, dierlijke woestheid.

‘Jij! Jij hebt het gedaan! Ik had je de eerste keer al moeten vermoorden. Ik was het van plan, en nu weet ik dat ik gelijk had. Jij bent als een pest geweest sinds je komst, je hebt dood en verderf om je heen gezaaid! Ik wist dat je het verkeerd had en toch liet ik me door je slangentong overhalen. Kijk nou wat er gebeurd is. Eerst dood je Welf. Dan vermoord je die mannen in de grot. En nu die aanval op de ommuring — ieder die daar zal omkomen heb jij vermoord!’

Kerk kwam op Jason af, langzaam, stap voor stap, met van haat vertrokken gezicht. Jason week achteruit tot hij niet verder kon, zijn schouders kwamen tegen de kaartenkast. Kerks hand schoot uit, geen echte vuistslag, maar een harde klap. Hoewel Jason meebewoog sloeg hij toch in zijn volle lengte tegen de grond. Zijn arm kwam tegen de kaartenkast, zijn vingers vlakbij de verzegelde buizen waar de ‘sprong’matrijzen in zaten.

Jason greep een van de zware buizen met beide handen vast en trok hem eruit. Hij sloeg hem met al zijn kracht in Kerks gezicht. Dat deed de huid op zijn jukbeen en zijn voorhoofd scheuren en het bloed stroomde uit de wond. Maar het hield de grote man niet in het minst tegen. Zijn glimlach kende geen genade terwijl hij zich vooroverboog en Jason op zijn voeten zette.

‘Vecht terug,’ zei hij. ‘Dat plezier wil ik er nog bij hebben als ik je dood maak.’ Hij haalde de granieten vuist naar achteren, die Jasons hoofd van zijn schouders moest slaan.

‘Toe maar,’ zei Jason en stribbelde niet meer tegen. ‘Maak me maar dood, het is een koud kunstje. Noem het alleen geen rechtvaardigheid. Welf stierf om mij te redden, maar de mannen op het eiland kwamen om door je eigen stompzinnigheid. Ik wilde vrede en jij wilde oorlog. Nou, je hebt het. Maak me maar dood om je geweten te sussen, want de waarheid is iets dat je niet onder ogen kan zien.’

Met een brul van woede liet Kerk zijn mokervuist neerkomen.

Meta greep de arm met haar beide handen vast en ging er aan hangen, ze duwde hem opzij voor hij neer kon komen. Zij vielen alle drie en Jason werd half verpletterd.

‘Niet doen,’ schreeuwde zij. ‘Jason wilde niet dat die mannen daarin gingen. Dat was jouw idee. Daar kun je hem niet voor doden!’

Kerk, die barstte van woede, hoorde het niet. Hij keerde zich naar Meta om haar van zich af te trekken. Zij was een vrouw en haar soepele kracht was magertjes in vergelijking met zijn grote spieren. Maar zij was een Pyrraanse vrouw en zij deed wat geen buitenwerelder kon. Zij hield hem voor een ogenblik tegen, stopte de razernij van zijn aanval totdat hij haar handen los kon rukken en haar opzij kon gooien. Het kostte hem niet veel tijd, maar het was net genoeg voor Jason om bij de deur te komen.

Jason strompelde erdoor en gooide het slot achter zich dicht. Een onderdeel van een seconde nadat hij de grendel had dichtgegooid, smakte Kerks gewicht tegen de deur. Het metaal krijste en boog, het gaf mee. Een scharnier was losgescheurd en het andere zat nog maar met een stukje metaal vast. Het zou bij de volgende stoot afbreken. Jason wachtte daar niet op. Hij was niet blijven staan om te kijken of de deur de razende Pyrraan zou tegenhouden. Geen enkele deur in het schip zou hem tegenhouden. Zo snel hij kon liep Jason de gang uit. Er was geen veiligheid in het schip, en dat betekende dat hij eruit moest. Het botendek was vlak voor hem.

Vanaf de eerste keer dat hij ze gezien had, had hij veel over de reddingsboten nagedacht. Hoewel hij deze situatie niet voorzien had, wist hij dat er een tijd kon komen dat hij een eigen transportmiddel nodig had. De reddingsboten leken daarvoor het meest in aanmerking te komen, behalve dat Meta hem verteld had dat er geen brandstof in zat. Ze had op een punt gelijk gehad. De boot waar hij bij gezeten had, had lege tanks, dat had hij nagekeken. Maar er waren vijf andere boten die hij nog niet had gecontroleerd. Hij had zich verwonderd over het feit van nutteloze reddingsboten en was naar hij hoopte tot de juiste conclusie gekomen.

Dit ruimteschip was het enige dat de Pyrranen hadden. Meta had hem eens verteld dat zij altijd van plan waren geweest om er nog een te kopen, maar ze hadden het nooit gedaan. Andere noodzakelijke oorlogsuitgaven waren voorgegaan. Eén schip was eigenlijk wel genoeg. De enige moeilijkheid lag in het feit dat zij dat schip in de vaart moesten houden of de stad op Pyrrus was dood. Zonder voorraden zouden zij in een paar maanden van de planeet zijn weggevaagd. Daarom kwam het niet in de bemanning op het schip ooit te verlaten. Het deed er niet toe in welke moeilijkheden het raakte, zij konden het niet verlaten. Als het schip doodging, ging hun wereld dood.

Bij deze manier van denken was het niet nodig om brandstof in de reddingsboten te hebben. Niet in allemaal in ieder geval. Hoewel het redelijk was dat er een brandstof had voor korte vluchten die het moederschip te veel zouden kosten. Op dit punt ontbrak er een schakel in de logica van Jason. Te veel keer als, als zij de sloep ooit gebruikten, moest er een van brandstof voorzien zijn. Als ze het deden, moest hij nu in ieder geval gevuld zijn. En als hij gevuld was, welke van de zes zou het dan zijn? Jason had geen tijd om te gaan kijken. Het moest de eerste keer raak zijn. Zijn redeneren had hem een antwoord gegeven, het slot van een lange reeks veronderstellingen. Als er een boot van brandstof was voorzien moest het die zijn die het dichtst bij de controlecabine zat. De boot waar hij nu op af dook. Zijn leven hing af van deze draad van gissingen.

Achter hem kwam de deur krakend naar beneden. Kerk brulde en sprong hem achterna. Jason slingerde zich door het luik van de reddingssloep, hij rende zo hard hij kon onder de dubbele zwaartekracht. Met beide handen klemde hij de noodlanceringshandel en trok die naar beneden. Er rinkelde een alarmschei en de deur sloeg dicht, letterlijk voor Kerks gezicht. Slechts zijn Pyrraanse reflexen behoedden hem ervoor neergeslagen te worden. Vaste brandstofmotoren ontstaken en stootten de reddingsboot los van het moederschip. Hun korte versnelling sloeg Jason tegen het dek, daarna bleef hij zweven toen de boot in een vrije val kwam. De hoofdstuwraketten kwamen niet tot ontbranding.

In dit ogenblik ondervond Jason hoe het was om te weten dat je dood was. Zonder brandstof zou de boot in de wildernis beneden vallen, als een steen naar beneden vallen en op de grond uit elkaar spatten. Er was geen uitweg.

Toen sloegen de motoren brullend aan en hij viel op het dek en schaafde zijn neus. Hij ging rechtop zitten, wreef over zijn neus en grinnikte. Er was brandstof in de tanks — het niet willen starten was slechts een onderdeel van het lanceerschema geweest om de sloep tijd te geven van het schip los te komen. Nu moest hij het onder controle krijgen. Hij hees zich op de plaats van de piloot.

De hoogtemeter had informatie gevoed aan de automatische piloot en de boot evenwijdig met de grond gebracht. Zoals alle reddingsbootcontroles, waren deze kinderlijk eenvoudig, ontworpen om in noodgevallen door een beginneling bediend te worden. De automatische piloot kon niet uitgeschakeld worden; hij ging mee met de controlehandels, en corrigeerde domme manoeuvres. Jason trok het controlewiel in een strakke bocht en de automatische piloot verzachtte dit tot een lichte boog.

Hij kon vanuit het raam het grote schip vuur zien spuwen in een veel scherper bocht. Jason wist niet wie het bestuurde of wat zij van plan waren — hij nam geen risico. Hij stootte het wiel naar voren voor een duikvlucht en vloekte toen ze in een langzame glijvlucht overgingen.

Het grote schip had niet zulke beperkingen. Het veranderde van koers met een wilde manoeuvre en dook op hem af. De voorste geschutskoepels vuurden en een explosie op de achtersteven deed de kleine boot schudden. Dit schakelde de automatische piloot uit en maakte hem ondergeschikt aan de bestuurder. De langzame glijvlucht veranderde in een steile val en de jungle kwam razendsnel naderbij. Jason trok het stuur terug in zijn buik en kon nog net zijn armen voor zijn gezicht slaan voordat zij de grond raakten.

Donderende raketten en krakende bomen eindigden in een grote plons. Stilte volgde en de rook trok op. Hoog in de lucht cirkelde het schip aarzelend rond, kwam wat naar beneden zakken alsof het wilde landen en onderzoeken. Toen ging het weer omhoog, gehoor gevend aan het dringende verzoek om hulp uit de stad; de loyaliteit won het en het keerde vuurspuwend om naar huis.

23

Takken hadden de val van de reddingsboot gebroken, de boegraketten waren uitgebrand en het moeras had de landing een beetje verzacht. Het was evengoed een mislukte noodlanding. De gehavende cilinder zonk langzaam weg in het stilstaande water en de dunne modder van het moeras. De boeg was al onder voor Jason het voor elkaar kreeg het noodluik in de romp open te maken.

Het was onmogelijk te zeggen hoe lang het zou duren voor de boot zonk en Jason was niet in conditie om daar lang bij stil te staan. Gedeukt en bebloed als hij was, had hij nog net genoeg energie om eruit te klimmen. Wadend en vallend baande hij zich een weg naar vaste grond en ging zwaar neerzitten zodra hij iets gevonden had dat hem kon dragen.

Achter hem borrelde de boot en zonk onder water. Bellen ingesloten lucht bleven nog even boven komen, hielden toen op. Het water werd stil en behalve de gebroken takken en bomen was er geen enkel teken dat hier ooit een schip was neergekomen. Insecten jankten over het moeras en het enige geluid dat de stilte van het woud verstoorde was de wrede schreeuw van een dier dat zijn prooi neerhaalde. Toen dat was weggeëbd in kleine geluidsgolfjes, was alles stil.

Jason trok zichzelf met moeite uit de halve trance. Zijn lichaam leek wel door een gehaktmolen gedraaid, en het was bijna onmogelijk om te denken met de mist in zijn hoofd. Na een paar minuten van overleg met zichzelf, kwam hij tot de conclusie dat hij zijn medidoos nodig had. De vlug-af-klem ging niet en de knop weigerde. Tenslotte draaide hij zijn arm tot die onder de opening was en drukte het hele toestel toen naar beneden. Het gonsde ijverig; hoewel hij de naalden niet kon voelen, nam hij aan dat het werkte. Hij keek even een beetje wazig en toen werd alles duidelijker. Pijndoders gingen aan het werk en langzaam kwam hij uit de donkere wolk die over zijn hersens had gehangen sinds de landing.

Het denken kwam terug en de eenzaamheid kwam mee. Hij had geen eten, geen vrienden, was omringd door vijandige krachten op een vreemde planeet. Er was een groeiende paniek die diep in zijn binnenste begon en het vergde heel wat geconcentreerd vechten om die te onderdrukken.

‘Denken Jason, wind je niet op.’ Hij zei het hardop om zchzelf gerust te stellen maar had er meteen spijt van want zijn stem klonk zwak in de leegte, met een ondertoon van hysterie erin. Er schoot iets in zijn keel en hij hoestte om het weg te krijgen, spuugde bloed. Toen hij naar de rode vlek keek, werd hij plotseling kwaad. Hij haatte deze dodelijke planeet en de ongelooflijke stomheid van de mensen die er woonden. Hardop vloeken was beter en zijn stem klonk niet zo zwak nu. Tenslotte schreeuwde hij en schudde zijn vuist tegen niets in het bijzonder, maar het hielp wel. De woede had de angst verdreven en hem in de werkelijkheid teruggebracht.

Op de grond zitten was nu wel prettig. De zon was warm en toen hij achterover leunde was hij bijna de eeuwige last van de dubbele zwaartekracht vergeten. De boosheid had de angst weggenomen, rust vaagde de vermoeidheid weg. Ergens in zijn achterhoofd kwam het oude spreekwoord te voorschijn. Zolang er leven is, is er hoop. Hij maakte een grimas om de afgezaagdheid van de woorden, maar besefte tegelijkertijd dat er een grond van waarheid in school.

Hij telde zijn activa. Flink gehavend maar nog steeds in leven. Geen van de blauwe plekken leek erg ernstig, en er waren geen botten gebroken. Zijn wapen werkte nog steeds, het wipte in en uit de krachtholster toen hij eraan dacht. Pyrranen maakten stevige spullen. De medidoos deed het ook. Als hij zijn hoofd bij elkaar hield, erin slaagde in een tamelijk rechte lijn te lopen en van het land kon leven, was er een behoorlijke kans dat hij het zou halen terug naar de stad. Wat voor ontvangst hij daar zou krijgen, was een heel andere kwestie. Dat zou hij wel merken als hij er was. Er komen was het belangrijkst.

Aan de debetkant stond de planeet Pyrrus, kracht ondermijnende zwaartekracht, moordend weer en wilde dieren. Kon hij dat overleven? Als om zijn woorden te benadrukken werd de lucht donkerder en siste de regen in het bos op hem af. Jason krabbelde overeind en oriënteerde zich voor de regen hem het gezicht zou belemmeren. Een hoekige bergketen stond vaag aan de horizon. Hij herinnerde zich dat ze tijdens de vlucht daar overheen gekomen waren. Dat zou zijn eerste doel zijn. Als hij die bereikt had zou hij wel weer eens denken over de volgende stap.

Bladeren en vuil vlogen in snelle vlagen voor de wind uit, toen spoelde de regen over hem heen. Doorweekt, rillend en doodmoe, mat hij de kleuterkracht van zijn benen met de planeet van de dood.

Toen de schemering viel regende het nog steeds. Hij was er niet zeker van of hij in de goede richting liep en het had geen zin om verder te gaan. Alsof dat nog niet genoeg was, raakte Jason op het randje van de uitputting. Het zou een natte nacht worden. Alle bomen hadden dikke stammen en waren glibberig, hij zou er zelfs op een 1-G wereld niet in hebben kunnen klimmen. De beschutte plekjes die hij onderzocht onder omgevallen bomen en dikke struiken, waren even nat als de rest van het bos. Tenslotte krulde hij zich op in de beschutting van een boom, en viel in slaap, huiverend terwijl het water in stralen van hem afliep.

De regen hield tegen middernacht op en de temperatuur daalde sterk. Jason werd langzaam wakker uit een droom waarin hij aan het doodvriezen was en kwam tot de ontdekking dat het bijna waar was. Fijne sneeuw stoof door de bomen, bepoederde de grond en hoopte zich tegen hem op. De kou beet zich in zijn vlees vast en toen hij niesde deed zijn borst pijn. Zijn zere en gevoelloze lichaam wilde alleen maar rust, maar het vonkje redelijkheid dat in hem overbleef zette hem op de been. Als hij zou blijven liggen zou hij doodgaan. Terwijl hij met een hand tegen de boom steunde om niet om te vallen, begon hij eromheen te strompelen. De ene schuifelende stap na de andere, steeds maar rond totdat de vreselijke koude iets afnam en hij niet meer huiverde. Vermoeidheid omhulde hem als een grijze deken. Hij bleef lopen, de helft van de tijd met gesloten ogen en hij deed ze alleen open als hij viel en vol pijn weer overeind moest krabbelen.

Toen de zon opkwam brandde die de sneeuwwolken weg. Jason leunde tegen zijn boom en keek knipperend omhoog met pijnlijke ogen. De grond was overal wit, behalve rond de boom, waar zijn strompelende voeten een kring van zachte modder in de grond hadden gewoeld. Met zijn rug tegen de gladde stam zonk Jason langzaam neer op de grond en liet zich hongerig door de zon koesteren.

De uitputting had hem licht in zijn hoofd gemaakt en zijn lippen waren gebarsten van de dorst. Een bijna onophoudelijk hoesten trok met vingers van vuur aan zijn borst. Hoewel de zon nog steeds laag stond was het al zo heet dat zijn huid opdroogde. Droog en heet.

Het was niet goed. Deze gedachte bleef door zijn hoofd zeuren totdat hij het toegaf. Hij bekeek het van alle kanten en keerde het om en om. Wat was niet goed? Zoals hij zich voelde.

Longontsteking. Hij had alle symptomen.

Zijn droge lippen barstten en werden met bloed bevochtigd toen hij glimlachte. Hij had alle dierlijke gevaren van Pyrrus kunnen ontwijken, al de grote vleeseters en giftige reptielen, om nu te worden neergeveld door het kleinste beestje van allemaal. Nou, daar had hij ook een middeltje tegen. Hij rolde met trillende vingers zijn mouw op en drukte de opening van de medidoos tegen zijn arm. Hij gaf een klik en begon boos te zoemen. Hij wist dat dat iets betekende, hij kon zich alleen niet herinneren wat. Toen hij het omhoog hield zag hij dat een van de naalden half uit de opening stak. Natuurlijk. Hij was leeg, geen van de antibiotica waar de analysator om gevraagd had was aanwezig. Hij moest bijgevuld worden. Jason smeet het ding vloekend weg, het plonsde in een plas en was verdwenen. Weg geneeskunde, weg medidoos, weg Jason dinAlt. Eenzame strijder tegen de gevaren van de planeet des doods. Stoere vreemdeling die het even goed kon als de inwoners. Het had hem maar een dag gekost om zijn doodvonnis getekend te krijgen.

Een verstikt gegrom klonk achter hem. Hij keerde zich om, liet zich vallen en vuurde tegelijkertijd. Het was allemaal voorbij voor het tot zijn benevelde geest doordrong. De Pyrraanse training had zijn reflexen geconditioneerd op precorticaal niveau. Jason keek ontzet naar het afschuwelijke beest dat nog geen meter van hem af lag te sterven en besefte dat hij goed getraind was. Zijn eerste reactie was een ongelukkig gevoel omdat hij een van de honden van de vreters gedood had. Toen hij wat beter keek zag hij dat het beest enigszins verschilde in tekening, grootte en aard. Hoewel het merendeel van de voorkant weggeschoten was, en het bloed uit de wond gutste, probeerde het nog steeds bij Jason te komen. Voordat zijn ogen braken, had het zich bijna tot zijn voeten gevochten.

Het was niet helemaal een vretershond hoewel de kans groot was dat het een wild familielid was. Dezelfde relatie als tussen een hond en een wolf. Hij vroeg zich af of er nog meer overeenkomsten waren tussen een wolf en dit dode beest. Jaagden zij in horden?

Meteen toen de gedachte bij hem opkwam keek hij op — geen seconde te vroeg. De grote schaduwen renden tussen de bomen en sloten hem in. Toen hij er twee neerschoot, huilden de anderen van woede en trokken zich in het bos terug. Zij gingen niet weg. In plaats van bang door de dode dieren werden ze nog razender. Jason zat met zijn rug tegen de boom en wachtte tot zij dichtbij kwamen, voordat hij ze neermaaide. Bij ieder schot en iedere doodskreet huilden de woedende overlevenden des te luider. Sommigen van hen vochten met elkaar toen zij elkaar tegenkwamen en gaven zo uiting aan hun woede. Een stond er op zijn achterpoten en scheurde de bast van een boom. Jason waagde er een schot aan, maar hij was te ver weg.

Er waren voordelen in het koorts hebben, merkte hij. Hij wist logischerwijs dat hij maar tot zonsondergang kon leven, of tot zijn wapen leeg was. Het feit deed er niet zoveel toe. Niets deed er eigenlijk toe. Hij zakte in elkaar en ontspande zich helemaal. Hij hief alleen zijn arm op om te vuren, liet hem daarna weer vallen. Iedere paar minuten moest hij zich omdraaien om achter de boom te kijken, en alles wat hem van achter besloop neerschieten. Hij wenste vaag dat hij tegen een smallere boom leunde, maar het was niet de moeite waard om er een op te zoeken. Die middag vuurde hij zijn laatste schot af. Het doodde een dier dat hij dichtbij had laten komen. Hij had gemerkt dat hij de verre schoten miste. Het beest gromde en viel neer, de anderen die dichtbij waren trokken terug en huilden in sympathie. Een van hen gaf zich bloot en Jason trok aan de trekker.

Er klonk alleen een lichte klik. Hij probeerde het nog eens voor het geval het een ketsschot geweest was maar er klonk weer een klik. Het wapen was leeg, evenals de reservepatroonhouder. Hij herinnerde zich vaag dat hij opnieuw geladen had, maar kon zich niet herinneren hoe vaak hij dat gedaan had.

Dit was dan het einde. Ze hadden allemaal gelijk gehad, Pyrrus was tegen hem opgewassen. Maar ze moesten hun mond houden want ze zouden er zelf tenslotte ook aangaan. Pyrranen stierven nooit in bed. Pyrranen gingen nooit verloren. Zij gingen er alleen maar aan. Als hij geen moeite meer hoefde te doen om op zijn hoede te zijn en zijn wapen vast te houden kreeg de koorts hem in zijn greep. Hij wilde slapen en hij wist dat het een lange slaap zou worden. Met bijna gesloten ogen keek hij hoe de vleeseters voorzichtig nader slopen. De eerste was dicht genoeg gekropen om te springen; hij kon de spieren in de poten zien spannen.

Hij sprong, wentelde zich in de lucht en viel voor hij Jason bereikt had. Bloed gulpte uit zijn opengesperde muil en een korte metalen schacht stak uit de zijkant van zijn kop.

Er kwamen twee mannen uit de struiken en keken op hem neer. Alleen hun aanwezigheid scheen al genoeg voor de vleeseters want zij waren allemaal verdwenen. Vreters. Hij had zo’n haast gehad om de stad te bereiken, dat hij het bestaan van de vreters vergeten was. Het was goed dat zij hier waren en Jason was erg blij dat zij gekomen waren. Hij kon niet zo goed praten, daarom glimlachte hij om hen te bedanken. Maar het deed te veel pijn aan zijn lippen, dus ging hij maar slapen.

24

Gedurende een vreemde tijd daarna waren er alleen maar wazige stukjes herinnering die zich aan hem voordeden. Een gevoel van beweging en grote beesten om hem heen. Muren, rook van hout, het gemurmel van stemmen. Niets van dat alles had veel betekenis en hij was te moe om zich ergens zorgen over te maken. Het was gemakkelijker en veel beter om het maar over zich heen te laten gaan.

‘Werd tijd,’ zei Rhes. ‘Een paar dagen langer en we hadden je begraven, zelfs al haalde je nog adem.’ Jason keek naar hem en probeerde het gezicht dat boven hem zwom duidelijk te zien. Tenslotte herkende hij Rhes en wilde hem antwoord geven, maar praten bracht hem alleen maar afschuwelijk aan het hoesten. Iemand hield een kom aan zijn lippen en zoet vocht liep door zijn keel. Hij rustte en probeerde het opnieuw.

‘Hoe lang ben ik hier geweest?’ De stem was zwak en klonk erg ver weg. Jason vond het moeilijk hem als de zijne te herkennen.

‘Acht dagen. En waarom heb je niet geluisterd toen ik tegen je praatte?’ zei Rhes. ‘Je had bij het schip moeten blijven toen je neerviel. Herinnerde je je niet wat ik gezegd had over het naar beneden komen waar ook op het land. Geeft niet, te laat om ons daar nog druk over te maken. De volgende keer moet je luisteren naar wat ik zeg. Onze mensen zijn er snel op uit getrokken en hebben de plaats van de landing nog voor het donker bereikt. Zij vonden de gebroken bomen en de plaats waar het schip gezonken was en dachten eerst dat degene die erin gezeten had verdronken was. Een van de honden vond je spoor, maar verloor het weer in de moerassen ’s nachts. Zij hadden een beroerde tijd in de modder en de sneeuw en hadden helemaal geen geluk met het terugvinden van het spoor. De volgende midddag waren ze van plan meer hulp te halen toen ze je hoorden schieten. Op het kantje, heb ik gehoord. Gelukkig dat één van hen een prater was en de wilde honden kon zeggen dat ze op moesten donderen. Zouden we anders allemaal moeten hebben doden en dat was niet zo gezond geweest.’

‘Bedankt voor het redden van mijn leven,’ zei Jason. ‘Het scheelde minder dan ik op prijs stel. Wat gebeurde er daarna? Ik was er zeker van dat het met me gedaan was, dat weet ik wel. Had alle symptomen van longontsteking geconstateerd. Het lijkt erop dat je het verkeerd had toen je zei dat al jullie medicijnen waardeloos waren — ze lijken op mij goed gewerkt te hebben.’

Zijn stem stierf weg toen Rhes zijn hoofd langzaam schudde, nee, lijnen van bezorgdheid waren scherp in zijn gezicht gegrift. Jason keek rond en zag Naxa en een andere man. Zij hadden dezelfde ongelukkige uitdrukking als Rhes.

‘Wat is er?’ vroeg Jason die moeilijkheden voelde. ‘Als jullie medicijnen niet werkten — wat dan? Niet mijn medicijndoos, die was leeg. Ik herinner me hem verloren of weggegooid te hebben.’

‘Je was stervende,’ zei Rhes langzaam. ‘We konden je niet beter maken. Alleen een rotzooiersmedidoos kon dat. We hebben er een van de bestuurder van de voedseltruck.’

‘Maar hoe?’ vroeg Jason verbaasd. ‘Je vertelde me dat de stad jullie geen medicijnen toestaat. Hij zou zijn eigen medidoos niet gegeven hebben. Niet.. . tenzij hij. ..’ Rhes knikte en maakte de zin af. ’Dood was. Natuurlijk was hij dood. Ik doodde hem zelf, met alle soorten van genoegen.’

Dit was een harde klap voor Jason. Hij viel terug in de kussens en dacht aan allen die dood waren gegaan sinds hij op Pyrrus was gekomen. De mannen die gestorven waren om hem te redden, doodgingen opdat hij kon leven, doodgingen door zijn ideeën. Het was een schuldenlast waar hij het liefst meer niet aan wou denken. Zou het bij Krannon ophouden of zouden de mensen uit de stad proberen zijn dood te vergelden?

‘Begrijp je niet wat dit betekent?’ Hij stootte de woorden eruit. ‘Krannons dood zal de stad tegen jullie keren. Er zullen geen voorraden meer komen. Ze zullen jullie aanvallen wanneer ze maar kunnen en het volk uitmoorden ...’

‘Natuurlijk weten we dat.’ Rhes leunde voorover. Zijn stem was hees en gespannen. ‘Het was niet makkelijk om tot dat besluit te komen. We hebben altijd een handelsovereenkomst met de rotzooiers gehad. De trucks waren onschendbaar, dit was onze laatste en enige schakel met de melkweg, buiten de hoop om uiteindelijk met hen in contact te komen.’

‘En toch heb je de schakel verbroken, om mij te redden — waarom?’

‘Alleen jij kunt die vraag helemaal beantwoorden. Er was een grote aanval op de stad en we zagen dat hun muren omver gingen, op een plaats moesten ze teruggetrokken worden. Tegelijkertijd was het ruimteschip boven de oceaan, gooide bommen van een of andere soort. De ontploffing werd gemeld. Toen keerde het schip terug en jij vertrok in een kleiner schip. Ze vuurden op je maar doodden je niet. Het kleine schip is ook niet kapot, wij zijn bezig het boven te halen. Wat betekent het allemaal? We konden het niet zeggen. We wisten alleen dat er iets heel belangrijks aan de hand was. Je leefde nog, maar zou klaarblijkelijk doodgaan voor je kon praten. Het kleine schip kon misschien hersteld worden, zodat het kon vliegen; misschien was dat je plan en heb je het daarom gestolen. We konden je niet laten sterven, zelfs niet als dat een totale oorlog met de stad inhouden zou.

‘De situatie werd aan ons hele volk voorgelegd, voor zover we hen op het scherm konden bereiken en zij waren er voor jou te redden. Ik doodde de rotzooier voor zijn medicijnen en heb toen twee doryms doodgereden om op tijd hier te zijn.

‘Vertel ons nu, wat betekent het? Wat is je plan? Hoe zal het ons helpen?’

Schuld drukte zwaar op Jason en deed zijn lippen verstijven. Een fragment van een oude legende schoot door zijn hoofd over de Jonas die het ruimteschip liet vergaan met allen die daarin waren en toch zelf bleef leven. Was hij dat? Had hij een wereld laten vergaan? Durfde hij aan deze mensen te bekennen dat hij de reddingsboot alleen genomen had op zijn eigen leven te redden?

De drie Pyrranen leunden voorover en wachtten op zijn woorden. Jason sloot zijn ogen om hun gezichten niet te hoeven zien. Wat kon hij hun vertellen? Als hij hun de waarheid bekende, zouden zij hem ongetwijfeld ter plaatse doden, het slechts rechtvaardig vinden. Hij was niet bang meer voor zijn eigen leven, maar als hij stierf waren alle andere doden voor niets gevallen. En er was nog steeds een manier om een eind te maken aan deze planetaire oorlog. Alle feiten waren nu beschikbaar, het was alleen nog een zaak om ze bij elkaar te passen. Als hij maar niet zo moe was, zou hij de oplossing vinden. Het was er, het keek om een hoekje in zijn geest, wachtte om eruit getrokken te worden.

Het plotselinge geluid van zware voetstappen buiten de hut, en het gedempte schreeuwen van een man. Niemand behalve Jason scheen het op te merken. Ze wachtten gespannen op zijn antwoord. Hij tastte in zijn geest rond, maar kon geen woorden vinden om het uit te leggen. Wat hij ook deed, hij kon de waarheid nu niet bekennen. Als hij stierf, zou alle hoop sterven. Hij moest liegen om tijd te winnen, dan de juiste oplossing vinden die kwellend dichtbij scheen. Niettemin was hij zelfs te moe om een aannemelijke leugen te bedenken.

Het geluid van de openspringende deur klonk door de stille kamer. Een knoestige stronk van een man stond daar, zijn woedende, rode gezicht was omkranst met een witte baard.

‘Iedereen doof?’ snauwde hij. ‘Ik rij de hele nacht en schreeuw mijn longen kapot en jullie zitten hier als een stelletje broedse hennen. Maak dat je weg komt! Aardbeving! Grote aardbeving op komst!’

Zij stonden nu allemaal en schreeuwden vragen. Rhes’ stem sneed boven het rumoer uit. ‘Hananas, hoeveel tijd hebben we?’

‘Tijd? Wie weet er van tijd!’ vloekte de witbaard. ‘Maak dat je wegkomt of je gaat eraan. Dat is alles wat ik weet.’

Niemand bleef nu nog om vragen stellen. Er volgde een woeste ren en binnen de minuut lag Jason op een draagbaar gebonden op een van de doryms. ‘Wat gebeurt er?’ vroeg hij aan de man die hem vastbond.

‘Aardbeving op komst,’ antwoordde hij terwijl hij bezig was met de knopen. ‘Hananas is de beste aardbevingsman die we hebben. Hij weet het altijd als er een aardbeving komt. Als het snel genoeg bekend wordt gemaakt kunnen we weg komen. Aardbevingsmannen weten het altijd, ze zeggen dat ze het kunnen voelen aankomen.’ Hij legde de laatste knoop en was verdwenen.

De duisternis viel toen zij weggingen en het rood van de ondergaande zon spiegelde zich scharlaken af tegen de noordelijke hemel. In de verte klonk gerommel, meer te voelen dan te horen en de grond schudde onder hun voeten. De doryms begonnen haastig schuifelend te rennen zonder dat ze gemend werden. Zij plasten door een moeras en aan de andere kant veranderde Hananas abrupt hun koers. Even later, toen de hemel in het zuiden explodeerde, wist Jason waarom. Vlammen verlichtten het toneel helder, as regende neer en hete brokken rots vielen krakend in de bomen neer. Zij stoomden toen ze neerkwamen en als het niet zojuist geregend had zouden zij ook nog tegenover een bosbrand gestaan hebben.

Iets groots doemde op naast hem, en toen zij op een open plek overstaken keek Jason ernaar bij het uit de lucht weerkaatste licht.

‘Rhes,’ zei hij schor, en wees. Rhes die naast hem reed, keek naar het grote beest, ruig lichaam en gedraaide horens, even hoog als hun schouders en keek toen weer voor zich. Hij was niet bang of zelfs maar geïnteresseerd. Jason keek om zich heen en begon het toen te begrijpen. Geen van de vluchtende dieren maakte enig geluid. Daarom had hij ze niet eerder opgemerkt. Maar aan beide kanten renden donkere schaduwen tussen de bomen door. Sommige ervan herkende hij, maar de meeste niet. Een paar minuten lang rende er een horde wilde honden naast hem, zij mengden zich zelfs tussen de huisdieren. Er werd niets van gemerkt. Vliegende wezens vlogen over hen heen. Onder de grotere dreiging van de vulkanen waren alle andere gevechten vergeten. Het leven respecteerde het leven. Een horde vette, varkensachtige beesten met krullende slagtanden brak door de karavaan. De doryms gingen langzamer lopen en zetten voorzichtig hun voeten neer om niet op ze te trappen. Kleinere dieren klampten zich soms vast aan de rug van grotere, en reden een tijdje ongedeerd mee voor ze er weer afsprongen. Genadeloos door elkaar geschud op de stotende draagbaar viel de vermoeide Jason in een lichte slaap die werd verstoord door droombeelden van de voortsnellende beesten die zich voor eeuwig in stilte voort haastten. Ogen open of gesloten, hij zag dezelfde eindeloze stroom van dieren.

Dit alles betekende iets en hij fronste zijn wenkbrauwen terwijl hij probeerde te bedenken wat. Dieren die voortrenden, Pyrraanse dieren.

Plotseling ging hij rechtop zitten, door elkaar geschud op de draagbaar, klaar wakker en alles begrijpend om zich heen kijkend.

‘Wat is er?’ vroeg Rhes en stuurde zijn dorym dichterbij.

‘Ga verder,’ zei Jason. ‘Haal ons hier uit en veilig. Ik weet nu hoe jouw volk kan krijgen wat het wil, een eind maken aan de oorlog. Er is een manier en ik weet hem.’

25

Er waren maar weinig samenhangende herinneringen aan de rit. Sommige dingen waren heel scherp, zoals het brok brandende lava, zo groot als een ruimteschip, dat vlakbij hen in een meer was gedoken en de karavaan besproeide met een hete regen. Maar het was voornamelijk een schijnbaar eindeloze rit en Jason was nog te zwak om zich er erg druk om te maken. Bij het opkomen van de zon was het gevaarlijke gebied achter hen en ze waren van een draf op een stapvoetse gang overgegaan. De dieren waren verdwenen toen de aardbeving achter de rug was en hun eigen weg gegaan, nog steeds in een stilzwijgende wapenstilstand.

De vrede van het gedeelde gevaar was voorbij; dat merkte Jason toen zij stopten om te rusten en te eten. Rhes en hij wilden op een stuk zacht gras gaan zitten bij een omgevallen boom. Maar een wilde hond zat daar eerder. Hij lag onder de stam, zijn spieren gespannen en het rossige morgenlicht deed zijn ogen schitteren. Rhes keek hem aan, nog geen drie meter van hem af, zonder een spier te vertrekken. Hij maakte geen aanstalten om een van zijn wapens te trekken of om hulp te roepen. Jason stond ook stil en hoopte dat de Pyrraan wist wat hij deed. Zonder enige waarschuwing sprong het dier recht op hen af. Jason viel achterover toen Rhes hem opzij duwde. De Pyrraan liet zich op het zelfde moment vallen — alleen hield hij nu een lang mes in zijn hand, uit de schede getrokken die om zijn dijbeen was gebonden. Met ongekende snelheid kwam het mes omhoog, de hond wentelde zich in de lucht, en probeerde erin te bijten. In plaats daarvan ging het achter de voorpoten van de hond naar binnen; het gewicht van het beest zelf trok een gapende wond over de hele lengte van zijn lichaam. Hij leefde nog steeds toen hij op de grond terechtkwam, maar Rhes zat al op zijn rug en trok de kop met de benige schubben achterover en sneed de zachte strot eronder af.

De Pyrraan maakte zorgvuldig zijn mes schoon aan de vacht van het dode dier, en stak het daarna weer in de schede.

‘Meestal doen ze geen kwaad,’ zei hij kalm. ‘Maar deze was een beetje opgewonden. Waarschijnlijk de rest van de horde in de aardbeving kwijtgeraakt.’ Zijn handelwijze was direct tegenovergesteld aan die van de Pyrranen in de stad. Hij had geen moeilijkheden gezocht en was het gevecht ook niet begonnen. In plaats daarvan was hij het zo lang mogelijk uit de weg gegaan. Maar toen het beest aanviel, werd het netjes en efficiënt afgemaakt. En in plaats van nu over zijn overwinning op te scheppen leek hij bezorgd over een onnodige dood.

Het was zinvol. Alles op Pyrrus was zinvol. Hij wist nu hoe de dodelijke strijd op de planeet was begonnen en hij wist hoe hij beëindigd kon worden. Alle doden waren niet voor niets geweest. Iedere dood had hem een klein beetje meer op weg geholpen naar de uiteindelijke bestemming. Alleen het laatste moest nog gebeuren.

Rhes zat naar hem te kijken en hij wist dat ze dezelfde gedachten hadden. ‘Verklaar je nader,’ zei Rhes. ‘Wat bedoelde je toen je zei dat we de rotzooiers weg konden vagen en onze vrijheid verkrijgen?’

Jason deed geen moeite om de verkeerde uitleg te verbeteren; het was het beste als ze dachten dat hij voor honderd procent aan hun kant stond.

‘Haal de anderen bij elkaar en ik zal het je vertellen. Ik wil in het bijzonder Naxa erbij hebben en alle andere praters die hier zijn.’

Zij kwamen snel bijeen toen het werd doorgegeven. Ze wisten alleen dat de rotzooier gedood was om deze bui-tenwerelder te redden en dat hun enige hoop op redding bij hem lag. De wetenschap dat velen van hen daarbij het leven zouden laten deerde hen niet. ‘Wij willen allemaal een eind maken aan deze oorlog hier op Pyrrus. Er is een manier, maar het zal mensenlevens kosten. Sommigen van jullie zullen erin sterven. Ik denk dat het de prijs waard is, want het succes zal jullie alles geven wat je altijd gewild hebt.’ Hij keek de gespannen wachtende kring langs.

‘We gaan de stad binnen vallen, de ommuring doorbreken. Ik weet hoe het moet...’

Een gesputter en gemompel verspreidde zich over de menigte. Sommigen van hen keken opgewonden, gelukkig bij de gedachte hun erfvijanden te kunnen doden. Anderen staarden Jason aan alsof hij gek was. Een paar waren versuft door de omvang van de gedachte, een oorlog te voeren tegen het bolwerk van de zwaar bewapende vijand. Zij werden stil toen Jason zijn hand opstak.

‘Ik weet dat het onmogelijk klinkt,’ zei hij. ‘Maar laat ik het uitleggen. Er moet iets gedaan worden — en nu is het de tijd om het te doen. De situatie kan van nu af aan alleen maar slechter worden. De stadspyrr- de rotzooiers kunnen buiten jullie voedsel; hun synthetische voedsel smaakt afschuwelijk, maar het houdt hen in leven. Maar zij zullen zich tegen jullie keren op elke mogelijke manier. Geen metaal meer voor jullie werktuigen of onderdelen voor jullie elektronische apparaten. Hun haat zal hen waarschijnlijk jullie boerderijen doen opzoeken en ze vernietigen vanuit de lucht. Dit alles zal niet zo prettig zijn en het zal nog veel erger worden. In de stad zijn ze de oorlog tegen de planeet aan het verliezen. Ieder jaar zijn er minder van hen, en op een dag zullen ze allemaal dood zijn. Omdat ik weet hoe zij voelen, ben ik er zeker van dat zij eerst hun schip zullen vernietigen en de hele planeet daarbij als het kan.’

‘Hoe kunnen wij ze dan tegenhouden?’ riep iemand uit.

‘Door ze nu aan te vallen,’ antwoordde Jason. ‘Ik ken alle details van de stad en ik weet waar de versterkingen geplaatst zijn. Hun ringmuur is ontworpen om hen tegen dierlijk leven te beschermen, maar wij zouden erdoor kunnen breken als we het werkelijk wilden.’

‘Waar zou dat goed voor zijn?’ snauwde Rhes. ‘We halen de ommuring neer en zij trekken terug en doen een sterkere tegenaanval. Hoe kunnen wij het tegen hun wapens uithouden?’

‘Dat hoeven we niet. Hun ruimtehaven ligt tegen de ringmuur aan, en ik weet precies waar het schip staat. Daar breken we er doorheen. Er is geen vaste wacht op het schip en er zijn maar een paar mensen in de buurt. We overmeesteren het schip. Of we ermee kunnen vliegen of niet, doet er niet toe. Wie het schip heeft, heeft Pyrrus. Als we eenmaal daar zijn dreigen we het te vernietigen als zij niet aan onze voorwaarden voldoen. Zij hebben de keus tussen massale zelfmoord of samenwerking. Ik hoop dat zij verstandig genoeg zijn om samen te werken.’

Zij waren even stil na die woorden, toen barstte er een golf van geluid los. Er was geen overeenstemming, alleen maar opwinding, en Rhes maande hen uiteindelijk tot orde.

‘Rustig,’ schreeuwde hij. ‘Wacht tot Jason klaar is voordat je beslist. We hebben nog steeds niet gehoord hoe die voorgestelde invasie volbracht moet worden.’

‘Het plan dat ik heb hangt af van de praters,’ zei Jason. ‘Is Naxa hier?’ Hij wachtte tot de in dierehuiden geklede man zich naar voren had gedrongen. ‘Naxa, ik wil meer weten over de praters. Ik weet dat je tegen de doryms en de honden hier kunt praten — maar hoe staat het met de wilde dieren? Kun je het voor elkaar krijgen dat ze je gehoorzamen?’

‘Het zijn dieren, natuurlijk kunnen we met ze praten. Hoe meer praters, hoe meer macht. Laten ze precies doen wat we willen.’

‘Dan gaat de aanval door,’ zei Jason opgewonden. ‘Kun je de praters allemaal aan een kant van de stad krijgen, Naxa? De kant tegenover de ruimtehaven — en de dieren dan ophitsen, zodat ze de ringmuur aanvallen?’

‘Kunnen we!’ schreeuwde Naxa, in vervoering gebracht door het idee. ‘Laten van overal de dieren komen. Grootste aanval ooit gezien!’

‘Dat is het dan. Jullie praters beginnen de aanval aan de buitenste kant van het bolwerk. Als jullie uit het gevecht blijven zullen de wachters niet vermoeden dat het iets anders is dan een aanval van dieren. Ik heb gezien hoe ze werken. Naarmate een aanval groter wordt roepen zij de reserves van binnen de stad en halen mensen weg van andere delen van de ommuring. Als het gevecht op zijn hevigst is, wanneer zij alle troepen van de hele stad in actie hebben, zal ik de aanval leiden die de doorbraak forceert en het schip overmeesteren. Dat is het plan, en het zal lukken.’

Jason ging zitten, viel half neer, volkomen uitgeput. Hij lag te luisteren terwijl er gedebatteerd werd en Rhes de orde bewaarde. Bezwaren werden geopperd en weggepraat.

Niemand kon in beginsel een fout in het plan ontdekken.

Er waren genoeg zwakke plekken, dingen die verkeerd konden gaan, maar Jason noemde ze niet. Deze mensen wilden dat zijn plan zou slagen en zij zouden het laten slagen.

Tenslotte braken ze op en gingen weg. Rhes kwam naar Jason toe.

‘Het is in principe voor elkaar,’ zei hij. ‘Iedereen is het ermee eens. Zij verspreiden het bericht per boodschapper aan alle praters. De praters zijn het hart van de aanval en hoe meer we er hebben, des te beter zal het gaan. We durven de schermen niet te gebruiken om ze op te roepen; er is een goede kans dat de rotzooiers onze berichten onderscheppen. Het duurt vijf dagen voor we gereed zijn.’

‘Die tijd zal ik helemaal nodig hebben, wil ik van enig nut zijn,’ zei Jason. ‘Laten we nu gaan slapen.’

26

‘Het is een vreemd gevoel,’ zei Jason. ‘Ik heb de ommuring eigenlijk nooit van deze kant gezien. Lelijk is zowat het enige woord ervoor.’

Hij lag op zijn buik naast Rhes en keek door een scherm van bladeren een heuvel af naar de ommuring. Zij waren beide gewikkeld in dikke dierehuiden, ondanks de hitte van de middag, met dikke laarzen en handschoenen om hun handen te beschermen. De hitte en de zwaartekracht maakten Jason duizelig, maar hij dwong zichzelf er niet op te letten.

Vóór hen aan het einde van een verbrande strook stond de ommuring. Een hoge wal van verschillende hoogte en materiaal, zo op het oog gemaakt van alle rommel en afval van de wereld. Het was onmogelijk te zeggen waar hij oorspronkelijk uit bestaan had. Generaties aanvallers hadden hem beschadigd, gebroken en ondermijnd. Reparaties waren vlug uitgevoerd, stoplappen erin gegooid en in elkaar geflanst. Ruw metselwerk brokkelde en maakte plaats voor rattennesten van planken. Dit overlapte een eind pokdalig metaal, uit grote platen aan elkaar geklonken. Zelfs het metaal was doorgevreten en uit een hoekig gat puilden zandzakken. Over de hele oppervlakte van de muur kronkelden detector- en stroomdraden. Op onregelmatige afstand van elkaar stonden vlammenwerpers met hun muil boven de borstwering uit, die de voet van de muur schoonveegden van ieder levend wezen dat in de buurt mocht komen.

‘Die vlammendingen kunnen ons nog heel wat last bezorgen,’ zei Rhes. ‘Die daar bestrijkt het hele gebied waar jij doorheen wilt trekken.’

‘Dat is geen probleem,’ verzekerde Jason hem. ‘Het mag eruitzien alsof ze volkomen willekeurig richten, maar dat is niet zo. Hij beschrijft een eenvoudige boog, genoeg om een dier af te schrikken, maar het is nooit bedoeld om mensen buiten te houden. Kijk zelf maar. Hij vuurt met regelmatige tussenpozen van twee, vier, drie en een minuut!’

Ze kropen terug naar de holte waar Naxa en de anderen op hen wachtten. De groep telde maar dertig man. Wat zij moesten doen kon alleen maar door een snelle lichte groep gedaan worden. Hun sterkste wapen was de verrassing. Als die eenmaal weg was zouden hun andere wapens het geen seconde uithouden tegen het stadsgeschut. Iedereen zag er ongemakkelijk uit in de bontvellen en beenwindsels en sommigen hadden ze los gemaakt om wat af te koelen.

‘Maak dicht,’ beval Jason. ‘Niemand van jullie is ooit zo dicht bij de ommuring geweest en jullie begrijpen niet hoe dodelijk het hier is. Naxa houdt de grotere dieren weg en jullie kunnen zelf de kleinere aan, dat is het gevaar niet. Iedere doorn hier is giftig, en zelfs de grassprieten hebben een dodelijke steek. Kijk uit voor insecten van elke soort en als we in beweging komen moet je alleen ademhalen door de natte doeken.’

‘Hij heeft gelijk,’ gromde Naxa. ‘Zelf nooit zo dichtbij geweest. Dood, alleen maar dood bij die muur. Doe wat hij zegt.’

Ze konden toen alleen maar wachten, slepen de toch al naaldscherpe punten van hun pijlen bij en keken naar de langzaam voortgaande zon. Alleen Naxa deelde de onrust niet. Hij zat stil met starre ogen, de beweging van het dierenleven om hem heen in het woud aftastend.

‘Op weg,’ zei hij. ‘Grootste ooit gehoord. Geen beest tussen hier en de bergen huilt zijn longen niet uit zijn lijf, op weg naar de stad.’

Jason was zich er gedeeltelijk van bewust. Een spanning in de lucht en een golf van diepe woede en haat. Het zou werken, wist hij, als ze de aanval maar konden beperken tot een klein gebied. De praters leken er zeker van te zijn. Zij waren die morgen kalmpjes op weg gegaan, een smalle rij ruige kerels, als een mentale gesel die het hele Pyrraanse leven zou opdrijven en opzetten tegen de stad.

‘Raak!’ zei Naxa plotseling.

De mannen sprongen overeind en keken in de richting van de stad, maar Jason had al aan het draaien van zijn maag gevoeld dat de aanval kwam. Dit was het.

Er klonken schoten en ver weg zwaar gedreun. Dunne rookveren begonnen boven de boomtoppen uit te komen.

‘Laten we ons opstellen,’ zei Rhes.

Om hen heen huilde het oerwoud met een echo van haat. De half gevoelige planten kronkelden zich en de lucht was vol met kleine vliegende dieren. Naxa zweette en mompelde terwijl hij de beesten terugzond die op hen afkwamen. Toen zij bij de bosrand kwamen, voor het verbrande gebied, hadden zij vier man verloren. Een was er door een insect gestoken; Jason was er op tijd bij geweest met de medidoos, maar de man was zo ziek geweest dat hij terug moest keren. De drie anderen waren gestoken of geschramd en hulp kwam te laat. Hun gezwollen verkrampte lichamen waren achtergelaten.

‘Verdomde dieren doen pijn in mijn hoofd,’ mopperde Naxa. ‘Wanneer gaan we naar binnen?’

‘Nog niet,’ zei Rhes. ‘We wachten op het signaal.’

Een van de mannen droeg de ontvanger. Hij zette hem zorgvuldig neer en hing toen de antenne over een tak. Het toestel was afgeschermd zodat er geen straling uit kon lekken die hen zou kunnen verraden. Hij stond aan, maar er kwam alleen het gesis van de atmosferische ruis uit de luidspreker.

‘We hadden het kunnen timen,’ zei Rhes.

‘Nee, dat kon niet,’ zei Jason. ‘Niet nauwkeurig. We willen tegen die muur op als het gevecht op zijn heetst is en onze kansen het grootst zijn. Zelfs al horen ze het bericht daarbinnen dan betekent het geen donder voor ze. Een paar minuten later doet het er niet meer toe.’

Het geluid uit de luidspreker veranderde. Een stem zei een korte zin, brak toen af. ‘Breng me drie vaten meel.’

‘Voooruit,’ riep Rhes en kwam in beweging. ‘Wacht,’ riep Jason en greep hem bij de arm. ‘Ik neem de tijd op van de vlammenwerpers. Hij moet zo beginnen ... daar!’ Een explosie van vuur verschroeide de grond, verdween toen weer. ‘We hebben vier minuten tot de volgende, we hebben de lange pauze getroffen!’

Ze renden, struikelden over het lange gras en over verkoolde beenderen en geroest metaal. Twee mannen grepen Jason onder zijn armen en droegen hem half over de grond. Het was niet zo afgesproken maar het scheelde kostbare seconden. Zij zetten hem tegen de muur en hij frommelde de bommen te voorschijn die hij gemaakt had. De ladingen van Krannons wapen dat zij meegenomen hadden toen hij gedood was, waren verbonden aan een ontsteker. Alle bewegingen waren zorgvuldig uitgeprobeerd en tot nu toe ging het gesmeerd.

Jason had de metalen muur uitgekozen als de beste plaats om door te breken. Hij bood de meeste weerstand tegen de dieren en de kans was daarom groot dat hij niet extra versterkt was met zandzakken of ander vulsel, zoals de andere gedeelten van de muur. Als hij het verkeerd had, waren ze allemaal verloren.

De eerste mannen hadden hun proppen kleverige hars al tegen de muur aangeplakt. Jason drukte de ladingen erin en ze bleven zitten in een manshoog rechthoekig patroon. Terwijl hij dat deed werd de ontstekingsdraad helemaal uitgerold en de overvallers zochten dekking tegen de voet van de muur. Jason strompelde door de as naar de ontsteking, liet zich erop vallen en drukte tegelijk de knop in.

Achter hem deed een daverende explosie de muur schudden en rode vlammen barstten eruit. Rhes was er het eerst en trok aan het gekrulde en rokende metaal met zijn gehandschoende handen. Anderen grepen het ook vast en bogen de gescheurde stukken opzij. Het gat stond vol met rook en er was niets door te zien. Jason dook door de opening en rolde over een hoop rommel en smakte tegen iets hards aan. Toen hij de rook uit zijn ogen had geknipperd keek hij om zich heen.

Hij was binnen de stad.

De anderen stroomden er nu doorheen, pakten hem op zodat hij niet onder de voet gelopen zou worden terwijl zij naar binnen stormden. Iemand zag het ruimteschip staan en ze renden ernaar toe.

Een man rende om de hoek van een gebouw naar hen toe. Zijn Pyrraanse reflexen deden hem in veiligheid springen in een portiek op het zelfde moment dat hij de invasie bespeurde. Maar zij waren ook Pyrranen. De man gleed langzaam de straat op, met drie pijlen in zijn lichaam. Ze renden voort zonder te stoppen tussen de lage pakhuizen. Het schip stond voor hen.

Was iemand er eerder dan zij? Ze konden zien hoe de buitenste sluis langzaam dichtknarste. Een hagel van pijlen sloeg er zonder effect tegen aan.

‘Ga door!’ schreeuwde Jason. ‘Zorg dat je vlak bij de romp komt voordat hij bij de kanonnen is.’

Deze keer haalden drie mannen het niet. De rest was onder de buik van het schip toen alle kanonnen tegelijk vuurden. De meesten waren ver van het schip af gericht, maar toch was het gehuil van de granaten en de ontploffingen oorverdovend. De drie mannen die nog op het veld waren, werden verteerd door de vlammen. Wie er ook in het schip mocht zijn, hij was erin geslaagd alle kanonnen tegelijk af te vuren, zowel om de aanval af te slaan als om hulp te krijgen. Hij zou nu wel overal om hulp schreeuwend op het scherm te zien zijn. Hun tijd raakte op.

Jason greep naar boven en probeerde het luik open te krijgen, terwijl de anderen toekeken. Het was van binnen uit gesloten. Een van de mannen schoof hem opzij en trok aan de verzonken handel die afbrak onder zijn handen. Maar het luik bleef gesloten.

De grote kanonnen waren nu stil en zij konden elkaar weer verstaan.

‘Heeft iemand het wapen van die dode man afgepakt?’ vroeg hij. ‘Het zou dit luik open kunnen laten springen.’

‘Nee,’ zei Rhes, ‘we hebben niet stilgestaan.’ Voordat die woorden uit zijn mond waren, renden er twee mannen in een schaarbeweging naar het gebouw. De vuurwapens van het schip barstten opnieuw los; een stroom van explosies hakte in op een van de twee mannen. Voordat ze van richting hadden kunnen veranderen en de andere man onder vuur nemen, had deze het gebouw bereikt. Hij kwam snel terug en schoot het open veld op, en smeet het wapen naar hen toe. Voordat hij in veiligheid kon duiken hadden de granaten hem te pakken.

Jason graaide het wapen naar zich toe, toen het vlak voor zijn voeten aan kwam zeilen. Ze hoorden het geluid van op volle kracht draaiende truckturbines op zich af komen terwijl hij het luik openschoot. Het mechanisme zuchtte en het luik zakte open. Zij waren allemaal door de luchtsluis voordat de eerste truck verscheen. Naxa bleef achter in het luik met het wapen om de ingang te verdedigen totdat ze de controlekamer veroverd hadden.

Iedereen kon veel sneller klimmen dan Jason toen hij hen eenmaal de weg had gewezen, zodat het gevecht daar al over was toen hij er aankwam. De ene stadspyrraan zag eruit als een speldenkussen. Een van de technische mannen had de vuurleiding gevonden en schoot als een wilde in het rond, zodat de trucks alleen al werden teruggedreven door de hevigheid van zijn salvo.

‘Iemand naar de radio en de praters zeggen dat de aanval op moet houden,’ zei Jason. Hij vond het communicatiescherm en zette het aan. Kerks gezicht staarde hem met wijdopengesperde ogen aan van het scherm.

‘Jij!’ zei Kerk, de woorden uitspuwend als een vloek.

‘Ja, ik,’ antwoordde Jason. Hij praatte zonder op te kijken terwijl zijn handen bezig waren op het bedieningspaneel.

‘Luister goed, Kerk — en twijfel niet aan wat ik zeg. Ik mag dan niet weten hoe ik met dit schip moet vliegen, maar ik weet heel goed hoe ik er een uit elkaar moet laten vliegen. Hoor je dat geluid?’

Hij haalde een handel over en ergens in het schip begon een pomp te dreunen. ‘Dat is de hoofdbrandstofpomp. Als ik hem laat lopen — wat ik nu nog niet zal doen — zal de stuwkamer heel gauw vollopen met ruwe brandstof. Er zoveel in laten lopen dat het de achtersteven uitloopt. Wat denk je dat er dan zou gebeuren met je enige ruimteschip als ik dan op de ontstekingsknop druk? Ik vraag je niet wat er met mij gaat gebeuren, dat kan je toch niet schelen — maar dit schip heb je nodig! Om in leven te blijven!’

Het was nu doodstil in de cabine. De mannen die het schip veroverd hadden keerden hun gezicht naar hem toe. Kerks stem kraakte luid door de ruimte.

‘Wat wil je, Jason? Wat ben je van plan? Waarom heb je die beesten daar binnen gehaald?’ Zijn stem kraakte en brak af toen zijn woede hem overmande en verstikte.

‘Pas op je woorden, Kerk,’ zei Jason met een zachte dreiging. ‘Deze mannen hier waar jij over praat zijn de enigen op Pyrrus die een ruimteschip hebben. Als je wilt dat ze het met je delen moest je maar eens wat vriendelijker praten. En kom nou maar hierheen en neem Brucco en Meta mee.’

Jason keek naar het rode opgezette gezicht van de oudere man en voelde bijna medelijden.

‘Kijk niet zo ongelukkig, dit is niet het einde van de wereld. Eigenlijk is het juist het begin. Wat anders, laat dit kanaal open als je weggaat. Laat ieder scherm van de stad erop aansluiten, zodat iedereen kan zien wat hier gebeurt. Controleer of alles opgenomen wordt, dan kunnen we het later nog eens afdraaien.’

Kerk wilde iets zeggen, maar bedacht zich. Hij verdween van het scherm, maar het bleef aan. En liet aan de hele stad zien, wat er zich in de controlekamer afspeelde.

27

Het gevecht was voorbij. Het was zo plotseling opgehouden dat het feit nog niet helemaal bezonken was. Rhes wreef zijn hand tegen het glimmende metaal van het controlepaneel en liet zich door de werkelijkheid van de aanraking overtuigen. De andere mannen liepen rond, keken door de kijkschermen naar buiten en namen de vreemde mechanismen van de kamer gretig in zich op.

Jason was lichamelijk uitgeput, maar hij kon het niet laten merken. Hij opende de verbandkist van de piloot en groef net zo lang tot hij de stimulerende pillen gevonden had. Drie van die vergulde pilletjes verdreven alle vermoeidheid uit zijn lichaam en hij kon weer helder denken.

‘Luister naar me!’ schreeuwde hij. ‘Het gevecht is nog niet afgelopen! Ze zullen alles proberen om het schip terug te heroveren en daar moeten we voor klaar staan. Ik wil dat één van de technici deze panelen naloopt om de sluisbediening te vinden. Controleer of alle luiken en deuren gesloten zijn. Stuur er desnoods een paar man heen om het te controleren. Draai alle schermen aan om in iedere richting te kunnen kijken, zodat niemand ongemerkt bij het schip kan komen. We hebben een wacht nodig in de machinekamer, mijn controle zou afgesneden kunnen worden als ze daar inbreken. En het hele schip moet doorzocht worden om te kijken of er misschien nog iemand met ons is ingesloten.’

De mannen hadden nu iets te doen en voelden zich opgelucht. Rhes verdeelde hen in groepjes en zette hen aan het werk. Jason bleef bij de controles, zijn hand vlak bij de pomphandel. De strijd was nog niet voorbij.

‘Daar komt een truck aan,’ riep Rhes. ‘Langzaam.’

‘Zal ik hem opblazen?’ vroeg de man bij de vuurleiding.

‘Niet vuren,’ zei Jason. ‘Wacht tot we kunnen zien wie het is. Als het de mensen zijn die ik hierheen heb ontboden, laat ze dan door.’

Terwijl de truck langzaam naderde volgde de schutter ze in zijn vizier. Er zat een chauffeur in met drie passagiers Jason wachtte tot hij er zeker van was wie het waren.

‘Dat zijn ze,’ zei hij. ‘Houd ze vast bij het luik, Rhes, en laat ze een voor een binnenkomen. Ontwapen ze bij hun binnenkomst, en kijk daarna hun hele uitrusting na. Het is niet te zeggen wat voor verborgen wapenen ze bij zich kunnen hebben. Wees in het bijzonder voorzichtig met Brucco, hij is die dunne met een gezicht als de snede van een bijl — en zorg ervoor dat je alles van hem afneemt. Hij is een specialist op het gebied van wapenen en overleving. En breng de chauffeur ook hier; we willen niet dat hij terug gaat om van het opengebroken luik en hoe het met onze wapens gesteld is te vertellen.’

Het wachten was zwaar. Zijn hand bleef naast de pomphandel, ook al wist hij dat hij hem nooit zou kunnen gebruiken. Als de anderen maar dachten dat hij het wel zou doen. Er klonk gestamp en sputterend gevloek in de gang en de gevangenen werden naar binnen geduwd. Jason keek even naar hun moordzuchtige uitdrukking en hun gebalde vuisten voordat hij Rhes riep.

‘Zet ze tegen de muur en hou ze in de gaten. Boogschutters, houdt je wapens klaar.’ Hij keek naar de mensen die eens zijn vrienden waren geweest en nu verteerd werden door haat jegens hem. Meta, Kerk en Brucco. De chauffeur was Skop, de man die Kerk eens had aangewezen om hem te bewaken. Hij zag eruit of hij ieder moment zou barsten nü de rollen omgekeerd waren.

‘Let goed op,’ zei Jason. ‘Want jullie leven hangt ervan af. Blijf met je rug tegen de muur staan, en probeer niet dichterbij te komen dan je nu bent. Als je dat toch doet, wordt je onmiddellijk neergeschoten. Als we alleen waren, zou iemand ongetwijfeld bij me kunnen komen voor ik de handel over had kunnen halen. Maar we zijn niet alleen. Jullie hebben Pyrraanse spieren en reflexen — maar de boogschutters ook. Probeer het niet, want het is waaghalzerij. Het is zelfmoord. Ik vertel je dit voor je eigen veiligheid. Dan kunnen we in alle rust praten zonder dat iemand zijn geduld of zijn humeur verliest en plotseling neergeschoten wordt. Er is geen ontkomen aan. Je bent gedwongen te luisteren naar alles wat ik zeg. Je kunt niet ontsnappen of mij doodmaken. De oorlog is voorbij.’

‘En we hebben verloren — en allemaal door jou, jij verrader,’ grauwde Meta.

‘Verkeerd op alle fronten,’ zei Jason effen. ‘Ik ben geen verrader omdat ik mij ter beschikking stel aan alle mensen op deze planeet, binnen of buiten de ommuring. Ik heb het nooit anders voorgespiegeld. En wat verliezen betreft, je hebt niets verloren. In feite heb je gewonnen. Je hebt de oorlog tegen de planeet gewonnen, als je nu maar naar me wilt luisteren.’ Hij keerde zich naar Rhes die in boze verwarring zijn wenkbrauwen fronste. ‘Natuurlijk hebben jouw mensen ook gewonnen, Rhes, geen oorlog meer met de stad, jullie zullen medicijnen krijgen, contact met mensen buiten de planeet, alles wat je wilt.’

‘Neem me niet kwalijk als het cynisch klinkt,’ zei Rhes. ‘Maar je belooft alle goeds in het heelal aan iedereen. Dat zal een beetje moeilijk te verwezenlijken zijn, als onze belangen zo tegengesteld zijn.’

‘Je raakt meteen het belangrijkste punt,’ zei Jason. ‘Dank je. Deze warhoop zal opgeruimd worden door ervoor te zorgen dat ieders belangen niet langer tegengesteld zijn. Vrede tussen stad en land en een eind aan een zinloze oorlog die jullie gevoerd hebben. Vrede tussen de mens en de Pyrraanse levensvormen, want die oorlog is de grondslag van al jullie moeilijkheden.’

‘Die man is gek,’ zei Kerk.

‘Misschien. Dat moet je maar beoordelen nadat ik uitgesproken ben. Ik ga de geschiedenis van deze planeet vertellen, want daar ligt zowel de moeilijkheid als de oplossing.

‘Toen de kolonisten op Pyrrus landden, driehonderd jaar geleden, zagen zij het ene belangrijke punt van deze planeet over het hoofd. De factor die haar doet verschillen van alle andere planeten in dit melkwegstelsel. Het kan hun niet kwalijk worden genomen, zij hadden genoeg andere dingen om zich zorgen over te maken. De zwaartekracht was ongeveer het enige vertrouwde voor hen, de rest van de omgeving was een schokkende verandering bij de klimatologisch gecontroleerde, industriële wereld die ze hadden verlaten. Stormen, vulkanen, vloedgolven, aardbevingen — het was genoeg om hen krankzinnig te maken, en ik ben er zeker van dat velen dat ook werden. Het dieren- en insectenleven was een voortdurende ergernis, zo volkomen verschillend van de paar onschuldige en beschermde soorten die zij kenden. Ik weet zeker dat ze nooit doorkregen dat het Pyrraanse leven ook nog telepathisch —

‘Dat weer!’ snauwde Brucco. ‘Waar of niet waar, het is niet van belang. Ik was geneigd het met je theorie eens te zijn, je theorie van een psionisch geleide aanval op ons, maar het dodelijke fiasco dat je opvoerde bewees dat je theorie fout was.’

‘Dat geef ik toe,’ antwoordde Jason. ‘Ik had het volkomen verkeerd toen ik dacht dat een of ander buitenstaand medium de aanval op de stad richtte door psionische controle. Het leek toen een logische theorie en de bewijzen leidden in die richting. De expeditie naar dat eiland was een dodelijk fiasco — vergeet alleen niet dat een aanval het direct tegenovergestelde was van wat ik wilde. Als ik zelf die grot ingegaan was, was geen van de doden nodig geweest. Ik denk dat ik dan ontdekt zou hebben dat die plantenwezens slechts een hogere levensvorm waren met een ongewone psi-gevoeligheid. Zij antwoordden eenvoudig heel sterk op de psionische aanval op de stad. Ik redeneerde verkeerd om en had het idee dat zij de strijd begonnen waren. We zullen, nooit achter de waarheid komen, want ze zijn vernietigd. Maar hun dood heeft een ding gedaan — ons laten zien waar we de ware schuldige moeten zoeken. De wezens die de oorlog tegen de stad leiden, richten en inspireren.’

‘Wie?’ Kerk spoog de vraag meer uit dan dat hij sprak.

‘Wie? Jij zelf natuurlijk,’ zei Jason. ‘Niet jij alleen, maar al je mensen in de stad. Misschien vind je deze oorlog niet prettig. Hoe het ook zij, je bent ervoor verantwoordelijk en je houdt hem aan de gang.’

Jason moest een glimlach onderdrukken toen hij naar hun stomverbaasde gezichten keek. Hij moest dit punt ook gauw uitleggen, voordat zelfs zijn bondgenoten zouden gaan denken dat hij krankzinnig was.

‘Het zit zo in elkaar. Ik zei dat het Pyrraanse leven telepathisch was — en ik bedoelde al het leven. Ieder klein insect, plant of dier. Op een keer in de historie van deze ruige planeet bleken de psionische mutaties overlevingstypen te zijn. Zij bleven bestaan toen andere soorten uitstierven en ik ben er zeker van dat zij zich tenslotte verenigden en de laatste overlevenden van de niet psi-gevoelige wezens uitroeiden. Samenwerking is het devies hier. Want terwijl zij nog steeds met elkaar wedijverden in normale omstandigheden, werkten ze samen tegen alles wat hen allemaal bedreigde. Wanneer een natuurlijke catastrofe of een vloedgolf hen bedreigde, vluchtten zij in harmonie. Je kunt een mildere vorm daarvan zien op iedere planeet die wel eens bosbranden heeft. Maar hier werd het wederzijds overleven in het extreme getrokken door de ruige omstandigheden. Misschien ontwikkelden sommige van de levensvormen zelfs een aanvoelen, zoals de menselijke aardbevingsmannen. Met deze waarschuwing van tevoren vluchtten de grote beesten. De kleine ontwikkelden zaad, of eieren of larven die in veiligheid konden worden gebracht door de wind of in de pels van andere dieren en verzekerden zich op die manier van het voortbestaan van hun soort. Ik weet dat het waar is, want ik heb het zelf gezien toen wij moesten vluchten voor een aardbeving.’

‘Toegegeven — al je punten toegegeven,’ schreeuwde Brucco. ‘Maar wat heeft dat met ons te maken? Als al die dieren met elkaar wegrenden, wat heeft dat met onze strijd te maken?’

‘Ze doen meer dan alleen met elkaar wegrennen,’ zei Jason. ‘Ze werken ook samen tegen elke natuurlijke ramp die hen gezamenlijk bedreigt. Er zal een tijd zijn, daar ben ik zeker van, dat ecologen in vervoering raken over de ingewikkelde aanpassingen die hier plaats vinden als er sneeuwstormen, overstromingen, branden of andere rampen op komst zijn. Maar er is maar één reactie die ons nu eigenlijk wat kan schelen. Dat is die welke tegen de stadsmensen gericht is. Begrijp je het nog niet — ze beschouwen jullie allemaal als de zoveelste natuurramp!

‘We zullen nooit precies weten hoe het ontstaan is, hoewel ik een aanwijzing in dat dagboek gevonden heb, dat dateert uit de eerste dagen op deze planeet. Het zei dat een bosbrand nieuwe soorten naar de kolonisten toegedreven scheen te hebben. Dat waren helemaal geen nieuwe beesten — gewoon oude met nieuwe gedragingen. Kun je je niet voorstellen hoe de beschermde, overbeschaafde kolonisten zich gedroegen toen zij voor een bosbrand stonden? Zij raakten in paniek, natuurlijk. Als de kolonisten in de baan van het vuur lagen, moesten de dieren recht door hun kamp rennen. Hun reactie zal ongetwijfeld geweest zijn de vluchtende beesten neer te schieten.

‘Toen zij dat deden, classificeerden ze zich als een natuurramp. Rampen kunnen elke vorm aannemen. Tweevoeters met wapens konden makkelijk in die categorie opgenomen worden. De Pyrraanse dieren vielen aan, werden neergeschoten en de oorlog was geboren. De overlevenden bleven aanvallen en lichtten alle andere levensvormen in over de aard van het gevecht. De radioactiviteit van deze planeet moet een overvloed aan mutaties veroorzaakt hebben — en de meest gunstige, meest levensvatbare mutatie was er nu één die dodelijk was voor de mens. Ik wil erom wedden dat de psi-functie zelf veranderingen kan veroorzaken, sommige van de dodelijkste typen zijn te eenzijdig dan dat ze langs natuurlijke weg zouden kunnen zijn ontstaan in nauwelijks driehonderd jaar.

‘De kolonisten vochten natuurlijk terug en hielden hun status als natuurramp intact. Door de eeuwen heen verbeterden ze hun methoden om te doden, hoewel dat niet in het minst hielp, zoals jullie weten. Jullie stadsmensen, hun nakomelingen, zijn de erfgenamen van deze haat. Jullie vechten en worden langzaam verslagen. Hoe kunnen jullie het ooit winnen van de biologische reserves van een planeet die zichzelf iedere keer kan herscheppen om elke nieuwe aanval te weerstaan?’

Stilte volgde op Jasons woorden. Kerk en Meta stonden erbij met witte gezichten toen de draagwijdte van de onthulling tot hen doordrong. Brucco mompelde en telde de verschillende punten op zijn vingers af, hij probeerde een zwakke plek in de redenering te vinden. De vierde stadspyrraan, Skop, luisterde niet naar al die dwaze woorden die hij niet kon begrijpen en zou Jason ogenblikkelijk gedood hebben als er maar de kleinste kans op succes was geweest.

Het was Rhes die de stilte verbrak. Zijn snelle geest had de argumenten opgenomen en uitgezift. ‘Er klopt één ding niet,’ zei hij. ‘Hoe zit het met ons? Wij leven gewoon op de planeet zonder ommuringen of pistolen. Waarom worden wij ook niet aangevallen? Wij zijn mensen, stammen van dezelfde voorouders als de rotzooiers.’

‘Jullie zijn nooit aangevallen,’ zei Jason, ‘omdat je jezelf niet deed kennen als een natuurramp. Dieren kunnen leven op de helling van een vulkaan, vechten en doden in een natuurlijke wedijver. Maar zij zullen gezamenlijk wegvluchten als de vulkaan uitbarst. De uitbarsting is wat de berg in een natuurramp verandert. In het geval van mensen zijn het hun gedachten die hen doen kennen als levensvorm of als ramp. Berg of vulkaan. In de stad straalt iedereen wantrouwen en dood uit. Zij vinden het prettig om te doden. Dit is ook een natuurlijke selectie, begrijp je. Dat zijn de overlevingstrekken die het binnen de stad het beste doen. Buiten de stad denken de mensen anders. Als ze in hun eentje aangevallen worden, vechten ze, net als ieder ander levend wezen. Als ze onder een meer algemene bedreiging komen te staan handelen ze volgens de overlevingsregels die overal in het heelal gelden en die de stadsmensen gebroken hebben.’

‘Hoe is het begonnen — deze scheiding bedoel ik, tussen de twee groepen?’ vroeg Rhes.

‘Dat zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen,’ zei Jason. ‘Ik denk dat jullie mensen oorspronkelijk boeren geweest zijn, of mensen die psi-gevoelig waren en niet bij de anderen waren ten tijde van de ramp. Zij zouden natuurlijk volgens Pyrraanse maatstaven handelen en overleven. Dit zou de verschillen van mening met de stadsmensen kunnen veroorzaken die doden als het antwoord beschouwden. Het is duidelijk dat, wat de reden ook was, er al vroeg twee gescheiden groepen gevestigd werden en dat ze spoedig geheel gescheiden leefden op de beperkte ruilhandel na, die voor beiden voordelig was.’

‘Ik kan het nog steeds niet geloven,’ mompelde Kerk. ‘Het wordt met iedere stap een steeds hardere waarheid, maar ik kan het nog steeds moeilijk aanvaarden. Er moet een andere verklaring voor zijn.’

Jason schudde langzaam zijn hoofd. ‘Nee. Dit is de enige die juist is. We hebben de andere uitgeschakeld, weet je wel? Ik kan het je niet kwalijk nemen dat je het moeilijk vindt om het te geloven, aangezien het direct tegenovergesteld is aan alles wat in het verleden als jouw waarheid heeft gegolden. Het is als het wijzigen van een natuurwet. Alsof je het bewijs gaf dat de zwaartekracht niet werkelijk bestond, dat het een kracht was die vokomen verschilde van de onveranderlijke kracht die wij kennen, één waarmee je kunt leven, als je maar wist hoe! Je zou meer bewijs willen hebben dan woorden, waarschijnlijk wil je iemand op lucht zien lopen.’

‘Wat nog niet eens zo’n gek idee is,’ voegde hij eraan toe, terwijl hij zich naar Naxa omdraaide. ‘Hoor je de dieren hier rond het schip? Niet die waar je gewoonlijk mee omgaat maar de wilde, die alleen leven om de stad aan te vallen?’

‘Plein krioelt ervan,’ zei Naxa. ‘Op zoek naar iets om te doden.’

‘Kun je er één vangen?’ vroeg Jason, ‘zonder dat je gedood wordt bedoel ik.’

Naxa snoof verachtelijk toen hij zich omdraaide en weg ging. ‘Beest moet nog geboren worden, dat mij kwaad doet.’

Ze stonden rustig bij elkaar, iedereen in beslag genomen door zijn eigen gedachten, terwijl zij wachtten tot Naxa terugkwam.

Jason had niets meer te zeggen. Hij wilde nog een ding doen om te proberen hen van de feiten te overtuigen; daarna zou het aan hen zijn om de conclusie te trekken.

De prater kwam spoedig terug met een steekvleugel, die bij een poot aan een lange reep leer gebonden was. Hij flapperde en krijste toen hij naar binnen gebracht werd.

‘In het midden van de kamer, bij iedereen vandaan,’ zei Jason. ‘Kan je hem ergens op laten zitten, zodat hij niet meer rondflappert?’

‘Mijn hand goed genoeg?’ vroeg hij, terwijl hij het beest erop zette dat zich aan zijn handschoen vastklemde. ‘Zo heb ik hem ook gevangen.’

‘Twijfelt iemand eraan dat dit een echte steekvleugel is?’ vroeg Jason. ‘Ik wil er zeker van zijn dat iedereen beseft dat dit geen bedrog is.’

‘Het ding is echt,’ zei Brucco. ‘Ik kan het vergif in de vleugelklauwen hier vandaan ruiken.’ Hij wees naar de donkere vlekken op het leer waar de vloeistof neerge-druppeld was. ‘Als dat door de handschoen heenvreet is die man dood.’

‘Dan zijn we het erover eens dat hij echt is,’ zei Jason. ‘Echt en dodelijk en de enige test van de theorie zal zijn dat jullie stadsmensen hem benaderen zoals Naxa hier.’

 Ze weken automatisch achteruit toen hij dat zei. Omdat zij wisten dat steekvleugel synoniem was met dood. Verleden, heden en toekomst. Een natuurwet verander je niet. Meta sprak voor hen allen.

‘We — we kunnen het niet. Deze man leeft midden in de jungle, zelf een dier. Hij heeft op de een of andere manier geleerd er dicht bij te komen. Maar dat kun je niet ook van ons verwachten.’

Jason sprak snel, voor de prater kon reageren op de belediging. ‘Natuurlijk verwacht ik dat van jullie. Dat is de hele opzet. Als je het beest niet haat en niet verwacht dat hij je aanvalt — nou dan doet hij het niet. Doe net of het een beest van een andere planeet is, dat geen kwaad kan doen.’

‘Ik kan het niet,’ zei ze, ‘het is een steekvleugel.’ Terwijl zij praatten stapte Brucco naar voren, zijn ogen op het beest gericht dat op de handschoen zat. Jason gaf de boogschutters een teken om niet te schieten. Brucco bleef op een veilige afstand staan en keek strak naar de steekvleugel. Hij wapperde onrustig met zijn lederachtige vleugels en siste. Een druppel vergif verscheen aan iedere klauw aan de uiteinden van zijn vleugels. De controlekamer was doodstil.

Langzaam hief hij zijn hand op, stak hem voorzichtig uit boven het dier. De hand zakte iets naar beneden, streek een keer over de kop van de steekvleugel en viel toen terug. Het dier bewoog slechts eventjes onder de aanraking. Er klonk een algemene zucht, toen zij hun onwillekeurig ingehouden adem uitbliezen.

‘Hoe kreeg je het voor elkaar?’ vroeg Meta hees. ‘Hmm, wat?’ zei Brucco, klaarblijkelijk uit een trance ontwakend. ‘O, dat ding aanraken. Heel gewoon eigenlijk. Ik deed net of het een van de trainingsvogels was die ik gebruik, een natuurgetrouw en ongevaarlijk duplicaat. Ik concentreerde me op die gedachte en het lukte.’

Hij keek naar zijn hand en toen weer naar de steekvleugel.

‘Het is geen trainingsvogel, weet je. Hij is echt. Dodelijk. De buitenwerelder heeft gelijk. In alles wat hij zegt.’

Met Brucco’s succes als voorbeeld kwam Kerk dicht bij het dier. Hij liep stijfjes, alsof hij op weg was naar zijn executie, en het zweet stroomde langs zijn strakke gezicht. Maar hij geloofde het en hield zijn gedachten weg van de steekvleugel en kon hem ongedeerd aanraken.

Meta probeerde het ook, maar kon niet tegen de angst op die het dier inboezemde, toen zij dichterbij kwam.

‘Ik probeer het,’ zei ze, ‘ik geloof je nu — maar ik kan het gewoon niet.’

Skop gilde toen iedereen naar hem keek, schreeuwde dat het allemaal bedrog was, en moest bewusteloos geslagen worden toen hij de boogschutters aanviel. Begrip was over Pyrrus neergedaald.

28

‘Wat doen we nu?’ vroeg Meta. Haar stem klonk bezorgd. Zij bracht de gedachten van alle Pyrranen in de kamer onder woorden en van de duizenden die naar hen keken op hun scherm.

‘Wat moeten we doen?’ Zij keerden zich naar Jason en wachtten op een antwoord. Voor het ogenblik waren ze hun geschillen vergeten. De mensen uit de stad keken hem afwachtend aan, net als de kruisboogschutters die hun wapens hadden laten zakken. Deze vreemdeling had de oude wereld die zij kenden in verwarring gebracht en veranderd en hun een andere, vreemdere met onbekende problemen gegeven.

‘Wacht eens,’ zei hij, terwijl hij zijn hand ophief. ‘Ik ben geen dokter in sociale kwalen. Ik ga niet proberen deze planeet vol gespierde scherpschutters te genezen. Ik heb me tot nu toe overal tussen door weten te wringen, maar volgens de statistische waarschijnlijkheid had ik al tien keer dood moeten zijn.’

‘Ook al is wat je zegt waar, Jason,’ zei Meta. ‘Je bent nog steeds de enige persoon die ons kan helpen. Hoe ziet de toestand eruit?’

Plotseling doodmoe, liet Jason zich in de stoel van de piloot zakken. Hij keek de kring mensen rond. Zij leken oprecht. Geen van hen leek zelfs maar gemerkt te hebben dat hij niet langer de hefboom van de pomp in zijn hand had. Voor het ogenblik tenminste, was de oorlog tusen de stad en het land vergeten.

‘Ik zal jullie mijn conclusies geven,’ zei Jason en draaide rond in de stoel om een gemakkelijke houding te vinden voor zijn pijnlijke botten. ‘Ik heb de laatste paar dagen veel nagedacht om het antwoord te vinden. Allereerst besefte ik dat de volmaakt logische oplossing niet zou werken. Ik ben bang dat van het oude ideaal van de leeuw die neerligt naast het lam in de praktijk niet veel terechtkomt. Alles wat er gebeurt is een vlug maal voor de leeuw. Nu jullie allemaal de ware reden van de moeilijkheden kennen, zou het ideaal zijn dat jullie de ommuring omver halen en als stads- en bosmensen in broederlijke liefde samengaan. Net zo’n aardig tafereeltje als dat van de leeuw en het lam. En het zou ongetwijfeld hetzelfde resultaat hebben. Iemand zou zich plotseling herinneren hoe vreterig de vreters eigenlijk zijn of hoe rot de rotzooiers, en er zou een vers lijk liggen te verstijven. Het gevecht zou zich uitbreiden en de overwinnaars zouden opgevreten worden door de dieren die over de onbewaakte muur zwermden. Nee, zo makkelijk is het antwoord niet.’

Terwijl de Pyrranen naar hem luisterden, realiseerden zij zich waar zij eigenlijk waren en keken ongemakkelijk rond. De wachters hieven hun kruisbogen weer op en de gevangenen stapten terug tegen de muur en keken nors.

‘Zie je wat ik bedoel?’ vroeg Jason. ‘Duurde niet lang hè?’

Ze keken allemaal een beetje schaapachtig om hun onredelijke reactie.

‘Als we een goed plan voor de toekomst willen vinden, moeten we de traagheid in overweging nemen. Geestelijke traagheid ten eerste. Alleen omdat je weet dat iets in theorie waar is, is het in de praktijk nog niet waar. De barbaarse religies van primitieve werelden hebben geen spoor van wetenschappelijke bewijzen, hoewel ze alles willen verklaren. Toch, als je bij een van deze wilden de logische grond van zijn geloof wegneemt, houdt hij niet op met geloven. Hij noemt dan zijn foutieve geloof toch geloof omdat hij weet dat het gelijk heeft. En hij weet dat hij gelijk heeft omdat hij het gelooft. Dit is een onbreekbare keten van valse logica die niet doorbroken kan worden.

In werkelijkheid is het gewoon geestelijke traagheid. Een geval van denken ‘zoals het altijd was zal het ook altijd zijn’. En een kwestie van de oude denkwijze niet uit het oude spoor te willen jagen.

‘Mentale traagheid alleen veroorzaakt nog geen moeilijkheden — er is ook nog culturele traagheid. Sommigen van jullie in deze kamer geloven mijn conclusies en willen graag veranderen. Maar willen al jullie mensen veranderen? Degenen die niet nadenken, de gewoontemensen, de reflex-geconditioneerde mensen die weten dat het zoals het nu is, altijd zal zijn? Ze zullen zich gedragen als een rem bij alle plannen die gemaakt zullen worden om vooruit te komen met de nieuwe wetenschap die jullie hebben.’

‘Dus het is zinloos, er is geen hoop meer voor onze wereld?’ vroeg Rhes.

‘Dat zeg ik niet,’ antwoordde Jason. ‘Ik bedoel alleen maar dat jullie moeilijkheden niet ophouden door een or andere geestelijke knop om te draaien. Ik zie drie mogelijkheden en de kans is groot dat ze alle drie tegelijk uitgevoerd zullen worden.

‘De eerste — en de beste — zal zijn het herenigen van de stads- en bospyrranen in die ene menselijke groep waar zij ook van afstammen. Elke groep is nu onvolledig, en heeft iets wat de ander nodig heeft. In de stad hier hebben jullie wetenschap en contact met de rest van de melkweg. Jullie hebben ook een dodelijke oorlog. Daarbuiten in het oerwoud, leven jullie neven in vrede met de natuur, maar missen medicijnen en de andere voordelen van wetenschappelijke kennis, evenals ieder soort cultureel contact met de rest van de mensheid. Jullie moeten beiden samengaan en voordeel trekken uit de uitwisseling. Tezelfder tijd zullen jullie de bijgelovige haat moeten vergeten die jullie voor elkaar voelen. Dit kan alleen maar gedaan worden buiten de stad — weg van de oorlog. Ieder van jullie die geschikt is, moet er vrijwillig uitgaan en een stukje van de kennis die gedeeld moet worden meebrengen. Er zal je niets gebeuren als je in goed vertrouwen gaat. En je zult leren hoe je met deze planeet moet leven in plaats van ertegen. Na verloop van tijd zullen jullie beschaafde gemeenschappen hebben die niet bestaan uit vreters en rotzooiers. Ze zullen bestaan uit Pyrranen.’

‘Maar wat gebeurt er met onze stad hier?’ vroeg Kerk. ‘Die blijft gewoon hier — en zal waarschijnlijk niet in het minst veranderen. In het begin zal je je ommuring en verdedigingswerken nodig hebben om te blijven leven terwijl de mensen wegtrekken. En daarna zal hij er blijven omdat er een zeker aantal mensen zal blijven die niet te overtuigen zijn. Ze zullen blijven en vechten en tenslotte ook sterven. Misschien kunnen jullie hun kinderen beter opvoeden. Wat er uiteindelijk met de stad zal gebeuren? Ik heb er geen idee van.’

Ze waren stil en dachten over de toekomst na. Skop kreunde op de vloer, maar bewoog zich niet. ‘Dat zijn twee manieren,’ zei Meta. ‘Wat is de derde?’

‘De derde mogelijkheid is mijn eigen kleine plannetje,’ glimlachte Jason. ‘En ik hoop dat ik genoeg mensen kan vinden die met me mee willen doen. Ik ga al mijn geld uitgeven om het beste en modernste ruimteschip uit te rusten, met ieder wapen en wetenschappelijk instrument erop dat ik in handen kan krijgen. En dan ga ik Pyrraanse vrijwilligers vragen met me mee te gaan.’

‘Waarom in vredesnaam?’ vroeg Meta.

‘Niet uit liefdadigheid. Ik hoop iets van mijn investering terug te verdienen en meer dan dat. Zie je, na deze laatste maanden kan ik onmogelijk mijn oude beroep weer opnemen. Niet alleen heb ik nu genoeg geld, maar het zou ook eindeloos vervelend zijn. Eén ding is er mis met Pyrrus — als je blijft leven — dat het je bederft voor rustiger plaatsen. Daarom zou ik het leuk vinden om met het schip waar ik het over had nieuwe werelden te gaan ontsluiten. Er zijn duizenden planeten waar de mens graag nederzettingen zou beginnen, maar het is er voor gewone kolonisten te ruig en te zwaar om er een voet aan de grond te krijgen. Kun je je een planeet indenken die een Pyrraan niet aan zou kunnen na de training die hij hier gehad heeft? En zou hij het niet erg leuk vinden? Maar het zou nog meer dan plezier met zich meebrengen. In de stad zijn jullie levens ingesteld op een voortdurende oorlog op leven en dood. Nu word je voor de keus gesteld van een tamelijk vreedzame toekomst of in de stad te blijven en een onnodige en domme strijd voort te zetten. Ik bied het derde alternatief, van de bezigheid waar jullie het best in zijn en die je tegelijkertijd iets constructiefs zou laten doen.

‘Dat zijn de mogelijkheden. Wat je ook beslist, ieder moet het voor zichzelf uitmaken.’

Voordat iemand kon antwoorden, voelde Jason een felle pijn rond zijn keel. Skop was weer bij bewustzijn gekomen en van de grond omhooggekomen. Hij trok met één beweging Jason van de stoel, hield hem bij zijn nek en probeerde hem te worgen. De boogschutters wilden schieten, maar konden niet omdat Jason in de weg hing.

‘Kerk! Meta!’ schreeuwde Skop hees. ‘Grijp wapens. Open de luiken — Onze mensen zullen hierheen komen. Dood die vervloekte vreters en hun smerige leugens!’ Jason trok aan de vingers die het leven uit hem vandaan knepen, maar het leek wel of hij aan gebogen stalen stangen trok. Hij kon niet praten en het bloed hamerde in zijn oren en vertroebelde zijn gedachten. Het was voorbij nu, hij had verloren. Zij zouden elkaar afslachten in het ruimteschip en Pyrrus zou een dodenplaneet blijven tot iedereen verdwenen was.

Meta sprong als een losschietende veer naar voren en de kruisbogen suisden. Een pijl trof haar in haar been en de andere in haar bovenarm. Maar zij was geraakt al in haar sprong en haar moment droeg haar door de kamer, naar de Pyrraan en de stervende buitenwerelder.

Ze hief haar goede arm op en hakte neer met de rand van haar hand. Zij trof Skop met een harde slag op de biceps en zijn arm sprong krampachtig omhoog en gleed van Jasons keel weg.

‘Wat doe je?’ schreeuwde hij in een vreemde woede tegen het gewonde meisje dat naast hem neerviel. Hij duwde haar weg, en hield Jason nog steeds vast met zijn andere hand. Ze gaf geen antwoord. Maar sloeg weer, hard en zeker. De rand van haar hand trof Skop tegen zijn adamsappel en verbrijzelde die. Hij liet Jason vallen en viel op de grond, kokhalzend en naar lucht happend. Jason zag het einde door een waas, nauwelijks bij bewustzijn. Skop worstelde zich overeind, draaide van pijn gevulde ogen naar zijn vrienden.

‘Je hebt het fout,’ zei Kerk. ‘Doe het niet!’ Het geluid dat de gewonde man maakte was meer dierlijk dan menselijk. Toen hij naar de wapens dook aan het andere eind van de kamer, trilden de bogen als de harpen des doods. Hij gleed naar de wapens, zijn hand stootte ze opzij, maar hij was al dood.

Toen Brucco naar Meta toeging om haar te helpen, kwam niemand tussenbeide. Jason haalde gierend adem terwijl zijn longen gretig het leven inzogen. Het toekijkende glazen oog van de camera liet het aan iedereen in de stad zien.

‘Bedankt Meta — voor je begrip — en voor je hulp,’ bracht Jason er met moeite uit.

‘Skop had ongelijk en jij had gelijk Jason,’ zei ze. Haar stem brak even toen Brucco de gepluimde stalen schacht van de pijl met zijn vingers uit haar arm trok. ‘Ik kan niet in de stad blijven; alleen mensen die zo voelen als Skop zullen dat kunnen. En ik ben bang dat ik ook het bos niet in kan gaan — je zag hoe het mij afging met de steekvleugel. Als je het goed vindt ga ik met je mee. Ik zou het erg fijn vinden.’

Het deed pijn als hij praatte, daarom glimlachte Jason alleen maar, maar zij wist wat hij bedoelde.

Kerk keek ongelukkig naar het lichaam van de dode man. ‘Hij had ongelijk — maar ik weet hoe hij zich voelde. Ik kan de stad niet verlaten, nog niet. Er moet iemand zijn die alles regelt terwijl de veranderingen plaats vinden. Dat schip van je is een goed idee, Jason, je zult geen gebrek hebben aan vrijwilligers. Maar ik denk niet dat je Brucco met je mee zult krijgen.’

‘Natuurlijk niet,’ snauwde Brucco, zonder op te kijken van het drukverband dat hij aanlegde. ‘Er is hier op Pyrrus genoeg te doen. Het dierenleven, een enorme studie, waarschijnlijk komt iedere ecoloog in de melkweg hier binnenkort op bezoek. Maar ik zal de eerste zijn.’

Kerk liep langzaam naar het scherm dat uitzicht gaf op de stad. Niemand hield hem tegen. Hij keek naar de gebouwen, de rook die nog steeds omhoog kringelde van de ringmuur en de eindeloze groene jungle erachter. ‘Je hebt het allemaal veranderd, Jason,’ zei hij. ‘We kunnen het nu nog niet zien, maar Pyrrus zal nooit meer zijn als voor jouw komst. Winst of verlies?’

‘Winst, verdomme, winst,’ kwaakte Jason en wreef over zijn pijnlijke keel. ‘Sluit je nu aaneen en maak een eind aan die oorlog, zodat de mensen het echt zullen geloven.’ Rhes keerde zich om en na een ogenblik van aarzelen stak hij zijn hand uit naar Kerk. De grijsharige Pyrraan voelde dezelfde weerzin om de vreter aan te raken, de herinnering aan een levenslange afschuw.

Maar dan schudden ze elkaar de hand want beiden waren ze sterke mannen.