/ Language: Netherlands / Genre:sf_fantasy, / Series: Een lied van ijs en vuur

Een storm van zwaarden Staal en sneeuw

Martin R.R.

Wanneer de slagschaduwen van de winter naderen, raken de Zeven Koninkrijken door bloedveten verdeeld. De leden van de Nachtwacht die de Muur bewaken, bereiden zich voor op de grote kou en op de wandelende doden die onveranderlijk meekomen. Elders in de ijzige streken voorbij de Muur, komt een leger van vogelvrijen bijeen. Zij beschikken over de wilde magie van deze ijswoestenij en maken zich op voor een invasie van het Noordelijke Rijk, waar de jeugdige Robb Stark nog maar zo kort zijn kroon draagt. Robb wordt door bittere gevoelens gekweld — zijn zusters zijn verdwenen, verloren geraakt, dood of overgeleverd aan de grillen van de wrede kindkoning Joffrey, die met meedogenloos harde hand het Zuiden regeert. Het is niet de vraag of, maar wanneer de strijd zal losbarsten.

George Martin

Een storm van zwaarden: Staal en sneeuw

Chronologische noot

Een lied van ijs en vuur wordt verteld door de ogen van personages die zich soms honderden of zelfs duizenden mijlen van elkaar bevinden. Sommige hoofdstukken beslaan een dag, andere maar een uur, weer andere kunnen veertien dagen, een maand of een halfjaar omspannen. Bij deze opbouw kan het verhaalverloop niet strikt lineair zijn. Soms gebeuren belangrijke dingen tegelijkertijd op duizenden mijlen afstand van elkaar.

Wat het onderhavige deel betreft dient de lezer zich te realiseren dat de eerste hoofdstukken van Een storm van zwaarden de laatste van Een strijd van koningen niet zozeer opvolgen als wel overlappen. Ik open met een kijkje op een aantal dingen die zich bij de Vuist der Eerste Mensen, in Stroomvliet, Harrenhal en bij de Drietand afspeelden tijdens de Slag op het Zwartewater bij Koningslanding, en gedurende de nasleep daarvan…

Voor Phyllis, die zorgde dat ik de draken erin heb gestopt.

Proloog

De dag was grauw en bitter koud en de honden weigerden het spoor te volgen.

De grote zwarte teef had één keer aan de afdrukken van de beer gesnuffeld en was toen achteruitgedeinsd en met de staart tussen de poten naar de meute terug geslopen. De honden zaten zielig op een kluitje aan de rivieroever, terwijl de wind naar ze hapte. Ook Chet voelde hem door zijn vele lagen zwarte wol en verhard leer heen bijten. Het was hier verdomme veel te koud voor mens of dier, maar toch waren ze er. Zijn mond vertrok en hij kon bijna voelen hoe de zweren op zijn wangen en nek rood en vurig werden. Ik zou nu veilig terug moeten zijn bij de Muur om voor die rotraven te zorgen en de haard aan te maken voor de ouwe maester Aemon. Dat was hem afgenomen door de bastaard Jon Sneeuw en door die dikke vriend van hem, Sam Tarling. Het was hun schuld dat hij met een meute honden diep in het spookwoud zat, terwijl zijn kloten eraf vroren.

‘Bij de zevende hel.’ Hij rukte hard aan de riemen om de aandacht van de honden te trekken. ‘Zoek, rotzakken. Dat is een berenprent. Willen jullie iets te vreten of niet? Vind!’ Maar de honden kropen alleen maar dichter op elkaar en jankten. Chet liet zijn korte zweep boven hun koppen knallen en de zwarte teef gromde naar hem. ‘Hond zou net zo goed smaken als beer,’ waarschuwde hij haar, en bij ieder woord sloeg zijn adem wit uit.

Lark de Zusterman stond met zijn armen voor zijn borst gekruist en zijn handen onder zijn oksels geschoven. Hij droeg zwarte wollen handschoenen, maar klaagde alsmaar over ijskoude vingers. ‘Met die rotkou kun je niet jagen,’ zei hij. ‘Laat die beer toch barsten, die is het niet waard om voor te bevriezen.’

‘We kunnen niet met lege handen terugkomen, Lark,’ gromde Paultje onder de bruine bakkebaarden waarmee het merendeel van zijn gezicht begroeid was. ‘Dat zou de opperbevelhebber niet leuk vinden.’ Onder ’s mans platgeslagen mopsneus was het snot tot ijs bevroren. Een enorme hand met een dikke bonthandschoen was stevig om een speerschacht geklemd.

‘Die ouwe Beer kan ook barsten,’ zei de Zusterman, een mager kereltje met een scherp gezicht en nerveuze blikken. ‘Mormont haalt de ochtend niet, weet je nog? Wie maalt erom wat hij leuk vindt of niet?’

Paultje knipperde met zijn zwarte oogjes. Misschien was hij het inderdaad vergeten, dacht Chet, hij was stom genoeg om bijna alles te vergeten. ‘Waarom moeten we de ouwe Beer doodmaken? Waarom gaan we niet gewoon weg en laten hem met rust?’

‘Dacht je dat hij ons met rust liet?’ zei Lark. ‘Die gaat jacht op ons maken. Wil je opgejaagd worden, grote schaapskop die je bent?’

‘Nee,’ zei Paultje. ‘Dat wil ik niet. Nee hoor.’

‘Dus je maakt hem af?’ zei Lark.

‘Ja.’ De reusachtige kerel liet de onderkant van zijn speer op de bevroren rivieroever neerdalen. ‘Dat doe ik. Hij hoort niet op ons te jagen.’

De Zusterman trok zijn handen onder zijn oksels vandaan en keerde zich naar Chet toe. ‘We moeten alle officieren doden, vind ik.’

Chet kon het niet meer horen. ‘Daar hebben we het al over gehad. De ouwe Beer sterft, en Bleyn van de Schaduwtoren. Larf en Aethan ook, die hebben pech dat ze de wacht getrokken hebben. Dywen en Bannen om hun spoorzoekerij en ser Biggetje om de raven. Dat is alles. We doden ze stilletjes in hun slaap. Eén kreet en we zijn allemaal voer voor de wormen.’ Zijn zweren waren rood van woede. ‘Doe gewoon je taak en zorg dat je neven de hunne doen. En Paul, probeer je te herinneren dat het de derde wacht is, niet de tweede.’

‘Derde wacht,’ zei de grote man door de haren en het bevroren snot heen. ‘Ik en Zachtvoet. Ik zal erom denken, Chet.’

Het was vannacht nieuwe maan, en ze hadden met de indeling van de wacht geknoeid zodat ze met acht van hun eigen mensen op post stonden, en nog twee om de paarden te bewaken. De tijd zou nooit meer zo rijp zijn. De wildlingen konden nu trouwens iedere dag komen. Chet was van plan een heel eind weg te zijn voor het zover was. Hij wilde blijven leven.

Driehonderd gezworen broeders van de Nachtwacht waren naar het noorden gereden, tweehonderd uit Slot Zwart en nog eens honderd uit de Schaduwtoren. Het was de grootste wachtrit sinds mensenheugenis, bijna een derde van de totale bezetting van de Wacht. Ze wilden Ben Stark, ser Waymar Roys en de andere vermiste wachtruiters zoeken en zien te ontdekken waarom de wildlingen hun dorpen verlieten. Welnu, ze waren niet dichter bij Stark en Roys dan toen ze de Muur verlieten, maar ze hadden wel ontdekt waar alle wildlingen heen waren — de ijzige hoogten van de godvergeten Vorstkaken in. Daar hadden ze mogen blijven tot het eind der tijden zonder dat Chets zweren er ook maar enigszins van zouden opvlammen.

Maar nee. Ze kwamen naar beneden. Omlaag langs het Melkwater.

Als Chet opkeek kon hij het zien. De rotsachtige rivieroevers hadden baarden van ijs en het melkwitte water stroomde eindeloos uit de Vorstkaken omlaag. En nu kwamen Mans Roover en zijn wildlingen langs diezelfde weg omlaagstromen. Thoren Smalhout was drie dagen geleden teruggekomen, onder het schuim, terwijl hij de ouwe Beer vertelde wat zijn verkenners hadden gezien, vertelde zijn man Kets Witoog het aan de rest. ‘Ze zitten nog vrij hoog in de heuvels, maar ze komen eraan,’ zei Kets, terwijl hij zijn handen aan het vuur warmde. ‘Harma de Hondenkop voert de voorhoede aan, die pokkenteef. Jenner is omhooggeslopen naar haar kamp en heeft haar duidelijk bij het vuur zien zitten. Die idioot van een Tommerjon wou d’r met een pijl om zeep helpen, maar Smal hout had zijn hersens beter bij elkaar.’

Chet spuwde. ‘Met hoeveel waren ze, heb je dat gezien?’

‘Meer dan veel. Twintig- tot dertigduizend, we zijn niet gebleven om ze te tellen. Harma had er vijfhonderd in de voorhoede, stuk voor stuk te paard.’

Rondom het vuur wisselden de mannen bezorgde blikken. Het was al een zeldzaamheid als je tien bereden wildlingen aantrof, maar vijfhonderd…

‘Smalhout stuurde Bannen en mij met een boog om de voorhoede heen om een kijkje bij de hoofdmacht te nemen,’ vervolgde Kets. ‘Er kwam geen eind aan. Ze gaan zo traag als een bevroren rivier, een mijl of vier, vijf per dag, maar ze zien er niet uit alsof ze van plan zijn naar hun dorpen terug te gaan. Meer dan de helft bestond uit vrouwen en kinderen en ze dreven hun vee voor zich uit, geiten, schapen, zelfs oerossen met treksleden erachter. Die waren beladen met balen bont en repen vlees, kooien vol kippen, karntonnen en spinnewielen, alles wat ze maar hebben, de hele zooi. De muilezels en garrons waren zo zwaar beladen dat je elk moment dacht dat hun rug zou breken. De vrouwen ook.’

‘En ze trekken langs het Melkwater?’ vroeg Lark de Zusterman. ‘Dat zei ik toch?’

Het Melkwater zou hen bij de Vuist der Eerste Mensen brengen, het oude ringfort waar het kamp van de Nachtwacht was. Iedereen met maar een greintje verstand begreep dat het tijd was om de staken uit de grond te trekken en terug te vallen op de Muur. De ouwe Beer had de Vuist versterkt met pieken, kuilen en voetangels, maar tegen zo’n grote schare had dat geen enkele zin. Als ze hier bleven zouden ze overspoeld en overweldigd worden.

En Thoren Smalhout wilde juist aanvallen. Mooie Donneel Heuvel was de schildknaap van ser Mallador Slot, en de vorige nacht was Smalhout naar Slots tent gekomen. Ser Mallador was dezelfde mening toegedaan als de oude ser Ottyn Welck en had erop aangedrongen dat ze zich op de Muur zouden terugtrekken, maar Smalhout probeerde hem op andere gedachten te brengen. ‘Die Koning-achter-de-Muur verwacht nooit dat we zo ver noordelijk zitten,’ had hij volgens Mooie Donneel gezegd. ‘En dat grote leger is een rommelig zootje vol nutteloze monden die niet weten aan welke kant ze een zwaard moeten vasthouden. Eén klap en de lust tot vechten vergaat ze. Dan hollen ze jankend naar hun bouwvallen terug om daar de eerstkomende vijftig jaar te blijven.’

Driehonderd tegen dertigduizend. Je reinste waanzin, noemde Chet dat, en het was nog krankzinniger dat ser Mallador zich had laten overhalen en dat ze nu met z’n tweeën op het punt stonden de ouwe Beer om te kletsen. ‘Als we te lang wachten is de kans misschien voorgoed verkeken,’ zei Smalhout tegen iedereen die het maar horen wilde.

‘Wij zijn het schild dat de rijken der mensen beschermt,’ bracht ser Ottyn Welck daartegen in. ‘Je smijt je schild niet zomaar weg.’ Waarop Thoren Smalhout zei: ‘De beste verdediging in een zwaardgevecht is de vijand met één snelle klap doodslaan, niet wegkruipen achter je schild.’

Noch Smalhout, noch Welck voerde echter het bevel. Dat deed heer Mormont, en heer Mormont wachtte op zijn andere verkenners, op Jarmen Bokwel en de mannen die de Reuzentrap hadden beklommen, en op Qhorin Halfhand en Jon Sneeuw, die de Snerpende Pas waren gaan onderzoeken. Maar Bokwel en Halfhand deden er lang over om terug te komen. Dood, dat zit er dik in. Chet stelde zich voor hoe Jon Sneeuw blauw en bevroren op een kale bergtop lag met een wildlingenspeer in zijn bastaard-aars. Bij die gedachte moest hij glimlachen. Ik hoop dat ze die rotwolf van hem ook hebben afgemaakt.

‘Er zit hier geen beer,’ besloot hij abrupt. ‘Dit is maar een ouwe prent. Terug naar de Vuist.’ De honden rukten hem bijna omver, die wilden net zo graag terug als hij. Misschien dachten ze dat ze gevoerd zouden worden. Chet moest lachen. Hij had ze nu al drie dagen niet gevoerd om ze vals en hongerig te maken. Vóór hij vannacht in het donker de benen nam zou hij ze tussen de paarden loslaten zodra Mooie Donneel Heuvel en Karl Horrelvoet de lijnen hadden doorgesneden. Dan krioelt de hele Vuist straks van de grommende honden, en van de paarden die in paniek door de vuren draven en over de ringwal springen en de tenten omver trappen. In alle verwarring kon het uren duren voordat iemand zou merken dat er veertien broeders ontbraken.

Lark had er twee keer zoveel willen meenemen, maar wat kon je ook verwachten van zo’n stomme Zusterman wiens adem naar vis stonk. Eén woord in het verkeerde oor gefluisterd, en voor je het wist was je een kopje kleiner. Nee, veertien was een goed aantal, genoeg om te doen wat nodig was, maar niet te veel om het geheim te houden. Chet had de meesten zelf gerekruteerd. Paultje was een van zijn eigen mensen, de sterkste man op de Muur, al was hij trager dan een dooie slak. Hij had een wildling eens de rug gebroken door hem te omhelzen. Dolk hadden ze ook, genoemd naar zijn favoriete wapen, en de kleine grauwe man die de broeders Zachtvoet noemden. Die had in zijn jonge jaren wel honderd vrouwen verkracht en gaf er hoog over op dat ze hem geen van allen ooit gezien of gehoord hadden voor hij hem erin stak.

Het plan was van Chet. Hij was het brein. Ruim .vier jaar had hij het goed gehad als oppasser van de oude maester Aemon, totdat die bastaard Jon Sneeuw hem had gewipt om te zorgen dat die dikke vriend van hem dat baantje kreeg. Als hij vannacht Sam Tarling vermoordde zou hij ser Biggetje eerst ‘veel liefs voor heer Sneeuw’ in het oor fluisteren voor hij hem de keel afsneed om het bloed door al die lagen vet heen naar buiten te laten borrelen. Chet kende de raven, dus die zouden hem geen last bezorgen, net zomin als Tarling. Eén aanraking en die lafbek zou het in zijn broek doen en om zijn leven snotteren. Lekker laten soebatten, het zal hem niet helpen. Als hij zijn keel had opengelegd zou hij de kooien openen en de vogels wegjagen, zodat geen enkel bericht de Muur zou bereiken. Zachtvoet en Paultje zouden de ouwe Beer doden, Dolk nam Bleyn voor zijn rekening en Lark en zijn neven zouden Bannen en de oude Dywen het zwijgen opleggen om te voorkomen dat die hun spoor zouden oppikken. Ze hadden voor twee weken voedsel opgeslagen en Mooie Donneel en Karl Horrelvoet zouden de paarden gereedhouden. Als Mormont dood was ging het bevel op ser Ottyn Welck over, een versleten oude kerel aan het eind van zijn krachten. Die gaat vóór zonsondergang hard hollend naar de Muur terug en zal ook geen manschappen aan onze achtervolging verspillen.

De honden sleurden hem tussen de bomen door. Chet kon de Vuist door het groen heen omhoog zien wijzen. Het was zo’n donkere dag dat de ouwe Beer de toortsen had laten aansteken. Ze brandden in een grote cirkel op de ringwal die de top van de steile, rotsige heuvel bekroonde. Met zijn drieën doorwaadden ze een . beek. Het water was steenkoud en op het oppervlak breidden zich ijskorsten uit. ‘Ik ga naar de kust,’ vertrouwde Lark de Zusterman hun toe. ‘Ik en m’n neven. We bouwen een boot en varen naar de Zusters terug.’

En thuis zullen ze weten dat jullie deserteurs zijn en jullie je stomme koppen afhakken, dacht Chet. Als je je woorden had gezegd kon je de Nachtwacht niet meer uit. Ze zouden je overal in de Zeven Koninkrijken grijpen en doden.

Ollo Hakhand, ja die had het erover dat hij terug zou varen naar Tyrosh, waar volgens hem een man zijn hand niet kwijtraakte vanwege wat eerzaam dievenwerk, of weggestuurd werd om langzaam dood te vriezen omdat hij bij de vrouw van een ridder in bed was aangetroffen. Chet had overwogen met hem mee te gaan, maar hij sprak hun glibberige meidentaaltje niet. En wat was er voor hem te doen in Tyrosh? Hij was opgegroeid in Wijvenmoer en had geen noemenswaardig vak geleerd. Zijn vader had zijn godganse leven in andermans velden gewroet op zoek naar bloedzuigers. Dan kleedde hij zich uit op een dikke leren lendelap na en waadde het drabbige water in. Als hij weer bovenkwam zat hij onder, van zijn tepels tot zijn enkels. Soms moest Chet hem helpen de bloedzuigers eraf te trekken. Eens had zich er een aan zijn handpalm gehecht, en hij had hem vol walging tegen een muur geplet. Zijn vader had hem daar tot bloedens toe voor afgetuigd. De ma esters kochten de bloedzuigers voor een penning de twaalf.

Lark moest maar naar huis gaan als hij daar zin in had, en die verdomde Tyroshi ook, maar Chet niet. Zelfs als hij Wijvenmoer nooit meer terugzag zou dat nog te vroeg zijn. Persoonlijk was de aanblik van Crasters Burcht hem wel bevallen. Craster hing daar de grote heer uit, dus waarom zou hij dat niet ook doen? Dat zou nog eens lachen zijn. Chet, de zoon van de bloedzuigerman, een heer met een burcht. Als banier zou hij een dozijn bloedzuigers op een roze veld kunnen nemen. Maar waarom zou hij het eigenlijk bij heer laten? Misschien kon hij wel koning worden. Mans Roover is als kraai begonnen. Ik zou het net als hij tot koning kunnen schoppen en een stelletje vrouwen nemen. Craster had er negentien, de jongsten niet meegerekend, de dochters met wie hij het bed nog niet ingedoken was. De helft van die vrouwen was even oud en lelijk als Craster zelf, maar dat deed er niet toe. De oudjes kon Chet voor zich laten koken en schoonmaken, wortels rooien en varkens voeren, terwijl de jonkies zijn bed warmden en zijn kinderen baarden. Craster zou geen bezwaar maken als hij eenmaal door Paultje was omhelsd .

De enige vrouwen die Chet ooit had gehad, waren de hoeren waarvoor hij in Molstee had betaald. Toen hij jonger was waren de dorpsmeisjes bij de aanblik van zijn gezicht, met die zweren en dat gezwel, prompt onpasselijk geworden en hadden hem de rug toegekeerd. Die slet van een Bessa was de ergste geweest. Ze had haar benen voor elke knul in Wijvenmoer gespreid, dus waarom niet voor hem, had hij gedacht. Hij had zelfs nog een ochtendje veldbloemen geplukt toen hij hoorde dat ze daarvan hield, maar ze had hem alleen maar in zijn gezicht uitgelachen en gezegd dat ze nog eerder met zijn vaders bloedzuigers in bed zou kruipen dan met hem. Maar ze lachte niet meer toen hij haar aan zijn mes reeg. Het gezicht dat ze toen trok had hem plezier gedaan, dus had hij het mes eruit getrokken en nog eens in haar gestoken. Toen ze hem bij Zevenstromen te pakken kregen, nam de oude heer Walder Frey niet eens de moeite hem persoonlijk te berechten. Hij stuurde een van zijn bastaarden, die Walder Stroom, en voor hij er erg in had was Chet met die smerig riekende zwarte duivel Yoren onderweg naar de Muur. Hij had zijn enige aangename ogenblik met de rest van zijn leven moeten betalen.

Maar nu was hij van plan dat leven weer op te eisen, en Crasters vrouwen erbij. Die verknipte oude wildling heeft gelijk. Als je een vrouw wilt dan neem je haar, en niks bloemetjes geven in de hoop dat ze misschien haar ogen sluit voor je rottige zweren. Die vergissing zou Chet niet meer begaan.

Het zou goed gaan, hield hij zichzelf voor de honderdste keer voor. Zolang we maar netjes wegkomen. Ser Ottyn zou naar de Schaduwtoren gaan, in zuidelijke richting. Dat was de kortste weg naar de Muur. Om ons zal hij zich niet bekommeren, Welck niet, die wil alleen maar heelhuids naar huis. Thoren Smalhout, ja, die zou de aanval willen doorzetten, maar Ser Ottyns voorzichtigheid zat te diep en hij was de oudste. Het doet er toch niet toe. Als we eenmaal weg zijn mag Smalhout aanvallen wie hij wil. Ons een zorg. Als ze geen van allen ooit de Muur bereiken zal geen hond ons komen zoeken, ze zullen denken dat we samen met de anderen zijn omgekomen. Die gedachte was nieuw, en even kwam hij in de verleiding. Maar om Smalhout het bevel te bezorgen zouden ze ook ser Ottyn en ser Mallador Slot moeten doden, en die werden dag en nacht goed bewaakt… nee, dat risico was te groot.

‘Chet,’ zei Paultje, terwijl ze op een sukkeldrafje over een stenig wildspoor tussen wachtbomen en krijgsdennen liepen, ‘wat doen we met die vogel?’

‘Welke klotevogel?’ Het laatste wat hij nu kon gebruiken was een schaapskop die over een vogel bazelde.

‘De raaf van de ouwe Beer,’ zei Paultje. ‘Als we hem doden, wie voert dan die vogel?’

‘Wat kan ons dat nou verdommen? Maak die vogel desnoods ook af.’

‘Vogels doe ik nooit geen kwaad,’ zei de enorme kerel. ‘Maar dit is een sprekende vogel. Als die nou eens zegt wat we gedaan hebben?’

Lark de Zusterman lachte. ‘Paultje, z’n schedel is zo dik als een kasteelmuur.’

‘Hou je kop,’ zei Paultje dreigend.

‘Paul,’ zei Chet, voordat de enorme kerel te boos zou worden, ‘als ze die ouwe met doorgesneden keel in een plas bloed vinden, hebben ze geen vogel nodig om te weten dat-ie vermoord is.’

Daar moest Paultje even op herkauwen. ‘Ja, dat is waar,’ gaf hij toe. ‘Mag ik de vogel dan hebben? Ik mag dat beest wel.’

‘Hij is van jou,’ zei Chet, in de hoop dat hij dan zijn mond zou houden.

‘We kunnen hem altijd nog opvreten als we honger krijgen,’ merkte Lark op.

Paultje versomberde weer. ‘Als je toch probeert mijn vogel op te vreten, Lark! Dat zou ik je niet aanraden.’

Chet hoorde dat hun stemmen tussen de bomen door droegen. ‘Willen jullie allebei je stomme koppen houden? We zijn bijna bij de Vuist.’

Ze kwamen vlak bij de westflank van de heuvel te voorschijn en liepen eromheen naar het zuiden, waar de helling glooiender was. Bij de rand van het woud waren een stuk of wat boogschutters aan het oefenen. Ze hadden silhouetten in de stammen gekerfd en schoten daar met pijlen op. ‘Kijk es,’ zei Lark, ‘een big met een boog.’

En inderdaad, de dichtstbijzijnde schutter was niemand minder dan ser Biggetje, die dikke knul die zijn plaatsje bij maester Aemon had ingepikt. De aanblik van Samwel Tarly was al genoeg om hem woedend te maken. Als oppasser van maester Aemon had hij het beter gehad dan ooit. De oude, blinde man was niet veeleisend, en Clydas had trouwens grotendeels in zijn behoeften voorzien. Chets plichten waren simpel: het roekenhuis schoonmaken, wat haardvuren aanmaken, wat maaltijden halen… en Aemon sloeg hem nooit. Denkt dat hij gewoon naar binnen kan wandelen en mij eruit schoppen, omdat hij hooggeboren is en kan lezen. Misschien vraag ik hem wel om mijn mes te lezen voor ik zijn keel ermee openhaal. ‘Lopen jullie maar door,’ zei hij tegen de anderen. ‘Dit moet ik zien.’ De honden trokken aan hem. Die wilden graag met de anderen mee, naar het voer dat ze op de top verwachtten te vinden. Chet gaf de teef een trap met de neus van zijn laars, en dat bracht ze enigszins tot bedaren.

Hij stond tussen de bomen toe te kijken hoe de dikke knul stond te worstelen met een boog die even lang was als hijzelf. Zijn rode vollemaansgezicht stond strak van de concentratie. Voor hem staken drie pijlen in de grond. Tarly zette er een op de pees en spande de boog, hield hem een poosje gespannen, terwijl hij probeerde te mikken, en liet los. De pijlschacht verdween in het groen. Chet schoot hard in de lach, een lekker afkeurend gehinnik.

‘Die vinden we nooit meer terug, en dan krijg ik de schuld,’ verklaarde Ed Tollet, de zure, grijsharige schildknaap die door iedereen Ed van de Smarten werd genoemd. ‘Er hoeft maar iets kwijt te raken of ze kijken mij erop aan, al sinds het moment dat ik mijn paard ben kwijtgeraakt. Alsof ik daar iets aan kon doen. Het beest was wit en het sneeuwde, wat hadden ze dan verwacht?’

‘Die is door de wind meegevoerd,’ zei Gren, nog zo’n vriendje van heer Sneeuw. ‘Probeer je boog stil te houden, Sam.’

‘Hij is zo zwaar,’ klaagde de dikzak, maar toch spande hij de boog nog eens. De tweede pijl vloog hoog de lucht in en zeilde tien voet boven het doelwit tussen de takken door.

‘Volgens mij heb je een blad van die boom geschoten,’ zei Ed van de Smarten. ‘De herfst valt al snel genoeg, die hoef je niet nog eens een handje te helpen.’ Hij zuchtte. ‘En we weten allemaal wat er op de herfst volgt. Goden, wat heb ik het koud. Schiet je laatste pijl af, Samwel, ik geloof dat mijn tong aan mijn verhemelte vastvriest.’

Ser Biggetje liet de boog zakken en Chet dacht dat hij het op een grienen zou zetten. ‘Het is te moeilijk.’

‘Opzetten, spannen en loslaten,’ zei Gren. ‘Schiet op.’

Plichtsgetrouw trok de dikke knul zijn laatste pijl uit de grond, zette hem op zijn boog, trok de pees aan en liet los. Hij deed het snel, zonder ingespannen langs de schacht te turen zoals de eerste twee keer. De pijl raakte het silhouet van houtskool laag in de borst en bleef trillend hangen. ‘Ik heb hem geraakt.’ Ser Biggetje klonk geschrokken. ‘Gren, zag je dat? Ed, kijk eens, ik heb hem geraakt.’

‘Recht tussen zijn ribben, zou ik zeggen,’ zei Gren.

‘Zou hij dood zijn geweest?’ wilde de dikke jongen weten.

Tollet haalde zijn schouders op. ‘Misschien zijn long doorboord, . als-ie die had gehad. De meeste bomen hebben er geen.’ Hij nam Sam de boog af. ‘Ik heb weleens een slechter schot gezien. En zelf gedaan.’

Ser Biggetje straalde. Als je hem zo zag zou je haast denken dat hij echt iets groots had verricht. Maar toen hij Chet en de honden zag verschrompelde zijn glimlach en stierf piepend weg.

‘Je hebt een boom geraakt,’ zei Chet. ‘Eens kijken hoe je schiet als die jongens van Mans Roover komen. Die blijven niet met gespreide armen en ritselende blaadjes staan, O nee. Die komen recht op je af en krijsen in je gezicht, en dan wed ik dat je die broek zó onderpiest. Eentje zal d’r z’n bijl pal tussen die varkensoogjes planten. Het laatste wat je hoort is de klap waarmee het ding je schedel splijt.’

De dikzak sidderde. Ed van de Smarten legde een hand op zijn schouder. ‘Broeder,’ zei hij plechtig, ‘omdat het bij jou zo is gegaan wil dat nog niet zeggen dat zoiets ook Samwel overkomt.’

‘Waar heb je het over, Tollet?’

‘Over de bijl die jouw schedel heeft gekliefd. Klopt het dat de helft van je hersens eruit gelekt en door je honden opgevroten is?’

Gren, die grote lomperik, lachte en zelfs Samwel Tarling bracht een flauwe glimlach op. Chet gaf de dichtstbijzijnde hond een schop, rukte aan hun riemen en begon de heuvel te beklimmen. Je glimlacht maar een eind weg, ser Biggetje. We zullen wel zien wie er vannacht lacht. Hij wenste alleen dat hij tijd had om ook Tollet om zeep te helpen. Een geschifte zwartkijker met een paardenbek, dat is-ie.

Het was een hele klim, zelfs aan zijn kant van de Vuist, waar de helling het minst steil was. Ergens halverwege begonnen de honden te blaffen en te trekken, in de waan dat ze nu binnenkort te eten zouden krijgen. In plaats daarvan liet hij ze zijn laars proeven, en de grote lelijkerd die naar hem beet kreeg een klap van de zweep. Toen ze eenmaal vastlagen ging hij verslag uitbrengen. ‘De sporen waren er wel, zoals Reus had gezegd, maar de honden wilden er niet achteraan,’ zei hij tegen Mormont, voor diens grote zwarte tent. ‘Zo ver naar beneden bij de rivier kunnen het best oude prenten zijn.’

‘Jammer.’ Opperbevelhebber Mormont had een kale kop en een grote, ruige grijze baard, en hij klonk even moe als hij eruitzag. ‘Met een beetje vers vlees hadden we ons allemaal beter gevoeld.’ De raaf op zijn schouder knikte met zijn kop en bauwde hem na: ‘Vlees. Vlees. Vlees.’

Als we die rothonden eens in de pot stopten, dacht Chet, maar hij hield zijn mond tot de ouwe Beer zei dat hij kon gaan. En nu heb ik voor het laatst mijn hoofd voor die kerel gebogen, zei hij tevreden bij zichzelf. Hij had de indruk dat het nog kouder werd, wat hij niet voor mogelijk had gehouden. De honden zaten zielig tegen elkaar aan in de hard bevroren modder, en Chet was half en half geneigd om bij ze te kruipen. In plaats daarvan wond hij een zwarte wollen sjaal om de onderkant van zijn gezicht, waarbij hij tussen de windsels een spleet voor zijn mond openliet. Als hij in beweging bleef had hij het warmer, merkte hij, dus deed hij langzaam de ronde langs de buitenwal met een pruim zuurblad. De zwarte broeders die op wacht stonden liet hij ook een of twee keer kauwen, luisterend naar wat ze te zeggen hadden. Geen van de mannen van de dagwacht waren in zijn plannen ingewijd, maar toch leek het hem goed om althans enigszins op de hoogte te zijn van wat ze dachten.

Het voornaamste wat ze dachten was dat het vervloekt koud was.

Toen de schaduwen lengden trok de wind aan. Hij snerpte met een hoog, dun geluid tussen de stenen van de ringwal door. ‘Ik heb de pest aan dat geluid,’ zei Reusje. ‘Het klinkt net of er een baby in de bosjes om melk ligt te krijsen.’

Toen hij helemaal rond was en naar de honden terugliep werd hij daar door Lark opgewacht. ‘De officieren zitten weer bij de ouwe Beer in de tent. Ze zijn heftig aan het discussiëren.’

‘Dat doen die lui nou eenmaal,’ zei Chet. ‘Op Bleyn na zijn ze allemaal hooggeboren, zij worden dronken van woorden, niet van wijn.’

Lark schoof dichter naar hem toe. ‘Die zaagsel kop zeurt maar door over die vogel,’ waarschuwde hij hem, terwijl hij om zich heen keek of er niemand in de buurt was. ‘Nu vraagt hij of we ook zaadjes voor dat stuk ellende in voorraad hebben.’

‘Het is een raaf,’ zei Chet. ‘Die vreten lijken.’

Lark grinnikte. ‘Het zijne misschien?’

Of het jouwe. Chet had zo het idee dat ze de grote kerel harder nodig hadden dan Lark. ‘Maak je nou niet druk om Paultje. Jij voert jouw taak uit en hij de zijne.’

De schemering kwam al door het bos kruipen tegen de tijd dat hij de Zusterman kwijt was en was gaan zitten om zijn zwaard te wetten. Dat was verdomd lastig werken met handschoenen aan, maar hij was niet van plan ze uit te trekken. Hoe koud het ook was, de idioot die met zijn blote handen aan staal kwam was een lap huid kwijt.

Met zonsondergang begonnen de honden te janken. Hij trakteerde ze op water en scheldwoorden. ‘Nog een halve nacht, en jullie mogen het er zelf van nemen.’

Dywen stond bij het kookvuur te neuzelen toen Chet van Heek, de kok, zijn homp hard brood en zijn kom spek-en-bonensoep in ontvangst nam. ‘Het bos is te stil,’ zei de oude houtvester. ‘Geen kikkers bij die rivier, geen uilen in het donker. Ik heb nog nooit zulk dood hout gehoord.’

‘Die tanden van jou klinken anders ook nogal dood,’ zei Heek.

Dywen liet zijn houten gebit klapperen. ‘Geen wolven ook. Eerst wel, maar nu niet meer. Waar zouden ze heen zijn, denken jullie?’ ‘Een warm plekje zoeken,’ zei Chet.

Van de ruim tien broeders die bij het vuur zaten hoorden er vier bij hem. Terwijl hij at keek hij hen een voor een met toegeknepen ogen strak aan, om te zien of er een bij was die stuk dreigde te gaan. Dolk leek vrij kalm. Hij zat zwijgend zijn mes te slijpen, zoals hij iedere avond deed. En Mooie Donneel Heuvel zat onbekommerd aan een stuk door moppen te tappen. Hij had witte tanden, volle rode lippen en blonde, zorgvuldig gekrulde lokken tot over zijn schouders, en hij beweerde de bastaard van een of andere Lannister te zijn. Wie weet was dat ook zo. Chet kon geen knappe jongens gebruiken en bastaarden al evenmin, maar Mooie Donneel leek zich goed staande te houden.

Minder zeker was hij van de houtvester die de broeders Zaaghout noemden, meer vanwege zijn gesnurk dan om wat voor geboomte dan ook. Op dit moment zag hij er onrustig genoeg uit om nooit meer te snurken. En Maslijn was nog erger. Ondanks de ijzige wind zag Chet het zweet over zijn gezicht lopen. In het vuurschijnsel blonken de vochtdruppels als even zovele natte parels. Maslijn at ook niet, hij zat maar naar zijn soep te staren, alsof hij elk moment onpasselijk kon worden van de lucht. Die moet ik in de gaten houden, dacht Chet.

‘Verzamelen!’ De kreet barstte plotseling uit een tiental kelen los en verspreidde zich snel naar alle uithoeken van het kamp op de heuveltop. ‘Mannen van de Nachtwacht! Verzamelen bij het vuur in het midden!’

Fronsend at Chet de rest van zijn soep op en liep achter de overigen aan.

De ouwe Beer stond voor het vuur met Smalhout, Slot, Welck en Bleyn op een rijtje achter zich. Mormont droeg een dikke mantel van zwart bont en zijn raaf zat op zijn schouder en poetste zijn zwarte veren. Dit heeft vast niks goeds te betekenen. Chet wrong zich tussen Bruine Bernar en een paar mannen uit de Schaduwtoren in. Toen iedereen verzameld was, behalve de uitkijken in het bos en de wachters op de ringwal, schraapte Mormont zijn keel en spuwde. Zijn spuug bevroor voor het de grond raakte. ‘Broeders,’ zei hij. ‘Mannen van de Nachtwacht.’

‘Mannen!’ krijste zijn raaf. ‘Mannen! Mannen!’

‘De wildlingen zijn op mars en dalen langs het Melkwater uit de bergen af. Thoren denkt dat hun voorhoede ons over tien dagen bereikt. Hun meest doorgewinterde plunderaars zullen zich bij Harma de Hondenkop in die voorhoede bevinden. De rest vormt waarschijnlijk de achterhoede of rijdt in de onmiddellijke nabijheid van Mans Roover zelf. Elders zullen hun strijders dunnetjes over de hele marslinie uitgesmeerd zijn. Ze hebben ossen, muilezels en paarden bij zich … maar niet zoveel. De meesten zullen te voet zijn, ongewapend en slecht getraind. De wapens die ze hebben zullen eerder van steen en been dan van staal zijn. Ze sjouwen vrouwen, kinderen, kudden schapen en geiten en al hun aardse bezittingen mee. Kortom, hoe talrijk ook, ze zijn kwetsbaar… en ze weten niet dat wij hier zijn. Laten we dat althans hopen en bidden.’

Ze weten het wel, dacht Ghet. Ellendige ouwe etterbuil, ze weten het zo zeker als de zon opkomt. Qhorin Halfhand is toch niet teruggekomen? En Jarmen Bokwel ook niet. Als een van die twee gepakt is weet je donders goed dat die wildingen daar inmiddels wel een paar verhaaltjes uitgewrongen zullen hebben.

Smalhout trad naar voren. ‘Mans Roover wil door de Muur heen breken en de Zeven Koninkrijken in een bloedige oorlog storten. Maar dat spelletje kun je ook met z’n tweeën spelen. Morgen brengen wij de oorlog bij hem.’

‘We rijden met het ochtendkrieken op volle sterkte uit,’ zei de ouwe Beer, terwijl er een gemompel door de gelederen ging. ‘We rijden naar het noorden en maken dan een boog naar het westen. Tegen de tijd dat we omkeren is Harma’s voorhoede de Vuist al ruimschoots voorbij. De heuvels onder aan de Vorstkaken zitten vol nauwe, kronkelige dalen die voor hinderlagen gemáákt zijn. Hun marslinie zal zich over vele mijlen uitstrekken. We zullen ze op verscheidene plaatsen tegelijk overvallen, en ze zullen zweren dat we met drieduizend man waren in plaats van met driehonderd.’

‘We zullen hard toeslaan en vóór hun ruiters zich kunnen formeren om ons het hoofd te bieden zijn we weg,’ zei Thoren Smal. hout. ‘Gaan ze in de achtervolging dan laten we ze lekker achter ons aanjagen, en dan maken we rechtsomkeert en slaan verderop in de colonne nog eens toe. We verbranden hun wagens, jagen hun kudden uiteen en slaan er zoveel mogelijk dood. Ook Mans Roover, als we hem vinden. Als ze uiteenvallen en hun bouwvallen opzoeken hebben we gewonnen. Zo niet, dan blijven we hen tot aan de Muur bestoken en zorgen we dat ze op hun weg een spoor van lijken achterlaten.’

‘Het zijn er duizenden,’ riep iemand achter Chet.

‘Het wordt onze dood.’ Dat was de stem van Maslijn, groen van angst.

‘Dood!’ krijste Mormonts raaf en klapperde met zijn zwarte vleugels. ‘Dood, dood, dood.’

‘Voor velen van ons,’ zei de ouwe Beer. ‘Misschien voor allemaal. Maar zoals een andere opperbevelhebber duizend jaar geleden zei, dat is ook de reden dat we ons in het zwart kleden. Denk aan uw woorden, broeders. Want wij zijn de zwaarden in de duisternis, de wakers op de muren…’

‘Het vuur dat brandt tegen de kou.’ Ser Mallador Slot trok zijn slagzwaard.

‘Het licht dat de dageraad brengt,’ antwoordden anderen, en er werden meer zwaarden uit de schede getrokken.

Toen deed iedereen het en waren er bijna driehonderd opgeheven zwaarden, en even zovele stemmen riepen: ‘De hoorn die de slapers wekt! Het schild dat de rijken der mensen beschermt!’ Chet had geen andere keus dan met de overigen in te stemmen. De lucht dampte van hun adem en het vuurschijnsel fonkelde op het staal. Hij was blij om te zien dat Lark en Zachtvoet en Mooie Donneel Heuvel ook meededen, alsof ze net zulke idioten waren als de rest. Dat was goed. Het had geen zin om de aandacht te trekken nu hun tijd zo nabij was.

Toen het geschreeuw wegstierf hoorde hij opnieuw het geluid van de wind die aan de ringwal rukte. De vlammen kronkelden en huiverden alsof ook zij het koud hadden, en in de plotselinge stilte kraste de raaf van de ouwe Beer luidkeels en zei nogmaals: ‘Dood.’

Slimme vogel, dacht Chet toen de officieren hen wegzonden en iedereen waarschuwden dat ze goed moesten eten en een lange nacht moesten zien te maken. Chet kroop onder zijn bontvellen bij de honden, zijn hoofd vol van alles wat er fout kon gaan. Als die verdomde eed een van zijn mensen nu eens van mening deed veranderen? Of als Paultje vergeetachtig was en Mormont tijdens de tweede wacht probeerde te doden in plaats van tijdens de derde? Of als Maslijn de moed verloor, of iemand hen verklikte, of…

Hij merkte dat hij naar de nacht lag te luisteren. De wind klonk echt als een jammerend kind, en zo nu en dan hoorde hij mensenstemmen, het ge hinnik van een paard, een houtblok dat knapte in het vuur. Maar verder niets. Wat is het stil.

Het gezicht van Bessa zweefde hem voor ogen. Het was niet dat mes dat ik in je had willen steken, wilde hij tegen haar zeggen. Ik had bloemen voor je geplukt, wilde rozen en boerenwormkruid en goudkelkjes, daar was ik de hele ochtend mee bezig geweest. Zijn hart bonkte als een trommel, zo luid dat hij bang was dat het kamp er wakker van zou worden. Overal om zijn mond zat er ijs in zijn baard. Hoe kom ik nou weer op Bessa? Altijd als hij aan haar dacht had hij zich uitsluitend herinnerd hoe ze eruitzag toen ze doodging. Wat was er met hem aan de hand? Hij kon nauwelijks ademhalen. Was hij in slaap gevallen? Hij ging op zijn knieën zitten en iets nats en kouds raakte zijn neus. Chet keek op.

Het sneeuwde.

Hij voelde de tranen op zijn wangen bevriezen. Dat is niet eerlijk! wilde hij schreeuwen. Sneeuw zou al zijn werk tenietdoen, al zijn zorgvuldig gesmede plannen. Het was een zware bui. Overal om hem heen daalden dikke witte vlokken neer. Hoe moesten ze in die sneeuw hun voedselopslagplaatsen vinden, en het wildspoor waarlangs ze naar het oosten wilden? Ze hebben Dywen en Bannen niet eens nodig om ons te vangen als we sporen in de verse sneeuw achterlaten. En sneeuw maakte het terrein onzichtbaar, vooral bij nacht. Een paard kon over een boomwortel struikelen of een been breken op een steen. Dit doet ons de das om, besefte hij. Nog voor we begonnen zijn. We zijn verloren. Geen herenleven voor de zoon van de bloedzuigerman, geen eigen burcht, geen vrouwen of kronen. Alleen een wildlingenzwaard in zijn ingewanden en dan een ongemarkeerd graf. Die sneeuw neemt me alles af… verdomde rotsneeuw…

Sneeuw had al eens alles voor hem verpest. Sneeuw, en zijn geliefde Biggetje.

Chet ging staan. Zijn benen waren stijf en de vallende vlokken veranderden het toortslicht in de verte in een vage oranje gloed. Hij had het gevoel dat hij door een wolk bleke, koude insecten aangevallen werd. Ze streken op zijn schouders neer, ze vlogen tegen zijn neus en in zijn ogen. Vloekend veegde hij ze af. Samwel Tarling, schoot het hem te binnen. Ik kan nog met ser Biggetje afrekenen. Hij wond zijn sjaal om zijn gezicht, trok zijn kap over zijn hoofd en beende door het kamp naar de slaapplaats van die lafaard.

De sneeuw viel nu zo dicht dat hij verdwaalde tussen de tenten, maar ten slotte vond zijn oog het knusse windschermpje dat de jongen voor zichzelf had opgericht tussen een rotsblok en de ravenkooien. Tarling lag onder een stapel zwarte wollen dekens en ruige pelzen begraven. De sneeuw zweefde naar binnen om hem te bedekken. Hij zag eruit als een weke, ronde berg. Flauw als de hoop fluisterde staal langs leer toen Chet zijn dolk zachtjes uit de schede haalde. Een van de raven klokte zacht. ‘Sneeuw,’ prevelde een tweede en gluurde met zwarte oogjes tussen de tralies door. De eerste voegde daar zijn eigen ‘Sneeuw’ aan toe. Voetje voor voetje schoof hij behoedzaam langs hen. Hij zou zijn linkerhand voor de mond van die dikzak slaan om zijn kreten te smoren, en dan…

Uuuuuuhoeoeoeoeoeoeoe.

Hij stokte midden in een stap en onderdrukte een vloek toen het hoorngeschal door het kamp sidderde, vaag en veraf, maar niet mis te verstaan. Niet nu. Goden, vervloekt, niet nu! De ouwe Beer had verspieders in een cirkel van bomen rond de Vuist geposteerd om alarm te slaan als er iemand aankwam. Jarmen Bokwel komt terug van de Reuzentrap, giste Chet, of Qhorin Halfhand uit de Snerpende Pas. Een enkele hoornstoot betekende dat er broeders terugkwamen. Als het de Halfhand was kon het zijn dat Jon Sneeuw levend en wel bij hem was.

Sam Tarling ging met slaperige oogjes rechtop zitten en staarde in verwarring naar de sneeuw. De raven krasten luidruchtig en Chet kon zijn honden horen blaffen. De helft van het rotkamp is wakker. Zijn in handschoenen gehulde vingers klemden zich om het heft van zijn dolk, terwijl hij wachtte tot het geluid zou wegsterven. Maar het was nog niet weg of het kwam alweer terug, luider en langduriger.

Uuuuuuuuuuhoeoeoeoeoeoeoeoe.

‘Goden,’ hoorde hij Sam Tarling janken. De dikke jongen werkte zich zwaaiend op zijn knieën overeind, zijn voeten in zijn mantel en dekens verstrikt. Hij schopte ze weg en reikte naar een maliënkolder die hij aan de dichtstbijzijnde rots had gehangen. Toen hij het enorme kledingstuk over zijn hoofd had laten glijden en zich erin werkte zag hij Chet staan. ‘Waren het er twee?’ vroeg hij. ‘Ik droomde dat ik twee signalen hoorde…’

‘Geen droom,’ zei Chet. ‘Twee signalen om de Wacht naar de wapens te doen grijpen. Twee signalen voor naderende vijanden. Daar komt een bijl aan waar Biggetje op staat, dikzak. Twee signalen, dat wil zeggen: wildlingen.’ De vrees op het grote vollemaansgezicht wekte zijn lachlust op. ‘Laat ze allemaal naar de zevende hel lopen. Ellendige Harma. Ellendige Mans Roover. Ellendige Smalhout, hij zei dat ze pas over…’

Uuuuuuuuuuuuuhoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoeoe.

Het geluid hield maar aan, totdat het leek of het nooit meer zou wegsterven. De raven fladderden en krijsten, vlogen door hun kooien en botsten tegen de tralies op, en door het hele kamp stonden de broeders van de Nachtwacht op, trokken hun wapenrusting aan, gespten hun zwaardriemen om en reikten naar hun strijdbijlen en bogen. Samwel Tarling trilde op zijn benen en zijn gezicht had de kleur van de sneeuw die overal om hen heen dwarrelde. ‘Drie,’ piepte hij tegen Chet. ‘Dat waren er drie, ik hoorde er drie. Ze blazen nooit drie keer op de hoorn. Nog in geen honderdduizend jaar. Drie betekent…’

‘…Anderen.’ Chet maakte een geluid tussen een lach en een snik in en plotseling was zijn kleingoed nat en voelde hij de pis langs zijn benen lopen en hij zag de stoom van de voorkant van zijn broek slaan.

Jaime

De oostenwind waaide door zijn verwarde haar, zacht en zoetgeurig als Cerseis vingers. Hij hoorde vogels zingen en voelde de rivier onder de boot door bewegen, terwijl de riemen hen met brede zwaaien naar de bleekroze dageraad tilden. Na al die tijd in het donker was de wereld zo lieflijk dat het Jaime Lannister duizelde. Ik leef en ik ben dronken van zonlicht. Een lach ontsnapte aan zijn lippen, abrupt als een opgeschrikte kwartel.

‘Stil,’ gromde de deerne stuurs. Een stuurse blik paste beter bij haar brede, lelijke gezicht dan een glimlach. Niet dat Jaime haar ooit had zien glimlachen. Hij vermaakte zich door zich voor te stellen dat ze een van Cerseis zijden japonnen droeg in plaats van dat met ijzer versterkte leren buis. Je kunt evengoed een koe in zijde hullen.

Maar de koe kon wel roeien. Onder haar grove bruine broek gingen kuiten als houten kabels schuil en haar lange armspieren strekten en spanden zich bij iedere riemslag. Zelfs nu ze al de halve nacht roeide vertoonde ze nog geen tekenen van vermoeidheid, wat niet gezegd kon worden van zijn neef Cleos, die aan de andere riem zwoegde. Als je haar zo ziet is het een grote, sterke boerendeerne, maar ze spreekt of ze hooggeboren is en draagt een slagzwaard en een dolk. Ja, maar weet ze die ook te gebruiken? Jaime was van plan erachter te komen zodra hij zich van die ketens had bevrijd.

Hij droeg ijzeren boeien om zijn polsen en een vergelijkbaar stel om zijn enkels, verbonden met een ijzeren ketting van niet meer dan een voet lang. ‘Je zou haast denken dat mijn woord als Lannister niet goed genoeg is,’ had hij gegrapt toen ze hem boeiden. Hij was toen stomdronken geweest, door toedoen van Catelyn Stark. Hun ontsnapping uit Stroomvliet herinnerde hij zich maar bij stukjes en beetjes. Er waren wat problemen geweest met de cipier, maar die was door de forse deerne overmeesterd. Daarna waren ze een trap opgeklommen die eindeloos ronddraaide. Zijn benen waren zo slap als grassprieten en hij was twee of drie keer gestruikeld, tot de deerne hem haar arm had geboden om op te leunen. Op een bepaald moment was hij in een reismantel gewikkeld en op de bodem van een roeiboot gedeponeerd. Hij wist nog dat hij had liggen luisteren hoe vrouwe Catelyn iemand gelastte het valhek van de waterpoort op te halen. Ze zond ser Cleos Frey met nieuwe voorwaarden voor de koningin naar Koningslanding terug, had ze verklaard op een toon die geen tegenspraak duldde.

Daarna moest hij zijn ingedommeld. De wijn had hem slaperig gemaakt en het was heerlijk om zich te kunnen uitstrekken, een luxe die zijn ketens hem in de cel niet hadden gepermitteerd. Jaime had lang geleden geleerd om hazenslaapjes in het zadel te doen als hij op mars was. Dit was niet moeilijker. Tyrion lacht zich te barsten als hij hoort hoe ik door mijn eigen ontsnapping heen geslapen heb. Maar nu was hij wakker en maakten die ketens hem kregel. ‘Jonkvrouwe,’ riep hij, ‘als u die ketens doorhakt los ik u af aan de riemen.’

Ze keek opnieuw stuurs, haar gezicht een en al paardentanden en duistere achterdocht. ‘U blijft die ketens dragen, Koningsmoordenaar.’

‘Was je van plan het hele stuk naar Koningslanding te roeien, deerne?’

‘Noemt u mij Briënne, geen deerne.’

‘Mijn naam is ser Jaime, geen Koningsmoordenaar.’

‘Ontkent u dat u een koning hebt vermoord?’

‘Nee. Ontken jij je geslacht? Zo ja, rijg die broek dan los en laat eens wat zien.’ Hij wierp haar een onschuldig glimlachje toe. ‘Ik zou je ook kunnen vragen om je keurs los te rijgen, maar zo te zien zou dat niet veel bewijzen.’

Ser Cleos werd onrustig. ‘Neef, neem alsjeblieft de beleefdheid in acht.’

Het Lannister-bloed in zijn aderen is wel heel erg verdund. Cleos was de zoon van zijn tante Genna bij die saaie Emmon Frey die in angst voor heer Tywin Lannister leefde sinds de dag dat hij met diens zuster was getrouwd. Toen heer Walder Frey van de Tweeling zich in de oorlog bij Stroomvliet had aangesloten, had ser Emmon de band met zijn vrouw boven die met zijn vader verkozen. Een slechte ruil voor de Rots van Casterling, peinsde Jaime. Ser Cleos leek op een wezel, vocht als een gans en bezat de moed van een bijzonder dapper schaap. Vrouwe Stark beloofde hem te laten lopen als hij haar boodschap aan Tyrion overbracht en ser Cleos had plechtig gezworen dat te zullen doen.

Ze hadden heel wat afgezworen in die cel, vooral Jaime. Dat was vrouwe Catelyns prijs voor zijn vrijheid geweest. Ze had de punt van het zwaard van de forse deerne op zijn hart geplaatst en gezegd: ‘Zweer dat je nooit meer de wapens zult opnemen tegen Stark of Tulling. Zweer dat je je broer zult dwingen zijn gelofte om mijn dochters veilig en ongedeerd terug te zenden, gestand te doen. Zweer het op je riddereer, op je eer als Lannister, op je eer als een gezworen broeder van de Koningsgarde. Zweer het bij het leven van je zuster, dat van je vader en dat van je zoon, bij de oude goden en de nieuwe, en ik stuur je naar je zuster terug. Weiger, en je bloed zal vloeien.’ Hij herinnerde zich nog hoe het staal door zijn lompen heengedrongen was toen ze de punt van het zwaard omdraaide.

Ik vraag me af wat de Hoge Septon zou zeggen van de heiligheid van eden die stomdronken, aan de muur geketend en met een zwaard op de borst gezworen zijn? Niet dat Jaime zich echt om dat boerenbedrog bekommerde, of om de goden die hij beweerde te dienen. Hij dacht aan de emmer die vrouwe Catelyn in zijn cel had omgetrapt. Vreemd mens, om haar dochters aan een man toe te vertrouwen die schijt voor eer bezat. Al vertrouwde ze hem zo weinig als ze durfde. Ze vestigt haar hoop op Tyrion, niet op mij. ‘Misschien is ze al met al zo stom nog niet,’ zei hij hardop.

Dat vatte zijn bewaakster verkeerd op. ‘Ik ben niet stom. Noch doof.’

Hij bleef vriendelijk tegen haar; met haar de spot drijven zou zo makkelijk zijn dat het niet leuk meer was. ‘Ik praatte in mezelf, en niet over jou. Die gewoonte wen je jezelf snel aan in een cel.’

Ze fronste tegen hem, duwde de riemen naar voren en trok eraan, duwde ze weer naar voren, en zei niets.

Even glad van tong als ze fraai van gezicht is. ‘Naar je taalgebruik te oordelen ben je edel geboren.’

‘Mijn vader is Selwyn van Tarth, bij de genade der goden heer van Evenschemer.’ Zelfs dat zei ze niet van harte.

‘Tarth,’ zei Jaime. ‘Een akelige, grote rots in de zee-engte, als ik het wel heb. En Evenschemer is eedplichtig aan Stormeinde. Hoe komt het dat je Robb van Winterfel dient?’

‘Ik dien vrouwe Catelyn. En zij heeft me opgedragen u veilig bij uw broer Tyrion in Koningslanding af te leveren, niet om woorden met u te wisselen. Zwijg.’

‘Ik heb mijn buik vol van dat gezwijg, mens.’

‘Praat dan maar tegen ser Cleos. Ik heb tegen monsters niets te zeggen.’

‘Oei,’ zei Jaime. ‘Zijn hier monsters in de buurt? Onder water misschien? In dat wilgenbosje? En ik heb mijn zwaard niet!’

‘Iemand die zijn eigen zuster schendt, zijn koning vermoordt en een onschuldig kind in de dood stort verdient geen andere naam.’

Onschuldig? Dat rotjoch bespioneerde ons. Jaime had alleen maar een uurtje samen met Cersei gewild. Hun reis naar het noorden was één langdurige kwelling geweest. Iedere dag had hij haar gezien zonder haar te kunnen aanraken en geweten dat Robert elke avond beschonken haar bed in tolde in dat krakende huis op wielen. Tyrion had zijn best gedaan hem in een goed humeur te houden, maar dat was niet genoeg geweest. ‘Als het over Cersei gaat neem je de hoffelijkheid in acht, deerne,’ zei hij waarschuwend.

‘Ik heet Briënne, geen deerne.’

‘Wat kan jou het schelen hoe een monster je noemt?’

‘Ik heet Briënne,’ herhaalde ze, vasthoudend als een jachthond.

‘Jonkvrouw Briënne?’ Nu keek ze zo ongemakkelijk dat Jaime begreep dat hij een zwakke plek had gevonden. ‘Of zou ser Briënne je beter bevallen?’ Hij lachte. ‘Nee, ik vrees van niet. Je kunt een melkkoe met een staartriem, hoofdplaat en borstpantser uitdossen en haar van top tot teen met zijde behangen, maar daarmee kun je er nog niet mee ten strijde trekken.’

‘Neef Jaime, alsjeblieft, wil je niet zulke grove taal uitslaan.’ Onder zijn mantel droeg ser Cleos een wapenrok met de tweelingtorens van het huis Frey, gekwartierd met de gulden leeuw van Lannister. ‘We hebben nog ver te gaan, laten we nu geen ruzie met elkaar maken.’

‘Als ik ruzie maak, doe ik dat met een zwaard, neef. Ik sprak de dame toe. Vertel eens, deerne, zijn alle vrouwen op Tarth zo lelijk als jij? Dan heb ik met de mannen te doen. Misschien weten ze op zo’n naargeestige berg in zee niet hoe echte vrouwen eruitzien.’

‘Tarth is mooi,’ gromde de deerne tussen de riemslagen door. ‘Het wordt het Eiland van Saffier genoemd. Hou je kop, monster, tenzij je wilt dat ik je muilkorf.’

‘Ze is nog grof gebekt ook, hè neef?’ vroeg Jaime aan ser Cleos. ‘Al moet ik wel toegeven dat ze lef heeft. Er zijn niet veel mannen die me recht in mijn gezicht voor monster durven uitmaken.’ Al nemen ze achter mijn rug ongetwijfeld geen blad voor de mond.

Ser Cleos kuchte nerveus. ‘Jonkvrouw Briënne heeft die leugens vast van Catelyn Stark. De Starks koesteren geen hoop u met het zwaard te verslaan, dus nu voeren ze oorlog met venijnige woorden.’

Ze hébben me met het zwaard verslagen, kinloos misbaksel dat je bent. Jaime glimlachte wereldwijs. Wereldwijze lachjes zijn voor velerlei uitleg vatbaar als je de mensen hun gang laat gaan. Heeft neef Cleos al die vuilspuiterij nu echt geslikt of wil hij bij mij in een goed blaadje komen? Wat hebben we hier, een eerlijke schaapskop of een kontlikker?

Ser Cleos bazelde onbekommerd verder. ‘Wie denkt dat een gezworen broeder van de Koningsgarde een kind te na zou komen weet niet wat eer is.’

Een kontlikker. De waarheid was, dat Jaime er spijt van had gekregen dat hij Brandon Stark uit dat raam had gekieperd. Toen het jong alsmaar niet doodging had Cersei hem geen moment rust gegund. ‘Hij was zeven, Jaime,’ had ze hem verweten. ‘Zelfs als hij begreep wat hij zag hadden we hem heus wel zo bang kunnen maken dat hij zijn mond hield.’

‘Ik had nooit gedacht dat jij zou willen…’

‘Jij dénkt ook nooit. Als dat joch bijkomt en zijn vader vertelt wat hij heeft gezien…’

‘Als, als, als.’ Hij had haar op schoot getrokken. ‘Als hij bijkomt zeggen we dat hij gedroomd heeft, we maken hem voor leugenaar uit en in het ergste geval vermoord ik Ned Stark.’

‘En wat denk je dat Robert dan zal doen?’

‘Laat Robert doen wat hem goeddunkt. Ik verklaar hem desnoods de oorlog. De Oorlog om Cerseis Kut, zullen de zangers dat noemen.’

‘Jaime, laat me los,’ raasde ze, worstelend om los te komen.

In plaats daarvan had hij haar gekust. Even had ze zich verzet, maar toen opende haar mond zich onder de zijne. Hij herinnerde zich de smaak van wijn en kruidnagelen op haar tong. Ze sidderde. Zijn hand ging naar haar keurs en gaf er een ruk aan, zodat de zijde scheurde en haar borsten vrijkwamen. En even waren ze dat joch van Stark vergeten.

Had Cersei er naderhand wel weer aan gedacht en die kerel gehuurd over wie vrouwe Catelyn had gesproken, om er zeker van te zijn dat de jongen nooit meer zou ontwaken? Als ze hem dood had willen hebben had ze mij wel gestuurd. En het is niets voor haar om een handlanger te sturen die zo’n moord zo grandioos verknoeit.

Stroomafwaarts glansde de zon op het winderige rivieroppervlak. De zuidelijke oever was van rode klei, gelijkmatig als een weg. Kleine stroompjes voedden de grotere, en de rottende stronken van verdronken bomen klampten zich aan de oevers vast. De noordkant was wilder. Twintig voet hoge, steile rotsen rezen boven hen uit, bekroond door groepjes beuken, eiken en kastanjes. Op de heuvels verderop ontwaarde Jaime een wachttoren die met iedere riemslag groeide, maar lang voor ze er waren zag hij al dat het ding verlaten was en dat de verweerde stenen door klimrozen overwoekerd waren.

Toen de wind draaide hielp ser Cleos de forse deerne het zeil te hijsen, een stijve driehoek van rood en blauw gestreept zeildoek. De kleuren van de Tullings, die hen zouden verzekeren van ellende als ze op de rivier op Lannister-troepen zouden stuiten. Maar een ander zeil hadden ze niet. Briënne nam het roer. Jaime gooide het zijzwaard uit, en zijn ketens rammelden. Daarna schoten ze sneller op, hun vlucht werd bevorderd door wind en stroom. ‘We kunnen onszelf het nodige gereis besparen als je me bij mijn vader aflevert in plaats van bij mijn broer,’ merkte hij op.

‘De dochters van vrouwe Catelyn zijn in Koningslanding. Of ik ga terug met de meisjes, of ik ga helemaal niet terug.’

Jaime keerde zich naar ser Cleos toe. ‘Neef, leen me je mes.’

‘Nee.’ De vrouw verstrakte. ‘Ik wil niet hebben dat je gewapend bent.’ Haar stem was even onbuigzaam als steen.

Ze is zelfs nog bang voor me als ik ketens draag. ‘Cleos, ik vrees dat ik je moet vragen of je me wilt scheren. Laat de baard zitten, maar haal wel het haar van mijn hoofd.’

‘Wil je kaalgeschoren worden?’ vroeg Cleos Frey.

‘Het rijk kent Jaime Lannister als een baardeloze ridder met lang gouden haar. Een kale vent met een smerige gele baard valt misschien minder op. Ik wil liever niet herkend worden met die ijzers om.’

De dolk had scherper kunnen zijn. Cleos hakte er manmoedig op los en zaagde en sneed zich een weg door de klitten. Het haar gooide hij overboord. De gouden krullen dreven op het wateroppervlak en raakten geleidelijk aan achterop. Toen de klitten verdwenen kroop er een luis over zijn nek omlaag. Jaime ving hem en plette hem met zijn duimnagel. Ser Cleos plukte er nog meer van zijn hoofdhuid en smeet ze in het water. Jaime maakte zijn hoofd nat en liet ser Cleos het lemmet wetten, voordat hij de laatste gele stoppels eraf schraapte. Toen dat klaar was fatsoeneerden ze ook zijn baard.

Het spiegelbeeld in het water was een man die hij niet kende. Hij was niet alleen kaal, maar zag er ook uit alsof hij in die kerker vijf jaar ouder was geworden. Zijn gezicht was magerder, met holle ogen en rimpels die hij zich niet kon herinneren. Zo lijk ik niet meer zo sprekend op Cersei. Dat zal ze afschuwelijk vinden.

Tegen de middag was ser Cleos ingeslapen. Zijn gesnurk klonk als het paren van eenden. Jaime rekte zich uit om de wereld langs te zien drijven. Na die donkere cel was iedere rots en elke boom een wonder.

Er kwamen wat eenkamerhutten langs die op lange palen prijkten, waardoor ze op kraanvogels leken. De mensen die er woonden gaven geen enkel teken van leven. Vogels vlogen over hen heen of schreeuwden in de bomen langs de wal en Jaime zag zilveren vissen als messen door het water flitsen. Tullingforellen, een slecht voorteken, dacht hij, tot hij een nog slechter zag. Een van de drijvende houtblokken die ze passeerden bleek een dode man te zijn, bloedeloos en opgezwollen. Zijn mantel was in de wortels van een omgevallen boom blijven haken en de kleur was onmiskenbaar het karmijnrood van de Lannisters. Hij vroeg zich af of het lijk van iemand was die hij kende.

De eenvoudigste weg om goederen of mensen door het rivierengebied te vervoeren was via de vorken van de Drietand. In vredestijd zouden ze vissers in hun bootjes zijn tegengekomen, graanschuiten die stroomafwaarts werden geboomd, kooplieden die vanaf hun drijvende winkels naalden en rollen stof verkochten, misschien zelfs een fleurig geverfde komediantenboot met veelkleurig geblokte zeilen die van dorp naar dorp en van slot naar slot stroomopwaarts trok.

Maar de oorlog had zijn tol geëist. Ze voeren langs dorpen maar zagen geen dorpelingen. Een leeg net dat kapotgehakt en gescheurd aan een paar bomen hing was alles wat naar vissersvolk verwees. Een jong meisje dat haar paard drenkte, reed weg zodra ze hun zeil in het oog kreeg. Later passeerden ze een stuk of wat boeren die onder aan een uitgebrande woontoren in een veld groeven. De mannen staarden hen met doffe ogen aan en ploeterden weer verder zodra ze hadden vastgesteld dat het roeibootje geen bedreiging vormde.

De Rode Vork was breed en traag, een kronkelende rivier vol lussen en bochten, bezaaid met kleine beboste eilandjes en dikwijls vernauwd door zandbanken en stronken die net onder het wateroppervlak loerden. Briënne leek echter een scherp oog voor de gevaren te hebben en scheen altijd de juiste vaargeul te kunnen vinden. Toen Jaime haar complimenteerde met haar kennis van de rivier keek ze hem wantrouwig aan en zei: ‘Ik ken de rivier niet. Tarth is een eiland. Ik kon al met riemen en zeilen omgaan voor ik ooit op een paard had gezeten.’

Ser Cleos ging rechtop zitten en wreef in zijn ogen. ‘Goden, wat heb ik een pijn aan mijn armen. Ik hoop dat die wind aanhoudt.’ Hij snoof. ‘Ik ruik regen.’

Een flinke bui zou Jaime welkom zijn. De kerkers van Stroomvliet waren niet de schoonste plek van de Zeven Koninkrijken. Hij moest inmiddels als een overrijpe kaas ruiken.

Cleos tuurde de rivier af. ‘Rook.’

Een dunne grijze vinger wenkte hen voort. Kringelend en konkelend rees hij verscheidene mijlen verderop vanaf de zuidoever omhoog. Daaronder kon Jaime de smeulende resten van een groot gebouw onderscheiden, en een levende eik vol dode vrouwen.

De kraaien waren nog maar net aan de lijken begonnen. De dunne touwen sneden diep in de zachte halzen en bij elke windvlaag draaiden en zwaaiden ze. ‘Heel onridderlijk,’ zei Briënne toen ze zo dichtbij waren dat ze het duidelijk konden zien. ‘Geen waarachtig ridder zou zo’n moedwillige slachtpartij goedkeuren.’

‘Waarachtige ridders zien wel ergere dingen als ze ten strijde trekken, deerne,’ zei Jaime. ‘En ze dóén ze ook.’

Briënne wendde het roer naar de oever. ‘Ik laat geen onschuldigen voor de kraaien hangen.’

‘Een harteloze deerne. Kraaien moeten ook eten. Blijf op de rivier en laat de doden met rust, mens.’

Ze landden stroomopwaarts van de plek waar de grote eik over het water hing. Terwijl Briënne het zeil streek, klom Jaime uit de boot, gehinderd door zijn ketens. De Rode Vork vulde zijn laarzen en drong door zijn gerafelde broek. Lachend viel hij op zijn knieën, dompelde zijn hoofd in het water en kwam drijfnat en druipend weer boven. Er zat vuil aan zijn handen gekoekt, en toen hij ze in de stroom had schoongeschrobd leken ze magerder en bleker dan in zijn herinnering. Zijn benen waren ook stijf en wankelden onder zijn gewicht. Ik heb veel te lang in die rotkerker van Hoster Tulling gezeten.

Briënne en Cleos trokken het bootje op de oever. Boven hen hingen de dode lichamen als rotte vruchten te rijpen. ‘Een van ons zal ze los moeten snijden,’ zei de deerne.

‘Ik klim er wel in.’ Jaime waadde rammelend aan wal. ‘Als je die ketens er maar afhaalt.’

De deerne staarde omhoog naar een van de dode vrouwen. Jaime schuifelde dichterbij met kleine, hortende stapjes, de enige manier die de voet-lange keten hem toestond. Toen hij het primitieve bordje zag dat om de nek van het hoogste lijk hing moest hij glimlachen. ‘Dit zijn Leeuwensletten,’  las hij hardop. ‘O ja, mens, heel onridderlijk… maar door jouw kant gedaan, niet door de mijne. Wie zouden die vrouwen zijn?’

‘Kroegmeiden,’ zei ser Cleos Frey. ‘Dit was een herberg, dat staat me nu weer bij. Een paar leden van mijn escorte hebben hier de nacht doorgebracht toen we laatst naar Stroomvliet terugkeerden.’ Van het gebouw restte niets anders dan de stenen fundering en een wirwar van ingestorte, verkoolde balken. Uit de as steeg nog rook op.

Bordelen en hoeren liet Jaime aan zijn broer Tyrion over. De enige vrouw die hij ooit had begeerd was Cersei. ‘Die meisjes hebben wat soldaten van mijn vader een pleziertje gedaan, krijg ik de indruk. Misschien hebben ze hun te eten en te drinken gegeven. Zo hebben ze hun verraderskragen verdiend, met een kus en een kroes bier.’ Hij keek naar beide zijden de rivier af om zich ervan te vergewissen dat ze helemaal alleen waren. ‘Dit is het grondgebied van Vaaren. Misschien heeft heer Jonos ze laten doden. Mijn vader heeft zijn slot in brand gestoken. Ik ben bang dat hij ons geen goed hart toedraagt.’

‘Het kan ook het werk van Marq Pijper zijn,’ zei ser Cleos. ‘Of van dat dwaallicht Beric Dondarrion, al heb ik gehoord dat hij alleen krijgslieden doodt. Misschien een bende noorderlingen van Rous Bolten?’

‘Bolten is door mijn vader bij de Groene Vork verslagen.’

‘Maar niet gebroken,’ zei ser Cleos. ‘Hij is weer naar het zuiden gegaan toen heer Tywin tegen de Voorden optrok. Het laatste nieuws in Stroomvliet was dat hij Harrenhal op ser Amaury Lors had veroverd.’

Dat klonk Jaime erg onprettig in de oren. ‘Briënne,’ zei hij, ditmaal zo beleefd haar bij haar naam te noemen in de hoop dat ze zou luisteren, ‘als heer Bolten Harrenhal bezet houdt ligt het voor de hand dat zowel De Drietand als de Koningsweg worden gadegeslagen.’

Hij meende een zweem van onzekerheid in haar grote blauwe ogen te ontwaren. ‘U staat onder mijn bescherming. Ze zouden mij eerst moeten doden.’

‘Daar zullen ze geen been in zien, lijkt mij.’

‘Ik vecht net zo goed als u,’ zei ze verdedigend. ‘Ik was een van koning Renlings zeven uitverkorenen. Hij heeft me eigenhandig met de gestreepte zijde van de Regenbooggarde bekleed.’

‘De Regenbooggarde? Jij en nog zes andere meisjes, zeker? Een zanger zei eens dat zijde alle meisjes mooi maakt… maar die had jou vast nooit gezien.’

De vrouw kreeg een kleur. ‘We moeten nog graven delven.’ Ze begon de boom in te klimmen.

De lagere takken van de eik waren groot genoeg om haar gewicht te dragen toen ze de stam in geklommen was. Ze liep met haar dolk in de hand door de bladeren om de lijken los te snijden. Vliegen omzwermden de neerstortende lichamen en de stank nam toe naarmate er meer vielen. ‘Wat een hoop moeite voor een paar hoeren,’ klaagde ser Cleos. ‘En waarmee worden we geacht te graven? We hebben geen schoppen en ik ben niet van plan mijn zwaard te gebruiken. Ik…’

Briënne slaakte een kreet. Ze sprong naar beneden in plaats van omlaag te klimmen. ‘Naar de boot. Snel. Ik zag een zeil.’

Ze maakten zoveel mogelijk haast, al kon Jaime nauwelijks rennen en moest hij door zijn neef het roeibootje in getrokken worden. Briënne duwde af met een riem en hees ijlings het zeil. ‘Ser Cleos, u zult ook moeten roeien.’

Hij deed wat ze gezegd had. Het bootje kliefde nu iets sneller door het water. Stroom, wind en riemen hielpen hen gezamenlijk voort. Jaime zat geketend en wel stroomopwaarts te turen. Alleen de punt van het andere zeil was te zien. Door de lus in de Rode Vork leek het zich aan de overkant van de velden te bevinden en achter een scherm van bomen naar het noorden te schuiven, terwijl zij naar het zuiden gingen. Maar dat leek maar zo, wist hij. Hij hief beide handen op om zijn ogen af te schermen. ‘Modderig rood en waterig blauw,’ verklaarde hij.

Briënnes brede mond maalde geluidloos, zodat ze eruitzag als een herkauwende koe. ‘Sneller, ser.’

Achter hen was de herberg weldra uit het zicht verdwenen en ze verloren ook de punt van het zeil uit het oog, maar dat zei niets. Zodra de achtervolgers de lus om waren zouden ze weer zichtbaar zijn. ‘We kunnen altijd nog hopen dat de nobele Tullings zullen aanleggen om die dode hoeren te begraven.’ Het idee om naar zijn cel terug te keren sprak Jaime niet aan. Tyrion zou nu een list verzinnen, maar alles wat ik kan bedenken is met een zwaard op ze af stormen.

Bijna een uur speelden ze verstoppertje met hun achtervolgers en doken om bochten heen en tussen kleine beboste eilandjes door. Juist toen ze hoopten dat ze ontkomen waren werd in de verte het zeil weer zichtbaar. Ser Cleos liet zijn riem even rusten. ‘Dat de Anderen ze halen!’ Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd.

‘Roeien!’ zei Briënne.

‘Dat is een riviergalei die achter ons aankomt,’ verklaarde Jaime, toen hij een poosje had gekeken. Het schip leek met elke riemslag iets groter te worden. ‘Aan weerskanten negen riemen, dus dat wil zeggen achttien man. Meer, als ze er behalve roeiers ook krijgslieden ingestopt hebben. En grotere zeilen dan wij. Daar ontkomen we niet aan.’

Ser Cleos verstijfde aan zijn riemen. ‘Zei je achttien?’

‘Zes voor elk van ons. Ik had er liever acht gehad, maar deze armbandjes hinderen me een beetje.’ Jaime stak zijn polsen omhoog. ‘Tenzij vrouwe Briënne zo vriendelijk zou willen zijn mij los te maken?’

Ze negeerde hem en legde al haar kracht in haar riemslagen.

‘We hadden een halve nacht voorsprong,’ zei Jaime. ‘Zij roeien al sinds zonsopgang, terwijl er telkens twee riemen rusten. Ze zijn vast uitgeput. Zojuist heeft de aanblik van ons zeil hun krachten hernieuwd, maar dat zal niet lang duren. We zullen er heel wat kunnen doden.’

Ser Cleos staarde hem met open mond aan. ‘Maar… ze zijn met zijn achttienen.’

‘Op zijn minst. Eerder met twintig of vijfentwintig.’

Zijn neef kreunde. ‘Tegen achttien man kunnen we niet eens op.’

‘Zei ik dat dan? Het beste waarop we kunnen hopen, is strijdend ten onder te gaan.’ Hij was volkomen oprecht. Jaime Lannister had de dood nooit gevreesd.

Briënne staakte haar geroei. Vlasblonde haarstrengen zaten tegen haar bezwete voorhoofd geplakt en die grimas maakte haar lelijker dan ooit. ‘U staat onder mijn bescherming,’ zei ze, haar stem zo verstikt van woede dat ze bijna gromde.

Hij moest lachen om zoveel woestheid. Het is net de Jachthond met tieten, dacht hij. Althans, als ze noemenswaardige tieten had. ‘Bescherm me dan, deerne. Of maak me los, zodat ik mezelf kan beschermen.’

De galei scheerde stroomafwaarts, een grote houten libel. Dankzij de furieuze riemslagen schuimde het water wit om de boeg. Het schip liep zichtbaar op hen in en de mannen aan dek dromden samen bij de voorplecht. Metaal blonk in hun handen, en Jaime zag ook bogen. Schutters. Hij had een hekel aan boogschutters.

Bij de boeg van de toesnellende galei stond een gedrongen man met een kaal hoofd, borstelige grijze wenkbrauwen en gespierde armen. Over zijn maliënkolder droeg hij een smoezelige witte wapenrok met daarop een lichtgroene treurwilg geborduurd, maar zijn mantel was vastgegespt met een zilveren forel. Het hoofd van de wacht van Stroomvliet. In zijn tijd was ser Robin Reyger als krijgsman berucht geweest om zijn vasthoudendheid, maar hij had zijn tijd gehad. Hij was van Hoster Tullings leeftijd en samen met zijn heer oud geworden.

Toen de boten nog vijftig pas van elkaar verwijderd waren zette Jaime zijn handen aan zijn mond en riep over het water: ‘Komt u mij goede reis wensen, ser Robin?’

‘Ik kom je terughalen, Koningsmoordenaar,’ bulderde ser Robin Reyger. ‘Hoe komt het dat je je gouden haar kwijt bent?’

‘Ik hoop mijn vijanden te verblinden met de glans van mijn hoofd. Bij u heeft dat niet slecht gewerkt.’

Ser Robin kon er niet om lachen. De afstand tussen roeiboot en galei was tot veertig pas geslonken. ‘Riemen en wapens in de rivier gooien, dan hoeft niemand iets te overkomen.’

Ser Cleos draaide zich om. ‘Jaime, zeg tegen hem dat Lady Catelyn ons vrijgelaten heeft… een uitwisseling van gevangenen, volgens de wet…’

Dat deed Jaime, al had hij er niets aan. ‘Catelyn Stark heeft het in Stroomvliet niet voor het zeggen,’ schreeuwde ser Robin terug. Vier boogschutters posteerden zich aan weerskanten van hem, twee staand en twee knielend. ‘Smijt jullie zwaarden in het water!’

‘Ik heb geen zwaard,’ riep hij terug, ‘maar als ik er wel een had zou ik het in jouw buik steken en er de ballen van die vier lafaards mee afhakken.’

Zijn antwoord was een zwerm pijlen. Een drong er in de mast, twee doorboorden het zeil en de vierde miste Jaime op een voet na.

Voor hen doemde weer een brede lus van de Rode Vork op. Briënne stuurde de roeiboot scherp de bocht om. Toen ze draaiden zwiepte de giek om, en het zeil bolde met een knal op in de wind. Verderop lag een groot eiland midden in de stroom. De hoofdgeul liep langs de linkeroever. Rechts takte er een zij arm af die tussen het eiland en de hoge rotsen op de noordoever door liep. Briënne verschoof de helmstok, en de roeiboot schoot met klapperend zeil naar links. Jaime zag haar ogen. Mooie ogen, dacht hij, en kalm ook. Mannenogen waren een open boek voor hem. Hij wist hoe angst eruitzag. Ze is vastberaden, niet wanhopig.

Dertig pas achter hen draaide de galei de bocht in. ‘Ser Cleos, pak de helmstok,’ beval de deerne. ‘Koningsmoordenaar, neem een riem en houd ons van de rotsen af.’

‘Tot uw orders, vrouwe.’ Een riem was wel geen zwaard, maar met het blad, mits welgemikt, kon je iemand het gezicht inslaan, en de schacht was bruikbaar om te pareren.

Ser Cleos duwde Jaime de riem in zijn hand en krabbelde haastig naar de achtersteven. Ze kruisten voor de punt van het eiland langs en doken scherp de zij arm in, en toen de boot overstag ging sloeg er een golf water tegen de rotswand. Het eiland was dicht bebost, een wirwar van wilgen, eiken en rijzige dennen die dichte schaduwen over het snelstromende water wierpen en de wortels en verrotte stronken van ondergestroomde bomen onzichtbaar maakten. Links rees de rotswand steil en stenig omhoog, en aan de voet ervan schuimde de rivier rond gebarsten rotsblokken en puin dat van de klip gestort was.

Ze voeren uit de zon de schaduw in, voor de galei aan het zicht onttrokken door de groene muur van de bomen en de grijsgrauwe steen van de rotswand. Even geen last van de pijlen, dacht Jaime, terwijl hij hen afduwde van een grote steen die half onder water lag.

Het roeibootje wiebelde. Hij hoorde een zachte plons, en toen hij omkeek was Briënne weg. Het volgende ogenblik zag hij haar weer, bezig zich onder aan de klip uit het water te hijsen. Ze waadde een ondiepe poel door, klauterde een paar rotsen over en begon te klimmen. Ser Cleos’ ogen puilden uit zijn hoofd. Idioot, dacht Jaime. ‘Negeer die deerne,’ snauwde hij tegen zijn neef. ‘Sturen.’

Ze konden het zeil achter de bomen zien bewegen. Aan het begin van de zij arm kwam de riviergalei vol in het zicht, vijfentwintig pas achter hen. De boeg ging scherp overstag en er vlogen wat pijlen de lucht in, allemaal naast. De boogschutters hadden last van het deinen van de twee boten maar dat zouden ze gauw genoeg weten te compenseren, besefte Jaime. Briënne was halverwege de rotswand en trok zich van steunpunt naar steunpunt op. Zo ziet Reyger haar zeker, en dan laat hij haar door zijn boogschutters neerhalen. Jaime besloot om te kijken of de oude man zich door zijn trots tot een stommiteit zou laten verleiden. ‘Ser Robin, , schreeuwde hij, ‘luister eens.’

Ser Robin hief een hand op en zijn schutters lieten hun bogen zakken. ‘Zeg wat je wilt, Koningsmoordenaar, maar doe het snel.’

De roeiboot schoot door een nest van gebroken stenen heen toen Jaime riep: ‘Ik weet een betere manier om dit te beslechten — een tweegevecht. U en ik.’

‘Ik ben niet vanmorgen geboren, Lannister.’

‘Nee, maar het zit erin dat u vanmiddag zult sterven.’ Jaime stak zijn handen op zodat de ander zijn boeien kon zien. ‘Ik zal u geketend en wel bevechten. Wat hebt u te vrezen?’

‘Jou niet. Als het aan mij lag zou ik niets liever doen, maar ik heb bevel u zo mogelijk levend terug te brengen. Schutters.’ Hij gaf ze een teken om door te gaan. ‘Opzetten. Spannen. Losla…’

De afstand was nog geen twintig pas. De schutters konden bijna niet missen, maar toen ze hun bogen spanden regende er een waterval van steentjes op hen neer. De kiezels kletterden bij hen op het dek, stuiterden van hun helmen af en plonsden aan weerkanten van de boeg in het water. Degenen die snel genoeg van begrip waren keken op, net op het moment dat een rotsblok ter omvang van een koe zich van de top van de klip losmaakte. Ser Robin slaakte een kreet van ontzetting. De steen tuimelde door de lucht, raakte de rotswand, brak in tweeën en smakte bovenop hen. Het grootste stuk sloeg de mast doormidden, scheurde het zeil, smeet twee van de schutters met een boog de rivier in en verbrijzelde het been van een roeier die zich net over zijn riem boog. De snelheid waarmee de galei zich met water vulde liet vermoeden dat het kleinste brokstuk recht door de romp gegaan was. De kreten van de roeiers weerkaatsten tegen de rotswand, terwijl de boogschutters in de stroom wild met hun armen maaiden. Naar het gespetter te oordelen konden ze geen van beiden zwemmen. Jaime lachte.

Tegen de tijd dat ze uit de zijarm opdoken was de galei tussen ondiepten, kolken en boomwortels vastgelopen en had Jaime Lannister geconstateerd dat de goden goed waren. Ser Robin en zijn driewerf vervloekte boogschutters hadden een lange, natte wandeling naar Stroomvliet voor de boeg en zelf was hij bovendien die grote, lelijke deerne kwijt. Ik had het zelf niet beter kunnen bedenken. Als ik eenmaal die ijzers kwijt ben…

Ser Cleos slaakte een kreet. Toen Jaime opkeek denderde Briënne een eind voor hen uit over de bovenrand van de klip. Terwijl hun boot de bocht van de rivier volgde, had zij een stukje afgestoken over een landtong. Ze wierp zich van de rots, en zoals ze zich kromde in die duik was ze bijna gracieus. Het zou onaardig zijn om te hopen dat haar hoofd op een steen te pletter zou slaan. Ser Cleos stuurde het bootje naar haar toe. Gelukkig had Jaime zijn riem nog. Een goeie klap als ze eraan komt plonzen en ik heb geen last meer van haar.

In plaats daarvan merkte hij dat hij zijn riem over het water heen stak. Briënne greep hem vast en Jaime trok haar naar zich toe. Toen hij haar in het bootje hielp liep het water uit haar haren en droop het uit haar doorweekte kleren in plasjes op het dek. Ze is nog lelijker als ze nat is. Wie had dat voor mogelijk gehouden? ‘Je bent een verdomd stomme deerne,’ zei hij tegen haar. ‘We hadden zonder jou verder kunnen varen. Je verwacht nu zeker dat ik dank je wel zeg.’

‘Ik wil jouw bedankjes niet, Koningsmoordenaar. Ik heb een eed gezworen om je veilig in Koningslanding te brengen.’

‘En die wil je houden?’ Jaime wierp haar zijn meest verblindende glimlach toe. ‘Dat zou nog eens een wonder zijn.’

Catelyn

Ser Desmond Grel diende het huis Tulling al zijn hele leven.

Hij was schildknaap geweest toen Catelyn geboren werd, ridder toen ze leerde lopen, rijden en zwemmen, en wapenmeester op de dag dat ze trouwde. Hij had heer Hosters kleine Cat zien opgroeien tot een jonge vrouw, de gemalin van een machtig heer, de moeder van een koning. En nu heeft hij me ook nog in een verraadster zien veranderen.

Haar broer Edmar had ser Desmond tot kastelein van Stroomvliet benoemd toen hij ten strijde trok, dus moest hij nu over haar misdaad oordelen. Omdat hij daarmee in zijn maag zat had hij ter ondersteuning haar vaders hofmeester Utherydes Wagen meegenomen. De twee mannen stonden haar aan te kijken, ser Desmond omvangrijk, vuurrood en zwaar in verlegenheid gebracht, Utherydes ernstig, hol en melancholiek. Ze hebben hun leven aan mijn vaders dienst gewijd en ik beloon ze met schande, dacht Catelyn vermoeid.

‘Uw zonen,’ zei Desmond uiteindelijk. ‘Maester Veyman heeft het ons verteld. De arme jongens. Vreselijk. Vreselijk. Maar…’

‘Wij delen in uw smart, vrouwe,’ zei Utherydes Wagen. ‘Heel Stroomvliet rouwt met u, maar…’

‘Het nieuws moet u van zinnen hebben gebracht,’ viel Desmond in, ‘waanzinnig van verdriet, de waanzin van een moeder, de mensen zullen het wel begrijpen. U wist niet…’

‘Ik wist het wel,’ zei Catelyn ferm. ‘Ik begreep wat ik deed en wist dat het verraderlijk was. Als u mij niet straft zullen de mensen denken dat wij hebben samengezworen om Jaime Lannister te bevrijden. Ik heb dit gedaan, en ik alleen ben verantwoordelijk. Sla mij in de lege ijzers van de Koningsmoordenaar en ik zal ze met fier heid dragen, als het zo moet zijn.’ .

‘Boeien!’ Alleen al het woord leek de arme ser Desmond de stuipen op het lijf te jagen. ‘Voor de moeder van de koning, de dochter van mijn heer? Onmogelijk.’

‘Wellicht,’ zei hofmeester Utherydes, ‘stemt u ermee in zich in uw vertrekken te laten opsluiten totdat ser Edmar terugkeert, vrouwe? Zodat u een poosje alleen bent om voor uw vermoorde zonen te bidden?’

‘Opgesloten, ja,’ zei ser Desmond. ‘Opgesloten in een torencel, dat zou voldoende zijn.’

‘Als u mij opsluit, doe het dan in mijn vaders kamers, zodat ik hem troost kan bieden tijdens zijn laatste dagen.’

Ser Desmond dacht even na. ‘Goed. Het zal u niet aan comfort of een hoffelijke behandeling ontbreken, maar u mag niet meer vrij in het slot rondlopen. Bezoekt u desgewenst de sept, maar blijft u verder in de kamers van heer Hoster totdat heer Edmar terugkomt.’

‘Zoals u wenst.’ Zolang haar vader nog leefde was haar broer geen heer, maar Catelyn verbeterde hem niet. ‘Laat u mij bewaken als u dat nodig acht, maar ik geef u mijn woord dat ik niet zal proberen te ontsnappen.’

Ser Desmond knikte, zichtbaar opgelucht dat hij deze onaangename taak achter de rug had, maar Utherydes Wagen met zijn droevige ogen bleef nog even staan toen de kastelein vertrok. ‘Wat u hebt gedaan is heel ernstig, vrouwe, maar voor niets. Ser Desmond heeft ser Robin Reyger erachteraan gezonden om de Koningsmoordenaar terug te brengen… of in het uiterste geval zijn hoofd.’

Dat was niet meer dan Catelyn had verwacht. Moge de Krijgsman je zwaardarm kracht geven, Briënne, bad ze. Zij had gedaan wat ze kon, nu restte haar nog slechts hoop.

Haar spullen werden overgebracht naar haar vaders slaapvertrek, dat gedomineerd werd door het grote hemelbed waarin zij was geboren, met houten pilaren in de vorm van forellen. Haar vader zelf was een halve trapomgang naar beneden gebracht. Zijn ziekbed was tegenover het driehoekige balkon van zijn woonzaal neergezet, zodat hij de rivieren kon zien waar hij altijd zo van had gehouden.

Toen Catelyn binnenkwam sliep heer Hoster. Ze liep het balkon op en bleef daar staan met een hand op de ruwe stenen balustrade. Voorbij de punt van het slot stroomde de snelle Steenstort met de kalme Rode Vork samen en ze kon een heel eind stroomafwaarts kijken. Als er een gestreept zeil uit het oosten nadert komt ser Robin terug. Op dit moment was het wateroppervlak leeg. Daarvoor dankte ze de goden, waarna ze weer naar binnen liep om bij haar vader te gaan zitten.

Catelyn zou niet kunnen zeggen of heer Hoster wist dat ze er was, of enige troost putte uit haar aanwezigheid, maar het troostte haar om bij hem te zijn. Wat zou u zeggen als u van mijn misdaad afwist, vader? vroeg ze zich af. Had u hetzelfde gedaan als Lysa en ik ons in handen van onze vijanden bevonden? Of had u mij ook veroordeeld en het de waanzin van een moeder genoemd?

De geur van de dood hing in deze kamer, een zware, weezoete, hardnekkige lucht. Hij deed haar denken aan de zoons die ze had verloren, haar lieve Bran en haar kleine Rickon, vermoord door Theon Grauwvreugd, die Neds pupil was geweest. Ze rouwde nog steeds om Ned, ze zou altijd om Ned blijven rouwen, maar dat haar kleine jongens haar nu ook nog afgenomen waren…’Het is gruwelijk wreed om een kind te verliezen,’ fluisterde ze zachtjes, meer tegen zichzelf dan tegen haar vader.

Heer Hosters ogen gingen open. ‘Tansy,’ prevelde hij met een door pijn verstikte stem.

Hij herkent me niet. Catelyn was eraan gewend geraakt dat hij haar voor haar moeder of haar zuster Lysa aanzag, maar de naam Tansy was haar vreemd. ‘Ik ben Catelyn,’ zei ze. ‘Dit is Cat, vader.’

Kon er een andere vrouw zijn geweest in het leven van haar vader? Een dorpsmeisje dat hij in zijn jeugd onrecht had gedaan, misschien? Zou hij na moeders dood troost hebben gezocht in de armen van een dienstmeid? Een vreemde gedachte die haar verontrustte. Plotseling kreeg ze het gevoel dat ze haar vader helemaal niet gekend had. ‘Wie is Tansy, heer? Wilt u dat ik haar laat halen, vader? Waar vind ik die vrouw? Leeft ze nog?’

Heer Hoster kreunde. ‘Dood.’ Zijn hand tastte naar de hare. ‘Je krijgt nog wel andere… lieve kindertjes, en wettig geboren.’

Andere? dacht Catelyn. Is hij vergeten dat Ned gestorven is? Heeft hij het nog tegen Tansy, of ben ik het nu weer, of Lysa, of moeder?

Toen hij kuchte hoestte hij bloederig slijm op. Hij omklemde haar vingers. ‘…wees een goede echtgenote en de goden zullen je… zonen zegenen… wettige zonen… aaaah.’ Door de plotselinge pijnscheut kneep heer Hoster zijn vingers dicht. Zijn nagels boorden zich in haar hand, en ze slaakte een gesmoorde kreet.

Maester Veyman kwam haastig aanlopen om nog een dosis papaversap klaar te maken en zijn heer te helpen het door te slikken. Weldra was heer Hoster Tulling in diepe slaap verzonken.

‘Hij vroeg naar een vrouw,’ zei Cat. ‘Tansy.’

‘Tansy?’ De maester keek haar niet-begrijpend aan.

‘Kent u niemand die zo heet? Een dienstmeisje, een vrouw uit een dorp in de buurt? Misschien iemand van jaren geleden?’ Catelyn was heel lang niet op Stroomvliet geweest.

‘Nee, vrouwe. Ik kan wel navraag doen, als u wilt. Als zo iemand ooit op Stroomvliet heeft gediend zal Utherydes Wagen het vast wel weten. Tansy, zei u? Dat is een andere naam voor boerenwormkruid. De gewone man noemt zijn dochters vaak naar bloemen en kruiden.’ De maester keek peinzend. ‘Ik herinner me dat er een weduwe was, die kwam altijd naar het slot om te kijken of er nog oude schoenen te verzolen vielen. Zij heette Tansy, nu ik eraan denk. Of was het Pansy? Iets in die geest. Maar ze is al jaren niet geweest…’

‘Ze heette Viooltje,’ zei Catelyn, die zich de oude vrouw heel goed herinnerde.

‘O ja?’ De maester keek verontschuldigend. ‘Neemt u mij niet kwalijk, vrouwe Catelyn, maar ik kan niet blijven. Ser Desmond heeft voorgeschreven dat wij uitsluitend met u mogen spreken voor zover onze plicht dat vereist.’

‘Dan moet u doen wat hij bevolen heeft.’ Catelyn kon het ser Desmond niet kwalijk nemen; ze had hem weinig reden tot vertrouwen gegeven en hij vreesde ongetwijfeld dat ze misbruik zou maken van de loyaliteit die velen op Stroomvliet nog tegenover de dochter van hun heer voelden, en nog meer onheil zou aanrichten. Ik ben in ieder geval van de oorlog af, zei ze bij zichzelf, zij het maar voor even.

Na het vertrek van de maester sloeg ze een wollen mantel om en liep het balkon weer op. Zonlicht blonk op de rivieren en verguldde het oppervlak van het water dat voorbij het slot deinde. Catelyn schermde haar ogen af tegen de felle glans, zoekend naar een zeil in de verte en vrezend dat ze het zou zien. Maar er was niets, en niets hield in dat haar hoop nog leefde.

Die hele dag keek ze uit, en tot diep in de nacht, tot haar benen pijn deden van het staan. Laat in de middag kwam er een raaf naar het slot. Met grote zwarte vleugels fladderde hij omlaag naar het roekenhuis. Duistere wieken, duistere woorden, dacht ze, want de vorige vogel die was aangekomen en de ontzetting die hij had gebracht stonden haar nog levendig voor de geest.

Toen de avond viel kwam maester Veyman terug om heer Tulling te verzorgen en Catelyn een bescheiden avondmaaltijd van brood, kaas en gekookt rundvlees met mierikswortel te brengen. ‘Ik heb met Utherydes Wagen gesproken, vrouwe. Zolang hij hier dient is er nooit een vrouw op Stroomvliet geweest die Tansy heette, dat weet hij heel zeker.’

‘Er is vandaag een raaf gearriveerd, zag ik. Is Jaime gegrepen?’ Of gedood, mogen de goden het verhoeden?

‘Nee vrouwe, we hebben geen bericht over de Koningsmoordenaar gekregen.’

‘Nog een veldslag dan? Verkeert Edmar in moeilijkheden? Of Robb? Alstublieft, wee st u zo goed, neemt u mijn angst weg.’

‘Vrouwe, ik mag eigenlijk niet…’ Veyman keek om zich heen alsof hij er zeker van wilde zijn dat er verder niemand in het vertrek was. ‘Heer Tywin heeft het rivierengebied verlaten. Alles is rustig bij de Voorden.’

‘Waar kwam die raaf dan vandaan?’

‘Uit het westen,’ antwoordde hij, druk bezig met heer Hosters beddengoed. Hij ontweek haar blikken.

‘Kwam dat nieuws van Robb?’

Hij aarzelde. ‘Ja, vrouwe.’

‘Er is iets mis.’ Ze zag het aan zijn gedrag. Hij verborg iets voor haar. ‘Vertel op. Is het Robb? Is hij gewond?’ Niet dood, goeie goden, vertel me alsjeblieft niet dat hij dood is.

‘Zijne genade is gewond geraakt bij de bestorming van de Steilte,’ zei màester Veyman, nog steeds ontwijkend, ‘maar hij schrijft dat er geen reden tot bezorgdheid is, en dat hij weldra terug hoopt te keren.’

‘Gewond? Wat voor wond? Hoe ernstig?’

‘Geen reden tot bezorgdheid, schrijft hij.’

‘Alle wonden maken mij bezorgd. Wordt hij verpleegd?’

‘Daar ben ik zeker van. De maester op de Steilte zal hem ongetwijfeld verzorgen.’

‘Waar is hij gewond geraakt?’

‘Vrouwe, ik heb bevel om niet met u te spreken. Het spijt mij.’ Veyman verzamelde zijn drankjes en haastte zich naar buiten. Opnieuw was Catelyn alleen met haar vader. Het papaversap had zijn werk gedaan en heer Hoster was diep in slaap gezakt. Zijn mond stond open, en een,dun straaltje speeksel liep uit een van zijn mondhoeken en maakte zijn kussen vochtig. Catelyn nam een linnen doek en veegde het voorzichtig weg. Toen ze hem aanraakte kreunde heer Hoster. ‘Vergeef me,’ zei hij zo zacht dat ze de woorden nauwelijks verstond. ‘Tansy… bloed… het bloed… goeie goden…’

Zijn woorden verontrustten haar meer dan ze kon zeggen, al kon ze er geen touw aan vastknopen. Bloed, dacht ze. Komt alles dan op bloed neer? Vader, wie was die vrouw, en wat hebt u haar aangedaan waarvoor u al die vergeving nodig hebt?

Die nacht sliep Catelyn onrustig, geplaagd door vormeloze dromen over haar kinderen, de zoekgeraakte en de dode. Ruimschoots voor de ochtend aanbrak werd ze wakker met de woorden van haar vader in haar oren. Lieve kindertjes, en wettig geboren… waarom zou hij zoiets zeggen, tenzij hij… is het mogelijk dat hij bij die vrouw Tansy een bastaard heeft verwekt? Dat kon ze niet geloven. Haar broer Edmar, die wel, het zou haar niets verbazen om te horen dat Edmar een stuk of tien natuurlijke kinderen had. Maar haar vader niet, niet heer Hoster Tulling, nooit.

Zou Tansy een koosnaampje voor Lysa kunnen zzïn, zoals hij mij Cat noemde? Heer Hoster had haar al eens eerder met haar zuster verwisseld. Je krijgt nog wel andere, zei hij. Lieve kindertjes, en wettig geboren. Lysa had vijf miskramen gehad, twee keer in het Adelaarsnest en drie keer in Koningslanding, maar nooit op Stroomvliet, waar heer Hoster in de buurt zou zijn geweest om haar te troosten. Nooit, tenzij… tenzij ze die eerste keer zwanger was…

Zij en haar zuster waren op dezelfde dag getrouwd en onder hun vaders hoede achtergelaten toen hun kersverse echtgenoten waren vertrokken om weer aan Roberts opstand deel te nemen. Naderhand, toen hun maandbloed niet op de gebruikelijke tijd kwam, had Lysa blij en gelukkig gebabbeld over de zonen van wie ze zeker wist dat ze ze droegen. ‘Jouw zoon wordt erfgenaam van Winterfel en de mijne van het Adelaarsnest. O, ze zullen de beste vrienden zijn zoals jouw Ned en heer Robert. Ze zullen eerder broers dan neven zijn, echt, ik weet het gewoon.’ Ze was zo gelukkig.

Maar Lysa’s bloed was niet lang daarna toch gekomen, en al haar vreugde was vervlogen. Catelyn had altijd gedacht dat Lysa gewoon wat over tijd was geweest, maar als ze echt zwanger was geweest…

Ze herinnerde zich de eerste keer dat ze Robb aan haar zuster had gegeven om vast te houden, klein, met een rood hoofd en krijsend, maar ook toen al sterk en vol leven. Catelyn had de baby nog met in haar zusters armen gelegd of Lysa was in tranen geweest. Haastig had ze Catelyn de baby weer teruggegeven en was gevlucht.

Als ze destijds een kind had verloren zou dat vaders woorden kunnen verklaren, en nog heel veel andere dingen ook. Lysa’s huwelijk met heer Arryn was inderhaast gearrangeerd en Jon was toen al een oude man geweest, ouder dan hun vader. Een oude man zonder erfgenaam. Zijn eerste vrouwen waren kinderloos gestorven, de zoon van zijn broer was samen met Brandon Stark in Koningslanding vermoord, zijn dappere neef was gesneuveld in de Slag van de Klokken. Voor het voortbestaan van het huis Arryn had hij een jonge echtgenote nodig… een jonge echtgenote die zeker vruchtbaar was.

Catelyn stond op, sloeg een mantel om en daalde de trappen naar de donkere woonzaal af, waar ze naast haar vader bleef staan. Een gevoel van machteloze vrees vervulde haar. ‘Vader,’ zei ze. ‘Vader, ik weet wat u gedaan hebt.’ Ze was geen onschuldige bruid met een hoofd vol dromen meer. Ze was een weduwe, een verraadster, een treurende moeder, en wijs geworden, wereldwijs. ‘U hebt gezorgd dat hij haar nam,’ fluisterde ze. ‘Lysa was de prijs die Jon Arryn moest betalen voor de zwaarden en speren van het huis Tulling.’

Geen wonder dat haar zusters huwelijk zo liefdeloos was geweest.

De Arryns waren trots, en erg op hun eer gespitst. Heer Jon mocht dan met Lysa getrouwd zijn om de Tullings aan de zaak van hun opstand te binden en in de hoop een zoon te krijgen, het moest hem hard zijn gevallen een vrouw lief te hebben die bezoedeld en onwillig naar zijn bed was gekomen. Hij was ongetwijfeld vriendelijk en plichtsgetrouw geweest, dat wel, maar Lysa had warmte nodig.

Toen ze de volgende dag ontbeet vroeg Catelyn om een ganzenveer en papier en begon een brief te schrijven aan haar zuster in de Vallei van Arryn. Ze vertelde Lysa over Bran en Rickon, worstelend met de woorden, maar het meeste ging over hun vader. Hij denkt alleen nog maar aan het onrecht dat hij jou heeft aangedaan, nu zijn tijd kort wordt. Maester Veyman zegt dat hij het papaversap niet nog sterker durft te maken. Het is tijd dat vader zijn zwaard en schild neerlegt, tijd dat hij rust krijgt. Maar hij blijft grimmig doorvechten en wil zich niet overgeven. Dat is vanwege jou, denk ik. Hij heeft jouw vergiffenis nodig. De oorlog heeft de weg van het Adelaarsnest naar Stroomvliet gevaarlijk gemaakt om te reizen, dat weet ik, maar een sterke compagnie ridders zal jou toch wel veilig door de Maanbergen kunnen brengen? Honderd man, of duizend? En als je niet kunt komen, wil je hem dan tenminste schrijven? Een paar liefdevolle woorden, zodat hij in vrede kan sterven? Schrijf wat je wilt en ik zal het hem voorlezen en zijn heengaan verlichten.

Nog terwijl ze de ganzenveer weglegde en om zegelwas vroeg, had Catelyn het gevoel dat haar brief onvoldoende was en te laat kwam. Maester Veyman dacht niet dat heer Tulling nog zoveel tijd van leven had dat een raaf heen en weer kon vliegen naar het Adelaarsnest. Al heeft hij zoiets al eerder gezegd… De mannen van Tulling gaven zich niet gemakkelijk over, hoe groot de overmacht ook was. Nadat ze het perkament aan de hoede van de maester had toevertrouwd, ging Catelyn naar de sept en stak een kaars aan voor de Vader in den Hoge, omwille van haar eigen vader, een tweede voor de Oude Vrouw die de eerste raaf de wereld had binnengelaten toen ze door de deur des doods gluurde, en een derde voor de Moeder, voor Lysa en alle kinderen die ze allebei verloren hadden.

Later die dag, toen ze met een boek aan heer Hosters bed zat en alsmaar dezelfde passage herlas, hoorde ze luide stemmen en het geschetter van een trompet. Ser Robin, dacht ze onmiddellijk en ze kromp in elkaar. Ze liep naar het balkon, maar buiten op de rivieren was niets te zien. Wel kon ze buiten de stemmen duidelijker horen, het geluid van vele paarden, het gerinkel van wapenrustingen, en hier en daar gejuich. Catelyn beklom de wenteltrap naar het dak van de burcht. Ser Desmond heeft me niet verboden het dak op te gaan, zei ze al klimmend tegen zichzelf.

De geluiden kwamen van de andere kant van het slot, van de hoofdpoort. Een kluitje mannen stond voor het valhek, dat met horten en stoten omhoogging, en op de velden daarachter, buiten het slot, bevonden zich een paar honderd ruiters. Toen de wind hun banieren strak blies beefde ze van opluchting bij het zien van de springende forel van Stroomvliet. Edmar.

Het duurde nog twee uur voor het hem behaagde haar op te zoeken. Inmiddels weergalmde het slot van de luidruchtige herenigingen tussen de mannen en hun vrouwen en kinderen. Drie raven waren uit het roekenhuis opgestegen en hadden klapwiekend met hun zwarte vleugels het luchtruim gekozen. Catelyn had ze gezien vanaf haar vaders balkon. Ze had haar haren gewassen, zich verkleed en zich erop voorbereid de verwijten van haar broer aan te horen … maar toch viel het wachten haar zwaar.

Toen ze eindelijk geluiden voor haar deur hoorde ging ze zitten en vouwde haar handen in haar schoot. Edmars laarzen, scheenplaten en wapenrok zaten onder de opgedroogde rode modderspatten. Als je hem zo zag zou je nooit zeggen dat hij zijn veldslag gewonnen had. Hij was mager en afgetrokken, met bleke wangen, een ongekamde baard en te felle ogen.

‘Edmar,’ zei Catelyn ongerust, ‘je ziet er niet goed uit. Is er iets gebeurd? Zijn de Lannisters de rivier overgestoken?’

‘Ik heb ze teruggeslagen. Heer Tywin, Gregor Clegane, Addam Marbrand. Ik heb ze rechtsomkeert laten maken. Maar Stannis…’ Hij trok een gezicht.

‘Stannis? Wat is er met Stannis?’

‘Die heeft de slag bij Koningslanding verloren,’ zei Edmar ongelukkig. ‘Zijn vloot is in brand gevlogen en zijn leger uiteengeslagen.’

Een overwinning voor de Lannisters was slecht nieuws, maar Catelyn deelde de zichtbare verslagenheid van haar broer niet. Ze had nog steeds nachtmerries over de schaduw die ze door Renlings tent had zien glijden en de manier waarop het bloed tussen de stalen stroken van zijn hals beschermer doorgelopen was. ‘Stannis was net zomin onze vriend als heer Tywin.’

‘Je snapt het niet. Hooggaarde heeft zich voor Joffry verklaard. Dome ook. Het hele zuiden.’ Zijn mond werd een streep. ‘En jij ziet kans de Koningsmoordenaar te laten lopen. Je had het recht niet.’

‘Ik had het recht van een moeder.’ Haar stem was kalm, al bracht het nieuws omtrent Hooggaarde Robbs verwachtingen een zware klap toe. Maar daar kon ze nu niet bij stilstaan.

‘Het recht niet,’ herhaalde Edmar. ‘Hij was Robbs gevangene, de gevangene van je kóning, en Robb had mij opgedragen hem goed te bewaken.’

‘Briënne zal hem ook goed bewaken. Dat heeft ze gezworen op haar zwaard.’

‘Dat vróówmens?’

‘Zij zal Jaime in Koningslanding afleveren en Arya en Sansa veilig bij ons terugbrengen.’

‘Cersei zal ze nooit laten gaan.’

‘Niet Cersei. Tyrion. Hij heeft het gezworen, in aanwezigheid van het hof. En de Koningsmoordenaar heeft het ook gezworen.’

‘Het woord van Jaime is waardeloos. En wat de Kobold betreft, ze zeggen dat die tijdens de slag een bijl in zijn hoofd heeft gekregen. Tegen de tijd dat die Briënne van jou Koningslanding bereikt — als ze dat al doet — is hij dood.’

‘Dood?’ Konden de goden echt zo genadeloos zijn? Ze had Jaime honderd eden laten zweren, maar het was de belofte van zijn broer waarop ze haar hoop had gevestigd.

Edmar had geen oog voor haar ontsteltenis. ‘Jaime was mijn verantwoordelijkheid, en ik wil hem terug. Ik heb raven gestuurd…’

‘Raven, naar wie? Hoeveel?’

‘Drie,’ zei hij, ‘om er zeker van te zijn dat het bericht heer Bolten bereikt. Over water of over de weg, de route van Stroomvliet naar Koningslanding leidt vlak langs Harrenhal.’

‘Harrenhal.’ Het woord alleen al leek de kamer te verduisteren. Met een van ontzetting verstikte stem zei ze: ‘Edmar, weet je wat je hebt gedaan?’

‘Wees maar niet bang, ik heb jouw rol weggelaten. Ik heb geschreven dat Jaime ontsnapt was en duizend draken uitgeloofd voor wie hem weer vangt.’

Het wordt steeds erger, dacht Catelyn wanhopig. Mijn broer is een idioot. Ongevraagde en ongewenste tranen sprongen haar in de ogen. ‘Als dit een ontsnapping was,’ zei ze zachtjes, ‘en geen uitwisseling van gijzelaars, waarom zouden de Lannisters mijn dochters dan aan Briënne meegeven?’

‘Zover komt het niet. De Koningsmoordenaar wordt teruggebracht, daar heb ik voor gezorgd.’

‘Het enige waarvoor je hebt gezorgd is dat ik mijn dochters nooit meer terug zal zien. Briënne zou hem veilig naar Koningslanding hebben gebracht, zolang niemand jacht op ze maakte. Maar nu…’ Catelyn was niet in staat om verder te spreken. ‘Ga weg, Edmar.’ Ze had het recht niet om hem te commanderen, hier in dit slot dat weldra van hem zou zijn, maar toch duldde haar toon geen tegenspraak. ‘Laat me alleen met vader en met mijn verdriet, jou heb ik niets meer te zeggen. Ga. Ga.’ Ze wilde alleen nog maar liggen, haar ogen sluiten en slapen, en bidden dat ze niet zou dromen.

Arya

De hemel was net zo zwart als de muren van Harrenhal achter hen, en de regen, die zacht en gestaag neerdaalde, dempte het geluid van de paardenhoeven en droop over hun gezicht.

Ze reden noordwaarts, bij het meer vandaan, over een karrenspoor tussen de geteisterde velden door naar de bossen en beken. Arya nam de leiding. Zonder enige voorzichtigheid in acht te nemen dreef ze haar gestolen paard tot een stevige galop aan tot het geboomte zich om haar heen sloot. In de verte huilden wolven en ze kon de zware ademhaling van Warme Pastei horen. Niemand zei iets. Zo nu en dan wierp Arya een blik over haar schouder om er zeker van te zijn dat de twee jongens niet te ver achterop raakten en om te kijken of ze achtervolgd werden.

Dat zou gebeuren, wist ze. Ze had drie paarden uit de stallen en een kaart en een dolk uit Rous Boltens bovenzaal gestolen, en ze had de wachter bij het zijpoort je gedood door hem de keel af te snijden toen hij knielde om het versleten muntje op te rapen dat ze van Jaqen H’ghar had gekregen. Iemand zou hem vinden, dood, in een plas bloed, en dan zou er groot alarm geslagen worden. Heer Bolten zou gewekt worden en Harrenhal zou van de nok tot de kelder doorzocht worden, en dan zouden ze ontdekken dat de kaart en de dolk weg waren, en ook een paar zwaarden uit de wapenkamer, brood en kaas uit de keukens, een bakkersjongen, een leerling-smid en een schenkster die Nans heette… of Wezel, of Arrie, afhankelijk van degene aan wie je het vroeg.

De heer van Fort Gruw zou hen niet zelf achtervolgen. Rous Bolten zou in bed blijven, zijn weke lijf bezaaid met bloedzuigers, maar hij zou met zijn fluisterzachte stem bevelen geven. Zijn knecht Walten zou de jacht leiden, degene die Staalpoot werd genoemd omdat hij altijd scheenbeschermers om zijn lange benen droeg. Of misschien werd het de kwijlende Vargo Hoat met zijn huurlingen, die zich de Dappere Gezellen noemden. Anderen noemden hen de Bloedige Mommers (zij het nooit in hun gezicht) en soms de Voetmannen, vanwege heer Vargo’s gewoonte degenen die hem niet bevielen de handen en voeten af te hakken.

Als ze ons krijgen hakt hij ook onze handen en voeten af, dacht Arya, en daarna stroopt Rous Bolten ons vel eraf. Ze droeg nog steeds haar page kostuum, met op de voorkant, ter hoogte van haar hart, het wapenteken van heer Bolten geborduurd, de gevilde man van Fort Gruw.

Telkens als ze omkeek verwachtte ze half en half een toortsgloed uit de verre poorten van Harrenhal te zien stromen of over de torenhoge muren te zien snellen, maar er was niets te zien. Harrenhal sliep door, totdat het was opgeslokt door het donker en onzichtbaar was geworden achter de bomen.

Toen ze het eerste stroompje overstaken liet Arya haar paard van de weg zwenken en reed een kwart mijl langs de kronkelende waterloop, waarna ze er weer uit klauterde, een stenige oever op. Als de jagers honden bij zich hadden zouden die daardoor het spoor misschien bijster raken, hoopte ze. Ze konden niet op de weg blijven. Op de weg loert de dood, zei ze bij zichzelf, die loert op alle wegen.

Gendry en Warme Pastei trokken haar keus niet in twijfel. Zij had tenslotte de kaart, en Warme Pastei leek haar bijna evenzeer te vrezen als de mannen die misschien achter hen aan zouden komen. Hij had de wachter gezien die ze had gedood. Hij kan maar beter bang voor me zijn, zei ze bij zichzelf. Dan doet hij wat ik zeg, in plaats van iets stoms.

Ze zou zelf banger moeten zijn, wist ze. Ze was pas tien, een broodmager meisje op een gestolen paard met voor zich een donker woud en achter zich mannen die haar met plezier de voeten zouden afhakken. Toch was ze kalmer dan ze ooit in Harrenhal was geweest. De regen had het bloed van de wachter van haar vingers gespoeld, ze had een zwaard op haar rug, wolven slopen als slanke grijze schimmen door het donker en Arya Stark was onvervaard. Vrees snijdt dieper dan het zwaard, prevelde ze onhoorbaar, de woorden die ze van Syrio Forel had geleerd, en ook Jaqens woorden, valar morghulis.

De regen hield op en begon weer en hield nog eens op en begon nog eens, maar ze hadden goede, waterdichte mantels. Arya zorgde dat ze langzaam maar gestaag verder reden. Het was te donker onder de bomen om sneller te gaan. De jongens waren geen van beide goede ruiters en de zachte, oneffen bodem was verraderlijk, met half begraven wortels en verborgen stenen. Ze kruisten nog een andere weg waarvan de diepe voren vol water stonden, maar die meed Arya. Ze ging hen voor over glooiende heuvels, door braambosjes, doornstruiken en een wirwar van kreupelhout en over de bodem van smalle geulen waar takken, zwaar van de natte bladeren, hen in het voorbijgaan tegen het gezicht sloegen.

Eén keer gleed Gendry’s merrie in de modder uit en plofte hard op haar achterhand neer, waarbij hij uit het zadel tuimelde. Maar paard noch berijder raakte gewond, en Gendry kreeg die bekende koppige blik op zijn gezicht en steeg meteen weer op. Niet lang daarna stuitten ze op drie wolven die van het kadaver van een hertenjong vraten. Toen het paard van Warme Pastei de lucht opsnoof bokte het en sloeg het op hol. Twee wolven vluchtten eveneens, maar de derde stak zijn kop omhoog en ontblootte zijn tanden, bereid zijn prooi te verdedigen. ‘Achteruit,’ zei Arya tegen Gendry. ‘Langzaam, anders schrik je hem op.’ Ze lieten hun paarden behoedzaam wegstappen tot de wolf en zijn feestmaal niet meer te zien waren. Pas toen wendde Arya de teugels om achter Warme Pastei aan te gaan, die zich wanhopig aan het zadel vastklampte, terwijl hij door het geboomte denderde.

Later kwamen ze door een uitgebrand dorp waar ze zich voorzichtig een weg zochten tussen de skeletten van verkoolde hutten en langs de beenderen van een stuk of tien dode mannen die aan een rij appelbomen hingen. Toen Warme Pastei hen zag, begon hij met een klein fluisterstemmetje tot de barmhartige Moeder te bidden, telkens opnieuw. Arya keek omhoog naar de ontvleesde doden in hun natte, rottende kleren en zegde haar eigen gebed op. Ser Gregor, luidde dat, Dunsen, Polver, Raf het Lieverdje, de Kietelaar en de Jachthond. Ser Ilyn, ser Meryn, koning Joffry, koningin Cersei. Ze eindigde met valar morghulis, raakte Jaqens munt aan die veilig in haar gordel zat, en toen ze onder de doden door reed stak ze haar hand op om een appel tussen hen uit te plukken. Die was papperig en overrijp, maar ze at hem op met wormen en al.

Dat was de dag zonder dageraad. Rondom hen werd de hemel langzaam lichter, maar de zon vertoonde zich niet. Zwart werd grijs, en schroomvallig kropen de kleuren de wereld weer in. De krijgsdennen waren in somber groen gehuld, de loofbomen in roestrood en verbleekt goud dat al bruin werd. Ze lasten een rustpauze in, lang genoeg om de paarden te drenken en snel een koud ontbijt te eten, een in stukken gebroken brood dat Warme Pastei uit de keuken had gestolen en hompen harde, gele kaas die ze aan elkaar doorgaven.

‘Weet jij waar we heen gaan?’ vroeg Gendry haar.

‘Naar het noorden,’ zei Arya.

Warme Pastei tuurde onzeker om zich heen. ‘Welke kant is dat op?’

Ze wees met haar kaas. ‘Die kant op.’

‘Maar de zon schijnt niet. Waar zie je dat aan?’

‘Aan het mos. Zie je hoe dat grotendeels aan één kant van de boom groeit? Dat is het zuiden.’

‘Wat moeten we in het noorden?’ wilde Gendry weten.

‘Daar is de Drietand.’ Arya ontrolde de gestolen kaart om het hun te laten zien. ‘Kijk. Als we de Drietand eenmaal bereiken hoeven we alleen nog stroomopwaarts te gaan tot we bij Stroomvliet komen, hier.’ Haar vinger ging langs het pad. ‘Het is een heel eind, maar zolang we bij de rivier blijven kunnen we niet verdwalen.’

Warme Pastei keek naar de kaart en knipperde met zijn ogen. ‘Welk ding is Stroomvliet?’

Stroomvliet was een kasteeltoren die in de vork tussen de vloeiende blauwe lijnen van twee rivieren was geschilderd, de Steenstort en de Rode Vork.

‘Daar.’ Ze raakte het aan. ‘Stroomvliet, staat daar.’

‘Kun jij lezen?’ zei hij verwonderd, alsof ze had gezegd dat ze over water kon lopen.

Ze knikte. ‘Zodra we Stroomvliet bereiken zijn we veilig.’

‘Echt? Waarom?’

Omdat Stroomvliet mijn grootvaders slot is en omdat mijn broer Robb daar is, wilde ze zeggen. Ze beet op haar lip en rolde de kaart op. ‘Nou, gewoon. Maar alleen als we er komen.’ Zij zat als eerste weer in het zadel. Ze voelde zich slecht, dat ze de waarheid voor Warme Pastei verzweeg, maar ze vertrouwde hem haar geheim niet toe. Gendry wist het wel, maar dat lag anders. Gendry had zijn eigen geheim, al leek hij niet te weten wat het was.

Die dag verhoogde Arya hun tempo en liet alle paarden zo lang ze durfde op een sukkeldrafje lopen en soms tot galop aanzetten als ze voor hen uit een stuk vlak terrein ontwaarde. Maar dat was zelden het geval, want naarmate ze vorderden werd de grond steeds heuvelachtiger. De heuvels waren niet hoog en ook niet bijzonder steil, maar er leek geen eind aan te komen. Ze werden het algauw zat de ene op te klimmen en de volgende weer af te dalen, en op een gegeven moment volgden ze de loop van het terrein, langs stroombeddingen en door een doolhof van ondiepe, beboste valleien waarin de bomen een dicht baldakijn boven hun hoofd vormden.

Zo nu en dan stuurde ze Warme Pastei en Gendry verder, terwijl zij op haar schreden terugkeerde om hun spoor te verdoezelen. Al die tijd luisterde ze naar de eerste tekenen van een achtervolging. Te langzaam, dacht ze, we gaan te langzaam, zo krijgen ze ons zeker te pakken. Een keer ontdekte ze vanaf de kam van een heuvel donkere gedaanten die een stroompje in de vallei achter hen overstaken, en een halve hartslag lang vreesde ze dat Rous Boltens ruiters hen op de hielen zaten, maar toen ze nog eens keek merkte ze dat het alleen maar een pak wolven was. Ze zette haar handen aan haar mond en huilde naar hen. ‘Ahoeoeoeoe, ahoeoeoeoeoe.’ Toen de grootste wolf de kop ophief en terughûilde moest Arya huiveren van het geluid.

Tegen de middag begon Warme Pastei te klagen. Zijn achterste deed zeer, vertelde hij hun, en de binnenkant van zijn dijen werd rauw van het zadel, en bovendien moest hij nodig slapen. ‘Ik ben zo moe dat ik straks nog van dat paard val.’

Arya keek Gendry aan. ‘Als hij eraf valt, wie zou hem dan eerder vinden, denk je? De wolven of de Mommers?’

‘De wolven,’ zei Gendry. ‘Betere neus.’

Warme Pastei opende zijn mond en sloot hem weer. Hij viel niet van zijn paard. Korte tijd later begon het te regenen. Ze hadden nog steeds geen glimp van de zon opgevangen. Het werd kouder, en fletse witte nevelflarden kronkelden tussen de dennen door en dreven over de kale, verbrande velden.

Gendry had het bijna even moeilijk als Warme Pastei, al was hij te koppig om te klagen. Hij zat moeizaam in het zadel, een vastberaden blik op het gezicht onder het ruige, zwarte haar, maar Arya kon zien dat hij geen ruiter was. Daar had ik aan moeten denken, dacht ze bij zichzelf. Zij reed al zolang ze zich herinnerde, op pony’s toen ze klein was en later op paarden, maar Gendry en Warme Pastei waren in de stad geboren, en in de stad gingen de kleine luiden te voet. Yoren had hun rijdieren gegeven toen hij hen uit Koningslanding meenam, maar op een ezel zitten en achter een wagen aan over de Koningsweg sjokken was één ding, en een jachtpaard door wilde wouden en over verbrande velden loodsen iets heel anders.

In haar eentje zou ze veel sneller opschieten, besefte Arya, maar ze kon hen niet achterlaten. Zij waren haar wolvenpak, haar vrienden, de enige levende vrienden die ze nog had, en zonder haar zouden ze nog veilig in Harrenhal zijn, Gendry zwetend achter zijn aambeeld en Warme Pastei in de keuken. Als de Mommers ons grijpen zeg ik tegen ze dat ik de dochter van Ned Stark en de zuster van de Koning in het Noorden ben. Dan beveel ik hun, mij bij mijn broer te brengen en Warme Pastei en Gendry geen kwaad te doen. Maar ze zouden haar misschien niet geloven, en zelfs als ze dat wel deden… Heer Bolten was haar broers baanderman, maar ze was toch bang voor hem. Ik zal zorgen dat ze ons niet te pakken krijgen, zwoer ze in stilte en reikte over haar schouder naar achteren om het gevest van het zwaard aan te raken dat Gendry voor haar had gestolen. Daar zorg ik voor.

Laat in de middag doken ze vanonder de bomen op om te ontdekken dat ze op een rivieroever stonden. Warme Pastei slaakte een kreet van vreugde. ‘De Drietand! Nu hoeven we alleen nog stroomopwaarts te gaan, zoals jij zei. We zijn er bijna!’

Arya kauwde op haar lip. ‘Ik denk niet dat dit de Drietand is.’ De rivier was gezwollen door de regen, maar toch kon hij niet meer dan dertig voet breed zijn. In haar herinnering was de Drietand veel breder. ‘Deze is te smal om de Drietand te kunnen zijn,’ zei ze tegen hen, ‘en we hebben nog niet ver genoeg gereden.’

‘Wel waar,’ hield Warme Pastei vol. ‘We rijden al de hele dag en zijn nauwelijks gestopt. We moeten een heel eind opgeschoten zijn.’

‘Laten we die kaart nog eens bekijken,’ zei Gendry.

Arya steeg af, haalde de kaart te voorschijn en ontrolde die. De regen kletterde op de schapenhuid en liep er in straaltjes af. ‘We zijn hier ergens, denk ik.’ Ze wees, terwijl de jongens over haar schouders keken.

‘Maar,’ zei Warme Pastei, ‘dat is nog bijna nergens. Kijk, daar bij je vinger is Harrenhal, je raakt het bijna aan. En we hebben de hele dag gereden!’

‘Het duurt nog mijlen en mijlen voor we bij de Drietand zijn,’ zei ze. ‘Die bereiken we nog in geen dagen. Dit moet een andere rivier zijn, een van deze, kijk.’ Ze liet hem een paar van de dunnere blauwe lijntjes zien die de kaartenmaker had geschilderd. Onder elk daarvan stond in fijn schrift een naam gepenseeld. ‘De Darring, de Groenappel, de Maagd… hier, deze zou het kunnen zijn, de Kleine Wilge.’

Warme Pastei keek van de lijn naar de rivier. ‘Zo klein lijkt hij me niet.’

Ook Gendry fronste. ‘Die waar jij naar wijst komt in die andere uit, kijk maar.’

‘De Grote Wilge,’ las ze.

‘De Grote Wilge dan. Kijk, en de Grote Wilge mondt in de Drietand uit, dus zouden we van de een naar de ander kunnen, maar dan moeten we stroomafwaarts, niet opwaarts. Alleen, als deze rivier niét de Kleine Wilge is, als het die andere daar is…’

‘De Kabbelrille,’ las Arya.

‘Kijk, die maakt hier een lus en loopt omlaag naar het meer, terug naar Harrenhal.’ Hij volgde de lijn met een vinger.

Warme Pastei sperde zijn ogen open. ‘Nee! Dan maken ze ons zeker af.’

‘We moeten weten welke rivier dit is,’ verklaarde Gendry op zijn allerkoppigste toon. ‘We moeten het weten.’

‘Nou, we weten het níét.’ Op de kaart mochten er dan namen bij de blauwe lijntjes staan, op de rivieroever was geen naam geschreven. ‘We gaan noch stroomopwaarts, noch stroomafwaarts,’ besloot ze en rolde de kaart op. ‘We steken over en blijven naar het noorden gaan, zoals eerst.’

‘Kunnen paarden zwemmen?’ vroeg Warme Pastei. ‘Het ziet er heel diep uit, Arrie. En stel je voor dat er slangen in zitten?’

‘Weet je wel zeker dat we naar het noorden gaan?’ vroeg Gendry. ‘Al die heuvels, en als we een bocht gemaakt hebben…’

‘Het mos op de bomen…’

Hij wees naar een boom vlakbij. ‘Die boom heeft aan drie kanten mos, en op de volgende zit helemaal niets. We kunnen best verdwaald zijn en in kringetjes rondrijden.’

‘Ja, dat kan,’ zei Arya, ‘maar toch ga ik de rivier oversteken. Jullie kunnen meekomen of hier blijven.’ Ze negeerde hen allebei en klom weer in het zadel. Als ze niet meer mee wilden moesten ze Stroomvliet maar op eigen houtje zien te vinden, al lag het meer voor de hand dat zij door de Mommers gevonden zouden worden.

Ze moest ruim een halve mijl langs de oever rijden voordat ze eindelijk een plek vond waar het veilig leek om over te steken, en zelfs toen aarzelde haar merrie nog om het water in te gaan. Hoe de rivier ook heette, hij was bruin en stroomde snel, en het diepe stuk in het midden kwam tot voorbij de paardenbuik. Haar laarzen kwamen vol water, maar ze drukte niettemin haar hielen in de paardenbuik en klom er aan de overkant uit. Achter zich hoorde ze geplons en het nerveuze gehinnik van een merrie. Dus ze zijn me gevolgd. Goed zo. Ze keerde zich om en keek toe hoe de jongens naar de overkant zwoegden en druipend naast haar opdoken. ‘Het was de Drietand niet,’ zei ze tegen hen. ‘Heel zeker niet.’

De volgende rivier was ondieper en gemakkelijker over te steken. Ook dat was de Drietand niet, en niemand ging tegen haar in toen ze zei dat ze zouden oversteken.

De schemering viel al toen ze halt hielden om de paarden weer te laten uitrusten en nog een maaltje van brood en kaas met elkaar te delen. ‘Ik heb het koud en ik ben nat,’ klaagde Warme Pastei. ‘We moeten nu toch ver van Harrenhal zijn. We zouden vuur kunnen maken…’

‘NEE!’ zeiden Arya en Gendry allebei precies tegelijk. Warme Pastei kromp enigszins in elkaar. Arya keek van opzij naar Gendry. Hij sprak tegelijk met mij, net als Jon altijd deed, thuis op Winterfel. Van al haar broers miste ze Jon Sneeuw het meest.

‘Kunnen we dan tenminste gaan slapen?’ vroeg Warme Pastei. ‘Ik ben zo moe, Arrie, en mijn achterste doet zeer. Ik denk dat er blaren op zitten.’

‘Als je gepakt wordt krijg je nog wel meer problemen,’ zei ze. ‘We moeten doorrijden. Het moet.’

‘Maar het is bijna donker en je kunt niet eens de maan zien.’

‘Ga weer op je paard zitten.’

Terwijl ze stapvoets in een traag tempo voortsjokten en het licht rondom hen vervaagde, merkte Arya hoe groot haar eigen uitputting was. Zij had net zo hard slaap nodig als Warme Pastei, maar het risico was te groot. Als ze in slaap vielen zou het kunnen dat ze bij het wakker worden Vargo Hoat naast zich zagen staan, samen met Warrewel de Zot en de Getrouwe Urswijck, en Rorg en Bijter en Septon Ut en al zijn andere monsters.

Niettemin werden na een poosje de bewegingen van haar paard even slaapverwekkend als het schommelen van een wieg, en Arya voelde haar oogleden zwaar worden. Ze liet ze dichtzakken, heel eventjes maar, en sperde ze toen weer open. Niet in slaap vallen, schreeuwde ze zichzelf geluidloos toe. Het mag niet, het mag niet. Ze wreef met haar knokkels hard in een oog om het open te houden, klemde de teugels stevig vast en zette haar rijdier tot draf aan. Maar noch zij, noch het paard kon het tempo volhouden, en al enkele ogenblikken later waren ze tot stapvoets teruggezakt. Nog iets later zakten haar ogen voor de tweede keer dicht. Ditmaal gingen ze niet zo snel weer open.

Toen dat eenmaal wel het geval’was merkte ze dat haar paard was blijven staan en aan een pol gras knabbelde, terwijl Gendry aan haar arm schudde. ‘Je bent in slaap gevallen,’ zei hij tegen haar.

‘Ik gaf alleen mijn ogen wat rust.’

‘Dat duurde dan wel lang. Je paard liep in een kringetje rond, maar pas toen het bleef staan begreep ik dat je sliep. Warme Pastei is er al net zo aan toe, die is tegen een boomtak aangereden en van zijn paard gevallen, je had hem moeten horen krijsen. Zelfs daar werd je niet wakker van. Je moet stoppen en gaan slapen.’

‘Ik kan net zo lang doorgaan als jij.’ Ze gaapte.

‘Leugenaar,’ zei hij. ‘Rij maar door als je zo stom wilt zijn, maar ik stop. Ik neem de eerste wacht. Jij gaat slapen.’

‘En Warme Pastei?’

Gendry wees. Warme Pastei lag al op de grond zachtjes te snurken, opgerold onder zijn mantel, boven op een hoop vochtige bladeren. Hij had een grote punt kaas in één vuist maar wekte de indruk tussen twee happen door in slaap gevallen te zijn.

Het had geen zin om erover te twisten, besefte Arya. Gendry had gelijk. De Mommers zullen ook moeten slapen, hield ze zichzelf voor, en ze hoopte dat het waar was. Ze was zo moe dat ze de grootste moeite had om af te stijgen, maar ze dacht er nog wel aan haar paard te kluisteren voor ze een plaatsje onder een beuk zocht. De grond was hard en vochtig. Ze vroeg zich af hoe lang het zou duren voor ze weer in een bed sliep, met gekookt eten en een vuur voor de warmte. Het laatste wat ze deed voor ze haar ogen sloot was haar zwaard trekken en naast zich neerleggen. ‘Ser Gregor,’ fluisterde ze gapend. ‘Dunsen, Polver, Raf het Lieverdje. De Kietelaar en… de Kietelaar… de Jachthond…’

Haar dromen waren rood en woest. De Mommers kwamen erin voor, in elk geval vier van hen, een bleke man uit Lys en een donkere, wrede bijlslager uit Ib, de Dothraki-paardenheer met het litteken die Iggo heette en een man uit Dorne wiens naam ze nooit had geweten. Ze kwamen en kwamen maar aanrijden door de regen, in roestige maliën en nat leer, en hun zwaarden en bijlen rammelden tegen hun zadels. Ze dachten dat ze op haar joegen, wist ze met de vreemde, intense zekerheid van een droom, maar ze hadden het mis. Zij joeg op hen.

In haar droom was ze geen klein meisje maar een wolf, groot en krachtig, en toen ze vanonder het geboomte voor hen sprong en met een diepe, lage grom haar tanden ontblootte snoof ze de ranzige lucht van vrees op, zowel van de mannen als van de paarden. Het rijdier van de Lyseni steigerde en krijste van ontzetting, en de andere schreeuwden elkaar in mensenspraak toe, maar voor ze iets konden uitrichten kwamen de andere wolven aanstuiven uit duisternis en regen, een groot pak, broodmager, nat en zwijgend.

Het gevecht was kort maar bloedig. De harige man werd neergehaald toen hij zijn bijl pakte, de donkere stierf, terwijl hij een pijl op zijn boog zette en de bleke man uit Lys wilde ervandoor gaan. Haar broeders en zusters achterhaalden hem, dreven hem telkens een andere richting uit, besprongen hem van alle kanten, hapten naar de benen van zijn paard en reten de berijder de keel open toen hij op de grond was gesmakt.

Alleen de man met de belletjes hield stand. Zijn paard trapte een van haar zusters de schedel in en zelf kliefde hij een tweede bijna doormidden met zijn gekromde zilveren klauw, waarbij zijn haar zachtjes rinkelde.

Vervuld van razernij sprong ze hem op zijn rug en smeet hem met het hoofd naar voren uit het zadel. Toen ze vielen sloten haar kaken zich om zijn arm, en haar tanden boorden zich door leer, wol en weke huid heen. Toen ze op de grond neerkwamen gaf ze een woeste ruk met haar kop en rukte de arm van zijn schouder. Dol van vreugde schudde ze die in haar bek heen en weer, en de warme, rode druppels spatten rond in de kille, zwarte regen.

Tyrion

Hij werd wakker van het geknars van oude ijzeren scharnieren. ‘Wie?’ kraste hij. Eindelijk had hij zijn stem terug, hoe rauw en schor ook. De koorts was nog niet geweken en Tyrion had geen besef van tijd. Hoe lang had hij ditmaal geslapen? Hij was zo slap, zo verdomd slap. ‘Wie?’ riep hij nogmaals, luider nu. Toortslicht drong door de deuropening, maar in de kamer zelf was het enige licht afkomstig van een kaarsstompje naast zijn bed.

Toen hij een gedaante op zich af zag komen huiverde Tyrion. Hier in Maegors Veste werd iedere bediende door de koningin betaald, dus kon iedere bezoeker een van Cerseis handlangers zijn, gekomen om af te maken wat ser Mandon begonnen was.

Toen trad de man in het kaarslicht, bekeek het bleke gezicht van de dwerg eens goed en grinnikte. ‘Zeker gesneden bij het scheren?’

Tyrions vingers gingen naar de grote snee die van boven zijn ene oog omlaag naar zijn kaak liep, dwars over de restanten van zijn neus. Het wilde vlees was nog rauw en voelde warm aan. ‘Met een vreselijk groot scheermes, ja.’

Bronns koolzwarte haar was pas gewassen en uit zijn harde gezicht geborsteld, en hij was gehuld in hoge laarzen van zacht, bewerkt leer, een brede, met klompjes zilver bezette riem en een lichtgroene zijden mantel. Dwars over de donkergrijze wol van zijn wambuis was met felgroene draad een brandende keten geborduurd.

‘Waar ben je geweest?’ wilde Tyrion weten. ‘Ik had je toch laten roepen… dat moet veertien dagen geleden zijn.’

‘Eerder vier,’ zei de huurling, ‘en ik ben hier twee keer geweest, maar je was helemaal van de wereld.’

‘Niet helemaal. Al had mijn lieve zuster wel haar best gedaan.’ Dat had hij misschien beter niet hardop kunnen zeggen, maar het kon Tyrion allemaal niets meer schelen. Cersei zat achter ser Mandons moordpoging, dat voelde hij aan zijn water. ‘Wat is dat voor ding op je borst?’

Bronn grinnikte. ‘Mijn ridderlijke wapenteken. Een vlammende keten, groen op een rookgrijs veld. Op bevel van je waarde vader ben ik nu ser Bronn van het Zwartewater, Kobold. Denk daaraan.’

Met zijn handen op het dekbed gesteund, verschoof Tyrion een paar duim naar achteren in zijn kussens. ‘Ik had toch beloofd je ridder te maken, weet je nog?’ Dat op bevel van je waarde vader beviel hem helemaal niet. Heer Tywin had weinig tijd verspild. Zijn zoon uit de Toren van de Hand verwijderen en die zelf in beslag nemen was een boodschap die iedereen kon lezen, en dit was er nog een. ‘Ik raak de helft van mijn neus kwijt en jij krijgt er een riddertitel bij. De goden hebben heel wat uit te leggen.’ Zijn stem klonk zuur. ‘Heeft mijn vader je persoonlijk tot ridder geslagen?’

‘Nee. Diegenen van ons die het gevecht bij de liertorens hebben overleefd zijn door de Hoge Septon opgelapt en door de Koningsgarde geridderd. Dat nam wel een halve dag in beslag, want er waren maar drie witte zwaarden over om de honneurs waar te nemen.’

‘Ik wist al dat ser Mandon in de strijd is omgekomen.’ De rivier in geduwd door Pod, een halve hartslag voor die verraderlijke rotzak zijn zwaard in mijn hart kon boren.’Wie hebben ze nog meer verloren?’

‘De Jachthond,’ zei Bronn. ‘Niet dood, alleen weg. De goudmantels zeggen dat hij laf was geworden en dat jij in zijn plaats een uitval hebt geleid.’

Niet een van mijn betere invallen. Tyrion voelde dat het littekenweefsel strak trok als hij zijn voorhoofd fronste. Hij wuifde Bronn naar een stoel. ‘Mijn zuster houdt me voor een paddestoel. Ze kweekt me in het donker met stront op. Pod is een goeie jongen, maar de knoop in zijn tong is zo groot als de Rots van Casterling, en de helft van wat hij vertelt is onbetrouwbaar. Toen ik hem erop uitstuurde om ser Jacelyn te halen kwam hij terug met de mededeling dat die dood is.’

‘Hij, en nog duizend anderen.’ Bronn ging zitten.

‘Hoe?’ wilde Tyrion weten, en voelde zich nog ééns zo beroerd.

‘In de slag. Uw zuster had de Ketelzwarts gestuurd om de koning naar de Rode Burcht terug te brengen, zo heb ik het althans gehoord. Toen de goudmantels hem zagen vertrekken besloot de helft om maar met hem mee te gaan. IJzerhand versperde hun de weg en probeerde ze naar de muren terug te sturen. Ze zeggen dat Bijwater ze er flink van langs gaf en ze bijna zover had dat ze teruggingen toen iemand hem een pijl door zijn hals schoot. Toen leek hij niet meer zo angstaanjagend, dus trokken ze hem van zijn paard en maakten hem af.’

Nog een verwijt om Cersei mee op te zadelen.’Mijn neef,’ zei hij. ‘Joffry? Is die in gevaar geweest?’

‘Niet meer dan sommige anderen, en minder dan de meesten.’

‘Is hem iets overkomen? Mankeert hij iets? Zijn haar in de war, zijn teen gestoten, een nagel gescheurd?’

‘Niet voor zover ik weet.’

‘Ik had Cersei nog gewaarschuwd voor wat er kon gebeuren. Wie is nu het hoofd van de goudmantels?’

‘Uw heer vader heeft ze aan een van zijn westerlingen gegeven, een ridder die Addam Marbrand heet.’

Normaal gesproken zouden de goudmantels er aanstoot aan hebben genomen dat ze een buitenstaander boven zich kregen, maar ser Addam Marbrand was een slimme keus. Net als Jaime was hij een man waar anderen graag achteraan liepen. De Stadswacht ben ik dus kwijt. ‘Ik heb Pod op pad gestuurd om Shagga te zoeken, maar hij had geen geluk.’

‘De Steenkraaien zitten nog in het koningsbos. Shagga schijnt een zwak voor die plek te hebben. Timet is met zijn Verbrande Mannen naar huis gegaan, met alles wat ze na de strijd in Stannis’ kamp hebben buitgemaakt. Chella is op een ochtend met een stuk of tien Zwartoren bij de Rivierpoort opgedoken, maar je vaders roodmantels hebben ze weggejaagd, terwijl de Koningslanders hun joelend met mest bekogelden.’

De ondankbare honden. De Zwartoren zijn voor hen gestorven. Terwijl Tyrion bewusteloos lag te dromen had zijn eigen vlees en bloed hem een voor een zijn klauwen uitgetrokken. ‘Ik wil dat jij naar mijn zuster gaat. Haar dierbare zoon heeft de slag ongedeerd doorstaan, dus heeft Cersei geen gijzelaarster meer nodig. Ze had gezworen om Alayaya vrij te laten zodra…’

‘Heeft ze ook gedaan. Een dag of acht, negen geleden, na de geseling.’

Tyrion duwde zichzelf nog wat hoger op en negeerde de plotselinge pijnscheut in zijn schouder. ‘Geseling?’

‘Ze hebben haar op het binnenplein aan een paal gebonden en haar afgeranseld, en haar daarna naakt en bebloed de poort uit gegooid.’

En ze leerde net lezen, was Tyrions absurde gedachte. Het litteken op zijn gezicht trok strak, en even had hij het gevoel dat zijn hoofd van woede uit elkaar zou spatten. Alayaya was weliswaar een hoer, maar hij had zelden een liever, dapperder, onschuldiger meisje ontmoet. Tyrion had haar nooit aangeraakt, ze had alleen maar gediend om Shae’s aanwezigheid te verdoezelen. In zijn zorgeloosheid had hij er nooit aan gedacht wat die rol haar zou kunnen kosten. ‘Ik had mijn zuster beloofd dat ik Tommen net zo zou behandelen als zij Alayaya,’ herinnerde hij zich hardop. Hij had een gevoel alsof hij moest braken. ‘Hoe kan ik een achtjarige jongen afranselen?’ Maar als ik het niet doe heeft Cersei gewonnen.

‘Je hebt Tommen niet meer,’ zei Bronn onomwonden. ‘Zodra ze had gehoord dat IJzerhand dood was, stuurde de koningin de Ketelzwarts om hem op te halen, en niemand op Rooswijk had de ballen om nee tegen ze te zeggen.’

De zoveelste klap, maar hij moest toegeven dat dit tevens een opluchting was. Hij was erg op Tommen gesteld. ‘De Ketelzwarts waren geacht van ons te zijn,’ bracht hij Bronn met meer dan een zweempje irritatie in herinnering.

‘Dat waren ze zolang ik ze voor elke munt die ze van de koningin kregen twee van de jouwe kon geven, maar zij heeft inmiddels de inzet verhoogd. Osny en Osfried zijn na de slag tot ridder geslagen, net als ik. De goden mogen weten waarvoor, geen mens heeft ze zien vechten.’

Mijn huurlingen verraden me, mijn vrienden worden afgeranseld en te schande gemaakt en ik lig hier te rotten, dacht Tyrion. Ik dacht dat ik die verdomde slag gewonnen had. Is dit hoe de overwinning smaakt?’Klopt het dat Stannis van het slagveld verdreven werd door de geest van Renling?’

Bronn glimlachte flauwtjes. ‘Vanaf de liertorens konden we alleen banieren in de modder zien en mannen die hun speren neersmeten en de benen namen, maar de eethuizen en bordelen barsten van de mensen die je zullen vertellen hoe ze heer Renling die en die hebben zien doden. Het merendeel van Stannis’ leger was om te beginnen al van Renling geweest, en ze liepen meteen over toen ze hem in zijn glanzend groene wapenrusting zagen.’

Na alle voorbereidingen, na de uitval en de schepen brug en nadat zijn gezicht in tweeën was gespleten was Tyrion overschaduwd door een dode. Als Renling tenminste dood is. Nog iets wat hij zou moeten uitzoeken. ‘Hoe is Stannis ontkomen?’

‘Zijn Lyseni waren met hun galeien in de baai gebleven, voor die ketting van jou. Toen de slag een verkeerde wending nam, hebben ze op de kust van de baai aangelegd en er zoveel mogelijk aan boord genomen. Tegen het einde maakten de mannen elkaar af om er nog bij te komen.’

‘En Robb Stark? Wat heeft die gedaan?’

Een aantal van zijn wolven baant zich te vuur en te zwaard een weg naar Schemerdel. Je vader stuurt heer Tarling om met ze af te rekenen. Ik ben half en half van plan me bij hen te voegen. Ze zeggen dat hij een goed krijgsman is en royaal de gelegenheid tot plunderen geeft.’

De gedachte dat hij Bronn zou kwijtraken was de druppel die de emmer deed overlopen. ‘Nee. Jouw plaats is hier. Jij bent het hoofd van de Wacht van de Hand.’

‘Jij bent de Hand niet,’ merkte Bronn op scherpe toon op. ‘Dat is je vader, en die heeft zijn eigen klotewacht.’

‘Wat is er gebeurd met al die mannen die je voor me had gehuurd?’

‘Sommigen zijn bij de liertorens gesneuveld. Die oom van je, ser Kevan Lannister, heeft de rest van ons uitbetaald en eruit gegooid.’

‘Wat aardig van hem,’ zei Tyrion ijzig. ‘Betekent dat dat je geen trek in goud meer hebt?’

‘Dat nu ook weer niet.’

‘Goed,’ zei Tyrion, ‘want het toeval wil dat ik je nog nodig heb. Wat weet je van ser Mandon Moer?’

Bronn lachte. ‘Ik weet dat hij hartstikke verdronken is.’

‘Ik sta zwaar bij hem in het krijt, maar hoe betaal ik het hem terug?’ Hij raakte zijn gezicht aan en voelde aan zijn litteken. ‘Om eerlijk te zijn weet ik verdraaid weinig van de man af.’

‘Hij had vissenogen en hij droeg een witte mantel. Wat wil je nog meer weten?’

‘Alles,’ zei Tyrion, ‘om te beginnen.’ Wat hij wilde was het bewijs dat ser Mandon voor Cersei had gewerkt, maar dat durfde hij niet hardop te zeggen. In de Rode Burcht deed een man er beter aan zijn mond te houden. Achter de muren zaten ratten, en kleine vogeltjes die te veel kletsten, en spinnen. ‘Help me eens overeind,’ zei hij, worstelend met het beddengoed. ‘Het is tijd dat ik mijn vader eens een bezoekje breng, en hoog tijd dat ik me weer vertoon.’

‘Een fraaie aanblik,’ spotte Bronn.

‘Wat is een halve neus in een gezicht als het mijne? Maar over fraai gesproken, is Marjolij Tyrel al in Koningslanding?’

‘Nee, maar ze komt eraan, en de stad staat in vuur en vlam voor haar. De Tyrels hebben wagens met voedsel uit Hooggaarde laten komen en delen dat in haar naam uit. Honderden wagens per dag. Er zwieren duizenden mannen van Tyrel rond met gouden roosjes op hun wambuizen gestikt, en niet eentje betaalt zijn eigen wijn. Echtgenote, weduwe of hoer, de vrouwen offeren allemaal hun deugd op aan de eerste de beste jonge donsbaard met een gouden roosje op zijn tepel.’

Ze spugen op mij en kopen drankjes voor de Tyrels. Tyrion liet zich van zijn bed op de vloer glijden. Zijn knieën knikten, de kamer draaide en hij moest Bronn bij een arm grijpen om niet languit in de biezen te tuimelen. ‘Pod!’ riep hij.’Podderik Peyn? Waar zit je, in de zevende hel?’ De pijn knauwde op hem als een tandeloze hond. Tyrion had een hekel aan zwakheid, vooral aan die van hemzelf. Hij schaamde zich ervoor en schaamte maakte hem kwaad. ‘Pod, maak dat je hier komt!’

De jongen kwam eraan rennen. Toen hij Tyrion zag staan, hangend aan Bronns arm viel zijn mond open. ‘Heer. U bent op… Is dat… hebt u… wilt u wat wijn? Droomwijn? Wil ik de maester halen? Hij zei dat u moest blijven. In bed, bedoel ik.’

‘Ik lig al te lang in bed. Breng me schone kleren.’

‘Kleren?’

Hoe de jongen in de strijd zo helder van hoofd en zo inventief kon zijn en bij alle andere gelegenheid en zo chaotisch ging Tyrions begrip te boven. ‘Kledingstukken,’ herhaalde hij. ‘Een tuniek, een wambuis, een broek, hozen. Voor mij. Om aan te trekken. Zodat ik deze ellendige cel uit kan.’

Ze moesten hem met z’n tweeën aankleden. Hoe afschuwelijk zijn gezicht er ook uitzag, de ernstigste van zijn wonden was die waar zijn arm aan zijn schouder vastzat en zijn maliën door een pijl zijn oksel in waren gedreven. Uit het verkleurde vlees sijpelde nog pus en bloed, telkens als maester Frenken zijn verband vernieuwde, en bij iedere beweging vlijmde de pijn door hem heen.

Uiteindelijk koos Tyrion voor een broek en een te groot bedgewaad dat losjes om zijn schouders hing. Bronn trok met een ruk zijn laarzen over zijn voeten, terwijl Pod een stok zocht waarop hij kon steunen. Hij dronk ter versterking een beker droomwijn. De wijn was met honing gezoet, en er zat net genoeg papaver in om zijn wonden een tijdlang draaglijk te maken.

Desondanks duizelde het hem toen hij de klink neerdrukte, en zijn benen trilden bij het afdalen van de stenen wenteltrap. Hij liep met de stok in zijn ene hand en zijn andere hand op Pods schouder. Toen zij naar beneden gingen kwam er net een dienstmeisje naar boven. Ze staarde hen met grote, witte ogen aan alsof ze een spook zag. De dwerg is uit de doden opgestaan, dacht Tyrion. En zie daar, hij is afzichtelijker dan ooit, ga het maar gauw aan je vriendinnen vertellen.

Maegors Veste was de best versterkte plaats in de Rode Burcht, een slot binnen het slot, omringd door een diepe, droge gracht die met pieken afgezet was. Toen ze bij de toegangsdeur kwamen was de valbrug al omhoog voor de nacht. Ser Meryn Trant stond ervoor in zijn lichte wapenrusting en witte mantel. ‘Laat de brug neer,’ beval Tyrion.

‘Op last van de koningin moet de brug ’s nachts opgehaald zijn.’ Ser Meryn liet zijn oren altijd naar de koningin hangen.

‘De koningin slaapt en ik heb iets met mijn vader te bespreken.’

De naam van heer Tywin Lannister had iets magisch. Pruttelend gaf ser Meryn het bevel, en de valbrug werd neergelaten. Aan de overkant van de gracht stond nog een ridder van de Koningsgarde op wacht. Ser Osmund Ketelzwart slaagde erin te glimlachen toen hij Tyrion op zich af zag waggelen. ‘Al weer wat op krachten, heer?’

‘Heel aardig. Wanneer is de volgende veldslag? Ik kan bijna niet wachten.’

Maar toen Pod en hij de serpentine-trap bereikten kon Tyrion er slechts vol ontsteltenis naar staren. Die kom ik nooit op, moest hij zichzelf bekennen. Dus slikte hij zijn waardigheid in en verzocht Bronn om hem te dragen, tegen beter weten in hopend dat er op dit uur niemand in de buurt was die hem zou zien en zou glimlachen, niemand die zou rondvertellen hoe de dwerg als een baby de trappen opgedragen werd.

Het buitenhof was bezaaid met tientallen tenten en paviljoenen. ‘Mannen van Tyrel,’ legde Podderik Peyn uit, terwijl ze zich een weg zochten door een doolhof van zijde en zeildoek. ‘En van heer Rowin en heer Roodweyn. Er was niet genoeg plaats voor allemaal. In het slot, bedoel ik. Sommigen hebben kamers gehuurd. Kamers in de stad. In herbergen en zo. Ze zijn hier voor de bruiloft. De bruiloft van de koning. Koning Joffry. Bent u straks sterk genoeg om die bij te wonen, heer?’

‘Zelfs een horde woeste wezels zal me niet tegenhouden.’ Een bruiloft had in elk geval één ding voor op een veldslag: daar liep je minder gevaar dat je neus afgehakt werd.

Achter de luiken in de Toren van de Hand scheen nog gedempt licht. De mannen bij de deur droegen de karmijnrode mantels en de leeuwenhelmen van zijn vaders huiswacht. Tyrion kende ze allebei, en ze lieten hem bij de eerste aanblik door… al konden ze die aanblik geen van tweeën lang verdragen, merkte Tyrion.

Binnen stuitten ze op ser Addam Marbrand die in het versierde zwarte borstharnas en de goudbrokaten mantel van de Stadswacht de wenteltrap afdaalde. ‘Heer,’ zei hij, ‘wat goed om te zien dat u op bent. Ik had gehoord…’

‘…dat er een klein graf je werd gegraven? Ik ook. Met het oog daarop leek het me beter om op te staan. Ik hoor dat u bevelhebber van de Stadswacht bent? Moet ik u feliciteren of condoleren?’

‘Allebei, vrees ik.’ Ser Addam glimlachte. ‘Dood en desertie hebben er nog vierenveertighonderd voor me overgelaten. Alleen de goden en Pinkje weten hoe we al die lui hun loon moeten uitbetalen, maar uw zuster verbiedt mij er ook maar één te ontslaan.’

Nog steeds bang, Cersei? De slag is gewonnen, de goudmantels zullen je nu niet meer helpen.’Komt u van mijn vader?’ vroeg hij.

‘Ja. Ik vrees dat hij niet in de allerbeste stemming was toen ik wegging. Heer Tywin vindt vierenveertighonderd wachters ruimschoots voldoende om één zoekgeraakte schildknaap op te sporen, maar uw neef Tyrek wordt nog steeds vermist.’

Tyrek was de zoon van wijlen zijn oom Tyget, een dertienjarige knaap. Hij was verdwenen tijdens de rellen, niet lang nadat hij met vrouwe Ermesande was getrouwd, een zuigeling van wie het toeval wilde dat ze tevens de laatst overgebleven erfgenaam van het huis Hooivoort was. En waarschijnlijk de eerste bruid in de geschiedenis van de Zeven Koninkrijken die weduwe werd voor ze gespeend was.’Ik heb hem ook niet kunnen vinden,’ bekende Tyrion.

‘Die is wormenvoer,’ zei Bronn met zijn gebruikelijke tact. ‘IJzerhand heeft naar hem gezocht en de eunuch heeft met een mooie dikke beurs gerammeld. Zij hadden niet meer geluk dan wij. Geef het maar op, ser.’

Ser Addam keek de huurling vol afkeer aan. ‘Heer Tywin is heel vasthoudend als het om zijn bloedverwanten gaat. Hij moet de jongen hebben, levend of dood, en ik ben van plan hem die dienst te bewijzen.’ Hij keek weer naar Tyrion.

‘U kunt uw vader vinden in zijn bovenzaal.’

Mijn bovenzaal, dacht Tyrion. ‘Ik geloof dat ik de weg wel weet.’

Dat was een weg met nog meer treden omhoog, maar ditmaal klom hij op eigen kracht, met een hand op Pods schouder. Bronn opende de deur voor hem. Heer Tywin Lannister zat voor het raam bij het licht van een olielamp te schrijven. Toen hij de klink hoorde keek hij op. ‘Tyrion.’ Bedaard legde hij zijn ganzenveer weg.

‘Het doet mij deugd dat u mij nog kent, heer.’ Tyrion liet Pod los en waggelde op hem af, zijn gewicht op zijn stok steunend. Er is iets mis, wist hij onmiddellijk.

‘Ser Bronn,’ zei Tywin. ‘Podderik. Misschien kunt u beter buiten wachten totdat wij klaar zijn.’

De blik die Bronn de Hand toewierp was weinig minder dan onbeschoft, maar toch boog hij en trok zich terug, op de voet gevolgd door Pod. De zware deur viel achter hen dicht, en Tyrion Lannister was alleen met zijn vader. Zelfs nu de raamluiken van de bovenzaal voor de nacht gesloten waren was de kilte in het vertrek tastbaar. Wat voor leugens heeft Cersei hem zitten vertellen?

De heer van de Rots van Casterling was zo slank als een twintig jaar jongere man en op zijn grimmige manier zelfs knap. Stijve blonde bakkebaarden bekleedden zijn wangen en omlijstten een streng gezicht, een kaal hoofd en een harde mond. Om zijn hals droeg hij een keten van gouden handjes waarvan de vingers telkens de pols van de volgende grepen. ‘Dat is een mooie ketting,’ zei Tyrion. Al stond hij mij beter.

Heer Tywin negeerde de steek onder water. ‘Je kunt beter gaan zitten. Is het wel verstandig dat je van je ziekbed bent opgestaan?’

‘Ik word ziek van mijn ziekbed.’ Tyrion wist hoezeer zijn vader zwakheid haatte. Hij nam de dichtstbijzijnde stoel. ‘Wat een fijne kamers hebt u. Wilt u wel geloven dat iemand mij naar een donkere kleine cel in Maegors Veste heeft verhuisd, terwijl ik dood lag te gaan?’

‘De Rode Burcht zit barstensvol bruiloftsgasten. Zodra die weg zijn zullen we een gepaster onderkomen voor je zoeken.’

Dit onderkomen beviel mij eigenlijk wel. Hebt u al een datum bepaald voor de grote bruiloft?’

‘Joffryen Marjolij treden de eerste dag van het nieuwe jaar in het huwelijk. Toevallig is dat ook de eerste dag van de nieuwe eeuw. De ceremonie kondigt de dageraad van een nieuw tijdperk aan.’

Een nieuw Lannister-tijdperk, dacht Tryion. ‘O jee. Ik vrees dat ik voor die dag al andere plannen heb.’

‘Ben je alleen maar gekomen om over je slaapkamer te klagen en flauwe opmerkingen te maken? Ik heb nog belangrijke brieven af te maken.’

Belangrijke brieven nog wel.’

‘Sommige veldslagen win je met zwaarden en speren, andere met ganzenveren en raven. Bespaar me je melige verwijten, Tyrion. Toen het erop leek dat je doodging ben ik zo vaak aan je ziekbed geweest als maester Ballabar het toeliet.’ Hij plaatste zijn handen schuin tegen elkaar onder zijn kin. ‘Waarom heb je Ballabar weggestuurd?’

Tyrion haalde zijn schouders op. ‘Maester Frenken is er minder op uit mij buiten bewustzijn te houden.’

‘Ballabar is in heer Roodweyns gevolg naar de stad gekomen. Een begaafd genezer, zegt men. Het was heel aardig van Cersei om hem te vragen of hij jou wilde verzorgen. Ze vreesde voor je leven.’

Voor mijn overleven, bedoel je.’Dat is vast ook de reden waarom ze niet van mijn zijde geweken is.’

‘Niet zo brutaal. Cersei heeft een koninklijke bruiloft voor te bereiden, ik heb een oorlog te voeren en jij bent al minstens twee weken buiten levensgevaar.’ Heer Tywin bestudeerde het verminkte gezicht van zijn zoon. Zijn fletsgroene ogen knipperden niet. ‘Al geef ik toe dat die wond vrij gruwelijk is. Wat bezielde je?’

‘De vijand stond met een stormram voor de poort. Als Jaime die uitval had geleid zou u het moedig noemen.’

‘Jaime zou nooit zo dwaas zijn geweest om in de strijd zijn helm af te doen. Ik hoop dat je de man die je die houw heeft gegeven gedood hebt?’

‘Ja, die ellendeling is er wel geweest.’ Al was het Podderik Peyn geweest die ser Mandon had gedood door hem de rivier in te duwen, waar hij door het gewicht van zijn wapenrusting was verdronken. ‘Een dode vijand is een bron van vreugde,’ zei Tyrion blijmoedig, al was ser Mandon zijn ware vijand niet. De man had geen reden gehad om zijn dood te wensen. Hij was maar een handlanger, en ik geloof dat ik weet voor wie de handreiking bedoeld was. Zij heeft hem gezegd te zorgen dat ik de slag niet overleefde. Maar zonder bewijs zou heer Tywin nooit naar een dergelijke beschuldiging luisteren. ‘Waarom bent u hier in de stad, vader?’ vroeg hij. ‘Moet u niet weg om heer Stannis te bestrijden, of Robb Stark, of wie dan ook?’ En hoe eerder hoe liever.

‘Totdat heer Roodweyn zijn vloot hierheen heeft gehaald hebben we niet genoeg schepen om Drakensteen aan te vallen. Het doet er niet toe. Stannis Baratheons zon is op het Zwartewater ondergegaan. Wat Stark betreft, de jongen is nog in het westen, maar een grote strijdmacht van noorderlingen onder Helman Langhart en Robet Hanscoe daalt af richting SchemerdeI. Ik heb heer Tarling op hen afgestuurd, terwijl ser Gregor oprukt over de Koningsweg om hun de terugweg af te snijden. Langhart en Hanscoe zullen tussen die twee in de tang zitten, met een derde van Starks strijdkrachten.’

‘Schemerdel?’ In Schemerdel was niets dat een dergelijk risico waard was. Had de Jonge Wolf eindelijk een misstap begaan?

‘Niet iets waar jij je druk over hoeft te maken. Je ziet zo bleek als een doek en er sijpelt bloed door je verband heen. Zeg wat je op je hart hebt en ga dan naar bed terug.’

‘Wat ik wil…’ Zijn keel leek rauw en dichtgesnoerd. Wat wílde hij eigenlijk? Meer dan u mij ooit kunt geven, vader. ‘Pod zegt dat Pinkje tot heer van Harrenhal verheven is.’

‘Een lege titel zolang Rous Bolten het kasteel voor Robb Stark bezet houdt, maar heer Baelish was erg op die eer uit. Hij heeft ons goede diensten bewezen met dat Tyrel-huwelijk. Een Lannister betaalt zijn schulden.’

Het Tyrel-huwelijk was in feite Tyrions idee geweest, maar het zou beneden peil zijn als hij die eer nu voor zich op zou eisen. ‘Die titel is misschien niet zo leeg als u denkt,’ waarschuwde hij. ‘Pinkje doet nooit iets zonder een goede reden. Maar hoe dan ook, u zei meen ik iets over het betalen van schulden?’

‘En jij wilt ook een beloning, gaat het daarom? Goed. Wat wil je van me hebben? Grondgebied, een kasteel, een ambt?’

‘Een beetje dankbaarheid zou verdomme een leuk begin zijn.’

Heer Tywin staarde hem aan zonder met zijn ogen te knipperen. ‘Mommers en apen willen applaus. Net als Aerys, trouwens. Jij hebt gedaan wat je opgedragen was, en ongetwijfeld naar beste vermogen. Niemand ontkent de rol die jij hebt gespeeld.’

‘De ról die ik heb gespeeld?’ De neusgaten die Tyrion niet meer had zouden zich ongetwijfeld wijd opengesperd hebben. ‘Ik heb die verdomde stad van u gered, lijkt me.’

‘De meeste mensen schijnen te denken dat mijn aanval op heer Stannis’ flank het tij van de slag heeft doen keren. De heren Tyrel, Rowin, Roodweyn en Tarling hebben ook nobel gestreden, en men zegt dat je zuster Cersei degene was die de vuur bezweerders het wildvuur heeft laten maken waardoor de vloot van Baratheon vernietigd is.’

‘Terwijl ik alleen maar uit mijn neus heb zitten vreten?’ Tyrion kon zijn verbittering niet verhelen.

‘Jouw ketting was een slimme zet en van cruciaal belang voor onze overwinning. Is dat wat je wilde horen? Men zegt dat we ons bondgenootschap met Dorne ook aan jou te danken hebben. Het zal je plezier doen te horen dat Myrcella veilig in Zonnespeer is aangekomen. Ser Arys Eikhart schrijft dat ze een grote genegenheid heeft opgevat voor prinses Arianne, en dat prins Trystan helemaal verrukt van haar is. Het staat me tegen het huis Martel een gijzelaar te geven, maar ik neem aan dat daar niets aan te doen was.’

‘Wij krijgen straks onze eigen gijzelaar,’ zei Tyrion. ‘Bij de overeenkomst hoorde ook een zetel in de raad. Tenzij prins Doran een leger meebrengt als hij die komt opeisen, zal hij zich in onze macht begeven.’

‘Ik wilde wel dat Martel alleen maar een zetel in de raad kwam opeisen,’ zei heer Tywin. ‘Je hebt hem ook wraak beloofd.’

‘Ik heb hem gerechtigheid beloofd.’

‘Noem het hoe je wilt. Het komt hoe dan ook op bloed neer.’

‘Daar hebben we toch zeker geen tekort aan. Ik heb tijdens de veldslag door zeeën van bloed gewaad.’ Tyrion zag geen reden om niet tot de kern van de zaak door te dringen. ‘Of bent u zo dol op Gregor Clegane geworden dat u niet buiten hem kunt?’

‘Ser Gregor heeft zijn nut, net als zijn broer dat had. Iedere heer heeft zo nu en dan een beest nodig… een les die jij wel hebt geleerd, te oordelen naar ser Bronn en die clanleden van je.’

Tyrion dacht aan Timets verbrande oog, Shagga met zijn bijl, Chella met haar halssnoer van opgedroogde oren. En aan Bronn. Vooral aan Bronn. ‘De bossen zitten vol beesten,’ merkte hij op. ‘De stegen ook.’

‘Dat is waar. Misschien dat andere honden even goed jagen. Ik zal erover nadenken. Als dat alles is…’

‘U hebt belangrijke brieven, ja.’ Tyrion stond op onvaste benen op, sloot even zijn ogen toen hij door een golf van duizeligheid werd overspoeld en deed een wankele stap naar de deur toe. Later zou hij bedenken dat hij er nog een had moeten zetten, en daarna een derde. In plaats daarvan draaide hij zich om. ‘U vraagt wat ik wil. Ik zal u zeggen wat ik wil. Ik wil wat mij rechtens toekomt. Ik wil de Rots van Casterling.’

Zijn vaders mond verstrakte. ‘Het geboorterecht van je broer?’

‘Het is de ridders van de Koningsgarde verboden om te trouwen, kinderen te verwekken en land te bezitten, dat weet u evengoed als ik. De dag waarop Jaime die witte mantel omhing deed hij afstand van zijn rechten op de Rots van Casterling, maar dat hebt u nooit erkend. Dat wordt hoog tijd. Ik wil dat u voor het oog van het ganse rijk opstaat en verklaart dat ik uw zoon en uw wettige erfgenaam ben.’

Heer Tywins ogen waren fletsgroen met gouden vlekjes erin, even helder als genadeloos. ‘De Rots van Casterling,’ verklaarde hij op vlakke, kille, doodse toon. En toen: ‘Nooit.’

Het woord hing groot, scherp en giftig tussen hen in.

Dat wist ik al voordat ik het vroeg, dacht Tyrion. In al die achttien jaar die zijn verstreken sinds Jaime bij de Koningsgarde is gegaan heb ik het onderwerp niet een keer aangesneden. Ik moet het geweten hebben, ik moet het al die tijd al geweten hebben.’Waarom niet?’ dwong hij zichzelf te vragen, al wist hij dat die vraag hem zou berouwen.

‘Vraag je dat? Jij, die je moeder hebt vermoord om ter wereld te komen? Je bent een mismaakt, achterbaks, ongehoorzaam, rancuneus klein gedrocht dat bol staat van afgunst, lusten en lage listen. De wetten van de mensen geven je het recht mijn naam te dragen en mijn kleuren te voeren, omdat ik niet kan bewijzen dat je niet van mij bent. Om mij nederigheid bij te brengen hebben de goden mij ertoe veroordeeld jou te zien rondwaggelen met die trotse leeuw die het wapenteken van mijn vader en daarvoor van zijn vader was. Maar goden noch mensen zullen me ooit kunnen dwingen de Rots van Casterling door jou in een hoerenkast te laten veranderen.’

‘Een hoerenkast?’ Nu daagde het Tyrion, en het werd hem in één klap duidelijk waar al die gal vandaan kwam. Hij klemde zijn kaken op elkaar en zei: ‘Cersei heeft u over Alayaya verteld.’

‘Heet ze zo? Ik moet je bekennen dat ik me de namen van al die hoeren van jou niet kan herinneren. Wie was dat ook alweer met wie je als jongen getrouwd bent?’

‘Tysha.’ Tartend spuwde Tyrion hem het antwoord toe.

‘En die kamphoer bij de Groene Vork?’

‘Wat kan u dat schelen?’ vroeg hij, want het stond hem zelfs tegen Shae’s naam in zijn bijzijn uit te spreken.

‘Niets. Evenmin als hun dood of leven me iets kan schelen.’

‘U bent degene die Yaya heeft laten geselen.’ Het was geen vraag.

‘Je zuster heeft me verteld dat je mijn kleinzoons hebt bedreigd.’ Heer Tywins stem was kouder dan ijs. ‘Was dat een leugen?’

Dat wilde Tyrion niet ontkennen. ‘Ik heb dreigementen geuit, ja. Om Alayaya te bescheremen, zodat de Ketelzwarts haar niet zouden misbruiken.’

‘Om de deugd van een hoer te beschermen heb je je eigen huis, je eigen verwanten bedreigd? Zit het zo?’

‘U bent degene die mij heeft geleerd dat een goed dreigement vaak meer zegt dan een klap. Niet dat Joffry me niet honderden malen zwaar in de verleiding heeft gebracht. Als u zo graag mensen geselt, begint u dan bij hem. Maar Tommen… waarom zou ik Tommen iets aandoen? Dat is een goeie jongen, en van mijn bloed.’

‘Net als je moeder.’ Heer Tywin stond abrupt op en torende boven de dwerg uit die zijn zoon was. ‘Ga terug naar bed, Tyrion, en praat me nooit meer van jouw rechten op de Rots van Casterling. Je krijgt je beloning, maar dan één waarvan ik vind dat hij bij je staat van dienst en je positie past. En vergis je niet — dit is de laatste keer geweest dat ik je het huis Lannister te schande heb laten maken. Het is úít met die hoeren. De eerstvolgende die ik bij jou in bed aantref knoop ik op.’

Davos

Lange tijd keek hij toe hoe het zeil groter werd en intussen probeerde hij te beslissen of hij liever zou leven of sterven. Hij wist dat sterven eenvoudiger zou zijn. Hij hoefde alleen maar zijn grot in te kruipen en het schip voorbij te laten varen, dan zou de dood hem wel vinden. Hij brandde nu al dagen van de koorts, zijn ingewanden gingen in bruin water op en hij rilde in zijn rusteloze slaap. Elke ochtend merkte hij dat hij verder verzwakt was. Veel langer zal het niet duren, was hij zichzelf al gaan voorhouden.

Als de koorts er geen einde aan zou maken, zou de dorst het wel doen. Op de regen na die in de holten op de rots bleef staan had hij geen vers water. Nog maar drie dagen geleden (of waren het er vier geweest? Op zijn rots was het moeilijk de dagen uit elkaar te houden) waren zijn holten kurkdroog geweest, en de aanblik van de baai die groengrijs om hem heen klotste was bijna ondraaglijk geworden. Als hij eenmaal zeewater ging drinken zou het einde snel komen, wist hij, maar toch had hij die eerste slok bijna genomen, zo droog was zijn keel geweest. Een plotselinge regenbui had hem gered. Hij was toen zo verzwakt dat hij alleen nog maar met zijn ogen dicht en zijn mond open in de regen kon liggen en het water op zijn gebarsten lippen en gezwollen tong kon laten plenzen. Maar naderhand voelde hij zich iets sterker, en de holten, reten en spleten op het eiland hadden weer boordevol leven gestaan.

Maar dat was drie dagen geleden geweest (of misschien vier), en nu was het meeste water weer weg. Er was wat verdampt, en zelf had hij de rest opgeslurpt. Tegen de ochtend zou hij weer modder proeven en de vochtige, koude stenen op de bodem van de holten aflikken.

En als hij niet stierf van de dorst of de koorts zou de honger hem wel halen. Zijn eiland was niet meer dan een kale rotspiek die uit de onmetelijke Zwartwaterbaai opstak. Bij laagtij vond hij soms wat kleine krabbetjes op het stenige strandje waarop hij na de slag was aangespoeld. Die knepen hem pijnlijk in zijn vingers voordat hij ze op de rotsen kapotsloeg om het vlees uit hun klauwen en de ingewanden uit hun pantser te zuigen.

Maar het strand verdween zodra het tij opkwam, en dan moest Davos de rots op klimmen om te voorkomen dat hij opnieuw de baai ingesleurd werd. De punt van de rots stak met hoogtij vijftien voet boven het water uit, maar als de baai ruw werd spatte het schuim nog hoger op, zodat er geen manier was om droog te blijven, zelfs niet in zijn grot (die eigenlijk maar een uitholling in de steen onder een overhangende rots was). Op de rots groeide alleen korstmos, en zelfs de zeevogels meden deze plek. Zo nu en dan streken er een paar meeuwen boven op de punt neer en dan probeerde Davos er een te vangen, maar ze waren zo snel dat hij niet eens in de buurt kwam. Hij begon met stenen naar ze te gooien, maar hij was te zwak om veel kracht in zijn worp te leggen, dus zelfs als hij de meeuwen raakte krijsten ze hem slechts nijdig toe en kozen dan het luchtruim.

Vanaf zijn toevluchtsoord kon hij andere rotsen zien, verre rotspieken die hoger waren dan de zijne. De dichtstbijzijnde stak naar schatting ruim veertig voet boven het water uit, al viel dat van die afstand moeilijk te zeggen. Er zweefde voortdurend een wolk meeuwen boven, en vaak overwoog Davos naar hun nesten over te steken. Maar het water was hier koud, de stroming sterk en verraderlijk, en hij wist dat hij de kracht niet had voor een dergelijke zwemtocht. Dan ging hij net zo’n wisse dood tegemoet als wanneer hij zeewater dronk.

In de zee-engte was de herfst vaak nat en regenachtig, herinnerde hij zich van de afgelopen jaren. Zolang de zon scheen was het overdag wel uit te houden, maar de nachten werden steeds kouder, en soms kwam de wind over de baai aanjagen en blies een rij schuimkoppen voor zich uit. Dan duurde het niet lang of Davos zat doornat te klappertanden. Hij had beurtelings koortsaanvallen en koude rillingen, en sinds kort werd hij ook door een hardnekkige blafhoest geplaagd.

De enige beschutting die hij had was zijn grot, en die stelde niet veel voor. Met eb spoelden er stukken drijfhout en verkoolde resten op het strandje aan, maar hij zou niet weten hoe hij vonken moest slaan of vuur moest maken. Eens had hij in zijn wanhoop twee stukken drijfhout tegen elkaar gewreven, maar het hout was verrot en hij hield aan zijn inspanningen alleen maar blaren over. Zijn kleren waren ook doorweekt en hij was een van zijn laarzen ergens in de baai kwijtgeraakt, voordat hij hier was aangespoeld.

Dorst, honger en gebrek aan beschutting. Dat waren de kameraden die hem ieder uur van elke dag gezelschap hielden, en na verloop van tijd was hij ze als vrienden gaan beschouwen. Weldra zou een van die vrienden medelijden met hem krijgen en hem uit zijn bodemloze misère verlossen. Of misschien zou hij op een dag domweg het water in lopen en naar de kust zwemmen die ergens in het noorden moest zijn, buiten zijn gezichtsveld. Dat was met het oog op zijn verzwakte staat te ver om te zwemmen, maar dat gaf niet. Davos was al zijn leven lang zeeman, en voorbestemd om op zee te sterven. De onderzeese goden wachten me al op, zei hij bij zichzelf. Hoog tijd dat ik naar ze toe ga.

Maar nu was daar een zeil. Het was nog maar een stipje aan de horizon, maar het werd groter. Een schip waar geen schip hoorde te zijn. Hij wist ongeveer waar zijn rots lag, want het was er een in een reeks zeepieken die van de bodem van de Zwartwaterbaai oprezen. De hoogste stak honderd voet boven het tij uit, en een tiental kleinere pieken verhief zich dertig tot zestig voet. Zeelieden noemden ze de speren van de meermannenkoning en wisten dat er voor elke piek die boven het oppervlak uitstak een stuk of tien verraderlijk vlak onder de zeespiegel loerden. Iedere kapitein met een greintje verstand koerste er met een boog omheen.

Davos zag met waterige, rood omrande oogjes hoe het zeil zwol en hij trachtte het geluid van de wind in het zeildoek te horen. Dat schip komt hierheen. Tenzij het snel zijn koers wijzigde zou het zo dicht langs zijn schamele toevluchtsoord varen dat hij het kon beschreeuwen. Dat zou hem het leven kunnen redden. Als hij dat wilde. Daar was hij niet zeker van.

Waarom zou ik blijven leven? dacht hij, en zijn blik werd door tranen vertroebeld. Genadige goden, waarom? Mijn zoons zijn dood, Deyl en Allard, Maric en Matthos, en Devan misschien ook. Hoe kan een vader zoveel sterke jonge zonen overleven? Hoe zou ik verder moeten leven? Ik ben een lege schaal, de krab is dood, er zit niets meer in. Weten ze dat niet?

Ze waren de Zwartwaterstroom op geroeid met op hun banieren het vurige hart van de Heer des Lichts. Davos had zich met zijn Zwarte Betha in de tweede gevechtslinie bevonden, tussen Deyls Schim en Allard op de Vrouwe Marya. Zijn derde zoon Maric was roeiermeester geweest op de Furie, in het centrum van de voorste linie, terwijl Matthos als zijn vaders vice-kapitein diende. Onder aan de muren van de Rode Burcht hadden de galeien van Stannis Baratheon de strijd aangebonden met de kleinere vloot van de kind-koning Joffry, en even had de rivier het geluid weerkaatst van het zoemen van de boogpezen en het gekraak van de ijzeren rammen die zowel rompen als riemen hadden verbrijzeld.

Toen had er een of ander reusachtig beest gebruld, en overal om hen heen waren groene vlammen opgelaaid: wild vuur, vuurbezweerderspis, de jaden demon. Matthos had schuin achter hem gestaan op het dek van de Zwarte Betha toen het leek of het schip uit het water werd getild. Davos was met maaiende armen in de rivier geplonsd, waar hij tollend door de stroming was meegesleurd. Stroomopwaarts hadden de vlammen vijftig voet hoog de hemel besprongen. Hij had de Zwarte Betha in brand zien staan, en de Furie, en nog een tiental andere schepen, hij had brandende mannen in het water zien springen om vervolgens te verdrinken. De Schim en de Vrouwe Marya waren weg, gezonken of verbrijzeld of verdwenen achter een sluier van wildvuur, en er was geen tijd om ernaar te zoeken, omdat de monding van de rivier vlakbij was en de Lannisters daar een grote ijzeren ketting overheen hadden gespannen. Van oever tot oever zag hij niets dan brandende schepen en wildvuur, en bij de aanblik daarvan had zijn hart een ogenblik stilgestaan, en hij wist nog hoe het geklonken had, het knetteren van de vlammen, het sissen van stoom, het gekrijs van stervende mannen, en de gruwelijke hitte die tegen zijn gezicht sloeg, terwijl de stroming hem omlaag trok naar de hel.

Niets was alles wat hij hoefde te doen. Nog even en hij zou bij zijn zonen zijn, rustend in de koele groene modder op de bodem van de baai, terwijl de vissen aan zijn gezicht knabbelden.

In plaats daarvan dronk hij een grote teug lucht in en dook al trappelend naar de rivierbodem. Zijn enige hoop was, onder de ketting, de brandende schepen en het wildvuur dat op het rivieroppervlak dreef door te zwemmen en zich zo snel mogelijk in veiligheid te brengen in de baai daarachter. Davos was altijd een goede zwemmer geweest en hij had die dag geen staal gedragen, behalve de helm die hij samen met de Zwarte Betha had verloren. Terwijl hij door de groene schemering drong zag hij onder water andere mannen worstelen, door het gewicht van harnas en maliën de verdrinkingsdood tegemoet getrokken. Davos zwom hun voorbij en trapte met alle kracht die nog in zijn benen was, hij liet zich door de stroming meesleuren met het water in zijn ogen. Steeds dieper en dieper ging hij, en nog dieper. Met elke slag had hij meer moeite gehad zijn adem in te houden. Hij wist nog dat hij de bodem had gezien, week en vaag, toen er een stroom van belletjes aan zijn lippen ontsnapte. Er streek iets langs zijn been… een boomwortel, een vis of een verdrinkende man, hij zou het niet weten.

Tegen die tijd had hij dringend lucht nodig gehad, maar hij was bang. Was hij de ketting al voorbij en in de baai? Als hij onder een schip opdook zou hij verdrinken en als hij tussen de drijvende plakken wildvuur bovenkwam zouden zijn longen bij de eerste ademtocht tot as worden verzengd. Hij keerde zich om in het water en keek op, maar zag niets dan groene duisternis, en toen draaide hij te ver om en wist hij niet meer wat boven en onder was. Paniek greep hem aan. Zijn handen sloegen tegen de rivierbodem, zodat er een modderwolk opsteeg die hem verblindde. Zijn benauwdheid nam elk moment toe. Hij klauwde door het water, trapte, zette zich af, draaide rond, zijn longen schreeuwden om lucht, hij trapte, trapte, nu verdwaald in het rivierslijk, trapte, trapte, trapte totdat hij niet meer trappen kon. Toen hij zijn mond opende om te schreeuwen stroomde het water erin. Het smaakte zout en Davos Zeewaard wist dat hij bezig was te verdrinken.

Het eerstvolgende waarvan hij zich bewust was, was de zon aan de hemel. Hij lag op een stenig strand onder een kale rotspiek met overal rondom hem de lege baai en naast hem een gebroken mast, een verbrand zeil en een opgezwollen lijk. De mast, het zeil en de dode verdwenen bij de eerstvolgende vloed, zodat Davos alleen op zijn rots achterbleef, tussen de speren van de meermannenkoning.

Zijn jarenlange bestaan als smokkelaar had hem meer vertrouwd gemaakt met de wateren rondom Koningslanding dan met enig huis waarin hij ooit had gewoond, en hij wist dat zijn toevluchtsoord slechts een stipje op de zeekaarten was, op een plek die door eerzame zeelieden gemeden werd … al was Davos er in zijn smokkelaarsjaren wel een of twee keer voorbijgekomen om zich beter te verstoppen. Als ze me hier dood aantreffen, gesteld dat ze dat doen, noemen ze die rots misschien naar mij, dacht hij. De Uienrots zullen ze hem noemen, dit wordt mijn grafsteen en mijn nalatenschap. Meer verdiende hij ook niet. De Vader beschermt zijn kinderen, leerden de septons, maar Davos had zijn jongens mee het vuur in genomen. Deyl zou zijn vrouw nooit het kind schenken waarom ze gebeden hadden, en Allard, met zijn meisje in Oudstee en zijn meisje in Koningslanding en zijn meisje in Braavos — die zouden nu weldra allemaal in tranen zijn. Matthos zou nooit zijn droom verwezenlijken om kapitein op een eigen schip te worden en Maric zou nooit zijn ridderslag krijgen.

Hoe kan ik blijven leven als zij dood zijn? Er zijn zoveel dappere ridders en machtige heren omgekomen, betere mannen dan ik, en hooggeboren. Kruip in je grot, Davos. Kruip naar binnen en word klein, en het schip zal weggaan en niemand zal je ooit nog storen. Ga slapen op je stenen kussen en laat de meeuwen je ogen uitpikken, terwijl de krabben zich tegoed doen aan je vlees. Jij hebt je lang genoeg aan hen tegoed gedaan, je bent ze iets verschuldigd. Verstop je, smokkelaar, verstop je en hou je koest en sterf.

Het zeil had hem bijna bereikt. Nog een paar ogenblikken en het schip was veilig en wel voorbij en hij kon in vrede sterven.

Zijn hand ging naar zijn keel en tastte naar het leren buideltje dat hij altijd om zijn nek droeg. Daarin bewaarde hij de kootjes van de vier vingers die zijn koning had ingekort op de dag dat hij Davos tot ridder sloeg. Mijn geluk brengers. Zijn ingekorte vingers streken over zijn borst, graaiden, en vonden niets. De buidel was weg, en daarmee ook de vingerkootjes. Stannis had nooit kunnen begrijpen waarom hij die botjes bewaarde. ‘Om me aan de gerechtigheid van mijn koning te herinneren,’ prevelden zijn gebarsten lippen. Maar nu waren ze weg. Het vuur heeft me niet alleen mijn zoons ontnomen maar ook mijn geluk. In zijn dromen brandde de rivier nóg, en demonen met vurige zwepen in hun hand dansten op het water en mannen verkoolden en verbrandden onder hun slagen. ‘Genade, Moeder,’ bad Davos. ‘Red mij, milde Moeder, red ons allen. Mijn geluk is weg, en mijn zoons ook.’ Hij huilde nu ongeremd, de zoute tranen stroomden hem over de wangen. ‘Het vuur heeft mij alles ontnomen… het vuur…’

Misschien was het alleen de wind die tegen de rots blies, of het geluid van de zee op de oever, maar even hoorde Davos Zeewaard haar antwoorden. ‘Jij hebt het vuur opgeroepen,’ fluisterde ze, vaag als het geluid van de zee in een schelp, treurig en zacht. ‘Jij verbrandde ons… verbrandde ons, verbrandde onsssss.’

Zij was het!’ riep Davos. ‘Moeder, laat ons niet in de steek. Zij heeft u verbrand, de rode vrouw, Melisandre, zij!’ Hij kon haar voor zich zien, het hartvormige gezicht, de rode ogen, het lange, koperkleurige haar, het rode gewaad dat bij het lopen als vlammen danste, een rimpeling van zijde en satijn. Ze was uit Asshai in het oosten gekomen, ze was naar Drakensteen gekomen en had Selyse en de volgelingen van de koningin voor haar vreemde god gewonnen, en daarna de koning, Stannis Baratheon zelf. Hij was zelfs zo ver gegaan het vurige hart op zijn banieren te zetten, het vurige hart van R’hllor, de Heer des Lichts en de God van Vlam en Schaduw. Op aandringen van Melisandre had hij de Zeven op Drakensteen uit hun sept gesleurd en voor de kasteelpoorten verbrand, en later had hij ook het godenwoud bij Stormeinde verbrand, zelfs de hartboom, een enorme, witte weirboom met een plechtig gezicht.

‘Zij heeft het gedaan,’ zei Davos nogmaals, zwakker nu. Zij, en jij, Uienridder. Jij hebt haar diep in de nacht naar Stormeinde geroeid opdat ze haar schaduwkind kon loslaten. Jij bent niet zonder schuld, o nee. Jij hebt onder haar banier gereden en die aan je mast laten wapperen. Jij hebt de Zeven op Drakensteen zien branden en niets ondernomen. Ze wierp de gerechtigheid van de Vader in het vuur, en de barmhartigheid van de Moeder, en de wijsheid van de Oude Vrouw. Smid en Vreemdeling, Maagd en Krijgsman, ze verbrandde hen allemaal, ter meerdere glorie van haar wrede god, en jij stond erbij en zweeg stil. Zelfs toen ze de oude maester Cressen vermoordde, zelfs toen deed je niets.

Het zeil was nog maar honderd pas ver en bewoog zich snel door de baai voort. Nog even en het zou hem voorbij zijn en weer krimpen.

Ser Davos Zeewaard begon zijn rots te beklimmen.

Met trillende handen trok hij zich op, daas van de koorts. Twee keer gleden zijn verminkte vingers van de vochtige steen en viel hij bijna, maar op de een of andere manier wist hij zich aan zijn hoge plek vast te klampen. Als hij viel was hij dood, en hij moest leven. Nog een korte tijd, althans. Er stond hem nog iets te doen.

De rotspunt was te klein om veilig op te staan, zwak als hij was, dus hurkte hij en zwaaide met zijn vermagerde armen. ‘Schip,’ schreeuwde hij in de wind. ‘Schip, ahoy, hiér!’ Hierboven kon hij het duidelijker zien, de slanke, gestreepte romp, het bronzen boegbeeld, het opbollende zeil. Op de romp stond een naam geschilderd, maar Davos had nooit leren lezen. ‘Schip,’ riep hij nogmaals, ‘help me, help me!’

Een bemanningslid op het voorkasteel zag hem en wees. Hij keek toe hoe andere zeelieden naar de reling kwamen om naar hem te staren. Even later werd het zeil van de galei gestreken, de riemen gleden naar buiten en het schip zwenkte naar zijn toevluchtsoord. Het was te groot om dicht bij de rots te komen, maar op dertig pas afstand werd er een klein bootje uitgezet. Davos klampte zich aan zijn rots vast en zag hoe het naar hem toe kroop. Er waren vier roeiers, en een vijfde man zat op de voorsteven. ‘Jij,’ riep de vijfde man, toen ze nog maar een paar voet van zijn eilandje af waren. ‘Daarboven op die rots. Wie ben je?’

Een omhooggevallen smokkelaar, dacht Davos, een dwaas die zijn koning te zeer liefhad en zijn goden vergat.’Ik…’ Zijn keel was kurkdroog en hij was het spreken verleerd. De woorden voelden vreemd aan op zijn tong en klonken hem nog vreemder in de oren. ‘Ik heb deelgenomen aan de slag. Als kapitein, en… ridder. Ik was een ridder.’

‘Jawel, ser,’ zei de man, ‘maar welke koning diende u?’

De galei kon ook van Joffry zijn, besefte hij ineens. Als hij nu de verkeerde naam zei zouden ze hem aan zijn lot overlaten. Maar nee, de romp was gestreept. Het schip kwam uit Lys, het was van Salladhor Saan. De Moeder had het gezonden, de Moeder in haar barmhartigheid. Ze had een taak voor hem. Stannis leeft nog, wist hij toen. Ik heb nog een koning. En zoons. Ik heb nog meer zoons, en een trouwe en liefhebbende vrouw. Hoe had hij dat kunnen vergeten? De Moeder was waarlijk barmhartig.

‘Stannis,’ riep hij terug naar de Lyseni. ‘Bij de goede goden, ik dien koning Stannis.’

‘Jawel,’ zei de man in de boot, ‘en wij ook.’

Sansa

De uitnodiging leek onschuldig, maar telkens als Sansa hem las kreeg ze een knoop in haar maag. Zij wordt nu koningin, ze is mooi en rijk en iedereen houdt van haar, waarom zou ze met de dochter van een verrader aan tafel willen zitten? Nieuwsgierigheid misschien, giste ze. Het kon zijn dat Marjolij Tyrel wilde weten uit welk hout haar afgedankte rivale gesneden was. Zou ze een wrok tegen me koesteren? Denkt ze dat ik haar een kwaad hart toedraag…

Sansa had vanaf de slotmuren gekeken hoe Marjolij Tyrel en haar gevolg Aegons Hoge Heuvel beklommen. Joffry had zijn nieuwe bruid in spe ontvangen bij de Koningspoort om haar in de stad te verwelkomen, en zij aan zij waren ze tussen juichende menigten door gereden, Joff schitterend in een verguld harnas en het meisje Tyrel pronkend in het groen, met een wapperende mantel van herfstbloemen om haar schouders. Ze was zestien, met bruin haar en bruine ogen, slank en mooi. Als ze langsreed riepen de mensen haar naam, staken hun kinderen naar haar op voor een zegenwens en strooiden bloemen voor de hoeven van haar paard. Haar moeder en grootmoeder reden vlak achter haar in een grote, dichte koets met houten zijpanelen waarin een vlechtwerk van honderd rozen uitgesneden was die allemaal glanzend verguld waren. Ook zij werden door de kleine luiden toegejuicht.

Diezelfde kleine luiden die mij van mijn paard trokken en me hadden gedood als de Jachthond er niet was geweest. Sansa had niets gedaan om de haat van het gewone volk te wekken, net zoals Marjolij Tyrel niets had gedaan om hun liefde te verwerven. Wil ze ook mijn liefde hebben? Ze bestudeerde de uitnodiging, die eigenhandig door Marjolij geschreven leek te zijn. Wil ze mijn zegen? Sansa vroeg zich af of Joffry iets van deze maaltijd wist. Het zou best kunnen dat hij erachter zat. Die gedachte beangstigde haar. Als Joff achter deze uitnodiging zat had hij vast een wrede grap voor haar in petto om haar in de ogen van het andere meisje te schande te maken. Zou hij zijn Koningsgarde bevelen haar nog eens naakt uit te kleden? De vorige keer dat hij dat had gedaan had zijn oom Tyrion er een eind aan gemaakt, maar de Kobold kon haar nu niet redden.

Alleen mijn Florian kan me redden. Ser Dontos had haar beloofd haar te helpen om te ontsnappen, maar pas op de avond van Joffry’s bruiloft. Het plan zat goed in elkaar, had haar dierbare, toegewijde ridder-alias-nar haar verzekerd. Tot die tijd moest ze haar ziel in lijdzaamheid bezitten en de dagen tellen.

En met mijn vervangster dineren…

Misschien deed ze Marjolij Tyrel nu onrecht aan. Misschien was de uitnodiging gewoon uit vriendelijkheid gedaan, een hoffelijk gebaar. Misschien is het wel gewoon een maaltijd. Maar dit was de Rode Burcht, dit was Koningslanding, dit was het hof van koning Joffry Baratheon, eerste van die naam, en als Sansa Stark hier één ding had geleerd dan was het om achterdochtig te zijn.

Toch moest ze de uitnodiging aanvaarden. Zij was nu niemand, de aan de kant gezette dochter van een verrader, de in ongenade gevallen zuster van een opstandige vazal. Ze kon eigenlijk geen nee zeggen tegen Joffry’s toekomstige koningin.

Was de Jachthond maar hier. Op de avond van de veldslag was Sandor Clegane naar haar vertrekken gekomen om haar mee de stad uit te nemen, maar Sansa had geweigerd. Soms lag ze’s nachts wakker en vroeg zich af of ze daar wel verstandig aan had gedaan. Ze had zijn bezoedelde witte mantel in een cederhouten kist onder haar zijden zomerjaponnen verstopt. Ze had geen idee waarom ze die bewaarde. De Jachthond was laf geworden, had ze horen zeggen. Toen de slag op zijn hoogtepunt was had hij zich zo laveloos gedronken dat de Kobold zijn manschappen had moeten aanvoeren. Maar Sansa begreep hoe het zat. Zij kende het geheim van zijn verbrande gezicht. Hij was alleen bang voor het vuur. Die avond had het wildvuur de rivier in lichterlaaie gezet en zelfs de lucht met groene vlammen gevuld. Sansa was binnen in het slot nog bang geweest. Buiten… ze durfde er nauwelijks aan te denken.

Zuchtend haalde ze een ganzenveer en inkt te voorschijn en schreef Marjolij een elegant briefje dat ze de uitnodiging aanvaardde.

Toen de vastgestelde avond aanbrak werd ze door een ander lid van de Koningsgarde opgehaald, een man die van Sandor Clegane verschilde als… nu ja, als een bloem van een hond. De aanblik van ser Loras Tyrel op haar drempel deed Sansa’s hart een klein beetje sneller kloppen. Dit was de eerste keer dat ze zo dicht bij hem was sinds hij als aanvoerder van zijn vaders voorhoede naar Koningslanding was teruggekeerd. Even wist ze niet wat ze moest zeggen. ‘Ser Loras,’ bracht ze ten slotte uit, ‘u… u ziet er zo mooi uit.’

Hij schonk haar een verwonderd lachje. ‘U bent al te vriendelijk, jonkvrouwe. Mijn zuster ziet uw komst met genoegen tegemoet.’

‘Ik heb zo naar onze maaltijd uitgezien.’

‘Net als Marjolij en madame mijn grootmoeder.’ Hij nam haar arm en leidde haar naar de trap.

‘Uw grootmoeder?’ Het viel Sansa zwaar om tegelijkertijd te lopen, te praten en na te denken nu ser Loras haar arm aanraakte. Ze voelde de warmte van zijn hand door de zijde heen.

‘Vrouwe Olenna. Zij zal ook aanzitten.’

‘O,’ zei Sansa. Ik praat met hem en hij raakt mij aan, hij houdt mijn arm vast en raakt mij aan.’De Doornenkoningin wordt ze genoemd, nietwaar?’

‘Inderdaad.’ Ser Loras lachte. Niemand heeft zo’n warme lach als hij, dacht ze, terwijl hij vervolgde: ‘Maar u kunt die naam beter niet in haar aanwezigheid gebruiken, of u loopt het gevaar zich te prikken.’

Sansa kreeg een kleur. Elke idioot zou beseft hebben dat geen enkele vrouw graag als ‘Doornenkoningin’ betiteld wordt. Misschien ben ik echt zo dom als Cersei Lannister zegt. Ze probeerde wanhopig iets gevats en charmants te bedenken om tegen hem te zeggen, maar haar brein werkte niet meer. Ze had bijna gezegd hoe mooi hij was, toen ze bedacht dat ze dat al had gedaan.

Maar hij wás mooi. Hij leek langer dan toen ze hem voor het eerst had ontmoet, maar nog altijd even lenig en gracieus, en Sansa had nog nooit een jongen gezien met zulke prachtige ogen. Maar hij is geen jongen, hij is een volwassen man, een ridder van de Koningsgarde. Ze vond dat hij er in het wit nog beter uitzag dan in het groen met goud van het huis Tyrel. Op dit moment was het enige aan hem dat kleur had zijn mantelspeld, de roos van Hooggaarde, zachtgeel goud in een nest van fijne, groene jaden blaadjes.

Ser Balon Swaan hield de deur van Maegors Veste voor hen open. Ook hij was geheel in het wit, al stond het hem niet half zo goed als ser Loras. Achter de versterkte gracht oefenden enkele tientallen mannen met zwaard en schild. Met het oog op de drukte in het kasteel was het buitenhof aan de gasten ter beschikking gesteld om hun tenten en paviljoenen op te zetten, zodat alleen de kleinere binnenhoven nog restten voor oefengevechten. Een van de tweelingen Roodweyn werd achteruitgedreven door ser Langknaap, degene met de ogen op zijn schild. De vierkante ser Kennos van Kays, die hijgde en pufte zodra hij zijn slagzwaard ophief, hield zich zo te zien wel staande tegen ser Osny Ketelzwart, maar Osny’s broer ser Osfried gaf Morros Slink, de schildknaap met het kikkergezicht, een stevig pak slaag. Al waren de zwaarden nog zo bot gemaakt, Slink zou morgenochtend over een rijke oogst aan kwetsuren beschikken. Alleen al bij de aanblik kromp Sansa ineen. Ze hebben de doden van de laatste slag nauwelijks begraven of ze oefenen alweer voor de volgende.

Aan de rand van de binnenplaats hield een enkele ridder met een paar gouden rozen op zijn schild drie vijanden van zich af. Terwijl ze toekeek raakte hij een van hen op de zijkant van zijn hoofd, zodat de man bewusteloos raakte. ‘Is dat uw broer?’ vroeg Sansa.

‘Inderdaad, jonkvrouwe,’ zei ser Loras. ‘Garlan oefent vaak tegen drie mannen tegelijk, soms zelfs vier. In een veldslag gaat het zelden één tegen een, zegt hij, dus is hij liever voorbereid.’

‘Hij moet heel dapper zijn.’

‘Hij is een groot ridder,’ antwoordde ser Loras. ‘Hij overtreft mij eerlijk gezegd als zwaardvechter, al kan ik beter met een lans overweg.’

‘Dat weet ik nog,’ zei Sansa. ‘U rijdt fantastisch, ser.’

‘Dat hoor ik graag, jonkvrouwe. Wanneer hebt u mij zien rijden?’

‘Op het toernooi van de Hand, weet u nog? U reed op een wit strijdros en uw harnas was van honderd verschillende soorten bloemen gemaakt. Mij schonk u een roos. Een rode roos. Andere meisjes wierp u die dag witte rozen toe.’ Ze kreeg een kleur toen ze het zei. ‘U zei dat geen enkele zege ook maar half zo schoon was als ik.’

Ser Loras wierp haar een bescheiden lachje toe. ‘Niet meer dan de waarheid, zichtbaar voor iedere man met ogen in zijn hoofd.’

Hij weet het niet meer, besefte Sansa met een schok. Hij doet alleen maar aardig tegen me, hij herinnert zich mij niet, en die roos ook niet, hij weet er niets meer van. Ze was er zo zeker van geweest dat het iets te betekenen had, dat het álles te betekenen had. ‘Het was nadat u ser Robar Roys uit het zadel had geworpen.’

Hij nam zijn hand van haar arm. ‘Ik heb ser Robar bij Stormeinde gedood, jonkvrouwe.’ Dat was geen gepoch. Hij klonk treurig.

Hem, en nog een lid van koning Renlings Regenbooggarde, ja. Sansa had de vrouwen bij de put erover horen praten, maar ze was het even vergeten. ‘Dat was toch toen heer Renling werd vermoord? Wat vreselijk voor uw arme zuster.’

‘Voor Marjolij?’ Zijn stem klonk afgemeten. ‘Jawel, maar zij was toen in Bitterbrug. Ze heeft het niet gezien.’

‘Maar toch, toen ze het hoorde…’

Ser Loras liet zijn hand losjes over zijn zwaardgevest glijden. De greep was van wit leer, de knop een albasten roos. ‘Renling is dood. Robar ook. Wat heeft het voor zin nog over hen te spreken?’

Ze schrok, zo scherp was zijn toon. ‘Ik… heer, ik… ik wilde u niet beledigen, ser.’

‘Dat kunt u ook niet, jonkvrouwe Sansa,’ antwoordde ser Loras, maar alle warmte was uit zijn stem geweken. Hij nam haar ook niet meer bij de arm.

Ze beklommen de serpentine-trap in een steeds diepere stilte.

Waarom moest ik ser Robar ook noemen? dacht Sansa. Ik heb alles bedorven. Nu is hij boos op me. Ze probeerde te bedenken wat ze zou kunnen zeggen om het goed te maken, maar alles wat haar inviel was even nietszeggend en slap. Hou je mond, of je zult het alleen nog maar erger maken, vermaande ze zichzelf.

Heer Hamer Tyrel en zijn gevolg waren ondergebracht achter de koninklijke sept, in de langwerpige burcht met het leistenen dak dat het Maagdengewelf werd genoemd sinds koning Baelor de Gezegende daarin zijn zusters had opgesloten opdat hun aanblik hem niet op vleselijke gedachten zou brengen. Voor de hoge deuren met het houtsnijwerk stonden twee wachters met vergulde halfhelmen, groene, met goudsatijn afgebiesde mantels en de gouden roos van Hooggaarde op de borst gestikt. Beiden waren zeven voet lang, breedgeschouderd, smal van middel en prachtig gespierd. Toen Sansa zo dichtbij was dat ze hun gezichten kon zien, kon ze de twee niet uit elkaar houden. Ze hadden dezelfde krachtige kaken, dezelfde intens blauwe ogen, dezelfde dikke rode snor. ‘Wie zijn dat?’ vroeg ze aan ser Loras, haar pijnlijke verlegenheid een ogenblik vergetend.

‘De lijfwachten van mijn grootmoeder,’ lichtte hij haar in. ‘Hun moeder had ze Errik en Arrik genoemd, maar grootmoeder kan ze niet uit elkaar houden, dus noemt zij ze Links en Rechts.’

Links en Rechts openden de deuren, waarop Marjolij zelf verscheen en de lage trap af rende om hen te begroeten. ‘Jonkvrouwe Sansa,’ riep ze, ‘ik ben zo blij dat u gekomen bent. Wees welkom.’

Sansa knielde voor haar toekomstige koningin. ‘U bewijst mij een grote eer, uwe genade.’

‘Wil je me niet liever Marjolij noemen? Sta alsjeblieft op. Loras, help jonkvrouwe Sansa eens overeind. Ik mag je toch wel Sansa noemen?’

‘Als u dat graag wilt.’ Ser Loras hielp haar opstaan.

Marjolij nam afscheid van hem met een zusterlijke kus en greep Sansa bij de hand. ‘Kom, mijn grootmoeder wacht al, en ze is niet de geduldigste dame ter wereld.’

In de haard knetterde een vuur en over de vloer waren welriekende biezen gespreid. Aan de lange schragentafel zat een twaalftal vrouwen.

Sansa herkende alleen heer Tyrels rijzige, waardige echtgenote, vrouwe Alerie, wier lange, zilveren vlecht was opgebonden met ringen waarin sierstenen waren gevat. Marjolij stelde de overigen voor. Er waren drie nichten Tyrel, Megga, Alla en Elinor, alle drie ongeveer van Sansa’s leeftijd. De weelderige vrouwe Janna was heer Tyrels zuster en getrouwd met een van de groenappel-Graftwegs, de bevallige vrouwe Leonette was ook een Graftweg en getrouwd met ser Garlan. Septa Nysterica had een lelijk, pokdalig gezicht, maar leek een gemoedelijke vrouw. De bleke, elegante vrouwe Sierfoort verwachtte een kind en vrouwe Bolver wás een kind, niet ouder dan acht. En ‘Merij’ was de naam waarmee ze de luidruchtige, plompe Belijnda eraan moest aanspreken, maar zeer beslist niet vrouwe BIijleven, een pruilende, zwartogige schoonheid uit Myr.

Ten slotte bracht Marjolij haar bij de verschrompelde, witharige pop aan het hoofd van de tafel. ‘Ik heb de eer je mijn grootmoeder voor te stellen, vrouwe Olenna, weduwe van heer Luthor Tyrel zaliger, heer van Hooggaarde, wiens nagedachtenis ons allen tot troost strekt.’

De oude vrouw geurde naar rozenwater. Nee maar, dat is een dingetje van niks. Ze had volstrekt niets doornigs. ‘Kus me, kind,’ zei vrouwe Olenna en ze trok met een zacht, vlekkerige handje aan Sansa’s pols. ‘Heel aardig van je dat je met mij en mijn tuttige kippentroep wilt dineren.’

Sansa kuste de oude vrouw plichtmatig op haar wang. ‘U bent juist aardig dat u mij wilt ontvangen, vrouwe.’

‘Ik heb je grootvader nog gekend, heer Rickard, zij het niet erg goed.’

‘Hij is voor mijn geboorte gestorven.’

‘Dat weet ik wel, kind. Ze zeggen dat je grootvader Tulling ook op sterven ligt. Heer Hoster. Dat hebben ze je toch wel verteld? Een oude man, zij het nog niet zo oud als ik. Maar toch, uiteindelijk valt voor iedereen de nacht, en voor sommigen te vroeg. Jij zult dat beter weten dan de meesten, arm kind. Jij hebt je portie verdriet wel gehad. We voelen met je mee in je gemis.’

Sansa keek naar Marjolij. ‘Het speet mij erg om van heer Renlings dood te vernemen, uwe genade. Hij was heel dapper.’

‘Lief van je om dat te zeggen,’ antwoordde Marjolij.

Haar grootmoeder snoof. ‘Dapper, O ja, en charmant, en brandschoon. Hij wist zich te kleden en hij wist te glimlachen en hij wist zich te baden, en om de een of andere reden haalde hij het in zijn hoofd dat hij daardoor geschikt was om koning te zijn. De Baratheons hebben altijd van die vreemde ideeën gehad. Dat komt volgens mij door hun Targaryen-bloed.’ Ze trok haar neus op. ‘Ze hebben eens geprobeerd mij aan een Targaryen uit te huwelijken, maar daar heb ik gauw een stokje voor gestoken.’

‘Renling was moedig en mild, grootmoeder,’ zei Marjolij. ‘Vader mocht hem ook graag, en Loras net zo goed.’

‘Loras is nog jong,’ zei vrouwe Olenna kordaat, ‘en mannen met een stok van hun paard smijten kan hij als de beste. Dat maakt hem nog niet wijs. En wat je vader betreft, was ik maar als een boerin met een grote houten pollepel geboren, dan had ik allicht wat verstand in die dikke kop van hem kunnen slaan.’

‘Moeder,’ zei vrouwe Alerie verwijtend.

‘Ho ho, Alerie, wil je die toon niet tegen me aanslaan? En noem me geen moeder. Als ik jou had gebaard zou ik dat heus nog wel weten. Mij kunnen ze alleen je echtgenoot verwijten, zijne eikelheid van Hooggaarde.’

‘Grootmoeder,’ zei Marjolij, ‘pas toch op uw woorden. Wat moet Sansa wel niet van ons denken?’

‘Dat we ze aardig op een rijtje hebben. Of in elk geval één van ons.’ De oude vrouw keerde zich weer naar Sansa toe. ‘Het is verraad, heb ik ze nog gewaarschuwd. Robert heeft twee zonen en Renling heeft een oudere broer, hoe kan hij nu in vredesnaam enige aanspraak maken op die lelijke ijzeren stoel? Tut tut, zegt mijn zoon, wil je niet dat je lieve schatje koningin wordt? Jullie Starks zijn ooit ook koningen geweest, de Arryns en de Lannisters ook, en zelfs de Baratheons, via de vrouwelijke lijn, maar de Tyrels waren nooit meer dan hofmeesters, tot Aegon de Draak langskwam en de rechtmatige koning van het Bereik aan de kook bracht op het Veld van Vuur. Om je de waarheid te zeggen is zelfs onze aanspraak op Hooggarde enigszins netelig, zoals die vreselijke lui van Florens altijd zeuren. “Wat maakt het uit?” zul je vragen, en dat is natuurlijk ook zo, behalve voor eikels als mijn zoon. Bij de gedachte dat hij op een dag zijn kleinzoon met zijn kont op de Ijzeren Troon zal zien zitten zwelt Hamer op als een … tja, hoe heet dat ook alweer? Marjolij, jij bent slim, wees lief en vertel je arme oude half kindse grootmoeder eens hoe die merkwaardige vis van de Zomereilanden heet die zich opblaast tot tien keer zijn eigen omvang als je ertegen port.’

‘Die heten blaasvissen, grootmoeder.’

‘Ach natuurlijk. De Zomereilanders hebben geen fantasie. Mijn zoon zou eigenlijk die blaasvis als wapenteken moeten nemen. Hij zou er een kroon op kunnen zetten, zoals de Baratheons met hun hertenbok hebben gedaan, dan zou hij misschien gelukkig zijn. We hadden ons allemaal verre van deze ellendige onzin moeten houden, als je het mij vraagt, maar als de koe eenmaal gemolken is krijg je de room de uier niet meer in. Nadat heer Blaasvis Renling die kroon had opgezet zaten we tot onze knieën in de blubber, dus zijn we maar op de ingeslagen weg verder gegaan. Wat vind jij daar nou van, Sansa?’

Sansa’s mond ging open en dicht. Zij voelde zich ook net een blaasvis. ‘De Tyrels kunnen hun afstamming op Garth Groenehand terugvoeren.’ Iets beters kon ze zo snel niet bedenken.

De Doornenkoningin snoof. ‘Net als de Florensen, de Roodweyns, de Eikharts en de helft van de overige adellijke huizen in het zuiden. Garth zaaide graag in vruchtbare grond, zeggen ze. Het zou me niets verbazen als hij niet alleen groene handen had gehad.’

‘Sansa,’ kwam vrouwe Alerie tussenbeide, ‘je zult wel erg veel honger hebben. Zullen we samen een hapje everzwijn eten, en wat citroenkoeken?’

‘Ik houd erg van citroenkoeken,’ bekende Sansa.

‘Dat hebben we gehoord,’ verklaarde vrouwe Olenna, kennelijk niet van zins zich het zwijgen te laten opleggen. ‘Die figuur Varys scheen te denken dat die wetenschap ons blij zou maken. Volgens mij houdt het geen stéék om er een eunuch op na te houden. Ik zou zeggen dat het alleen maar mannen zijn waar ze de nuttige onderdelen van afgesneden hebben. Alerie, ben je nog van plan het eten te laten opdienen of ga je me uithongeren? Hier, Sansa, ga maar naast me zitten, ik ben veel minder saai dan de rest. Ik hoop dat je van zotten houdt?’

Sansa streek haar rokken glad en ging zitten. ‘Ik denk… zotten, vrouwe? U bedoelt… die met de ruitjespakken?’

‘Veren, in dit geval. Wat dacht je dan dat ik bedoelde? Mijn zoon? Of deze lieftallige dames? Nee, niet blozen, met jouw haar lijk je dan net een granaatappel. Alle mannen zijn eigenlijk dwazen, maar die met de ruitjespakken zijn leuker dan die met de kronen. Marjolij, kindje, wil je Boterbobbellaten komen, eens zien of we jonkvrouwe Sansa aan het glimlachen kunnen krijgen. De rest kan gaan zitten, moet ik jullie dan alles voorzeggen? Sansa zal nu wel denken dat mijn kleindochter een kudde schapen als hofdames heeft.’

Boterbobbel arriveerde voor het eten, gehuld in een narrenpak van groene en gele veren met een zwaaiende kwast. Een immens bolle dikzak, zo groot als drie Uilebollen, die de zaal in buitelde, op tafel sprong en recht voor Sansa een reusachtig ei legde. ‘Openslaan, jonkvrouwe,’ beval hij. Toen ze dat deed ontsnapten er uit het ei een stuk of tien gele kuikens die alle kanten op stoven. ‘Pak ze!’ riep Boterbobbel. De kleine jonkvrouw Bolver greep er een en gaf het aan hem, waarna hij zijn hoofd naar achteren wierp, het beestje in zijn grote, rubbermond propte en het ogenschijnlijk in zijn geheel verzwolg. Toen hij boerde wolkten de gele veertjes uit zijn neus. Vrouwe Bolver begon jammerlijk te huilen, maar haar tranen verkeerden prompt in een vreugdekreet toen het kuiken zich uit haar mouw wurmde en over haar arm rende.

Toen de bedienden bouillon met prei en champignons opdienden begon Boterbobbel te jongleren en schoof vrouwe Olenna naar voren. Hij liet haar ellebogen op tafel rusten. ‘Ken je mijn zoon, Sansa? Heer Blaasvis van Hooggaarde?’

‘Een groot edelman,’ antwoordde Sansa beleefd.

‘Een grote eikel,’ zei de Doornenkoningin. ‘Zijn vader was ook een eikel. Mijn echtgenoot, heer Luthor zaliger. Ach, ik hield best van hem, begrijp me niet verkeerd. Een aardige kerel, en niet slecht in bed, maar toch een ontzettende eikel. Hij slaagde erin tijdens de valkenjacht van een klip te rijden. Ze zeggen dat hij naar de hemel staarde en er niet op lette waar zijn paard heenging.

En nu doet mijn eikel van een zoon net zoiets, alleen rijdt hij op een leeuw in plaats van op een hakkenei. Op een leeuw klimmen is makkelijk, maar eraf gaat moelijker. Ik heb hem gewaarschuwd, maar hij grinnikt alleen maar. Als je ooit een zoon krijgt, Sansa, geef hem dan vaak een pak rammel, dan leert hij zich iets van je aan te trekken. Ik had maar één zoon, en die heb ik nauwelijks geslagen, dus nu luistert hij beter naar Boterbobbel dan naar mij. Een leeuw is geen schootkat, heb ik hem gezegd, en alles wat hij terugzegt is “tut tut, moeder.” Als je het mij vraagt wordt er in dit rijk veel te veel getut. Al die koningen zouden er beter aan doen hun zwaard weg te leggen en naar hun moeder te luisteren.’

Sansa merkte dat haar mond weer openstond. Ze goot er een lepel bouillon in, terwijl Alerie en de overige vrouwen zaten te giechelen om de vertoning van Boterbobbel, die sinaasappels van zijn hoofd, zijn elleboog en zijn ampele derrière liet stuiteren.

‘Ik wil dat je me de waarheid over dat koninklijke jongetje vertelt,’ zei vrouwe Olenna abrupt. ‘Die Joffry.’

Sansa’s vingers klemden zich steviger om haar lepel. De waarheid. Dat kan ik niet. Vraag dat alstublieft niet, dat kan ik niet.’Ik… ik… ik…’

‘Jij, ja. Wie kan dat beter weten? De knaap maakt een koninklijke indruk, dat moet ik wel zeggen. Een beetje vol van zichzelf, maar dat zal door zijn Lannister-bloed komen. Maar we hebben wat verontrustende verhalen gehoord. Schuilt daar enige waarheid in? Heeft die jongen jou mishandeld?’

Sansa gluurde zenuwachtig om zich heen. Boterbobbel propte een hele sinaasappel in zijn mond, kauwde en slikte, gaf een pets tegen zijn wang, en de pitten schoten zijn neus uit. De vrouwen giechelden en lachten. Bedienden kwamen en gingen, en het Maagdengewelf galmde van het gerinkel van lepels en borden. Een van de kuikentjes sprong op de tafel terug en rende door de bouillon van vrouwe Sierfoort. Geen mens leek op hen te letten, maar toch was ze bang.

Vrouwe Olenna werd ongeduldig. ‘Waarom zit je Boterbobbel aan te gapen? Ik heb je iets gevraagd en ik verwacht een antwoord. Hebben de Lannisters je tong gestolen, kind?’

Ser Dontos had haar gewaarschuwd dat ze alleen in het godenwoud vrijuit kon spreken. ‘Joff… koning Joffry, hij is… Zijne genade is heel mooi en knap, en… zo dapper als een leeuw.’

‘Ja. Alle Lannisters zijn leeuwen, en als een Tyrel een wind laat ruik je een rozengeur,’ snauwde de oude vrouw. ‘Maar hoe aardig is hij? Hoe verstandig? Heeft hij een goed hart, een milde hand? Is hij ridderlijk, zoals het een koning betaamt? Zal hij Marjolij koesteren en met zachtheid behandelen en haar eer beschermen alsof het de zijne is?’

‘Ja,’ loog Sansa. ‘Hij is heel… heel aantrekkelijk.’

‘Dat heb je al gezegd. Weet je, kind, ze zeggen van jou dat je net zo zot bent als Boterbobbel hier, en ik begin te geloven dat dat waar is. Aantrekkelijk? Hopelijk heb ik mijn Marjolij geleerd wat aantrekkelijkheid waard is. Net iets minder dan de scheet van een mommer. Aerion Lichtvlam was aantrekkelijk genoeg, maar evengoed een monster. De vraag is: wat is Joffry?’ Ze stak een hand uit om een passerende bediende aan te houden. ‘Ik hou niet van prei. Neem die bouillon mee en breng me wat kaas.’

‘De kaas wordt na de koeken geserveerd, vrouwe.’

‘De kaas wordt geserveerd wanneer ik dat wil, en ik wil het nu.’ De oude vrouw keerde zich weer naar Sansa toe. ‘Ben je bang, kind? Dat hoeft niet, hier zijn alleen vrouwen. Vertel me de waarheid, er zal je niets gebeuren.’

‘Mijn vader sprak altijd de waarheid.’ Sansa zei het zachtjes, maar toch was het moeilijk om de woorden over haar lippen te krijgen.

‘Heer Eddard. Ja, die reputatie had hij, maar desondanks werd hij voor verrader uitgemaakt en onthoofd.’ De ogen van de oude vrouw boorden zich in haar, scherp en blikkerend als zwaardpunten.

‘Joffry,’ zei Sansa. ‘Dat heeft Joffry gedaan. Hij beloofde me dat hij genadig zou zijn en toen liet hij mijn vaders hoofd afhakken. Dat was genade, zei hij, en hij nam me mee de muur op en dwong me ernaar te kijken. Het hoofd. Hij wilde dat ik zou huilen, maar…’ Ze zweeg abrupt en sloeg een hand voor haar mond. Ik heb te veel gezegd, o goeie goden, ze komen erachter, ze zullen het horen, iemand zal me verraden.

‘Ga door.’ Het was Marjolij die aandrong, Joffry’s toekomstige koningin. Sansa wist niet hoeveel ze had gehoord.

‘Dat kan ik niet.’ Stel dat ze het hem vertelt, stel dat ze het vertelt. Dan vermoordt hij me nog, of hij levert me aan ser Ilyn uit.’Ik wilde niet… mijn vader was een verrader, mijn broer is er ook een, ik heb verraders bloed, alstublieft, dwing me niet om nog meer te zeggen.’

‘Rustig, kind,’ beval de Doornenkoningin.

‘Ze is doodsbang, grootmoeder, kijk toch eens naar haar.’

De oude vrouw riep Boterbobbel. ‘Zot! Laat eens een lied horen. Een lang lied, lijkt me. “De beer en het meisje teer”, dat is wel geschikt.’

‘O ja,’ antwoordde de enorme nar. ‘Dat is heel geschikt. Wil ik het zingen, terwijl ik op mijn kop sta?’

‘Klinkt het dan beter?’

‘Nee.’

‘Blijf dan maar rechtop staan, anders valt je hoed nog af, en dat zouden we niet willen. Ik meen me te herinneren dat je nooit je haar wast.’

‘Zoals u wenst, vrouwe.’ Boterbobbel maakte een diepe buiging en liet een enorme boer. Toen richtte hij zich op, stak zijn buik naar voren en bulderde: ‘Er was een beer, een beer, een beer! Zo zwart en bruin en harig, o zeer…’

Vrouwe Olenna boog zich naar voren. ‘Zelfs toen ik nóg jonger was dan jij was bet een welbekend feit dat de muren in de Rode Burcht oren hebben. Nou, van een lied worden ze er niet slechter op, en intussen kunnen wij meisjes vrijuit spreken.’

‘Maar,’ zei Sansa, ‘Varys… hij weet altijd…’

‘Harder zingen!’ riep de Doornenkoningin tegen Boterbobbel. ‘Deze oude oren zijn bijna doof, hoor. Sta je tegen me te fluisteren, zot dat je bent? Ik betaal je niet om te fluisteren. Zingen!

‘…DE BEER!’ donderde Boterbobbel, en zijn grote, zware stem galmde tegen de balken. ‘OP NAAR DE MARKT, KOM OOK EEN KEER. DE MARKT? ZEI HIJ, MAAR IK BEN EEN BEER, ZO ZWART EN BRUIN EN HARIG, JA ZEER!’

De gerimpelde oude dame glimlachte. ‘In Hooggaarde hebben we veel spinnen tussen de bloemen. Zolang ze zich met hun eigen zaken bemoeien laten we ze hun webjes weven, maar zodra ze gaan rondkruipen trappen we erop.’ Ze gaf Sansa een klopje op de rug van haar hand. ‘En nu de waarheid, kind. Wat voor soort man is Joffry, die zich Baratheon noemt maar zo verschrikkelijk veel op een Lannister lijkt?’

‘EN OVER DE WEG AL OP EN NEER! AL OP EN NEER! DRIE KNAPEN, EEN GEIT EN EEN DANSENDE BEER!’

Sansa’s hart klopte in haar keel. De Doornenkoningin was zo dichtbij dat ze de zure adem van de oude vrouw kon ruiken. Haar dunne, knokige vingers knepen in Sansa’s pols. Aan de andere kant luisterde Marjolij mee. Een huivering doorvoer haar. ‘Een monster,’ fluisterde ze, zo beverig dat ze haar eigen stem nauwelijks verstond. ‘Joffry is een monster. Hij loog over die slagersjongen en liet vader mijn wolf afmaken. Als ik hem mishaag laat hij mij door de Koningsgarde slaan. Hij is slecht en wreed, vrouwe, echt waar. En de koningin ook.’

Vrouwe Olenna Tyrel en haar kleindochter wisselden een blik. ‘Ach,’ zei de oude vrouw. ‘Wat jammer.’

O goden, dacht Sansa ontzet.Als Marjolij niet met hem wil trouwen, zal foff weten dat het mijn schuld is. ‘Alstublieft,’ flapte ze eruit, ‘laat de bruiloft niet afgelasten…’

‘Wees maar niet bang, kind. Heer Blaasvis is vastbesloten om Marjolij koningin te maken. En het woord van een Tyrel is meer waard dan al het goud van de Rots van Casterling. Dat was althans zo in mijn tijd. Toch word je bedankt voor de waarheid, kind.’

‘…DANSTE DE WEG NAAR DE MARKT OP EN NEER! EN HEEN! EN WEER!’ Boterbobbel sprong en brulde en stampte met zijn voeten.

‘Sansa, zou je graag in Hooggaarde op bezoek willen komen? Als Marjolij Tyrel glimlachte leek ze sprekend op haar broer Loras. ‘Alle herfstbloemen bloeien nu, en er zijn bosjes en fonteinen, lommerrijke binnenhoven en marmeren zuilengangen. Mijn vader heeft altijd zangers aan zijn hof, met betere stemmen dan Boterbobbel hier, en ook pijpers, vedelaars en harpspelers. Wij hebben de beste paarden, en plezierboten waarmee we op de Mander varen. Ga je weleens op valkenjacht, Sansa?’

‘Soms,’ gaf ze toe.

‘ZE WAS ZO LIEF EN PUUR EN TEER! DE MAAGD MET HET HAAR VOL HONINGSMEER!’

‘Je zult Hooggaarde net zo heerlijk vinden als ik, dat weet ik zeker.’ Marjolij streek een losse haarstreng van Sansa opzij. ‘Zodra je het ziet wil je nooit meer weg. En misschien hoeft dat ook niet.’

‘ZO TEER! ZO TEER! DE MAAGD MET HET HAAR VOL HONINGSMEER!’

‘Stil, kind!’ zei de Doornenkoningin scherp. ‘Sansa heeft niet eens gezegd dat ze graag op bezoek wil komen.’

‘O, maar dat wil ik wel,’ zei Sansa. Hooggaarde klonk als het oord van haar dromen, als het schone, magische hof dat ze eens had gehoopt in Koningslanding aan te treffen.

‘…ROOK DIE ZOMERSE GEUR, DE BEER! DE BEER! ZO ZWART EN BRUIN EN HARIG, JA ZEER!’

‘Maar de koningin,’ vervolgde Sansa, ‘zij zal me niet laten gaan…’

‘O jawel. Zonder Hooggaarde kunnen de Lannisters niet verwachten dat ze Joffry op de troon houden. Als mijn zoon de eikel erom vraagt zal ze geen keus hebben en zijn verzoek moeten inwilligen.’

‘Zal hij dat doen?’ vroeg Sansa. ‘Zal hij het vragen?’

Vrouwe Olenna fronste haar voorhoofd. ‘Ik zie niet in waarom we die beslissing aan hem zouden overlaten. Natuurlijk heeft hij geen flauw benul van onze ware bedoelingen.’

‘HIJ ROOK DAT GEURTJE TELKENS WEER!’

Sansa rimpelde haar voorhoofd. ‘Onze ware bedoelingen, vrouwe?’

‘HIJ SNOOF EN BRULDE EN ROOK HET, DIE BEER! DE ZOMERSE GEUR VAN HONINGSMEER!’

‘Om te zorgen dat je veilig en wel getrouwd raakt,’ zei de oude vrouw, terwijl Boterbobbel het oeroude lied uitbulderde. ‘Met mijn kleinzoon.’

Getrouwd met ser Loras, oh … Sansa hapte naar adem. Ze dacht aan Loras die haar in zijn fonkelende harnas van saffier een roos toewierp. Ser Loras in witte zij, zo zuiver, onschuldig en mooi. De kuiltjes bij zijn mondhoeken als hij glimlachte. De lieflijkheid van zijn lach, de warmte van zijn hand. Ze kon er slechts naar raden hoe het zou zijn om zijn tuniek omhoog te trekken en de gladde huid daaronder te strelen, om op haar tenen te staan en hem te kussen, om met haar vingers door die dichte bruine krullenbos te woelen en in zijn diepliggende bruine ogen te verdrinken. Er kroop een blos langs haar hals omhoog…

‘ACH, IK BEN EEN MAAGD, ZO PUUR EN TEER. NOOIT DANS IK MET EEN HARIGE BEER! EEN BEER! EEN BEER! NOOIT DANS IK MET EEN HARIGE BEER!’

‘Zou je dat wel bevallen, Sansa?’ vroeg Marjolij. ‘Ik heb nooit een zuster gehad, alleen broers. Zeg alsjeblieft ja, alsjeblieft, zeg dat je ermee instemt met mijn broer te trouwen.’

De woorden tuimelden uit haar mond. ‘Ja, dat wil ik. Er is niets wat ik liever wil dan met ser Loras trouwen, hem liefhebben…’

‘Loras?’ Vrouwe Olenna klonk geïrriteerd. ‘Wees niet zo dwaas, kind. Leden van de Koningsgarde trouwen niet. Hebben ze je dan niets geleerd op Winterfel? We hadden het over mijn kleinzoon Willas. Hij is weliswaar wat aan de oude kant voor jou, maar toch een lieve jongen. Helemaal geen eikel, en bovendien de erfgenaam van Hooggaarde.’

Het duizelde Sansa. Het ene moment was haar hoofd vol dromen over Loras geweest, het volgende moment waren ze allemaal weggeblazen. Willas? Willas? ‘Ik,’ zei ze dom. Hoofsheid is het harnas van een vrouw. Beledig ze niet. Let op je woorden. ‘Ik ken ser Willas niet. Ik heb nooit het genoegen gehad, vrouwe. Is hij… is hij net zo’n groot ridder als zijn broers?’

‘…TILDE HAAR OP EN ZETTE HAAR NIET NEER! DE BEER! DE BEER!’

‘Nee,’ zei Marjolij. ‘Hij heeft nooit de geloften afgelegd.’

Haar grootmoeder fronste. ‘Vertel het meisje de waarheid. De arme jongen is mank. Het is niet anders.’

‘Hij is als schildknaap gewond geraakt op zijn eerste toernooi,’ vertrouwde Marjolij haar toe. ‘Zijn paard viel en verbrijzelde zijn been.’

‘Dat was de schuld van die slang uit Dorne, die Oberyn Martel. En ook van zijn maester.’

‘IK RIEP OM EEN RIDDER MAAR JIJ BENT EEN BEER! EEN BEER! EEN BEER! ZO ZWART EN BRUIN EN HARIG, O ZEER!’

‘Willas heeft een slecht been maar een goed hart,’ zei Marjolij. ‘Hij las me altijd voor toen ik nog een klein meisje was en tekende plaatjes van de sterren voor me. Jij zult hem net zo lief vinden als wij, Sansa.’

‘ZE SCHOPTE EN KERMDE, DAT MEISJE TEER, MAAR HIJ, HIJ LIKTE DE HONINGSMEER. DE SMEER! DE SMEER! DE BEER DIE LIKTE DE HONINGSMEER!’

‘Wanneer kan ik kennis met hem maken?’ vroeg Sansa aarzelend.

‘Gauw,’ beloofde Marjolij. ‘Als je na de bruiloft van Joffry en mij naar Hooggaarde gaat. Mijn grootmoeder zal je meenemen.’

‘Ja, dat zal ik doen,’ zei de oude vrouw, gaf Sansa’s hand een klopje en lachte een vriendelijke, rimpelige lach.

‘ZE ZUCHTTE EN KREUNDE, KEER OP KEER! MIJN BEER, ZONG ZE, MIJN PRACHTIGE BEER! EN WEG WAREN ZE EN KWAMEN NIET WEER, DE BEER, DE BEER EN HET MEISJE TEER!’ Boterbobbel brulde de laatste regel, maakte een luchtsprong en landde op allebei zijn voeten met een klap die de wijnbekers voor hen op tafel deed wankelen. De vrouwen lachten en applaudisseerden.

‘Ik dacht dat dat vreselijke lied nooit meer zou ophouden,’ zei de Doornenkoningin. ‘Maar kijk eens aan, daar komt mijn kaas.’

Jon

De wereld was een grijze duisternis die naar naaldhout, mos en kou rook. Fletse nevels stegen van de zwarte aarde op, terwijl de ruiters zich tussen de spaarzame rotsen en schriele bomen een weg omlaag zochten naar de wenkende vuren die als juwelen over de bodem van het rivierdal uitgestrooid waren. Er waren meer vuren dan Jon Sneeuw kon tellen, honderden vuren, duizenden, een tweede rivier van flakkerende lichtjes langs de oevers van het ijswitte Melkwater. De vingers van zijn zwaardhand openden en sloten zich.

Ze daalden zonder banieren of trompetten de bergkam af. De stilte werd slechts verbroken door het verre gedruis van de rivier, het klepperen van paardenhoeven en het rammelen van Ratelhemds benen wapenrusting. Ergens in de lucht zweefde op grote, grijsblauwe vleugels een arend, met beneden hem mensen, honden, en één witte schrikwolf.

Een steen, los getrapt door een passerende hoef, stuiterde de helling af, en Jon zag hoe Spook bij dat plotselinge geluid zijn kop omdraaide. Hij had de ruiters zoals gebruikelijk de hele dag op een afstandje gevolgd, maar zodra de maan boven de krijgsdennen uitsteeg was hij komen aandraven, een gloed in zijn rode ogen. De honden van Ratelhemd begroetten hem zoals altijd met een koor van grauwen en snauwen en woest geblaf, maar de schrikwolf negeerde ze. Zes dagen geleden had de grootste jachthond hem van achteren aangevallen toen de wildlingen hun kamp voor de nacht opsloegen, maar Spook had zich omgedraaid en toegehapt, en de hond was afgedropen met een bebloede dij. Daarna had de rest van de meute een gezonde afstand bewaard.

De garron van Jon Sneeuw hinnikte zachtjes, maar liet zich snel kalmeren door een aanraking en een sussend woord. Jon wilde dat zijn eigen angst zo gemakkelijk tot bedaren te brengen was. Hij was van top tot teen in het zwart gekleed, het zwart van de Nachtwacht, maar voor en achter hem reed de vijand. Wildlingen, en daar ben ik er nu één van. Ygritte droeg Qhorin Halfhands mantel. Lenyl had zijn maliënkolder, de forse speervrouw Vodderik zijn handschoenen en een van de schutters zijn laarzen. Qhorins helm was gewonnen door de korte, lelijke man die Langspeer Ryk werd genoemd maar omdat hij slecht op diens smalle hoofd paste had Ryk ook de’ helm aan Ygritte gegeven. En Ratelhemd had Qhorins botten in zijn buidel, en ook het bebloede hoofd van Ebben, die samen met Jon op weg was gegaan om de Snerpende Pas te verkennen. Dood, allemaal dood, behalve ik, en ik ben dood voor de wereld.

Ygritte reed vlak achter hem en Langspeer Ryk voor hem. De Beenderheer had die twee als zijn bewakers aangewezen. ‘Als die kraai vlucht kook ik jullie botten ook,’ had hij hen gewaarschuwd toen ze op weg gingen, glimlachend van achter de scheve tanden van de reuzenschedel die hij als helm droeg.

Ygritte had gefloten. ‘Wou jij hem soms bewaken? Als je wilt dat wij het doen, laat ons dan met rust, dan doen we het.’

Dit is inderdaad een vrij volk, zag Jon. Ratelhemd mocht hen dan aanvoeren, ze aarzelden geen van allen hem een grote mond te geven.

De leider van de wildlingen staarde hem onvrIendelIjk aan. ‘Misschien dat je de anderen voor het lapje hebt gehouden, kraai, maar denk maar niet dat je Mans iets wijs kunt maken. Eén blik, en hij ziet dat je een bedrieger bent. En dan maak ik een mantel van die wolf van je, en ik snij je zachte jongensbuik open en naai er een wezel in.’

Jons zwaardhand opende en sloot zich, en hij kromde de verbrande vingers die in de handschoen staken, maar Langspeer Ryk lachte alleen maar. ‘En waar wou jij met die sneeuw een wezel vandaan halen?’

Die eerste nacht, na een lange dag te paard, hadden ze hun kamp opgeslagen in een ondiepe stenen kom op een naamloze berg. Toen de sneeuw begon te vallen waren ze dicht bij het vuur gekropen. Jon keek toe hoe de vlokken smolten als ze boven de vlammen zweefden. Ondanks alle lagen wol, bont en leer was hij tot op het bot verkild. Toen ze had gegeten kwam Ygritte naast hem zitten, haar kap over haar hoofd en haar mouwen voor de warmte over haar handen getrokken. ‘Als Mans hoort hoe je met de Halfhand hebt afgerekend neemt hij je zó,’ vertelde ze hem.

‘Als wat?’

Het meisje lachte minachtend. ‘Als een van ons. Dacht je dat jij de eerste kraai was die ooit van de muur weggevlogen was? In jullie hart willen jullie allemaal in vrijheid vliegen.’

‘En als ik vrij ben,’ zei hij langzaam, ‘ben ik dan vrij om te vertrekken?’

‘Natuurlijk.’ Ondanks haar scheve tanden was haar glimlach warm. ‘En dan zijn wij weer vrij om je te doden. Vrij zijn is geváárlijk, maar de meesten krijgen de smaak op den duur wel te pakken.’ Ze legde haar gehandschoende hand op zijn been, vlak boven de knie. ‘Je zult het. nog wel zien.’

Zeker, dacht Jon. Ik zal zien, horen en ontdekken, en daarna neem ik mijn kennis mee terug naar de Muur. De wildlingen hielden hem voor een eed breker, maar in zijn hart was hij nog steeds een man van de Nachtwacht, die de laatste plicht vervulde die Qhorin Halfhand hem had opgelegd. Voordat ik hem doodde.

Onder aan de helling kwamen ze bij een stroompje dat vanuit de uitlopers van de bergen naar het Melkwater afdaalde. Het leek een en al steen en glas, al konden ze onder het bevroren oppervlak het geluid van stromend water horen. Ratelhemd leidde hen eroverheen, zodat de dunne ijskorst brak.

Mans Roovers voorrijders sloten hen in toen ze op de wal waren. Jon mat ze met zijn blikken: acht ruiters, zowel mannen als vrouwen, gekleed in bont en verhard leer, met hier en daar een helm of maliën. Ze waren bewapend met speren en in het vuur geharde lansen, op hun leider na, een vlezige, blonde man met waterige oogjes die een grote, kromme zeis van gewet staal droeg. De Huiler, wist hij meteen. De zwarte broeders vertelden verhalen over deze man. Net als Ratelhemd, Harma de Hondenkop en Alfyn Kraaiendoder was hij een beruchte rover.

‘De Beenderheer,’ zei de Huiler toen hij hen zag. Hij keek naar Jon en zijn wolf. ‘En wie mag dit wel wezen?’

‘Een overgelopen kraai,’ zei Ratelhemd, die liever de Beenderheer werd genoemd, naar zijn rammelende wapenrusting. ‘Hij was bang dat ik zijn botten zou inpikken, net als die van Halfhand.’ Hij schudde met zijn zak met trofeeën naar de overige wildlingen.

‘Hij heeft Qhorin Halfhand gedood,’ zei Langspeer Ryk. ‘Samen met die wolf van hem.’

‘En Orel heeft hij ook afgemaakt,’ zei Ratelhemd.

‘Die knaap is een warg, of bijna,’ deed de grote speervrouw Vodderik een duit in het zakje. ‘Zijn wolf heeft Halfhand een stuk uit z’n been gehapt.’

De rode, waterige oogjes van de Huiler keken Jon nog eens goed aan. ‘O ja? Nu ik nog eens goed naar hem kijk heeft-ie inderdaad iets wolfachtigs over zich. Breng hem naar Mans, wie weet houdt die hem wel.’ Hij wendde zijn paard en galoppeerde weg met zijn ruiters vlak achter zich aan.

Er stond een vochtige, stevige wind toen ze de vallei van het Melkwater overstaken en achter elkaar door het rivierkamp reden. Spook bleef dicht bij Jon, maar zijn lucht ging als een heraut voor hem uit, en weldra waren ze aan alle kanten door grommende en blaffende honden van de wildlingen omringd. Lenyl schreeuwde dat ze zich koest moesten houden, maar daar trokken ze zich niets van aan. ‘Ze moeten dat beest van jou niet,’ zei Langspeer Ryk tegen Jon.

‘Zij zijn honden en hij is een wolf,’ zei Jon. ‘Ze weten dat hij geen soortgenoot is.’ Net zomin als ik jullie soortgenoot ben. Maar hij moest de opdracht in het oog houden die Quorin Halfhand hem had gegeven toen ze samen bij dat laatste vuur hadden gezeten — de rol van de overloper spelen en datgene vinden wat de wildlingen in de koude, onherbergzame wildernis van de Vorstkaken hadden gezocht. ‘Een of andere kracht, had Qhorin het tegenover de ouwe Beer genoemd, maar hij was omgekomen voordat hij had ontdekt wat het was en of Mans Roover erin geslaagd was het op te graven.

Overal langs de rivier brandden kookvuren, temidden van wagens, karren en sleeën. Veel wildlingen hadden tenten van vachten, huiden en vilt opgezet. Anderen schuilden achter een rots onder een primitief afdak of sliepen onder hun wagen. Bij één vuur zag Jon hoe een man de punten van lange houten speren hardde en op een stapel gooide. Elders oefenden twee baardige jongelieden, gekleed in verhard leer, in het stokvechten. Ze besprongen elkaar over de vlammen heen en gromden zodra er een klap viel. Een tiental vrouwen zat vlakbij in een kring, bezig om pijlen van baarden te voorzien.

Pijlen voor mijn broeders, dacht Jon. Pijlen voor mijn vaders mensen, voor de bewoners van Winterfel en de Motte van Diephout en de Laatste Haard. Pijlen voor het noorden.

Maar niet alles wat hij zag had met de oorlog te maken. Hij zag ook dansende vrouwen en hoorde een baby krijsen, en een klein jochie draafde voor zijn garron langs, van top tot teen in bont gehuld en buiten adem van het spelen. Schapen en geiten liepen ongehinderd rond, en langs de rivier sjokten ossen op zoek naar gras. Van één kookvuur steeg de geur van geroosterd schapenvlees op en boven een ander zag hij een everzwijn ronddraaien aan een houten spit.

Op een open plek tussen hoge, groene krijgsdennen steeg Ratelhemd af. ‘Hier slaan we ons kamp op,’ zei hij tegen Lenyl en Vodderik en de anderen. ‘Voeder de paarden, en dan de honden, en dan jezelf. Y gritte, Langspeer, neem die kraai mee, dan kan Mans hem zien. Daarna leggen we hem wel open.’

Ze legden de rest van de weg te voet af, langs nog meer kookvuren en nog meer tenten, op de voet gevolgd door Spook. Jon had nog nooit zoveel wildlingen gezien en vroeg zich af of hij de eerste was. Er komt geen eind aan dit kamp, peinsde hij, maar het lijken eerder honderd kampen, het ene nog kwetsbaarder dan het andere. De wildlingen, over vele mijlen verspreid, hadden geen noemenswaardige verdediging, geen kuilen en geen scherpgepunte palen, alleen groepjes voorrijders die langs de buitenrand van het kamp patrouilleerden. Elke groep of clan en ieder dorp was gewoon gestopt waar het zo uitkwam, zodra ze anderen zagen stoppen of een geschikte plek hadden gevonden. Het vrije volk. Als zijn broeders hen in deze wanorde aantroffen zouden velen die vrijheid met hun leven betalen. Zij hadden de aantallen, maar de Nachtwacht bezat de discipline, en in de strijd won discipline het negen van de tien keer van aantallen, had zijn vader eens tegen hem gezegd.

Het leed geen twijfel welke tent van de koning was. Die was drie keer zo groot als alle andere die hij had gezien, en binnen hoorde hij muziek. Net als veel kleinere tenten was deze gemaakt van aan elkaar genaaide huiden waar de haren nog op zaten, maar Mans Roovers huiden waren de ruige witte vachten van sneeuw beren. Het puntdak was bekroond met het enorme gewei van een van de reuzenelanden die ooit ongehinderd door de Zeven Koninkrijken hadden rondgezworven, ten tijde van de Eerste Mensen.

Hier troffen ze eindelijk verdedigers aan: twee wachters bij de tentflap, leunend op lange speren en met ronde leren schilden aan hun arm. Toen ze Spook zagen liet een van hen zijn speerpunt zakken en zei: ‘Dat beest blijft buiten.’

‘Spook, blijf,’ beval Jon. De schrikwolf ging zitten.

‘Langspeer, hou dat beest in de gaten.’ Ratelhemd rukte de tent open en gebaarde dat Jon en Ygritte naar binnen moesten gaan.

In de tent was het warm en rokerig. In de vier hoeken stonden korven met brandende turf die een flauw, rossig licht verspreidden. Nog meer vachten lagen als tapijten op de grond. Jon voelde zich volslagen alleen zoals hij daar stond in zijn zwarte kleren, wachtend op wat het de overloper die zich de Koning-achter-de-Muur noemde zou behagen te doen. Toen zijn ogen aan de rokerige, rode schemering gewend waren zag hij zes mensen die hem geen van allen enige aandacht schonken. Een donkere jongeman en een knappe blonde vrouw zaten samen uit een hoorn mede te drinken. Een zwangere vrouw stond boven een komfoor een stel kippen te braden, terwijl een man met grijs haar en een gerafelde zwart-rode mantel om met gekruiste benen op een kussen een luit bespeelde en zong:

De vrouw van de Dorner was schoon als de zon,
en haar kus als de lente zo lieflijk
maar het mes van de Dorner was zwart en van staal,
en dat kuste heel ongerieflijk.

Jon kende het lied, al was het vreemd om het hier te horen, in een ruige tent van huiden achter de Muur, vele tienduizenden mijlen van de rode bergen en de warme winden van Dome.

Ratelhemd nam zijn vergeelde helm af, terwijl hij het slot van het lied afwachtte. Onder zijn wapenrusting van botten en leer was hij klein van stuk, en het gezicht onder de reuzen schedel was doodgewoon, met een knobbelkin, een dun snorretje, tanige, ingevallen wangen en dicht bij elkaar staande ogen. Eén wenkbrauw kroop zijn hele voorhoofd over, waarop het donkere, dunner wordende haar bij de slapen ver naar achteren week.

De vrouw van de Dorner zong altijd in bad,
zo zoetgevooisd en zo puur,
maar het mes van de Dorner zong ook een lied,
en het kerfde als bijtend zuur.

Naast het komfoor zat een bijna vierkante man op een kruk kip van het spit te eten. Het hete vet droop over zijn kin in zijn witte baard maar hij bleef tevreden glimlachen. Om zijn massieve armen zaten brede gouden banden met runen erin gekerfd en hij had een zwaar maliënhemd van zwarte ringetjes aan dat alleen maar van een dode wachtruiter afkomstig kon zijn. Een paar voet verderop stond een langere, slanke re man in een leren hemd met bronzen schubben erop genaaid fronsend over een landkaart gebogen, een tweehandsslagzwaard in een leren schede schuin over zijn rug. Hij was recht als een speer, een en al lange, ijzersterke spieren, zonder baard of snor, kaal, met een lange rechte neus en diepliggende grijze ogen. Als hij oren had gehad zou hij zelfs knap zijn geweest, maar hij was ze ergens in zijn leven kwijtgeraakt, aan de vorst of aan het mes van een vijand, daar had Jon geen idee van. Doordat ze ontbraken leek het hoofd van de man smal en puntig.

Zowel de witbaard als de kale waren krijgers, dat was Jon op het eerste gezicht duidelijk. Die twee zijn heel wat gevaarlijker dan Ratelhemd. Hij vroeg zich af wie van de twee Mans Roover was.

En toen hij daar lag, in donker gehuld,
toen proefde hij bloed op zijn tong.
Zijn broeders knielden en baden voor hem,
en hij glimlachte, en hij zong:
‘Broeders, o broeders, de Dorner heeft
mij wel met zijn mes overtroefd,
maar ach, eens sterven we allemaal,
en ik heb zijn vrouw nog geproefd!’

Toen de laatste tonen van ‘De vrouw van de Dorner’ wegstierven keek de kale man zonder oren van zijn kaart op en wierp Ratelhemd en Ygritte, met Jon tussen hen in, een zeer duistere blik toe. ‘Wat is dat nou?’ zei hij. ‘Een kraai?’

‘De zwarte bastaard die Orel heeft opengelegd,’ zei Ratelhemd, ‘en bovendien nog zo’n rotwarg.’

‘Jullie hadden opdracht ze allemaal te doden.’

‘Deze is overgelopen,’ legde Ygritte uit. ‘Hij heeft Qhorin Halfhand eigenhandig verslagen.’

‘Die jongen?’ Dat nieuws wekte de woede van de man zonder oren. ‘De Halfhand was van mij. Heb je ook een naam, kraai?’

‘Jon Sneeuw, uwe genade.’ Hij vroeg zich af of hij ook moest knielen.

De man met de baard lachte zo hard dat de stukjes kip alle kanten op vlogen. Met de rug van een enorme hand veegde hij het vet van zijn mond. ‘Die jongen moet blind zijn. Wie heeft er ooit van een koning zonder oren gehoord! Zijn kroon zou meteen naar zijn nek zakken! Ha!’ Hij grijnsde tegen Jon en veegde zijn vingers aan zijn broek af. ‘Doe je snavel dicht, kraai. Keer je eens om, misschien vind je dan degene die je zoekt.’

Jon keerde zich om.

De zanger kwam overeind. ‘Ik ben Mans Roover,’ zei hij en hij legde de luit weg. ‘En jij bent de bastaard van Ned Stark, de Sneeuw van Winterfel.’

Heel even was Jon letterlijk sprakeloos. Toen herstelde hij zich zodanig dat hij kon zeggen. ‘Hoe… hoe wist u…’

‘Dat vertel ik je later wel,’ zei Mans Roover. ‘Hoe vond je het lied, jongen?’

‘Heel aardig. Ik had het al eens eerder gehoord.’

‘Maar ach, eens sterven we allemaal,’ zei de Koning-achter-de-Muur luchtig, ‘en ik heb zijn vrouw geproefd. Vertel eens, spreekt de Beenderheer de waarheid? Heb je mijn oude vriend de Halfhand gedood?’

‘Ja.’ Al kwam dat meer door hemzelf dan door mij.

‘De Schaduwtoren zal nooit meer zo vreeswekkend lijken,’ zei de koning op treurige toon. ‘Qhorin was mijn vijand, maar ooit was hij mijn broeder. Dus… moet ik je voor zijn dood bedanken, Jon Sneeuw, of vervloeken?’ Hij wierp Jon een spottende glimlach toe.

De Koning-achter-de-Muur leek absoluut niet op een koning, en zelfs niet echt op een wildling. Hij was van gemiddelde lengte, met een scherp gezicht, verstandige bruine ogen en lang bruin haar dat grotendeels grijs geworden was. Op zijn hoofd had hij geen kroon, noch gouden ringen om zijn armen, noch juwelen om zijn hals. Zelfs de glans van zilver ontbrak. Hij droeg wol en leer, en zijn enige opvallende kledingstuk was de gerafelde zwarte wollen mantel waarvan de lange scheuren met repen verschoten rode zijde gelapt waren.

‘U zou mij moeten bedanken voor de dood van uw vijand,’ zei Jon ten slotte, ‘en vervloeken om de dood van uw vriend.’

‘Ha!’ bulderde de witbaard. ‘Goed geantwoord.’

‘Inderdaad.’ Mans Roover wenkte Jon naderbij. ‘Als je je bij ons wilt aansluiten kun je beter weten wie we zijn. De man die je voor mij aanzag is Styr, de Magnar van Thenn. Magnar betekent “heer” in de Oude Taal.’ De man zonder oren keek Jon kil aan, terwijl Mans zich naar die met de witte baard toekeerde. ‘Onze woeste kippenschranser hier is mijn trouwe Tormund. De vrouw…’

Tormund kwam overeind. ‘Hola. Je hebt Styr met titel en al voorgesteld, doe dat dan ook bij mij.’

Mans Roover lachte. ‘Zoals je wilt. Jon Sneeuw, voor je staat Tormund Reuzendoder, Sterkverhaler, Hoornblazer en IJsbreker. En hier eveneens Tormund Dondervuist, Berengemaal, de Medevorst van Rossighal, Spreker met Goden en Vader der Heerscharen.’

‘Dat lijkt er meer op,’ zei Tormund. ‘Welkom, Jon Sneeuw. Het geval wil dat ik erg gesteld ben op wargs, zij het niet op Starks.’

‘De goede vrouw bij het komfoor,’ vervolgde Mans Roover, ‘is Dalla.’ De zwangere vrouw glimlachte verlegen. ‘Behandel haar als een koningin, ze draagt mijn kind.’ Hij keerde zich naar de laatste twee toe. ‘Deze schoonheid is haar zuster Val. De jeugdige Jarl, naast haar, is haar meest recente knuffel.’

‘Ik ben niemands knuffel,’ zei Jarl, donker en fel.

‘Val is toch niet niemand,’ snoof Tormund met de witte baard. ‘Dat zou je moeten weten.’

‘Dat zijn we dus, Jon Sneeuw,’ zei Mans Roover. ‘De Koning-achter-de-Muur en zijn hofhouding van het ogenblik. En nu lijkt het me tijd dat jij ook eens iets vertelt. Waar kom je vandaan?’

‘Winterfel,’ zei hij, ‘via slot Zwart.’

‘En wat voert je het Melkwater langs, zo ver van de huiselijke haard?’ Hij wachtte Jons antwoord niet af, maar keek meteen naar Ratelhemd. ‘Met hoeveel waren ze?’

‘Vijf. Drie zijn er dood, en de jongen is hier. De laatste is een bergflank op geklommen die onbegaanbaar was voor paarden.’ Roovers ogen keken weer in die van Jon. ‘Waren er echt maar vijf? Of sluipen er nog meer broeders van je rond?’

‘We waren met vier man plus de Halfhand. Qhorin was twintig gewone mannen waard.’

Daar moest de Koning-achter-de-Muur om glimlachen. ‘Sommigen dachten er zo over, ja. Toch… een jongen uit slot Zwart, met wachtruiters uit de Schaduwtoren? Hoe is dat zo gekomen?’

Jon had zijn leugen al helemaal klaar. ‘De opperbevelhebber had me naar de Halfhand gestuurd om gehard te worden, dus nam hij me mee op zijn wachtrit.’

Dat ontlokte Styr de Magnar een frons. ‘Een wachtrit, zeg je… waarom gaan kraaien wachtrijden in de Snerpende Pas?’

‘De dorpen waren verlaten,’ zei Jon naar waarheid. ‘Het was net of heel het vrije volk was verdwenen.’

‘Verdwenen, inderdaad,’ zei Mans Roover. ‘En niet alleen het vrije volk. Wie heeft jullie verteld waar wij waren, Jon Sneeuw?’

Tormund snoof. ‘Dat was Craster, of ik ben een blozende maagd. Ik zei toch al dat die kerel een kopje kleiner gemaakt moest worden, Mans!’

De koning wierp de oudere man een geërgerde blik toe. ‘Tormund, denk nou eens na voor je iets zegt. Ik weet best dat het Craster was. Ik vroeg het aan Jon om te zien of hij de waarheid zou spreken.’

‘Ha!’ Tormund spuwde. ‘Dat heb ik dan mooi verpest!’ Hij grijnsde Jon toe. ‘Kijk, jochie, dat is nou waarom hij koning is en ik niet. Ik kan beter drinken, beter vechten en beter zingen dan hij, en mijn lid is drie keer zo lang als het zijne, maar Mans is sluw. Hij heeft voor kraai geleerd, en kraaien zijn sluwe vogels.’

‘Ik zou graag alleen met de jongen spreken, Beenderheer,’ zei Mans Roover tegen Ratelhemd. ‘Willen jullie allemaal weggaan?’

‘Wat, ik ook?’ zei Tormund.

‘Nee, vooral jij,’ zei Mans.

‘Ik eet niet in een zaal waar ik niet welkom ben.’ Tormund stond op. ‘Ik en mijn kippetjes gaan ervandoor.’ Hij graaide nog een kip van het komfoor, propte die in een zak die in de voering van zijn mantel genaaid was, zei: ‘Ha!’ en vertrok, terwijl hij zijn vingers aflikte. De overigen volgden hem naar buiten, op de vrouw Dalla na.

‘Ga zitten, als je wilt,’ zei Roover toen ze weg waren. ‘Heb je honger? Tormund heeft in ieder geval nog twee vogels laten liggen.’

‘Ik zou graag iets eten, uwe genade. En dank u.’

‘Uwe genade?’ De koning glimlachte. ‘Dat is geen titel die het vrije volk vaak in de mond neemt. De meesten noemen me Mans, sommigen de Mans. Wil je een hoorn mede?’

‘Graag,’ zei Jon.

De koning schonk zelf in, terwijl Dalla de knapperige kippen doorsneed en hen allebei een halve bracht. Jon pelde zijn handschoenen af en at met zijn vingers. Hij zoog het vlees tot en met het laatste flintertje van de botten.

‘Tormund sprak een waar woord,’ zei Mans Roover, terwijl hij een brood doormidden brak. ‘Zwarte kraaien zijn sluwe vogels, dat is zo… maar ik was al een kraai toen jij niet groter was dan het kind in Dalla’s buik, Jon Sneeuw. Dus probeer mij niet te slim af te zijn.’

‘Zoals u zegt, uwe… Mans.’

De koning lachte. ‘Uwe Mans! Waarom ook niet? Ik had je beloofd te vertellen hoe ik je kende. Heb je dat al uitgepuzzeld?’

Jon schudde zijn hoofd. ‘Had Ratelhemd een bericht gestuurd?’

‘Met een vogel? Wij hebben geen afgerichte raven. Nee. Ik kende je van gezicht. Ik had je eerder gezien. Twee keer.’

Eerst begreep Jon er niets van, maar toen hij erover nadacht begon het hem te dagen. ‘Als broeder van de Nachtwacht…’

‘Heel goed! Ja, dat was de eerste keer. Jij was nog een jongen, en ik was helemaal in het zwart, een lid van het groepje ruiters dat de vorige opperbevelhebber Qorgyl begeleidde toen hij naar Winterfel ging om je vader te bezoeken. Ik liep over de muur om de binnenplaats toen ik op jou en je broer Robb stuitte. Het had de nacht daarvoor gesneeuwd en jullie hadden een grote berg boven de poort gemaakt en wachtten tot iemand daar onderdoor zou lopen.’

‘Dat weet ik nog,’ zei Jon met een verrast lachje. ‘Een jonge zwarte broeder op de weergang, ja… Je beloofde plechtig het niet te vertellen.’

‘En ik hield mijn gelofte. Die althans wel.’

‘We smeten de sneeuw boven op Dikke Tom. De traagste van vaders wachters.’ Tom had ze naderhand de hele binnenplaats rondgejaagd, tot ze alle drie zo rood als herfstappels waren. ‘Maar je zei dat je mij twee keer had gezien? Wanneer was de tweede keer?’

‘Toen koning Robert naar Winterfel kwam om je vader tot Hand te benoemen,’ zei de Koning-achter-de-Muur luchtig.

Jon sperde ongelovig zijn ogen open. ‘Dat kan niet.’

‘Toch was het zo. Toen je vader hoorde dat de koning in aantocht was lichtte hij zijn broer Benjen op de Muur in, opdat die voor het feest naar het zuiden zou komen. Er is meer verkeer tussen de zwarte broeders en het vrije volk dan jij weet, en het duurde niet lang of dat bericht kwam ook mij ter ore. De kans was te mooi om voorbij te laten gaan. Je oom kende me niet van gezicht, dus van die kant had ik niets te vrezen, en het leek me onwaarschijnlijk dat je vader zich een jonge kraai zou herinneren die hij jaren geleden heel even had gezien. Ik wilde die Robert met eigen ogen aanschouwen, zoals de ene koning de andere, en verder wilde ik weten wat ik aan je oom Benjen had. Hij was inmiddels Eerste Wachtruiter en een plaag voor mijn volk. Dus zadelde ik mijn snelste paard en reed eropuit.’

‘Maar,’ wierp Jon tegen, ‘de Muur…’

‘De Muur kan een leger tegenhouden, maar geen enkeling. Ik nam een luit en een zak zilver mee, klom bij de Lange Terp over het ijs, legde een mijl of tien te voet af ten zuiden van de Nieuwe Gift, en kocht een paard. Al met al schoot ik veel sneller op dan Robert, die met een loodzware, reusachtige koets reisde om zijn koningin van alle comfort te voorzien. Ik trof hem een dagreis ten: zuiden van Winterfel aan en voegde me bij zijn gezelschap. Vrij ruiters en hagenridders mogen zich altijd graag bij een koninklijke stoet aansluiten in de hoop dat de koning ze in dienst neemt, en dankzij mijn luit werd ik moeiteloos geaccepteerd.’ Hij lachte. ‘Ik ken alle schuine liedjes die ooit ten noorden of ten zuiden van de Muur zijn gemaakt. Dus zo zit dat. De avond dat je vader Robert onthaalde zat ik achter in zijn zaal op een bank bij de andere vrij ruiters en luisterde naar Orland van Oudstee die de hoge harp bespeelde en dode koningen onder zee bezong. Ik nuttigde je vaders vlees en mede, nam de Koningsmoordenaar en de Kobold in ogenschouw… en nam en passant ook notitie van heer Eddards kinderen en de wolvenpups die achter hen aan draafden.’

‘Bael de Bard,’ zei Jon, denkend aan het verhaal dat Ygritte hem in de Vorstkaken had verteld, de nacht dat hij haar bijna had gedood.

‘Dat zou ik wel willen. Ik zal niet ontkennen dat Baels daad mij tot de mijne inspireerde… maar het staat me niet bij dat ik een van je zusters heb gestolen. Bael schreef zijn eigen liederen en zong ze zelf. Ik zing slechts de liederen die betere mannen hebben gemaakt. Nog meer mede?’

‘Nee,’ zei Jon. ‘Als je ontdekt was… gegrepen…’

‘Dan had je vader me mijn hoofd afgehakt.’ De koning haalde zijn schouders op. ‘Hoewel ik door het gastrecht werd beschermd toen ik eenmaal aan zijn tafel had gegeten. De wetten der gastvrijheid zijn zo oud als de Eerste Mensen, en heilig als een hartboom.’ Hij gebaarde naar de tafel tussen hen in, het gebroken brood en de kippenbotten. ‘Hier ben jij de gast, en van mij heb je geen kwaad te duchten… althans niet vannacht. Dus vertel me naar waarheid, Jon Sneeuw. Ben je een lafaard die uit angst is overgelopen, of heeft een andere reden je naar mijn tent gevoerd?’

Gastrecht of niet, Jon Sneeuw wist dat hij zich hier op dun ijs bevond. Een misstap en hij zou erdoorheen zakken, in water dat koud genoeg was om zijn hart te doen stilstaan. Je moet elk woord wegen voor je het uitspreekt, vermaande hij zichzelf. Hij nam een diepe teug mede om tijd te winnen voor hij antwoord gaf. Toen hij de hoorn neerzette zei hij: ‘Zeg me waarom jij bent overgelopen, dan geef ik jou mijn reden.’

Mans Roover glimlachte, zoals Jon had gehoopt. De koning was duidelijk iemand die graag naar zichzelf luisterde. ‘Je zult vast wel verhalen over mijn desertie hebben gehoord.’

‘Volgens sommigen deed je het om een kroon, volgens anderen om een vrouw. Weer anderen zeggen dat je wildlingenbloed had.’

‘Het bloed van de wildlingen is het bloed van de Eerste Mensen, hetzelfde bloed dat in de aderen van de Starks vloeit. En wat die kroon betreft, zie jij er een?’

‘Ik zie een vrouw.’ Hij keek naar Dalla.

Mans greep haar hand en trok haar naar zich toe. ‘Mijn vrouwe treft geen blaam. Ik ontmoette haar op de terugweg van je vaders slot. De Halfhand was uit oud eikenhout gesneden, maar ik ben van vlees en bloed en heb een groot zwak voor vrouwelijk schoon… iets waarin ik niet verschil van driekwart van alle wachtbroeders. Sommige mannen die nog steeds het zwart dragen hebben tien keer zoveel vrouwen gehad als deze arme koning. Raad nog maar eens, Jon Sneeuw.’

Jon dacht even na. ‘De Halfhand zei dat je hartstochtelijk veel van wildlingenmuziek hield.’

‘Dat was zo. Nog steeds. Dat is dichter bij de waarheid, maar nog niet in de roos.’ Mans Roover stond op, maakte de gesp los die zijn mantel bijeenhield en drapeerde die over de bank. ‘Het was hierom.’

‘Om een mantel?’

‘De zwarte wollen mantel van een gezworen broeder van de Nachtwacht,’ zei de Koning-achter-de-Muur. ‘Op een dag haalden we tijdens een wachtrit een prachtige grote eland neer. We waren net bezig hem te villen toen de bloedlucht een schaduwkat uit zijn hol lokte. Ik verjoeg hem, maar niet voordat hij mijn mantel aan flarden had gescheurd. Kijk maar, hier, en daar, en daar.’ Hij grinnikte. ‘De kat haalde ook mijn arm en mijn rug open, en ik bloedde erger dan die eland. Mijn broeders vreesden dat ik dood zou zijn voordat ze me bij maester Mullin in de Schaduwtoren hadden gebracht, dus droegen ze me naar een wildlingendorp waar we een oude kruiden vrouw kenden die wat van geneeskunst wist. Zij bleek gestorven te zijn, maar haar dochter verzorgde me. Ze maakte mijn wonden schoon, naaide ze dicht en voerde me pap en drankjes tot ik genoeg was aangesterkt om weer te rijden. En ze naaide ook de scheuren in mijn mantel dicht met wat scharlakenrode zijde uit Asshai. Die had haar grootmoeder uit het wrak van een kogge gehaald die op De Bevroren Kust was aangespoeld. Het was haar grootste schat, en ze schonk hem aan mij.’ Hij sloeg de mantel weer om zijn schouders. ‘Maar in de Schaduwtoren kreeg ik een nieuwe wollen mantel uit de voorraad, zwart, zwart en met zwart afgezet, en passend bij mijn zwarte broek, zwarte laarzen, zwart wambuis en zwarte maliën. De nieuwe mantel had geen rafels, ophalen of scheuren… en vooral, geen rood. De mannen van de Nachtwacht gingen in het zwart gekleed, bracht ser Denys Mallister mij op strenge toon in herinnering, alsof ik dat vergeten was. Mijn oude mantel deugde nu alleen nog om verbrand te worden, zei hij.

Ik vertrok de volgende ochtend… naar een plek waar een kus geen misdaad was en waar een man de mantel van zijn keuze kon dragen.’ Hij sloot de gesp en ging weer zitten. ‘En jij, Jon Sneeuw?’

Jon nam nog een slok mede. Er is maar één verhaal dat hij zal geloven.’Je zegt dat je op Winterfel was, die avond dat mijn vader koning Robert onthaalde.’

‘Dat heb ik gezegd omdat het zo was.’

‘Dan heb je ons allemaal gezien. Prins Joffry en prins Tommen, prinses Myrcella, mijn broers Robb, Bran en Rickon, mijn zusters Arya en Sansa. Je hebt hen door het gangpad zien lopen met aller ogen op zich gericht en hun plaats zien innemen aan de tafel vlak voor het podium waarop de koning en de koningin gezeten waren.’

‘Dat weet ik nog.’

‘En heb je ook gezien waar ik zat, Mans?’ Hij schoof naar voren. ‘Heb je gezien waar ze de bastaard hadden neergezet?’

Mans Roover keek langdurig naar Jons gezicht. ‘Ik geloof dat we maar een nieuwe mantel voor je moeten zoeken,’ zei de koning en hij stak zijn hand uit.

Daenerys

Het langzame, gestage dreunen van trommen en het zachte suizen van de galeiriemen weerklonken over het kalme, blauwe water. In hun kielzog kreunde de grote kogge, en daartussen spanden zich de zware kabels. De zeilen van de Balerion bungelden slap en triest aan de mast. En toch was Daenerys Targaryen, die op het voorkasteel stond en toekeek hoe haar draken elkaar door een wolkenloze blauwe lucht achternazaten, gelukkiger dan ze bij haar weten ooit geweest was.

Haar Dothraki noemden de zee het gifwater, want ze wantrouwden iedere vloeistof die hun paarden niet konden drinken. Op de dag dat de drie schepen in Qarth het anker hadden gelicht had het net geleken of ze naar de hel zouden varen in plaats van naar Pentos. Haar dappere jonge bloedruiters hadden met grote witte ogen naar de verdwijnende kustlijn gestaard, alle drie vastberaden om tegenover de twee anderen geen vrees te tonen, terwijl haar dienstmaagden Irri en Jhiqui zich wanhopig aan de reling vastklampten en bij ieder golfje moesten overgeven. De rest van Dany’s minuscule khalasar bleef benedendeks en gaf de voorkeur aan de nerveuze paarden boven de angstaanjagende, landloze wereld rondom de schepen. Toen ze zes dagen na hun vertrek in een plotseling opgestoken storm terechtkwamen had ze hen door de luiken heen gehoord: de paarden die trapten en krijsten en de ruiters die met dunne, beverige stemmen begonnen te bidden zodra de Balerion deinde of stampte.

Maar Dany vreesde geen enkele storm. Daenerys Stormgeboren, werd ze genoemd, want toen zij huilend op Drakensteen ter wereld kwam had buiten de grootste storm gehuild die Westeros sinds mensenheugenis geteisterd had, een storm die zo hevig was dat de gargouilles van de slotmuren werden gerukt en haar vaders vloot aan brandhout sloegen.

De zee-engte was vaak stormachtig, en Dany was hem als meisje wel vijftig keer overgestoken toen ze van de ene vrijstad naar de andere was gevlucht om de huurmoordenaars van de Usurpator een halve stap voor te blijven. Ze hield van de zee. Ze hield van de scherpe, zilte lucht en van de weidse vergezichten die slechts door de azuurblauwe hemel koepel werden begrensd. Die maakte dat ze zich klein voelde, maar tevens vrij. Ze hield van de dolfijnen die soms met de Balerion mee zwommen en als zilverkleurige speren de golven doorkliefden, en van de vliegende vissen waarvan ze soms een glimp opvingen. Ze hield zelfs van de zeelui met al hun liederen en verhalen. Eens, op een reis naar Braavos, toen ze had toegekeken hoe de bemanning tegen een opstekende orkaan in met veel moeite een groot groen zeil had gestreken, had ze zelfs gedacht dat het heerlijk zou zijn om een zeeman te zijn. Maar toen ze dat tegen haar broer Viserys had gezegd had die aan haar haren getrokken tot ze het uitschreeuwde. ‘Jij bent het bloed van de draak,’ had hij tegen haar gegild. ‘Een draak, geen stinkende vis.’

Dat was dwaas van hem, net als zoveel andere dingen, dacht Dany. Als hij wijzer en geduldiger was geweest zou hij nu naar het westen varen om de troon waarop hij recht had te veroveren. Ze was gaan beseffen dat Viserys dom en geniepig was, maar toch miste ze hem soms. Niet de wrede zwakkeling die hij uiteindelijk was geworden, maar de broer bij wie ze soms in bed had mogen kruipen, de jongen die haar over de Zeven Koninkrijken verhaalde en haar vertelde hoeveel beter hun leven zou worden als hij eenmaal zijn kroon had opgeëist.

Naast haar dook de kapitein op. ‘Ik wou dat die Balerion net zo goed kon zweven als haar naamgenoot, uwe genade,’ zei hij in het bastaard-Valyrisch met een zwaar Pentisch accent. ‘Dan hoefden we niet te roeien of te slepen en ook niet om wind te bidden.’

‘Inderdaad, kapitein,’ antwoordde ze met een glimlach, blij dat ze de man voor zich gewonnen had. Net als zijn meester Illyrio Mopatis was kapitein Groleo een oude man uit Pentos, en bij de gedachte dat hij drie draken op zijn schip moest vervoeren was hij zo zenuwachtig geweest als een jong meisje. Langs de zij boorden hingen nog steeds vijftig emmers met zeewater, voor het geval er brand zou uitbreken. Aanvankelijk had Groleo gewild dat de draken gekooid werden en Dany had ermee ingestemd om hem gerust te stellen, maar ze hadden zich zo duidelijk miserabel gevoeld dat ze al snel van gedachten was veranderd en erop aangedrongen had om ze los te laten.

Zelfs kapitein Groleo was daar nu blij om. Er was één brandje geweest dat makkelijk geblust kon worden, maar daar stond tegenover dat er plotseling heel wat minder ratten op de Balerion waren dan eerst, toen het schip nog onder de naam Saduleon voer. En de bemanning, eens even angstig als nieuwsgierig, schepte nu een vreemde, felle trots in ‘haar’ draken. Iedereen, van kapitein tot koksmaatje, vond het prachtig om de drie te zien vliegen… maar niemand zozeer als Dany.

Dit zijn mijn kinderen, zei ze bij zichzelf, en als de maegi de waarheid heeft gesproken zijn het waarschijnlijk de enige kinderen die ik ooit zal hebben.

Viserions schubben hadden de kleur van verse room, zijn horens, vleugel beenderen en de kam op zijn rug die van donker goud dat in de zon als metaal oplichtte. Rhaegal was zomergroen en herfstbruin. Ze scheerden in grote kringen boven het schip rond, steeds hoger, want de een probeerde steeds boven de ander uit te klimmen.

Draken vielen bij voorkeur van bovenaf aan, had Dany ontdekt. Als de een tussen de ander en de zon in kwam vouwde hij zijn vleugels op en dook met veel geschreeuw omlaag. Dan tuimelden ze uit de hemel in een verstrengelde, verwarde kluwen van schubben, met happende kaken en zwiepende staarten. De eerste keer dat ze dat deden had ze gevreesd dat ze elkaar wilden doden, maar het was maar een spelletje. Zodra ze in zee plonsden lieten ze elkaar los en stegen weer op, krijsend en sissend, en dan dampte het zoute water van hun grote vleugels, die klauwend door de lucht maaiden. Drogon vloog ook rond, maar hij was uit zicht. Hij was op jacht, vele mijlen voor of achter hen.

Hij had altijd honger, haar Drogon. Hij heeft honger, en hij groeit snel. Nog een jaar, of misschien twee, en hij is groot genoeg om te berijden. Dan heb ik geen schepen meer nodig om de grote, zoute zee over te steken.

Maar die tijd was nog niet gekomen. Rhaegal en Viserion waren zo groot als kleine hondjes en Drogon maar iets groter, en de eerste de beste hond was zwaarder. Zij waren een en al vleugels, nek en staart, lichter dan ze eruit zagen. En dus was Daenerys afhankelijk van hout, wind en zeildoek om thuis te komen.

Het hout en het zeildoek hadden haar tot dusverre goede diensten bewezen, maar de wispelturige wind had verraad gepleegd. Zes dagen en nachten was het nu al windstil, en dit was de zevende dag zonder een zuchtje wind in de zeilen. Twee van de schepen die magister Illyrio achter haar aan had gezonden waren gelukkig handelsgaleien met elk tweehonderd riemen en een bemanning met sterke roeiersarmen. Maar de grote kogge Balerion was een ander verhaal, een logge zeug van een schip, een platbodem met reusachtige ruimen en enorme zeilen, maar hulpeloos bij windstilte. De Vhagar en de Meraxes hadden kabels uitgeworpen om haar op sleeptouw te nemen, maar daardoor kwamen ze nu pijnlijk traag vooruit. Alle drie de schepen waren stampvol, en zwaarbeladen.

‘Ik zie Drogon nergens,’ zei ser Jorah Mormont, terwijl hij naast haar op het voorkasteel kwam staan. ‘Is hij weer zoek?’

‘Wij zijn degenen die zoek zijn, ser. Drogon houdt niet van deze natte slakkengang, net zomin als ik.’ Haar zwarte draak, vermeteler dan de andere twee, had als eerste zijn vleugels uitgeprobeerd boven het water, was als eerste van schip tot schip gefladderd, als eerste verdwaald in een voorbij drijvende wolk … en had als eerste een prooi gedood. De vliegende vissen waren nog niet boven het wateroppervlak uitgesprongen of ze waren in een vuurstraal gehuld, omhooggegrist en verzwolgen. ‘Hoe groot wordt hij?’ vroeg Dany nieuwsgierig. ‘Weet u dat?’

‘In de Zeven Koninkrijken doen verhalen de ronde over draken die zo groot werden dat ze een reusachtige kraken uit zee konden plukken.’

Dany lachte. ‘Dat zou een wonderbaarlijk gezicht zijn.’

‘Het is maar een verhaal, khaleesi,’ zei haar verbannen ridder. ‘Ze vertellen ook verhalen over wijze oude draken die duizend jaar leefden.’

‘En hoe lang lééft een draak eigenlijk?’ Ze keek op toen Viserion laag over het schip heen scheerde, met traag klapwiekende vleugels die de slappe zeilen in beweging brachten.

Ser Jorah haalde zijn schouders op. ‘De natuurlijke levensspanne van een draak is vele malen die van een mens, als we de oude liederen mogen geloven… maar de draken waarmee men in de Zeven Koninkrijken het best bekend was, waren die van het huis Targaryen. Zij werden voor de krijg gefokt en kwamen in de krijg om. Het is niet eenvoudig om een draak te doden, maar mogelijk is het wel.’

Schildknaap Witbaard, die met één magere hand om zijn lange hardhouten staf geslagen bij het boegbeeld stond, keerde zich naar hen toe en zei: ‘Balerion, de Zwarte Verschrikking, was bij zijn dood tijdens de regering van Jaehaerys de Verzoener tweehonderd jaar oud. Hij was zo groot dat hij een hele oeros kon verzwelgen. Zolang hij voedsel en vrijheid heeft groeit een draak altijd door, uwe genade.’ Zijn naam was Arstan, maar Sterke Belwas had hem vanwege zijn bleke bakkebaarden Wit baard genoemd, en nu deed bijna iedereen dat. Hij was langer dan ser Jorah, zij het minder gespierd. Hij had lichtblauwe ogen en een lange baard, wit als sneeuw en zacht als zijde.

‘Vrijheid?’ vroeg Dany nieuwsgierig. ‘Wat bedoelt u?’

‘In Koningslanding hadden uw voorouders voor hun draken een reusachtig kasteel met een koepel gebouwd. De Drakenkuil wordt het genoemd. Het staat er nog steeds, boven op de heuvel van Rhaenys, maar tegenwoordig is het een ruïne. Dat was het verblijf van de koninklijke draken in de dagen van weleer. Het was een gewelfde ruimte met ijzeren deuren, zo breed dat er dertig ridders naast elkaar doorheen konden. Toch viel het op dat de draken in de kuil geen van allen ooit zo groot werden als hun voorvaderen. Volgens de maesters kwam dat door de muren om hen heen en de grote koepel boven hun hoofd.’

‘Als muren ons kort konden houden zouden boeren allemaal piepklein zijn en koningen zo groot als reuzen,’ zei ser Jorah. ‘Ik heb reuzen van kerels gezien die in een kot geboren waren en dwergen die in kastelen woonden.’

‘Mensen zijn mensen,’ antwoordde Witbaard. ‘Draken zijn draken.’

Ser Jorah snoof minachtend. ‘Wat diepzinnig.’ De verbannen ridder droeg de oude man geen warm hart toe, dat had hij meteen al duidelijk gemaakt. ‘Wat weet u trouwens van draken af?’

‘Niet zóveel, dat is waar. Maar ik heb een tijd in Koningslanding gediend, in de dagen dat koning Aerys de IJzeren Troon bekleedde, en ik ben onder de drakenschedels door gelopen die van de wanden van zijn troonzaal omlaag keken.’

‘Viserys sprak soms over die schedels,’ zei Dany. ‘De Usurpator heeft ze eraf gehaald en opgeborgen. Hij vond het onverdraaglijk dat ze op hem neerkeken, terwijl hij op zijn gestolen troon zat.’ Ze wenkte Witbaard dichterbij. ‘Hebt u mijn koninklijke vader ooit ontmoet?’ Koning Aerys II was al dood geweest toen zijn dochter werd geboren.

‘Ik heb die eer gehad, uwe genade.’

‘Was hij goed en mild in uw ogen?’

Witbaard deed moeite zijn gevoelens te verbergen, maar ze stonden duidelijk op zijn gezicht te lezen. ‘Zijne genade was vaak… minzaam.’

‘Vaak?’ Dany glimlachte. ‘Maar niet altijd?’

Hij kon heel hard zijn voor degenen die hij als zijn vijanden beschouwde.’

‘Een wijs man wekt nooit de vijandschap van een koning,’ zei Dany. ‘Hebt u ook mijn broer Rhaegar gekend?’

‘Men zei dat niemand prins Rhaegar ooit waarlijk kende. Maar ik heb het voorrecht gehad hem op toernooien te zien, en ik heb hem vaak zijn harp met de zilveren snaren horen bespelen.’

Ser Jorah snoof. ‘Samen met duizend anderen tijdens een of ander oogstfeest. Straks gaat u nog beweren dat u hem als schildknaap hebt gediend.’

‘Ik beweer niets van dien aard, ser. De schildknaap van prins Rhaegar was Mylis Scaep, en daarna Richard Lomuiden. Toen zij hun sporen hadden verdiend sloeg hij hen persoonlijk tot ridder, en zij bleven zijn naaste metgezellen. De jeugdige heer Conneghem was de prins ook dierbaar, maar zijn oudste vriend was Arthur Dayn.’

‘Het Zwaard van de Morgen!’ zei Dany verrukt. ‘Viserys had het vaak over zijn wonderbaarlijke witte kling. Hij zei dat ser Arthur de enige ridder in het rijk was die de evenknie van onze broer was.’

Witbaard boog het hoofd. ‘Het is niet aan mij om de woorden van prins Viserys in twijfel te trekken.’

‘Koning,’ verbeterde Dany hem. ‘Hij was koning, al heeft hij nooit geregeerd. Viserys, derde van die naam. Maar wat bedoelt u?’ Witbaards antwoord was onverwachts geweest. ‘Ser Jorah heeft Rhaegar eens de laatste draak genoemd. Dan moet hij toch als ridder zijns gelijke niet hebben gehad?’

‘Uwe genade,’ zei Witbaard, ‘de prins van Drakensteen was een machtig strijder, maar…’

‘Ga door,’ drong ze aan. ‘U kunt vrijuit spreken.’

‘Zoals u beveelt.’ De oude man leunde op zijn hardhouten staf, zijn voorhoofd gerimpeld. ‘Een krijgsman die zijn gelijke niet had … dat zijn mooie woorden, uwe genade, maar met woorden wint men geen veldslagen.’

‘Veldslagen worden met zwaarden gewonnen,’ zei ser Jorah botweg. ‘En prins Rhaegar wist hoe hij met een zwaard moest omgaan.’

‘Jazeker, ser, maar… Ik heb honderd toernooien meegemaakt en meer oorlogen dan mij wenselijk was, en hoe sterk of snel of bekwaam een ridder ook mag zijn, er is altijd wel iemand tegen hem opgewassen. :f,en man kan het ene toernooi winnen en in het volgende snel afvallen. Een gladde plek in het gras kan de nederlaag brengen, of wat iemand de avond tevoren heeft gegeten. Het draaien van de wind kan de overwinning brengen.’ Hij wierp ser Jorah een blik toe. ‘Of het gunstbewijs van een dame, om de arm van een man geknoopt.’

Mormonts gezicht werd donker. ‘Let op je woorden, oude man.’

Arstan had ser Jorah in Lannispoort zien vechten, wist Dany, in het toernooi dat Mormont had gewonnen met het gunstbewijs van een dame om zijn arm geknoopt. Ook de dame had hij gewonnen, Lynesse van het huis Hoogtoren, zijn tweede echtgenote, hooggeboren en mooi… maar ze had hem geruïneerd en verlaten en riep nu bittere herinneringen bij hem op. ‘Kalm aan, mijn ridder.’ Ze legde een hand op Jorahs arm. ‘Het was beslist niet Arstans bedoeling om aanstoot te geven.’

‘Zoals u zegt, khaleesi,’ zei ser Jorah met tegenzin.

Dany keerde zich weer naar de schildknaap. ‘Ik weet weinig van Rhaegar af. Alleen de verhalen die Viserys me heeft verteld, en hij was een kleine jongen toen onze broer de dood vond. Hoe was hij werkelijk?’

De oude man dacht even na. ‘Bekwaam. Dat vooral. Vastberaden, bezonnen, plichtsgetrouw, doelbewust. Er gaat een verhaal over hem… maar dat kent ser Jorah ongetwijfeld ook.’

‘Ik wil het graag van u horen.’

‘Zoals u wenst,’ zei Witbaard. ‘Als jonge knaap was de prins van Drakensteen een vreselijke boekenwurm. Hij kon al zo jong lezen dat de mensen zeiden dat koningin Rhaella een paar boeken en een kaars moest hebben ingeslikt toen hij nog in de moederschoot zat. Rhaegar was niet in de spelletjes van andere kinderen geïnteresseerd. De maesters waren diep onder de indruk van zijn verstand maar zijn vaders ridders verklaarden spottend dat Baelor de Gezegende wedergeboren was. Tot prins Rhaegar op een dag iets in zijn boekrollen aantrof dat hem veranderde. Niemand weet wat het geweest kan zijn, alleen dat de jongen plotseling op een ochtend op het binnenplein verscheen, terwijl de ridders zich in staal hulden. Hij liep naar ser Willem Darring, de wapenmeester, en zei: “Ik heb een zwaard en een harnas nodig. Het schijnt dat ik een krijgsman moet wezen.” ’

‘En dat was hij ook!’ zei Dany verrukt.

‘Dat was hij inderdaad.’ Witbaard boog. ‘Verschoning, uwe genade. Wij spreken van krijgslieden, en daar zie ik dat Sterke Belwas is opgestaan. Hij heeft mijn diensten nodig.’

Dany keek naar het achterschip. Ondanks zijn omvang klauterde de eunuch lenig midscheeps door het ruim. Belwas was gedrongen maar breed, een dikke tweehonderd pond vet en spieren, en verbleekte witte littekens liepen kriskras over zijn bruine bast. Hij droeg een wijde broek, een geelzijden sjerp om zijn middel en een absurd klein leren vestje, bezet met ijzeren noppen. ‘Sterke Belwas heeft honger!’ brulde hij tegen iedereen en niemand in het bijzonder. ‘Sterke Belwas wil nu eten!’ Hij draaide zich om en zag Arstan op het voorkasteel staan. ‘Witbaard! Ga eten halen voor Sterke Belwas!’

‘U kunt gaan,’ zei Dany tegen de schildknaap. Hij boog nogmaals en liep weg om in de noden te voorzien van de man die hij diende.

Ser Jorah bezag het met een frons op zijn grove, eerlijke gezicht. Mormont was groot en fors en had stevige kaken en massieve schouders. Bepaald geen knappe man, maar de trouwste vriend die Dany ooit had gehad. ‘U kunt de woorden van die oude man beter met een flinke korrel zout nemen,’ zei hij tegen haar toen Witbaard buiten gehoorsafstand was.

‘Een koningin moet naar iedereen luisteren,’ hield ze hem voor. ‘Hoog of laag, sterk of zwak, nobel of veil. Eén stem moge wellicht vals spreken, maar in vele is altijd iets waars te vinden.’ Dat had ze in een boek gelezen.

‘Luister dan naar mijn stem, uwe genade,’ zei de balling. ‘Die Arstan Witbaard klinkt vals. Hij is te oud om schildknaap te zijn en te welbespraakt om die lomperik van een eunuch te dienen.’

Dat is wel merkwaardig, moest Dany toegeven. Sterke Belwas was een voormalige slaaf, grootgebracht en opgeleid in de vechtkuilen van Mereen. Magister Illyrio had hem gezonden om over haar te waken, of dat beweerde Belwas althans, en het was waar dat ze wakers nodig had. De Usurpator op zijn IJzeren Troon had de man die haar doodde land en titels beloofd. Er was al één poging gedaan, met een beker vergiftigde wijn. Hoe dichter ze Westeros naderde, des te meer nam de waarschijnlijkheid van nog een aanslag toe. Toen ze nog in Qarth was had Pyat Pree de heksenmeester een Spijtige Man op haar af gezonden om de Onsterfelijken te wreken die ze in hun eigen Stofpaleis verbrand had. Heksenmeesters vergaten nimmer een hun aangedaan onrecht, zei men, en de Spijtige Mannen waren altijd dodelijk. De meeste Dothraki had ze ook tegen zich. De ko’s van Khal Drogo leidden nu hun eigen khalasars, en geen daarvan zou aarzelen haar eigen kleine troepje bij de eerste aanblik aan te vallen om haar volk te doden en tot slaaf te maken, en Dany zelf terug te slepen naar Vaes Dothrak om haar plaats temidden van de verdorde wijfjes van de dosh khaleen in te nemen, zoals het hoorde. Ze hoopte dat Xaro Xhoan Daxos geen vijand was, maar de Qarthijnse koopman had wel haar draken willen hebben. En dan was er Quaith van de Schaduw, die vreemde vrouw met het rode lakmasker met al haar raadselachtige adviezen. Was zij ook een vijand, of slechts een gevaarlijke vriend? Dany zou het niet weten.

Ser Jorah heeft me van de gifmenger gered, en Arstan Witbaard van de manticora. Misschien redt Sterke Belwas me van de volgende. Hij was er reusachtig genoeg voor, met armen als kleine bomen en een grote kromme arakh die zo scherp was dat hij zich ermee had kunnen scheren in het onwaarschijnlijke geval dat er op die gladde bruine wangen haar ging groeien. Toch was hij ook kinderlijk. Als beschermer laat hij veel te wensen over. Gelukkig heb ik ser Jorah en mijn bloedruiters. En mijn draken, niet te vergeten. Te zijner tijd zouden haar draken haar meest geduchte behoeders zijn, zoals ze dat driehonderd jaar geleden voor Aegon de Veroveraar en zijn zusters waren geweest. Maar op dit moment waren ze eerder een gevaar dan dat ze bescherming boden. Er waren maar drie levende draken in de hele wereld en die waren van haar. Ze waren wonderbaarlijk, verschrikkelijk en onbetaalbaar.

Ze dacht net na over haar volgende woorden toen ze een koele adem in haar nek voelde. Een losse streng van haar zilvergouden haar gleed over haar voorhoofd. Boven haar kraakte en bewoog het zeildoek en plotseling stegen er overal op de Balerion luide kreten op. ‘Wind!’ riepen de zeelieden. ‘De wind is er weer, de wind!’

Dany keek op naar de zeilen van de grote kogge, die flapperden en opbolden, terwijl de touwen zich sidderend spanden en het lieflijke lied zongen dat ze zes lange dagen zo node hadden gemist. Kapitein Groleo rende onder het schreeuwen van bevelen naar het achterschip. Diegenen van de Pentoshi die niet juichten klauterden haastig de mast in. Zelfs Sterke Belwas slaakte een grote brul en maakte een klein dansje. ‘De goden zijn goed!’ zei Dany. ‘Ziet u, ser Jorah? We zijn weer onderweg.’

‘Ja,’ zei hij, ‘maar waarheen, mijn koningin?’

Die hele dag waaide de wind, eerst gestaag uit het oosten, toen met wilde vlagen. De zon ging onder in een rode gloed. Ik ben nog steeds een halve wereld van Westeros verwijderd, hield Dany zichzelf voor, maar ik kom uur na uur dichterbij. Ze probeerde zich voor te stellen hoe het zou voelen als ze voor het eerst het land zag waarover ze door geboorte was voorbestemd te heersen. Het zal de mooiste kust zijn die ik ooit heb gezien. Dat weet ik zeker. Hoe zou het anders kunnen zijn?

Maar later die nacht, terwijl de Balerion voortstampte door het donker en Dany met gekruiste benen op haar brits in de hut van de kapitein haar draken voerde — ‘Zelfs op zee,’ had Groleo zo elegant gezegd, ‘hebben koninginnen voorrang boven kapiteins,’ — werd er hard op de deur geklopt.

Irri had liggen slapen aan het voeteneind van haar brits (die te smal was voor drie, en vannacht was het Jhiqui’s beurt om het zachte veren bed met haar khaleesi te delen}, maar de dienstmaagd werd wakker van de klop en liep naar de deur. Dany trok een deken op en stopte die in onder haar oksels. Ze was naakt en had op dit uur geen bezoek meer verwacht. ‘Kom,’ zei ze, toen ze buiten onder een zwaaiende lantaarn ser J or ah zag staan.

De verbannen ridder trok zijn hoofd in toen hij binnenkwam. ‘Uwe genade, vergeef mij dat ik u stoor in uw slaap.’

‘Ik sliep niet, ser. Komt u maar kijken.’ Ze nam een brok zout varkensvlees uit de schaal op haar schoot en hield die omhoog voor haar draken. Ze keken er alle drie hongerig naar. Rhaegal spreidde zijn groene vleugels en bracht de lucht in beweging en Viserions hals wiegde heen en weer als een lange, bleke slang toen hij de beweging van haar hand volgde. ‘Drogon,’ zei Dany zacht, ‘dracarys.’ En ze wierp het varkensvlees in de lucht.

Drogon was sneller dan een toeslaande cobra. Vlammen loeiden uit zijn muil, oranje, scharlakenrood en zwart, en verzengden het vlees nog voor het viel. Toen zijn scherpe zwarte tanden eromheen dichtklapten schoot Rhaegals kop toe, alsof hij de buit uit de kaken van zijn broer wilde stelen, maar Drogon slikte en krijste, en het kleinere groene draakje kon alleen maar teleurgesteld sissen.

‘Niet doen, Rhaegal,’ zei Dany geërgerd en ze gaf hem een tik op zijn kop. ‘Jij hebt het vorige stuk gekregen. Gulzige draken wil ik niet hebben.’ Ze glimlachte tegen ser Jorah. ‘Ik hoef hun vlees niet meer boven een komfoortje dicht te schroeien.’

‘Dat zie ik. Dracarys?’

Bij het horen van dat woord draaiden alle drie de draken hun kop om, en Viserion liet een wolk bleekgouden vuur ontsnappen, zodat ser Jorah haastig een stapje achteruit deed. Dany giechelde. ‘Voorzichtig met dat woord, ser, of ze schroeien uw baard er nog af. Het betekent “drakenvuur” in het Hoog Valyrisch. Ik wilde een commando kiezen dat iemand niet gauw per ongeluk zou uitspreken.’

Mormont knikte. ‘Uwe genade,’ zei hij, ‘zou ik misschien even met u onder vier ogen kunnen praten?’

‘Natuurlijk. Irri, wil je eventjes weggaan?’ Ze legde een hand op Jhiqui’s naakte schouder en schudde de andere dienstmaagd wakker. ‘Jij ook, liefje. Ser Jorah moet mij spreken.’

‘Ja, khaleesi.’ Jhiqui liet zich naakt en geeuwend van de brits rollen en haar dikke zwarte haar zwierde om haar hoofd. Snel kleedde ze zich aan, ging samen met Irri weg en trok de deur achter zich dicht.

Dany gaf de draken de rest van het zoute varkensvlees om over te kibbelen, en klopte naast zich op het bed. ‘Neem plaats, waarde ser, en vertel me wat u dwarszit.’

‘Drie dingen.’ Ser Jorah ging zitten. ‘Sterke Belwas. Die Arstan Witbaard. En Illyrio Mopatis, die hen heeft gestuurd.’

Alweer? Dany trok de deken wat hoger op en sloeg het ene uiteinde over haar schouder. ‘En waarom?’ .

‘De heksenmeesters in Qarth hebben gezegd dat u driemaal verraden zou worden,’ bracht de verbannen ridder haar in herinnering, terwijl Viserion en Rhaegal naar elkaar begonnen te bijten en te klauwen.

‘Eenmaal om bloed, eenmaal om goud, en eenmaal uit liefde.’ Dat zou Dany niet snel vergeten. ‘Mirri Maz Duur was de eerste.’

‘Wat betekent dat er nog twee verraders overblijven… en nu zijn die twee mannen verschenen. Dat vind ik verontrustend, ja. Vergeet u vooral niet dat Robert heeft beloofd de man die u vermoordt tot heer te verheffen.’

Dany boog zich naar voren en gaf een ruk aan Viserions staart om hem van zijn groene broer af te trekken. Bij die beweging viel haar deken van haar borst. Ze greep hem haastig en bedekte zich weer. ‘De Usurpator is dood,’ zei ze.

‘Maar zijn zoon heerst in zijn plaats.’ Ser Jorah hief zijn hoofd op, en zijn donkere ogen keken in de hare. ‘Een plichtsgetrouwe zoon betaalt zijn vaders schulden. Zelfs bloedschulden.’

‘Die jongen Joffry is misschien op mijn dood uit… als hij zich herinnert dat ik nog leef. Wat heeft dat met Belwas en Arstan Witbaard te maken? De oude man draagt niet eens een zwaard. Dat hebt u gezien.’

‘Ja. En ik heb gezien hoe behendig hij die staf hanteert. Weet u nog hoe hij die manticora in Qarth doodde? Hij had net zo makkelijk uw strot kunnen verbrijzelen.’

‘Dat had gekund, maar het is niet gebeurd,’ merkte ze op. ‘Het was een steekmanticora die me had moeten doden. Hij redde mijn leven.’

‘Khaleesi, is het al bij u opgekomen dat Witbaard en Belwas misschien met die moordenaar onder een hoedje spelen? Het kan allemaal een list zijn om uw vertrouwen te winnen.’

Toen ze in de lach schoot begon Drogon te sissen, zodat Viserion naar zijn plek boven de patrijspoort fladderde. ‘Die list heeft dan goed gewerkt.’

De verbannen ridder beantwoordde haar glimlach niet. ‘Dit zijn Illyrio’s schepen, Illyrio’s kapiteins, Illyrio’s zeelieden… en ook Sterke Belwas en Arstan zijn Illyrio’s mannen, niet de uwe.’

‘Magister Illyrio heeft me in het verleden beschermd. Sterke Belwas zei dat hij huilde toen hij hoorde dat mijn broer dood was.’

‘Ja,’ zei Mormont, ‘maar huilde hij om Viserys, of om de plannen die hij met hem had?’

‘Zijn plannen hoeven niet te veranderen. Magister Illyrio is een vriend van het huis Targaryen, en gefortuneerd…’

‘Hij is niet met dat fortuin geboren. In de wereld die ik ken wordt niemand rijk door aardig te zijn. De heksenmeesters zeiden dat het tweede verraad om goud zou zijn. Wat heeft Illyrio Mopatis meer lief dan goud?’

‘Zijn huid.’ Aan de andere kant van de kooi bewoog Drogon rusteloos, en stoom steeg op uit zijn snuit. ‘Mirri Maz Duur heeft me verraden, en daarvoor heb ik haar verbrand.’

‘Mirri Maz Duur was in uw macht. In Pent os bent u in de macht van Illyrio. Dat is niet hetzelfde. Ik ken de magister even goed als Hij is een arglistig man, en slim…’

‘Ik kan wel arglistige mannen gebruiken als ik de IJzeren Troon wil terugwinnen.’

Ser Jorah snoof. ‘Die wijnverkoper die u probeerde te vermoorden was ook arglistig. Arglistige mannen broeden eerzuchtige plannen uit.’

Dany trok haar benen op onder de deken. ‘U zult mij beschermen. U en mijn bloedruiters.’

‘Vier man? Khaleesi, u denkt dat u Illyrio Mopatis heel goed kent. Toch staat u erop zich te omringen met mannen die u niet kent, zoals die opgeblazen eunuch en de oudste schildknaap ter wereld. Trek lering uit wat er met Pyat Pree en Xaro Xhoan Daxos gebeurd is.’

Hij bedoelt het goed, hield Dany zichzelf voor. Hij doet alles wat hij doet uit liefde. ‘Het lijkt mij dat een koningin die niemand vertrouwt even dwaas is als een koningin die iedereen vertrouwt. Iedereen die ik in dienst neem vormt een gevaar, dat begrijp ik wel, maar hoe moet ik de Zeven Koninkrijken terugwinnen zonder zulke risico’s te nemen? Moet ik Westeros veroveren met een verbannen ridder en drie Dothraki-bloedruiters?’

Zijn kaakspieren spanden zich. ‘Uw weg is gevaarlijk, dat zal ik niet ontkennen. Maar als u blindelings vertrouwt op elke leugenaar en intrigant die uw pad kruist zult u net zo eindigen als uw broers.’

Zijn koppigheid maakte haar boos. Hij behandelt me als een kind. ‘Sterke Belwas zou nog geen complot kunnen smeden om zijn ontbijt te krijgen. En wat voor leugens heeft Arstan Witbaard me verteld?’

‘Hij is niet wat hij voorgeeft te zijn. Hij spreekt vrijmoediger met u dan enige schildknaap zou durven.’

‘Hij sprak vrijuit op mijn bevel. Hij kende mijn broer.’

‘Een heleboel mannen kenden uw broer. Uwe genade, in Westeros heeft de bevelhebber van de Koningsgarde zitting in de kleine raad en dient de koning met zijn verstand zowel als met zijn wapens. Als ik het voornaamste lid van uw Koninginnengarde ben dan smeek ik u, hoor mij aan. Ik wil u een plan voorleggen.’

‘Wat voor een plan? Vertel op.’

‘Illyrio Mopatis wil u terughebben in Pentos, onder zijn dak. Heel goed, gaat u naar hem toe … maar op het tijdstip van uw keuze, en niet alleen. Laten we maar eens zien hoe trouw en gehoorzaam die nieuwe onderdanen van u werkelijk zijn. Beveel Groleo om koers te zetten naar de Baai der Slavenhandelaren.’

Dany was er niet zeker van of dat haar wel aanstond. Alles wat ze ooit had gehoord over de vlees markten in de grote slavensteden Yunkai, Mereen en Astapor had even onheilspellend en angstaanjagend geklonken. ‘Wat heb ik in de Baai der Slavenhandelaren te zoeken?’

‘Een leger,’ zei ser Jorah. ‘Als Sterke Belwas u zo goed bevalt kunt u nog honderden anderen als hij uit de vechtkuilen van Mereen uitkopen … maar ik zou koers zetten naar Astapor. In Astapor kunt u Onbezoedelden kopen.’

‘Die slaven met de bronzen piekhoeden?’ In de Vrijsteden had Dany Onbezoedelden gezien die als poortwachters dienden bij magisters, archonten en dynasten. ‘Wat moet ik met Onbezoedelden? Ze rijden niet eens paard, en de meesten zijn dik.’

‘De Onbezoedelden die u mogelijk in Pentos en Myr hebt gezien waren huiswachten. Dat is geen zware dienst, en eunuchen zijn altijd tot vetzucht geneigd. Eten is de enige ondeugd die hun veroorloofd is. Alle Onbezoedelden beoordelen naar een paar oude huisslaven is net zoiets als alle schildknapen naar Arstan Witbaard beoordelen. Kent u het verhaal van de Drieduizend van Qohor?’

‘Nee.’ De deken gleed van Danys schouder, en ze propte hem weer op zijn plaats.

‘Het is vierhonderd jaar of langer geleden, dat de Dothraki voor het eerst uit het oosten gereden kwamen en alle kleine en grote steden op hun weg plunderden en in brand staken. Hun aanvoerder was khal Temmo. Zijn khalasar was minder groot dan die van Drogo, maar groot genoeg. Vijftigduizend op zijn minst, waarvan de helft krijgers met vlechten en rinkelende belletjes in het haar.

De Qohorik wisten dat hij eraan kwam. Ze versterkten hun muren, verdubbelden de omvang van hun eigen wacht en huurden daarnaast nog twee compagnieën, de Stralende Banieren en de Tweede Zonen. En bijna als een inval achteraf werd er ook nog iemand naar Astapor gestuurd om drieduizend Onbezoedelden te kopen. Het was een lange mars terug naar Qohor, en toen ze naderden zagen ze de rook en het stof en hoorden het verre lawaai van een veldslag.

Tegen de tijd dat de Onbezoedelden de stad bereikten was de zon onder. Kraaien en wolven deden zich onder aan de muren te goed aan het overblijfsel van de zware ruiterij van Qohor. De Stralende Banieren en de Tweede Zonen waren gevlucht, zoals huurlingen altijd doen als ze hopeloos in de minderheid zijn. Omdat de avond viel hadden de Dothraki zich in hun eigen kampen teruggetrokken om te drinken, te dansen en feest te vieren, maar niemand twijfelde eraan dat ze de volgende dag zouden terugkomen om de stadspoort te rammeien, de muren te bestormen en naar hartenlust te verkrachten, te plunderen en slaven te maken.

Maar toen Temmo en zijn bloedruiters bij het ochtendkrieken met hun khalasar het kamp verlieten, stuitten ze voor de poort op drieduizend Onbezoedelden, opgesteld in slagorde en met de standaard van de Zwarte Geit wapperend boven hun hoofd. Zo’n kleine strijdmacht had gemakkelijk omsingeld kunnen worden, maar u kent de Dothraki. Deze mannen waren te voet, en mannen te voet zijn slechts waard tegen de grond gereden te worden.

De Dothraki gingen tot de aanval over. De Onbezoedelden sloten hun schilden aaneen, brachten hun speren in de aanslag en hielden stand. Ze hielden stand tegen twintigduizend schreeuwers met belletjes in het haar.

Achttien keer kwamen de Dothraki aanstormen en braken ze op die schilden en speren stuk als golven op een rotskust. Driemaal zond Temmo zijn boogschutters met een boog om hen heen, en het regende pijlen op de Drieduizend, maar de Onbezoedelden hielden slechts hun schilden boven hun hoofd tot de bui over was. Uiteindelijk waren er nog slechts zeshonderd over … maar er lagen meer dan twaalfduizend Dothraki dood op het slagveld, khal Temmo, zijn bloedruiters, zijn ka’s en al zijn zonen incluis. Op de ochtend van de vierde dag leidde de nieuwe khal de overlevenden in statige processie de stadspoort binnen. Eén voor één sneden de mannen hun vlecht af en wierpen die voor de voeten van de Drieduizend.

Sinds die dag bestaat de stadswacht van Qohor uitsluitend uit Onbezoedelden, die allemaal een lange speer dragen waaraan een vlecht van mensenhaar hangt.

‘Dat is wat u zult aantreffen in Astapor, uwe genade. Ga daar aan wal en vervolg uw reis naar Pentos over land. Dat duurt weliswaar langer … maar als u dan brood breekt met magister Illyrio hebt u duizend zwaarden achter u in plaats van maar vier.’

Hier schuilt wel wijsheid in, dacht Dany, maar… ‘Hoe moet ik duizend slavensoldaten betalen? Mijn enige waardevolle bezit is de kroon die ik van de Toermalijnen Broederschap heb gekregen.’

‘Draken zullen in Astapor een even groot wonder zijn als in Qarth. Het kan zijn dat de slavenhandelaren u net als de Qarthijnen met geschenken zullen overstelpen. Zo niet … deze schepen vervoeren meer dan alleen uw Dothraki en hun paarden. Ze hebben handelswaar ingeladen in Qarth, ik ben in de ruimen geweest en heb het zelf gezien. Balen zijde en balen tijgervel, amber, jaden siersnijwerk, saffraan, mirre… slaven zijn goedkoop, uwe genade. Tijgervellen zijn kostbaar.’

‘Het zijn Illyrio’s tijgervellen,’ protesteerde ze.

‘En Illyrio is een vriend van het huis Targaryen.’

‘Des te meer reden om zijn koopwaar niet te stelen.’

‘Waar zijn gefortuneerde vrienden goed voor als ze u hun fortuin niet ter beschikking stellen, mijn koningin? Als magister Illyrio ze u onthoudt is hij slechts een Xaro Xhoan Daxos met een vierdubbele onderkin. En als hij uw zaak oprecht toegedaan is zal hij u drie scheepsladingen handelswaar niet misgunnen. Kunnen zijn tijgervellen nuttiger gebruikt worden dan om de kiem van een leger te kopen?’

Dat is waar. Dany’s opwinding steeg. ‘Een dergelijke lange mars zal niet zonder gevaar zijn…’

‘Ook de zee kent gevaren. De zuidelijke route is het jachtgebied van kapers en piraten, en ten noorden van Valyria wordt de Rokende Zee door demonen onveilig gemaakt. De volgende storm kan ons tot zinken brengen of uiteenslaan, een kraken kan ons onder zee trekken … of de wind gaat nog een keer liggen en we komen om van de dorst, terwijl we wachten tot hij weer opsteekt. Een mars zal andere gevaren opleveren, mijn koningin, maar geen grotere.’

‘En als kapitein Groleo weigert zijn koers te wijzigen? En Arstan en Sterke Belwas, wat zullen zij doen?’

Ser Jorah stond op. ‘Misschien is het tijd dat u daar achter komt.’

‘Ja,’ besloot ze. ‘Ik doe het!’ Dany smeet de dekens opzij en sprong van de brits. ‘Ik ga meteen naar de kapitein toe om hem te bevelen dat hij koers naar Astapor zet.’ Ze boog zich over haar kist, smeet het deksel open en greep het eerste kledingstuk dat voorhanden was, een wijde broek van zandzijde. ‘Geef me mijn muntengordel,’ beval ze ser Jorah, terwijl ze de zandzijde over haar heupen trok. ‘En mijn vest,’ begon ze, terwijl ze zich omdraaide.

Ser Jorah sloeg zijn armen om haar heen.

‘O!’ was alles wat Dany nog kon zeggen voordat hij haar naar zich toe trok en zijn lippen op de hare perste. Hij rook naar zweet, zout en leer, en de ijzeren noppen op zijn buis drongen in haar naakte borsten toen hij haar stevig tegen zich aandrukte. Zijn ene hand hield haar schouder vast, terwijl de andere langs haar ruggengraat omlaag gleed en haar mond zich onwillekeurig opende voor zijn tong. Zijn baard prikt, dacht ze, maar zijn mond smaakt zoet. De Dothraki hadden geen baarden, alleen lange snorren, en ze was nooit door een ander dan Khal Drogo gekust. Hij mag dit niet doen. Ik ben zijn koningin, niet zijn liefje.

Het was een lange kus, al had Dany niet kunnen zeggen hoe lang. Na afloop liet ser Jorah haar los en deed ze snel een stap achteruit. ‘U… u had niet…’

‘Ik had niet zo lang moeten wachten,’ maakte hij de zin voor haar af. ‘Ik had u in Qarth moeten kussen, in Vaes Tolorro. Ik had u in de rode woestenij moeten kussen, dag en nacht. U bent ervoor gemaakt om vaak en grondig gekust te worden.’ Zijn ogen rustten op haar borsten.

Dany bedekte ze met haar handen voordat haar tepels haar konden verraden. ‘Ik… dat was ongepast. Ik ben uw koningin.’

‘Mijn koningin,’ zei hij, ‘en de moedigste, liefste en mooiste vrouw die ik ooit heb gezien. Daenerys…’

‘Uwe genade!’

‘Uwe genade,’ gaf hij toe. ‘De draak heeft drie koppen, weet u nog wel? Dat verwondert u al sinds u het van de heksenmeesters in het Stof paleis hoorde. Welnu, dit is de betekenis: Balerion, Meraxes en Vhagar, bereden door Aegon, Rhaenys en Visenya. De driekoppige draak van het huis Targaryen — drie draken, en drie ruiters.’

‘Ja,’ zei Dany, ‘maar mijn broers zijn dood.’

‘Rhaenys en Visenya waren niet alleen Aegons vrouwen, maar ook zijn zusters. U hebt geen broers meer, maar u kunt echtgenoten nemen. En ik zeg u naar waarheid, Daenerys, geen man ter wereld zal u ooit half zo trouw zijn als ik.’

Bran

De bergkam liep steil omhoog, een lange, klauwvormige plooi van steen en aarde. Aan de lager gelegen hellingen klampten zich nog bomen vast, dennen, hagendoorns en essen, maar hogerop was de bodem onbegroeid en de bovenrand stak scherp tegen de bewolkte hemel af.

Hij voelde dat de hoge rots hem riep, en hij klom. Eerst draafde hij op zijn gemak, daarna ging het sneller en hoger en vraten zijn krachtige poten de helling weg. Terwijl hij voorbijstormde schoten er vogels op uit de takken boven zijn kop en die klauwden en klapwiekten zich een weg naar de hemel. Hij hoorde hoe de wind door de bladeren zuchtte en hoe de eekhoorns met elkaar kwebbelden, en zelfs het geluid van een dennenappel die op de bosgrond plofte. De geuren zongen een lied om hem heen, een lied waar de goede, groene wereld vol van was.

Steentjes vlogen op van onder zijn poten toen hij de laatste paar voet had afgelegd en op de kam bleef staan. De zon hing groot en rood boven de rijzige dennen, en beneden hem strekten de bomen en heuvels zich uit zo ver zijn oog en neus reikten. Hoog in de lucht cirkelde een havik rond die donker afstak tegen de roze hemel.

Prins. De mensenklank kwam plotseling in zijn kop op, maar hij besefte de juistheid ervan. Prins van het groen, prins van het Wolfswoud. Hij was sterk, snel en fel, en alles in de goede groene wereld leefde in vrees en beven voor hem.

Ver beneden hem, aan de voet van de bossen, bewoog iets tussen de bomen. Een grijze flits, verschenen en zo weer verdwenen, maar meer hadden zijn oren niet nodig om zich te spitsen. Daar beneden, naast een bruisende groene beek, glipte nog een gedaante voorbij, hard rennend. Wolven, wist hij. Zijn neefjes, die achter een prooi aan zaten. Nu kon de prins er meer zien, schimmen op rappe grijze poten. Een troep.

Ooit had hij een eigen troep gehad. Met zijn vijven waren ze geweest, en nog een zesde die apart stond. Ergens in hem woonden de klanken die de mensen hun hadden gegeven om hen uit elkaar te houden, maar hij kende ze niet aan hun klanken. Hij herinnerde zich de luchtjes, zijn broers en zusters. Ze hadden allemaal eender geroken, hadden naar de troep geroken, maar ze waren ook elk verschillend.

Zijn boze broeder met de gloeiende groene ogen was nog dichtbij, bespeurde de prins, al had hij hem al vele jachten niet gezien. Maar met elke zonsondergang was hij verder weg, en hij was de laatste. De overigen waren verstrooid, als bladeren verwaaid op de wilde wind.

Soms voelde hij hen echter, alsof ze nog bij hem waren en slechts aan zijn blik onttrokken door een rotsblok of een bosje. Hij rook ze niet, noch hoorde hij bij nacht hun gehuil, maar achter zich bespeurde hij hun aanwezigheid… behalve die van de verloren gegane zuster. Zijn staart zakte tussen zijn poten als hij aan haar dacht. Vier nog, geen vijf. Vier en nog een, de witte zonder stem.

Deze wouden behoorden hun toe, de besneeuwde hellingen en rotsige heuvels, de grote groene dennen en de goudbladige eiken, de jachtige beken en de blauwe, met witte rijpvingers omrande meren. Maar zijn zuster had het wilde land verlaten om te wandelen in de zalen van mensensteen, waar andere jagers heersten, en eenmaal in die zalen liet de terugweg naar buiten zich moeilijk vinden. De wolvenprins wist het nog.

Plotseling draaide de wind.

Herten, en vrees, en bloed. De lucht van prooi wekte zijn honger op. De prins snoof opnieuw de lucht op, draaide zich om en was weg. Met halfopen kaken sprong hij de kam over. Aan het andere einde was de kam steiler dan aan de kant waar hij omhooggeklommen was, maar hij vloog met vaste poten over stenen, wortels en rottende bladeren de helling af en de bomen door. Met grote sprongen slokte hij de grond op, steeds sneller, aangetrokken door wat hij rook.

Het hert was al geveld en bijna dood toen hij het bereikte, met acht van zijn grijze neefjes eromheen. De leiders van de troep vraten al, eerst het mannetje en daarna zijn wijfje. Om beurten rukten ze het vlees uit de rode onderbuik van hun buit. De rest wachtte geduldig, op de ‘staart’ na, die met zijn eigen staart tussen de poten enkele passen van de overige wolven in een behoedzaam kringetje rondliep. Hij zou pas aan het einde eten, voor zover zijn broeders iets voor hem overlieten.

De prins liep tegen de wind in, dus merkten ze hem pas op toen hij op zes grote passen van hun maal op een gevallen stronk sprong. De staart zag hem het eerst, jankte klaaglijk en sloop weg. Op dat geluid draaiden zijn broeders in het pak zich om en ontblootten hun tanden in een grom, behalve de twee leiders.

De schrikwolf beantwoordde de grauw met een laag, waarschuwend gegrom en liet hun zijn eigen tanden zien. Hij was groter dan zijn neven, tweemaal zo groot als de broodmagere staart en anderhalf keer zo groot als de twee leiders van de troep. Hij sprong tussen hen in, en drie van hen gaven het op en dropen af, het struikgewas in. Een vierde kwam happend en snappend op hem af. Hij bood de aanval frontaal het hoofd. Toen ze bij elkaar waren sloten zijn kaken zich om de wolven poot, en de wolf werd opzij geslingerd, jankend en hinkend.

Toen had hij alleen de leider tegenover zich, het grote grijze mannetje met het bloed uit de zachte buik van de prooi nog aan zijn snuit. Er zat ook wit op zijn snuit dat zijn hoge leeftijd verried, maar toen zijn muil openging liep de kwijl rood van zijn tanden.

Hij kent geen vrees, dacht de prins, net zomin als ik. Het zou een goed gevecht worden. Ze sprongen op elkaar af.

Lange tijd vochten ze, en samen rolden ze over boomwortels en stenen, gevallen bladeren en de verstrooide ingewanden van de prooi. Met tanden en klauwen gingen ze elkaar te lijf, lieten elkaar los, draaiden om elkaar heen en schoten weer toe om te vechten. De prins was groter en een stuk sterker, maar zijn neef had een troep. Het wijfje sloop snuivend en grauwend dicht om hen heen en sprong ertussen zodra haar gezel bebloed en wel achteruitweek. Van tijd tot tijd schoten de andere wolven toe om naar een poot of een oor te happen zodra de aandacht van de prins elders was. Eentje maakte hem zo kwaad dat hij zich in blinde razernij omkeerde en de aanvaller de strot afbeet. Daarna bleef de rest op een afstandje.

En toen het laatste rode licht door een filter van groene en gouden takken scheen ging de oude wolf vermoeid op de grond liggen, rolde om en liet zijn onbeschermde keel en buik zien. Hij gaf zich over.

De prins besnuffelde hem en likte het bloed van zijn vacht en zijn open wonden. Toen de oude wolf zacht jankte wendde de schrikwolf zich af. Hij was nu inmiddels erg hongerig, en de prooi was van hem.

‘Hodor.’

Bij dat plotselinge geluid bleef hij staan en gromde. De wolven bekeken hem met groengele ogen die hel oplichtten in het laatste licht van de dag. Geen van hen had het gehoord. Het was een vreemde wind, die slechts in zijn oren blies. Hij begroef zijn kaken in de buik van het hert en rukte er een bek vol vlees uit.

‘Hodor, hodor.’

Nee, dacht hij. Nee, ik wil niet. De gedachte van een jongen, niet die van een schrikwolf. Rondom hem werd het donker in de bossen, totdat nog slechts de schaduwen van de bomen te zien waren, en de gloed in de ogen van zijn neefjes. En door die ogen heen en achter die ogen zag hij de grijnzende kop van een grote man, en een stenen gewelf met salpetervlekken op de wanden. De machtige, warme smaak van bloed vervaagde op zijn tong. Nee, nee, niet doen. Ik wil eten, ik wil, ik wil…

‘Hodor, hodor, hodor, hodor, hodor,’ zong Hodor, terwijl hij hem zachtjes aan zijn schouders heen en weer en heen en weer schudde. Hij probeerde zoals altijd niet hardhandig te zijn, maar Hodor was zeven voet lang en kende zijn eigen kracht niet. Onder zijn enorme knuisten klapten Brans tanden hard op elkaar. ‘NEE!’ riep hij boos. ‘Hodor, ophouden, ik ben er al, ik bén er.’

Hodor stopte en keek beduusd. ‘Hodor?’

De wouden en de wolven waren weg. Bran was er weer, diep in het vochtige gewelf van een of andere oeroude wachttoren die al duizenden jaren geleden verlaten moest zijn. Er was weinig meer van over. Zelfs het puin was dermate met mos en klimop overwoekerd dat je het pas zag als je er vlak voor stond. ‘De puintoren,’ had Bran hem genoemd, maar het was Mira geweest die de toegang tot het gewelf had gevonden.

‘Je bent veel te lang weg geweest.’ Jojen Riet was dertien, maar vier jaar ouder dan Bran. Jojen was ook niet veel groter, nauwelijks twee of misschien drie duim, maar hij had een plechtstatige manier van spreken die hem ouder en wijzer deed lijken dan hij in werkelijkheid was. In Winterfel had ouwe Nans hem ‘het opaatje’ genoemd.

Bran wierp hem een frons toe. ‘Ik wou eten.’

‘Mira is zo terug met het avondeten.’

‘Ik ben die kikkers zat.’ Mira was een kikkereetster uit de Nek, dus Bran kon het haar eigenlijk niet verwijten dat ze zoveel kikkers ving, maar toch… ‘Ik wou dat hert eten.’ Even wist hij weer hoe het gesmaakt had, het bloed en het rauwe, machtige vlees, en het water liep hem in de mond. Ik heb ervoor gevochten en gewonnen. Ik heb gewonnen.

‘Heb je de bomen ook gemarkeerd?’

Bran kreeg een kleur. Van Jojen moest hij alsmaar dingen dóén als hij zijn derde oog opende en in de huid van Zomer kroop. In de bast van een boom kerven, een konijn vangen en dat onopgegeten met zijn bek apporteren, een aantal stenen op een rij schuiven. Stompzinnige dingen. ‘Vergeten,’ zei hij.

‘Je vergeet het altijd.’

Dat was zo. Hij was wel van plan te doen wat Jojen vroeg, maar als hij eenmaal een wolf was leken ze niet belangrijk meer. Er viel altijd zoveel te zien en te ruiken, een complete groene wereld om in te jagen. En hij kon rennen! Het enige wat beter was dan rennen was achter een prooi aan rennen. ‘Ik was een prins, Jojen,’ zei hij tegen de oudere jongen. ‘Ik was de prins van de wouden.’

‘Je bent een prins,’ bracht Jojen hem zachtjes in herinnering. ‘Dat weet je toch nog wel? Zeg me wie je bent.’

‘Dat weet je best.’ Jojen was zijn vriend en zijn leraar, maar soms kon Bran hem wel slaan.

‘Ik wil dat jij het zegt. Zeg me wie je bent.’

‘Bran,’ zei hij gemelijk. Bran de Gebrokene. ‘Brandon Stark.’ De verlamde jongen. ‘De prins van Winterfel.’ Van het afgebrande en ingestorte Winterfel waarvan de bewoners verstrooid en gedood waren. De glastuinen waren kapot geslagen en uit de gebarsten muren stroomde heet water dat dampte in de zon. Hoe kun je de prins zijn van een plaats die je misschien nooit meer terugziet?

‘En wie is Zomer?’ drong Jojen aan.

‘Mijn schrikwolf.’ Hij glimlachte. ‘De prins van het groen.’

‘Bran de jongen en Zomer de wolf. Dat is twee, nietwaar?’

‘Twee,’ zuchtte hij, ‘en een.’ Hij haatte Jojen als die zo stom deed. In Winterfel wilde hij dat ik mijn wolvendromen droomde, en nu ik weet hoe dat moet roept hij me telkens terug.

‘Denk daaraan, Bran. Denk aan jezélf, anders zal de wolf je opslokken. Als jullie versmelten is het niet genoeg om in Zomers huid rond te rennen, te jagen en te huilen.’

Voor mij wel, dacht Bran. Hij stak liever in Zomers huid dan in zijn eigen vel. Wat heb je eraan een gedaanteverwisselaar te zijn als je niet in de huid kunt steken die je zelf wilt?

‘Zul je daaraan denken? En de volgende keer moet je die boom markeren. Het geeft niet welke, zolang je het maar doet.’

‘Ja, ik zal eraan denken. Als je wilt kan ik nu wel teruggaan om het te doen.’ Maar dan vreet ik eerst mijn hert op en vecht ik nog wat met die kleine wolfjes.

Jojen schudde zijn hoofd. ‘Nee, je kunt beter hier blijven en wat eten. Met je eigen mond. Een warg kan niet leven van wat zijn beest naar binnen werkt.’

Hoe weet jij dat nou? dacht Bran mokkend. Jij bent nooit een warg geweest. Je weet niet hoe het is.

Hodor schoot ineens overeind en stootte bijna zijn hoofd tegen het tonvormige gewelf. ‘HODOR!’ schreeuwde hij en rende naar de deur. Vlak voor hij er was duwde Mira hem open en stapte hun schuilplaats binnen. ‘Hodor, hodor,’ zei de reusachtige staljongen grijnzend.

Mira Riet was zestien, een volwassen vrouw, maar ze was niet langer dan haar broer. Alle moeras bewoners waren klein, had ze eens tegen Bran gezegd toen hij had gevraagd waarom ze niet groter was. Bruinharig, groenogig en plat als een jongen bewoog ze zich voort met een soepele gratie waar Bran slechts met afgunst naar kon kijken. Mira droeg een lange, scherpe dolk, maar haar favoriete manier van vechten was met een slanke, driepuntige kikkerspeer in de ene hand en een geweven net in de andere.

‘Wie heeft er honger?’ vroeg ze, en ze hield haar buit omhoog: twee kleine, zilverwitte forellen en zes dikke groene kikkers.

‘Ik,’ zei Bran. Maar geen zin in kikkers. In Winterfel, voordat al die akelige dingen waren gebeurd, hadden de Walders altijd gezegd dat je tanden groen werden en dat er mos onder je oksels ging groeien als je kikkers vrat. Hij vroeg zich af of de Walders dood waren. Hun lijken had hij in Winterfel niet gezien… maar er waren erg veel lijken geweest, en ze hadden niet in de gebouwen gekeken.

‘Dan zullen we je te eten moeten geven. Help je me de vangst schoon te maken, Bran?’

Hij knikte. Bij Mira kon hij moeilijk blijven pruilen. Zij was veel opgewekter dan haar broer en leek altijd precies te weten hoe ze hem aan het lachen moest maken. Ze werd nooit boos en was nergens bang voor. Nou ja, behalve soms voor Jojen… Jojen Riet kon bijna iedereen bang maken. Hij ging geheel in het groen gekleed, zijn ogen waren troebel als mos en hij had groene dromen. Wat Jojen droomde kwam uit. Behalve dat hij droomde dat ik dood was, en ik ben niet dood. Alleen was hij dat in zekere zin wel.

Jojen stuurde Hodor eropuit om hout te halen en maakte een klein vuur, terwijl Mira en Bran de vissen en de kikkers schoonmaakten. Ze gebruikten Mira’s helm als kookpot, hakten haar vangst in stukjes en gooiden er wat water en door Hodor gevonden wilde uien bij om een kikkerstoofpot te maken. Het was minder lekker dan hert, maar het was ook niet slecht, besloot Bran, terwijl hij at. ‘Dank je, Mira,’ zei hij. ‘Vrouwe.’

‘Heel graag gedaan, uwe genade.’

‘Morgen,’ verkondigde Jojen, ‘kunnen we beter verder trekken.’

Bran zag Mira verstijven. ‘Heb je een groene droom gehad?’

‘Nee,’ gaf hij toe.

‘Waarom zouden we dan weggaan?’ wilde zijn zuster weten. ‘De Puintoren is een prima plek voor ons. Geen dorpen in de buurt, de bossen zitten vol wild, in de riviertjes en meertjes zitten vissen en kikkers… en wie zal ons hier ooit vinden?’

‘We moeten hier niet zijn.’

‘Maar het is hier wel veilig.’

‘Het lijkt veilig, dat weet ik,’ zei Jojen, ‘maar hoe lang duurt dat nog? In Winterfel was gevochten, we hebben de doden gezien. Strijd betekent oorlog. Als we door een leger overvallen worden…’

‘Dat zou Robbs leger kunnen zijn,’ zei Bran. ‘Robb komt binnenkort uit het zuiden terug, dat weet ik zeker. Hij komt terug met al zijn banieren en jaagt de ijzermannen weg.’

‘Je maester zei niets over Robb toen hij op sterven lag,’ bracht Jojen hem in herinnering. “IJzermannen op de Rotskust,” zei hij, en: “In het oosten de Bastaard van Bolten.” De Motte van Cailin en die van Diephout gevallen, de erfgenaam van Cerwyn dood, en de kastelein van Torhens Sterkte. Overal oorlog, zei hij, iedereen tegen zijn naaste.’

‘We hebben dit veld al eens omgeploegd,’ zei zijn zuster. ‘Jij wilt naar de Muur en je drieogige kraai toe. Allemaal goed en wel, maar de Muur is heel ver weg, en Bran heeft geen andere benen dan Hodor. Als we konden rijden…’

‘Als we adelaars waren konden we vliegen,’ zei Jojen scherp, ‘maar we hebben evenmin vleugels als paarden.’

‘Paarden zijn wel te krijgen,’ zei Mira. ‘Zelfs in het hart van het Wolfswoud zijn houtvesters, keuterboertjes en jagers. Sommigen zullen wel paarden hebben.’

‘En moeten we die dan stelen? Zijn we dieven? Het laatste wat we kunnen gebruiken is achtervolgers.’

‘We zouden ze kunnen kopen,’ zei ze. ‘Met ruilhandel.’

‘En wie zijn wij, Mira? Een verlamde jongen met een schrikwolf, een simpele reus en twee moerasbewoners die duizenden mijlen van de Nek zijn. Ze zullen weten wie we zijn. En het nieuws zal zich verspreiden. Zolang Bran dood blijft is hij veilig. Levend wordt hij een prooi voor iedereen die hem voorgoed dood wil hebben.’ Jojen liep naar het vuur en porde met een stok in de sintels. ‘Ergens in het noorden wacht de drieogige kraai op ons. Bran heeft een leraar nodig die wijzer is dan ik.’

‘Hoe, Jojen?’ vroeg zijn zuster. ‘Hoe?’

‘Te voet,’ antwoordde hij. ‘Stap voor stap.’

‘Aan de weg van Grijswater naar Winterfel kwam al geen einde, en toen reden we. Jij wilt dat we een veel langere weg te voet af leggen zonder zelfs maar te weten waar hij eindigt. Achter de Muur, zeg je. Ik ben daar nooit geweest, en jij ook niet, maar ik weet dat Achter de Muur heel uitgestrekt is. Jojen. Zijn er veel drieogige kraaien of maar één? En hoe vinden we die?’

‘Misschien vindt hij ons.’

Voordat Mira daar een antwoord op kon bedenken hoorden ze het geluid: het verre gehuil van een wolf dat door de nacht zweefde. ‘Zomer?’ vroeg Jojen, terwijl hij luisterde.

‘Nee.’ Bran kende de stem van zijn schrikwolf.

‘Weet je dat zeker?’ zei het opaatje.

‘Heel zeker.’ Zomer had vandaag een heel eind gezworven en zou niet voor de ochtend terugkomen. Jojen mag dan groene dromen hebben, maar hij kan geen wolf van een schrikwolf onderscheiden. Hij vroeg zich af waarom ze allemaal zo veel naar Jojen luisterden. Hij was geen prins zoals Bran en ook niet groot en sterk zoals Hodor, noch kon hij zo goed jagen als Mira, maar toch was het om de een of andere reden steeds weer Jojen die zei wat ze moesten doen. ‘We moeten paarden stelen, zoals Mira wil, en dan naar de Ombers in de Laatste Haard rijden.’ Hij dacht even na. ‘Of we zouden een boot kunnen stelen en over de Witte Knijf naar Withaven varen. De heer daar is die dikke heer Manderling die zo aardig was tijdens het oogstfeest. Hij was van plan om schepen te bouwen. Misschien heeft hij er een paar gebouwd en kunnen we naar Stroomvliet varen en Robb thuisbrengen met zijn hele leger. Dan zou het niet meer uitmaken wie er wist dat ik nog leefde. Robb zou niet toestaan dat iemand ons kwaad deed.’

‘Hodor!’ boerde Hodor. ‘Hodor, hodor.’

Maar hij was de enige die iets in Brans plan zag. Mira glimlachte alleen maar tegen hem, en Jojen fronste zijn voorhoofd. Ze luisterden nooit naar wat hij wilde, al was Bran een Stark en nog een prins ook, en waren de Riets van de Nek baandermannen van Stark.

‘Hoooodor,’ zei Hodor en wiegde heen en weer. ‘Hooooooodoor, hooooooodor, hoDOR, hoDOR, hoDOR.’ Soms vond hij dat leuk, gewoon op verschillende manieren zijn naam zeggen, telkens opnieuw. Andere keren hield hij zich zo stil dat je zijn aanwezigheid vergat. Dat wist je bij Hodor nooit. ‘HODOR, HODOR, HODOR!’ schreeuwde hij.

Hij houdt niet meer op, realiseerde Bran zich. ‘Hodor,’ zei hij, ‘waarom ga je niet buiten wat met je zwaard oefenen?’

De staljongen was zijn hele zwaard vergeten, maar nu wist hij het weer. ‘Hodor!’ boerde hij en ging zijn wapen halen. Ze bezaten drie wapens uit de graftomben, meegenomen uit de crypte van Winterfel waar Bran en zijn broertje Rickon zich voor de IJzermannen van Theon Grauwvreugd hadden verstopt. Bran had het zwaard van zijn oom Brandon opgeëist, Mira datgene wat ze op de knieën van diens grootvader heer Rickon had aangetroffen. Hodors zwaard was veel ouder, een reusachtig, zwaar stuk ijzer, dof geworden na eeuwen van verwaarlozing en bezaaid met roestplekken. Hij kon er uren mee zwaaien. Bij het neergestorte puin stond een verrotte boom die hij half in mootjes had gehakt.

Zelfs toen hij naar buiten ging konden ze hem door de muren heen ‘RODOR!’ horen bulderen, terwijl hij op zijn boom inhakte en mepte. Gelukkig was het Wolfswoud heel groot en was er waarschijnlijk niemand in de buurt die het hoorde.

‘Jojen, wat bedoelde je met een leraar?’ vroeg Bran. ‘Jij bent mijn leraar. Ik weet dat ik die boom niet heb gemarkeerd, maar dat doe ik de volgende keer. Mijn derde oog is open, precies zoals jij wilde…’

‘Zo wijd open dat ik bang bent dat je er nog doorheen zult vallen en de rest van je leven als wolf in de wouden zult doorbrengen.’

‘Dat doe ik niet, dat beloof ik.’

‘De jongen belooft het, maar weet de wolf dat straks nog? Je rent rond met Zomer, je jaagt met hem, je doodt met hem… maar je voegt je meer naar zijn wil dan hij zich naar de jouwe voegt.’

‘Ik vergeet het gewoon,’ klaagde Bran. ‘Ik ben pas negen. Als ik ouder ben gaat het wel beter. Zelfs Florian de Zot en prins Aemon de Drakenridder waren op hun negende nog geen grote ridders.’ ‘Dat is waar,’ zei Jojen, ‘en het zou een wijs woord zijn als de dagen nog zouden lengen… maar dat doen ze niet. Ik weet dat jij een zomer kind bent. Zeg me de woorden van het huis Stark.’

‘De winter komt.’ Bran kreeg het al koud als hij het zei.

Jojen knikte plechtig. ‘Ik droomde van een gevleugelde wolf die door stenen ketens aan de aarde gebonden was en ik ging naar Winterfel om hem te bevrijden. De ketens draag je niet meer, maar je kunt nog steeds niet vliegen.’

‘Leer jij het me dan.’ Bran was nog steeds bang voor de drieogige kraai die soms door zijn dromen spookte en hem eindeloos tussen zijn ogen pikte en tegen hem zei dat hij moest vliegen. ‘Jij bent een groenziener.’

‘Nee,’ zei Jojen, ‘alleen een jongen die droomt. De groenzieners waren meer. Zij waren ook wargs, net als jij, en de grootste onder hen kon in de huid kruipen van ál wat vliegt, zwemt of kruipt, en hij kon ook door de ogen van de weirbomen kijken en de waarheid zien die onder de wereld schuilt.

De goden schenken vele gaven, Bran. Mijn zuster is een jageres. Haar is het gegeven om heel hard te lopen en zo stil te staan dat ze onzichtbaar lijkt. Ze heeft scherpe ogen, ver ziende ogen, een vaste hand met net en speer. Ze kan modder ademen en door de bomen vliegen. Ik zou dat niet kunnen, net zomin als jij. Mij hebben de goden groene dromen geschonken, en jou… jij zou meer kunnen zijn dan ik, Bran. Jij bent de gevleugelde wolf, en hoe ver en hoog je zou kunnen vliegen valt niet te voorspellen… als je iemand had om het je te leren. Hoe kan ik je helpen een gave te leren beheersen die ik niet begrijp? Wij herinneren ons de Eerste Mensen in de Nek, en de kinderen van het woud die hun vrienden waren… maar er is zoveel vergeten, en zoveel nooit geweten.’

Mira greep Brans hand. ‘Als we hier blijven en niemand lastig vallen zul je veilig zijn tot de oorlog voorbij is. Maar je zult niets leren, behalve wat mijn broer je kan bijbrengen, en je hebt gehoord wat hij zegt. Als we deze plaats verlaten om in de Laatste Haard of achter de Muur een toevlucht te zoeken, lopen we het gevaar gevangengenomen te worden. Jij bent maar een jongen, dat weet ik, maar je bent ook onze prins, de zoon van onze heer en de ware erfgenaam van onze koning. We hebben je trouw gezworen bij aarde en water, brons en ijzer, ijs en vuur. Het is jouw risico, Bran, zoals het jouw gave is. Dus ik denk dat ook de keus aan jou is. Beveel ons, wij zijn tot je dienst bereid.’ Ze grijnsde. ‘Althans wat dit betreft.’

‘Bedoel je,’ zei Bran, ‘dat jullie zullen doen wat ik zeg? Echt?’

‘Echt, mijn prins,’ antwoordde het meisje, ‘dus denk goed na.’ Bran wikte en woog, zoals zijn vader dat gedaan zou kunnen hebben. De ooms van de Grootjon, Hother Hoerendood en Mors Kraaienvraat, waren woestelingen maar hij geloofde wel dat ze trouw waren. En de Karstarks ook. Karborg was een sterk kasteel, had vader altijd gezegd. Bij de Ombers of de Karstarks zouden we veilig zijn.

Of ze konden naar het zuiden gaan, naar de dikke heer Manderling. Die had in Winterfel veel gelachen, en hij had Bran naar het scheen nooit zo meewarig aangekeken als de overige heren. Slot Cerwyn was dichterbij dan Withaven, maar maester Luwin had gezegd dat Clei Cerwyn dood was. De Ombers en de Karstarks en de Manderlings kunnen ook wel allemaal dood zijn, besefte hij. Net als hijzelf, als hij werd gegrepen door de ijzermannen of de Bastaard van Balten.

Als ze hier bleven, verborgen onder de Puintoren, zou niemand hen vinden. Hij zou blijven leven. Verlamd en wel.

Bran merkte dat hij huilde. Stom klein kind, schold hij zichzelf uit. Waar hij ook heen zou gaan, naar Karborg, Withaven of Grijswaterwacht, hij zou er als verlamde aankomen. Hij balde zijn vuisten. ‘Ik wil vliegen,’ zei hij. ‘Alsjeblieft. Breng me naar de kraai.’

Davos

Toen hij aan dek klom werd achter hen de landtong van Driftmark steeds kleiner, en voor hen rees Drakensteen uit zee op. Van de top van de berg maakte zich een lichtgrijze rooksliert los die aangaf waar het eiland lag. De Drakenberg is vanmorgen rusteloos, dacht Davos, of anders is Melisandre weer iemand aan het verbranden.

Melisandre was vaak in zijn gedachten geweest, terwijl Shayala’s Dans door de Zwartwaterbaai en de Geul koerste en tegen een hardnekkige tegenwind in laveerde. Het grote vuur dat op de wachttoren van Scherpenes aan het uiteinde van Masseyshoek brandde deed hem denken aan de robijn die ze om haar hals droeg, en als de wereld met zonsopgang en zonsondergang rood kleurde namen de langs drijvende wolken de tint aan van haar ritselende japonnen van satijn en zijde.

Ook zij wachtte op Drakensteen, ze wachtte in al haar macht en schoonheid, met haar god, haar schaduwen… en zijn koning. Tot nog toe had het ernaar uitgezien dat de rode priesteres Stannis trouw was. Ze heeft hem getemd zoals een man een paard temt. Ze wil op zijn rug naar de macht rijden en daarvoor heeft ze mijn zoons aan het vuur gevoerd. Ik zal haar levend en wel het hart uit de borst snijden en toekijken hoe het verbrandt. Hij raakte het heft van de fraaie lange dolk uit Lys aan die de kapitein hem had gegeven.

De kapitein was heel goed voor hem geweest. Zijn naam was Khoreen Sathmantis, een Lyseni als Salladhor Saan, de eigenaar van dit schip. Hij had de lichtblauwe ogen die je op Lys vaker aantrof, in een benig, verweerd gezicht, maar hij dreef al menig jaar handel in de Zeven Koninkrijken. Toen hij hoorde dat de man die hij uit zee had opgepikt de befaamde Uienridder was, had hij hem zijn eigen hut en kleren ter beschikking gesteld, en een paar nieuwe laarzen die bijna pasten. Hij stond erop ook zijn proviand met hem te delen, maar dat viel verkeerd uit. Davos’ maag kon de slakken en lampreien en het overige machtige voedsel dat kapitein Khoreen zo lekker vond niet verdragen, en na zijn eerste maaltijd aan de tafel van de kapitein had hij de rest van die dag met het ene of het andere uiteinde over de reling gehangen.

Met iedere riemslag rees Drakensteen hoger op. Davos kon nu de omtrekken van de berg zien, en op de flank de grote zwarte citadel met de gargouilles en drakentorens. Het bronzen boegbeeld van Shayala’s Dans wierp grote vleugels van opspattend zout water op waar het de golven doorkliefde. Hij leunde met zijn volle gewicht tegen de reling, blij met die steun. Zijn beproeving had hem verzwakt. Als hij te lang stond gingen zijn benen trillen, en soms viel hij aan ongecontroleerde hoestbuien ten prooi en gaf hij klodders bloederig slijm op. Dat is niets, stelde hij zichzelf gerust. De goden hebben me heus niet veilig door vuur en zee geloodst om me aan een longbloeding te laten sterven.

Terwijl hij naar de dreunende trom van de roeiermeester, het klapperen van het zeil en het ritmische plonzen en kraken van de riemen luisterde dacht hij weer aan zijn jonge jaren, toen dergelijke geluiden hem op menige mistige morgen de schrik op het lijf hadden gejaagd. Ze kondigden aan dat de zeewacht van de oude ser Tristimun naderde, en toen Aerys Targaryen de IJzeren Troon bekleedde was de zeewacht voor smokkelaars dodelijk geweest.

Maar dat was in een ander leven, dacht hij. Dat was vóór het uienschip, vóór Stormeinde, voordat Stannis mijn vingers inkortte. Het was vóór de oorlog of de rode komeet, vóór ik Zeewaard of ridder was. Ik was een ander mens in de jaren voordat heer Stannis mij hoog verhief.

Kapitein Khoreen had hem verteld hoe Stannis’ hoop vervlogen was in de nacht dat de rivier in brand was gevlogen. De Lannisters hadden hem in de flank aangevallen en zijn wankelmoedige baandermannen hadden hem met honderden tegelijk in de steek gelaten toen de nood het hoogst was. ‘De geest van koning Renling is ook gesignaleerd,’ zei de kapitein. ‘Hij leidde de voorhoede van de leeuwenheer en zaaide links en rechts dood en verderf. Ze zeggen dat zijn groene harnas door het wild vuur spookachtig glansde en dat de gouden vlammen over zijn gewei liepen.’

De geest van Renling. Davos vroeg zich af of zijn zoons ook als geesten zouden terugkeren. Hij had op zee te veel vreemde dingen meegemaakt om te beweren dat spoken niet bestonden. ‘Is er niemand trouw gebleven?’ vroeg hij.

‘Een paar,’ zei de kapitein. ‘Hoofdzakelijk de verwanten van de koningin. We hebben er een heleboel opgepikt die de vos en de bloemen voerden, al zijn er nog veel meer op de kust achtergebleven die alle soorten emblemen droegen. Heer Florens is nu de Hand van de Koning op Drakensteen.’

De berg rees hoger op, omkranst met fletse rook. Het zeil zong, de trom dreunde, de riemen verplaatsten het water gelijkmatig en het duurde niet lang of de havenmond lag voor hen open. Wat leeg, dacht Davos, en hij herinnerde zich hoe het daarvoor was geweest, toen de schepen zich langs alle kaden verdrongen en achter de branding voor anker dobberden. Hij zag dat Salladhor Saans vlaggenschip de Valyrian aangemeerd lag aan de kade waar eens de Furie en haar zusters aan de tros hadden gelegen. De schepen aan weerszijden hadden ook gestreepte Lyseense rompen. Tevergeefs keek hij uit naar enig teken van de Vrouwe Marya of de Schim.

Ze streken het zeil toen het schip de haven binnenliep en legden roeiend aan. Terwijl ze de trossen vastmaakten kwam de kapitein naar Davos toe. ‘Mijn vorst zal u meteen willen spreken.’

Toen Davos probeerde te antwoorden kreeg hij een hoestbui. Hij zocht steun tegen de reling en spuwde overboord. ‘De koning,’ hijgde hij. ‘Ik moet naar de koning.’ Want waar de koning is zal ik ook Melisandre vinden.

‘Er gaat niemand naar de koning,’ antwoordde Khoreen Sathmantis op ferme toon. ‘Salladhor Saan zal het wel vertellen. Eerst aan hem.’

Davos was te zwak om hem te trotseren. Hij kon slechts knikken.

Salladhor Saan was niet aan boord van zijn Valyrian. Ze vonden hem aan een andere kade, een kwart mijl verderop, in het ruim van een buikige kogge uit Pentos die de Rijke Oogst heette. Hij rekende de lading na met twee eunuchen, een met een lantaarn, de ander met een wastablet en een schrijfstift. ‘Zevenendertig, achtendertig, negenendertig,’ zei de oude schurk net toen Davos en de kapitein door het luik binnenkwamen. Vandaag droeg hij een wijnrode tuniek en hoge laarzen van gebleekt wit leer, versierd met zilverfiligraan. Hij trok een stop uit een pot, snoof, nieste en zei: ‘Een grove maling, en niet van de eerste kwaliteit, zegt mijn neus mij. Volgens de vrachtbrief zijn er drieënveertig potten. Waar is de rest gebleven, zo vraag ik mij af. Denken die lui uit Pentos dat ik niet kan tellen?’ Toen hij Davos zag, zweeg hij abrupt. ‘Is dat peper die in mijn ogen prikt of zijn het tranen? Is het de Uienridder die voor mij staat? Nee, hoe kan dat nu, iedereen is het erover eens dat mijn dierbare vriend Davos op de brandende rivier is omgekomen. Waarom komt hij bij mij rondwaren?’

‘Ik ben geen spook, Salla.’

‘Wat dan? Mijn Uienridder was nooit zo mager en bleek als u.’ Salladhor Saan zigzagde tussen de kruidenpotten en de rollen stof in het ruim van de koopvaarder door, omhelsde Davos heftig en kuste hem toen een keer op iedere wang en een derde keer op het voorhoofd. ‘U bent nog warm, ser, en uw hart doet er van rikketikketik. Kan het waar zijn? De zee die u verzwolg heeft u weer uitgespuwd.’

Davos moest aan Lapjeskop denken, de achterlijke zot van prinses Shirine. Die was ook in zee beland, en toen hij eruit kwam was hij gek. Ben ik ook gek? Hij kuchte in een met een handschoen bedekte hand en zei: ‘Ik ben onder de ketting door gezwommen en op een speer van de meermannenkoning aangespoeld. Daar zou ik omgekomen zijn als Shayala’s Dans mij niet had gevonden.’

Salladhor Saan sloeg een arm om de schouders van de kapitein. ‘Goed gedaan, Khoreen. U krijgt een fraaie beloning, denk ik zo. Meizo Mehr, wees een beste eunuch en breng mijn vriend Davos naar de hut van de eigenaar. Breng hem wat warme wijn met kruidnagelen. Dat hoest je bevalt mij niet. Pers er ook wat limoen in uit. En breng witte kaas en een schaal van die gebroken groene olijven die we daarstraks hebben geteld! Davos, ik kom weldra bij je, zodra ik met onze goede kapitein heb gesproken. Ik denk zo dat je me dat niet kwalijk zult nemen. Eet niet alle olijven op, anders moet ik boos op je worden!’

Davos liet zich door de oudste van de twee eunuchen naar een grote, weelderig gemeubileerde hut bij de voorsteven van het schip brengen. De tapijten waren dik, de ramen van gebrandschilderd glas, en Davos had met gemak drie keer in elk van de grote leren zetels gepast. De kaas en de olijven kwamen al snel, met een beker dampend hete rode wijn. Hij hield hem in beide handen en nam er dankbaar kleine slokjes van. De warmte trok verzachtend door zijn borst.

Niet lang daarna verscheen Salladhor Saan. ‘Je moet mij die wijn maar vergeven, mijn vriend. Die Pentoshi zouden hun eigen water nog drinken als het paars van kleur was.’

‘Het is goed voor mijn borst,’ zei Davos. ‘Warme wijn is beter dan een kompres, zei mijn moeder altijd.’

‘Die kompressen zul je ook nodig hebben, denk ik zo. Al die tijd op een speer gezeten, ocherm. Wat vind je van die uitstekende stoel? Hij heeft dikke wangen, nietwaar?’

‘Wie?’ vroeg Davos tussen twee slokjes warme wijn door.

‘Illyrio Mopatis. Een walvis met bakkebaarden, zo zeg ik je naar waarheid. Die stoelen zijn op hem gebouwd, al blijft hij doorgaans zitten waar hij zit in Pentos, in plaats van hierin te zitten. Een dikke man zit altijd comfortabel, denk ik zo, want hij neemt overal zijn kussen mee naartoe.’

‘Hoe komt je aan een schip uit Pentos?’ vroeg Davos. ‘Is meneer weer in de piraterij gegaan?’ Hij zette zijn lege beker weg.

‘Vuige laster. Wie heeft er meer van piraten te lijden gehad dan Salladhor Saan? Ik vraag slechts wat mij toekomt. Er is een grote goudschuld, O ja, maar ik ben niet onredelijk, dus heb ik in plaats van muntgeld een fraai perkament je geaccepteerd, krakend vers. Het draagt de naam en het zegel van heer Alester Florens, de Hand des Konings. Ik ben tot heer van de Zwartwaterbaai verheven, en geen vaartuig mag mijn heerlijke wateren doorkruisen zonder mijn heerlijke toestemming, nee, nee. En wanneer die wetteloze lieden mij des nachts voorbij proberen te glippen om mijn wettige tol en belasting te ontduiken, welnu, dan zijn ze niet beter dan smokkelaars, dus is het mijn volste recht hen te grijpen.’ De oude piraat lachte. ‘Maar ik hak niemands vingers af. Waar zijn vingerkootjes nu goed voor? De schepen, die neem ik, de ladingen, wat losprijsjes, niets onredelijks.’ Hij keek Davos scherp aan. ‘Het is niet wel met je, mijn vriend. Die hoest… en zo mager. Vel over been. En toch zie ik je zakje met vingerkootjes niet.’

Oudergewoonte reikte David naar de leren buidel die er niet meer was. ‘Dat ben ik kwijtgeraakt in de rivier.’ Mijn geluk.

‘De rivier was vreselijk,’ zei Salladhor Saan plechtig. ‘Zelfs vanuit de baai zag ik, en huiverde.’

Davos hoestte, spuwde, en hoestte weer. ‘Ik zag de Zwarte Betha branden, en de Furie ook, bracht hij ten slotte met schorre stem uit. ‘Is geen van onze schepen aan het vuur ontkomen?’

‘Heer Steffon, Ruige Jenna, Flitsend Zwaard, Lachende Heer, en nog wat anderen die zich stroomopwaarts van die vuurbezweerderspis bevonden, ja. Die zijn niet verbrand, maar vanwege die ketting konden ze ook niet vluchten. Een paar hebben zich overgegeven. De meesten zijn ver het Zwartewater opgeroeid, weg van het gevecht, en daarna door hun bemanning tot zinken gebracht om niet in handen van de Lannisters te vallen. Ruige Jenna en de Lachende Heer spelen nog voor piraat je op de rivier, zo heb ik vernomen, maar wie zal zeggen of het ook waar is?’

‘Vrouwe Marya?’ vroeg Davos. ‘Schim?’

Salladhor Saan legde een hand op Davos’ onderarm en gaf er een kneepje in. ‘Nee. Daarover niets. Het spijt mij, mijn vriend. Het waren goede kerels, jouw Deyl en Allard. Maar deze troost kan ik je geven — de jonge Devan was bij degenen die we na afloop opgepikt hebben. De dappere jongen is niet van de zijde van zijn koning geweken, of dat zegt men althans.’

Even duizelde het hem bijna, zo tastbaar was zijn opluchting. Hij had niet naar Devan durven vragen. ‘De Moeder is barmhartig. Ik moet naar hem toe, Salla. Ik moet hem zien.’

‘Ja,’ zei Salladhor Saan. ‘En je zult vast ook wel naar Kaap Gram willen om je vrouw en je twee kleintjes te zien. Jij moet een nieuw schip hebben, denk ik zo.’

‘Zijne genade zal me wel een schip geven,’ zei Davos.

De man uit Lys schudde zijn hoofd. ‘Zijne genade heeft niet één schip, en Salladhor Saan heeft er vele. De schepen van de koning zijn op de rivier verbrand, maar de mijne niet. Jij krijgt er een, oude vriend. Jij gaat voor mij varen, ja? Jij gaat in het holst van de nacht Braavos, Myr en Volantis binnen huppelen, volledig ongezien, en dan kom je met zijde en specerijen naar buiten huppelen. Wij krijgen dikke beurzen, jawel.’

‘Dat is heel aardig, Salla, maar mijn plicht geldt mijn koning, niet jouw beurs. De oorlog gaat door. Volgens alle wetten van de Zeven Koninkrijken blijft Stannis de rechtmatige erfgenaam.’

‘Alle wetten helpen niet als alle schepen verbranden, denk ik zo. En jouw koning, wel, ik vrees dat je hem veranderd zult vinden. Sinds de veldslag ontvangt hij niemand, maar zit hij in zijn Stenen Trom te broeden. Koningin Selyse houdt hof, samen met haar oom, heer Alester, die zichzelf als de Hand betitelt. Het koninklijke zegel heeft ze aan deze oom gegeven om aan de door hem geschreven brieven te hechten, zelfs aan mijn mooie stukje perkament. Maar het is een klein rijkje waarover ze heersen, arm en rotsig, ja. Er is geen goud, zelfs geen klein beetje, om de trouwe Salladhor Saan te betalen waar hij recht op heeft, en alleen de ridders die we na afloop hebben opgepikt, en geen schepen behalve mijn dappere kleine schare.’

Davos kreeg zo’n felle hoestbui dat hij dubbelsloeg. Salladhor Saan wilde hem te hulp schieten, maar die wuifde hij weg, en na een ogenblik herstelde hij zich. ‘Niemand,’ hijgde hij. ‘Wat bedoel je, hij ontvangt niemand?’ Zijn stem klonk vochtig en dik, zelfs in zijn eigen oren, en even draaide de hut duizelingwekkend om hem heen.

‘Niemand behalve haar,’ zei Salladhor Saan, en Davos hoefde niet te vragen wie hij bedoelde. ‘Mijn vriend, je vermoeit jezelf. Wat jij nodig hebt is een bed, niet Salladhor Saan. Een bed, veel dekens, een warm kompres voor op de borst en nog meer wijn met kruidnagelen.’

Davos schudde zijn hoofd. ‘Ik red me wel. Vertel het me, Salla. Ik moet het weten. Niemand behalve Melisandre?’

De man uit Lys wierp hem een lange, twijfelende blik toe en vervolgde aarzelend: ‘De wachters houden alle anderen buiten de deur, zelfs zijn koningin en zijn dochtertje. Dienaren brengen maaltijden die niemand eet.’ Hij boog zich naar voren en dempte zijn stem. ‘Vreemde verhalen heb ik gehoord, over hongerige vuren in de berg, en over Stannis en de rode vrouw die samen afdalen om naar de vlammen te kijken. Er zijn schachten, zegt men, en geheime trappen die naar het hart van de berg afdalen, naar hete plekken die alleen zij kan betreden zonder te verbranden. Dat is meer dan genoeg om een oude man zulke rillingen te bezorgen dat hij soms nauwelijks de kracht opbrengt om te eten.’

Melisandre. Davos huiverde. ‘De rode vrouw heeft het ons aangedaan,’ zei hij. ‘Zij heeft het vuur gezonden dat ons verteerd heeft, om Stannis te straffen voor het feit dat hij haar afzijdig hield, om hem te leren dat hij zonder haar toverkunsten niet op de overwinning hoeft te hopen.’

De man uit Lys pakte een dikke olijf uit de schaal die tussen hen in stond. ‘Jij bent de eerste niet die dat zegt, mijn vriend. Maar als ik jou was zou ik het niet zo hardop doen. Drakensteen krioelt van de mannetjes die de koningin dienen, O ja, en die hebben scherpe oren en nog scherpere messen.’ Hij stopte de olijf in zijn mond.

‘Ik heb ook een mes. Cadeau gekregen van kapitein Khoreen.’ Hij trok de lange dolk en legde die tussen hen in op de tafel. ‘Een mes om Melisandre het hart uit het lijf te snijden. Als ze er een heeft.’

Salladhor Saan spuugde een olijvenpit uit. ‘Davos, beste Davos, zulke dingen moet je niet zeggen, zelfs niet voor de grap.’

‘Het is geen grap. Ik ben van plan haar te vermoorden.’ Als ze tenminste door sterfelijke wapens gedood kan worden. Daar was Davos niet zeker van. Hij had gezien hoe de oude maester heimelijk vergif in haar wijn had gedaan, dat had hij met eigen ogen gezien, maar toen ze allebei uit de gifbeker dronken was het de maester die was gestorven, niet de rode priesteres. Maar een mes in het hart… zelfs demonen kunnen door koud staal worden gedood, zeggen de zangers.

‘Dat zijn gevaarlijke praatjes, mijn vriend,’ zei Salladhor Saan vermanend. ‘Je bent nog ziek van de zee, denk ik zo. De koorts heeft je brein aan de kook gebracht, jawel. Je kunt maar het beste naar bed gaan en veel rust nemen, tot je aangesterkt bent.’

Tot mijn vastberadenheid vermindert, bedoel je. Davos kwam overeind. Hij voelde zich koortsig en lichtelijk duizelig, maar dat gaf niet. ‘Je bent een verraderlijke ouwe boef, Salladhor Saan, maar desondanks een goede vriend.’

De man uit Lys streek over zijn zilveren puntbaardje. ‘Dus je blijft bij die grote vriend, ja?’

‘Nee, ik ga.’

‘Ga. Moet je jezelf eens zien! Je hoest, je rilt, je bent mager en zwak. Waar ga je dan heen?’

‘Naar het slot. Daar is mijn bed, en mijn zoon.’

‘En de rode vrouw,’ zei Salladhor Saan wantrouwig. ‘Zij is ook in het slot.’

‘Zij ook.’ Davos liet de dolk weer in de schede glijden.

‘Jij bent een uiensmokkelaar, wat weet jij van besluipen en toesteken? En je bent ziek. Je kunt die dolk niet eens vasthouden. Weet je wat er met je gebeurt als je gevangen wordt? Terwijl wij brandden op de rivier was de koningin bezig verraders te verbranden. Dienaren van het duister, noemde ze hen, de arme kerels, en de rode vrouw zong toen de vuren werden aangestoken.’

Davos was niet verbaasd. Ik wist het, dacht hij. Ik wist het al voordat hij het zei.

‘Ze heeft heer Brandglas uit de kerkers gehaald,’ raadde hij, ‘en de zoons van Huberd Ramstee.’

‘Inderdaad, en ze verbrand, zoals ze jou zal verbranden. Als je de rode vrouw vermoordt zullen ze je uit wraak verbranden, en als je er niet in slaagt verbranden ze je omdat je het hebt geprobeerd. Zij zal zingen en jij zult schreeuwen, en dan ga je dood. En je bent nog maar net bij de levenden teruggekeerd!’

‘Hiervoor,’ zei Davos. ‘Om dit te doen. Om een eind te maken aan Melisandre van Asshai en al haar werken. Waarom zou de zee mij anders hebben uitgespuwd? Jij kent de Zwartwaterbaai even goed als ik, Salla. Geen kapitein die zijn hersens bij elkaar heeft zal met zijn schip ooit tussen de speren van de meermannenkoning door varen en het risico lopen dat zijn romp wordt opengehaald. Shayala’s Dans zou normaal gesproken nooit bij mij in de buurt zijn gekomen.’

‘De wind,’ beweerde Salladhor Saan luidkeels, ‘een ongunstige wind, meer niet. Het schip is door de wind te ver naar het zuiden afgedreven.’

‘En wie heeft die wind gezonden? Salla, de Moeder heeft tot mij gesproken.’

De oude Lyseni knipperde met zijn ogen. ‘Je moeder is dood…’

‘De Moeder. Zij had mij met zeven zonen gezegend en toch liet ik toe dat ze haar verbrandden. Zij heeft tot mij gesproken. Wij hebben om dat vuur gevraagd, zei ze. En ook om de schaduwen. Ik heb Melisandre tot in de ingewanden van Stormeinde geroeid en gezien hoe ze een verschrikking baarde.’ In zijn nachtmerries zag hij het nog voor zich, de knokige zwarte handen die zich afzetten tegen haar dijen toen het ding zich uit haar gezwollen schoot wurmde. ‘Ze heeft Cressen vermoord, en heer Renling, en een dapper man genaamd Cortijn Koproos, en ze heeft ook mijn zonen gedood. Nu is het tijd dat iemand haar doodt.’

‘Iemand,’ zei Salladhor Saan. ‘Heel juist, ja. Iemand. Maar niet jij. Jij bent zo zwak als een kind en geen krijgsman. Blijf hier, smeek ik je, dan praten we nog wat en je eet en misschien varen we dan naar Braavos en huren een Gezichtsloze Man om deze daad te verrichten, ja? Maar jij, nee, jij moet gaan zitten en eten.’

Hij maakt het nog veel moeilijker, dacht Davos vermoeid, en het was al zo gruwelijk moeilijk. ‘Mijn buik is vol van wraak, Salla. Er is geen plaats voor eten. Laat me nu gaan. Omwille van onze vriendschap: wens me geluk en laat me gaan.’

Salladhor Saan duwde zich overeind. ‘Jij bent geen echte vriend, denk ik zo. Als jij dood bent, wie moet dan je as en gebeente naar je vrouwe brengen en haar vertellen dat ze een echtgenoot en vier zonen verloren heeft? Niemand anders dan de treurige oude Salladhor Saan. Maar het zij zo, dappere ser ridder, haast je maar naar je graf. Ik zal je beenderen in een zak stoppen en ze aan de zonen geven die je achterlaat, dan kunnen ze die in buideltjes om hun hals dragen.’ Hij wapperde boos met een hand die aan elke vinger een ring had. ‘Ga, ga, ga, ga, ga.’

Zo wilde Davos niet weggaan. ‘Salla…’

‘GA. Of blijf liever, maar als je gaat, ga dan.’ Hij ging.

Zijn klim van de Rijke Oogst naar de poort van Drakensteen was lang en eenzaam. De straten rond de haven, waar het eens placht te wemelen van de soldaten, zeelieden en kleine luiden, waren leeg en verlaten. Waar hij eens om krijsende varkentjes en naakte kindertjes heen had moeten stappen scharrelden nu ratten rond. Zijn benen leken wel van pap, en drie keer kreeg hij zo’n hevige hoestbui dat hij moest blijven staan om uit te rusten. Niemand kwam hem te hulp en er gluurde zelfs niemand door een raam om te kijken wat er aan de hand was. Voor de ramen zaten luiken en voor de deuren balken, en meer dan de helft van de huizen vertoonde tekenen van rouw. We zijn met duizenden de Zwartwaterstroom opgevaren en met honderden teruggekeerd, peinsde Davos. Mijn zonen zijn niet alleen gestorven. De Moeder zij hen allen genadig.

Toen hij de kasteelpoort bereikte bleek ook die gesloten. Davos bonsde met zijn vuist op het met ijzer beslagen hout. Toen er geen antwoord kwam schopte hij ertegen, en toen nog eens, en nog eens. Ten slotte verscheen er een kruisboogschutter op de barbacane. Tussen twee torenhoge gargouilles gluurde hij omlaag. ‘Wie daar?’

Hij boog zijn hoofd ver naar achteren en zette zijn handen als een trechter voor zijn mond. ‘Ser Davos Zeewaard, om zijne genade te spreken.’

‘Ben je dronken? Ga weg en hou op met dat gebonk.’

Salladhor Saan had hem gewaarschuwd. Davos probeerde het met een andere benadering. ‘Laat dan mijn zoon komen. Devan, de schildknaap van de koning.’

De wachter fronste. ‘Wie zei je dat je was?’

‘Davos!’ riep hij. ‘De Uienridder.’

Het hoofd verdween en kwam even later weer terug. ‘Verdwijn. De Uienridder is omgekomen op de rivier. Zijn schip is verbrand.’

‘Zijn schip is verbrand,’ beaamde Davos, ‘maar hij heeft het overleefd, en hier staat hij. Is Jeet nog kapitein van de poort?’

‘Wie?’

‘Jeet Zwartebes. Die kent me heel goed.’

‘Nooit van gehoord. Hij zal wel dood zijn.’

‘Heer Kwettering dan.’

‘Die ken ik wel. Die is op het Zwartewater verbrand.’

‘Wil Haakgezicht? Ar de Ever?’

‘Dood, en nog eens dood,’ zei de kruisboogschutter, maar zijn gezicht verried dat hij nu plotseling twijfelde. ‘Wacht daar.’ Hij verdween weer.

Davos wachtte. Weg, allemaal weg, dacht hij dof, en hij herinnerde zich de witte buik van dikke Ar, die altijd onder zijn vettige wambuis uitpuilde, het lange litteken dat de vishaak op Wils gezicht had achtergelaten, de manier waarop Jeet altijd zijn hoed voor de vrouwen had gelicht, of ze nu vijf of vijftig waren, en hoog- of laaggeboren. Verdronken of verbrand, samen met mijn zonen en nog duizenden anderen, heengegaan om een koning te maken in de hel.

Ineens was de kruisboogschutter weer terug. ‘Loop maar om naar de uitvalspoort, daar laten ze je binnen.’

Davos deed wat hem gezegd werd. De wachters die hem binnenlieten waren vreemden voor hem. Ze hadden speren, en op hun borst droegen ze het wapenteken van Florens, de vos met de bloemen. Ze brachten hem niet naar de Stenen Trom, zoals hij had verwacht, maar leidden hem onder de boog van de Drakenstaart door naar Aegons Tuin. ‘Wacht hier,’ zei de sergeant tegen hem.

‘Weet zijne genade dat ik terug ben?’ vroeg Davos.

‘Ik mag doodvallen als ik het weet. Wachten, zei ik.’ De man liep weg, met medeneming van zijn speerdragers.

Aegons Tuin rook aangenaam naar naaldhout en overal rezen grote, donkere bomen op. Er waren ook wilde rozen en torenhoge doornhagen, en een drassig landje waar veenbessen groeiden.

Waarom hebben ze me hier gebracht? vroeg Davos zich af.

Toen hoorde hij een vaag gerinkel van belletjes en het giechelen van een kind, en plotseling sprong de zot Lapjeskop uit de bosjes en hobbelde zo snel mogelijk weg, dicht op de hielen gezeten door prinses Shirine. ‘Nou terugkomen,’ riep ze hem achterna. ‘Lapjes, kom terug jij!’

Toen de zot Davos zag bleef hij stokstijf staan, en de belletjes op zijn tinnen geweihelm tingelden heftig. Terwijl hij van de ene voet op de andere hupte zong hij: ‘Zottenbloed, koningsbloed, bloed op de maagd haar dij, maar ketens voor de gasten, en voor de bruidegom, hei!’ Nu kon Shirine hem bijna grijpen, maar op het laatste moment sprong hij over een varenbed en verdween tussen de bomen. De prinses rende vlak achter hem aan. Hun aanblik ontlokte Davos een glimlach.

Hij had zich net omgedraaid om in zijn gehandschoende hand te hoesten toen er nog een kleine gedaante door de heg brak en pardoes tegen hem op botste, zodat hij tegen de grond sloeg.

De jongen viel ook om, maar stond bijna meteen weer op. ‘Wat doet u hier?’ wilde hij weten, terwijl hij zich afklopte. Zijn gitzwarte haar viel tot op zijn kraag en zijn ogen waren opvallend blauw. ‘U moet me niet in de weg lopen als ik ren.’

‘Nee,’ gaf Davos toe. ‘Dat moet ik niet doen.’ Toen hij moeizaam op zijn knieën ging zitten kreeg hij een hoestbui.

‘Voelt u zich niet goed?’ De jongen pakte hem bij een arm en trok hem overeind. ‘Moet ik de maester laten komen?’

Davos schudde zijn hoofd. ‘Een hoest je. Het gaat wel over.’

De jongen geloofde hem op zijn woord. ‘We speelden monsters en maagden,’ legde hij uit. ‘Ik was het monster. Een kinderachtig spelletje, maar mijn nichtje vindt het leuk. Hebt u ook een naam?’

‘Ser Davos Zeewaard.’

De jongen bekeek hem weifelend van top tot teen. ‘Weet u dat zeker? U ziet er niet erg ridderlijk uit.’

‘Ik ben de ridder van de uien, heer.’

De blauwe ogen knipperden. ‘Die met het zwarte schip?’

‘Kent u dat verhaal?’

‘U hebt mijn oom Stannis vis gebracht om te eten toen heer Tyrel hem belegerde, voordat ik geboren was.’ De jongen richtte zich hoog op. ‘Ik ben Edric Storm,’ verklaarde hij. ‘De zoon van koning Robert.’

‘Natuurlijk.’ Dat had Davos vrijwel onmiddellijk gezien. De jongen had de flaporen van een Florens, maar zijn haar, zijn ogen, zijn kaken en zijn jukbeenderen verrieden allemaal de Baratheons.

‘Hebt u mijn vader gekend?’ wilde Edric Storm weten.

‘Ik heb hem vaak gezien als ik uw oom aan het hof bezocht, maar we hebben nooit met elkaar gesproken.’

‘Mijn vader heeft me leren vechten,’ zei de jongen trots. ‘Hij kwam me bijna ieder jaar opzoeken, en soms oefenden we samen. Voor mijn laatste naamdag stuurde hij me een strijdhamer, net als de zijne, alleen kleiner. Maar die moest ik op Stormeinde achterlaten. Is het waar dat mijn oom Stannis uw vingers heeft afgehakt?’

‘Alleen het laatste kootje. Ik heb mijn vingers nog, alleen zijn ze nu korter.’

‘Laat eens zien.’

Davos pelde zijn handschoen af. De jongen bestudeerde zijn hand zorgvuldig. ‘Uw duim heeft hij niet ingekort?’

‘Nee.’ Davos hoestte. ‘Die mocht ik houden.’

‘Hij had niet één van uw vingers moeten afhakken,’ zei de jongen gedecideerd. ‘Dat was verkeerd.’

‘Ik was een smokkelaar.’

‘Ja, maar u hebt vis en uien voor hem gesmokkeld.’

‘Voor de uien heeft heer Stannis mij tot ridder geslagen en voor het smokkelen mijn vingers ingekort.’ Hij trok zijn handschoen weer aan.

‘Mijn vader zou uw vingers niet hebben afgehakt.’

‘Zoals u zegt, heer.’ Robert was heel anders dan Stannis, dat is maar al te waar. De jongen lijkt op hem. En ook op Renling. Een zorgwekkende gedachte.

Net toen de jongen weer iets wilde zeggen hoorden ze voetstappen. Davos draaide zich om. Ser Axel Florens kwam het tuinpad af lopen met een tiental wachters in gewatteerde buizen. Op hun borst droegen ze het vurige hart van de Heer des Lichts. Mannen van de koningin, dacht Davos. Ineens moest hij dringend hoesten.

Ser Axel was kort en gespierd, met een brede borst, dikke armen, stevige benen en haar dat uit zijn oren groeide. Als de oom van de koningin was hij tien jaar kastelein van Drakensteen geweest en hij had Davos altijd hoffelijk bejegend, wetend dat hij bij heer Stannis in de gunst stond. Maar zijn stem was hoffelijk noch warm toen hij zei: ‘Ser Davos, en niet verdronken. Hoe is het mogelijk.’

‘Uien blijven drijven, ser. Komt u om mij naar de koning te brengen?’

‘Ik kom om u naar de kerker te brengen.’ Ser Axel wenkte zijn mannen naar voren. ‘Grijp hem en neem hem zijn dolk af. Hij is van plan die tegen onze vrouwe te gebruiken.’

Jaime

Jaime kreeg de herberg het eerst in het oog. Het hoofdgebouw omarmde de zuidoever in de bocht van de rivier, de lange vleugels uitgestrekt langs het water als om stroomafwaarts varende reizigers te omhelzen. De benedenverdieping was van grauwe steen, de bovenverdieping van witgekalkt hout, het dak van leisteen. Hij zag ook stallen, en een prieel dat zwaar was van de wijnranken. ‘Geen rook uit de schoorstenen,’ merkte hij op toen ze dichterbij kwamen. ‘En ook geen lichtjes in de ramen.’

‘Toen ik hier de vorige keer langskwam was de herberg nog open,’ zei ser Cleos Frey. ‘Ze brouwden hier prima bier. Misschien is er nog wat te vinden in de kelders.’

‘Misschien zijn er wel mensen,’ zei Briënne, ‘maar hebben ze zich verstopt. Of ze zijn dood.’

‘Bang voor een paar lijken, deerne?’ zei Jaime.

Ze keek hem woedend aan. ‘Ik heet…’

‘…Briënne, ja. Zou je niet eens een nachtje in een bed willen slapen, Briënne? Dan zouden we veiliger zijn dan open en bloot op de rivier, en we doen er misschien verstandig aan om te kijken wat hier is gebeurd.’

Ze gaf geen antwoord, maar na een ogenblik duwde ze tegen de helmstok en liet de roeiboot naar de verweerde houten kade zwenken. Ser Cleos haastte zich om het zeil te strijken. Toen ze zachtjes tegen de steiger bonsden klom hij de boot uit om hen vast te leggen. Jaime klauterde achter hem aan, gehinderd door zijn ketens.

Aan het uiteinde van de kade hing een afgebladderd bord aan een ijzeren paal waarop een knielende koning was geschilderd met zijn handen tegen elkaar, als bij het afleggen van de eed van trouw. Jaime wierp er één blik op en lachte hardop. ‘We hadden geen betere herberg kunnen vinden.’

‘Is dit dan een speciale plek?’ vroeg de deerne wantrouwig.

Ser Cleos antwoordde: ‘Dit is Herberg de Knielende Man, vrouwe. Hij staat precies op de plaats waar de laatste Koning in het Noorden voor Aegon de Veroveraar knielde om zich te onderwerpen. Dat bord zal hem wel moeten voorstellen.’

‘Na de val van de twee koningen op het Veld van Vuur was Torrhen met zijn strijdmacht naar het zuiden getrokken,’ zei Jaime, ‘maar toen hij Aegons draak en de omvang van zijn leger zag, verkoos hij wijselijk zijn ijskoude knieën te buigen.’ Er klonk gehinnik, en hij zweeg. ‘Paarden in de stal. Eén althans.’ En meer dan een heb ik er niet nodig om die deerne af te schudden. ‘Zullen we eens kijken wie er thuis is?’ Zonder op antwoord te wachten liep Jaime rinkelend de kade af, zette zijn schouder tegen de deur, duwde hem open…

…en stond oog in oog met een geladen kruisboog. Daarachter stond een gedrongen knaap van vijftien. ‘Leeuw, vis of wolf?’ wilde de jongen weten.’

‘Wij hadden op kapoen gehoopt.’ Achter zich hoorde Jaime zijn metgezellen binnenkomen. ‘Een kruisboog is het wapen van een lafaard.’

‘Maar je kunt er even goed iemand mee in het hart treffen.’

‘Misschien. Maar voor je hem nog eens gespannen hebt heeft mijn neef hier je ingewanden op de vloer gemorst.’

‘Maak die jongen nou niet bang,’ zei ser Cleos.

‘Wij hebben geen kwaad in de zin,’ zei de deerne. ‘En we hebben geld om voor eten en drinken te betalen.’ Ze haalde een zilverstuk uit haar buidel.’

De jongen keek achterdochtig naar de munt, en toen naar Jaimes boeien. ‘Waarom is hij geketend?’

‘Een paar kruisboogschutters gedood,’ zei Jaime. ‘Heb je bier?’

‘Ja.’ De jongen liet de kruisboog één duim zakken. ‘Doen jullie je zwaardriemen af, laat ze vallen, en dan geven we jullie misschien wat te eten.’ Hij liep zijwaarts om hen heen en gluurde door de dikke, ruitvormige vensterglazen om te zien of er buiten nog meer stonden. ‘Dat is een Tulling-zeil.’

‘We komen uit Stroomvliet.’ Briënne maakte de gesp van haar riem los en liet die op de vloer ploffen. Ser Cleos volgde haar voorbeeld.

Een vale man met een pokdalig, pafferig gezicht stapte met een zware slagersbijl in zijn hand de kelderdeur door. ‘Met zijn drieën? We hebben genoeg paardenvlees voor drie. Het paard was oud en taai, maar het vlees is nog vers.’

‘Is er brood?’

‘Hard brood en oudbakken haverkoeken.’

Jaime grinnikte. ‘Dat is nog eens een eerlijke waard. Ze serveren allemaal oudbakken brood ep zenig vlees, maar de meesten geven het niet zo onomwonden toe.’

‘Ik ben geen waard. De waard heb ik buiten begraven, met zijn vrouwvolk.’

‘Hebt u ze gedood?’

‘Zou ik dat dan zeggen?’ De man spuwde. ‘Waarschijnlijk het werk van wolven of wie weet van leeuwen, wat maakt het uit. Moeder de vrouw en ik vonden hun lijken. Zoals wij het zien is deze tent nu van ons.’

‘Waar is die vrouw van u?’ vroeg ser Cleos.

De man keek hem met toegeknepen ogen wantrouwig aan. ‘En waarom wilt u dat weten? Ze is hier niet… en dat geldt ook voor u als de smaak van uw zilver mij niet bevalt.’

Briënne wierp hem de munt toe. Hij ving hem, beet erop en stopte hem weg.

‘Ze heeft er nog meer,’ sprak de jongen met de kruisboog.

‘Kijk eens aan. Ga naar de kelder, jongen, en haal wat uien voor me.’

De knaap legde de kruisboog over zijn schouder, wierp hen een laatste gemelijke blik toe en verdween in de kelder.

‘Uw zoon?’ vroeg ser Cleos.

‘Gewoon een jongen die moeder de vrouw en ik bij ons opgenomen hebben. We hadden twee zoons, maar de leeuwen hebben de ene gedood en de ander is aan de buikloop gestorven. De jongen is zijn moeder aan de Bloedige Mommers kwijtgeraakt. Vandaag de dag heeft een mens bewaking nodig als hij slaapt.’ Hij wuifde met de slagersbijl naar de tafels. ‘U kunt wel gaan zitten.’

De haard was koud, maar Jaime koos de stoel die het dichtst bij de as stond en strekte zijn lange benen onder de tafel uit. Al zijn bewegingen werden door het gerammel van zijn ketens begeleid. Een irritant geluid. Voor dit afgelopen is, wind ik die deerne deze ketens om haar strot, eens kijken hoe ze haar dan bevallen.

De man die geen waard was schroeide drie grote paardenbiefstukken dicht en bakte de uien in spekvet, wat de oudbakken haverkoeken bijna goed maakte. Jaime en Cleos dronken bier, Briënne een beker cider. De jongen bleef op een afstand. Hij zat op de ciderton met de geladen en gespannen kruisboog over zijn knieën. De kok tapte een kroes bier en ging bij hen zitten. ‘Nog nieuws uit Stroomvliet?’ vroeg hij aan ser Cleos, die hij voor hun leider aanzag.

Voordat hij antwoord gaf gluurde ser Cleos naar Briënne. ‘Heer Hoster is stervende maar zijn zoon verdedigt de voorden van de Rode Vork tegen de Lannisters. Er is gevochten.’

‘Er wordt overal gevochten. Waarheen bent u op weg, ser?’

‘Koningslanding.’ Ser Cleos veegde wat vet van zijn lippen.

Hun gastheer snoof. ‘Dan bent u alle drie gek. Het laatste wat ik hoorde was dat koning Stannis voor de stadsmuren lag. Ze zeggen dat hij honderdduizend man en een magisch zwaard heeft.’

Jaimes handen sloten zich om de keten waarmee zijn polsen geboeid waren. Hij trok hem strak en wenste dat hij sterk genoeg was om hem te breken. Dan zou ik Stannis eens laten zien in welke schede hij dat magische zwaard kon steken.

‘Ik zou die Koningsweg mijden, als ik u was,’ vervolgde de man. ‘Het is erger dan erg, heb ik gehoord. Wolven én leeuwen, en bendes deserteurs die op iedereen loeren die ze kunnen pakken.’

‘Ongedierte,’ verklaarde ser Cleos vol verachting. ‘Dergelijke lieden zullen het nooit wagen gewapende mannen lastig te vallen.’ ‘Neem me niet kwalijk, ser, maar ik zie maar één gewapende man, die reist met een vrouw en een geketende gevangene.’

Briënne wierp de kok een duistere blik toe. Die deerne wordt er zeer ongaarne aan herinnerd dat ze een deerne is, peinsde Jaime, en draaide weer aan zijn ketens. De meedogenloze ijzeren schakels drukten koud en hard in zijn huid. De boeien hadden zijn polsen rauw geschaafd.

‘Ik ben van plan de Drietand af te varen tot de zee,’ vertelde de deerne hun gastheer. ‘In Maagdenpoel zoeken we rijdieren, en dan rijden we verder via Schemerdel en Rooswijk. Zo blijven we een flink eind bij de ergste gevechten vandaan.’

Hun gastheer schudde zijn hoofd. ‘Via de rivier komt u nooit in Maagdenpoel. Nog geen dertig mijl verderop zijn wat boten verbrand en gezonken en daaromheen is de vaargeul dichtgeslibd. Er zit een nest vogelvrij en die loeren op iedereen die erlangs wil, en stroomopwaarts zitten er nog meer, zo rond de Stapstenen en het Roodwildeiland. En de Bliksemheer is ook in deze buurt gesignaleerd. Hij steekt de rivier over waar hij maar wil en gaat nu eens hierheen en dan weer daarheen. Hij zit nooit stil.’

‘En wie is die Bliksemheer?’ wilde ser Cleos Frey weten.

‘Heer Beric, als het u belieft, ser. Zo noemen ze hem omdat hij snel als de bliksem toeslaat. Ze zeggen dat hij onsterfelijk is.’

Iedereen sterft als je er een zwaard in steekt, dacht Jaime. ‘Bevindt Thoros van Myr zich nog in zijn gezelschap?’

‘Ja. De rode tovenaar. Ze zeggen dat hij over vreemde vermogens beschikt.’

Hij beschikte in elk geval over het vermogen om tegen Robert Baratheon op te drinken, iets wat maar weinigen konden beweren. Jaime had Thoros eens aan de koning horen vertellen dat hij een rode priester was geworden omdat de wijnvlekken op die gewaden nauwelijks te zien waren. Robert had zo gelachen dat hij Cerseis zijden mantel van top tot teen met bier had besproeid. ‘Het zij verre van mij om bezwaar te maken,’ zei hij, ‘maar misschien is de Drietand toch niet de veiligste weg.’

‘Dat zou ik ook denken,’ beaamde hun kok. ‘Zelfs al komt u het Roodwildeiland voorbij en stuit u niet op heer Beric en die rode tovenaar, dan moet u altijd nog de robijnvoorde over. Het laatste nieuws was dat de wolven van de Bloedzuigerheer de voorde in handen hadden, maar dat is alweer een tijdje geleden. Inmiddels kunnen het de leeuwen wel weer zijn, of heer Beric, of weet ik veel wie.’

‘Of niemand,’ opperde Briënne.

‘Als de dame haar huid daarom wil verwedden, zal ik haar niet tegenhouden… maar als ik u was zou ik deze rivier verlaten en over land doorsteken. Als u de hoofdwegen mijdt en ’s nachts beschutting zoekt onder de bomen, als het ware in het verborgene… tja, dan zou ik nog steeds niet met u mee willen, maar dan hebt u misschien een kans als een Mommer in een klucht.’

De forse deerne keek weifelend. ‘Dan zouden we paarden nodig hebben.’

‘Er zijn hier paarden,’ merkte Jaime op. ‘Ik heb er een gehoord in de stal.’

‘Ja, die zijn er,’ zei de waard die geen waard was. ‘Het toeval wil dat er drie zijn, maar die zijn niet te koop.’

Jaime moest lachen. ‘Natuurlijk niet. Maar u gaat ze ons toch laten zien.’

Briënne keek boos, maar de man die geen waard was keek haar strak aan en na een ogenblik zei ze met tegenzin: ‘Laat ze maar zien,’ en stonden ze allemaal van tafel op.

Naar de lucht te oordelen waren de stallen al een hele tijd niet uitgemest. Honderden zwarte vliegen zwermden tussen het stro, zoemden van box naar box en kropen over de bergen paardenmest waarmee de grond bezaaid was, maar er waren maar drie paarden te zien. Een ongerijmd trio: een log bruin ploegpaard, een stokoude witte ruin die aan één oog blind was en een vurige, grijsgevlekte riddermerrie. ‘Ik verkoop ze voor geen prijs,’ verklaarde de zogenaamde eigenaar.

‘Hoe komt u aan die paarden?’ wilde Briënne weten.

‘Dat bierbrouwerspaard stond hier in de stal toen moeder de vrouw en ik deze herberg vonden, samen met het paard waarvan u zojuist hebt gegeten. De ruin is op een avond komen aanlopen en de jongen heeft de merrie gevangen. Ze liep los, met zadel en tuig en al. Hier, ik zal het u laten zien.’

Het zadel dat hij liet zien was met zilver ingelegd. Het zadeldek was eens roze met zwart geblokt geweest, maar nu was het voornamelijk bruin. Jaime herkende de oorspronkelijke kleuren niet, maar hij wist heel goed hoe bloedvlekken eruit zagen. ‘Nou, de eigenaar zal haar niet binnen afzienbare tijd komen opeisen.’ Hij inspecteerde de benen van de merrie en telde de tanden van de ruin. ‘Geef hem een goudstuk voor de grijze, als hij het zadel erbij doet,’ adviseerde hij Briënne. ‘Een zilverstuk voor het ploegpaard. Maar hij zou ons geld toe moeten geven als we hem van die ruin afhelpen.’

‘Geen onbeleefde opmerkingen over uw paard, ser.’ De deerne opende de beurs die vrouwe Catelyn haar had gegeven en haalde er drie gouden munten uit. ‘Ik betaal u een draak per paard.’

Hij knipperde met zijn ogen en stak een hand naar het goud uit. Toen aarzelde hij en trok zijn hand weer terug. ‘Ik weet het niet. Op een gouden draak kan ik niet rijden als ik moet maken dat ik wegkom. En ik kan hem ook niet opeten als ik honger heb.’

‘U kunt ook onze roeiboot krijgen,’ zei ze. ‘Vaar de rivier op of af, wat u wilt.’

‘Laat me dat goud eens proeven.’ De man nam een van de munten uit haar handpalm en beet erop. ‘Hm. Echt genoeg, lijkt me. Drie draken én de roeiboot?’

‘Hij haalt je het vel over de oren, deerne,’ zei Jaime beminnelijk.

‘Ik zal ook voorraden nodig hebben,’ zei Briënne tegen hun gastheer, zonder acht te slaan op Jaime. ‘Alles wat u kunt missen.’

‘Er zijn nog haverkoeken.’ De man veegde de overige twee draken van haar handpalm en liet ze rammelen in zijn vuist, glimlachend bij het geluid. ‘En ook gerookte, gezouten vis, maar dat gaat u zilver kosten. Mijn bedden zijn ook niet gratis. U zult hier de nacht wel willen doorbrengen.’

‘Nee,’ zei Briënne meteen.

De man fronste naar haar. ‘Mevrouw, u wilt toch niet ’s nachts door vreemd gebied rijden op paarden die u niet kent. Dan loopt u de kans in een moeras te belanden, of uw paard breekt een been.’

‘De maan schijnt vannacht helder,’ zei Briënne. ‘We zullen zonder moeite kunnen zien waar we rijden.’

Dat moest hun gastheer even verwerken. ‘Als u geen zilver hebt, kunt u die bedden misschien ook voor een paar kopertjes krijgen, en ook wat dekbedden om u warm te houden. Ik stuur heus geen reizigers weg, als u mij vat.’

‘Dat klinkt heel redelijk,’ zei ser Cleos.

‘De dekbedden zijn nog pas gewassen ook. Dat heeft mijn vrouw gedaan voordat ze weg moest. En hier is ook geen vlo te bekennen, op mijn woord.’ Hij liet de munten weer rinkelen en glimlachte.

Ser Cleos was zichtbaar in de verleiding gebracht. ‘Een fatsoenlijk bed zou ons allemaal goed doen, jonkvrouwe,’ zei hij tegen Briënne. ‘Als we opgefrist zijn schieten we morgen sneller op.’ Hij keek zijn neef aan om steun bij hem te zoeken.’

‘Nee, neefje, de deerne heeft gelijk. We hebben beloften in te lossen, en vele lange mijlen voor ons. We moeten doorrijden.’

‘Maar,’ zei Cleos, ‘je zei zelf…’

‘Dat was toen.’ Toen ik dacht dat de herberg verlaten was. ‘Nu heb ik een volle buik, en een ritje bij maneschijn, dat is het helemaal.’ Hij glimlachte ten behoeve van de deerne. ‘Maar tenzij je me als een meelzak over de rug van dat ploegpaard wilt gooien moet je iets aan die ijzers doen. Het rijdt een beetje moeilijk als je enkels aan elkaar geketend zijn.’

Briënne keek fronsend naar de keten. De man die geen waard was wreef over zijn kaak. ‘Achter de stal is een smidse.’

‘Laat maar zien,’ zei Briënne.

‘Ja,’ zei Jaime, ‘en hoe sneller hoe beter. Er ligt hier naar mijn smaak te veel paardenmest. Ik zou er niet graag in trappen.’ Hij wierp de deerne een scherpe blik toe en vroeg zich af of ze kien genoeg was om te begrijpen wat hij bedoelde.

Hij hoopte ook dat ze de ijzers van zijn polsen zou slaan, maar Briënne wantrouwde hem nog altijd. Ze sloeg de enkelketen met vijf, zes felle klappen in tweeën door met de smidshamer op het botte einde van een stalen beitel te slaan. Toen hij opperde dat ze ook de keten om zijn polsen zou doorhakken negeerde ze hem.

‘Zes mijl stroomafwaarts zult u een verbrand dorp zien,’ zei hun gastheer, terwijl hij hen hielp de paarden te zadelen en te bepakken. Ditmaal richtte hij zich met zijn raad tot Briënne. ‘Daar splitst de weg zich. Als u naar het zuiden gaat komt u bij de stenen woontoren van ser Warren. Ser Warren is weggegaan en gesneuveld, dus ik heb geen idee wie er nu huist, maar die plaats kunt u het beste mijden. U doet er beter aan het pad door de bossen te volgen, naar het zuidoosten.’

‘Dat zullen we doen,’ antwoordde ze. ‘U hebt mijn dank.’

Of liever gezegd, je goud. Jaime hield zijn gedachten voor zich. Hij was het zat om door deze enorme, lelijke koe van een vrouw genegeerd te worden.

Ze nam het ploegpaard voor zichzelf en wees ser Cleos de merrie toe. Zoals ze al gedreigd had trok Jaime de eenogige ruin, hetgeen een eind maakte aan alle ideeën die hij gekoesterd mocht hebben over hard wegrijden en haar in een stofwolk achterlaten.

De man en de jongen kwamen naar buiten om hen te zien vertrekken. De man wenste hen geluk en zei dat ze in betere tijden nog eens terug moesten komen, terwijl de jongen zwijgend met zijn kruisboog onder zijn arm stond. ‘Neem een speer of een knuppel,’ zei Jaime tegen hem, ‘daar heb je meer aan.’ De jongen staarde hem wantrouwig aan. Daar ga je met je goeie raad. Hij haalde zijn schouders op, wendde zijn paard en keek niet één keer om.

Toen ze zich op weg begaven klaagde ser Cleos steen en been, nog steeds rouwend om zijn gemiste dons bed. Ze reden langs de oever van de maanovergoten rivier naar het oosten. De Rode Vork was hier heel breed maar ook ondiep, met overal modder en riet langs de kant. Het rijdier van Jaime sjokte kalmpjes voort, al had het arme oude beest de neiging om af te dwalen naar de kant van zijn goede oog. Het was goed om weer een keertje te rijden. Sinds de boogschutters van Robb Stark in het Fluisterwoud zijn strijdros onder hem hadden gedood had hij niet meer op een paard gezeten.

Bij het verbrande dorp kwamen ze voor de keus te staan tussen twee wegen die allebei even weinig beloofden: smalle paden met diepe voren van boerenkarren die graan naar de rivier hadden gezeuld. Het ene kronkelde naar het zuidoosten en verloor zich al snel tussen de bomen die ze in de verte ontwaarden, terwijl het andere, rechter en steniger, als een speer pal naar het zuiden liep. Briënne bekeek ze kortstondig en dreef toen haar paard de zuidelijke weg op. Jaime was aangenaam verrast, want die keus zou hij ook hebben gemaakt.

‘Maar dat is de weg waarvoor de waard ons heeft gewaarschuwd,’ protesteerde ser Cleos.

‘Dat was geen waard.’ Ze hing onelegant in het zadel, maar leek toch een vaste zit te hebben. ‘De man was te geïnteresseerd in de route die we zouden kiezen, en die bossen… zijn beruchte schuilplaatsen voor vogelvrij en. Het kan zijn dat hij ons in de val wilde lokken.’

‘Slimme deerne.’ Jaime lachte zijn neef toe. ‘Ik durf te wedden dat onze gastheer vriendjes langs die weg heeft zitten. Degenen die die stal zo’n gedenkwaardig aroma hebben bezorgd.’

‘Misschien loog hij ook over de rivier om ons op deze paarden te krijgen,’ zei de deerne, ‘maar dat risico kon ik niet nemen. Bij de robijnvoorde en de wegkruising zijn ongetwijfeld krijgslieden.’

Ze mag dan lelijk zijn, oliedom is ze niet. Jaime wierp haar met tegenzin een glimlach toe.

Het rossige licht achter de bovenramen verried de aanwezigheid van de woontoren al van verre, en Briënne leidde hen van de weg af de velden in. Pas toen ze de sterkte ver achter zich hadden, bogen ze weer terug om de weg op te zoeken.

De nacht was al half om voor de deerne toegaf dat ze nu misschien veilig halt konden houden. Tegen die tijd zaten ze alle drie ingezakt in het zadel. Ze zochten beschutting in een bosje van eiken en essen, naast een trage beek. Een vuurtje stond de deerne niet toe, dus deelden ze een middernachtelijk maal van oudbakken haverkoeken en gezouten vis. De nacht was merkwaardig vredig. De halve maan stond hoog aan een hemel van zwart vilt, omringd door sterren. In de verte huilden een paar wolven. Een van hun paarden hinnikte nerveus. Andere geluiden waren er niet. De oorlog heeft deze plek ongemoeid gelaten, dacht Jaime. Hij was blij dat hij hier was, blij dat hij leefde, blij dat hij terug naar Cersei ging.

‘Ik neem de eerste wacht,’ zei Briënne tegen ser Cleos en al snel lag Frey zachtjes te snurken.

Jaime ging tegen een grote eikenstam zitten en vroeg zich af wat Cersei en Tyrion op dit moment deden. ‘Heb je ook broers of zusters?’

Briënne keek hem met toegeknepen ogen wantrouwig aan. ‘Nee. Ik ben mijn vaders enige z… kind.’

Jaime grinnikte. ‘Je wilde zoon zeggen. Beschouwt hij je als een zoon? Je bent in elk geval een vreemdsoortige dochter.’

Zwijgend keerde ze zich van hem af, haar knokkels strak om haar zwaardgevest. Wat is dat een zielige figuur. Ze deed hem op een eigenaardige manier aan Tyrion denken, al konden twee mensen op het eerste gezicht nauwelijks méér verschillen. Misschien kwam het door die gedachte aan zijn broer dat hij zei: ‘Ik wilde je niet beledigen, Briënne. Vergeef me.’

‘Voor jouw misdaden is geen vergeving meer mogelijk, Koningsmoordenaar.’

‘Weer die naam.’ Jaime draaide terloops aan zijn ketenen. ‘Waarom maak ik je zo woedend? Ik heb jou bij mijn weten nooit kwaad gedaan.’

‘Anderen wel. Mensen die je had gezworen te beschermen. Zwakken, onschuldigen…’

‘…de koning?’ Het kwam altijd weer op Aerys neer. ‘Matig je geen oordeel aan over dingen die je niet begrijpt, deerne.’

‘Ik heet…’

‘…Briënne, ja. Hebben ze je al eens gezegd dat je even vervelend als lelijk bent?’

‘Je zult mij niet kwaad krijgen, Koningsmoordenaar.’

‘Jawel hoor, als ik genoeg moeite doe.’

‘Waarom heb je die eed afgelegd?’ wilde ze weten. ‘Waarom de witte mantel aannemen als je van plan was alles te verraden waar die voor stond?’

Waarom? Wat zou hij kunnen zeggen dat zij in staat was te begrijpen. ‘Ik was nog een knaap. Vijftien. Het was een grote eer voor iemand die zo jong was.’

‘Dat is geen antwoord,’ zei ze minachtend.

De waarheid zou je niets bevallen. Hij was natuurlijk uit liefde bij de Koningsgarde gegaan.

Hun vader had Cersei aan het hof ontboden toen ze twaalf was, in de hoop een koninklijk huwelijk voor haar te kunnen sluiten. Ieder aanzoek om haar hand sloeg hij af, want hij hield haar liever bij zich in de Toren van de Hand, terwijl zij ouder en vrouwelijker en steeds mooier werd. Hij wachtte ongetwijfeld tot prins Viserys lichamelijk volgroeid zou zijn, of misschien tot Rhaegars vrouw in het kraambed zou sterven. Elia van Dorne was nooit gezond geweest.

Intussen had Jaime vier jaar als schildknaap bij ser Durwaard Crakenhal gediend en zijn sporen verdiend tegen de Broederschap van het Koningsbos. Maar toen hij op de terugweg naar de Rots van Casterling een kort bezoek aan Koningslanding bracht, voornamelijk om zijn zuster te zien, had Cersei hem apart genomen en hem toegefluisterd dat heer Tywin van plan was hem aan Lysa Tulling uit te huwelijken, en zelfs al zo ver was dat hij heer Hoster had uitgenodigd naar de stad te komen om de bruidsschat te bespreken. Maar als Jaime het wit aannam zou hij altijd bij haar kunnen zijn. De oude ser Harlan Grootenzoon was in zijn slaap gestorven, niet meer dan gepast voor iemand die een slapende leeuw als wapenteken had. Aerys zou waarschijnlijk willen dat een jonge man zijn plaats innam, dus waarom geen brullende leeuw in plaats van een slapende?

‘Daar zal vader nooit mee instemmen,’ wierp Jaime tegen.

‘De koning zal hem geen toestemming vragen. En als het eenmaal gebeurd is kan vader niet meer protesteren, niet openlijk. Aerys heeft ser Ilyn Peyn zijn tong laten uitrukken, alleen maar omdat hij erover opschepte dat de Zeven Koninkrijken eigenlijk door de Hand geregeerd werden. De kapitein van de Wacht van de Hand, en toch durfde vader er geen stokje voor te steken. En hiervoor ook niet.’

‘Maar,’ zei Jaime, ‘de Rots van Casterling is er ook nog…’

‘Wil je een rots, of wil je mij?’

Hij herinnerde zich die nacht alsof het gisteren was. Ze hadden hem doorgebracht in een oude herberg aan de Palingsteeg, ver van alle spiedende blikken. Cersei was vermomd als een eenvoudig dienstmeisje bij hem gekomen, wat hem om de een of andere reden des te meer opwond. Jaime had haar nooit eerder zo hartstochtelijk meegemaakt. Telkens als hij in slaap was gevallen had zij hem weer gewekt. Tegen de ochtend had de Rots van Casterling hem een geringe prijs voor haar permanente nabijheid toegeschenen. Hij zei ja, en Cersei beloofde voor de rest te zorgen.

Eén maanwenteling daarna was er een koninklijke raaf naar de Rots van Casterling gekomen met het bericht dat hij uitverkoren was om lid van de Koningsgarde te worden. Hij kreeg bevel zich tijdens het grote toernooi in Harrenhal bij de koning te presenteren om zijn geloften uit te spreken en zijn mantel te ontvangen.

Jaimes installatie bevrijdde hem van Lysa Tulling. Verder liep er niets volgens plan. Zijn vader was nog nooit zo razend geweest. Hij kon niet openlijk protesteren — dat had Cersei goed ingeschat — maar hij nam met een of ander doorzichtig voorwendsel ontslag als Hand en ging naar de Rots van Casterling terug, met medeneming van zijn dochter. In plaats van samen te zijn hadden Cersei en Jaime slechts stuivertje gewisseld en was hij alleen aan het hof gebleven om een krankzinnige koning te bewaken, terwijl vier mannen van geringer formaat om beurten in de slecht passende schoenen van zijn vader op eieren liepen. De opkomst en ondergang van deze Handen ging zo snel dat hun heraldiek Jaime beter was bijgebleven dan hun gezichten. De Hand van de hoorn des overvloeds en de Hand van de dansende griffioenen waren allebei verbannen en de Hand van de dolk en de strijdhamer was in wildvuur gedompeld en levend verbrand. Heer Rossaert was de laatste geweest. Zijn wapenteken was een brandende toorts, gegeven het lot van zijn voorganger een onfortuinlijke keus, maar deze alchemist was dan ook vooral bevorderd omdat hij ’s konings passie voor vuur deelde. Ik had Rossaert moeten verdrinken in plaats van hem zijn buik open te rijten.

Briënne wachtte nog steeds op antwoord. Jaime zei: ‘Je bent niet oud genoeg om Aerys Targaryen gekend te hebben…’

Dat wilde ze niet horen. ‘Aerys was krankzinnig en wreed, geen mens heeft dat ooit ontkend. Maar hij was en bleef een gekroonde en gezalfde koning. En jij had gezworen hem te beschermen.’

‘Ik weet zelf nog wel wat ik gezworen heb.’

‘En wat je gedaan hebt.’ Ze torende zes voet boven hem uit, de vleesgeworden afkeuring, sproetig, fronsend, en met paardentanden.

‘Ja, en wat jij ook hebt gedaan. Als het waar is wat ik heb gehoord zijn hier twee koningsmoordenaars.’

‘Ik heb Renling nooit een haar gekrenkt. Als iemand iets anders beweert vermoord ik hem.’

‘Begin dan maar met Cleos. En daarna heb je nog het een en ander af te moorden, als ik op zijn versie van het verhaal afga.’

‘Léugens. Vrouwe Catelyn was er ook bij toen zijne genade werd vermoord, zij was er getuige van. Er was een schaduw. De kaarsen sputterden, het werd koud, en er vloeide bloed…’

‘Prachtig, hoor.’ Jaime lachte. ‘Jij denkt sneller dan ik, moet ik bekennen. Toen ze mij naast mijn dode koning aantroffen kwam het geen ogenblik bij me op om te zeggen: “Nee, nee, het was een schaduw, een verschrikkelijke, koude schaduw.” Hij lachte opnieuw. ‘Vertel me naar waarheid — koningsmoordenaars onder elkaar — hebben de Starks je betaald om hem de keel door te snijden, of was het Stannis? Had Renling je afgewezen, is het zo gegaan? Of misschien had je wel je maandelijkse bloeding. Geef een deerne nooit een zwaard als ze bloedt.’

Even dacht Jaime dat Briënne hem zou slaan. Nog één stapje dichterbij en ik gris haar dolk uit de schede en boor hem van onderaf in haar schoot. Hij trok een been onder zijn lichaam, klaar om op te springen, maar de deerne verroerde zich niet. ‘Het is een zeldzaam en kostbaar geschenk om ridder te worden,’ zei ze, ‘en des te meer om een ridder van de Koningsgarde te worden. Dat is een geschenk dat maar weinigen ten deel valt, een geschenk dat jij geminacht en bezoedeld hebt.’

Een geschenk waar jij wanhopig naar verlangt en dat je nooit zult krijgen. ‘Ik had mijn ridderschap verdiend. Ik heb niets ten geschenke gekregen. Toen ik dertien was, en nog schildknaap, heb ik tijdens een toernooi de mêlee gewonnen. Op mijn vijftiende trok ik met ser Arthur Dayn tegen de Broederschap van het Koningsbos ten strijde, en hij heeft me op het slagveld tot ridder geslagen. Die witte mantel bezoedelde mij en niet andersom. Dus bespaar me je afgunst. De goden hebben je die pik misgund, niet ik.’

De blik die Briënne hem toewierp liep over van walging. Ze zou me met liefde aan mootjes hakken als ze die dierbare gelofte niet had afgelegd, peinsde hij. Uitstekend. Ik ben dat slappe gek wezel en die jongejuffers-opvattingen beu. De deerne beende zonder een woord te zeggen weg. Jaime rolde zich op in zijn mantel en hoopte dat hij van Cersei zou dromen.

Maar toen hij zijn ogen sloot zag hij Aerys Targaryen, die door zijn troonzaal ijsbeerde en zijn korstige, bloedende handen krabde. De halve gare sneed zich telkens weer aan de klingen en weerhaken van de Ijzeren Troon. Jaime was door de koninklijke deur naar binnen geglipt, met zijn vergulde harnas aan en een zwaard in zijn hand. Het vergulde, niet het witte. Ik wou dat ik ook die verdomde mantel afgedaan had.

Toen Aerys het bloed aan zijn zwaardkling zag, had hij willen weten of het dat van heer Tywin was. ‘Hij moet dood, de verrader. Ik wil zijn hoofd, breng me zijn hoofd of je zult branden, net als de rest. Die hele verraderstroep. Volgens Rossaert zijn ze binnen de muren! Hij is erheen gegaan om ze een warm welkom te bereiden. Van wie is dat bloed? Van wie?’

‘Van Rossaert,’ antwoordde Jaime.

Toen werden die purperen ogen groot, en de koninklijke mond viel open van schrik. Hij deed het in zijn broek, draaide zich om en rende naar de IJzeren Troon. Onder de lege oogkassen van de schedels aan de wand sleurde Jaime de laatste drakenkoning lijfelijk van de treden. De man krijste als een varken en stonk als een beerput. Een enkele haal over zijn strot was genoeg om er een eind aan te maken. De dood van een koning zou moeilijker moeten zijn. Rossaert had tenminste nog geprobeerd zich te verzetten, al had hij eerlijk gezegd gevochten als een alchemist. Raar dat ze nooit hebben gevraagd wie Rossaert heeft vermoord… maar hij was natuurlijk niemand. Laaggeboren. Twee weken Hand, de zoveelste krankzinnige inval van de Krankzinnige Koning.

Ser Elys Westerling en heer Crakenhal en andere ridders van zijn vader waren de zaal net op tijd komen binnenstormen om getuige van de afloop te zijn, dus had Jaime geen kans om weg te sluipen en zich de lof of de blaam door een of andere praalhans te laten ontstelen. Het zou de blaam worden, besefte hij onmiddellijk toen hij zag hoe ze naar hem keken… al was dat misschien angst geweest. Lannister of niet, hij was één van de zeven van Aerys.

‘Het slot is van ons, ser, en de stad ook,’ zei Roland Crakenhal tegen hem, wat maar half waar was. Er vonden op dat moment nog steeds Targaryen-aanhangers de dood op de serpentine-trap en in de wapenzaal, Gregor Clegane en Amaury Lors beklommen de muren van Maegors Veste en Ned Stark leidde zijn noorderlingen de Koningspoort door, maar dat kon Crakenhal niet weten. Hij had niet verrast gekeken toen hij Aerys dood aantrof; lang voordat hij tot de Koningsgarde was beroepen was Jaime al heer Tywins zoon geweest.

‘Ga ze vertellen dat de Krankzinnige Koning dood is,’ beval hij. ‘Spaar iedereen die zich overgeeft en neem ze gevangen.’

‘Moet ik ook een nieuwe koning uitroepen?’ vroeg Crakenhal, en Jaime kon de vraag duidelijk van zijn gezicht aflezen: Wordt het je vader, of Robert Baratheon, of had je een nieuwe drakenkoning willen maken? Hij dacht even aan de knaap Viserys, die naar Drakensteen was gevlucht, en aan Rhaegars zoontje, de zuigeling Aegon, die nog met zijn moeder in Maegors Veste was. Een nieuwe Targaryen als koning, en mijn vader als Hand. Wat zullen de wolven huilen! En de Stormheer zal stikken van woede. Even was hij in de verleiding gebracht, tot hij weer omlaag keek naar het lijk dat in een steeds groter wordende plas bloed op de vloer lag. Zijn bloed stroomt hen allebei door de aderen, dacht hij. ‘Roep voor mijn part uit wie je wilt,’ zei hij tegen Crakenhal. Toen beklom hij de Ijzeren Troon en ging zitten met zijn zwaard over zijn knieën om te zien wie het koninkrijk zou komen opeisen. Het bleek Eddard Stark te zijn.

Jij had net zomin het recht om me te veroordelen, Stark.

In zijn dromen naderden de doden, brandend en in kronkelend groen vuur gehuld. Jaime danste met een gouden zwaard om hen heen, maar voor elke dode die hij velde rezen er twee op om zijn plaats in te nemen.

Briënne wekte hem met een trap tegen zijn ribben. De wereld was nog zwart en het was gaan regenen. Ze ontbeten met haverkoeken, zoute vis en een paar bramen die ser Cleos had gevonden, en zaten weer in het zadel voor de zon opging.

Tyrion

De eunuch neuriede toonloos voor zich uit toen hij door de deur binnenkwam, in golvende gewaden van perzikkleurige zijde gehuld en met een wolk van citroengeur om zich heen. Toen hij Tyrion bij de haard zag zitten bleef hij stokstijf staan. ‘Heer Tyrion,’ klonk het piepend, met een nerveus giechelt je tussendoor.

‘Dus u weet toch nog wie ik ben? Ik begon al te twijfelen.’

‘Wat ontzettend fijn om u zo krachtig en gezond te zien.’ Varys glimlachte zijn slijmerigste glimlachje. ‘Al moet ik bekennen dat ik niet had verwacht u in mijn nederige vertrekken aan te treffen.’

‘Nederig, zeg dat wel. Eigenlijk buitensporig nederig.’ Tyrion had gewacht totdat Varys bij zijn vader ontboden was voordat hij naar binnen was geglipt om hem een bezoekje te brengen. Het appartement van de eunuch was sober en klein, drie krappe, raamloze kamertjes op de begane grond bij de noordmuur. ‘Ik had gehoopt hier mandenvol sappige geheimen te vinden om tijdens het wachten de tijd mee te doden, maar er is geen papier te vinden.’ Hij had ook naar geheime gangen gezocht, wetend dat de Spin over wegen moest beschikken om heimelijk te komen en te gaan, maar die waren al even onvindbaar geweest. ‘Er zat wáter in uw flacon, genadige goden,’ vervolgde hij, ‘uw slaapcel is niet breder dan een doodskist, en dat bed… is dat echt van steen of voelt het alleen maar zo aan?’

Varys sloot de deur en vergrendelde hem. ‘Ik word door rugpijnen gekweld, heer, en slaap het liefst op een hard oppervlak.’

‘U leek mij juist iemand voor een veren bed.’

‘Ik zit vol verrassingen. Bent u boos op mij omdat ik u na de veldslag in de steek heb gelaten?’

‘Daardoor ben ik u juist als een familielid gaan zien.’

‘Het was niet uit gebrek aan liefde, goede heer. Ik heb zo’n teer gestel, en uw litteken is zo verschrikkelijk om te aanschouwen…’ Hij huiverde opzichtig. ‘Uw arme neus…’

Tyrion wreef geïrriteerd over de korst. ‘Misschien moet ik een nieuwe laten maken, eentje van goud. Wat voor neus zou u mij aanraden, Varys? Zo een als de uwe, om geheimen op te sporen? Of moet ik tegen de goudsmid zeggen dat ik mijn vaders neus wil?’ Hij glimlachte. ‘Mijn edele vader is zo vlijtig aan het werk dat ik hem nauwelijks meer te zien krijg. Vertelt u eens, is het waar dat hij grootmaester Pycelle zijn plaats in de kleine raad teruggeeft?’

‘Inderdaad, heer.’

‘Heb ik dat aan mijn lieve zuster te danken?’ Pycelle was een handlanger van zijn zuster geweest. Tyrion had de man van zijn ambt, zijn baard en zijn waardigheid ontdaan en hem diep in een zwarte cel gesmeten.

‘Helemaal niet, heer. Dankt u de aartsmaesters van Oudstee. Zij stonden erop dat Pycelle zou terugkeren, omdat slechts het Conclaaf een grootma ester kan maken of breken.’

De stomme idioten, dacht Tyrion. ‘Ik meen me te herinneren dat de beul van Maegor de Wrede er drie heeft gebroken met zijn bijl.’ ‘Dat klopt,’ zei Varys. ‘En de tweede Aegon heeft grootmaester Gerardys aan zijn draak gevoerd.’

‘Helaas, ik ben volslagen draakloos. Ik neem aan dat ik Pycelle in wildvuur had kunnen dompelen en aansteken. Zou de Citadel daar de voorkeur aan hebben gegeven?’

‘Het zou meer in overeenstemming met de traditie zijn geweest.’ De eunuch giechelde schril. ‘Gelukkig kregen verstandiger lieden de overhand. Het Conclaaf aanvaardde Pycelles ontslag en maakte zich op om zijn opvolger te kiezen. Na maester Turquin, de schoen lapperszoon, en maester Errek, de bastaard van de hagenridder overwogen te hebben, en aldus tot hun eigen tevredenheid te hebben aangetoond dat bekwaamheid in hun orde zwaarder weegt dan afkomst, stond het Conclaaf op het punt ons maester Gorrnon te zenden, een Tyrel uit Hooggaarde. Toen ik dat aan uw heer vader vertelde kwam hij onmiddellijk in actie.’

Het Conclaaf kwam in Oudstee achter gesloten deuren bijeen, wist Tyrion, en hun overleg werd verondersteld geheim te zijn. Dus Varys heeft ook zijn vogeltjes in de Citadel. ‘Ik begrijp het. Dus mijn vader besloot de roos in de knop te breken.’ Hij moest grinniken. ‘Pycelle is een pad. Maar een Lannister-pad is beter dan een Tyrelpad, nietwaar?’

‘Grootmaester Pycelle is altijd een goede vriend van uw huis geweest,’ zei Varys honingzoet. ‘Misschien strekt het u tot troost, te horen dat ook ser Boros Both weer in zijn waardigheid wordt hersteld.’

Cersei had Boros Both zijn witte mantel ontnomen omdat hij had nagelaten prins Tommen ten koste van zijn eigen leven te verdedigen toen Bronn de jongen op de weg naar Rooswijk had ontvoerd. De man was geen vriend van Tyrion, maar hij zou nu waarschijnlijk een bijna even grote hekel aan Cersei hebben. Dat is tenminste iets, lijkt me. ‘Both is een protserige lafaard,’ zei hij minzaam.

‘O ja? Jeetje. Maar ja, de ridders van de Koningsgarde dienen volgens de traditie voor het leven. Misschien zal ser Boros in de toekomst moediger blijken te zijn. Hij zal ongetwijfeld uiterst trouw blijven.’

‘Aan mijn vader,’ zei Tyrion met nadruk.

‘Nu we het toch over de Koningsgarde hebben… ik vraag me af of uw verrukkelijk onverwachte bezoek iets te maken heeft met ser Boros’ gesneuvelde broeder, de dappere ser Mandon Moer?’ De eunuch streelde een gepoederde wang. ‘Die Bronn van u schijnt de laatste tijd erg veel belang in hem te stellen.’

Bronn had uitgeplozen wat hij kon over ser Mandon, maar Varys zou ongetwijfeld nog heel wat meer kunnen meedelen… als hij dat verkoos. ‘De man schijnt helemaal geen vrienden te hebben gehad,’ zei Tyrion behoedzaam.

‘Treurig,’ zei Varys. ‘Heel treurig. Als u in de Vallei genoeg onderste stenen boven weet te krijgen vindt u misschien wat verwanten van hem, maar hier… heer Arryn heeft ser Mandon naar Koningslanding meegenomen en Robert heeft hem zijn witte mantel gegeven, maar ik vrees dat ze geen van tweeën erg op hem gesteld waren. Ook was hij niet het type voor wie de kleine luiden tijdens toernooien plegen te juichen, al was hij onmiskenbaar moedig en bekwaam. Waarachtig, zelfs zijn broeders in de Koningsgarde droegen hem geen warm hart toe. Men heeft Ser Barristan eens horen zeggen dat de man geen andere vriend dan zijn zwaard en geen ander leven dan zijn plicht had… maar weet u, ik denk dat Selmy dat niet uitsluitend lovend bedoelde. Wat goed beschouwd vreemd is, vindt u ook niet? Dat zijn juist de kwaliteiten waaraan wij bij de Koningsgarde behoefte hebben, zou men kunnen zeggen — mannen die niet voor zichzelf maar voor hun koning leven. Aldus bezien was ser Mandon de volmaakte witte ridder. En hij stierf zoals het een ridder van de Koningsgarde betaamt, met het zwaard in de hand, om een bloedverwant van de koning te verdedigen.’ De eunuch wierp hem een slijmerig lachje toe en hield hem nauwlettend in het oog.

Om te proberen een bloedverwant van de koning te vermoorden, bedoel je. Tyrion vroeg zich af of Varys niet meer wist dan hij losliet. Hij had nog niets nieuws gehoord. Bronns verslagen hadden in grote lijnen hetzelfde geluid. Hij had een schakel naar Cersei nodig, een teken dat ser Mandon zijn zusters handlanger was geweest. We krijgen het niet altijd zoals we het hebben willen, peinsde hij verbitterd, wat hem eraan deed denken…

‘Ik ben hier niet vanwege ser Mandon.’

‘Waarachtig.’ De eunuch liep naar zijn waterflacon aan de andere kant van de kamer. ‘Kan ik u iets aanbieden, heer?’ vroeg hij, terwijl hij een beker volschonk.

‘Jazeker. Maar geen water.’ Hij vouwde zijn handen over elkaar. ‘Ik wil dat u mij Shae brengt.’

Varys nam een slokje. ‘Is dat wel verstandig, heer? Dat lieve, dierbare kind. Het zou zo vreselijk jammer zijn als uw vader haar ophing.’

Het verbaasde hem niets dat Varys daarvan wist. ‘Nee, het is niet verstandig, het is pure waanzin. Ik wil haar nog een laatste keer zien voordat ik haar wegstuur. Het zou onverdraaglijk zijn als ze dicht in de buurt bleef.’

‘Ik begrijp het.’

Jij? Kom nou. Tyrion had haar gisteren nog gezien toen ze met een emmer water de serpentine-trap op klom. Hij had toegekeken toen een jonge ridder aanbood de zware emmer voor haar te dragen. Tyrions ingewanden waren in de knoop geraakt toen hij zag hoe ze de arm van de man had aangeraakt en tegen hem had geglimlacht. Ze waren elkaar op een paar duim afstand gepasseerd, hij op weg naar boven, zij naar beneden, zo vlakbij dat hij de schone, frisse geur van haar haren kon ruiken. ‘Meheer,’ had ze met een kleine revérence tegen hem gezegd, en hij had een arm willen uitsteken om haar te grijpen en ter plaatse te kussen, maar het enige wat hij kon doen was haar stijfjes toeknikken en verder waggelen. ‘Ik heb haar bij herhaling gezien,’ zei hij tegen Varys, ‘maar ik durf niet met haar te praten. Ik vrees dat al mijn bewegingen worden geobserveerd.’

‘Daar doet u verstandig aan, goede heer.’

‘Wie?’ Hij hield zijn hoofd schuin.

‘De Ketelzwarts brengen regelmatig verslag aan uw lieve zuster uit.’

‘Als ik eraan denk hoeveel geld ik die ellendige… is er enige kans dat ze Cersei weer laten vallen als ik nog meer betaal, denkt u?’

‘Die kans bestaat altijd, maar ik zou er niet om durven wedden. Ze zijn nu alle drie ridder, en uw zuster heeft hun nog meer promotie in het vooruitzicht gesteld.’ Een geniepig giechelt je ontsnapte aan de lippen van de eunuch. ‘En de oudste, ser Osmund van de Koningsgarde, droomt van nog andere … gunsten. U kunt ongetwijfeld evenveel betalen als de koningin, maar zij heeft nog een tweede beurs, en die is bepaald onuitputtelijk.’

Bij de zevende hel, dacht Tyrion. ‘Wilt u zeggen dat Cersei zich door Osmund Ketelzwart laat naaien?’

‘O jeetje, nee, dat zou vreselijk gevaarlijk zijn, denkt u ook niet?

Nee, de koningin maakt alleen toespelingen… misschien morgen, of als de bruiloft voorbij is … en dan een lachje, een fluistering, een schuine grap… een borst die zachtjes langs zijn mouw strijkt als ze elkaar passeren… en toch lijkt het genoeg te zijn. Maar wat weet een eunuch van zulke dingen af?’ De punt van zijn tong schoot als een schuw, roze dier langs zijn onderlip.

Als ik ze tot meer dan slinkse liefkozingen kon bewegen, kon zorgen dat vader ze samen in bed betrapte … Tyrion voelde aan de korst op zijn neus. Hij wist niet hoe hij dat moest aanleggen, maar misschien zou zich later nog een plan aandienen. ‘Zijn de Ketelzwarts de enigen?’

‘Ik zou willen dat het zo was, heer, maar ik vrees dat er vele ogen op u gericht zijn. U bent … hoe zal ik het zeggen? Opvállend. En het spijt me het te moeten zeggen, niet erg bemind. De zonen van Janos Slink zouden u graag verklikken om hun vader te wreken, en onze beste heer Petyr heeft vriendjes in de helft van de bordelen van Koningslanding. Mocht u zo onverstandig zijn daar een van te bezoeken, dan hoort hij dat meteen en uw vader niet lang daarna.’

Het is nog erger dan ik vreesde. ‘En mijn vader? Wie is zijn spion?’

Ditmaal lachte de eunuch hardop. ‘Ik natuurlijk, heer.’

Tyrion lachte ook. Hij was niet zo dwaas dat hij Varys meer vertrouwde dan absoluut noodzakelijk was — maar de eunuch wist al genoeg van Shae om haar dubbel en dwars te laten hangen. ‘U gaat Shae door de muren heen naar mij toe brengen, onzichtbaar voor al die ogen. Zoals u al eerder hebt gedaan.’

Varys wrong zijn handen. ‘O heer, niets zou mij meer behagen, maar … koning Maegor wilde geen ratten achter zijn muren, als u begrijpt wat ik bedoel. Hij had een geheime uitgang nodig voor het geval hij ooit door zijn vijanden in het nauw gedreven zou worden, maar die deur staat niet met enige andere gang in verbinding. Ik kan uw Shae wel voor een poosje bij vrouwe Lollys vandaan smokkelen, dat wel, maar ik weet geen manier om haar naar uw slaapkamer te brengen zonder dat we gezien worden.’

‘Breng haar dan ergens anders heen.’

‘Waarheen? Het is nergens veilig.’

‘Jawel.’ Tyrion grinnikte. ‘Hier. Hoog tijd om dat keiharde bed van u eens ergens anders voor te gebruiken, vind ik.’

De mond van de eunuch zakte open. Toen giechelde hij. ‘Lollys is de laatste tijd gauw moe. Ze is hoogzwanger. Ik stel me zo voor dat ze veilig en wel slaapt tegen de tijd dat de maan opgaat.’

Tyrion sprong van de stoel. ‘Als de maan opgaat dus. Zorg dat u wat wijn klaar hebt staan. En twee schone bekers.’

Varys boog. ‘Zoals u beveelt, heer.’

De rest van die dag leek voorbij te kruipen als een worm in de stroop. Tyrion klom naar de kasteelbibliotheek en probeerde zichzelf afleiding te bezorgen met Beldecars Geschiedenis van de Rhoynar-oorlogen, maar hij had nauwelijks aandacht voor de olifanten, omdat hij voor zijn geestesoog alsmaar Shae zag glimlachen. ’s Middags legde hij het boek weg en riep om een bad. Hij schrobde zich tot het water koud werd en liet daarna zijn bakkebaarden door Pod bijwerken. Zijn baard was een beproeving. De warboel van gele, witte en zwarte haren was zelden minder dan onooglijk maar verborg wel een deel van zijn gezicht, en dat was alleen maar gunstig.

Toen hij zo schoon, roze en gefatsoeneerd was als hij maar kon zijn nam Tyrion zijn garderobe door en koos een paar strakke satijnen hozen van Lannister-karmijn en zijn beste wambuis uit, dat van zwaar, zwart fluweel met de noppen in de vorm van een leeuwenkop. Hij zou ook zijn keten van gouden handjes omgedaan hebben, als zijn vader die niet had gestolen toen hij op sterven lag. Pas toen hij gekleed was, besefte hij hoe door en door dwaas hij was. Bij de zevende hel, dwerg, ben je met die neus ook je verstand kwijtgeraakt? Iedereen die je ziet zal zich afvragen waarom ;e in hofkleding bij de eunuch op bezoek gaat. Vloekend kleedde Tyrion zich uit en trok iets eenvoudigers aan: zwarte wollen hozen, een oude witte tuniek en een buis van verschoten bruin leer. Het maakt niet uit, hield hij zichzelf voor, terwijl hij wachtte tot de maan zou opgaan. Wat;e ook draagt, je blijft een dwerg. Je wordt toch nooit zo groot als die ridder op de trap, die met de lange, rechte benen, de vlakke maag en de brede, mannelijke schouders.

De maan gluurde al over de kasteelmuur toen hij tegen Podderik Peyn zei dat hij bij de eunuch op bezoek ging. ‘Blijft u lang weg, heer?’ vroeg de jongen.

‘Ik hoop het.’

Nu het zo druk was in de Rode Burcht kon Tyrion niet verwachten dat hij onopgemerkt zou blijven. Ser Balon Swaan stond bij de deur op wacht en ser Loras Tyrel op de ophaalbrug. Bij beiden bleef hij staan om beleefdheden uit te wisselen. Het was vreemd om de Bloemenridder helemaal in het wit te zien, terwijl hij vroeger altijd alle kleuren van de regenboog had gedragen. ‘Hoe oud bent u, ser Loras?’ vroeg Tyrion.

‘Zeventien, heer.’

Zeventien, en knap om te zien, en nu al een legende. De helft van alle meisjes in de Zeven Koninkrijken wil zijn liefje zijn en alle jongens willen hem zelf zijn. ‘Als ik u vragen mag, ser — hoe komt iemand van zeventien ertoe bij de Koningsgarde te gaan?’

‘Prins Aemon de Drakenridder was ook zeventien toen hij zijn geloften aflegde,’ zei ser Loras, ‘en uw broer Jaime nog jonger.’

‘Hun redenen ken ik. Wat zijn de uwe? De eer om samen met zulke voorbeeldige lieden als Meryn Trant en Boros Both te dienen?’ Hij wierp de jongen een spottende grijns toe. ‘Om het leven van de koning te beschermen geef je het jouwe op. Je geeft land en titels op, de hoop op een huwelijk, op kinderen…’

‘Het huis Tyrel zal voortbestaan via mijn broers,’ zei ser Loras. ‘Een derde zoon hoeft niet te trouwen en nageslacht te krijgen.’

‘Het hoeft niet, maar sommigen vinden het wel zo aangenaam. Hoe moet dat nu met de liefde?’

‘De ondergegane zon is door geen kaars te vervangen.’

‘Komt dat uit een lied?’ Glimlachend hield Tyrion zijn hoofd scheef. ‘Ja, u bent zeventien, dat kan ik nu wel zien.’

Ser Loras verstrakte. ‘Drijft u de spot met mij?’

Een prikkelbaar knaapje. ‘Nee. Als ik u beledigd heb vraag ik om vergiffenis. Ik heb eens een lief gehad, en we hadden ook een lied.’ Ik minde een maagd als de zomer zo schoon, met zonlicht in het haar. Hij wenste ser Loras goedenavond en liep verder.

Vlak bij de kennels liet een groep wapenknechten een paar honden vechten. Tyrion bleef lang genoeg staan om te zien hoe de kleinere hond de grotere de helft van zijn snuit afbeet, en oogstte wat rauw gelach toen hij opmerkte dat de verliezer nu op Sandor Clegane leek. Daarna, in de hoop dat hij hun achterdocht had weggenomen, liep hij verder naar de noordmuur en daalde het trapje naar de nederige stulp van de eunuch af. Toen hij zijn hand ophief om te kloppen ging de deur open.

‘Varys?’ Tyrion glimpte naar binnen. ‘Bent u daar?’ Een enkele kaars die de lucht met jasmijngeur kruidde verlichtte de schemerige duisternis.

‘Heer.’ Een vrouw schoof zijwaarts het lichtschijnsel in, zacht moederlijk, met een roze vollemaansgezicht en zware donkere krullen. Tyrion deinsde achteruit. ‘Is er iets mis?’ vroeg ze.

Varys, besefte hij geërgerd. ‘Ik schrok me heel even een ongeluk, want ik dacht dat u mij Lollys had gebracht in plaats van Shae. Waar is ze?’

‘Hier, meheer.’ Ze legde ‘van achteren haar handen over zijn ogen. ‘Raad eens wat ik aanheb.’

‘Niets?’

‘Wat bent u toch slim,’ pruilde ze, terwijl ze haar handen wegtrok. ‘Hoe wist u dat?’

‘Niets maakt je zo mooi.’

‘Echt?’ zei ze. ‘Echt waar?’

‘O ja.’

‘Moet u mij dan niet naaien in plaats van met mij te praten?’

‘Laten we ons eerst van vrouwe Varys ontdoen. Er zijn dwergen die dol op publiek zijn, maar daar hoor ik niet bij.’

‘Hij is al weg,’ zei Shae.

Tyrion draaide zich om en keek. Het was zo. De eunuch was met rokken en al verdwenen. Die verborgen deuren zijn hier ergens, dat moet wel. Meer tijd om te denken kreeg hij niet, want Shae draaide zijn hoofd om en kuste hem. Haar mond was nat en hongerig, en ze leek zijn litteken of de rauwe korst waar zijn neus was geweest niet eens te zien. Haar huid was warm en zijdeachtig onder zijn vingers. Toen zijn duim over haar linkertepel streek werd die onmiddellijk hard. ‘Gauw,’ fluisterde ze tussen de kussen door, terwijl zijn vingers naar zijn rijgkoorden gingen. ‘Gauw, gauw, ik wil u in mij voelen, in mij, in mij.’ Hij kreeg niet eens de tijd zich fatsoenlijk uit te kleden. Shae trok zijn lid uit zijn broek, duwde hem naar achteren op de vloer en klom bovenop hem. Ze schreeuwde toen hij tussen haar schaamlippen drong en bereed hem als een wilde. ‘Mijn reus, mijn reus, mijn reus,’ kreunde ze, telkens als ze op hem neerplofte. Tyrion was zo geil dat hij bij de vijfde stoot al explodeerde, maar dat scheen Shae niet erg te vinden. Ze glimlachte boosaardig toen ze hem voelde spuiten en boog zich voorover om het zweet van zijn voorhoofd te kussen. ‘Mijn reus van Lannister,’ mompelde ze. ‘Blijf alstublieft in me. Ik voel u daar zo graag.’

Dus verroerde Tyrion zich niet, behalve om zijn armen om haar heen te slaan. Wat is het heerlijk om haar vast te houden, en om vastgehouden te worden, dacht hij. Hoe kan zoiets fijns een misdaad zijn waarvoor ze verdient te hangen? ‘Shae,’ zei hij, ‘schatje, dit zal ons laatste samenzijn moeten blijven. Het gevaar is te groot. Als mijn vader je vindt…’

‘Uw litteken bevalt mij wel.’ Ze ging er met haar vinger langs. ‘U lijkt er heel woest en sterk door.’

Hij lachte. ‘Heel lelijk, bedoel je.’

‘Meheer zal nooit lelijk zijn in mijn ogen.’ Ze kuste de korst die zijn rafelige neusstomp bedekte.

‘Je hoeft je ook geen zorgen te maken om mijn gezicht, maar om mijn vader…’

‘Daar ben ik niet bang voor. Krijg ik nu mijn juwelen en zijden japonnen terug, meheer? Toen u in de slag gewond was geraakt heb ik Varys gevraagd of ik ze mocht hebben, maar hij wilde ze niet aan me geven. Wat zou ervan geworden zijn als u was doodgegaan?’

‘Ik ben niet dood. Hier ben ik.’

‘Weet ik.’ Glimlachend wiebelde ze op hem heen en weer. ‘Precies waar u thuishoort.’ Ze trok een pruilmond. ‘Maar hoe lang moet ik nog met Lollys optrekken, nu u weer beter bent?’

‘Heb je wel geluisterd?’ zei Tyrion. ‘Als je wilt kun je wel bij Lollys blijven, maar het beste zou zijn als je de stad verliet.’

‘Ik wil niet weg. U had beloofd dat u mij na na de slag weer naar een state ging verhuizen.’ Haar kut gaf hem een klein kneepje, en hij werd weer stijf, terwijl hij nog in haar was. ‘Een Lannister betaalt altijd zijn schulden, hebt u gezegd.’

‘Vervloekte goden, Shae, hou daar mee op. Luister naar me. Je moet weg. De stad zit nu vol Tyrels, en ik word nauwlettend in de gaten gehouden. Je kent het gevaar niet.’

‘Mag ik naar de bruiloft van de koning? Lollys wil niet. Ik heb tegen haar gezegd dat het niet waarschijnlijk is dat iemand haar in de koninklijke troonzaal zal verkrachten, maar ze is zo stóm.’ Toen Shae van hem af rolde gleed zijn lid met een zacht, nat geluidje uit haar. ‘Volgens Symon komt er een zangerstoernooi, en acrobaten, en een steekspel van zotten.’

Tyrion was Shae’s driewerf vervloekte zanger bijna vergeten. ‘Hoe heb je met Symon kunnen spreken?’

‘Ik heb vrouwe Tanda over hem verteld en ze heeft hem ingehuurd om voor Lollys te spelen. De muziek kalmeert haar als de baby begint te schoppen. Symon zegt dat er een dansende beer op het feest komt, en wijnen uit het Prieel. Ik heb nog nooit een beer zien dansen.’

‘Ze kunnen het nog slechter dan ik.’ Maar het was de zanger die hem zorgen baarde, niet de beer. Eén onvoorzichtig woord in het verkeerde oor en Shae zou hangen.

‘Symon zegt dat er zevenenzeventig gangen zullen zijn, en een reuzenpastei met honderd duiven erin,’ ratelde Shae. ‘Als de korst opengaat schieten ze allemaal naar buiten en vliegen weg.’

‘Waarna ze op de balken zullen neerstrijken en het vogelpoep op de gasten zullen laten regenen.’ Tyrion had zulke bruiloftspasteien wel vaker doorstaan. De duiven scheten vooral graag op hem, of daar verdacht hij ze in elk geval van.

‘Kan ik me niet in zijde en fluweel kleden en als edele vrouwe gaan, in plaats van als dienstmeid? Niemand zou merken dat ik dat niet was.’

Iedereen zou merken dat je dat niet was, dacht Tyrion. ‘Vrouwe Tanda zal zich misschien afvragen waar Lollys’ kamenier zoveel juwelen vandaan haalt.’

‘Er komen duizend gasten, zegt Symon. Ze zou me niet eens zien. Ik vind wel een plaatsje in een donker hoekje beneden het zout, maar telkens als u het gemak bezoekt zou ik naar buiten kunnen glippen om u te ontmoeten.’ Ze legde haar hand om zijn lid en streelde het zacht. ‘Ik zal geen kleingoed onder mijn japon dragen, dus me heer hoeft zelfs geen koordjes los te rijgen.’ Haar vingers bewogen hem prikkelend op en neer. ‘Of als u wilt kan ik dit voor u doen.’ Ze nam hem in haar mond.

Het duurde niet lang of Tyrion was zover, en ditmaal hield hij het veel langer vol. Toen hij klaar was kroop Shae weer bovenop hem en rolde zich naakt in zijn armholte op. ‘Ik mag vast wel gaan van u, ja toch?’

‘Shae,’ kreunde hij, ‘het is niet veilig.’

Een tijdlang zei ze geen stom woord. Tyrion probeerde andere onderwerpen aan te snijden, maar stuitte op een muur van gemelijke beleefdheid, even ijzig en onwrikbaar als de Muur waar hij in het noorden eens overheen had gelopen. Goeie goden, dacht hij vermoeid, terwijl hij keek hoe de kaars opbrandde en ging sputteren, hoe is het mogelijk dat me dit nog eens is overkomen, na Tysha? Ben ik dan inderdaad zo’n grote idioot als mijn vader denkt? Hij zou haar graag beloven wat ze wilde, en haar graag aan zijn arm meenemen naar zijn eigen slaapkamer om haar de japonnen van zijde en fluweel te laten aantrekken die ze zo mooi vond. Als het aan hem lag zou ze op Joffry’s bruiloftsfeest naast hem mogen zitten en met net zoveel beren mogen dansen als ze maar wilde. Maar hij kon haar niet zien hangen.

Toen de kaars was opgebrand maakte Tyrion zich van haar los en stak een nieuwe aan. Vervolgens deed hij de ronde langs de wanden en beklopte ze een voor een, op zoek naar de verborgen deur. Shae zat hem met haar armen om haar opgetrokken knieën gade te slaan. Ten slotte zei ze: ‘Hij zit onder het bed. De geheime trap.’

Hij keek haar ongelovig aan. ‘Het bed? Dat is van massieve steen. Dat weegt een halve ton.’

‘Varys drukt ergens op en dan zweeft het naar boven. Ik heb hem gevraagd hoe het werkte, en toen zei hij dat het magisch was.’

‘Ja.’ Tyrion moest grijnzen. ‘Een contragewicht-spreuk.’

Shae stond op. ‘Ik moet eens teruggaan. Soms wordt Lollys wakker als de baby schopt, en dan roept ze me.’

‘Varys zal zo wel terugkomen. Hij luistert waarschijnlijk alles af wat we zeggen.’ Tyrion zette de kaars neer. Op de voorkant van zijn broek zat een natte plek, maar in het donker viel dat vast niet op. Hij zei tegen Shae dat ze zich moest aankleden en op de eunuch moest wachten.

‘Dat zal ik doen,’ beloofde ze. ‘U bent mijn leeuw, hè? Mijn reus van Lannister?’

‘Ja, dat ben ik,’ zei hij. ‘En jij bent…’

‘…uw hoer.’ Ze legde een vinger op zijn lippen. ‘Ik weet het. Ik zou uw vrouwe zijn, maar dat kan nooit. Anders zou u mij meenemen naar het feest. Het geeft niet, ik vind het fijn om uw hoer te zijn. Als u mij maar bij u houdt, mijn leeuw, en zorgt dat ik veilig ben.’

‘Dat beloof ik,’ zei hij. Dwaas! Dwaas! schreeuwde de stem in zijn binnenste. Waarom zeg je dat nou? Je was hier om haar weg te sturen! In plaats daarvan kuste hij haar nog een keer.

De terugweg leek lang en eenzaam. Podderik Peyn lag al te slapen op zijn onderschuifhed aan het voeteneind van dat van Tyrion, maar hij wekte de jongen. ‘Bronn?’ zei hij.

‘Ser Bronn?’ Pod wreef de slaap uit zijn ogen. ‘O. Moet ik hem gaan halen, heer?’

‘Hoezo? Ik heb je gewekt om een boompje op te zetten over zijn kledingstijl,’ zei Tyrion. Zijn sarcasme was niet aan Pod besteed. Die zat hem alleen maar glazig aan te staren totdat hij zijn handen in de lucht wierp en zei: ‘Ja. Ga hem halen. Breng hem hier. Nu.’

Ijlings kleedde de jongen zich aan, en het scheelde niet veel of hij was hard de kamer uit gehold. Ben ik echt zo angstaanjagend? vroeg Tyrion zich af, terwijl hij een nachtgewaad aantrok en zichzelf wat wijn inschonk.

Hij was al aan zijn derde beker bezig en de halve nacht was al om toen Pod eindelijk terugkwam met de huurling-ridder op sleeptouw. ‘Ik hoop dat die jongen een verdomd goeie reden had om mij bij Chataya vandaan te sleuren,’ zei Bronn, terwijl hij ging zitten.

‘Chataya!’ zei Tyrion verstoord.

‘Het is goed om een ridder te zijn. Nu hoef ik niet meer naar de goedkopere bordelen beneden aan de straat,’ grijnsde Bronn. ‘Nu liggen Alayaya en Marei in hetzelfde dons bed met Ser Bronn tussen zich in!’

Tyrion moest zijn ergernis wegslikken. Bronn had er evenveel recht op met Alayaya naar bed te gaan als ieder ander, maar toch… Ik heb haar nooit aangeraakt, hoe graag ik dat ook wilde, maar dat kan Bronn niet weten. Hij had zijn pik uit haar lijf moeten houden. Zelf durfde hij niet naar Chataya. Als hij dat deed zou Cersei ervoor zorgen dat zijn vader het hoorde, en dan kwam ‘Yaya er niet met een geseling vanaf. Hij had het meisje bij wijze van verontschuldiging een halsketting van zilver en jade en een paar bijpassende armbanden gestuurd, maar verder…

Dit is zinloos. ‘Er is een zanger die zich Symon Zilvertong noemt,’ zei Tyrion vermoeid en zette zijn schuldgevoel van zich af. ‘Hij speelt soms voor de dochter van vrouwe Tanda.’

‘En wat is daarmee?’.

Vermoord hem, had hij kunnen zeggen, maar de man had alleen wat liedjes gezongen. En Shae’s lieve hoofdje op hol gebracht met visioenen van duiven en dansende beren. ‘Zie hem te vinden,’ zei hij in plaats daarvan. ‘Zie hem te vinden vóór een ander dat doet.’

Arya

Zegroef in de tuin van een dode naar groenten toen ze het gezang hoorde.

Arya verstijfde, roerloos als een steen. Ze luisterde en vergat op slag de drie draderige wortels in haar hand. Ze dacht aan de Bloedige Mommers en de mannen van Rous Bolten, en de koude rillingen liepen over haar rug. Dat is niet eerlijk, niet nu we eindelijk de Drietand hebben gevonden, niet nu we net dachten dat we bijna veilig waren.

Alleen, waarom zouden de Mommers zingen?

Het lied kwam van achter de kleine verhevenheid in het oosten stroomopwaarts zweven. ‘Naar Meeuwstee om de schone maagd te zien, hei-ho, hei-ho…’

Arya stond op, de bungelende wortels in haar hand. Het klonk alsof de zanger over de rivierweg naderde. Warme Pastei, verderop tussen de kool, had het ook gehoord, naar de blik op zijn gezicht te oordelen. Gendry was gaan slapen in de schaduw van het afgebrande huisje en was te ver heen om iets te horen.

‘Opdat ik met mijn zwaardpunt een kus verdien, hei-ho, hei-ho…’ Ze meende ook een houtharp te horen, door het zachte ruisen van de rivier heen.

‘Hoor je dat?’ vroeg Warme Pastei op een schorre fluistertoon, terwijl hij een arm vol kolen tegen zich aandrukte. ‘Er komt iemand aan.’

‘Maak Gendry eens wakker,’ zei Arya tegen hem. ‘Aan zijn schouder schudden, geen herrie maken.’ Gendry was makkelijk te wekken, anders dan Warme Pastei, die je moest schoppen en toeschreeuwen.

‘Dan rust ik met mijn lief in de schaduw, nadien, hei-ho, hei-ho.’ Het lied zwol met ieder woord aan.

Warme Pastei opende zijn armen. De kolen ploften op de grond. ‘We moeten ons verstoppen!’

Waar? Het afgebrande huisje met de overwoekerde tuin stond pal aan de oever van de Drietand. Langs de kant groeiden wat wilgen en in de modderige ondiepten daarachter waren wat rietbosjes, maar het merendeel van het terrein was hier pijnlijk open. Ik wist wel dat we de bossen niet hadden moeten verlaten, dacht ze. Maar ze hadden te veel honger gehad en de tuin was te verleidelijk geweest. Het brood en de kaas die ze uit Harrenhal hadden meegepikt waren al zes dagen geleden opgeraakt, midden in het bos. ‘Neem Gendry en de paarden mee naar de achterkant van het huisje,’ besloot ze. Eén muur stond nog gedeeltelijk overeind en was misschien groot genoeg om twee jongens en drie paarden te verbergen. Als de paarden niet briesen en als die zanger niet in de tuin komt rondsnuffelen.

‘En jij dan?’

‘Ik verstop me daar bij die boom. Hij is vast alleen. Als hij me lastig valt steek ik hem dood. Ga nou!’

Warme Pastei liep weg en Arya liet haar wortels vallen en trok het gestolen zwaard over haar schouder. Ze had de schede op haar rug gebonden, want het lange zwaard was voor een volwassen man gemaakt en bonkte tegen de grond als ze het op haar heup droeg. Bovendien is het te zwaar, dacht ze, en telkens als ze dit onhandige ding in haar hand nam miste ze Naald. Maar het was een zwaard en ze kon er iemand mee doden, dat was genoeg.

Lichtvoetig liep ze naar de grote oude wilg die naast de bocht in de weg groeide en liet zich op een knie in het natte gras en de modder zakken, achter de sluier van neerhangende bladeren. Oude goden, bad ze, terwijl de stem van de zanger luider werd, boomgoden, maak mij onzichtbaar en zorg dat hij voorbijloopt. Toen brieste er een paard, en het gezang hield abrupt op. Hij heeft het gehoord, wist ze, maar misschien is hij alleen, en zo niet, misschien zijn zij dan net zo bang voor ons als wij voor hen.

‘Heb je dat gehoord?’ zei een mannenstem. ‘Er zit iets achter die muur, zou ik zeggen.’

‘Ja,’ antwoordde een tweede, zwaardere stem. ‘Wat zou dat kunnen zijn, Schutter?’

Twee dus. Arya beet op haar lip. Vanaf de plaats waar zij knielde kon ze hen door de wilg niet zien. Maar luisteren kon ze wel.

‘Een beer.’ Een derde stem, of weer de eerste?

‘Aan een beer zit een hoop vlees,’ zei de zware stem. ‘En in het najaar ook een hoop vet. Heel eetbaar, mits goed klaargemaakt.’

‘Zou ook een wolf kunnen zijn. Misschien een leeuw.’

‘Met vier poten of twee, wat denk je?’

‘Doet er niet toe. Toch?’

‘Niet dat ik weet. Schutter, wat ben je met die pijlen van plan?’

‘Ik wou er een paar over die muur schieten. Dan komt datgene wat erachter zit snel genoeg te voorschijn, wat ik je brom.’

‘Maar als het nou eens een eerlijk man is? Of een arme vrouw met een zuigeling aan de borst?’

‘Een eerlijk man zou te voorschijn komen en zijn gezicht laten zien. Alleen een vogelvrije zou zich blijven verstoppen.’

‘Daar zit wat in. Schiet die pijlen dan maar af.’

Arya sprong op. ‘Niet doen!’ Ze liet haar zwaard zien. Ze waren met zijn drieën, zag ze. Maar drie. Syrio had er wel meer dan drie aangekund, en ze zou misschien hulp krijgen van Warme Pastei en Gendry. Maar dat zijn jongens, en dit zijn mannen.

De mannen waren te voet en waren verreisd en met modder bespat. Ze herkende de zanger aan de houtharp die hij tegen zijn buis gedrukt hield zoals een moeder haar kind zou koesteren. Een kleine man, zo te zien een jaar of vijftig, met een grote mond, een scherpe neus en dun grijs haar. Zijn verschoten groene kleren waren hier en daar met oud leer gelapt, hij droeg een stel werpmessen op zijn heup en over zijn rug hing een houthakkersbijl.

De man naast hem was ruim een voet langer en zag eruit als een krijgsman. Aan zijn met ijzer beslagen riem hingen een lang zwaard en een ponjaard, zijn hemd was dicht bestikt met rijen stalen ringetjes en op zijn hoofd zat een kegelvormige halfhelm van zwart ijzer. Hij had slechte tanden en een borstelige bruine baard, maar het was zijn gele mantel met de kap die de aandacht trok. Dik en zwaar, met hier een veeg gras en daar een bloedvlek, gerafeld langs de zoom en met een lap hertenleer op de schouder genaaid gaf de wijde mantel de forse drager het uiterlijk van een enorme gele vogel.

De derde en laatste was een jongeling die even smal was als zijn langboog, maar net niet even lang. Hij had rood haar en sproeten, droeg een pantserhemd met noppen, hoge laarzen, leren handschoenen zonder vingers en een pijlkoker op zijn rug. Aan zijn pijlen zaten grijze ganzenveren, en zes stonden er voor hem in de grond gestoken, als een klein hekje.

De drie mannen keken naar haar zoals ze daar met haar wapen in de hand op de weg stond. Toen sloeg de zanger losjes een snaar aan. ‘Jongen,’ zei hij, ‘doe dat zwaard nou maar weg, tenzij je je wilt bezeren. Het is te groot voor je, en bovendien kan Angui hier wel drie pijlen door je lijf schieten voordat je ook maar bij ons bent.’

‘Geen kans,’ zei Arya, ‘en ik ben een méfsje.’

‘Warempel.’ De zanger boog. ‘Verschoning.’

‘Jullie lopen gewoon verder over de weg, hierlangs. En blijven zingen, dan weten we waar jullie zijn. Ga weg en laat ons met rust en ik zal jullie niet doden.’

De sproetige boogschutter lachte. ‘Liem, ze zal ons niet doden, hoor je dat?’

‘Ja hoor,’ zei Liem, de forse krijgsman met de zware stem.

‘Kind,’ zei de zanger, ‘doe dat zwaard weg, dan nemen we je mee naar een veilige plek en zorgen we dat je wat eten in je maag krijgt. Er zijn hier wolven in de buurt, en leeuwen, en nog ergere dingen. Kleine meisjes horen hier niet alleen rond te zwerven.’

‘Ze is niet alleen.’ Vanachter de muur van het huisje kwam Gendry aanrijden en daarachter Warme Pastei, die haar paard aan de teugels meevoerde. Met zijn maliënhemd en een zwaard in de hand leek Gendry bijna een volwassen man, en gevaarlijk ook. Warme Pastei zag eruit als Warme Pastei. ‘Doe wat ze zegt en laat ons met rust,’ zei Gendry waarschuwend.

‘Twee en drie,’ telde de zanger, ‘en is dat alles? En nog paarden ook, mooie paarden. Waar hebben jullie die gestolen?’

‘Die zijn van ons.’ Arya sloeg hen nauwlettend gade. De zanger bleef hun aandacht afleiden met zijn gepraat, maar het gevaar kwam van de schutter. Als hij een pijl uit de grond trekt …

‘Willen jullie ons als eerlijke mannen jullie naam noemen?’ vroeg de zanger aan de jongens.

‘Ik ben Warme Pastei,’ zei Warme Pastei onmiddellijk.

‘Mooi zo.’ De man glimlachte. ‘Een jongen met zo’n lekkere naam kom je niet elke dag tegen. En hoe heten je vrienden, Schapenbout en Braadkuiken?’

Gendry keek vanuit zijn zadel fronsend op hem neer. ‘Waarom zou ik mijn naam zeggen? Die van jullie heb ik niet gehoord.’

‘Wat dat betreft, ik ben Tom van Zevenstromen, maar ze noemen me Tom Zevensnaren of Tom van Zevenen. Die grote pummel met de bruine tanden is Liem, een afkorting voor Limoenmantel. Die is namelijk geel, en Liem is een zuurpruim. En die jeugdige figuur daar is Angui, ofwel Schutter, zoals wij hem graag noemen.’

‘En nu jullie naam,’ eiste Liem, met de diepe stem die Arya door de takken van de wilg heen had gehoord.

Zo makkelijk gaf ze haar echte naam niet prijs. ‘Braadkuiken, voor mijn part,’ zei ze. ‘Maakt mij niks uit.’

De grote man lachte. ‘Een kuiken met een zwaard. Dat zie je niet vaak.’

‘Ik ben de Stier,’ zei Gendry, die Arya’s voorbeeld volgde. Ze kon het hem niet kwalijk nemen dat hij liever een stier dan een schapenbout was.

Tom Zevens naren tokkelde op zijn harp. ‘Warme Pastei, Braadkuiken en de Stier. Uit heer Boltens keuken ontsnapt, hè?’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Arya onzeker.

‘Je hebt zijn wapenteken op je borst, kleintje.’

Dat was ze even vergeten. Onder haar mantel droeg ze nog steeds het fraaie pagewambuis met de gevilde man van Fort Gruw op de borst geborduurd. ‘Noem me geen kleintje!’

‘Waarom niet?’ zei Liem. ‘Je bent klein zat.’

‘Ik was vroeger nog kleiner. Ik ben geen kind.’ Kinderen doodden niet, en dat had zij wel gedaan.

‘Dat zie ik wel, Braadkuiken. Jullie zijn geen van allen kinderen, niet als je bij Balten hebt gehoord.’

‘Dat hebben we niet.’ Warme Pastei wist nooit wanneer hij zijn mond moest houden. ‘We waren al in Harrenhal voordat hij kwam, dat is alles.’

‘Dus jullie zijn leeuwenwelpen, zit het zo?’ vroeg Tom.

‘Dat ook niet. Wij zijn van niemand. En van wie zijn jullie?’

Angui de Schutter zei: ‘Wij zijn mannen van de koning.’

Arya fronste. ‘Welke koning?’

‘Koning Robert,’ zei Liem met de gele mantel.

‘Die ouwe dronkaard?’ zei Gendry smalend. ‘Die is dood, afgemaakt door een everzwijn, dat weet iedereen.’

‘Ja, jongen,’ zei Tom Zevensnaren, ‘en des te treuriger.’ Hij liet een droevig akkoord van zijn harp opklinken.

Arya kreeg de indruk dat ze helemaal geen mannen van de koning waren. Gerafeld en gelapt als ze waren leken ze meer op vogelvrijen. Ze hadden niet eens rijdieren. Mannen van de koning zouden te paard zijn geweest.

Maar Warme Pastei piepte gretig: ‘We zoeken Stroomvliet. Weten jullie hoeveel dagritten dat nog is?’

Arya kon hem wel vermoorden. ‘Hou je kop, of ik prop je grote stomme bek vol met stenen.’

‘Stroomvliet is een heel eind de rivier langs,’ zei Tom. ‘Een heel eind, als je maag leeg is. Misschien willen jullie een warme maaltijd voor je op weg gaat? Een klein eindje verderop is een herberg die gedreven wordt door vrienden van ons. Daar zouden we wat bier en een hapje brood kunnen delen, in plaats van tegen elkaar te vechten.’

‘Een herberg?’ Arya’s maag knorde als ze aan eten dacht, maar ze vertrouwde die Tom niet. Niet iedereen die vriendelijk tegen je sprak was ook echt een vriend. ‘Zei je dat het vlakbij was?’

‘Twee mijl stroomopwaarts,’ zei Tom. ‘Of hooguit vier.’

Gendry keek even onzeker als zij zich voelde. ‘Wat bedoel je met vrienden?’ vroeg hij argwanend.

‘Vrienden. Weten jullie niet meer wat vrienden zijn?’

‘De waardin heet Sharna,’ deelde Tom mee. ‘Ze heeft een scherpe tong en een felle blik, dat moet ik wel zeggen, maar een goed hart, en ze is dol op kleine meisjes.’

‘Ik ben geen klein meisje,’ zei ze boos. ‘Wie is daar nog meer? Je zei vrienden.’

‘Sharna’s man, en een weesjongen die ze bij zich in huis genomen hebben. Ze doen jullie niets. Ze hebben er bier, als je denkt dat je daar oud genoeg voor bent. Vers brood, en wie weet een stukj e vlees.’ Tom wierp een blik op het huisje. ‘En datgene wat jullie uit de tuin van de ouwe Kaalkop hebben gestolen.’

‘We hebben niks gestolen,’ zei Arya.

‘Ben jij dan de dochter van de ouwe Kaalkop? Zijn zuster? Zijn vrouw? Verkoop me geen leugens, Braadkuiken. Ik heb de ouwe Kaalkop zelf begraven, daar onder die wilg waar jij je verstopt had, en je lijkt niet op hem.’ Hij ontlokte zijn harp een droevig geluid. ‘We hebben het afgelopen jaar menig goed man begraven, maar we zijn er niet op uit om jullie te begraven, dat zweer ik op mijn harp. Laat maar zien, Schutter.’

De hand van de schutter bewoog sneller dan Arya voor mogelijk had gehouden. Zijn pijl suisde minder dan een duim van haar oor langs haar hoofd en boorde zich in de stam van de wilg achter haar. Intussen had de boogschutter al een tweede pijl op zijn gespannen pees staan. Ze had gedacht dat ze begreep wat Syrio had bedoeld met snel als een slang en soepel als zomerzijde, maar nu besefte ze dat dat niet zo was. Achter haar zoemde de pijl als een bij. ‘Je hebt me gemist,’ zei ze.

‘Als je dat denkt ben je wel heel erg dom,’ zei Angui. ‘Ze komen terecht waar ik ze hebben wil.’

‘Zeg dat wel,’ beaamde Liem Limoenmantel.

De afstand tussen de schutter en de punt van haar zwaard bedroeg twaalf passen. We hebben geen kans, besefte Arya, en ze wilde wel dat zij net zo’n boog had, en die wist te gebruiken ook. Somber liet ze haar zwaard zakken totdat de punt op de grond rustte. ‘We komen mee om die herberg te bekijken,’ gaf ze toe, en probeerde de twijfel in haar hart met stoutmoedige woorden te maskeren. ‘Jullie lopen voorop en wij rijden achter jullie aan, zodat we kunnen zien wat jullie doen.’

Tom Zevensnaren boog diep en zei: ‘Voorop of achteraan, wat maakt het uit. Kom, jongens, laten we ze voorgaan. Angui, haal die pijlen maar uit de grond, die hebben we hier niet nodig.’

Arya schoof haar zwaard in de schede en stak de weg over naar haar te paard gezeten vrienden, op een afstandje van de vreemdelingen. ‘Warme Pastei, ga die kolen ophalen,’ zei ze, terwijl ze in het zadel sprong. ‘En de wortels ook.’

Bij uitzondering maakte hij geen bezwaren. Ze vertrokken zoals zij het had gewild: hun paarden liepen stapvoets een pas of tien achter de drie onbereden mannen aan. Maar het duurde niet lang of ze merkten dat ze vlak achter hen reden. Tom Zevensnaren liep langzaam en mocht tijdens het lopen graag op zijn woudharp tokkelen. ‘Kennen jullie nog liederen?’ vroeg hij. ‘Ik zou het zo leuk vinden om eens met iemand samen te zingen. Liem kan geen wijs houden, en onze vriend met de langboog kent alleen maar balladen uit de marken die allemaal honderd strofen lang zijn.’

‘In de Marken zingen we echte liederen,’ zei Angui vriendelijk.

‘Zingen is stóm,’ zei Arya. ‘Zingen maakt lawaai. We hoorden jullie al van verre aankomen. We hadden jullie kunnen doden.’

Toms glimlach zei dat hij er anders over dacht. ‘Sterven met een lied op je lippen. Het kan erger.’

‘Als hier wolven waren, zouden we dat wel weten,’ mopperde Liem. ‘Of leeuwen. Dit zijn onze bossen.’

‘Jullie wisten anders niet dat wij hier waren,’ zei Gendry.

‘Daar zou ik maar niet zo zeker van zijn, jongen,’ zei Tom. ‘Een man weet soms meer dan hij zegt.’

Warme Pastei ging verzitten. ‘Ik ken het lied van de beer,’ zei hij. ‘Of althans stukken eruit.’

Tom liet zijn vingers over zijn snaren glijden. ‘Laat dan maar eens horen, pasteiknul.’ Hij wierp zijn hoofd naar achteren en zong: ‘Er was eens een beer, een beer, een beer! Heel zwart en bruin en harig, o zeer…’

Warme Pastei viel krachtig in en wipte zelfs op de maat in het zadel mee. Arya staarde verbaasd naar hem. Hij had een goede stem en kon prima zingen. En hij kon nooit iets, behalve bakken! dacht ze bij zichzelf.

Wat verderop mondde er een beekje in de Drietand uit. Terwijl ze erdoorheen waadden joegen ze met hun gezang een eend tussen het riet op. Angui bleef meteen staan, nam zijn boog van zijn schouder, zette er een pijl op en schoot hem neer. De vogel viel in het ondiepe water langs de oever. Liem deed zijn gele mantel af en waadde er tot aan zijn knieën in om de eend te pakken, waarbij hij aan een stuk door klaagde. ‘Denk je dat Shama limoenen in haar voorraadkelder heeft?’ zei Angui tegen Tom, terwijl ze toekeken hoe Liem vloekend rondplonsde. ‘Een meisje uit Dome heeft eens eend met limoenen voor me gemaakt.’ Hij klonk weemoedig.

Aan de overkant van de beek hervatten Tom en Warme Pastei hun gezang, terwijl de eend onder Liems gele mantel aan zijn riem hing. Op de een of andere manier leken de mijlen korter door het gezang. Het duurde niet lang of vóór hen op de rivieroever rees de herberg op, daar waar de Drietand een grote bocht naar het noorden maakte. Arya tuurde er wantrouwig naar, terwijl ze erheen liepen. Ze moest toegeven dat hij niet op een schuilplaats voor vogelvrijen leek, maar er vriendelijk en zelfs huiselijk uitzag met zijn witgekalkte bovenverdieping, zijn leistenen dak en de rook die lui uit de schoorsteen omhoogkringelde. Rondom stonden stallen en andere bijgebouwen, en achterin was een prieel, en appelbomen, een kleine tuin. De herberg had zelfs een eigen steiger die in de rivier uitstak, en…

‘Gendry,’ riep ze, haar toon zacht en dringend. ‘Ze hebben een boot. We zouden de rest van de weg naar Stroomvliet kunnen varen. Dat gaat sneller dan rijden, denk ik.’

Hij trok een weifelend gezicht. ‘Heb jij ooit gevaren?’

‘Je hijst het zeil,’ zei ze, ‘en de wind duwt de boot voort.’

‘En als de wind de verkeerde kant op blaast?’

‘Dan heb je riemen om mee te roeien.’

‘Tegen de stroom op?’ Gendry fronste. ‘Zou dat niet erg traag gaan? En als het bootje omslaat en wij vallen in het water? Het is trouwens onze boot niet, hij hoort bij de herberg.’

We zouden hem kunnen pikken. Arya kauwde op haar lip en zweeg. Voor de stallen stegen ze af. Er waren geen andere paarden te zien, maar in veel boxen zag Arya verse mest liggen. ‘Een van ons zou op de paarden moeten passen,’ zei ze, op haar hoede.

Tom had het gehoord. ‘Niet nodig, Braadkuiken. Kom eten, ze zijn hier heus wel veilig.’

‘Ik blijf wel,’ zei Gendry, de zanger negerend. ‘Kom me maar halen als je zelf gegeten hebt.’

Arya knikte en liep achter Warme Pastei en Liem aan. Haar zwaard zat nog steeds in de schede op haar rug, en ze hield een hand dicht bij het heft van de dolk die ze van Rous Bolten had gestolen, voor het geval datgene wat ze binnen aantroffen haar niet beviel.

Het geschilderde uithangbord boven de deur toonde een oude koning op zijn knieën. Binnen was de gelagkamer, waar een boomlange, lelijke vrouw met een knobbelkin met haar handen op haar heupen boos stond te zijn. ‘Sta daar niet zo te staan, jongen,’ snauwde ze. ‘Of ben je soms een meid? Maar hoe dan ook, je staat midden in de deuropening. Eruit of erin. Liem, wat had ik je over mijn vloer gezegd? Je bent één en al modder.’

‘We hebben een eend geschoten.’ Liem hield hem als een vredesvlag voor zich uit.

De vrouw griste de vogel uit zijn hand. ‘Angui heeft een eend geschoten, zul je bedoelen. Trek die laarzen uit! Ben je doof, of alleen maar dom? Man!’ riep ze luid. ‘Bovenkomen, de jongens zijn terug. Man!’

Een man met een vlekkerig voorschoot kwam grommend de keldertrap op. Hij was een hoofd kleiner dan de vrouw, met een hoekig gezicht en een losse, gelige huid waar de littekens van de pokken nog op te zien waren. ‘Hier ben ik, mens, hou op met dat gebrul. Wat is er nu weer?’

‘Hang dit eens op?’ zei ze en stak hem de eend toe.

Angui stond te schuifelen. ‘We hadden gedacht hem op te eten, Shama. Met limoenen. Als je die hebt?’

‘Limoenen. En waar moeten wij limoenen vandaan halen. Lijkt het hier soms op Dome, halfgare sproetenkop? Waarom huppel je niet even achterom naar de limoenbomen en plukt een mandje, en ook wat lekkere olijven en granaatappels.’ Ze schudde met haar vinger naar hem. ‘Ik zou hem natuurlijk met Liems mantel kunnen klaarmaken, als je dat wilt, maar hij moet eerst een paar dagen besterven. Je eet konijn of niks. Konijn aan het spit gaat het snelst als je honger hebt. Of misschien wil je gestoofd konijn met bier en uien.’

Arya kon het konijn bijna proeven. ‘Geld hebben we niet, maar we hebben wel wat wortels en kolen bij ons om te ruilen.’

‘O ja? En waar mogen die wel zijn?’

‘Warme Pastei, geef haar de kolen,’ zei Arya, en dat deed hij, al naderde hij de oude vrouw zo behoedzaam alsof ze Rorg, Bijter of Vargo Hoat was.

De vrouw inspecteerde de groenten nauwkeurig en de jongen nog nauwkeuriger. ‘Waar is die warme pastei?’

‘Hier. Ik. Zo heet ik. En zij is… eh… Braadkuiken.’

‘Niet onder mijn dak. Ik noem mijn eters anders dan mijn eten, dan kan ik ze tenminste uit elkaar houden. Man!’

Man was naar buiten gelopen, maar kwam haastig terug toen ze hem riep. ‘De eend hangt. Wat nu weer, vrouw?’

‘Ga deze groenten wassen,’ commandeerde ze. ‘De rest gaat zitten, terwijl ik met de konijnen begin. De jongen brengt jullie drank.’ Ze tuurde langs haar lange neus naar Arya en Warme Pastei. ‘Anders schenk ik kinderen geen bier, maar de cider is op, er zijn geen koeien om te melken en het rivierwater smaakt naar oorlog nu er zoveel lijken komen aandrijven op de stroom. Als ik jullie een kom soep vol dooie vliegen voorzet, drinken jullie die dan op?’

‘Arrie wel,’ zei Warme Pastei. ‘Ik bedoel, Braadkuiken.’

‘Liem ook,’ opperde Angui met een slim lachje.

‘Niks Liem,’ zei Sharna. ‘Iedereen krijgt bier.’ Ze beende naar de keuken.

Angui en Tom Zevensnaren gingen aan de tafel bij de haard zitten, terwijl Liem zijn grote gele mantel aan een haak hing. Warme Pastei liet zich op een bank aan de tafel bij de deur neerploffen en Arya schoof naast hem.

Tom haalde zijn harp van zijn schouder. ‘Een eenzame herberg aan een pad in het bos,’ zong hij, terwijl hij langzaam een melodie bij de woorden zocht. ‘De vrouw van de waard was zo lomp als een os.’

‘Hou je kop, anders krijgen we straks geen konijn,’ zei Liem waarschuwend. ‘Je weet hoe ze is.’

Arya boog zich dicht naar Warme Pastei toe. ‘Kun jij een boot besturen?’ vroeg ze. Voordat hij antwoord kon geven verscheen er een gezette jongen van vijftien, zestien jaar met kroezen bier. Warme Pastei pakte de zijne eerbiedig met twee handen beet, en toen hij een slokje nam was zijn glimlach breder dan Arya ooit had gezien. ‘Bier,’ fluisterde hij, ‘en konijn.’

‘Op zijne genade!’ riep Angui de Schutter opgeruimd en hij hief zijn kroes voor een dronk. ‘Dat de Zeven de koning beschermen!’

‘Alle twaalf,’ prevelde Liem Limoenmantel. Hij dronk, en veegde met de rug van zijn hand het schuim van zijn mond.

Man stommelde met een voorschoot vol gewassen groenten de deur binnen. ‘Er staan vreemde paarden in de stal,’ verkondigde hij alsof ze dat nog niet wisten.

‘Jazeker,’ zei Tom en hij legde de houtharp weg, ‘en betere dan de drie die jij weggegeven hebt.’

Man liet de groenten geërgerd op een tafel vallen. ‘Ik heb ze niet weggegeven. Ik heb ze voor een goeie prijs verkocht en ons nog een boot bezorgd ook. Jullie hadden ze trouwens terug moeten pakken.’

Ik wist wel dat het vogelvrijen waren, dacht Arya toen ze dat hoorde. Haar hand schoof onder de tafel om het heft van haar dolk aan te raken, zodat ze wist dat hij er nog was. Als ze proberen ons te beroven zal het ze nog spijten.

‘Ze zijn onze kant niet op gekomen,’ zei Liem.

‘Ik had ze anders wel gestuurd. Jullie waren zeker dronken, of in slaap gevallen.’

‘Wij? Dronken?’ Tom nam een forse teug bier. ‘Nooit van z’n leven.’

‘Je had ze zelf kunnen terugpakken,’ zei Liem tegen Man.

‘Wat, alleen met de jongen hier? Ik heb je al twee keer gezegd dat de ouwe naar Lamswolde was om die meid, die Varentje te helpen bevallen. Tien tegen één dat een van jullie haar met die bastaard opgescheept heeft?’ Hij wierp Tom een zure blik toe. ‘Jij, wed ik, met die harp van je, en maar droevige liedjes zingen om Varentje uit haar kleingoed te helpen.’

‘Als een meisje bij het horen van een lied zin krijgt om haar kleren uit te trekken en de heerlijke warme zon haar vel te laten strelen, is dat dan aan de zanger te wijten?’ vroeg Tom. ‘En ze viel trouwens op Angui. Ik hoorde haar tegen hem zeggen: “Laat me je boog eens vasthouden. O, wat voelt die lekker glad en stevig. Mag ik er eventjes aan trekken?” ’

Man snoof. ‘Jij of Angui, maakt niet uit wie. Maar dat van die paarden is net zo hard jouw schuld als de mijne. Ze waren met zijn drieën. Wat kan een man nou uithalen tegen drie anderen?’

‘Drie,’ zei Liem minachtend, ‘maar eentje was een vrouw, en een tweede was geketend, dat heb je zelf gezegd.’

Man trok een gezicht. ‘Een fors vrouwmens, gekleed als een man. En die geketende kerel… de blik in zijn ogen beviel me niks.’

Angui glimlachte achter zijn bier. ‘Als een man z’n ogen mij niet bevallen doorboor ik er een met een pijl.’

Arya herinnerde zich de pijlschacht die langs haar oor gezoefd was. Ze wilde dat zij kon boogschieten.

Man was niet onder de indruk. ‘Hou jij je mond nou maar als wij ouderen praten. Drink je bier op, en let op je woorden, of ik laat je door die ouwe met een lepel voeren.’

‘Jullie ouderen praten te veel, en ik heb jou niet nodig om te zeggen dat ik mijn bier moet opdrinken.’ Hij nam een grote slok om het te bewijzen.

Arya volgde zijn voorbeeld. Nadat ze dagenlang uit beken en plassen en daarna uit de modderige Drietand had gedronken, smaakte het bier even goed als de kleine slokjes wijn die ze altijd van haar vader had mogen drinken. Uit de keuken kwam een geur aandrijven die haar het water in de mond deed lopen, maar haar hoofd was nog vol van de boot. Die zal moeilijker te besturen dan te stelen zijn. Als we wachten tot ze allemaal slapen…

De jongen die hen bediende kwam terug met grote, ronde broden. Hongerig brak Arya een homp af en viel erop aan. Maar het was moeilijk te kauwen, want het was wat dik en klonterig en van onderen verbrand.

Zodra hij ervan had geproefd trok Warme Pastei een gezicht. ‘Wat een rotbrood,’ zei hij. ‘Het is verbrand, en nog taai ook.’

‘Het is lekkerder met stoofpot erbij, dan kun je het soppen,’ zei Liem.

‘Niet lekkerder,’ zei Angui. ‘Je breekt er alleen minder gauw je tanden op.’

‘Je kunt kiezen: opeten of honger lijden,’ zei Man. ‘Zie ik er verdomme soms als een bakker uit? Ik zie jou het niet beter doen.’

‘Jawel,’ zei Warme Pastei. ‘Heel makkelijk. U hebt het deeg te lang gekneed, daarom is het zo moeilijk te kauwen.’ Hij nam nog een slokje bier en begon vol tederheid uit te weiden over broden, pasteien en gebak, alles wat hij lekker vond. Arya rolde met haar ogen.

Tom ging tegenover haar zitten. ‘Braadkuiken,’ zei hij, ‘of Arrie, of wat je echte naam ook is, dit is voor jou.’ Hij legde een smerig vodje perkament tussen hen in op het tafelblad.

Ze keek er achterdochtig naar. ‘Wat is dat?’

‘Drie gouden draken. We moeten die paarden kopen.’

Arya keek hem aan, zwaar op haar hoede. ‘Die paarden zijn van ons.’

‘Zelf gestolen, bedoel je zeker? Dat is geen schande. De oorlog verandert veel eerlijke mensen in dieven.’ Tom tikte met zijn vinger op het opgevouwen stukje perkament. ‘Ik betaal je een aardige prijs. Meer dan enig paard waard is, om je de waarheid te zeggen.’

Warme Pastei greep het perkament en vouwde het open. ‘Dit zijn alleen maar letters.’

‘Ja,’ zei Tom, ‘en dat spijt me. Maar na de oorlog zullen we het vergoeden, op mijn woord als man van de koning.’

Arya schoof bij de tafel vandaan en stond op. ‘Jullie zijn geen mannen van de koning, jullie zijn rovers.’

‘Als je ooit een echte rover was tegengekomen zou je weten dat die niet betalen, zelfs niet met papier. We nemen jullie paarden niet voor onszelf, kind, maar omwille van het rijk, zodat we ons sneller kunnen verplaatsen en de gevechten kunnen uitvechten die nodig zijn. De gevechten van de koning. Zou je de koning iets willen onthouden?’

Ze sloegen haar allemaal gade, Schutter, de grote Liem, Man met zijn vale gezicht en zijn ontwijkende blik en zelfs Sharna, die in de keukendeur naar haar tuurde. Ze pakken onze paarden toch wel, wat ik ook zeg, besefte ze. Dan moeten we naar Stroomvliet lopen, tenzij… ‘We hoeven geen papiertje.’ Arya sloeg Warme Pastei het perkament uit zijn hand. ‘Jullie kunnen onze paarden krijgen in ruil voor die boot die buiten ligt. Maar alleen als jullie ons laten zien hoe we ermee om moeten gaan.’

Tom Zevens naren staarde haar een ogenblik aan. Toen krulde zijn brede, lelijke mond om in een meewarige grijns. Hij lachte hardop. Angui volgde, en toen lachten ze allemaal, Liem Limoenmantel, Sharna en Man en zelfs de jongen die hen bediende, en die met een kruisboog onder één arm van achter de vaten te voorschijn was gekomen. Arya zou het liefst tegen hen geschreeuwd hebben, maar in plaats daarvan begon ze te glimlachen…

‘Ruiters!’ Gendry’s stem klonk schril van angst. De deur vloog open, en daar stond hij. ‘Krijgslieden!’ hijgde hij. ‘Ze komen over de weg langs de rivier, een stuk of tien.’

Warme Pastei sprong op, waarbij hij zijn kroes omsmeet, maar Tom en de anderen gaven geen krimp. ‘Er is geen enkele reden om goed bier op mijn vloer te morsen,’ zei Sharna. ‘Ga zitten en bedaar, jongen, het konijn komt eraan. Jij ook, meisje. Wat voor kwaad jullie ook is gedaan, dat is voorbij, dat heb je achter de rug, je bent nu bij de mannen van de koning. Wij zullen jullie zo goed mogelijk beschermen.’

Arya’s enige antwoord was, met de hand die ze over haar schouder stak haar zwaard te grijpen, maar ze had het nog niet half getrokken of Liem greep haar bij haar pols. ‘Afgelopen daarmee.’ Hij draaide haar arm om totdat haar hand openging. Zijn vingers waren hard en vereelt, en verschrikkelijk sterk. Alweer! dacht Arya. Nou gebeurt het alweer, net als toen in dat dorp, met Keswijck en Raf en de Rijdende Berg. Ze zouden haar zwaard stelen en weer een muis van haar maken. Haar vrije hand sloot zich om haar kroes en ze mepte Liem ermee in zijn gezicht. Het bier golfde over de rand en spatte in zijn ogen, en ze hoorde zijn neus breken en zag het bloed eruit spuiten. Toen hij begon te brullen, bracht hij zijn handen naar zijn gezicht en was zij los. ‘Lopen!’ schreeuwde ze en ze schoot weg.

Maar Liem was meteen weer bij haar, met die lange benen die in één stap even ver kwamen als de hare in drie. Ze draaide en schopte, maar hij tilde haar moeiteloos op en liet haar bungelen, terwijl het bloed over zijn gezicht liep.

‘Ophouden, kleine idioot,’ schreeuwde hij, terwijl hij haar heen en weer schudde. ‘Je houdt nu op!’ Gendry maakte aanstalten haar te hulp te komen, maar Tom Zevensnaren ging met getrokken dolk voor hem staan.

Vluchten kon inmiddels niet meer. Buiten hoorde ze paarden en mannenstemmen. Even later kwam er iemand door de open deur zwieren, een Tyroshi die nog groter was dan Liem, met een grote, zware baard met groene randen, al was de uitgroei grijs. Hij werd gevolgd door een paar kruisboogschutters die een gewonde ondersteunden, en daarna kwamen er nog meer …

Arya had nog nooit zo’n haveloze bende gezien, maar er was niets haveloos aan hun zwaarden, bijlen en bogen. Een of twee mannen wierpen haar bij het binnenkomen een nieuwsgierige blik toe, maar niemand zei een woord. Een eenogige man met een roestige pothelm op snoof met een grijns de lucht op, terwijl een boogschutter met een hoofd vol geel stekeltjeshaar om bier riep. Daarachter kwam een speerdrager met een leeuwenhelm, een oudere man die mank liep, een huurling uit Braavos, een …

‘Harwin?’ fluisterde Arya. Hij was het! De baard en het verwarde haar omlijstten het gezicht van Hullens zoon, die haar altijd op haar pony over de binnenplaats had geleid, met Jon en Robb op de steekpaal had geoefend en op feestdagen te veel had gedronken. Hij was nu op de een of andere manier magerder, harder, en in Winterfel had hij nooit een baard gehad, maar hij was het wel — haar vaders man. ‘Harwin!’ Ze wierp zich kronkelend naar voren in een poging zich aan Liems ijzeren greep te ontworstelen. ‘Ik ben het!’ riep ze. ‘Ik ben het, Harwin, herken je me niet, echt niet?’ Toen kwamen de tranen en huilde ze als een baby, als zo’n stompzinnig klein meisje. ‘Harwin, ik ben het!’

Harwins ogen gingen van haar gezicht naar de gevilde man op haar wambuis. ‘Waar ken je mij van?’ zei hij met een wantrouwige frons. ‘De gevilde man… wie ben je, een of andere page van heer Bloedzuiger?’

Even wist ze niet wat ze moest antwoorden, zoveel namen had ze gehad. Was Arya Stark maar een droom geweest? ‘Ik ben een meisje,’ snotterde ze. ‘Ik was de hofschenker van heer Balten, maar hij wilde me aan de geit overlaten, dus ben ik weggelopen met Gendry en Warme Pastei. Je moet me herkennen! Toen ik klein was leidde je me altijd op mijn pony rond.’

Zijn ogen sperden zich open. ‘Goeie goden,’ zei hij met verstikte stem. ‘Arya Onderweg? Liem, laat haar los.’

‘Ze heeft mijn neus gebroken.’ Liem liet haar zonder pardon op de grond vallen. ‘Wie is ze dan, bij de zevende hel?’

‘De dochter van de Hand.’ Harwin zonk op één knie voor haar neer. ‘Arya Stark van Winterfel.’

Catelyn

Robb, wist ze toen ze de kennels hoorde uitbarsten.

Haar zoon was terug in Stroomvliet en Grijze Wind met hem. Alleen de lucht van de grote grijze schrikwolf kon de honden zo wild aan het bassen en blaffen krijgen. Hij komt bij mij, wist ze. Edmar was na zijn eerste bezoek niet meer terug geweest, want hij bracht zijn tijd liever met Marq Pijper en Patrek Mallister door, en met luisteren naar de verzen van Rymond de Rijmer over de slag bij de Stenen Molen. Maar Robb is Edmar niet. Robb komt mij opzoeken.

Het regende nu al dagen, een kille, grijze gietregen die goed bij Catelyns stemming paste. Haar vader werd dagelijks zwakker en lag steeds vaker te ijlen. Hij werd alleen nog wakker om ‘Tansy’ te mompelen en om vergiffenis te smeken. Edmar meed haar en ser Desmond Grel liet haar nog steeds niet vrij door het slot rondlopen, hoe ongelukkig hij daar ook mee leek te zijn. Alleen de terugkeer van ser Robin Reyger en zijn mannen, met zere voeten en doorweekt tot op het bot, beurde haar wat op. Ze waren blijkbaar terug komen lopen. De Koningsmoordenaar was er op de een of andere manier in geslaagd hun galei tot zinken te brengen en te ontsnappen, vertrouwde ma ester Veyman haar toe. Catelyn vroeg of ze ser Robin te spreken kon krijgen om meer over het voorval te weten te komen, maar dat werd haar geweigerd.

Er was nog iets mis. Op de dag dat haar broer was thuisgekomen, een paar uur na hun ruzie, had ze beneden op de binnenplaats boze stemmen gehoord. Toen ze naar het dak klom om te kijken stonden er aan de andere kant van het slot, naast de hoofdpoort, kleine groepjes mannen bij elkaar. Er werden paarden uit de stallen geleid, gezadeld en opgetuigd, en er werd geschreeuwd, al was Catelyn te ver weg om te verstaan wát. Een van Robbs witte banieren lag op de grond, en een van de ruiters wendde zijn paard, gaf het de sporen en reed over de schrikwolf heen naar de poort. Verscheidene anderen volgden zijn voorbeeld. Dat zijn mannen die met Edmar bij de Voorden hebben gestreden, dacht ze. Waarom zouden ze zo kwaad zijn? Heeft mijn broer ze soms op hun tenen getrapt, ze ergens mee beledigd? Ze meende ser Perwyn Frey te herkennen, die met haar naar Bitterbrug en Stormeinde was gereisd, en ook zijn bastaard-halfbroer Martyn Stroom, maar van achteren en van die afstand viel dat moeilijk met zekerheid te zeggen. Tegen de veertig man stroomden de kasteelpoorten uit, met welk doel wist ze niet.

Ze kwamen niet meer terug. Ook weigerde ma ester Veyman haar te vertellen wie het geweest waren, waar ze heen waren of waarom ze zo boos waren. ‘Ik ben hier om uw vader te verzorgen, meer niet, vrouwe,’ zei hij. ‘Uw broer zal weldra heer van Stroomvliet zijn. Hij zal u moeten vertellen wat hij wil dat u weet.’

Maar nu was Robb in triomf uit het westen teruggekeerd. Hij zal het me vergeven, hield Catelyn zichzelf voor. Hij moet het me vergeven, hij is mijn eigen Zoon, en Arya en Sansa zijn evenzeer zijn bloedverwanten als de mijne. Hij zal mij uit deze vertrekken bevrijden, en dan krijg ik wel te horen wat er is gebeurd.

Tegen de tijd dat ser Desmond haar kwam halen had ze een bad genomen, zich gekleed en haar koperkleurige haar gekamd. ‘Koning Robb is uit het westen teruggekeerd, vrouwe,’ zei de ridder, ‘en gelast uw aanwezigheid in de grote hal.’

Het ogenblik waarvan ze had gedroomd en waarvoor ze had gevreesd was daar. Ben ik twee zonen kwijt, of drie? Dat zou ze nu weldra weten.

De zaal was stampvol toen ze binnenkwamen. Aller ogen waren op het podium gericht, maar Catelyn kende de ruggen: de opgelapte maliën van vrouwe Mormont, de Grootjon en zijn zoon die boven alle andere hoofden in de zaal uitstaken, de witharige heer Jason Mallister met zijn gevleugelde helm onder zijn arm, Tytos Zwartewoud in zijn prachtige mantel van ravenveren… De helft zou me nu het liefst ophangen. De andere helft zal de andere kant opkijken. Ze had ook het onaangename gevoel dat er iemand ontbrak.

Robb stond op het podium. Hij is geen kind meer, besefte ze, en er ging een steek door haar heen. Hij is nu zestien, een volwassen man. Kijk hem eens staan. De oorlog had alle zachtheid uit zijn gezicht gebrand en hij was nu gehard en mager. Hij had zijn baard afgeschoren maar zijn koperkleurige haar was niet geknipt en viel tot op zijn schouders. Door de recente regenval waren zijn maliën gaan roesten en hadden ze bruin afgegeven op het wit van zijn mantel en wapenrok. Op zijn hoofd rustte de zwaardenkroon die ze voor hem hadden gesmeed van brons en ijzer. Hij draagt hem nu met meer gemak. Hij draagt hem als een koning.

Edmar stond voor het volle podium, zijn hoofd bescheiden gebogen, terwijl Robb zijn overwinning prees. ‘…bij de Stenen Molen gesneuveld zijn, zullen nimmer vergeten worden. Geen wonder dat heer Tywin is weggerend om met Stannis te vechten. Hij had zijn buik vol van zowel noorderlingen als riviermannen.’ Dat lokte gelach en goedkeurende kreten uit, maar Robb hief een hand op om het stil te krijgen. ‘Vergis u echter niet. De Lannisters zullen weer tegen ons optrekken, en er zullen nog meer slagen gewonnen moeten worden voor het koninkrijk veilig is.’

De Grootjon brulde: ‘Koning in het Noorden!’ en hij stiet een gemaliede vuist omhoog. De rivierheren antwoordden door ‘Koning van de Drietand!’ te roepen. De zaal dreunde van de bonkende vuisten en stampende voeten.

In het tumult waren er maar een paar die Catelyn en ser Desmond opmerkten, maar die stootten hun buren aan, en langzaam werd het stil om haar heen. Zij hield haar hoofd hoog en negeerde de ogen. Zij mogen denken wat ze willen. Alleen Robbs oordeel is van belang.

Toen ze het verweerde gezicht van ser Brynden Tulling op het podium zag voelde ze zich getroost. Een haar onbekende jongen scheen als Robbs schildknaap te dienen. Naast hem stond een jonge ridder in een zandkleurige wapenrok met een schelpenblazoen en een oudere met drie zwarte pepervaatjes op een saffraangele boog over een veld van groene en zilveren strepen. Tussen hen in stonden een knappe oudere dame en een leuk meisje dat haar dochter leek te zijn. Er was ook nog een ander meisje, ongeveer van Sansa’s leeftijd. De schelpen waren het wapenteken van een van de mindere huizen, wist Catelyn. Dat van de oudere man kende ze niet. Gevangenen? Waarom zou Robb gevangenen meenemen op het podium?

UtherydesWagen liet zijn staf op de vloer neerdalen toen ser Desmond haar naar voren leidde. Als Robb mij net zo aankijkt als Edmar weet ik me geen raad. Maar ze had de indruk dat de ogen van haar zoon geen boosheid verrieden, maar iets anders… ongerustheid misschien? Nee, dat sloeg nergens op. Wat had hij te vrezen? Hij was de Jonge Wolf, de Koning van de Drietand en het Noorden.

Haar oom begroette haar als eerste. Ser Brynden was zoals altijd de Zwartvis en maalde er niet om wat de anderen zouden denken. Hij sprong van het podium en trok Catelyn tegen zich aan. Toen hij zei: ‘Goed om je thuis te zien, Cat,’ had ze moeite om zich goed te houden. ‘U ook,’ fluisterde ze.

‘Moeder.’

Catelyn keek op naar haar rijzige, koninklijke zoon. ‘Uwe genade, ik heb om uw veilige terugkeer gebeden. Ik had gehoord dat u gewond was geraakt.’

‘Een pijl door mijn arm bij de bestorming van de Steilte,’ zei hij. ‘Maar dat is goed genezen. Ik ben uitstekend verzorgd.’

‘Dan zijn de goden goed geweest.’ Catelyn haalde diep adem. Zeg het. Er valt niet aan te ontkomen. ‘Ze zullen u hebben verteld wat ik heb gedaan. Hebben ze u ook verteld waarom?’

‘Om de meisjes.’

‘Ik had vijf kinderen. Nu heb ik er nog maar drie.’

‘Jawel, vrouwe.’ Heer Rickard Karstark werkte zich langs de Groot jon. Met zijn zwarte maliën en zijn lange, rafelige grijze baard leek hij op een grimmige geestverschijning. ‘En ik heb nog maar één zoon waar ik er drie had. U hebt mij van mijn wraak beroofd.’

Catelyn bood hem kalm het hoofd. ‘Heer Rickard, de dood van de Koningsmoordenaar had uw kinderen het leven niet teruggeschonken. Zijn leven kan de mijne wel het leven geven.’

Karstark nam er geen genoegen mee. ‘Jaime Lannister is u te slim af geweest. U hebt een zak lege woorden gekocht, meer niet. Mijn Torrhen en mijn Eddard hadden dat niet van u verdiend.’

‘Laat haar, Karstark,’ gromde de Grootjon en hij kruiste zijn enorme armen voor zijn borst. ‘Dit was de dwaasheid van een moeder. Vrouwen zijn nu eenmaal zo.’

‘De dwaasheid van een moeder?’ Met een ruk draaide heer Karstark zich naar heer Omber toe. ‘Ik noem het verraad.’

‘Genóég.’ Eén ogenblik lang leek Robb meer op Brandon dan op zijn vader. ‘Niemand maakt de vrouwe van Winterfel in mijn bijzijn voor een verraadster uit, heer Rickard.’ Toen hij zich tot Catelyn wendde werd zijn stem weer milder. ‘Als ik de Koningsmoordenaar in zijn ketenen kon terugwensen zou ik het doen. U hebt hem buiten mijn medeweten en zonder mijn instemming vrijgelaten… maar ik weet dat u uit liefde hebt gehandeld. Voor Arya en Sansa, en uit verdriet om Bran en Rickon. De liefde is niet altijd wijs, heb ik geleerd. Ze kan ons tot grote dwaasheid aanzetten, maar wij volgen ons hart… waarheen het ons leidt. Nietwaar, moeder?’

Is dat wat ik heb gedaan? ‘Als mijn hart mij tot dwaasheid heeft aangezet ben ik gaarne bereid heer Karstark en u genoegdoening te schenken.’

Heer Rickards gezicht bleef onverzoenlijk. ‘Zal diegenoegdoening van u Thorrhen en Eddard verwarmen in de kille graven die hun door de Koningsmoordenaar bereid zijn?’ Hij schoof tussen de Grootjon en Maege Mormont door en verliet de zaal.

Robb maakte geen aanstalten hem tegen te houden. ‘Vergeef het hem, moeder.’

‘Als u het mij vergeeft.’

‘Dat heb ik al gedaan. Ik weet wat het is om zo innig lief te hebben dat je aan niets anders meer denkt.’

Catelyn boog haar hoofd. ‘Dank u.’ Dit kind ben ik tenminste niet kwijt.

‘Ik moet praten,’ hernam Robb. ‘Met u en mijn ooms. Hierover… en over andere dingen. Hofmeester, verklaar deze bijeenkomst voor beëindigd.’

Utherydes Wagen bonkte met zijn staf op de vloer en verkondigde dat het afgelopen was, en rivierheren en noorderlingen begaven zich gezamenlijk naar de deuren. Pas toen besefte Catelyn wat er niet klopte. De wolf. De wolf is er niet. Waar is Grijze Wind? Ze wist dat de schrikwolf samen met Robb was teruggekeerd, ze had de honden gehoord, maar hij was niet in de zaal, niet aan de zijde van haar zoon, waar hij thuishoorde.

Maar voor ze ertoe kwam om Robb ernaar te vragen, werd ze door gelukwensers omringd. Vrouwe Mormont greep haar hand en zei: ‘Vrouwe, als Cersei Lannister twee dochters van mij gevangenhield zou ik net zo gehandeld hebben.’ De Grootjon, die het decorum zelden in acht nam, tilde haar van de grond en kneep met zijn grote harige handen haar armen fijn. ‘Uw wolvenwelp heeft de Koningsmoordenaar al eens gebeten, en als het moet doet hij dat nog eens.’ Galbart Hanscoe en heer Jason Mallister waren koeler en Jonos Vaaren klonk bijna ijzig, maar hun woorden waren hoffelijk genoeg. Haar broer kwam als laatste naar haar toe. ‘Ik bid ook voor de meisjes, Cat. Daar twijfel je hopelijk niet aan.’

‘Natuurlijk niet.’ Ze kuste hem. ‘Daar ben je me dierbaar om.’

Toen alles gezegd was, was de grote zaal van Stroomvliet leeg, op Robb en de drie Tullings na, en de zes vreemdelingen die Catelyn niet kon plaatsen. Ze bekeek hen nieuwsgierig. ‘Vrouwe, sers, bent u sinds kort de zaak van mijn zoon toegedaan?’

‘Sinds kort,’ zei de jongere ridder, die met de schelpen. ‘Maar onze toewijding is vurig en onze trouw onwankelbaar, zoals ik u hoop te bewijzen, vrouwe.’

Robb leek niet op zijn gemak. ‘Moeder,’ zei hij, ‘mag ik u vrouwe Sybel voorstellen, de echtgenote van heer Gawen Westerling van de Steilte?’ De oudere dame trad met een plechtig gezicht naar voren. ‘Haar man bevond zich onder degenen die wij in het Fluisterwoud gevangengenomen hadden.’

Westerling, ja, dacht Catelyn. Die hebben een banier met zes witte schelpen op zand. Een van de mindere huizen die eedplichtig zijn aan de Lannisters.

Robb wenkte de andere vreemdelingen om beurten naar voren. ‘Ser Rolf Kruider, de broer van vrouwe Sybel. Hij was kasteelheer van de Steilte toen wij die innamen.’ De ridder met de pepervaatjes boog het hoofd. Hij was een stevig gebouwde man met een gebroken neus en een kortgeknipte grijze baard en zag er tamelijk geducht uit. ‘De kinderen van heer Gawen en vrouwe Sybel. Ser Reynald Westerling.’ De ridder met de schelp glimlachte onder zijn borstelige snor. Hij was jong, mager en onbehouwen, met een goed gebit en een dichte bos kastanjebruin haar. ‘Elenya.’ Het kleine meisje maakte haastig een revérence. ‘Rollam Westerling, mijn schildknaap.’ De jongen wilde knielen, zag dat niemand anders dat deed en maakte in plaats daarvan een buiging.

‘De eer is geheel mijnerzijds,’ zei Catelyn. Is het mogelijk dat Robb de Steilte voor zich gewonnen heeft? In dat geval was het geen wonder dat de Westerlings bij hem waren. De Rots van Ca sterling liet zulk verraad niet over zijn kant gaan. Niet sinds Tywin Lannister oud genoeg was om ten strijde te trekken …

Het jonge meisje kwam als laatste naar voren, heel beschroomd. Robb nam haar hand. ‘Moeder,’ zei hij. ‘Ik heb de grote eer u aan vrouwe Jeane Westerling voor te stellen. De oudste dochter van heer Gawen, en mijn… eh, mijn echtgenote.’

Het eerste wat Catelyn dacht was: Nee, dat kan niet, je bent nog maar een kind.

Het tweede was: En trouwens, je had je woord al aan een ander gegeven.

Het derde was: Genadige Moeder, Robb, wat heb je gedaan?

Pas toen, rijkelijk laat, wist ze het weer: Dwaasheden, uit liefde begaan? Hij heeft me behendig in zijn strikken gevangen. Ik geloof zowaar dat ik het hem al vergeven heb. Hoe geërgerd ze ook was, tegen wil en dank bewonderde ze hem ook: dit was geënsceneerd met een sluwheid waar een meester-komediant eer mee kon inleggen… of een koning. Catelyn had geen andere keus dan Jeane Westerlings handen te grijpen. ‘Ik heb er een dochter bij,’ zei ze, iets stijver dan haar bedoeling was geweest. Ze kuste het doodsbange meisje op beide wangen. ‘Welkom in ons huis en aan onze haard.’

‘Dank u, vrouwe. Ik zal een goede en trouwe echtgenote voor Robb zijn, dat zweer ik u. En naar vermogen ook een wijze koningin.’

Koningin. Ja, dit knappe kind is koningin, laat ik daar vooral goed aan denken. Ze was onmiskenbaar knap, met haar kastanjebruine krullen, haar hartvormige gezichtje en die verlegen glimlach. Slank, maar met goede heupen, stelde Catelyn vast. Ze zal in elk geval geen moeite hebben om kinderen te baren.

Voordat er nog meer gezegd werd nam vrouwe Sybel het initiatief. ‘Wij zijn vereerd door deze verbintenis met het huis Stark, vrouwe, maar wij zijn ook erg vermoeid. We hebben in korte tijd ver gereisd. Misschien mogen wij ons op onze kamers terugtrekken, zodat u daar met uw zoon op bezoek kunt komen?’

‘Dat lijkt mij het beste.’ Robb kuste zijn Jeane. ‘De hofmeester zal een passend onderkomen voor u zoeken.’

‘Ik breng u naar hem toe,’ bood ser Edmar Tulling aan.

‘Heel vriendelijk van u,’ zei vrouwe Sybel.

‘Moet ik ook mee?’ vroeg de jonge Rollam. ‘Ik ben uw schildknaap.’

Robb lachte. ‘Maar op dit moment heb ik je diensten niet nodig.’

‘O.’

‘Zijne genade redt zich al zestien jaar zonder jou, Rollam,’ zei ser Reynald van de schelpen. ‘Die paar uur extra zal hij, denk ik, ook wel overleven.’ Hij nam zijn kleine broertje stevig bij de hand en leidde hem de zaal uit.

‘Je vrouw is mooi,’ zei Catelyn toen ze buiten gehoorsafstand waren, ‘en de Westerlings lijken mij een waardig geslacht… maar heer Gawen heeft Tywin Lannister toch trouw gezworen?’

‘Ja. Jason Mallister had hem in het Fluisterwoud gevangengenomen en hield hem in Zeeg aard vast tot zijn losprijs betaald zou wor·den. Nu laat ik hem uiteraard vrij, ook al wil hij zich misschien niet bij mij aansluiten. We zijn zonder zijn toestemming getrouwd, vrees ik, en dit huwelijk brengt hem ernstig in gevaar. De Steilte is niet sterk. Uit liefde voor mij zal Jeane misschien alles verliezen.’

‘En jij,’ zei ze zachtjes, ‘bent de Freys kwijt.’

Zijn onwillekeurige huivering was heel onthullend. Nu begreep ze de boze stemmen, en waarom Perwyn Frey en Martyn Stroom zo overhaast waren vertrokken en daarbij Robbs banier hadden vertrapt.

‘Mag ik vragen hoeveel zwaarden je bruid meebrengt, Robb?’

‘Vijftig. Een stuk of tien ridders.’ Zijn stem klonk somber, en terecht. Toen het huwelijkscontract op de Tweeling was gesloten had de oude heer Walder Frey Robb duizend ridders te paard en een kleine drieduizend voetknechten meegegeven. ‘Jeane is even verstandig als mooi. En ook lief. Ze is heel zachtaardig.’

Je hebt zwaarden nodig, geen zachtaardigheid. Hoe heb je dit kunnen doen, Robb? Hoe kon je zo ondoordacht zijn, zo dom? Hoe kon je zo… zo… verschrikkelijk jong zijn? Maar verwijten zouden hier niets uithalen. Alles wat ze zei was: ‘Vertel me hoe het zover is gekomen.’

‘Ik heb haar slot veroverd en zij heeft mijn hart veroverd.’ Robb glimlachte. ‘De Steilte was slecht bezet, daarom slaagden we er op een nacht in hem te bestormen en in te nemen. Zwarte Walder en de Grootjon leidden hun mannen de muren over, terwijl ik de hoofdpoort rammeide. Vlak voordat ser Rolf het slot aan ons overgaf, kreeg ik een pijl in mijn arm. Eerst leek de wond onbetekenend, maar hij begon te zweren. Jeane gaf mij haar eigen bed en verpleegde me tot de koorts gezakt was. En ze was bij me toen de Grootjon me het nieuws over… over Winterfel kwam brengen. Bran en Rickon.’ Hij leek de namen van zijn broertjes met moeite over zijn lippen te krijgen. ‘Die nacht… die nacht heeft ze me getroost, moeder.’

Catelyn begreep zonder meer wat voor troost Jeane Westerling haar zoon had geschonken. ‘En de volgende dag ben je met haar getrouwd?’

Hij keek haar recht aan, tegelijkertijd trots en treurig. ‘Dat was het enige eervolle. Ze is zachtaardig en lief, moeder, ze zal een goede vrouw voor me zijn.’

‘Misschien. Maar daar zal heer Frey geen genoegen mee nemen.’

‘Dat weet ik,’ zei haar zoon terneergeslagen. ‘Op de veldslagen na heb ik alles in de soep laten lopen, hè? Ik dacht dat de veldslagen het moeilijkst zouden zijn, maar… als ik naar u had geluisterd en Theon als gijzelaar had gehouden zou ik nog over het noorden heersen en zouden Bran en Rickon nog leven en veilig en wel in Winterfel zitten.’

‘Misschien. Of niet. Heer Balon had zich mogelijk toch wel aan een oorlog gewaagd. De vorige keer dat hij een greep naar een kroon deed raakte hij twee zonen kwijt. Wie weet had hij het wel een koopje gevonden er ditmaal maar één te verliezen.’ Ze raakte zijn arm aan. ‘Wat gebeurde er met de Freys nadat je getrouwd was?’

Robb schudde zijn hoofd. ‘Met ser Stevron had ik het misschien nog goed kunnen maken, maar ser Ryman is oliedom en Zwarte Walder heet niet zo omdat zijn baard die kleur heeft, dat verzeker ik u. Hij ging zelfs zo ver te zeggen dat zijn zusters er niets op tegen zouden hebben met een weduwnaar te trouwen. Als Jeane me niet had gesmeekt om genadig te zijn zou hem dat zijn kop hebben gekost.’

‘Je hebt het huis Frey zwaar beledigd, Robb.’

‘Dat was helemaal mijn bedoeling niet. Ser Stevron is voor mij gesneuveld en geen koning had zich een trouwere schildknaap dan Olyvar kunnen wensen. Hij vroeg of hij bij mij mocht blijven, maar ser Ryman nam hem samen met de overigen mee. Hun hele krijgsmacht. De Grootjon drong erop aan dat ik hen zou aanvallen.’

‘Tegen je eigen mensen vechten, terwijl je door vijanden omringd was?’ zei ze. ‘Dat zou je einde hebben betekend.’

‘Ja. Ik dacht dat we misschien andere huwelijken voor heer Walders dochters konden arrangeren. Ser Wendel Manderling heeft aangeboden er een te nemen en de Grootjon zegt dat zijn ooms weer willen trouwen. Als heer Walder redelijk is…’

‘Hij is níét redelijk,’ zei Catelyn. ‘Hij is trots en heeft veel te lange tenen. Dat weet je. Hij wilde de grootvader van een koning worden. Je zult hem niet met je verzoenen door hem twee ruige oude bandieten en de tweede zoon van de grootste vetzak in de Zeven Koninkrijken aan te bieden. Je hebt niet alleen je eed gebroken, je hebt ook de eer van de Tweeling aangetast door een bruid uit een minder huis te kiezen.’

Robb zette zijn stekels op. ‘De Westerlings zijn van betere komaf dan de Freys. Het is een oeroud geslacht dat nog van de Eerste Mensen afstamt. Voor de Verovering trouwden de koningen van de Rots soms met Westerlings, en driehonderd jaar geleden was een andere Jeane Westerling de gemalin van koning Maegor.’

‘Dat zal alleen maar zout in heer Walders wonden zijn. Het steekt hem al zijn hele leven dat oudere huizen op de Freys neerkijken en hen als parvenus beschouwen. Dit is niet de eerste belediging die hij te slikken heeft gekregen, zoals hij het ziet. Jon Arryn was niet bereid zijn kleinzoons bij zich op te nemen en mijn vader heeft nee gezegd toen hij Edmar de hand van een van zijn dochters aanbood.’ Ze knikte naar haar broer, die zich juist bij hen voegde.

‘Uwe genade,’ zei Brynden de Zwartvis, ‘misschien kunnen we hier beter in alle beslotenheid over doorpraten.’

‘Ja.’ Robb klonk vermoeid. ‘Ik zou een moord plegen voor een beker wijn. De ontvangstkamer, denk ik.’

Toen ze de trap op liepen stelde Catelyn de vraag die haar al dwarszat sinds ze de zaal had betreden. ‘Robb, waar is Grijze Wind?’

‘Op de binnenplaats, met een schapenbout. Ik heb de kennelmeester opgedragen hem eten te geven.’

‘Vroeger hield je hem altijd bij je.’

‘Een zaal is niet de juiste plaats voor een wolf. Daar wordt hij rusteloos, dat hebt u toch gezien? Hij gaat grommen en bijten. Ik had hem nooit moeten meenemen in de strijd. Hij heeft inmiddels te veel mensen gedood om nu nog bang voor hen te zijn. Jeane voelt 4ich niet op haar gemak in zijn buurt, en haar moeder is doodsbang voor hem.’

Daar komt de aap uit de mouw, dacht Catelyn. ‘Hij is een deel van jou, Robb. Wie hem vreest, vreest jou.’

‘Ik ben geen wolf, al noemen ze me ook zo,’ zei Robb geprikkeld. ‘Grijze Wind heeft een man gedood bij de Steilte, een in Essemark, en zes of zeven bij Ossenwade. Als u had gezien…’

‘Ik heb gezien hoe Brans wolf op Winterfel een man de keel afbeet,’ zei ze scherp, ‘en hij was me er des te dierbaarder om.’

‘Dat is anders. De man bij de Steilte was een ridder die Jeane al haar hele leven kende. U kunt het haar niet kwalijk nemen dat ze bang is. Grijze Wind mag haar oom ook niet. Hij ontbloot zijn gebit zodra ser Rolf bij hem in de buurt komt.’

Een rilling doorvoer haar. ‘Dan moet je ser Rolf wegsturen. Onmiddellijk.’

‘Waarheen? Terug naar de Steilte, zodat de Lannisters zijn hoofd op een piek kunnen zetten? Jeane is dol op hem. Hij is haar oom en een eerzaam ridder bovendien. Ik heb juist meer mannen als Rolf Kruider nodig, niet minder. Ik ga hem niet verbannen, alleen maar omdat zijn lucht mijn wolf blijkbaar niet bevalt.’

‘Robb.’ Ze bleef staan en pakte hem bij zijn arm. ‘Ik heb je eens gezegd dat je Theon Grauwvreugd bij je in de buurt moest houden, en je luisterde niet. Luister dan nu. Stuur die man weg. Ik zeg niet dat je hem moet verbannen. Leg hem een taak op waarvoor een moedig man vereist is, een eervolle plicht, het geeft niet wat … maar houd hem niet bij je.’

Hij fronste. ‘Moet ik Grijze Wind soms aan al mijn ridders laten ruiken? Misschien zijn er nog meer van wie de lucht hem niet bevalt.’

‘Iedere man die Grijze Wind niet mag is een man die ik niet bij jou in de buurt wil hebben. Die wolven zijn meer dan wolven, Robb. Dat moet je toch weten. Misschien zijn ze ons wel door de goden gezonden, de oude goden van het noorden. Vijf wolvenwelpen. Vijf, voor de vijf kinderen Stark.’

‘Zes,’ zei Robb. ‘Er was ook een wolf voor Jon bij. Ik heb ze gevonden, weet u wel? Ik weet hoeveel het er waren en waar ze vandaan kwamen. Ik dacht er altijd net zo over als u: dat de wolven over ons waakten, ons beschermden, totdat…’

‘Totdat?’ drong ze aan.

‘…totdat ik hoorde dat Theon Bran en Rickon had vermoord. Hun wolven hebben hun weinig gebaat. Ik ben geen kind meer, moeder. Ik ben een koning, ik kan mezelf beschermen.’ Hij zuchtte. ‘Ik vind wel iets te doen voor ser Rolf, een of ander voorwendsel om hem weg te sturen. Niet om zijn lucht, maar om u gerust te stellen. U hebt al genoeg geleden.’

Opgelucht kuste Catelyn hem vluchtig op zijn wang voor de anderen de bocht van de trap om kwamen, en even was hij weer haar kind en niet haar koning.

De ontvangstkamer van heer Hoster was een klein vertrek boven de grote zaal, beter geschikt voor intieme gesprekken. Robb ging in de hoge zetel zitten, deed zijn kroon af en zette die naast zich op de vloer, terwijl Catelyn om wijn schelde. Edmar bracht de oren van zijn oom aan het tuiten door hem het hele verhaal van het gevecht bij de Stenen Molen te vertellen. Pas toen de bedienden waren gekomen en gegaan schraapte Brynden zijn keel en zei: ‘Ik denk dat je nu wel genoeg hebt opgeschept, neef.’

Edmar wist niet hoe hij het had. ‘Opgeschept? Wat bedoelt u?’

‘Wat ik bedoel,’ zei de Zwartvis, ‘is dat je zijne genade dank verschuldigd bent voor zijn lankmoedigheid. Hij heeft die klucht in de grote zaal tot het eind toe meegespeeld om je niet ten overstaan van je eigen mensen te schande te zetten. Als ik hem was geweest had ik je laten villen om je stommiteit, in plaats van dat dwaze gedoe bij de voorden toe te juichen.’

‘Er zijn goede mannen gesneuveld om die Voorden te verdedigen, oom,’ zei Edmar diep verontwaardigd. ‘Mag niemand anders dan de Jonge Wolf dan overwinningen behalen? Heb ik je beroofd van een zegepraal die voor jou bestemd was, Robb?’

‘Uwe genade,’ verbeterde Robb hem ijzig. ‘U hebt mij als uw koning aanvaard, oom. Of bent u dat ook al vergeten?’

De Zwartvis zei: ‘Je had opdracht gekregen om stand te houden in Stroomvliet, Edmar, meer niet.’

‘Ik heb standgehouden in Stroomvliet, én ik heb heer Tywin een bloedneus geslagen…’

‘Dat wel,’ zei Robb, ‘maar een bloedneus helpt ons niet de oorlog te winnen, of wel soms? Hebt u zich weleens afgevraagd waarom we na Ossenwade zo lang in het westen zijn gebleven? U wist dat ik niet genoeg manschappen had om Lannispoort of de Rots van Casterling te bedreigen.’

‘Eh… er waren nog meer kastelen… goud, vee…’

‘Denkt u dat we zijn gebleven om de buit? vroeg Robb ongelovig. ‘Oom, ik wilde dat heer Tywin naar het westen zou komen.’

‘Wij waren allemaal te paard,’ zei ser Brynden. ‘Het leger van de Lannisters was merendeels te voet. We wilden heer Tywin eerst achter ons aan lokken, de kust op en neer, en daarna achter hem langs glippen om langs de goudweg onze stellingen te betrekken. Mijn verkenners hadden een plek gevonden waar het terrein sterk in ons voordeel was. Als hij ons daar had aangevallen zou hij een gruwelijke prijs hebben betaald. Maar als hij niet tot de aanval overging zou hij vast komen te zitten in het westen, duizenden mijlen van de plaats waar hij zou moeten zijn. Wij zouden al die tijd van zijn grondgebied hebben geleefd, en hij niet van het onze.’

‘Heer Stannis stond op het punt Koningslanding te bestormen,’ zei Robb. ‘Hij had ons in één bloedige klap van Joffry, de koningin en de Kobold kunnen bevrijden. Dan hadden we vrede kunnen sluiten.’

Edmar keek van zijn oom naar zijn neef. ‘Dat heeft nooit iemand me verteld.’

‘We hadden u gezegd om stand te houden in Stroomvliet,’ zei Robb. ‘Wat was er zo onbegrijpelijk aan dat bevel?’

‘Toen jij op heer Tywin stuitte bij de Rode Vork,’ zei de Zwartvis, ‘heb je hem precies zo lang tegengehouden dat ruiters uit Bitterbrug hem nog konden bereiken met nieuws omtrent de gebeurtenissen in het oosten. Heer Tywin maakte meteen rechtsomkeert met zijn krijgsmacht, voegde zich aan de bovenloop van het Zwartewater bij Mathis Rowin en Randyl Tarling en bereikte met een geforceerde mars de Duikelaarsval, waar hij Hamer Tyrel en twee van diens zoons met een enorme legermacht en een vloot aantrof. Ze lieten zich de rivier afzakken, ontscheepten zich een halve dagrit van Koningslanding en vielen Stannis in de rug aan.’

Catelyn dacht aan het hof van koning Renling zoals ze dat bij Bitterbrug had gezien. Duizend gouden rozen die wapperden in de wind, de verlegen glimlach en de milde woorden van koningin Marjolij, haar broer de Bloemenridder met het bebloede verband om zijn slapen. Als je je dan toch in de armen van een vrouw moest storten, waarom hadden het dan niet die van Marjolij Tyrel kunnen zijn? De rijkdom en de macht van Hooggaarde hadden in de komende strijd alle verschil van de wereld kunnen uitmaken. En misschien zou haar lucht Grijze Wind ook bevallen zijn.

Edmar zag eruit alsof hij misselijk was. ‘Ik had nooit… nóoit…

Robb, je moet me de kans geven om het goed te maken. In de volgende veldslag zal ik de voorhoede aanvoeren!’

Om het goed te maken, broertje? Of om de roem? vroeg Catelyn zich af.

‘De volgende veldslag,’ zei Robb. ‘Nu ja, die zal niet lang op zich laten wachten. Zodra Joffry getrouwd is zullen de Lannisters weer tegen mij optrekken, daar twijfel ik niet aan, en ditmaal zij aan zij met de Tyrels. En ik zal misschien ook tegen de Freys moeten vechten, als Zwarte Wal der zijn zin krijgt…’

‘Zolang Theon Grauwvreugd met het bloed van je broers aan zijn handen op je vaders troon zetelt moeten die andere vijanden wachten,’ zei Catelyn tegen haar zoon. ‘Je allereerste plicht is je eigen volk te verdedigen, Winterfel te heroveren en Theon in een kraaienkooi op te hangen en langzaam te laten creperen. Anders kun je die kroon wel voorgoed afzetten, Robb, want dan zullen de mensen weten dat jij geen waarachtige koning bent.’

Naar de blik te oordelen die Robb haar toewierp was het lang geleden dat iemand zo onverbloemd tegen hem had durven spreken. ‘Toen ze me vertelden dat Winterfel was gevallen wilde ik meteen naar het noorden,’ zei hij op enigszins verdedigende toon. ‘Ik wilde Bran en Rickon bevrijden, maar ik dacht … ik had er geen flauw vermoeden van dat Theon in staat was hun iets aan te doen, werkelijk niet. Als ik dat wel had gehad…’

‘As is verbrande turf, en je bent te laat om ze te redden,’ zei Catelyn. ‘Al wat rest is wraak.’

‘Volgens het laatste nieuws uit het noorden heeft ser Rodrik bij Torhens Sterkte een contingent ijzermannen verslagen en verzamelt hij een krijgsmacht om Winterfel te heroveren,’ zei Robb. ‘Misschien is hem dat inmiddels gelukt. Er is al een hele tijd geen nieuws meer geweest. En hoe moet het met de Drietand als ik naar het noorden ga? Ik kan niet van de rivierheren vergen dat ze hun eigen volk in de steek laten.’

‘Nee,’ zei Catelyn. ‘Laten zij de hunnen beschermen, en herover het noorden met noorderlingen.’

‘Hoe wil je die noorderlingen naar het noorden krijgen?’ vroeg haar broer Edmar. ‘De ijzermannen beheersen de zee van zonsondergang, en de Grauwvreugds bezetten ook de Motte van Cailin. Geen leger heeft de Motte van Cailin ooit vanuit het zuiden kunnen veroveren. Ertegen optrekken is op zich al waanzin. We zouden op de heerweg in de tang kunnen raken, met de ijzergeborenen voor ons en boze Freys in onze rug.’

‘We moeten de Freys terug zien te winnen,’ zei Robb. ‘Met hen erbij hebben we nog enige kans op succes, hoe klein ook. Zonder de Freys vervliegt onze hoop. Ik ben bereid heer Walder alles te geven wat hij eist… verontschuldigingen, eerbewijzen, grondgebied, goud… íéts moet zijn gekwetste trots toch kunnen bevredigen…’

‘Niet iets,’ zei Catelyn. ‘Iémand.’

Jon

Vind je dit groot genoeg?’ De sneeuwvlokken plakten aan Tormunds brede gezicht en smolten in zijn haar en baard. Traag heen en weer wiegend op hun mammoets reden de reuzen twee aan twee voorbij. Jons garron werd schichtig van al dat vreemds, maar het was moeilijk te zeggen of het de mammoets of hun berijders waren die hem angst aanjoegen. Zelfs Spook deed een stapje naar achteren en ontblootte zijn gebit in een geluidloze grauw. De schrikwolf was groot, maar de mammoets waren heel wat groter, en er waren er een heleboel van.

Jon trok de teugels strak om zijn paardje stil te houden en de reuzen te tellen die kwamen opduiken uit de sneeuwvlagen en de fletse mistslierten langs het Melkwater. Hij was de vijftig al ruimschoots gepasseerd toen Tormund het woord nam en hij de tel kwijtraakte. Er moeten er honderden zijn. Hoeveel er ook gepasseerd waren, er kwam geen eind aan, zo leek het.

In de verhalen van ouwe Nans waren de reuzen bovenmaatse mannen die in reusachtige kastelen woonden, met enorme zwaarden vochten en rondbanjerden in laarzen waarin een jongen zich kon verstoppen. Deze waren anders, meer beer dan mens en even wolharig als de mammoets waar ze op reden. Nu ze zaten was het moeilijk te zeggen hoe groot ze precies waren. Tien voet lang misschien, of twaalf, dacht Jon. Of hooguit veertien. Hun gewelfde borst had voor die van een mens door kunnen gaan maar hun armen hingen te ver omlaag en hun onderlijf leek anderhalf keer zo breed als hun bovenlijf. Hun benen waren korter dan hun armen, maar heel dik, en ze droegen helemaal geen laarzen. Hun voeten waaierden breed uit en waren hard, hoornig en zwart. Ze hadden geen nek en hun grote, zware hoofd zat pal tussen hun schouderbladen. Hun gezichten waren platgedrukt en grof. Rattenoogjes, niet groter dan kralen, gingen bijna geheel tussen hoornige huidplooien schuil, maar ze snoven aan een stuk door en roken bijna evenveel als ze zagen.

Ze dragen geen huiden, besefte Jon. Dat is lichaamshaar. Hun lichaam was bedekt met een ruige vacht die onder het middel heel dicht en daarboven wat dunner was. De stank die ze verspreidden was verstikkend, maar misschien waren dat de mammoets. En Joramun stak de Winterhoorn en wekte reuzen uit de aarde. Hij keek of hij tien voet lange slagzwaarden kon ontdekken, maar zag alleen knotsen, merendeels gewoon takken van dode bomen waar soms nog geplette bladeren aan hingen. Bij sommige waren stenen ballen aan het uiteinde gebonden om er kolossale goedendags van te maken. Dat lied vertelt nergens of de hoorn ze ook weer kan laten inslapen.

Een van de naderende reuzen leek ouder dan de rest. Zijn vacht was grijs met witte strepen erdoor, en de mammoet die hij bereed, groter dan die van de anderen, was eveneens grijs met wit. Toen hij voorbij kwam schreeuwde Tormund hem iets toe, ruwe, galmende woorden in een taal die Jon niet verstond. De lippen van de reus weken uiteen om een mond vol enorme, vierkante tanden te onthullen, en hij maakte een geluid tussen een oprisping en een grom in. Het volgende ogenblik besefte Jon dat hij lachte. De mammoet draaide zijn massieve kop opzij om hen tweeën even aan te kijken, en een reusachtige slagtand streek over Jons kruin toen het beest voorbij sjokte. Het liet enorme voetsporen achter in de zachte modder en verse sneeuw langs de rivier. De reus riep iets in dezelfde ruwe taal die Tormund had gebruikt.

‘Was dat hun koning?’ vroeg Jon.

‘Reuzen hebben geen koningen, evenmin als mammoets of sneeuw beren of de grote walvissen in de grauwe zee. Dat was Mag Mar Tun Doh Weg. Mag de Machtige. Als je wilt kun je voor hem knielen, dat zal hem een zorg zijn. Jouw knieiersknieën zullen wel jeuken bij gebrek aan een koning om ze voor te buigen. Maar kijk uit dat hij niet op je trapt. Reuzen hebben slechte ogen en het kan zijn dat hij zo’n kleine kraai aan zijn voeten over het hoofd ziet.’

‘Wat heb je tegen hem gezegd? Was dat de Oude Taal?’

‘Ja. Ik vroeg hem of het zijn vader was waar hij zo schrijlings bovenop zat. Ze leken sprekend op elkaar, behalve dat zijn vader niet zo stonk.’

‘En wat zei hij tegen jou?’

Tormund Dondervuist glimachte de gaten tussen zijn tanden bloot. ‘Hij vroeg of dat mijn dochter was die daar naast me reed, met haar gladde roze wangetjes.’ De wildling schudde wat sneeuw van zijn arm en wendde zijn paard. ‘Misschien had hij nog nooit een man zonder baard gezien. Kom, we gaan terug. Mans pleegt in toorn te ontsteken als ik niet op mijn gebruikelijke plaats te vinden ben.’

Snel keerde Jon zich om en reed achter Tormund naar het hoofd van de colonne terug. Zijn nieuwe mantel hing zwaar om zijn schouders. Hij was van ongewassen schapenvacht en Jon droeg hem met de wol aan de binnenkant, zoals de wildlingen hem hadden aangeraden. Hij hield de sneeuw redelijk goed tegen, en ’s nachts was hij heerlijk warm, maar toch bewaarde Jon ook zijn zwarte mantel, opgevouwen onder zijn zadel. ‘Is het waar dat jij eens een reus hebt gedood?’ vroeg hij onder het rijden aan Tormund. Spook sprong zwijgend naast hen voort en liet zijn pootafdrukken achter in de versgevallen sneeuw.

‘Waarom zou je aan een machtig man als ik twijfelen? Het was winter. Ik was nog een halve jongen, en zo dom als jongens plegen te zijn. Ik reed te ver en mijn paard kwam om en toen werd ik door een storm overvallen. Een hele echte, geen wolkje stuifsneeuw zoals nu. Ha! Ik wist dat ik zou doodvriezen voordat de storm ging liggen. Dus zocht ik een slapende reuzin, sneed haar buik open en kroop zo bij haar naar binnen. Ze hield me aardig warm, maar de stank werd me bijna te veel. Het ergste was dat ze wakker werd toen het voorjaar kwam, en mij voor haar baby aanzag. Drie volle maanden lang heeft ze me gezoogd voordat ik weg kon komen. Ha! Maar er zijn momenten dat ik de smaak van reuzenmelk mis.’

‘Als ze je gezoogd heeft kun je haar niet gedood hebben.’

‘Heb ik ook niet, maar zorg dat je dat voor je houdt. Tormund Reuzendoder klinkt beter dan Tormund Reuzenbaby, en zo is het maar net.’

‘En hoe ben je aan je andere namen gekomen?’ vroeg Jon. ‘Mans noemde je ook de Hoornblazer, nietwaar? Medekoning van Rossighal, Berengemaal, Vader der Heerscharen?’ Hij wilde vooral graag meer weten over dat hoorn blazen. En Joramun stak de Winterhoorn en wekte reuzen uit de aarde. Kwamen ze daarvandaan, samen met hun mammoets? Had Mans Roover de Hoorn van Joramun gevonden en hem aan Tormund Dondervuist gegeven om op te blazen?

‘Zijn alle kraaien zo nieuwsgierig?’ vroeg Tormund. ‘Dan heb ik hier een mooi verhaal voor je. Dit was in een andere winter, zelfs nog kouder dan degene die ik in die reuzin doorbracht, en het sneeuwde dag en nacht, sneeuwvlokken zo groot als jouw hoofd, niet van die kleine dingetjes. Het sneeuwde zo hard dat het halve dorp ondersneeuwde. Ik zat thuis in Rossighal met een vaatje mede als enig gezelschap, en niets anders om te doen dan drinken. Hoe meer ik dronk, hoe meer ik aan die vrouw begon te denken die vlakbij woonde, een goeie, sterke vrouw met de grootste tieten die je ooit hebt gezien. Ze was wel driftig, die vrouw, maar ze kon ook o zo warm zijn, en hartje winter kan een man wel wat warmte gebruiken.

Hoe meer ik dronk, hoe meer ik aan haar dacht, en hoe meer ik aan haar dacht Aoe stijver mijn lid werd, tot ik het niet meer uithield. Dwaas als ik was hulde ik mezelf van top tot teen in huiden, ik wond wollen windsels om mijn gezicht en ging haar opzoeken. De sneeuwval was zo hevig dat ik een paar keer de verkeerde kant op ging, en de wind blies dwars door me heen, zodat mijn botten bevroren, maar ten slotte vond ik haar, van top tot teen ingepakt als ik was.

De vrouw werd vreselijk driftig en bood heel wat tegenstand toen ik haar greep. Het enige dat ik kon doen was haar mee naar huis nemen en haar uit haar vellen pellen, maar toen ik dat had gedaan was ze nog heter dan in mijn herinnering, en we hadden het heerlijk samen, en daarna viel ik in slaap. Toen ik de volgende ochtend wakker werd was het opgehouden met sneeuwen en scheen de zon, maar ik kon er niet van genieten. Ik was aan alle kanten opengehaald en de helft van mijn lid was er finaal afgebeten, en op mijn vloer lag de vacht van een berin. En het duurde niet lang of onder het vrije volk begonnen verhalen de ronde te doen over die kale berin die ze in het bos hadden gezien, met een paar heel rare jongen achter zich aan. Ha!’ Hij gaf een klap op zijn vlezige dij. ‘Ik zou haar graag terugvinden. Ze was heerlijk om te naaien, die berin. Niet één vrouw heeft me ooit zoveel tegenstand geboden of me zulke sterke zonen gegeven.’

‘Maar wat zou je kunnen doen áls je haar vond?’ vroeg Jon met een glimlach. ‘Je zei dat ze je lid eraf gebeten had.’

‘De helft maar. En de helft van mijn lid is nog altijd twee keer zo lang als dat van een ander,’ snoof Tormund. ‘Maar wat jou betreft… is het waar dat ze jullie je lid afhakken als ze je voor de Muur nemen?’

‘Nee,’ zei Jon beledigd.

‘Volgens mij wel. Waarom wijs je anders Ygritte af? Ik heb de indruk dat zij jou nauwelijks enige tegenstand zou bieden. Het meisje wil je in zich hebben, dat is maar al te duidelijk.’

Veel te duidelijk, verdomme, dacht Jon, en kennelijk heeft de halve colonne dat gezien. Hij bekeek de neerdwarrelende sneeuw zodat Tormund niet zou zien dat hij rood werd. Ik ben een man van de Nachtwacht, hield hij zichzelf voor. Maar waarom voelde hij zich dan net een blozende maagd?

De meeste dagen bracht hij in het gezelschap van Ygritte door, en de meeste nachten eveneens. Mans Roover was niet blind geweest voor Ratelhemds wantrouwen jegens de overgelopen kraai, dus nadat hij Jon zijn nieuwe mantel van schapenvacht had gegeven had hij geopperd dat Jon mischien liever met Tormund Reuzendoder wilde meerijden. Daar had Jon graag mee ingestemd en al de volgende dag had ook Ygritte de bende van Langspeer Ryk en Ratelhemd voor die van Tormund verwisseld. ‘Het vrije volk rijdt met wie het wil,’ zei het meisje tegen hem, ‘en wij hadden onze buik vol van de Bottenzak.’

Ieder avond als ze hun kamp opsloegen gooide Y gritte haar slaapvachten naast de zijne neer, of dat nu dicht bij het vuur of een heel eind ervandaan was. Een keer bleek ze zich tegen hem aangenesteld te hebben toen hij wakker werd, met haar arm over zijn borst. Hij lag lange tijd naar haar ademhaling te luisteren, terwijl hij de spanning in zijn lendenen probeerde te negeren. Wachtruiters lagen ook vaak samen onder dezelfde vacht om het warm te krijgen, maar hij verdacht Ygritte ervan dat zij niet zozeer op warmte uit was. Daarna was hij Spook gaan inzetten om haar op een afstandje te houden. Ouwe Nans had altijd verhalen verteld over ridders en hun jonkvrouwen die samen in een bed sliepen met een ontbloot zwaard eerzaam tussen zich in, maar dit was waarschijnlijk de eerste keer dat een schrikwolf de plaats van het zwaard innam.

Ook toen nog hield Ygritte vol. Eergisteren had Jon de vergissing begaan, de wens naar warm badwater uit te spreken. ‘Koud is beter,’ had ze meteen gezegd, ‘als je iemand hebt die je na afloop opwarmt. De rivier ligt pas ten dele dicht, dus ga je gang.’

Jon lachte. ‘Je laat me nog doodvriezen!’

‘Zijn alle kraaien bang om kippenvel te krijgen? Van een beetje ijs ga je niet dood. Ik spring d’r wel bij om het te bewijzen.’

‘Zodat we de rest van de dag in natte kleren rijden die aan ons vel vastvriezen,’ wierp hij tegen.

‘Jon Sneeuw, je weet er niks van. Je gaat er niet in met kleren aan.’

‘Ik ga er helemaal niet in,’ zei hij ferm, vlak voor hij Tormund Dondervuist zijn naam hoorde bulderen (niet echt, maar dat zou hem een zorg zijn).

De wildlingen leken Ygritte vanwege haar haar als een schoonheid te beschouwen. Rood haar was zeldzaam bij het vrije volk, en wie het had heette door vuur gekust te zijn, wat geluk zou brengen. Wie weet bracht het ook geluk, en rood was het zeker, maar het haar van Ygritte zat dermate in de klit dat Jon in de verleiding was haar te vragen of ze het alleen maar borstelde bij de wisseling der seizoenen.

Aan het hof van een heer zou niemand het meisje ooit anders dan gewoontjes hebben gevonden, wist hij. Ze had een rond, boers gezicht, een mopsneus en enigszins scheve tanden, en haar ogen stonden te ver uit elkaar. Dat was Jon allemaal al opgevallen toen hij haar voor het eerst had gezien, met zijn ponjaard op haar keel. De laatste tijd vielen hem echter nog meer dingen op. Als ze grijnsde leken die scheve tanden er niet toe te doen. En haar ogen stonden dan misschien te ver uit elkaar, ze waren mooi blauwgrijs, en levendiger dan alle andere ogen die hij ooit had gezien. Soms zong ze, met een lage, omfloerste stem die iets in hem losmaakte. En soms, als ze met haar armen om haar knieën heen aan het kookvuur zat en de vlammen in haar rode haar weerkaatsten en ze hem aankeek en alleen maar glimlachte… welnu, dat maakte ook dingen in hem los.

Maar hij was een man van de Nachtwacht, hij had een gelofte afgelegd. Ik zal geen vrouw nemen, geen grondgebied bezitten, geen kinderen verwekken. Hij had die woorden uitgesproken voor de weirboom, ten overstaan van zijn vaders goden. Hij kon ze niet ongezegd maken… evenmin als hij aan Tormund Dondervuist, Berengemaal, kon bekennen waarom hij zo terughoudend was.

‘Bevalt het meisje je niet?’ vroeg Tormund hem, terwijl ze nog twintig mammoets passeerden, nu met wildlingen in hoge houten torens op hun rug in plaats van reuzen.

‘Nee, maar ik…’ Wat kan ik zeggen dat hij zal geloven? ‘Ik ben nog te jong om te trouwen.’

‘Trouwen?’ Tormund lachte. ‘Wie zegt er iets over trouwen? Moet een man in het zuiden trouwen met alle meisjes met wie hij het bed deelt?’

Jon merkte dat hij weer rood werd. ‘Ze nam het voor me op toen Ratelhemd mij wilde doden. Ik wil haar niet onteren.’

‘Je bent nu een vrij man, en Ygritte is een vrije vrouw. Als jullie de liefde bedrijven heeft dat toch niets onterends?’

‘Ik zou haar zwanger kunnen maken.’

‘Dat mag ik wel hopen, ja. Een sterke zoon of een pittig, lachend meisje, door vuur gekust, en wat schuilt daar voor kwaad in?’

Even lieten de woorden hem in de steek. ‘De jongen… het kind zou een bastaard zijn.’

‘Zijn bastaarden zwakker dan andere kinderen? Ziekelijker, meer tot falen geneigd?’

‘Nee, maar…’

‘Je bent zelf als bastaard geboren. En als Ygritte geen kind wil gaat ze wel naar een woudheks om een kop maanthee te drinken. Jij hebt verder geen inbreng, als het zaad eenmaal wortel geschoten heeft.’

‘Ik wil géén bastaard verwekken.’

Tormund schudde zijn ruige hoofd. ‘Wat zijn jullie knielers een dwazen. Waarom heb je het meisje gestolen als je haar niet wilt?’

‘Gestólen? Ik heb nooit…’

‘Wel degelijk,’ zei Tormund. ‘Je hebt haar twee metgezellen gedood en haar meegenomen, hoe noem jij dat dan?’

‘Ik heb haar gevangengenomen.’

‘Je hebt haar tot overgave gedwongen.’

‘Ja, maar… Tormund, ik zweer je dat ik haar niet heb aangeraakt.’

‘Weet je zéker dat ze je lid er niet afgehakt hebben?’ Tormund haalde zijn schouders op, als om te zeggen dat hij dit soort waanzin nooit zou begrijpen. ‘Nou ja, je bent nu een vrij man, maar als je het meisje niet wilt moet je toch maar een berin zoeken, want als een man zijn lid niet gebruikt wordt het steeds kleiner, totdat hij het op een dag niet meer kan vinden als hij wil piesen.’

Daar had Jon geen antwoord op. Niet zo verwonderlijk dat men in de Zeven Koninkrijken het vrije volk nauwelijks menselijk achtte. Ze hebben geen wetten, geen eer en zelfs geen doodgewoon fatsoen. Ze bestelen elkaar eindeloos, fokken als beesten, prefereren verkrachting boven het huwelijk en zetten allemaallaaggeboren kinderen op de wereld. Toch begon hij Tormund Reuzendoder steeds meer te mogen, al was hij een windbuil vol leugens. Langspeer ook. En Ygritte… nee, ik wil niet aan Ygritte denken.

Naast de Tormunds en de Langsperen reed echter ook een ander soort wildling, mannen als Ratelhemd en de Huiler, die je net zo makkelijk aan het spit zouden rijgen als ze op je zouden spugen. Je had Harma de Hondenkop, een gedrongen, tonronde vrouw met wangen als lappen wit vlees, die een hekel aan honden had en er iedere twee weken één afmaakte om een verse kop voor haar banier te hebben. Je had Styr, de man zonder oren, Magnar van Thenn, die door zijn eigen volk eerder als een god dan als een heer werd beschouwd, Varamyr Zesvachten, een muis van een man met als rijdier een wilde sneeuwbeer die dertien voet hoog was als hij op zijn achterpoten stond. En overal waar ze gingen of stonden werden de beer en Varamyr op de voet gevolgd door drie wolven en een schaduwkat. Jon was een keer bij hem in de buurt geweest, en die ene keer was genoeg geweest. Alleen al bij de aanblik van de man waren de haren hem te berge gerezen, zoals Spooks haren overeind waren gaan staan bij het zien van de beer en die langgerekte, zwartwitte katachtige.

En er waren nog grotere woestelingen dan Varamyr, afkomstig uit de noordelijkste delen van het spookwoud, de verborgen valleien van de Vorstkaken en nog vreemdere oorden: de mannen van de Bevroren Kust die in strijdwagens van walvisbeen reden, getrokken door meutes woeste honden, de vreselijke clans van de ijsrivier die zich naar men zei te goed deden aan mensenvlees, de holbewoners met hun blauw, paars en groen geschilderde gezichten. Met eigen ogen had Jon een colonne Hoornvoeters voorbij zien stappen op blote voeten met zolen als gehard leer. Hij had geen snaaien of gnurkers gezien, maar je kon nooit weten of Tormund er daar niet een paar van nuttigde voor het avondeten.

De helft van het wildlingenleger had nooit van zijn leven zelfs maar een glimp van de Muur gezien, schatte Jon, en de meesten spraken geen woord van de Gewone Spreektaal. Het deed er niet toe. Mans Roover sprak de Oude Taal en zong er zelfs in. Dan liet hij zijn vingers over zijn luit glijden en vulde de nacht met vreemde, wilde muziek.

Mans had er jaren over gedaan deze uitgestrekte, voortzwoegende legermacht bijeen te brengen, door hier met een clanmoeder en daar met een magnar te spreken en het ene dorp met zoete woorden, het tweede met een lied en het derde met het scherp van de snede voor zich te winnen. Hij had vrede gesticht tussen Harma de Hondenkop en de Beenderheer, tussen de Hoornvoeters en de Nachtrenners, tussen de walrusmannen van de Bevroren Kust en de kannibalenclans van de grote ijsrivieren. Zo had hij honderd verschillende dolken samengesmeed tot één grote speer die op het hart van de Zeven Koninkrijken gericht was. Hij had geen kroon of scepter, geen gewaden van zijde en fluweel, maar het was Jon zonneklaar dat Mans Roover niet alleen in naam koning was.

Jon had zich op bevel van Qhorin Halfhand bij de wildlingen aangesloten. ‘Rijd met hen, eet met hen, vecht met hen,’ had de wachtruiter hem bevolen in de nacht voor zijn dood. ‘En kijk.’ Maar van al dat kijken was hij weinig wijzer geworden. De Halfhand had vermoed dat de wildlingen de naargeestige, dorre Vorstkaken over waren getrokken op zoek naar een of ander wapen, een of andere kracht, een gruwelijke magie waarmee ze door de Muur heen wilden breken… maar als ze iets van dien aard hadden gevonden schepte niemand er openlijk over op of liet er tegenover Jon iets van blijken. Noch had Mans Roover hem iets van zijn plannen of strategieën toevertrouwd. Sinds die eerste avond had hij de man nauwelijks gezien, behalve van een afstand.

Als het moet dood ik hem. Dat vooruitzicht stemde Jon niet vrolijk, want zo’n moord was oneervol en zou bovendien zijn dood worden. Toch kon hij niet toestaan dat de wildlingen door de Muur heen braken om Winterfel en het noorden te bedreigen, de Terplanden en de Rillen, Withaven en de Stenige Kust, en zelfs de Nek. Achtduizend jaar lang hadden de mannen van het huis Stark hun volk op leven en dood tegen zulke plunderaars en verwoesters verdedigd. Bran en Rickon zijn bovendien nog op Winterfel. Maester Luwin, ser Rodrik, ouwe Nans, Parlen de kennelmeester, Mikken in zijn smidse en Gies bij zijn ovens… iedereen die ik heb gekend, iedereen van wie ik ooit heb gehouden. Als Jon een man die hij half bewonderde en bijna mocht, zou moeten doden om te voorkomen dat ze aan de genade van Ratelhemd, Harma de Hondenkop en de oorloze Magnar van Thenn overgeleverd zouden zijn, dan zou hij het doen.

Toch bad hij tot zijn vaders goden of ze hem die onaangename taak wilden besparen. Het leger schoot maar langzaam op omdat de wildlingen de last van hun kudden, hun kinderen en hun armzalige kleine schatten meesleepten en de sneeuwval hun voortgang nog meer belemmerde. Het merendeel van de colonne had nu de uitlopers van de bergen achter zich en droop als honing op een koude winter ochtend langs de westelijke oever van het Melkwater omlaag. Ze volgden de loop van de rivier naar het hart van het spookwoud.

En niet ver voor hen uit, wist Jon, rees ergens de Vuist van de Eerste Mensen boven de bomen uit, waar driehonderd zwarte broeders van de Nachtwacht huisden, gewapend en bereden, en in afwachting. De ouwe Beer had behalve de Halfhand nog meer verkenners op pad gestuurd, en Jarmen Bokwel of Thoren Smalhout zouden inmiddels al wel gerapporteerd hebben wat er uit de bergen omlaag kwam.

Mormont gaat er niet vandoor, dacht Jon. Hij is te oud en komt van te ver. Hij zal toeslaan en de overmacht aan zijn laars lappen. Op een dag in de nabije toekomst zou hij het geluid van krijgshoorns horen en zien hoe een colonne ruiters met wapperende zwarte mantels en koud staal in de hand op hen af daverde. Driehonderd mannen konden natuurlijk niet verwachten een honderdvoudige overmacht te doden, maar dat zou ook niet nodig zijn, dacht Jon. Hij hoeft er geen duizend te doden, maar slechts een. Ze worden uitsluitend door Mans bij elkaar gehouden.

De Koning-achter-de-Muur deed alles wat hij kon, maar toch bleven de wildlingen hopeloos ongedisciplineerd, en dat maakte hen kwetsbaar. Hier en daar in de vele mijlen lange slang die hun marslinie vormde bevonden zich krijgers die even fel waren als wie dan ook in de Wacht, maar ruim een derde daarvan was aan de beide uiteinden van de colonne gegroepeerd, in de voorhoede van Harma de Hondenkop en in de woeste achterhoede met zijn reuzen, oerossen en vuurslingeraars. Nog een derde reed bij Mans Roover zelf in het centrum om de wagens, sleden en hondenkarren te bewaken waarmee het merendeel van de proviand en de voorraden van het leger werd vervoerd, alles wat restte van de oogst van de afgelopen zomer. De rest, onderverdeeld in kleine bendes onder aanvoering van lieden als Ratelhemd, Jarl, Tormund Reuzendoder en de Huiler, dienden als begeleiders, fourageurs en aanjagers die eindeloos langs de colonne heen en weer galoppeerden om te zorgen dat die zich min of meer ordelijk voortbewoog.

En nog veelzeggender, maar één op de honderd wildlingen was te paard. Daar gaat de ouwe Beer doorheen als een bijl door de pap. En als dat zou gebeuren zou Mans Roover hem met zijn centrum moeten achtervolgen om te proberen de angel eruit te trekken. Als hij in het daaropvolgende gevecht zou sneuvelen, zou de Muur de komende honderd jaar weer veilig zijn, meende Jon. En zo niet…

Hij kromde de verbrande vingers van zijn zwaardhand. Langklauw was aan zijn zadel bevestigd. De zwaardknop, een uit steen gesneden wolvenkop, en de zachte leren greep van het grote bastaardzwaard, waren voor het grijpen.

Toen ze enkele uren later Tormunds bende inhaalden sneeuwde het hevig. Onderweg ging Spook ervandoor en verdween het bos in, waar hij een prooi rook. De schrikwolf zou wel weer terugkomen als ze hun kamp voor de nacht opsloegen, of op zijn laatst tegen de ochtend. Hoe ver weg hij ook zwierf, Spook kwam altijd terug… en Ygritte ook, naar het scheen.

‘Zo,’ riep het meisje toen ze hem zag, ‘geloof je ons nu, Jon Sneeuw? Heb je de reuzen op hun mammoets gezien?’

‘Ha!’ schreeuwde Tormund, voordat Jon antwoord kon geven. ‘Onze kraai is verliefd geworden. Hij wil er een als vrouw!’

‘Een reuzin?’ lachte Langspeer Ryk.

‘Nee, een mammoet!’ bulderde Tormund. ‘Ha!’

Ygritte kwam naast Jon rijden toen die de snelheid van zijn garron tot stapvoets terugbracht. Ze beweerde dat ze drie jaar ouder was dan hij, al was ze een halve voet korter. Maar wat haar leeftijd ook was, het meisje was een taai klein ding. Steens lang had haar een ‘speervrouw’ genoemd toen ze haar in de Snerpende Pas gevangen hadden genomen. Ze was niet getrouwd en haar favoriete wapen was een korte, kromme boog van hoorn en weirhout, maar ‘speervrouw’ paste wel bij haar. Ze deed hem een beetje aan zijn zusje Arya denken, al was Arya jonger en waarschijnlijk dunner. Hoe mollig of mager Ygritte was viel moeilijk te zeggen met al die vachten en huiden die ze droeg.

‘Ken jij “De laatste reus?” ’ Zonder op antwoord te wachten zei Ygritte: ‘Je kunt het alleen echt goed zingen als je stem zwaarder is dan de mijne.’ Toen zong ze: ‘Ach, ik ben de laatste der reuzen, mijn volk, het is niet meer.’

Tormund Reuzendoder hoorde de woorden en grijnsde. ‘De laatste grote bergreus, van de heersers van weleer,’ bulderde hij door de sneeuw heen terug.

Langspeer Ryk viel in en zong: ‘Het kleinvolk ontstal me mijn heuvels, mijn stromen en mijn woud.’

‘Het viste mijn vis weg en heeft er door mijn dalen een muur gebouwd,’ beantwoordden Ygritte en Tormund om de beurt zijn gezang, met bijpassende reuzenstemmen.

Tormunds zoons Toreg en Dormund vielen in met hun basstemmen, en vervolgens zijn dochter Munda, en de rest. Anderen begonnen met hun speren op hun leren schilden ruwweg de maat te slaan, totdat de hele krijgsbende al zingend voortreed.

Hun vuur brandt in stenen zalen;
in smidsen worden hun speren gewet.
Maar ik zwerf alleen door de bergen,
en tranen begeleiden mijn eenzame tred.
Ze jagen op mij, met honden bij licht,
bij donker met toortsen voor beter zicht.
Want zij zijn klein, en dat zullen ze zijn
tot de laatste der reuzen terneer geveld ligt.
Gedenk dan de woorden van dit gezang:
zodra ik verdwenen ben zal het vervagen
en duurt de stilte eindeloos lang.

Op Ygrittes wangen blonken tranen toen het lied afgelopen was.

‘Waarom huil je?’ vroeg Jon. ‘Het was maar een lied. Er zijn honderden reuzen, ik heb ze zojuist gezien.’

‘Ach, honderden,’ zei ze woedend. ‘Jij weet ook niks, Jon Sneeuw. Je — JON!’

Op het plotselinge geluid van vleugels draaide Jon zich om. Grijsblauwe veren verblindden zijn ogen, terwijl scherpe klauwen zich in zijn gezicht boorden. Een felle rode pijn vlijmde abrupt door hem heen en slagpennen zwiepten tegen zijn hoofd. Hij zag de snavel, maar had geen tijd meer om zijn hand op te steken of naar een wapen te grijpen. Jon kantelde achterover, hij verloor zijn stijgbeugels, zijn garron sloeg in paniek op hol, en toen viel hij. En nog klemde de adelaar zich aan zijn gezicht vast en reet hem open met zijn klauwen, klapwiekend, krijsend en pikkend. In een chaos van veren, paardenlijf en bloed wentelde de wereld zich ondersteboven en kwam de grond omhoog om hem te verpletteren.

Het volgende waar hij zich van bewust werd was dat hij op zijn gezicht lag met de smaak van modder en bloed in zijn mond en dat Ygritte beschermend naast hem knielde met een benen dolk in haar hand. Hij hoorde nog steeds vleugels, al was de adelaar uit het zicht. De helft van zijn wereld was zwart. ‘Mijn oog,’ zei hij, plotseling in paniek, en bracht een hand naar zijn gezicht.

‘Het is maar bloed, Jon Sneeuw. Hij heeft je oog gemist en alleen maar je vel wat opengehaald.’

Zijn gezicht bonsde. Naast hem rees Tormund bulderend op, zag hij met zijn rechter oog, terwijl hij het bloed uit het linker wegveegde. Daarna klonk er hoefgetrappel, geschreeuw en het rammelen van oude, uitgedroogde botten.

‘Bottenzak,’ brulde Tormund, ‘roep je hellekraai bij jel’

‘Daar ligt je hellekraai!’ Ratelhemd wees naar Jon. ‘Ligt als een trouweloze hond te bloeden in de modder.’ De adelaar daalde fladderend neer op de kapotte reuzenschedel die hem tot helm diende. ‘Ik ben hier om hem te halen.’

‘Kom hem dan maar halen,’ zei Tormund, ‘maar doe het wel met het zwaard in de hand, want daar zul je ook het mijne aantreffen. Wie weet kook ik jouw botten wel en gebruik ik je schedel als pispot.’

‘Als ik in je prik en de lucht eruit laat lopen ben je straks nog kleiner dan die meid daar. Opzij, of Mans Roover zal ervan horen!’

Ygritte ging staan. ‘Wat, wil Mans dat hij komt?’

‘Dat zei ik toch? Zet hem overeind op die zwarte poten van hem.’

Tormund keek fronsend op Jon neer. ‘Als Mans wil dat je komt kun je maar beter gaan.’

Ygritte hielp hem opstaan. ‘Hij bloedt als een geslacht zwijn. Kijk nou eens wat Orel met zijn knappe gezicht heeft gedaan.’

Kan een vogel haten? Jon had de wildling Orel gedood, maar een deel van de man school nog in de adelaar. De gouden ogen zagen met kille kwaadaardigheid op hem neer. ‘Ik kom,’ zei hij. Het bloed bleef in zijn linkeroog lopen, en zijn wang brandde van de pijn. Toen hij hem betastte werd zijn zwarte handschoen rood gevlekt. ‘Laat me eerst mijn garron vangen.’ Hij wilde niet zozeer het paard als wel Spook, maar de schrikwolf was nergens te bekennen. Hij kan inmiddels wel vele mijlen ver weg zijn, bezig een eland de keel af te bijten. Dat was misschien wél zo goed.

De garron deinsde achteruit toen hij op hem afliep, ongetwijfeld schichtig gemaakt door het bloed op zijn gezicht, maar Jon kalmeerde hem met een paar sussende woordjes en wist ten slotte dicht genoeg bij hem te komen om de teugels te pakken. Toen hij weer opsteeg tolde zijn hoofd. Ik zal dit moeten laten behandelen, dacht hij, maar nu nog niet. Laat de Koning-achter-de-Muur maar zien wat zijn adelaar met mij heeft uitgehaald. Zijn rechterhand opende en sloot zich en hij reikte omlaag naar Langklauw en slingerde het bastaardzwaard over één schouder voordat hij omkeerde om terug te draven naar de wachtende Beenderheer en zijn bende.

Ygritte wachtte ook, te paard gezeten en met een felle blik in de ogen. ‘Ik ga ook mee.’

‘Smeer ‘em.’ De botjes van Ratelhemds borstpantser tikten tegen elkaar. ‘Ik ben gestuurd om die uit de lucht gevallen kraai te halen, en niemand anders.’

‘Een vrije vrouw rijdt waarheen ze wil,’ zei Ygritte.

De wind blies sneeuw in Jons ogen. Hij voelde het bloed op zijn gezicht bevriezen. ‘Gaan we praten of rijden?’

‘Rijden,’ zei de Beenderheer.

Het was een onplezierige galop. Door rondwarrelende sneeuw reden ze twee mijl terug langs de colonne, maakten een afsteker door een kluwen bagagekarren en plonsden het Melkwater door, dat daar een grote lus naar het oosten maakte. Op de ondiepten zat een dun laagje ijs waar de hoeven van hun paarden bij elke stap doorheen braken, totdat ze een pas of tien van de oever in dieper water kwamen. Op de oostelijke oever leken de vlokken nog sneller te vallen, en de sneeuwbanken waren ook dieper. Zelfs de wind is kouder. En bovendien viel de nacht.

Maar zelfs door de sneeuwjacht heen was onmiskenbaar de omtrek te zien van de grote witte heuvel die boven de bomen uitrees. De Vuist van de Eerste Mensen. Boven zich hoorde Jon de adelaar krijsen. Een raaf keek omlaag vanuit een krijgsden en maakte een klokkend geluid toen hij langsreed. Was de ouwe Beer tot de aanval overgegaan? In plaats van gekletter van staal en het gezoef van pijlen door de lucht hoorde Jon slechts het zachte geknars van bevroren sneeuw onder de hoeven van zijn garron.

In stilte reden ze om de heuvel heen naar de zuidflank, die het best toegankelijk was. Daar zag Jon het dode paard onder aan de helling op de grond liggen, half onder de sneeuw. De ingewanden kronkelden als bevroren slangen uit de buik van het dier en een van de benen was eraf. Wolven, was het eerste wat Jon dacht, maar dat kon niet. Wolven vraten hun prooi op.

Op de helling lagen nog meer garrons verspreid, hun benen grotesk verwrongen en starend uit blinde, dode ogen. De wildlingen kropen er als vliegen overheen en ontdeden ze van zadels, tuig, bepakking en bepantsering, waarna ze ze met stenen bijlen aan stukken hakten.

‘Naar boven,’ zei Ratelhemd. ‘Mans is op de top.’

Buiten de ringwal stegen ze af en wrongen zich door een scheve opening tussen de stenen heen. Op de gepunte staken die de ouwe Beer achter alle toegangen had laten plaatsen stak het karkas van een ruige bruine garron. Die probeerde eruit te komen, niet erin. Van een berijder was geen spoor te bekennen.

Binnen was nog meer te zien, en nog erger. Jon had nooit eerder roze sneeuw gezien. De wind joeg in vlagen om hem heen en rukte aan zijn zware mantel van schapenvacht. Raven fladderden van het ene dode paard naar het andere. Zijn dat wilde raven, of de onze? Jon zou het niet weten. Hij vroeg zich af waar de arme Sam nu was. En wát hij was.

Een korst bevroren bloed kraakte onder de hak van zijn laars. De wildlingen ontdeden de dode paarden van de kleinste restjes staal en leer en wrikten zelfs de ijzers van hun hoeven. Een paar doorzochten de gevonden bepakkingen op wapens en voedsel. Jon kwam langs een van de honden van Chet, of wat er nog restte van het beest, dat in een blubberige plas half bevroren bloed lag.

Aan de andere kant van het kamp stonden nog wat tenten overeind, en daar troffen ze Mans Roover aan. Onder zijn gescheurde mantel van zwarte wol en rode zijde droeg hij een zwarte maliënkolder en een ruige pelsbroek, en op zijn hoofd zat een grote helm van brons en ijzer met ravenvleugels op de slapen. Jarl was bij hem, en Harma de Hondenkop, en ook Styr en Varamyr Zesvachten met zijn wolven en zijn schaduwkat.

De blik die Mans Jon toewierp was grimmig en kil. ‘Wat is er met je gezicht gebeurd?’

Ygritte zei: ‘Orel heeft geprobeerd hem een oog uit te pikken.’

‘Ik vroeg het aan hem. Is hij zijn tong kwijt? Misschien moeten we hem er maar van ontdoen, om onszelf nog meer leugens te besparen.’

Styr de Magnar trok een lang mes. ‘Wie weet ziet die jongen met één oog wel beter dan met twee.’

‘Wil je je oog graag houden?’ vroeg de Koning-achter-de-Muur. ‘Zo ja, vertel me dan met hoeveel ze waren. En probeer ditmaal de waarheid te spreken, bastaard van Winterfel.’

Jons keel was droog. ‘Heer… wat…’

‘Ik ben je heer niet,’ zei Mans. ‘En wát, dat is duidelijk genoeg. Je broeders zijn dood. De vraag is, hoeveel?’

Jons gezicht bonsde, de sneeuw bleef maar vallen, en het denken viel hem zwaar. Niet terugdeinzen, wat ze ook van je vragen, had Qhorin tegen hem gezegd. Hij stikte bijna in zijn woorden, maar hij dwong zichzelf om te zeggen: ‘We waren met driehonderd man.’

‘We?’ zei Mans scherp.

‘Zij. Ze waren met driehonderd man.’ Wat ze ook van je vragen, zei de Halfhand. Dus waarom voel ik me zo laf? ‘Tweehonderd uit Slot Zwart en honderd uit de Schaduwtoren.’

‘Nu zing je een waar lied, anders dan in mijn tent.’ Mans keek naar Harma de Hondenkop. ‘Hoeveel paarden hebben we gevonden?’

‘Meer dan honderd,’ antwoordde de kolossale vrouw, ‘minder dan tweehonderd. Inhet oosten liggen nog meer lijken, onder de sneeuw, hoeveel valt moeilijk te zeggen.’ Achter haar stond haar vaandrager, met een stok met de kop van een hond erop, zo vers dat er nog bloed uit drupte.

‘Je had me niet moeten voorliegen, Jon Sneeuw,’ zei Mans.

‘Ik… dat weet ik.’ Wat kon hij anders zeggen?

De wildlingenkoning keek nauwlettend naar zijn gezicht. ‘Wie voerde hier het bevel? En de waarheid nu. Was het Rykker? Smalhout? Niet Welck, die is te zwak. Wiens tent was dit?’

Ik heb te veel gezegd. ‘Hebt u zijn lijk niet gevonden?’

Harma snoof. De minachting dampte wit uit haar neusgaten. ‘Wat zijn die zwarte kraaien een dwazen.’

‘Als je mij nog eens antwoord geeft met een vraag geef ik je aan mijn Beenderheer,’ beloofde Mans Jon. Hij kwam dichterbij staan. ‘Wie was hier de aanvoerder?’

Nog één stapje, dacht Jon. Nog één voet. Zijn hand schoof dichter naar het gevest van Langklauw toe. Als ik mijn mond houd…’ Als je naar dat bastaardzwaard grijpt hak ik je bastaardkop eraf voordat je het getrokken hebt,’ zei Mans. ‘Mijn geduld raakt steeds sneller op, kraai.’

‘Zeg het nou,’ drong Ygritte aan. ‘Hij is toch dood, wie het ook was.’

Toen hij fronste, barstte de bloedkorst op zijn wang. Dit is te moeilijk, dacht Jon wanhopig. Hoe moet ik voor overloper spelen zonder er een te worden? Dat had Qhorin hem niet verteld. Maar de tweede stap is altijd makkelijker dan de eerste. ‘De ouwe Beer.’

‘Die ouwe kerel?’ Harma’s toon verried dat ze hem niet geloofde. ‘Is die zelf gekomen? Wie voert dan het bevel in Slot Zwart?’

‘Bouwen Mars.’ Ditmaal gaf Jon onmiddellijk antwoord. Niet terugdeinzen, wat ze ook van je vragen.

Mans lachte. ‘Als dat zo is hebben we onze oorlog al gewonnen. Bouwen kan veel beter zwaarden tellen dan zwaarden hanteren.’

‘De ouwe Beer voerde het bevel,’ zei Jon. ‘Dit was een hooggelegen sterkte, en hij had hem nog verder versterkt. Hij heeft kuilen laten graven en staken laten plaatsen, en voorraden voedsel en water aangelegd. Hij was klaar voor…’

‘… mij?’ maakte Mans Roover de zin af. ‘Jazeker, dat was hij. Als ik dwaas genoeg was geweest om deze heuvel te bestormen had ik voor iedere gesneuvelde kraai vijf man kunnen verliezen, en dan had ik nog geluk gehad.’ Zijn mond werd hard. ‘Maar als de doden rondwaren hebben wallen, staken en zwaarden niets te betekenen. Geen mens weet dat zelfs maar half zo goed als ik.’ Hij keek op naar de donkerder wordende hemel en zei: ‘De kraaien hebben ons misschien meer geholpen dan ze weten. Ik vroeg me al af waarom we niet aangevallen werden. Maar we hebben nog een paar honderd mijl te gaan, en het wordt kouder. Varamyr, laat je wolven die geesten opsporen, ik wil niet dat ze ons onverhoeds overvallen. Beenderheer, verdubbel alle patrouilles, en zorg dat iedereen een toorts en vuursteen heeft. Styr, Jarl, jullie vertrekken met het eerste licht.’

‘Mans,’ zei Ratelhemd, ‘ik wil een paar kraaienbotten.’

Ygritte ging voor Jon staan. ‘Je kunt iemand niet doden omdat hij gelogen heeft om zijn vroegere broeders te beschermen.’

‘Het zijn nog steeds zijn broeders,’ verklaarde Styr.

‘Dat zijn ze niét,’ hield Ygritte vol. ‘Hij heeft mij toch niet gedood, zoals ze hem opdroegen? En de Halfhand heeft hij wel gedood, dat hebben we allemaal gezien.’

Jons adem dampte in de lucht. Als ik hem voorlieg komt hij erachter. Hij keek Mans Roover recht in de ogen en opende en sloot zijn verbrande hand. ‘Ik draag de mantel die ik van u heb gekregen, uwe genade.’

‘Een mantel van schapenvacht!’ zei Ygritte. ‘En daar dansen we menige nacht onder!’

Jarl lachte, en Harma de Hondenkop meesmuilde. ‘Zit het zo, Jon Sneeuw?’ vroeg Mans Roover mild. ‘Zij en jij?’

Achter de Muur raakte je gemakkelijk de weg kwijt. Jon wist niet of hij het verschil tussen eer en schande nog wel wist. Vergeef me, vader. ‘Ja,’ zei hij.

Mans knikte. ‘Goed. Dan ga je morgen met Jarl en Styr mee. Jullie allebei. Het zij verre van mij, twee harten te scheiden die slaan als één.’

‘Waarheen?’ zei Jon.

‘De Muur over. Het is hoog tijd dat je ons je trouw bewijst met meer dan woorden alleen, Jon Sneeuw.’

De Magnar was hier niet blij mee. ‘Wat moet ik met een kraai?’

‘Hij kent de Wacht en hij kent de Muur,’ zei Mans, ‘en hij kent Slot Zwart beter dan welke rover ook. Als je niet kunt bedenken waar hij goed voor is ben je een dwaas.’

Styr keek nijdig. ‘Zijn hart is misschien nog steeds zwart.’

‘Dan ruk je het uit.’ Mans keerde zich naar Ratelhemd toe. ‘Beenderheer, houd de colonne tot iedere prijs in beweging. Als we de Muur eerder bereiken dan Mormont hebben we gewonnen.’

‘Ze zullen in beweging blijven,’ zei Ratelhemd met een van woede verstikte stem.

Mans knikte en liep weg, samen met Harma en Zesvachten. Varamyrs wolven en zijn schaduwkat volgden. Jon en Ygritte bleven achter met Jarl, Ratelhemd en de Magnar. De twee oudere wildlingen staarden Jon met nauw verholen wrok aan en Jar! zei: ‘Je hoort het, we vertrekken met zonsopgang. Neem zoveel mogelijk voedsel mee, want we zullen geen tijd hebben om te jagen. En laat iets aan je gezicht doen, kraai. Al dat bloed is een smerig gezicht.’

‘Ik zal het doen,’ zei Jon.

‘Ik hoop voor jou dat je niet liegt, meisje,’ zei Ratelhemd tegen Ygritte. Zijn ogen blonken in de reuzenschedel.

Jon trok Langklauw. ‘Laat ons met rust, als je niet net zo wilt eindigen als Qhorin.’

‘Je hebt hier je wolf niet om je te helpen, jochie.’ Ratelhemd tastte naar zijn eigen zwaard.

‘Zou je denken?’ Ygritte lachte.

Boven op de stenen van de ringmuur zat Spook, ineengedoken, zijn witte vacht recht overeind. Hij maakte geen enkel geluid, maar zijn donkerrode ogen spuwden bloed. De Beenderheer haalde zijn hand langzaam bij zijn zwaard vandaan, deed een stap achteruit en liep vloekend weg.

Spook stapte naast hun garrons voort toen Jon en Ygritte van de Vuist afdaalden. Pas halverwege het Melkwater voelde Jon zich veilig genoeg om te zeggen: ‘Ik had je niet gevraagd om voor me te liegen.’

‘Heb ik ook niet gedaan,’ zei ze. ‘Alleen iets weggelaten.’

‘Je zei…’

‘…dat we ’s nachts vaak liggen te neuken onder jouw mantel.

Maar ik zei niet wanneer we daarmee begonnen zijn.’ Het lachje dat ze hem toewierp was bijna verlegen. ‘Zoek vannacht een andere slaapplaats voor Spook, Jon Sneeuw. Wat Mans Roover zei is waar. Geen woorden, maar daden.’

Sansa

Een nieuwe japon?’ zei ze, even argwanend als verbaasd. ‘Mooier dan u ooit hebt gedragen, jonkvrouwe,’ beloofde de oude vrouw. Ze mat Sansa’s heupen met een stuk touw met knopen. ‘Helemaal van zijde en Myrische kant en afgebiesd met satijn. Hij zal u prachtig staan. De koningin zelf heeft er opdracht toe gegeven.’

‘Welke koningin?’ Marjolij was nog niet Joffs koningin maar ze was wel die van Renling geweest. Of bedoelde ze de Doornenkoningin? Of…

‘De regentes, natuurlijk.’

‘Koningin Cersei?’

‘Hoogstpersoonlijk. Zij vereert mij al menig jaar met haar klandizie.’ De oude vrouw spande haar touw langs de binnenkant van Sansa’s been. ‘Hare genade zei tegen mij dat u nu een vrouw bent en u niet meer als een klein meisje moest kleden. Steekt u even uw arm uit.’

Sansa tilde haar arm op. Ze had inderdaad een nieuwe japon nodig. Het afgelopen jaar was ze drie duim gegroeid, en haar oude garderobe was grotendeels bedorven door de rook toen ze op de dag van haar ontbloeiing had geprobeerd haar matras te verbranden.

‘U krijgt net zo’n mooie boezem als de koningin,’ zei de oude vrouw, terwijl ze haar touw om Sansa’s borst sloeg. ‘Die moet u niet zo wegstoppen.’

Die opmerking deed haar blozen. Maar de laatste keer dat ze uit rijden was gegaan had ze haar buis niet helemaal tot bovenaan kunnen dichtrijgen, en de staljongen had haar aangegaapt toen hij haar had helpen opstijgen. Soms betrapte ze ook volwassen mannen erop dat ze naar haar borst staarden, en sommige van haar tunieken zaten zo strak dat ze er bijna geen adem in kreeg.

‘Welke kleur krijgt die japon?’ vroeg ze aan de naaister.

‘Laat u de kleuren maar aan mij over, jonkvrouwe. Ik weet zeker dat het resultaat u zal bevallen. U krijgt ook kleingoed en kousen, overrokken, jakjes en mantels, en al het andere wat past bij een… een lieftallige jonkvrouwe van edele geboorte.’

‘Zijn ze op tijd klaar voor de bruiloft van de koning?’

‘O, eerder, veel eerder, daar staat hare genade op. Ik heb zes naaisters en twaalf leerling-naaistertjes, en hiervoor hebben we al ons andere werk opzij gelegd. Veel dames zullen boos op ons zijn, maar de koningin heeft het zo bevolen.’

‘Wilt u hare genade vriendelijk bedanken voor haar goede zorgen?’ zei Sansa beleefd. ‘Ze is al te goed voor me.’

‘Hare genade is heel royaal,’ beaamde de naaister. Ze verzamelde haar spullen en vertrok.

Maar waarom? vroeg Sansa zich af toen ze alleen was. Ze werd er zenuwachtig van. Ik wed dat Marjolij achter die japon steekt, of haar grootmoeder.

Marjolij was onveranderlijk aardig gebleven en haar aanwezigheid veranderde alles. Bij haar jonkvrouwen was Sansa ook welkom. Het was al zo lang geleden dat haar het gezelschap van andere vrouwen vergund was dat ze bijna was vergeten hoe leuk dat kon zijn. Vrouwe Leonette gaf haar les op de hoge harp en vrouwe Janna maakte haar deelgenoot van alle verrukkelijke roddels. Merij eraan wist altijd wel een grappig verhaal te vertellen en de kleine jonkvrouwe Bolver deed haar aan Arya denken, al was ze minder wild.

Het dichtst bij Sansa’s eigen leeftijd kwamen de nichtjes Elinor, Alla en Megga, Tyrels uit de jongere takken van het huis. ‘Rozen die lager aan de struik groeien,’ grapte Elinor, die gevat en elegant was. Megga was rond en luidruchtig, Alla verlegen en leuk om te zien, maar Elinor,in haar hoedanigheid van volwassene, was de baas. Zij was al ontbloeid, terwijl Megga en Alla nog maar kinderen waren.

De nichtjes namen Sansa in hun gezelschap op alsof ze haar al hun hele leven kenden. Middagen lang zaten ze samen te borduren en te kletsen bij de citroenkoeken en de honingwijn, ze speelden ’s avonds een schijvenspel, zongen samen in de kasteelsept… en dikwijls werden ze, alleen of getweeën, uitverkoren om bij Marjolij in bed te slapen, waar ze dan de halve nacht lagen te fluisteren. Alla had een mooie stem en was na enige aandrang wel bereid op de houtharp te spelen en liedjes over ridderlijkheid en verloren liefdes te zingen. Megga kon niet zingen maar werd wel dolgraag gekust. Zij en Alla speelden soms samen een kusspelletje, bekende ze, maar dat was niet hetzelfde als een man kussen, laat staan een koning. Sansa vroeg zich af wat Megga ervan zou hebben gevonden om de Jachthond te moeten kussen, zoals zij. Hij was in de nacht van de slag bij haar gekomen, stinkend naar wijn en bloed. Hij kuste me en dreigde me te vermoorden en dwong me een lied voor hem te zingen.

‘Koning Joffry heeft zulke prachtige lippen,’ ratelde Megga, die niets in de gaten had, ‘ach, arme Sansa, je hart moet wel gebroken zijn toen je hem verloor. Wat zul je gehuild hebben.’

Joffry heeft me vaker aan het huilen gebracht dan jij weet, had ze het liefst gezegd, maar Boterbobbel was niet bij de hand om haar te overstemmen, dus klemde ze haar kaken op elkaar en hield haar mond.

Wat Elinor betrof, die was aan een jonge schildknaap beloofd, een zoon van heer Ambroos. Ze zouden trouwen zodra hij zijn sporen had verdiend. In de slag van het Zwartewater, waarin hij een kruisboogman uit Myr en een wapenknecht van de Muildoors had gedood, had hij haar gunstbewijs gedragen. ‘Alyn zegt dat haar gunstbewijs hem onbevreesd maakte,’ zei Megga. ‘Hij zegt dat hij haar naam als oorlogskreet heeft geschreeuwd, is dat niet hoofs? Ik wil te zijner tijd ook een kampioen die mijn gunstbewijs bij zich draagt en dan honderd man doodt.’ Elinor zei dat ze haar mond moest houden, maar ze leek het toch wel leuk te vinden.

Het zijn kinderen, dacht Sansa. Dwaze kleine meisjes, zelfs Elinor. Zij hebben nooit een veldslag gezien, ze hebben nooit een man zien sterven, ze weten niets. Hun dromen waren vervuld van liederen en verhalen, zoals de hare waren geweest voordat Joffry haar vaders hoofd liet afslaan. Sansa had met hen te doen. Sansa benijdde hen.

Maar Marjolij was anders. Ze was lief en vriendelijk, maar ze had toch ook iets van haar grootmoeder. Eergisteren had ze Sansa mee op valkenjacht genomen. Het was de eerste keer sinds de veldslag dat ze de stad uit was geweest. De doden waren verbrand of begraven, maar op de Modderpoort zaten nog de krassen en splinters van de stormrammen van heer Stannis en langs allebei de oevers van het Zwartewater waren de rompen van verbrijzelde schepen te zien, met geblakerde masten die als knokige zwarte vingers uit de ondiepten opstaken. Het enige wat nog voer was de platte veerschuit die hen over de rivier zette, en toen ze het koningswoud bereikten troffen ze daar een woestenij van as, houtskool en dode bomen aan. Maar in de moerassen langs de baai wemelde het van de watervogels en Sansa’s smelleken sloeg drie eenden, terwijl Marjolij’s slechtvalk een reiger in de vlucht verschalkte.

‘Willas heeft de beste vogels van de Zeven Koninkrijken,’ zei Marjolij toen ze even met z’n tweeën waren. ‘Soms jaagt hij met een adelaar. Je zult het nog wel zien, Sansa.’ Ze greep haar hand en gaf er een kneepje in. ‘Zuster.’

Zuster. Eens had Sansa ervan gedroomd een zus als Marjolij te hebben, mooi en aardig, met alle aangenaamheden ter wereld binnen handbereik. Arya was als zuster volkomen onbevredigend geweest. Hoe kan ik mijn zuster met Joffry laten trouwen? dacht ze, en ineens had ze tranen in haar ogen. ‘Marjolij, alsjeblieft,’ zei ze, ‘doe het niet.’ Ze kreeg het maar moeilijk over haar lippen. ‘Trouw niet met hem. Hij is anders dan hij lijkt. Hij zal je pijn doen.’

‘Dat denk ik niet.’ Marjolij glimlachte zelfverzekerd. ‘Het is dapper van je om me te waarschuwen, maar je hoeft niet bang te zijn. Joff is verwend en ijdel en hij is ongetwijfeld precies zo wreed als jij zegt, maar voordat hij met het huwelijk instemde heeft vader hem gedwongen, Loras in zijn Koningsgarde op te nemen. Ik zal dag en nacht beschermd worden door de beste ridder van de Zeven Koninkrijken, zoals prins Aemon Naerys beschermde. Dus ons kleine leeuwtje kan zich maar beter gedragen, nietwaar?’ Ze lachte en zei: ‘Kom, lieve zuster, we galopperen naar de rivier terug. Dan krijgen onze wachten de zenuwen.’ En zonder op antwoord te wachten drukte ze haar hakken in de flanken van haar paard en stoof weg.

Wat is ze toch dapper, dacht Sansa, terwijl ze erachteraan galoppeerde… en toch bleef de twijfel knagen. Ser Loras was een groot ridder, helemaal waar. Maar Joffry’s Koningsgarde had nog meer leden, en bovendien had hij goudmantels en roodmantels, en als hij ouder was zou hij zijn eigen legers bevelen. Aegon de Onwaardige had koning Naerys nooit een haar gekrenkt, misschien uit angst voor hun broer de Drakenridder… maar toen een ander lid van zijn Koningsgarde verliefd werd op een van zijn maîtresses had de koning allebei hun hoofden laten afslaan.

Ser Loras is een Tyrel, hield Sansa zichzelf voor. Die andere ridder was maar een Toyn. Zijn broers hadden geen legers, geen ander middel om hem te wreken dan hun zwaarden. Maar hoe meer ze erover nadacht, hoe meer ze twijfelde. Joff zal zich misschien een paar manen inhouden, misschien zelfs een heel jaar, maar vroeg of laat zal hij zijn klauwen laten zien, en dan… Het rijk zou een tweede Koningsmoordenaar kunnen krijgen, en er zou oorlog kunnen komen In de stad, waarbij de mannen van de leeuwen de mannen van de roos de goten rood zouden kleuren.

Het verbaasde Sansa dat Marjolij dat niet ook voorzag. Ze is ouder dan ik, dan zal ze ook wel wijzer zijn. En haar vader, heer Tyrel, die weet vast wel wat hij doet. Ik stel me gewoon aan als een dwaas.

Toen ze ser Dontos vertelde dat ze naar Hooggaarde zou gaan om met Willas Tyrel te trouwen dacht ze dat hij opgelucht zou zijn, en blij voor haar. In plaats daarvan greep hij haar arm en zei: ‘Dat kunt u niet doen!’ met een stem die even schor was van ontzetting als van de wijn. ‘Ik zeg u, die Tyrels zijn niets anders dan Lannisters met bloemen. Ik smeek u, vergeet die dwaasheid, geef uw Florian een kus en beloof me dat onze plannen doorgaan. De nacht van Joffry’s bruiloft, dat duurt niet zo lang meer. Draag het zilveren haarnet en doe wat ik u heb gezegd, dan kunnen we na afloop ontsnappen.’ Hij probeerde een kus op haar wang te drukken.

Sansa ontdook zijn greep en deed een stapje achteruit. ‘Dat doe ik niet. Dat kan ik niet. Het zou beslist misgaan. Toen ik wilde vluchten wou je me niet meenemen, en nu hoeft het niet meer.’

Dontos staarde haar dom aan. ‘Maar alles is al geregeld, schatje. Het schip dat u thuisbrengt, de boot die u naar het schip brengt, uw Florian heeft het allemaal al gedaan voor zijn lieve Jonquil.’

‘Het spijt me van alle moeite die ik je heb laten doen,’ zei ze, ‘maar ik heb geen boten en schepen meer nodig.’

‘Maar het dient allemaal om u in veiligheid te brengen.’

‘In Hooggaarde zal ik ook veilig zijn. Willas zal me beschermen.’

‘Maar hij kent u niet,’ hield Dontos aan, ‘en hij zal niet van u houden. Jonquil, Jonquil, open uw lieve ogen, die Tyrels geven niets om u. Ze willen trouwen met uw áánspraken.’

‘Mijn aanspraken?’ Even kon Sansa het niet volgen.

‘Schatje,’ zei hij, ‘u bent erfgename van Winterfel.’ Hij greep haar weer beet, smeekte haar om het niet te doen. Sansa rukte zich los en liet hem onder de hartboom staan, zwaaiend op zijn benen. Sindsdien was ze niet meer naar het godenwoud gegaan.

Maar evenmin was ze zijn woorden vergeten. Erfgename van Winterfel, dacht ze als ze ’s nachts in bed lag. Ze willen met uw aanspraken trouwen. Sansa was met drie broers opgegroeid. Ze had nooit verwacht dat ze ooit ergens aanspraken op zou hebben, maar nu Bran en Rickon dood waren… Het doet er niet toe, Robb is er nog, hij is nu een volwassen man, en hij zal binnenkort wel trouwen en een zoon krijgen. En Willas erft trouwens Hooggaarde, wat moet hij met Winterfel?

Soms fluisterde ze zijn naam in haar kussen, alleen maar om de klank te horen. ‘Willas, Willas, Willas.’ Eigenlijk was Willas net zo’n goede naam als Loras, bedacht ze. Ze klonken zelfs een beetje hetzelfde. Wat maakte dat been van hem nou uit? Willas zou heer van Hooggaarde worden, en zij zou zijn vrouwe zijn.

Ze stelde zich voor hoe ze samen in een tuin zaten met kleine hondjes op ‘schoot, of hoe ze luisterden naar een zanger die op een luit tokkelde, terwijl zij in een plezierbootje de Mander af voeren. Als ik hem zoons geef gaat hij misschien wel van me houden. Ze zou ze Eddard, Brandon en Rickon noemen en ze tot net zulke dappere mannen als ser Loras opvoeden. En ze de Lannisters leren haten, dat ook. In Sansa’s dromen leken haar kinderen sprekend op de broertjes die ze had verloren. Soms was er zelfs een meisje bij dat op Arya leek.

Maar ze kon haar beeld van Willas nooit lang vasthouden; voor haar geestesoog bleef hij in ser Loras veranderen, jong, gracieus en mooi. Je moet zo niet aan hem denken, vermaande ze zichzelf. Anders ziet hij straks misschien de teleurstelling in je ogen als jullie elkaar ontmoeten, en hoe zou hij dan nog met je kunnen trouwen, wetend dat je van zijn broer hield? Willas Tyrel was twee keer zo oud als zij, hield ze zichzelf voortdurend voor, en bovendien verlamd, en misschien zelfs dik en rood van gezicht, zoals zijn vader. Maar knap of niet, hij zou weleens de enige kampioen kunnen zijn die ze ooit zou krijgen.

Op een nacht droomde ze dat zij nog steeds degene was die met Joff trouwde, niet Marjolij, en in hun huwelijksnacht veranderde hij in de scherprechter Ilyn Peyn. Bevend werd ze wakker. Ze wilde niet dat Marjolij hetzelfde zou moeten doormaken als zij, maar de gedachte dat de Tyrels zouden weigeren de bruiloft doorgang te laten vinden beangstigde haar. Ik heb haar gewaarschuwd, ik heb haar de waarheid over hem verteld. Misschien geloofde Marjolij haar niet. Tegenover haar hing Joff altijd de volmaakte ridder uit, zoals vroeger tegenover Sansa. Ze zal zijn ware aard snel genoeg leren kennen. Na de bruiloft, op zijn laatst. Sansa besloot bij haar eerstvolgende bezoek aan de sept een kaars voor de Moeder in den Hoge aan te steken en tot haar te bidden of ze Marjolij tegen Joffs wreedheid wilde beschermen. En misschien ook een kaars voor de Krijgsman, omwille van Loras.

Tijdens de ceremonie in de Grote Sept zou ze haar nieuwe japon dragen, besloot ze toen de naaister haar voor het laatst de maat nam. Dat moet de reden zijn waarom Cersei hem voor me laat maken, dan zie ik er op de bruiloft niet zo armoedig uit. Voor het feest na afloop zou ze eigenlijk nog een japon moeten hebben, maar ze moest maar genoegen nemen met een van haar oude. Ze wilde niet het risico lopen om eten of drinken op de nieuwe te morsen. Die moet mee naar Hooggaarde. Voor Willas Tyrel wilde ze er mooi uitzien. Zelfs al heeft Dontos gelijk en wil hij eigenlijk Winterfel, niet mij, dan kan hij heus nog wel van me gaan houden omwille van mezelf. Sansa sloeg haar armen stevig om zich heen en vroeg zich af wanneer de japon klaar zou zijn. Ze kon bijna niet wachten om hem te dragen.

Arya

De regens kwamen en gingen, maar de lucht was vaker grijs dan blauw, en alle rivieren stonden hoog. Op de ochtend van de derde dag merkte Arya dat het merendeel van het mos aan de verkeerde kant van de bomen groeide. ‘We gaan de verkeerde kant op,’ zei ze tegen Gendry toen ze langs een bijzonder mossige olm reden. ‘We gaan naar het zuiden. Zie je waar het mos op de stam groeit?’

Hij veegde zijn dichte, zwarte haar uit zijn ogen en zei: ‘We volgen de weg, dat is alles. Die loopt hier naar het zuiden.’

We gaan al de hele dag naar het zuiden, wilde ze tegen hem zeggen. En gisteren ook, toen we langs die stroombedding reden. Maar ze had gisteren niet zo goed opgelet, dus wist ze het niet zeker. ‘Ik denk dat we verdwaald zijn,’ zei ze zachtjes. ‘We hadden de rivier niet moeten verlaten. We hadden er gewoon langs kunnen rijden.’

‘Er zitten bochten en lussen in de rivier,’ zei Gendry. ‘Ik wed dat dit gewoon een kortere weg is. Een geheime weg voor vogel vrij en. Liem en Tom leven hier al jaren.’

Dat was zo. Arya beet op haar lip. ‘Maar het mos…’

‘Als het zo doorgaat met regenen duurt het niet lang of er groeit mos uit onze oren,’ klaagde Gendry.

‘Alleen uit ons zuidelijke oor,’ verklaarde Arya koppig. Het had geen zin te proberen de Stier ergens van te overtuigen. Toch was hij de enige echte vriend die ze nog had, nu Warme Pastei er niet meer bij was.

‘Sharna zegt dat ze mij nodig heeft om brood te bakken,’ had hij op de dag van hun vertrek tegen haar gezegd. ‘En ik ben het toch zat, al die regen en die schaafplekken van het zadel, en alsmaar bang zijn. Er is hier bier, en ik kan konijn eten, en het brood wordt beter als ik het bak. Je zult het zien als je terugkomt. Je komt toch terug, hè? Als de oorlog afgelopen is?’ Toen bedacht hij wie ze was, en voegde er met een rood hoofd ‘jonkvrouwe’ aan toe.

Arya wist niet of de oorlog ooit zou aflopen maar ze had geknikt. ‘Het spijt me dat ik je toen geslagen heb,’ zei ze. Warme Pastei was dom en laf, maar hij was al vanaf Koningslanding bij haar, en ze was aan hem gewend geraakt. ‘Ik heb je neus gebroken.’

‘Die van Liem ook.’ Warme Pastei grijnsde. ‘Heel goed.’

‘Liem vond van niet,’ zei Arya somber. Toen was het tijd om te vertrekken. Toen Warme Pastei verzocht de jonkvrouw haar hand te mogen kussen stompte ze hem tegen zijn schouder. ‘Noem me niet zo. Jij bent Warme Pastei, en ik ben Arrie.’

‘Hier ben ik Warme Pastei niet. Sharna noemt me gewoon Jongen. Net als die andere jongen. Dat wordt nog verwarrend.’

Ze miste hem meer dan ze voor mogelijk had gehouden, maar Harwin maakte het nog enigszins goed. Ze had hem verteld over zijn vader Hullen, en hoe ze die stervend bij de stallen in de Rode Burcht had aangetroffen, op de dag van haar vlucht. ‘Hij zei altijd al dat hij in een stal zou sterven,’ zei Harwin, ‘maar we dachten allemaal dat een slechtgehumeurde hengst zijn dood zou worden, en niet een troep leeuwen.’ Arya vertelde hem ook van Yoren, van hun ontsnapping uit Koningslanding en over een heleboel andere dingen die sinds die tijd gebeurd waren, maar de staljongen die ze met Naald had doodgestoken en de wachter die ze de keel had doorgesneden om Harrenhal uit te komen liet ze weg. Als ze dat aan Harwin vertelde zou het haast zijn of ze het tegen haar vader zei, en van sommige dingen zou ze het onverdraaglijk vinden als haar vader ze had geweten.

Ook sprak ze niet over Jagen H’ghar en de drie doden die hij haar verschuldigd was geweest en had betaald. De ijzeren munt die hij haar had gegeven hield Arya achter haar gordel verstopt, maar soms haalde ze hem ’s nachts te voorschijn en dacht ze eraan hoe zijn gezicht was opgelost en veranderd toen hij er met zijn hand overheen streek. ‘Valar morghulis,’ fluisterde ze dan. ‘Ser Gregor, Dunsen, Polver, Raf het Lieverdje. De Kietelaar en de Jachthond. Ser Ilyn, ser Meryn, koningin Cersei, koning Joffry.’

Van de twintig mannen uit Winterfel die haar vader met Beric Dondarrion naar het westen had gezonden restten er nog zes, vertelde Harwin haar, en die waren verstrooid geraakt. ‘Het was een valstrik, jonkvrouwe. Heer Tywin stuurde zijn Berg met moord en brand de Rode Vork over als lokaas voor uw vader. Het was zijn bedoeling dat heer Eddard zelf naar het westen zou gaan om met Gregor Clegane af te rekenen. Als hij dat had gedaan was hij gedood of gevangengenomen en tegen de Kobold uitgewisseld, die op dat moment in handen van uw moeder was. Alleen was de Koningsmoordenaar niet op de hoogte van heer Tywins plan, en toen hij hoorde dat zijn broer gevangenzat, viel hij uw vader in de straten van Koningslanding aan.’

‘Dat weet ik nog,’ zei Arya. ‘Hij doodde Jory.’ Jory had altijd tegen haar gelachen, als hij haar niet had gewaarschuwd dat ze niet in de weg moest lopen.

‘Hij doodde Jory,’ beaamde Harwin, ‘en uw vader brak zijn been doordat zijn paard bovenop hem viel. Daarom kon heer Eddard niet naar het westen. In plaats daarvan zond hij heer Beric met twintig van zijn eigen mannen en twintig man uit Winterfel, waaronder ik. Er waren ook anderen bij. Thoros en ser Reimon Darring en hun mannen, ser Lis Wyld, en een heer die Lothar Malering heette. Maar Gregor wachtte ons op bij de Mommersfoort. Zijn mannen hadden zich op beide oevers verscholen. Toen we overstaken viel hij ons van voren en van achteren aan.

Ik zag hoe de Berg Reimon Darring doodde met één enkele klap, zo verschrikkelijk hard dat Darrings arm er bij de elleboog afgehakt werd en ook zijn rijdier werd gedood. Lis Wyld vond eveneens de dood, en heer Malering werd omvergereden en verdronk. We waren aan alle kanten door leeuwen omsingeld en ik dacht dat ik samen met de rest ten dode opgeschreven was, maar Alyn wist door het schreeuwen van bevelen de orde in onze gelederen te herstellen. Degenen die nog te paard zaten groepeerden zich rond Thoros, en daarna hakten we ons een uitweg. Die ochtend waren we met honderdtwintig man geweest. Tegen de avond waren er nog maar veertig over, en heer Beric was zwaargewond. Thoros trok die nacht een stuk lans van wel een voet lang uit zijn borst en goot kokende wijn in de gapende wond.

We waren er allemaal van overtuigd dat heer Beric tegen de ochtend dood zou zijn. Maar Thoros bleef de hele nacht bij het vuur met hem bidden en toen het dag werd leefde hij nog en was hij sterker dan daarvoor. Het duurde veertien dagen voor hij weer op een paard kon komen, maar zijn moed gaf ons kracht. Hij zei dat onze oorlog bij de Mommersfoort niet geëindigd maar juist begonnen was, en dat al onze gesneuvelden tienvoudig gewroken zouden worden.

Inmiddels was de strijd ons voorbij getrokken. De mannen van de Berg waren slechts de voorhoede van heer Tywins leger. Ze staken in volle slagorde de Rode Vork over en zwermden over het rivierengebied uit, waarbij ze alles op hun weg platbrandden. Wij waren met zo weinig dat we alleen hun achterhoede konden bestoken, maar we zeiden tegen elkaar dat we ons achter koning Robert zouden scharen als hij naar het westen optrok om heer Tywins rebellie te onderdrukken. Toen hoorden we pas dat Robert dood was en heer Eddard ook, en dat het jong van Cersei Lannister de IJzeren Troon bestegen had.

Daardoor kwam de hele wereld op zijn kop te staan. We waren door de Hand des Konings uitgestuurd om met vogelvrij en af te rekenen, maar nu waren wij de vogelvrij en en was heer Tywin de Hand des Konings. Er waren er een paar die zich toen wilden overgeven, maar daar wilde heer Beric niets van weten. Wij waren nog altijd mannen van de koning, zei hij, en het waren de onderdanen van de koning die door de leeuwen werden geteisterd. Als we niet voor Robert konden vechten dan zouden we voor hen vechten, totdat we tot de laatste man gesneuveld waren. En dat deden we, maar, terwijl we vochten gebeurde er iets opmerkelijks. Voor elke man die we verloren, dienden zich twee nieuwe aan om zijn plaats in te nemen. Sommigen waren ridders of schildknapen, van edele geboorte, maar de meesten waren doodgewone mannen — boerenknechts, vedelaars en herbergiers, bedienden en schoenlappers, en zelfs twee septons. Alle mogelijke mannen, en ook vrouwen, kinderen en honden…’

‘Honden?’ zei Arya.

‘Zeker.’ Harwin grijnsde. ‘Een van onze jongens houdt er valsere honden op na dan jij ooit zou willen tegenkomen.’

‘Ik wou dat ik een goeie, valse hond had,’ zei Arya weemoedig. ‘Een leeuwendoder.’ Ze had eens een schrikwolf gehad, Nymeria, maar die had ze met stenen bekogeld totdat ze was gevlucht, om te voorkomen dat de koningin haar zou doden. Zou een schrik wolf een leeuw kunnen doden? vroeg ze zich af.

Die middag regende het weer en dat bleef zo tot diep in de avond. Gelukkig hadden de vogelvrij en overal geheime vrienden, dus hoefden ze geen kamp op te slaan onder de blote hemel of beschutting te zoeken onder een lekkend bladerdak, zoals zij, Warme Pastei en Gendry zo vaak hadden gedaan.

Die nacht zochten ze beschutting in een afgebrand, verlaten dorp. Het leek althans verlaten, totdat Jaak Geluk twee korte en twee lange stoten op zijn jachthoorn gaf. Toen doken er allerlei mensen uit bouwvallen en verborgen kelders op. Ze hadden bier, gedroogde appels en wat oudbakken gerstebrood, en de vogelvrijen hadden een gans die Angui onderweg had neergehaald, dus was het avondeten die keer bijna een feest.

Arya zoog net het laatste stukje vlees van een vleugel toen een van de dorpelingen zich tot Liem Limoenmantel wendde en zei: ‘Nog geen drie dagen geleden zijn hier mannen langsgekomen die naar de Koningsmoordenaar zochten.’

Liem snoof. ‘Ze kunnen beter in Stroomvliet gaan kijken. Onder in de diepste kerkers, waar het lekker vochtig is.’ Zijn neus leek net een geplette appel, rood, rauw en gezwollen, en hij had een rothumeur.

‘Nee,’ zei een andere dorpeling. ‘Hij is ontsnapt.’

De Koningsmoordenaar. Arya kreeg kippenvel in haar nek. Ze hield haar adem in om te luisteren.

‘Zou dat waar zijn?’ zei Tom van Zevenen.

‘Ik geloof er niks van,’ zei de eenoog met de roestige pothelm. De andere vogelvrij en noemden hem Jaak Geluk, al leek het verlies van een oog Arya niet erg gelukkig. ‘Ik heb ook eens met die kerkers mogen kennismaken. Hoe kan die nou ontsnapt zijn?’

Daar konden de dorpelingen slechts hun schouders over ophalen. Groenebaard steek over zijn dichte, grijsgroene bakkebaarden en zei: ‘De wolven zullen in bloed verdrinken als de Koningsmoordenaar weer los is. Dit moet Thoros weten. De Heer des Lichts zal hem Lannister laten zien in de vlammen.’

‘Daar brandt een mooi vuurtje,’ zei Angui met een glimlach.

Groenebaard lachte en gaf de boogschutter een pets tegen zijn oor. ‘Zie ik er volgens jou als een priester uit, Schutter? Als Pello van Tyrosh in het vuur tuurt schroeit hij zijn baard aan de sintels.’ Liem liet zijn knokkels kraken en zei: ‘Maar wat zou heer Beric het heerlijk vinden om Jaime Lannister te vangen…’

‘Zou hij hem ophangen, Liem?’ vroeg een van de dorpsvrouwen. ‘Het zou toch wel een beetje zonde zijn om zo’n knappe man op te hangen.’

‘Eerst een proces,’ zei Angui. ‘Heer Beric geeft ze altijd een proces, dat weet je.’ Hij glimlachte. ‘Pas daarna hangt hij ze op.’

Overal klonk gelach. Toen liet Tom zijn vingers over de snaren van zijn houtharp glijden en hief hij zachtjes een lied aan.

De broeders van het koningsbos,
die waren vogelvrijen.
Het woud, dat diende hun als slot,
en overal waren zij.
Geen goud dat veilig voor hen was,
geen maagdelijke dijen.
Ah, de broeders van het koningsbos,
zo wild en vogelvrijen…

Warm en droog in een hoekje tussen Gendry en Harwin in luisterde Arya een poosje naar het gezang. Toen sloot ze haar ogen en sukkelde in slaap. Ze droomde van thuis, niet Stroomvliet, maar Winterfel. Maar het was geen mooie droom. Ze stond buiten het kasteel tot haar knieën in de modder, alleen. Vóór zich zag ze de grauwe muren, maar als ze de poort probeerde te bereiken was elke stap zwaarder dan de vorige, en het kasteel vervaagde voor haar blikken totdat het meer van rook dan van graniet leek. En er waren ook wolven, holle, grauwe gedaanten die overal rondom haar met lichtgevende ogen door het geboomte zwierven. Telkens als ze naar hen keek herinnerde ze zich de smaak van bloed.

De volgende ochtend weken ze van de weg af om een doorsteker door de velden te maken. Er waren windstoten, en de dorre bruine bladeren warrelden om de hoeven van hun paarden, maar bij uitzondering regende het niet. Toen de zon van achter een wolk te voorschijn kwam was het licht zo fel dat Arya haar kap naar voren moest trekken om het niet in haar ogen te krijgen.

Ze hield abrupt de teugels in. ‘We gaan echt de verkeerde kant op.’

Gendry kreunde. ‘Wat nu weer, alweer mos?’

‘Kijk maar naar de zón,’ zei ze. ‘We gaan naar het zuiden.’ Arya graaide in haar zadeltas naar de kaart, zodat ze het kon laten zien. ‘We hadden de Drietand nooit moeten verlaten. Kijk.’ Ze rolde de kaart op haar been uit. Nu keek iedereen naar haar. ‘Kijk, daar is Stroomvliet, tussen de rivieren.’

‘Het geval wil,’ zei Jaak Geluk, ‘dat wij weten waar Stroomvliet is. Tot de laatste man.’

‘Jullie gaan niet naar Stroomvliet,’ zei Liem botweg tegen haar.

Ik was er bijna, dacht Arya. Ik had moeten toelaten dat ze onze paarden namen. De rest van de weg had ik wel kunnen lopen. Toen dacht ze aan haar droom, en beet op haar lip.

‘O kind, kijk niet zo gekwetst,’ zei Tom Zevensnaren. ‘Er zal je niets overkomen, op mijn woord.’

‘Het woord van een leugenaar!’

‘Niemand heeft gelogen,’ zei Liem. ‘We hadden niets beloofd. Het is niet aan ons om te zeggen wat er met jullie gebeuren moet.’

Maar Liem was de aanvoerder niet, net zomin als Tom. Dat was Groenebaard, de man uit Tyrosh. Arya keerde zich naar hem om en keek hem aan. ‘Breng me naar Stroomvliet en u zult ervoor beloond worden,’ zei ze wanhopig.

‘Kleintje,’ zei Groenebaard, ‘een boer zal een gewone eekhoorn allicht villen en in de pot stoppen, maar als hij een gouden eekhoorn in zijn boom vindt brengt hij die bij zijn heer, of anders krijgt hij er spijt van.’

‘Ik ben geen eekhoorn,’ hield Arya vol.

‘Jawel,’ lachte Groenebaard. ‘Een kleine, gouden eekhoorn die op weg is naar de Bliksemheer, of ze nu wil of niet. Hij weet wat er met je moet gebeuren. Ik wed dat hij je naar je moeder zal terugsturen, precies zoals je wilt.’

Tom Zevensnaren knikte. ‘Ja, dat is net iets voor heer Beric. Hij geeft je waar je recht op hebt, je zult het zien.’

Heer Beric Dondarrion. Arya herinnerde zich alle verhalen die in Harrenhal waren rondverteld, door de Lannisters én de Bloedige Mommers. Heer Beric, de woudgeest. Heer Beric, gedood door Vargo Hoat, en daarvoor door ser Amaury Lors, en tweemaal door de Rijdende Berg. Als hij me niet naar huis stuurt dood ik hem misschien ook wel. ‘Waarom moet ik naar heer Beric?’ vroeg ze kalm.

‘We brengen al onze hooggeboren gevangenen bij hem,’ zei Angui.

Gevangene. Arya haalde diep adem om haar ziel tot rust te brengen. Kalm als stille wateren. Ze wierp een korte blik op de vogelvrijen en wendde het hoofd van haar paard. Nu, snel als een slang, dacht ze, terwijl ze haar hielen in de flanken van het dier dreef. Ze reed recht tussen Groenebaard en Jaak Geluk door en ving een glimp op van Gendry’s geschrokken gezicht toen zijn merrie opzij week. En toen was ze in het open veld en stoof ervandoor.

Noord of zuid, oost of west, dat maakte nu niet uit. Ze kon later de weg naar Stroomvliet wel zoeken, zodra ze ze had afgeschud. Arya boog zich naar voren in het zadel en dreef het paard tot galop aan. Achter haar riepen de vogelvrij en tierend en vloekend dat ze terug moest komen. Ze sloot haar oren voor het geroep, maar toen ze over haar schouder gluurde kwamen er vier achter haar aan. Angui, Harwin en Groenebaard galoppeerden zij aan zij, met Liem een eindje daarachter. Zijn grote gele mantel fladderde achter hem aan onder het rijden. ‘Snel als een hinde,’ zei ze tegen haar rijdier. ‘Rennen nu, rénnen.’

Arya schoot over bruine velden vol onkruid, door heup-hoog gras en bergen dorre bladeren die opwaaiden en alle kanten op stoven als haar paard er langskwam. Links van haar was bos, zag ze. Daar kan ik ze afschudden. Langs één kant van het veld liep een droge greppel, maar daar sprong ze in volle vaart overheen, waarna ze het geboomte in dook, olmen, taxusbomen en berken. Een snelle blik achterom maakte duidelijk dat Angui en Harwin haar nog dicht op de hielen zaten. Maar Groenebaard was iets teruggezakt en Liem zag ze helemaal niet meer. ‘Sneller,’ zei ze tegen haar paard, ‘je kunt het, je kunt het.’

Ze reed tussen twee olmen door zonder zelfs maar heel even te kijken aan welke kant het mos groeide. Ze sprong over een vermolmde stronk en maakte een boog om een wirwar van omgevallen bomen waar scherpe dode takken uit omhoogstaken. Toen een flauwe helling op en aan de andere kant omlaag, eerst langzamer, toen weer sneller. De hoefijzers van haar paard deden vonken opspatten uit de keien op de grond. Boven op de heuvel keek ze om. Harwin lag nu op Angui voor, maar ze naderden allebei nog snel. Groenebaard was verder teruggevallen en leek het niet meer vol te houden.

Een stroompje versperde haar de weg. Ze plonsde het water in, dat bijna gedempt werd door natte bruine bladeren. Sommige bleven aan de benen van haar paard kleven toen ze er aan de andere kant uitklom. Het kreupelhout was hier dichter en de grond was zo bezaaid met wortels en stenen dat ze moest inhouden, maar ze reed zo snel als ze durfde door. Voor haar lag nog een heuvel, steiler nu. Omhoog ging het, en omlaag. Hoe groot zou dit bos zijn? vroeg ze zich af. Haar paard was het snelste, dat wist ze, ze had een van de beste dieren uit de stal van Rous Bolten in Harrenhal gestolen, maar het kwam hier niet tot zijn recht. Ik moet de velden weer opzoeken, ik moet een weg zien te vinden. In plaats daarvan vond ze een wildspoor. Het was smal en oneffen maar het was tenminste iets. Ze raasde eroverheen, en de takken sloegen haar in het gezicht. Eentje bleef er aan haar kap haken en rukte die af, en een halve hartslag lang vreesde ze dat ze ingehaald was. Terwijl ze langsreed schoot er een vossenwijfje uit de struiken, opgeschrikt door de felheid van haar vlucht. Het wildspoor kwam bij een andere beek uit. Of zou het dezelfde zijn? Was ze in een kringetje rondgereden? Er was geen tijd om het uit te zoeken, achter zich hoorde ze hun paarden door het geboomte dringen. Dorens haalden haar gezicht open, zoals de katten waarop ze in Koningslanding had gejaagd. Uit de takken van een els stoven mussen op. Maar het geboomte werd nu minder dicht, en ineens was ze erdoor. Weidse, vlakke velden strekten zich voor haar uit, een en al onkruid en wilde tarwe, drassig en vertrapt. Arya zette haar paard weer tot galop aan. Rennen, dacht ze, naar Stroomvliet. Rennen, naar huis. Was ze ze kwijt? Ze keek heel even, en daar was Harwin, zes passen achter haar en bezig haar in te halen. Nee, dacht ze, nee, dat mag niet, hij niet, dat is niet eerlijk.

Toen hij naast haar kwam rijden, een hand uitstak en haar breidel greep waren beide paarden met schuim overdekt en aan het einde van hun krachten. Arya hijgde nu ook. Ze wist dat de strijd afgelopen was. ‘U rijdt als een noorderling, jonkvrouwe,’ zei Harwin, nadat hij hen tot stilstand had gebracht. ‘Net als uw tante. Jonkvrouw Lyanna. Maar mijn vader was de stalmeester, weet u nog?’

De blik die ze hem toewierp was diep gekwetst. ‘Ik dacht dat u mijn vader diende.’

‘Heer Eddard is dood, jonkvrouwe. Ik hoor nu bij de Bliksemheer, en bij mijn broeders.’

‘Welke broeders?’ De oude Hullen had voor zover Arya wist geen andere zoons verwekt.

‘Angui, Liem, Tom van Zevenen, Jaak en Groenebaard, allemaal. We zijn uw broer Robb niet slecht gezind, jonkvrouwe… maar wij vechten niet voor hem. Hij heeft zelf een leger en menige hoge heer buigt zijn knie voor hem. De kleine luiden hebben alleen ons.’ Hij keek haar onderzoek end aan. ‘Begrijpt u wat ik zeg?’

‘Ja.’ Dat hij Robb niet diende begreep ze maar al te goed. En dat ze zijn gevangene was. Ik had bij Warme Pastei kunnen blijven. We hadden dat bootje kunnen nemen om naar Stroomvliet te varen. Als Braadkuiken was ze beter af geweest. Niemand die Braadkuiken gevangen zou nemen, of Nans, of Wezel, of Arrie de weesjongen. Ik was een wolf, dacht ze, maar nu ben ik weer zo’n stomme kleine jonkvrouw.

‘Zult u nu braaf mee terugrijden?’ vroeg Harwin haar, ‘of moet ik u vastbinden en dwars over uw paard smijten?’

‘Ik zal braaf meerijden,’ zei ze gemelijk. Voorlopig.

Samwel

Snikkend deed Sam nog een stap. Dit is de laatste, de allerlaatste. Ik kan niet verder, het gaat niet. Maar weer bewogen zijn voeten, eerst de ene, toen de andere. Ze deden een stap, en nog een, en hij dacht: Het zijn mijn voeten niet, ze zijn van iemand anders, iemand anders loopt hier, ik kan het niet zijn.

Als hij omlaag keek kon hij ze door de sneeuw zien strompelen, vormeloze dingen, heel onbeholpen. Hij meende te weten dat zijn laarzen zwart geweest waren, maar de sneeuw zat eraan vastgekoekt en nu waren het misvormde witte klonten. Net twee klompvoeten van ijs.

Het hield maar niet op met sneeuwen. De sneeuwbanken kwamen tot boven zijn knieën en op zijn onderbenen zaten korsten, als een paar witte scheenplaten. Hij liep onvast, met slepende tred. Met die zware ransel op zijn rug leek hij net een monsterlijke bultenaar. En hij was moe, verschrikkelijk moe. Ik kan niet verder. Genade, Moeder, het gaat niet.

Om de vier of vijf stappen moest hij een hand uitsteken om zijn zwaardriem op te hijsen. Het zwaard was hij op de Vuist kwijtgeraakt, maar de riem werd nog steeds omlaag getrokken door de zware schede. Hij had twee messen, de dolk van drakenglas die hij van Jon had gekregen en het stalen mes waarmee hij zijn vlees sneed. Al dat gewicht drukte hem neer, en zijn buik was zo dik en rond dat hoe strak hij de riem ook aantrok, het ding afzakte en een strik om zijn enkels vormde als hij het vergat op te hijsen. Eén keer had hij geprobeerd de riem boven zijn buik vast te gespen, maar toen zat hij bijna onder zijn oksels. Gren had zich krom gelachen toen hij het zag, en Ed van de Smarten had gezegd: ‘Ik heb eens een man gekend die zijn zwaard aan een ketting om zijn nek droeg. Op een dag struikelde hij en boorde het gevest zich in zijn neus.’

Sam struikelde ook. Onder de sneeuw waren stenen en boomwortels, en soms zaten er diepe kuilen in de bevroren grond. Zwarte Bernar had zijn enkel gebroken toen hij in zo’n kuil was getrapt, drie dagen geleden, of misschien vier, of… hij wist eigenlijk niet hoe lang geleden het was geweest. Daarna had de opperbevelhebber Bernar op een paard gezet.

Snikkend deed Sam nog een stap. Hij had het gevoel dat hij eerder voorover viel dan dat hij liep, eindeloos viel zonder ooit de grond te raken, alsmaar voorover. Ik moet stoppen, het doet te veel pijn. Ik heb het zo koud en ik ben zo moe, ik moet slapen, een klein dutje bij een vuurtje, en een hapje eten dat niet bevroren is.

Maar als hij stopte was dat zijn dood. Dat wist hij. Dat wisten ze allemaal, de weinige overlevenden. Ze waren met vijftig man van de Vuist gevlucht, misschien meer, maar sommigen waren verdwaald in de sneeuw, een paar gewonden waren doodgebloed … en soms hoorde Sam geschreeuw in de achterhoede, en één keer een gruwelijke gil. Toen hij dat had gehoord had hij het op een lopen gezet, twintig of dertig pas, zo snel en ver als hij kon, en zijn halfbevroren voeten hadden de sneeuw doen opstuiven. Als hij sterkere benen had zou hij nu nog rennen. Ze komen ons achterna, ze zitten nog steeds achter ons aan, ze pakken ons een voor een.

Snikkend deed Sam nog een stap. Hij had het nu al zo lang koud dat hij niet meer wist hoe het was om het warm te hebben. Hij droeg drie paar hozen en twee lagen kleingoed onder een dubbele tuniek van lamswol, en daar overheen een dikke gewatteerde mantel om hem tegen het koude staal van zijn maliën te beschermen. Over de maliënkolder droeg hij een losse wapenrok, en daarover een driedubbele mantel die vlak onder zijn kin met een benen knoop sloot. Aan zijn handen zaten dikke bontwanten over dunne handschoenen van wol en leer, de onderste helft van zijn gezicht was behaaglijk in een das gewikkeld en hij had een nauwsluitende, met schapenwol gevoerde muts die hij onder de kap van zijn mantel over zijn oren kon trekken. En toch zat de kou in hem. Vooral in zijn voeten. Nu voelde hij ze zelfs niet meer, maar gisteren hadden ze nog zo’n pijn gedaan dat hij er nauwelijks op had kunnen staan, om van lopen nog maar te zwijgen. Sinds de Vuist had hij niet meer geslapen, niet een keer, sinds het hoorngeschal. Behalve dan tijdens het lopen. Kon je slapen, terwijl je liep? Sam wist het niet, of anders was hij het vergeten.

Snikkend deed hij nog een stap. De sneeuw dwarrelde om hem heen. Soms viel hij uit een witte hemel, soms uit een zwarte, maar dat was alles wat er nog restte van de dag en de nacht. De sneeuw hing als een tweede mantel om zijn schouders en hoopte zich hoog op zijn ransel op, zodat die nog zwaarder en moeilijker te dragen werd. Zijn onderrug deed vreselijk zeer, alsof iemand er een mes in had gestoken en dat bij iedere stap heen en weer wrikte. Zijn schouders schreeuwden het uit onder het gewicht van zijn maliën. Hij zou er iets voor gegeven hebben om ze te kunnen uittrekken, maar dat durfde hij niet. Om erbij te kunnen zou hij trouwens zijn mantel en wapenrok moeten uittrekken, en dan zou hij door de kou bevangen raken.

Was ik maar sterker… Maar dat was hij niet, en wensen dat het wel zo was had geen zin. Sam was zwak en dik, zo dik dat hij zijn eigen gewicht nauwelijks kon dragen. De maliën waren veel te zwaar voor hem. Zijn schouders voelden aan alsof ze rauw geschuurd waren, ondanks alle lagen stof en de gewatteerde voering tussen staal en huid. Hij kon alleen maar huilen, en als hij huilde bevroren de tranen op zijn wangen.

Snikkend deed hij nog een stap. Waar hij zijn voeten neerzette was de sneeuwkorst gebroken, anders dacht hij niet dat hij zelfs maar in beweging had kunnen blijven. Links en rechts van hem, half zichtbaar tussen de zwijgende bomen, veranderden de toortsen in de neervallende sneeuw in vage oranje stralenkransen. Als hij opzij keek kon hij ze geluidloos door het woud zien glijden, op en neer, af en aan. De vuurkring van de ouwe Beer, herinnerde hij zich, en wee degene die zich erbuiten begeeft. Terwijl hij liep kwam het hem voor dat hij de toortsen vóór hem achtervolgde, maar zij hadden ook benen, langer en sterker dan de zijne, dus zou hij ze nooit kunnen inhalen.

Gisteren had hij gesmeekt om een toorts te mogen dragen, zelfs al hield dat in dat hij buiten de colonne liep met het donker dicht op zijn hielen. Hij wilde dat vuur, droomde van dat vuur. Als ik dat vuur had zou ik het niet koud hebben. Maar iemand had hem erop gewezen dat hij in het begin een toorts had gehad maar dat hij die in de sneeuw had laten vallen, zodat het vuur was gedoofd. Het stond Sam niet meer bij dat hij een toorts had laten vallen, maar hij nam aan dat het waar was. Hij was te zwak om zijn arm lang omhoog te houden. Was het Ed geweest die hem aan die toorts had herinnerd, of Gren? Dat wist hij ook niet meer. Dik, zwak en nutteloos, zelfs mijn hersens zijn bezig te bevriezen. Hij deed nog een stap.

Hij had zijn sjaal om zijn neus en mond gewikkeld, maar die zat nu onder het snot en was zo stijf dat Sam bang was dat hij aan zijn gezicht vastgevroren zat. Zelfs het ademhalen viel hem moeilijk, en de lucht was zo koud dat hij er pijn in zijn keel van kreeg. ‘Genade, Moeder,’ prevelde hij met gedempte, omfloerste stem onder het bevroren masker. ‘Genade, Moeder, genade, Moeder, genade, Moeder.’

Zijn eigen moeder bevond zich duizenden mijlen verder naar het zuiden, zij zat veilig met zijn zusters en zijn broertje Dickon in de burcht in Hoornheuvel. Zij kan me net zomin horen als de Moeder in den Hoge. De Moeder was genadig, daar waren alle septons het over eens, maar achter de Muur waren de Zeven machteloos. Hier heersten de oude goden, de naamloze goden van bomen, wolven en sneeuw. ‘Genade,’ fluisterde hij toen maar, tegen alles wat maar luisteren wilde, oude of nieuwe goden, en ook demonen, ‘O, genade, wees mij genadig, wees mij genadig.’

Maslijn schreeuwde om genade. Waarom had hij daar ineens weer aan gedacht? Hij wilde er helemaal niet meer aan denken. De man was achterover gestruikeld en had zijn zwaard laten vallen, hij had gesmeekt, geroepen dat hij zich overgaf, zelfs zijn dikke zwarte handschoen van zijn hand gerukt en die afwerend voor zich uitgestoken. Hij schreeuwde nog steeds om genade toen de geest hem bij zijn hals had opgetild en hem bijna zijn hoofd had afgerukt. De doden kennen geen genade, ze hebben geen genade meer in zich, en de Anderen… nee, nu niet aan denken, niet denken, niet terugdenken, alleen lopen, alleen lopen, alleen lopen.

Snikkend deed hij nog een stap.

Een wortel onder de korst haakte om zijn teen, en Sam struikelde en plofte zwaar op één knie, zo hard dat hij op zijn tong beet. Hij proefde het bloed in zijn mond, warmer dan alles wat hij sinds de Vuist had geproefd. Dit is het einde, dacht hij. Nu hij gevallen was leek het of hij het niet meer kon opbrengen om weer overeind te komen. Hij vond op de tast een boomtak en klampte zich eraan vast in een poging weer op de been te komen, maar zijn stijve benen weigerden hem te dragen. De maliën waren te zwaar, en hij was trouwens te dik, te zwak en te moe.

‘Ga weer op je poten staan, Biggetje,’ gromde iemand in het voorbijgaan, maar Sam sloeg geen acht op hem. Ik ga gewoon in de sneeuw liggen en doe mijn ogen dicht. Het zou niet zo erg zijn om hier te sterven. Kouder dan nu kon hij het onmogelijk krijgen, en na een poosje zou hij de pijn in zijn onderrug of de vreselijke kramp in zijn schouders net zomin meer voelen als hij nu zijn voeten voelde. Ik zal de eerste niet zijn die doodgaat, dat zullen ze niet kunnen beweren. Op de Vuist waren er honderden omgekomen, overal om hem heen waren ze gestorven, en daarna waren er nog meer doodgegaan, hij had het zelf gezien. Huiverend liet Sam zijn greep op de boom varen en liet zich in de sneeuw zakken. Die was kil en nat, wist hij, maar door al die kleren heen voelde hij het nauwelijks. Hij staarde omhoog naar de bleke, witte hemel, terwijl de sneeuwvlokken op zijn buik, zijn borst en zijn oogleden neerstreken. De sneeuw zal me bedekken als een dikke witte deken. Onder de sneeuw zal het warm zijn, en als ze mijn naam noemen zullen ze moeten zeggen dat ik gestorven ben als een man van de Nachtwacht. Dat is ook zo. Dat is ook zo. Ik heb mijn plicht gedaan. Niemand kan zeggen dat ik meineed heb gepleegd. Ik ben dik, zwak en laf, maar ik heb mijn plicht gedaan.

Hij was verantwoordelijk geweest voor de raven. Daarom hadden ze hem meegenomen. Hij had niet mee gewild, dat had hij ook gezegd, hij had hun allemaal gezegd wat een enorme lafaard hij was. Maar maester Aemon was stokoud en bovendien blind, dus moesten ze Sam wel meesturen om voor de raven te zorgen. De opperbevelhebber had hem instructies gegeven toen ze hun kamp op de Vuist opsloegen. ‘Jij bent geen vechter. Dat weten we allebei, jongen. Mocht het gebeuren dat we aangevallen worden, probeer dan niet het tegendeel te bewijzen, dan loop je alleen maar in de weg. Jij moet een bericht versturen. En kom niet aandraven om te vragen wat er in die brief moet staan. Schrijf hem zelf en stuur één vogel naar Slot Zwart en een tweede naar de Schaduwtoren.’ De ouwe Beer wees met een vinger recht naar Sams gezicht. ‘Het kan me niet schelen of je zo bang bent dat je het in je broek doet, en het kan me ook niet schelen of er duizend wildlingen over de wal komen die om je bloed huilen, maak dat je die vogels verstuurt, of ik zal je van de eerste tot aan de zevende hel achtervolgen om te zorgen dat het je zal berouwen. Dat zweer ik je.’ En Mormonts eigen raaf had zijn kop op en neer bewogen en gekrast: ‘Spijt, spijt, spijt.’

Sam hád ook spijt, spijt dat hij niet dapperder was geweest, of sterker, of een goed zwaardvechter, dat hij geen betere zoon voor zijn vader was geweest en geen betere broer voor Dickon en de meisjes. Het speet hem ook dat hij dood zou gaan, maar op de Vuist waren betere mannen dan hij omgekomen, goede, waarachtige mannen, geen jammerende dikzakken zoals hij. Maar de ouwe Beer zou hem in elk geval niet door de hel achtervolgen. Ik heb die vogels verstuurd. Dat heb ik in elk geval goed gedaan. Hij had de berichten van tevoren al geschreven, korte, eenvoudige boodschappen die melding maakten van een aanval op de Vuist van de Eerste Mensen, en die vervolgens veilig opgeborgen in zijn perkamentbuidel in de hoop dat hij ze nooit zou hoeven verzenden.

Toen de hoorns schalden had Sam geslapen. Eerst had hij gedacht dat het een droom was, maar toen hij zijn ogen opende daalde de sneeuw op het kamp neer en grepen de zwarte broeders allemaal naar hun bogen en speren en renden naar de ringwal. Alleen Chet was in zijn buurt geweest, maester Aemons oude oppasser met die puistenkop en die grote zweer in zijn nek. Sam had nog nooit iemand zo bang zien kijken als Chet toen die derde stoot door de bomen kreunde. ‘Help me de vogels op weg te krijgen,’ had hij gesmeekt, maar zijn mede-oppasser had zich omgedraaid en was weggerend met zijn dolk in zijn hand. Hij draagt zorg voor de honden, had Sam zich herinnerd. Waarschijnlijk had de opperbevelhebber hem ook bepaalde bevelen gegeven.

Zijn gehandschoende vingers waren stijf en onbeholpen geweest en hij rilde van angst en van de kou, maar hij had de perkamentbuidel gevonden en de berichten die hij had geschreven eruit opgediept. De raven krijsten als razenden en toen hij de kooi van Slot Zwart opende was er eentje recht in zijn gezicht gevlogen. Er waren er nog twee ontsnapt voordat Sam er een had kunnen vangen, en toen dat gelukt was had het dier hem door zijn handschoen heen tot bloedens toe gepikt. Maar op de een of andere manier had hij de raaf lang genoeg weten vast te houden om hem het rolletje perkament om te binden. De krijgshoorn zweeg inmiddels al, maar de Vuist weergalmde van de luide bevelen en het gekletter van staal. ‘Vliesen!’ riep Sam, terwijl hij de raaf de lucht in wierp.

De vogels in de kooi van de Schaduwtoren krijsten en fladderden als dollen, zozeer dat hij bang was om het deurtje open te maken, maar hij dwong zich om het toch te doen. Ditmaal ving hij de eerste raaf die probeerde te ontsnappen. Een ogenblik later klauwde de vogel zich een weg omhoog door de vallende sneeuw met het bericht over de aanval bij zich.

Toen hij zijn plicht had gedaan kleedde hij zich verder aan, met onhandige, bange vingers. Hij zette zijn muts op, deed zijn wapenrok en mantel aan, trok de kap over zijn hoofd, gespte zijn zwaardriem om en trok die heel strak aan, zodat hij niet zou afzakken. Toen zocht hij zijn ransel en propte al zijn bezittingen erin, extra kleingoed en droge sokken, de pijlpunten en de speerpunt van drakenglas die Jon hem had gegeven en ook de oude hoorn, zijn vellen perkament, inkt en ganzenpennen, de kaarten die hij had getekend en een keihard knoflookworstje dat hij al vanaf de Muur bewaarde. Hij bond het allemaal bijeen en hees de ransel op zijn rug. De opperbevelhebber zei dat ik niet naar de ringmuur moest rennen, herinnerde hij zich, maar hij zei ook dat ik niet naar hem toe moest komen draven. Sam haalde diep adem en besefte dat hij niet wist wat hij nu moest doen.

Hij wist nog dat hij in een kringetje rondgelopen was, verloren, terwijl zijn vrees zoals altijd steeds groter werd. Honden blaften en paarden schreeuwden, maar de sneeuw dempte de geluiden, zodat ze ver weg leken. Hij kon niet verder dan drie passen voor zich uit zien en zag zelfs de toortsen niet die op de lage stenen muur rond de kruin van de heuvel brandden. Zouden de toortsen gedoofd zijn? Die gedachte was te beangstigend. Er is driemaal lang op de hoorn geblazen, drie lange stoten, dat betekent Anderen. De witte lopers in het woud, de koude schaduwen, de monsters uit de verhalen die hem als jongetje aan het jammeren en bibberen hadden gebracht, rijdend op reusachtige ijsspinnen, begerig naar bloed …

Onhandig trok hij zijn zwaard en ploegde er moeizaam mee door de sneeuw. Een hond rende blaffend voorbij, en hij zag een paar mannen uit de Schaduwtoren, forse, baardige kerels met langstelige bijlen en speren van acht voet hoog. In hun gezelschap voelde hij zich veiliger, dus volgde hij hen naar de wal. Toen hij zag dat de toortsen boven op de stenen cirkel nog brandden ging er een rilling van opluchting door hem heen.

De zwarte broeders stonden met zwaarden en speren in de hand naar de vallende sneeuw te kijken en te wachten. Ser Mallador Slot reed op zijn paard voorbij met een besneeuwde helm op. Sam stond ver achter de anderen en zocht naar Gren of Ed van de Smarten. Maar de mannen rondom hem waren allemaal vreemden, mannen uit de Schaduwtoren onder bevel van de wachtruiter die Bleyn heette.

‘Daar komen ze,’ hoorde hij een broeder zeggen.

‘Pijlen opzetten,’ zei Bleyn, en twintig zwarte pijlen werden uit evenzovele pijlkokers getrokken en op evenzovele boogpezen gezet.

‘Goeie goden, het zijn er honderden,’ zei een stem zacht.

‘Spannen,’ zei Bleyn, en toen: ‘Vasthouden.’ Sam zag niets en wilde ook niets zien. De mannen van de Nachtwacht stonden achter hun toortsen te wachten, hun pijlen tot bij hun oren getrokken, terwijl zich iets door de sneeuw heen de donkere, glibberige helling op bewoog. ‘Vasthouden,’ zei Bleyn opnieuw, ‘vasthouden, vasthouden.’ En toen: ‘Los.’

De pijlen suisden weg.

Onder de mannen langs de ringwal ging een onregelmatig gejuich op, maar dat stierf snel weg. ‘Ze blijven niet staan, heer,’ zei een man tegen Bleyn, en een ander riep: ‘Méér! Kijk daar, uit het bos,’ en weer een ander zei: ‘Genadige goden, ze kruipen. Ze zijn d’r bijna, ze zijn hiér!’ Sam schuifelde toen al achteruit, trillend als het laatste blad aan een boom als de wind opsteekt, en evenzeer van de kou als van angst. Het was die nacht ijskoud geweest. Zelfs kouder dan nu. De sneeuw voelt bijna warm aan. Ik voel me nu beter. Wat rust was alles wat ik nodig had. Nog even en ik ben weer sterk genoeg om verder te lopen. Nog heel even.

Een paard stapte langs zijn hoofd, een ruig grijs dier met sneeuw in zijn manen en ijskorsten op zijn hoeven. Sam zag het komen en gaan. Uit de vallende sneeuw dook een tweede op, geleid door een man in het zwart. Toen hij Sam op zijn pad zag schold hij hem uit en leidde het paard om hem heen. Ik wou dat ik een paard had, dacht hij. Als ik een paard had zou ik in beweging kunnen blijven. Dan kon ik zitten en zelfs een beetje slapen in het zadel. Maar het merendeel van hun rijdieren was op de Vuist verloren gegaan en de rest droeg hun voedsel, hun toortsen en hun gewonden. Sam was niet gewond. Alleen dik en zwak, en de grootste lafbek in de Zeven Koninkrijken.

Hij was zo’n vreselijke lafaard. Dat had zijn vader heer Randyl altijd gezegd, en hij had gelijk gehad. Sam was zijn erfgenaam, maar dat was hij nooit waardig geweest, dus had zijn vader hem weggestuurd naar de Muur. Zijn broertje Dickon zou de gebieden en het slot van de Tarlings erven, evenals het slagzwaard Hartsverderf dat de heren van Hoornheuvel eeuwenlang met zoveel trots hadden gevoerd. Hij vroeg zich af of Dickon een traan zou laten om de broer die ergens achter de rand van de wereld in de sneeuw was omgekomen. Waarom zou hij? Een lafaard is geen tranen waard. Dat had hij zijn vader met zoveel woorden tegen zijn moeder horen zeggen, wel vijftig keer. De ouwe Beer wist het ook.

‘Brandende pijlen!’ had de opperbevelhebber die nacht op de Vuist gebruld toen hij plotseling op zijn paard was verschenen. ‘De vlam erin!’ Op dat moment viel zijn oog op de bevende Sam. ‘Tarling! Weg hier! Jouw plaats is bij de raven!’

‘Ik… ik… ik heb de berichten verstuurd.’

‘Goed.’ Van Mormonts schouders kwam de echo van diens eigen raaf: ‘Goed, goed.’ Gehuld in bont en maliën leek de opperbevelhebber een reus. Achter zijn vizier van zwart ijzer fonkelden zijn ogen. ‘Je loopt hier in de weg. Ga terug naar je kooien. Als ik nog een bericht wil versturen wil ik je niet eerst moeten zoeken. Zorg dat de vogels klaar zijn.’ Hij wachtte niet op antwoord maar wendde zijn paard en draafde de cirkel rond. ‘Vuur!’ schreeuwde hij. ‘De vlam erin!’

Sam liet het zich geen twee keer zeggen. Zo snel zijn dikke benen hem konden dragen liep hij naar de vogels terug. Dat bericht moet ik van tevoren schrijven, dacht hij, zodat we de vogels zo snel weg krijgen als noodzakelijk is. Het duurde langer dan het had mogen duren voor hij een vuurtje aankreeg om de bevroren inkt op te warmen. Hij ging er op een steen naast zitten met ganzenveer en perkament en schreef zijn berichten.

Aangevallen in sneeuw en kou, maar we hebben ze met brandende pijlen teruggedreven, schreef hij toen hij Thoren Smalhouts stem galmend: ‘Opzetten, spannen … los!’ hoorde bevelen. Het geluid van de zwerm pijlen was lieflijk als het gebed van een moeder. ‘Branden, dooie smeerlappen, branden!’ schoot Dywens stem kakelend uit. De broeders juichten en vloekten. Alles veilig, schreef hij. We blijven op de Vuist van de Eerste Mensen. Sam hoopte dat ze betere boogschutters waren dan hij.

Hij legde dat briefje opzij en zocht nog een leeg vel perkament. Vechten nog steeds op de Vuist in hevige sneeuwval, schreef hij toen iemand riep: ‘Ze blijven komen.’ Afloop onzeker. ‘Speren,’ zei iemand. Het zou ser Mallador kunnen zijn, maar daar kon Sam geen eed op doen. Aanval van geesten op Vuist, in sneeuw, schreef hij, maar hebben ze met vuur verdreven. Hij keek opzij. Door de dwarrelende sneeuw heen kon hij alleen het enorme vuur midden in het kamp zien, waar mannen te paard rusteloos omheen reden. De reserve, wist hij, klaar om alles tegen de grond te rijden wat door de ringwal brak. In plaats van met zwaarden hadden ze zich met toortsen bewapend die ze nu aan de vlammen aanstaken.

Geesten overal om ons heen, schreef hij, toen hij de kreten van de noordflank hoorde. Komen tegelijkertijd van noord en zuid. Niet met speren en zwaarden te stuiten, alleen met vuur. ‘Los, los, los,’ schreeuwde een stem in de nacht, en een andere riep: ‘Verdomd groot!’ en een derde stem zei: ‘Een reus,’ en een vierde hield vol: ‘Een beer, een beer!’ Een paard hinnikte en de honden begonnen te blaffen, en er klonk zoveel geschreeuw dat Sam de stemmen niet meer kon horen. Hij schreef sneller, briefje na briefje. Dode wildlingen en een reus of misschien een beer op komst, overal om ons heen. Hij hoorde het gekraak van staal op hout, wat maar een ding kon betekenen. Geesten over de ringwal. Strijd in het kamp. Een tiental bereden broeders denderde hem voorbij naar de oostelijke wal, en alle ruiters droegen de wapperende vlammen van brandende fakkels bij zich. Opperbevelhebber Mormont houdt hen tegen met vuur. We hebben gewonnen. We winnen. We houden stand. We banen ons een weg naar buiten en trekken ons terug op de Muur. We zitten vast op de Vuist, zwaar in het nauw.

Een van de mannen van de Schaduwtoren kwam uit het donker aanwankelen en viel aan Sams voeten neer. Hij kroop door tot op een voet van het vuur voordat hij stierf. Verloren, schreef Sam. De strijd is verloren. We zijn allemaal verloren.

Waarom moest hij nu aan die strijd op de Vuist denken? Hij wilde er helemaal niet aan denken. Niet dááraan. Hij probeerde zich zijn moeder te herinneren, of zijn zusje Talla, of het meisje Anje in Crasters Burcht. Iemand schudde hem aan zijn schouders. ‘Opstaan,’ zei een stem. ‘Sam, je kunt hier niet gaan slapen. Sta op en loop door.’

Ik sliep niet. Ik haalde herinneringen op. ‘Ga weg,’ zei hij, en zijn woorden dampten in de koude lucht. ‘Niks aan de hand. Ik wil uitrusten.’

‘Sta op.’ De stem van Gren, rauw en schor. Hij rees boven Sam uit, zijn zwarte kleren onder de sneeuwkorsten. ‘Er wordt niet uitgerust, heeft de ouwe Beer gezegd. Dat wordt je dood.’

‘Gren.’ Hij glimlachte. ‘Nee, echt, ik voel me hier prima. Loop jij maar door. Ik haal je wel in als ik nog wat langer heb gerust.’

‘O nee.’ Om zijn mond heen was Grens dichte bruine baard stijf bevroren. Hij leek net een oude man. ‘Dan bevries je, of de Anderen halen je. Sam, sta op!’

De nacht voordat ze van de Muur vertrokken had Pyp Gren zoals gebruikelijk zitten plagen, wist Sam nog. Hij had glimlachend gezegd dat het een goede keus was geweest een wachtruiter van Gren te maken, omdat hij te dom was om bang te zijn. Gren had dat heftig ontkend, tot hij had begrepen wat hij eigenlijk zei. Hij was stevig gebouwd, dik van nek en sterk — ser Alliser Doren had hem de ‘Oeros’ genoemd, zoals hij Sam ‘ser Biggetje’ en Jon ‘heer Sneeuw’ noemde — maar hij had Sam altijd redelijk goed behandeld. Maar dat was alleen maar vanwege Jon. Als Jon er niet was geweest, hadden ze me geen van allen gemoeten. En nu was Jon weg, samen met Quorin Halfhand zoekgeraakt in de Snerpende Pas en hoogstwaarschijnlijk dood. Sam zou om hem gehuild hebben, ware het niet dat ook die tranen bevroren zouden zijn, en nu kon hij zijn ogen bijna niet meer openhouden.

Een lange broeder met een toorts bleef naast hen staan, en één heerlijk moment lang voelde Sam de warmte op zijn wang. ‘Laat liggen,’ zei de man tegen Gren. ‘Als ze niet meer kunnen lopen zijn ze gezien. Spaar je krachten voor jezelf, Gren.’

‘Hij staat wel weer op,’ antwoordde Gren. ‘Hij heeft alleen wat hulp nodig.’

De man liep door, met medeneming van die zalige warmte. Gren probeerde Sam overeind te trekken. ‘Dat doet pijn,’ klaagde hij. ‘Hou op, Gren, je doet mijn arm pijn. Ophouden.’

‘Je bent verdomme veel te zwaar.’ Gren ramde zijn handen onder Sams oksels, gromde, en hees hem overeind. Maar op het ogenblik dat hij losliet plofte de dikke jongen weer in de sneeuw. Gren gaf hem een trap, een stevige oplawaai waardoor de sneeuw op zijn laarzen barstte en alle kanten op vloog. ‘Opstaan!’ Hij schopte hem nog een keer. ‘Sta op en loop door. Je moet blijven lopen.’

Sam viel opzij en rolde zich in een dichte bal op om zich tegen de schoppen te beschermen. Door alle wol, leer en maliën heen voelde hij ze nauwelijks, maar toch deden ze pijn. Ik dacht dat Gren mijn vriend was. Je moet je vrienden niet schoppen. Waarom laten ze me niet met rust? Ik moet alleen maar uitrusten, rusten, en wat slapen, en misschien een beetje doodgaan.

‘Als jij de toorts draagt neem ik die dikzak wel mee.’

Ineens zwaaide hij omhoog, met een ruk de koude lucht in, weg van zijn lieve, zachte sneeuw. Hij zweefde. Hij voelde een arm onder zijn knieën en nog een onder zijn rug. Sam hief zijn hoofd op en knipperde met zijn ogen. Vlakbij doemde een gezicht op, een breed, grof gezicht met een platte neus, kleine donkere oogjes en een dichte bos ruige bruine baardharen. Hij had dat gezicht vaker gezien, maar het duurde even voor hij het weer wist. Paul. Paultje. Door de hitte van de toorts liep er gesmolten ijs in zijn ogen. ‘Kun je hem dragen?’ hoorde hij Gren vragen.

‘Ik heb eens een kalf gedragen dat zwaarder was dan hij. Dat heb ik naar z’n moeder gedragen, kon het een slokje melk drinken.’

Sams hoofd deinde op en neer bij iedere stap die Paultje deed. ‘Ophouden,’ pruttelde hij. ‘Zet me neer, ik ben geen klein kind. Ik ben een man van de Nachtwacht.’ Hij snikte. ‘Laat me nou gewoon doodgaan.’

‘Hou je kop, Sam,’ zei Gren. ‘Spaar je krachten. Denk aan je zusjes en je broer. Aan maester Aemon. Aan je lievelingseten. Zing desnoods een liedje.’

‘Hardop?’

‘Inwendig.’

Sam kende wel honderd liederen, maar toen hij zich er een te binnen probeerde te brengen lukte dat niet. De woorden waren volledig uit zijn hoofd verdwenen. Hij snikte nog eens en zei: ‘Ik ken geen liedjes, Gren. Vroeger wel, maar nu niet meer.’

‘Wel waar,’ zei Gren. ‘Wat denk je van “De beer en het meisje teer”? Dat kent iedereen. Er was een beer, een beer, een beer! Heel zwart en bruin en harig, ozeer!’

‘Nee, die niet,’ smeekte Sam. De beer die de Vuist op gekomen was had geen haar meer gehad op zijn rottende lijf. Hij wilde niet aan beren denken. ‘Geen liedjes. Alsjeblieft, Gren.’

‘Denk dan aan je raven.’

‘Die zijn nooit van mij geweest.’ Het waren de raven van de opperbevelhebber, de raven van de Nachtwacht. ‘Ze behoorden aan Slot Zwart en de Schaduwtoren.’

Paultje fronste. ‘Chet zei dat ik de raaf van de ouwe Beer wel kon krijgen, dat beest dat kan praten. Ik had er eten voor gespaard, en zo.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Maar dat ben ik vergeten. Ik heb het eten laten liggen op de plaats waar ik het verstopt had.’ Hij zwoegde voort, en bij elke stap kwam er fletse witte adem uit zijn mond. Toen zei hij plotseling: ‘Mag ik een van je raven hebben? Eentje maar. Ik zal hem niet door Lark laten opvreten.’

‘Ze zijn weg,’ zei Sam. ‘Het spijt me.’ Het spijt me zo. ‘Ze vliegen nu terug naar de Muur.’ Hij had de vogels vrijgelaten toen hij de krijgshoorns opnieuw hoorde schallen om de Wacht te paard te roepen. Twee korte stoten en een lange, dat was het signaal om op te stijgen. Maar er was geen reden om op te stijgen, tenzij om de Vuist te verlaten, en dat hield in dat de strijd verloren was. De vrees greep hem zo hevig bij de keel dat Sam alleen nog de kooien kon openen. Maar toen hij de laatste raaf door de sneeuwstorm omhoog zag wieken besefte hij dat hij vergeten was ook maar een van de berichten die hij had geschreven te versturen.

‘Nee,’ had hij gejammerd, ‘O nee, o nee.’ De sneeuw viel en de hoorns schalden. Ahoeoeoe ahoeoeoe ahoeoeoeoeoeoeoeoeoe, riepen ze, te paard, te paard, te paard. Sam zag twee raven op een rots zitten en holde eropaf, maar de vogels waren loom weggefladderd door de rondwarrelende sneeuw, in tegengestelde richtingen. Hij had er een achtervolgd, waarbij zijn adem in dikke witte wolken uit zijn neus dampte. Maar hij struikelde en landde op de grond, op tien voet van de ringwal.

Daarna… herinnerde hij zich de doden die met pijlen in hun gezicht en door hun keel de stenen over waren gekomen. Sommigen waren geheel in maliën gehuld en anderen bijna naakt … voor het merendeel wildlingen, maar een enkeling droeg verschoten zwart. Hij herinnerde zich hoe een van de mannen uit de Schaduwtoren zijn speer dwars door de bleekwitte buik van een geest had gedreven, zodat hij er aan de achterkant uit kwam, en hoe het ding tegen de schacht in was gewankeld en zijn zwarte handen had uitgestoken en het hoofd van de broeder had omgedraaid tot het bloed uit zijn mond spoot. Dat was de eerste keer geweest dat zijn blaas was leeggelopen, dat wist hij bijna zeker.

Het stond hem niet meer bij dat hij was weggerend, maar dat moest wel, want het volgende wat hij wist was dat hij zich een half kamp verderop bij het vuur bevond, met de oude ser Ottyn Welck en een paar boogschutters. Ser Ottyn zat op zijn knieën in de sneeuw naar de chaos om hen heen te staren, totdat er een paard zonder ruiter voorbij kwam en hem in zijn gezicht trapte. De schutters sloegen geen acht op hem. Ze schoten brandende pijlen naar schimmen in het donker. Sam zag hoe een geest geraakt werd, zag hoe de vlammen hem verzwolgen, maar daarachter kwamen er nog tien, en een enorme, bleke gestalte die de beer moest zijn geweest, en al gauw hadden de schutters geen pijlen meer.

En toen zat Sam op een paard. Het was niet zijn eigen paard, en hij kon zich ook absoluut niet herinneren dat hij opgestegen was. Wie weet was het wel het paard dat ser Ottyns gezicht had ingetrapt. Dehorens schalden nog steeds, dus dreef hij het paard aan en wendde het in de richting van het geluid.

Midden in de slachting en de chaos en de rondwervelende sneeuw trof hij Ed van de Smarten aan, zittend op zijn garron, met een effen zwarte banier aan een speer. ‘Sam,’ zei Ed toen hij hem zag, ‘wil je me alsjeblieft wakker maken? Ik heb toch zo’n vreselijke nachtmerrie.’

Er stegen voortdurend meer mannen op. De krijgshoorns riepen hen terug. Ahoeoeoe ahoeoeoe ahoeoeoeoeoeoeoeoeoe. ‘Ze komen aan de westkant over de muur, heer,’ schreeuwde Thoren Smalhout tegen de ouwe Beer, terwijl hij vocht om zijn paard in bedwang te krijgen. ‘Ik stuur reserves…’

‘NEE!’ Mormont moest uit alle macht brullen om boven de hoorns uit te komen. ‘Roep ze terug, we moeten ons een uitweg banen.’ Hij ging in zijn stijgbeugels staan. Zijn zwarte mantel klapperde in de wind, het vuur fonkelde op zijn wapenrusting. ‘Speerpunt!’ brulde hij. ‘Vorm een wig, we vertrekken. De zuidflank af, dan naar het oosten.’

‘Heer, de zuidflank wemelt van die dingen!’

‘Elders is het te steil,’ zei Mormont. ‘We hebben…’

Zijn garron hinnikte en steigerde en wierp hem bijna af toen de beer door de sneeuw aan kwam wankelen. Opnieuw pieste Sam zich helemaal onder. Ik had niet gedacht dat er nog iets in zat. De beer was dood, bleek en verrot, de afgestorven vacht en huid aan flarden en de helft van zijn rechtervoorpoot tot op het bot verbrand, maar hij bleef komen. Alleen de ogen leefden. Felblauw, precies zoals Jon zei. Ze fonkelden als ijskoude sterren. Thoren Smalhout viel aan. Zijn zwaard blikkerde oranjerood in het schijnsel van de vlammen. Hij hakte de beer bijna zijn kop af. En toen was zijn hoofd voor de beer.

‘RIJDEN!’ schreeuwde de opperbevelhebber, terwijl hij zijn paard omwierp.

Tegen de tijd dat ze de ring bereikten waren ze in galop. Sam was altijd te bang geweest om een sprong met een paard te maken, maar toen de lage stenen muur voor hem opdoemde wist hij dat hij geen keus had. Hij spoorde zijn rijdier aan, sloot zijn ogen en jankte zacht, en de garron droeg hem erover. Hoe wist hij niet. De ruiter rechts van hem landde met een harde klap in een wirwar van staal, leer en schreeuwend paardenvlees, de geesten krioelden over hem heen en de wig sloot zich. Ze stortten zich de helling af, door zwarte grijphanden, vurige blauwe ogen en rondwarrelende sneeuw heen. Paarden struikelden en rolden om, mannen werden uit het zadel getrokken, toortsen tolden door de lucht, bijlen en zwaarden hakten op dood vlees in en Samwel Tarling snikte en klampte zich wanhopig aan zijn paard vast met een kracht die hij zelf niet voor mogelijk had gehouden.

Hij bevond zich midden in de vliegende speerpunt, met broeders aan weerszijden, en ook voor en achter hem. Een hond rende een eindje met hen mee en sprong tussen de paarden door de besneeuwde helling af maar kon het tempo niet bijhouden. De geesten hielden stand en werden tegen de grond gereden en door hoeven vertrapt. Terwijl ze vielen graaiden ze naar zwaarden, stijgbeugels en passerende paardenbenen. Sam zag hoe een rechter klauw de buik van een garron openhaalde, terwijl de linker zich aan het zadel vastklemde.

Plotseling waren er overal bomen om hen heen en plonsde Sam door een bevroren beek, terwijl achter hem de geluiden van de slachtpartij vervaagden. Hij draaide zich om, ademloos van opluchting… tot er een man in het zwart uit de struiken sprong en hem uit het zadel trok. Sam kreeg niet de kans om te zien wie het was, want hij zat binnen een tel op het paard en het volgende moment ging hij er in galop vandoor. Toen Sam achter het paard aan wilde rennen bleef zijn voet achter een boomwortel haken en viel hij hard op zijn gezicht. Hij bleef als een baby liggen huilen tot hij door Ed van de Smarten werd gevonden.

Dat was zijn laatste samenhangende herinnering aan de Vuist van de Eerste Mensen. Later, uren later, stond hij huiverend tussen de rest van de overlevenden, waarvan de helft te paard en de helft te voet was. Ze hadden de Vuist inmiddels mijlen achter zich gelaten, al wist Sam niet hoe. Dywen had vijf pakpaarden meegenomen, zwaar beladen met voedsel, olie en toortsen, en drie daarvan hadden het tot dusverre gered. De oude Beer liet de bepakking herverdelen, opdat het verlies van één paard met voorraden en al niet te catastrofaal zou zijn. Hij gaf de garrons van mannen die ongedeerd waren aan de gewonden, stelde de lopers in marsorde op en reikte toortsen uit ter bescherming van hun flanken en achterhoede. Ik hoef alleen maar te lopen, zei Sam bij zichzelf toen hij die eerste stap naar huis zette. Maar er was nog geen uur voorbij of hij begon te zwoegen en achterop te raken…

Ook nu raakten ze achterop, zag hij. Het stond hem bij dat Pyp eens had gezegd dat Paultje de sterkste man in de Wacht was. Dat moet wel, als hij mij kan dragen. Maar intussen werd de sneeuw dieper, de bodem verraderlijker en begonnen Pauls passen korter te worden. Er kwamen meer ruiters langs, gewonden die met doffe blikken zonder enige nieuwsgierigheid naar Sam keken. Ook passeerden er een paar toortsdragers. ‘Jullie raken achter,’ zei er een. De volgende bevestigde dat. ‘Niemand zal op je wachten, Paul. Laat die big toch voor de doden achter.’

‘Hij heeft me een vogel beloofd,’ zei Paultje, al had Sam dat niet echt gedaan. Ik mag ze niet weggeven. ‘Ik wil een pratende vogel die maïs uit mijn hand eet.’

‘Stompzinnige idioot,’ zei de man met de toorts. En hij was weg.

Een poosje daarna bleef Gren plotseling staan. ‘We zijn alleen,’ zei hij schor. ‘Ik kan de andere toortsen niet meer zien. Was dat de achterhoede?’

Daar had Paultje geen antwoord op. De forse kerel gromde en zonk op zijn knieën. Met trillende armen legde hij Sam voorzichtig in de sneeuw. ‘Ik kan je niet meer dragen. Ik wil wel, maar het gaat niet.’ Hij klappertandde hevig.

De wind zuchtte door de bomen en blies fijne stuifsneeuw in hun gezicht. De kou was zo bitter dat Sam zich naakt voelde. Hij zocht naar de andere toortsen maar die waren allemaal weg. Ze hadden alleen nog die van Gren, waarvan de vlammen wapperden als lichtoranje zijde. Hij kon erdoorheen kijken naar het zwart daarachter. Die toorts is binnenkort opgebrand, dacht hij, en dan zijn we helemaal alleen, zonder voedsel, vrienden of vuur.

Maar dat had hij mis. Ze waren helemaal niet alleen.

De lagere takken van de grote, groene wachtboom lieten hun lading sneeuw met een zachte, natte plof vallen. Gren draaide zich met een ruk om en stak zijn toorts naar voren. ‘Wie daar?’ Uit de duisternis dook een paardenhoofd op. Heel even was Sam opgelucht, totdat hij het paard zag. Rijp bedekte het als een dun laagje bevroren zweet, en een nest van stijve, zwarte ingewanden hing uit de opengehaalde buik. Op de rug zat een ruiter, zo wit als ijs. Onder in Sams keel steeg een jammerklacht op. Hij was zo bang dat hij zichzelf weer ondergepiest zou hebben als de kou niet binnen in hem had gehuisd, een kou die zo hevig was dat zijn blaas stijf bevroren leek. De ander gleed sierlijk uit het zadel, zodat hij op de sneeuw kwam te staan. Hij was slank als een kling en wit als melk. Zijn wapenrusting golfde en verschoot als hij bewoog, en zijn voeten lieten de pasgevallen sneeuwkorst intact.

Paultje haalde de langstelige bijl van zijn rug. ‘Waarom heb je dat paard pijn gedaan? Dat was Monnies paard.’

Sam greep naar zijn zwaardgevest, maar de schede was leeg. Te laat herinnerde hij zich dat hij het wapen op de Vuist had verloren.

‘Ga weg!’ Gren deed een stap naar voren en stak de toorts uit. ‘Weg, of je zult branden.’ Hij viel naar hem uit met de toorts.

Het zwaard van de Ander glansde met een vage, blauwe gloed. Hij schoot bliksemsnel op Gren af en haalde uit. Toen de ijsblauwe kling langs de vlammen schampte snerpte er een naaldscherp gekrijs in Sams oren. Het bovenstuk van de toorts vloog weg en verdween achter een sneeuwbank. Het vuur was meteen uit, en Gren had alleen nog een korte houten stok in zijn hand. Hij smeet hem vloekend naar de Ander, terwijl Paultje met zijn bijl in de aanval ging.

Sam was nog nooit zo bang geweest als op dat moment, en Samwel Tarling wist alles van angst af. ‘Genade, Moeder,’ huilde hij, want in zijn ontzetting vergat hij de oude goden. ‘Vader, sta me bij, o, o…’ Zijn vingers vonden zijn dolk, en hij vouwde zijn hand eromheen.

De geesten waren traag en onhandig geweest, maar de Ander was zo licht als sneeuw in de wind. Hij gleed met golvende wapenrusting bij Pauls bijl vandaan, en zijn kristallen zwaard draaide, wervelde rond en gleed tussen de ijzeren ringetjes van Pauls wapenrusting, dwars door leer, wol, vlees en been. Met een sissend geluid kwam het er van achteren weer uit, en Sam hoorde hoe Paul ‘o’ zei, toen hij zijn bijl verloor. Gespietst, terwijl zijn bloed van het zwaard dampte, trachtte de forse kerel met zijn handen zijn moordenaar te bereiken. Dat lukte bijna, maar toen viel hij. Door zijn gewicht werd het vreemde, bleke zwaard uit de greep van de Ander gerukt.

Doe het nu. Stop met grienen en vecht, kleuter! Vecht, lafbek! Het was zijn vader die hij hoorde, het was ser Alliser Doren, het waren zijn broertje Dickon en de jongen Rast. Lafbek, lafbek, lafbek. Hij giechelde hysterisch toen hij zich afvroeg of ze hem in een geest zouden veranderen, een reusachtig dikke, witte geest die voortdurend over zijn eigen dode benen struikelde. Doe het, Sam. Was dat Jon? Jon was dood. Je kunt het, je kunt het, doe het dan. En toen struikelde hij naar voren, feitelijk meer vallend dan rennend, met zijn ogen dicht en de dolk blindelings met beide handen voor zich uitgestoken. Hij hoorde gekraak, als van ijs dat breekt als iemand erop trapt, en toen een gekrijs, zo schril en scherp dat hij acheruitdeinsde met zijn handen over zijn omwikkelde oren, en hard op zijn achterste kwakte.

Toen hij zijn ogen opende stroomde de wapenrusting van de Ander in straaltjes langs diens benen, terwijl het lichtblauwe bloed siste en dampte rond de zwarte dolk van drakenglas die uit zijn keel stak. Hij bracht twee spierwitte handen omhoog om het mes eruit te trekken, maar waar zijn vingers het obsidiaan raakten sloeg er stoom vanaf.

Sam rolde met wijd opengesperde ogen op zijn zij, terwijl de Ander kromp, vervloeide en oploste. Binnen twintig hartslagen was zijn vlees als ijle witte mist verdampt. Op de grond lagen beenderen als melkglas, bleek en glanzend, en ook die smolten weg. Ten slotte restte alleen nog de dolk van drakenglas, met stoom omwolkt, alsof hij leefde en zweette. Gren bukte zich om hem op te rapen en smeet hem meteen weer weg. ‘Moeder, dát is koud!’

‘Obsidiaan.’ Sam ging moeizaam op zijn knieën zitten. ‘Drakenglas noemen ze dat. Drakenglas. Drakenglas.’ Hij giechelde, en huilde en sloeg dubbel om zijn moed uit te braken in de sneeuw.

Gren trok Sam overeind, voelde Paultjes pols en sloot diens ogen. Toen raapte hij de dolk weer op. Ditmaal kon hij hem wel vasthouden.

‘Hou hem maar,’ zei Sam. ‘Jij bent niet zo’n lafbek als ik.’

‘Zo’n lafbek dat je een Ander hebt gedood.’ Gren wees met het mes. ‘Kijk daar eens, tussen de bomen. Roze licht. De dageraad, Sam. De dageraad. Daar moet het oosten zijn. Als we die kant opgaan halen we Mormont wel in.’

‘Als jij het zegt.’ Sam schopte met zijn linkervoet tegen een boom om de sneeuw eraf te krijgen. Toen met de rechter. ‘Ik zal het proberen.’ Met een grimas deed hij een stap. ‘Ik zal erg mijn best doen.’ En toen nog een.

Tyrion

Heer Tywins keten van handjes stak goudglanzend af tegen het diepe, wijnrode fluweel van zijn tuniek. De heren Tyrel, Roodweyn en Rowin schaarden zich om hem heen toen hij binnentrad. Hij begroette hen om beurten, zei zachtjes iets tegen Varys, kuste de ring van de Hoge Septon en de wang van Cersei, greep de hand van grootma ester Pycelle en nam plaats op de koninklijke zetel aan het hoofd van de langwerpige tafel, tussen zijn dochter en zijn broer.

Tyrion had beslag gelegd op Pycelles oude plekje aan het andere uiteinde. Hij zat op een stapel kussens om de tafel helemaal te kunnen overzien. Pycelle, van zijn zitplaats beroofd, was naast Cersei gaan zitten, zo ver bij de dwerg vandaan als mogelijk was zonder de zetel van de koning zelf te bezetten. De grootma ester was een schuifelend skelet dat zwaar op een kromme stok leunde en trilde bij het lopen. Aan zijn lange kippennek ontsproten een paar witte haren in plaats van zijn eens zo weelderige baard. Tyrion bekeek hem zonder een zweem van berouw.

De anderen moesten zich haasten om een stoel te bemachtigen: heer Hamer Tyrel, een zwaargebouwde, robuuste man met bruin krulhaar en een vierkante baard die flink met wit doorregen was, Paxter Roodweyn van het Prieel, dun en met gebogen schouders, zijn kale hoofd met plukjes oranje haar omkranst, Mathis Rowin, heer van Guldenloo, gladgeschoren, gezet en zweterig, de Hoge Septon, een breekbare man met een donzig wit sikje. Te veel vreemde gezichten, dacht Tyrion, te veel nieuwe spelers. Het spel is gewijzigd, terwijl ik in mijn bed lag te rotten, en niemand die me de regels vertelt.

O, de heren waren hoffelijk genoeg geweest, al kon hij zien hoe onaangenaam zijn aanblik hun was. ‘Die ketting van u, dat was een slimme vondst,’ had Hamer Tyrel jolig opgemerkt, en heer Roodweyn had geknikt en gezegd: ‘Inderdaad, inderdaad, de heer van Hooggaarde spreekt namens ons allen,’ en dat klonk al even opgewekt.

Zeg dat dan tegen de inwoners van deze stad, dacht Tyrion verbitterd. Zeg het tegen die ellendige zangers, met hun liederen over de schim van Renling.

Zijn oom Kevan was het hartelijkst geweest. Die had hem zelfs op de wangen gekust en gezegd: ‘Lancel heeft me verteld hoe dapper je bent geweest, Tyrion. Hij heeft een hele hoge dunk van je.’ Dat is hem geraden ook, of ik zal eens een boekje over hem opendoen. Hij dwong zich om te glimlachen en te zeggen: ‘Mijn waarde neef is al te goed. Zijn wond geneest, mag ik hopen?’

Ser Kevan fronste zijn voorhoofd. ‘De ene dag lijkt hij sterker, en de dag daarop… het is zorgwekkend. Je zuster zit vaak aan zijn ziekbed om hem op te vrolijken en voor hem te bidden.’

Maar bidt ze om zijn leven of om zijn dood? Cersei had hun neef schaamteloos misbruikt, zowel in bed als erbuiten, een geheimpje waarvan ze ongetwijfeld hoopte dat Lancel het in zijn graf zou meenemen nu vader hier was en ze hem niet meer nodig had. Maar zou ze zo ver gaan om hem te vermoorden? Als je haar vandaag zag zitten zou je Cersei tot een dergelijke meedogenloosheid in staat achten. Ze was de kalmte zelve, flirtte met heer Tyrel, terwijl ze Joffry’s bruiloftsfeest bespraken, complimenteerde heer Roodweyn met de moed van zijn tweeling, verzachtte heer Rowins norsheid met grapjes en lachjes en debiteerde vrome gemeenplaatsen tegen de Hoge Septon. ‘Zullen we met de voorbereidingen voor de bruiloft beginnen?’ vroeg ze, terwijl heer Tywin plaatsnam.

‘Nee,’ zei hun vader. ‘Met de oorlog. Varys?’

De glimlach van de eunuch was glad als zijde. ‘Ik heb toch zulk verrukkelijk nieuws voor u allen, heren. Gisterochtend vroeg heeft onze dappere heer Randyl bij Schemerdel Robet Hanscoe achterhaald en klem gezet met zijn rug naar de zee. De verliezen aan beide zijden waren zwaar, maar uiteindelijk kregen onze getrouwen de overhand. Ser Helman Talhart is dood, zegt men, samen met nog duizend anderen. Robet Hanscoe leidt de overlevenden met bebloede koppen in een wanordelijke aftocht naar Harrenhal terug, zonder te vermoeden dat hij de koene ser Gregor en zijn dapperen op zijn pad zal vinden.’

‘De goden zij geprezen!’ zei Paxter Roodweyn. ‘Een grote zege voor koning Joffry!’

Wat heeft Joffry ermee te maken? dacht Tyrion.

‘En zeker ook een vreselijke nederlaag voor het noorden,’ merkte Pinkje op, ‘maar wel één, waarin Robb Stark geen rol heeft gespeeld. De Jonge Wolf is nog ongeslagen in de strijd.’

‘Wat weten we van Starks plannen en bewegingen?’ vroeg Mathis Rowin, als altijd bot en ter zake.

‘Die is met zijn buit naar Stroomvliet terug gedraafd en heeft de kastelen die hij in het westen had veroverd verlaten,’ verklaarde heer Tywin. ‘Onze neef ser Daven brengt de overgebleven strijdkrachten van wijlen zijn vader weer bij elkaar in Lannispoort. Als ze zover zijn zal hij zich bij de Guldentand bij ser Forle Paape voegen. Zodra die jongen van Stark naar het noorden trekt zullen ser Forle en ser Daven Stroomvliet bestormen.’

‘Weet u wel zeker dat heer Stark van plan is naar het noorden te gaan?’ vroeg heer Rowin. ‘Zelfs al zitten de ijzermannen in de Motte van Cailin?’

Hamer Tyrel nam het woord. ‘Wat is er onzinniger dan een koning zonder koninkrijk? Nee, het is zo klaar als een klontje dat de jongen het rivierengebied moet verlaten, zijn krijgsmacht weer bij die van Rous Bolten moet voegen en op volle sterkte de Motte van Cailin moet bestormen. Dat is wat ik zou doen.’

Tyrion moest op zijn tong bijten. Robb Stark had in één jaar meer veldslagen gewonnen dan de heer van Hooggaarde in twintig. Tyrels reputatie berustte op één onduidelijke overwinning op Robert Baratheon bij Esfoort, in een slag die door heer Tarlings voorhoede al bijna beslist was voordat de hoofdmacht zelfs maar was gearriveerd. Het beleg van Stormeinde, waar Hamer Tyrel daadwerkelijk het bevel had gevoerd, had zich een jaar lang zonder enig resultaat voortgesleept, en na de slag bij de Drietand had de heer van Hooggaarde braaf zijn banieren voor Eddard Stark gestreken.

‘Ik zou Robb Stark een berispende brief moeten schrijven,’ zei Pinkje. ‘Ik heb begrepen dat die Bolten van hem geiten in mijn grote zaal stalt, dat getuigt wel van heel weinig scrupules.’

Ser Kevan Lannister schraapte zijn keel. ‘Nu we het toch over de Starks hebben… Balon Grauwvreugd, die zich tegenwoordig Koning van de Eilanden en het Noorden noemt, heeft ons zijn voorwaarden voor een bondgenootschap doen toekomen.’

‘Hij moet ons zijn vazallentrouw doen toekomen,’ snauwde Cersei. ‘Met welk recht noemt hij zich koning?’

‘Met het recht van de veroveraar,’ zei heer Tywin. ‘Koning Balon houdt de Nek in een wurggreep. De erfgenamen van Robb Stark zijn dood, Winterfel is gevallen en de ijzermannen bezetten de Motte van Cailin, die van Diephout, en het merendeel van de Stenige Kust. Koning Balons langschepen beheersen de zee van zonsondergang en bevinden zich in een uitstekende positie om Lannispoort, Fraaioog en zelfs Hooggaarde te bedreigen, mochten we hem provoceren.’

‘En als we met dat bondgenootschap instemmen?’ informeerde heer Mathis Rowin. ‘Hoe luiden zijn voorwaarden?’

‘Dat we zijn koningschap erkennen en alles ten noorden van de Nek aan hem laten.’

Heer Roodweyn lachte. ‘Niemand die bij zijn verstand is wil toch iets hebben wat boven de Nek ligt? Als Grauwvreugd zwaarden en zeilen voor steen en sneeuw wil ruilen, laten we dan ja zeggen en onszelf feliciteren.’

‘Inderdaad,’ beaamde Hamer Tyrel. ‘Mijn idee. Laat koning Balon met de Noorderlingen afrekenen, terwijl wij met Stannis afrekenen.’

Heer Tywins gezicht verried niets van zijn gevoelens. ‘We moeten ook nog bepalen wat we met Lysa Arryn doen. De weduwe van Jon Arryn, de dochter van Hoster Tulling, de zuster van Catelyn Stark… Haar echtgenoot was ten tijde van zijn dood in een samenzwering met Stannis Baratheon verwikkeld.’

‘O,’ zei Hamer Tyrel opgewekt, ‘vrouwen houden niet van oorlog. Laat haar met rust, zeg ik, die zal ons niet lastig vallen.’

‘Mee eens,’ zei Roodweyn. ‘Vrouwe Lysa heeft zich niet in de strijd gemengd en ook geen openlijk verraad gepleegd.’

Tyrion kwam in beweging. ‘Ze heeft mij in een cel gesmeten en me voor een halszaak terecht laten staan,’ merkte hij met enige rancune op. ‘Verder is ze niet naar Koningslanding teruggekomen om Joff trouw te zweren, zoals haar bevolen was. Heren, geef me de manschappen, en ik los de zaak Lysa Arryn op.’ Hij kon niets bedenken wat hij liever zou doen, behalve misschien Cersei wurgen. Soms droomde hij nog van de hemelcellen in het Adelaarsnest, en dan schrok hij wakker, badend in het klamme zweet.

Hamer Tyrel glimlachte joviaal, maar dat diende om zijn minachting te verhullen, bespeurde Tyrion. ‘Misschien moet u het vechten maar aan de vechters overlaten,’ zei de heer van Hooggaarde. ‘Lieden die meer mans waren dan u zijn in de Maanbergen in de pan gehakt, of hebben zich stukgelopen op de Bloedpoort. We weten wat u waard bent, heer. Het is niet nodig om het noodlot te tarten.’

Tyrion duwde zich met al zijn stekels overeind van zijn kussens op, maar voordat hij terug kon slaan nam zijn vader het woord. ‘Voor Tyrion heb ik andere taken in gedachte. Ik geloof dat heer Petyr wel eens de sleutel tot het Adelaarsnest zou kunnen bezitten.’

‘O, zeker,’ zei Pinkje. ‘Die zit hier tussen mijn benen.’ Zijn groengrijze ogen schitterden ondeugend. ‘Heren, met uw verlof stel ik voor dat ik naar de Vallei zal reizen om daar vrouwe Lysa Arryn het hof te maken en voor mij te winnen. Zodra ik haar heer gemaal ben zal ik de Vallei van Arryn zonder enig bloedvergieten aan u overleveren.’

Heer Rowin keek twijfelend. ‘Zou vrouwe Lysa u willen hebben?’

‘Ze heeft me al een paar keer gehad, heer Mathis, en daar niet over geklaagd.’

‘Een bedgenote,’ zei Cersei, ‘is nog geen echtgenote. Zelfs een koe als Lysa Arryn zal het verschil kunnen zien.’

‘Zeker. Voor een dochter van Stroomvliet was het ongepast geweest om zo ver beneden haar stand te trouwen.’ Pinkje spreidde zijn handen. ‘Maar nu … een verbintenis tussen de vrouwe van het Adelaarsnest en de heer van Harrenhal is toch niet zo ondenkbaar?’

Tyrion nam er notitie van dat Paxter Roodweyn en Hamer Tyrel een blik uitwisselden. ‘Het zou genoeg kunnen zijn,’ zei heer Rowin ‘mits u ervoor kunt instaan dat de vrouwe zijne genade de koning trouw blijft.’ .

‘Heren,’ sprak de Hoge Septon, ‘de herfst staat voor de deur, en alle weldenkende lieden zijn de oorlog beu. Indien heer Baelish zonder verder bloedvergieten de koningsvrede in de Vallei kan herstellen zullen de goden hem zeker zegenen.’

‘Maar kan hij dat?’ vroeg heer Roodweyn. ‘De zoon van Jon Arryn is nu heer van het Adelaarsnest. Heer Robert.’

‘Een kind nog,’ zei Pinkje. ‘Ik zal ervoor zorgen dat hij koning Joffry’s trouwste onderdaan en ons aller onafscheidelijke vriend wordt.’

Tyrion bekeek de slanke man met de puntbaard en de oneerbiedige grijsgroene ogen nauwlettend. Heer van Harrenhal een inhoudsloos eerbewijs? Barst toch, vader. Al zet hij nooit één voet in dat slot, de titel maakt deze verbintenis mogelijk, zoals hij al die tijd al geweten heeft.

‘Het ontbreekt ons niet aan vijanden,’ zei ser Kevan Lannister. ‘Als het Adelaarsnest buiten de oorlog gehouden kan worden, des te beter. Ik ben geneigd om af te wachten wat heer Petyr kan bereiken.’

Ser Kevan fungeerde in de raad als de voorhoede van zijn broer, zo had een jarenlange ervaring Tyrion geleerd. Hij had nog nooit een idee gehad dat niet van zijn broer afkomstig was. Het is allemaal al van tevoren geregeld, was zijn conclusie, en deze discussie is maar voor de schijn.

De schapen blaatten instemmend, niet beseffend hoe keurig netjes ze geschoren waren, dus was het aan Tyrion om er tegenin te gaan. ‘Hoe moet de kroon zijn schulden aflossen zonder heer Petyr? Hij is onze muntmagiër, en we hebben niemand die zijn plaats kan innemen.’

Pinkje glimlachte. ‘Mijn kleine vriend is al te vriendelijk. Het enige wat ik doe is kopertjes tellen, zoals koning Robert het placht te noemen. Iedere slimme koopman kan dat even goed… en een Lannister met de gouden hand van de Rots van Casterling zal mij ongetwijfeld verre overtreffen.’

‘Een Lannister?’ Tyrion kreeg een onaangenaam voorgevoel.

Heer Tywins ogen met de gouden vlekjes keken in de ongelijke ogen van zijn zoon. ‘Jij bent uitstekend op die taak berekend, lijkt me.’

‘Inderdaad!’ zei ser Kevan vol vuur. ‘Ik twijfel er niet aan dat je een geweldige muntmeester zult zijn, Tyrion.’

Heer Tywin wendde zich weer tot Pinkje. ‘Als Lysa Arryn bereid is u tot echtgenoot te nemen en de koningsvrede te herstellen, zullen wij heer Robert weer eervol tot Landvoogd van het Oosten verheffen. Hoe snel kunt u vertrekken?’

‘Morgenochtend, als de wind gunstig is. Buiten de ketting ligt een galei uit Braavos voor anker die per roeiboot geladen wordt. De Meermannenkoning. Ik zal bij de kapitein informeren of hij een kooi heeft.’

‘Dan mist u de bruiloft van de koning,’ zei Hamer Tyrel.

Petyr Baelish schokschouderde. ‘Getij en gevrij zijn niet tegen te houden, heer. Zodra de herfststormen beginnen wordt de reis veel hachelijker. Als ik verdrink ben ik lang niet meer zo’n charmante bruidegom.’

Heer Tyrel grinnikte. ‘Dat is waar. Blijft u maar niet talmen.’

‘Moge de goden uw reis bespoedigen,’ zei de Hoge Septon. ‘Heel Koningslanding zal om uw welslagen bidden.’

Heer Roodweyn kneep in zijn neus. ‘Kunnen we misschien op de kwestie van het bondgenootschap met Grauwvreugd terugkomen? Naar mijn mening valt er veel voor te zeggen. Als mijn vloot wordt uitgebreid met de langschepen van Grauwvreugd zijn we sterk genoeg om Drakensteen aan te vallen en een eind te maken aan de pretenties van Stannis Baratheon.’

‘Voorlopig zijn koning Balons langschepen druk bezet,’ zei heer Tywin beleefd, ‘net als wij. Grauwvreugd eist het halve koninkrijk als prijs voor een alliantie, maar wat zal hij doen om het te verdienen? Waarom betalen voor iets wat hij ons al vrijwillig heeft gegeven? Het beste wat we met de heer van Piek kunnen doen is naar mijn mening niets. Als ons meer tijd vergund is dient zich misschien een betere optie aan. Een die niet vereist dat de koning de helft van zijn koninkrijk opgeeft.’

Tyrion hield zijn vader nauwlettend in het oog. Er speelt hier iets dat hij verzwijgt. Hij herinnerde zich die belangrijke brieven die heer Tywin bezig was geweest te schrijven, die avond dat Tyrion de Rots van Casterling had opgeëist. Wat zei hij ook alweer? Sommige veldslagen worden met zwaarden en speren gewonnen, andere met ganzenveren en raven… Hij vroeg zich af wat die ‘betere optie’ was, en wat voor prijs hij bezig was te bedingen.

‘Misschien kunnen we het dan nu over de bruiloft hebben,’ zei ser Kevan.

De Hoge Septon besprak de voorbereidingen die in de grote sept van Baelor werden getroffen en Cersei beschreef tot in de details haar plannen voor het feest. Duizend personen zouden in de troonzaal eten, maar nog veel meer in de hoven. In het buitenhof en het middenhof zouden zijden tenten worden opgezet met tafels met eten en vaten bier voor iedereen die niet in de zaal kon worden ondergebracht.

‘Uwe genade,’ zei grootmaester Pycelle, ‘wat het aantal gasten betreft… wij hebben een raaf gekregen uit Zonnespeer. Terwijl wij praten zijn er driehonderd Dorners naar Koningslanding onderweg die nog voor de bruiloft hopen te arriveren.’

‘Langs welke weg komen ze?’ vroeg Hamer Tyrel bars. ‘Ze hebben geen verlof gevraagd om over mijn grondgebied te reizen.’ Zijn dikke nek was donkerrood geworden, merkte Tyrion. Dorners en Hooggaarders hadden elkaar nooit erg kunnen lijden en waren zelfs in vredestijd de bergen en moerassen overgestoken om elkaars grondgebied te plunderen. De vijandschap was wat verminderd sinds Dorne deel uitmaakte van de Zeven Koninkrijken… tot de prins uit Dorne die de Rode Adder werd genoemd de jeugdige erfgenaam van Hooggaarde in een toernooi had verminkt. Dit kan netelig worden, dacht de dwerg, terwijl hij afwachtte hoe zijn vader dit zou aanpakken.

‘Prins Doran komt op uitnodiging van mijn zoon,’ zei heer Tywin kalm, ‘en niet alleen om aan de feestelijkheden deel te nemen, maar ook om zijn zetel in de raad in te nemen en de gerechtigheid te eisen voor de moord op zijn zuster Elia en haar kinderen die hem door Robert was onthouden.’

Tyrion observeerde de gezichten van de heren Tyrel, Roodweyn en Rowin en vroeg zich af of een van hen het lef zou hebben om te zeggen: ‘Maar heer Tywin, was ú het niet die de lijken aan Robert toonde, van top tot teen in Lannister-mantels gewikkeld?’ Ze deden het geen van drieën, maar hun gezicht sprak boekdelen. Roodweyn kan het geen moer schelen, dacht hij, maar Rowin moet er bijna van kotsen.

‘Als de koning met uw Marjolij getrouwd is en Myrcella met prins Trystan zullen wij allen één groot huis zijn,’ hield ser Kevan Hamer Tyrel voor. ‘De vijandschap moet verleden tijd blijven, dunkt u ook niet, heer Hamer?’

‘Dit is de bruiloft van mijn dochter…’

‘En die van mijn kleinzoon,’ zei heer Tywin ferm. ‘Dat is toch niet de plaats om vroegere twisten uit te vechten?’

‘Met Dóran Martel heb ik geen ruzie,’ hield heer Tyrel vol, al klonk zijn stem meer dan een beetje haatdragend. ‘Als hij in vrede het Bereik over wil steken hoeft hij mij slechts om verlof te vragen.’

Weinig kans, dacht Tyrion. Hij gaat via de Beenderweg de bergen over, slaat bij Zomerhal naar het oosten af en reist dan verder over de Koningsweg.

‘Driehonderd Dorners hoeven onze plannen niet te verstoren’ zei Cersei. ‘We kunnen de krijgsknechten op de binnenplaats te ‘eten geven, voor de jonkertjes en hooggeboren ridders een paar extra banken in de troonzaal persen en voor vorst Doran een ereplaats op het podium zien te vinden.’

Daar doe ik niet aan mee, was de boodschap die Tyrion in de ogen van Hamer Tyrel las. De heer van Hooggaarde zei echter niets, maar knikte kort.

‘Misschien kunnen we tot een aangenamer taak overgaan,’ zei heer Tywin. ‘De vruchten van de overwinning zijn klaar om verdeeld te worden.’

‘Niets heerlijker dan dat,’ zei Pinkje, die zijn eigen vrucht, Harrenhal, al had opgeslokt.

Elke heer had zo zijn eisen: dit slot en dat dorp, stukken land, een stroompje, een bos, de voogdij over bepaalde minderjarigen die na de veldslag vaderloos achtergebleven waren. Gelukkig waren dergelijke vruchten in overvloed beschikbaar en kreeg iedereen zijn weesjes en kastelen. Varys had lijsten. Zevenenveertig onbeduidende jonkertjes en zeshonderdnegentien ridders waren omgekomen onder het vurige hart van Stannis en zijn Heer des Lichts, samen met ettelijke duizenden gewone krijgsknechten. Aangezien dat allemaal verraders waren, werden hun nazaten onterfd en hun grondgebied en kastelen geschonken aan hen die trouwer waren gebleken.

Hooggaarde haalde de rijkste oogst binnen. Tyrion bezag de ampele buik van Mace Tyrel en dacht: Die heeft een geweldige eetlust. Tyrel eiste de grond en de kastelen op van heer Alester Florens, zijn eigen baanderman, die de buitengewone beoordelingsfout had gemaakt om eerst koning Renling en vervolgens Stannis te steunen. Heer Tywin was hem graag terwille. Lichtwaterburg werd met al zijn grond en inkomsten aan heer Tyrels tweede zoon ser Garlan gegeven, waardoor deze in een oogwenk in een machtig heerschap werd omgetoverd. Zijn oudere broer zou natuurlijk Hooggaarde zelf erven.

Kleinere lappen grond vielen heer Rowin toe en werden voor heer Tarling, vrouwe Eikhart, heer Hoogtoren en andere afwezige grootheden gereserveerd. Heer Roodweyn vroeg slechts om dertig jaar ontheffing van de belastingen waarmee Pinkje en zijn wijnfactoors een aantal van de beste wijnen van het Prieel hadden bezwaard. Toen daarmee ingestemd werd, verklaarde hij dat hij uiterst tevreden was en stelde voor een vaatje guldenwijn uit het Prieel te laten komen om een heildronk op de goede koning Joffry en zijn wijze en milddadige Hand uit te brengen. Toen verloor Cersei haar geduld. ‘Joff heeft behoefte aan zwaarden, niet aan heildronken. Zijn rijk wordt nog steeds door usurpatoren en zelfbenoemde koningen geteisterd.’

‘Maar niet lang meer, denk ik,’ zei Varys zalvend.

‘Er blijven nog enkele zaken over, heren.’ Ser Kevan raadpleegde zijn papieren. ‘Ser Addam heeft een paar kristallen uit de kroon van de Hoge Septon gevonden. Het lijkt nu wel zeker dat de dieven de kristallen eruit gebroken en het goud gesmolten hebben.’

‘Onze Vader in den Hoge weet van hun schuld en zal over hen allen richten,’ zei de Hoge Septon vroom.

‘Ongetwijfeld,’ zei heer Tywin. ‘Toch moet u op de bruiloft van de koning gekroond worden. Cersei, laat je goudsmeden komen, we moeten voor vervanging zorgen.’ Hij wachtte haar reactie niet af, maar wendde zich meteen tot Varys. ‘Hebt u verslagen?’

De eunuch trok een perkament uit zijn mouw. ‘Buitengaats bij de Vingers is een kraken gezien.’ Hij giechelde. ‘Geen Grauwvreugd hoor, een echte. Hij heeft een Ibbenese walvisvaarder aangevallen en ondergetrokken. Op de Stapstenen wordt gevochten en een nieuwe oorlog tussen Tyrosh en Lys hangt in de lucht. Beide hopen een alliantie met Myr te sluiten. Zeelieden die zijn teruggekeerd uit de Zee van Jade vertellen dat er in Qarth een driekoppige draak is uitgebroed die nu het wonder van die stad is…’

‘Draken en kraken interesseren me niet, ongeacht het aantal van hun koppen,’ zei heer Tywin. ‘Hebben uw fluisteraars wellicht ook enig spoor van de zoon van mijn broer gevonden?’

‘Helaas, onze dierbare Tyrek is volkomen spoorloos, de arme, dappere jongen.’ Varys leek de tranen nabij.

‘Tywin,’ zei ser Kevan, voordat heer Tywin zijn zichtbare ongenoegen kon ventileren, ‘een paar van de goudmantels die tijdens de slag zijn gedeserteerd druppelen nu weer in hun barakken binnen in de verondersteling dat ze hun plicht weer hervatten. Ser Addam wil weten wat hij met hen moet doen.’

‘Ze hebben Joff met hun lafheid mogelijk in gevaar gebracht,’ zei Cersei onmiddellijk. ‘Ik wil dat ze terechtgesteld worden.’

Varys zuchtte. ‘Ze hebben zeker de dood verdiend, uwe genade, dat valt niet te ontkennen. En toch doen we er misschien verstandiger aan hen naar de Nachtwacht te sturen. De boodschappen van de Muur zijn de laatste tijd verontrustend. Over wildlingen die in beweging zijn…’

‘Wildlingen, kraken en draken.’ Hamer Tyrel grinnikte. ‘Is er ook iemand die niét in beweging is?’

Dat negeerde heer Tywin. ‘Het is het beste om de deserteurs als lesje te laten dienen. Breek hun met hamers de knieën. Dan lopen ze nooit meer weg, noch enig ander die hen op straat ziet bedelen.’ Hij keek de tafel langs om te zien of iemand van de andere heren het daar niet mee eens was.

Tyrion dacht aan zijn eigen bezoek aan de Muur, en aan de krabben die hij met de oude heer Mormont en zijn officieren had gegeten. Hij herinnerde zich ook de angsten van de ouwe Beer. ‘Misschien kunnen we er een paar de knieën breken om duidelijk te maken waar het op staat. De rest kunnen we dan naar Mars sturen. De Muur is zwaar onderbemand. Als de Muur valt…’

‘…overstromen de wildlingen het noorden,’ maakte zijn vader de zin af, ‘en hebben de Starks en Grauwvreugd nog een vijand om mee af te rekenen. Ze wensen zich kennelijk niet meer aan de IJzeren Troon te onderwerpen, dus met welk recht vragen ze de IJzeren Troon om hulp? Koning Robb en koning Balon eisen beiden het noorden op. Laten zij het dan ook verdedigen, als ze kunnen. En zo niet, dan kan die Mans Roover nog weleens een nuttige bondgenoot blijken te zijn.’ Heer Tywin keek naar zijn broer. ‘Nog meer?’

Ser Kevan schudde zijn hoofd. ‘We zijn klaar, heren. Zijne genade koning Joffry is u ongetwijfeld dankbaar voor uw wijsheid en goede raad.’

‘Ik zou graag een persoonlijk gesprek met mijn kinderen hebben,’ zei heer Tywin, terwijl de anderen opstonden om te vertrekken. ‘En ook met jou, Kevan.’

Gehoorzaam namen de andere raadsleden afscheid. Varys vertrok als eerste, Tyrel en Roodweyn waren de laatsten. Toen de kamer leeg was op de vier Lannisters na sloot ser Kevan de deur.

‘Muntmeester?’ zei Tyrion met een dun, gespannen stemmetje. ‘Mag ik weten wiens idee dat was?’

‘Dat van heer Petyr,’ zei zijn vader, ‘maar het is nuttig als de schatkist in handen van een Lannister is. Je had om belangrijk werk gevraagd. Ben je bang dat je niet tegen de taak opgewassen bent?’

‘Nee,’ zei Tyrion. ‘Ik vrees een valstrik. Pinkje is geslepen en eerzuchtig. Ik vertrouw hem niet. En dat kunt u beter ook niet doen.’

‘Hij heeft Hooggaarde aan onze kant gekregen…’ begon Cersei.

‘…en jou Ned Stark verkocht, dat weet ik. Ons zal hij net zo snel verkopen. In de verkeerde handen is een munt even gevaarlijk als een zwaard.’

Zijn oom Kevan keek hem bevreemd aan. ‘Voor ons toch zeker niet? Het goud van de Rots van Casterling…’

‘…wordt uit de grond gehaald. Het zijne heeft Pinkje met een knip van zijn vingers uit de lucht getoverd.’

‘Jij beschikt niet over zulke nuttige vaardigheden, lieve broer,’ spon Cersei met een stem die mierzoet was van kwaadaardigheid. ‘Pinkje is een leugenaar…’

‘…en nog zwart ook, zoals de raaf van de kraai zei.’

Heer Tywin sloeg met zijn hand op de tafel. ‘Genoeg!’ Ik wens dat ongepaste gebakkelei niet meer te horen. Jullie zijn allebei Lannisters, en als zodanig zullen jullie je gedragen ook.’

Ser Kevan schraapte zijn keel. ‘Ik zie liever dat Petyr Baelish over het Adelaarsnest heerst dan een van de anderen die vrouwe Lysa het hof maken. Yan Roys, Lyn Corbree, Horten Roodfoort… allemaal op hun manier gevaarlijke lieden. En trots. Pinkje mag dan sluw zijn, hij is noch hooggeboren, noch een goed vechter. De heren van de Vallei zullen zo iemand nooit als hun leenheer aanvaarden.’ Hij keek naar zijn broer. Toen heer Tywin knikte, vervolgde hij: ‘Daar komt nog bij dat heer Petyr zijn trouw blijft bewijzen. Gisteren meldde hij ons nog dat de Tyrels een complot hebben gesmeed om Sansa Stark voor een “bezoekje” naar Hooggaarde te ontvoeren en haar daar aan heer Hamers oudste zoon Willas uit te huwelijken.’

‘Heeft Pinkje dat gemeld?’ Tyrion leunde tegen de tafel. ‘Niet onze meester der fluisteraars? Wat interessant.’

Cersei keek hun oom ongelovig aan. ‘Sansa is mijn gijzelaar. Ze gaat nérgens heen zonder mijn verlof.’

‘Dat verlof zul je wel moeten geven als heer Tyrel erom vraagt,’ merkte hun vader op. ‘Een weigering staat gelijk met een openlijke verklaring van wantrouwen. Daar zou hij aanstoot aan nemen.’

‘Nou en? Wat kan ons dat schelen?’

Stomme idioot, dacht Tyrion. ‘Lieve zuster,’ legde hij geduldig uit, ‘beledig Tyrel, en je beledigt ook Roodweyn, Tarling, Rowin en Hoogtoren, zodat ze zich misschien gaan afvragen of Robb Stark hun wensen niet wat meer tegemoet zal komen.’

‘Ik wil de roos en de schrikwolf niet op één kussen hebben,’ verklaarde heer Tywin. ‘We moeten hem voor zijn.’

‘Hoe?’ vroeg Cersei.

‘Met huwelijken. Om te beginne het jouwe.’

Dat kwam zo plotseling dat Cersei hem een ogenblik lang slechts kon aanstaren. Toen kleurden haar wangen rood alsof ze geslagen was. ‘Nee. Niet weer. Ik wil niet.’

‘Uwe genade,’ zei ser Kevan hoffelijk, ‘u bent een jonge vrouw en nog steeds mooi en in de vruchtbare leeftijd. U kunt toch niet de rest van uw leven alleen blijven? Een nieuw huwelijk zou die praatjes over incest voor eens en altijd de kop indrukken.’

‘Zolang je ongetrouwd blijft geef je Stannis de gelegenheid zijn walgelijke laster te verspreiden,’ zei heer Tywin tegen zijn dochter. ‘Je moet een nieuwe echtgenoot in je bed hebben die kinderen bij je verwekt.’

‘Drie kinderen is echt wel genoeg. Ik ben de koningin van de Zeven Koninkrijken, geen fokmerrie. Ik ben de regentes!’

‘Je bent mijn dochter, en je zult doen wat ik zeg.’

Ze stond op. ‘Ik blijf hier niet zitten, om te luisteren naar…’

‘Dat doe je wel, als je enige inbreng wilt bij de keuze van je volgende echtgenoot,’ zei heer Tywin bedaard.

Toen ze aarzelde en weer ging zitten wist Tyrion dat ze verloren was, al verklaarde ze nog zo luidkeels: ‘Ik trouw niet meer!’

‘Je trouwt wel, en je zult kinderen baren. Elk kind dat je baart zet Stannis meer als leugenaar te kijk.’ Hun vaders ogen leken haar aan haar stoel vast te nagelen. ‘Hamer Tyrel, Paxter Roodweyn en Doran Martel zijn met jongere vrouwen getrouwd die hen waarschijnlijk zullen overleven. De echtgenote van Balon Grauwvreugd is al ouder, en ziekelijk, maar met een dergelijke verbintenis leggen we ons op de IJzereilanden vast, en ik weet nog niet of dat wel de verstandigste koers zou zijn.’

‘Nee,’ zei Cersei, haar lippen wit. ‘Nee, nee, nee.’

Tyrion kon de grijns die om zijn lippen kwam bij de gedachte dat zijn zuster naar Piek zou worden afgevoerd niet helemaal onderdrukken. Net nu ik op het punt stond om maar niet meer te bidden, werpt een sympathieke god mij dit in de schoot.

Heer Tywin vervolgde: ‘Oberyn Martel zou wel geschikt zijn, maar de Tyrels zouden dat heel slecht opnemen. Dus moeten we naar de zonen kijken. Ik neem aan dat je er geen bezwaar tegen hebt met iemand te trouwen die jonger is dan jij?’

‘Ik heb bezwaar tegen ieder…’

‘Ik heb de tweeling van Roodweyn in overweging genomen, Theon Grauwvreugd, Quentyn Martel, en een aantal anderen. Maar ons verbond met Hooggaarde was het zwaard waarmee Stannis gebroken werd. Dat moet getemperd en versterkt worden. Ser Loras heeft het wit aangenomen en ser Garlan is met een Graftweg getrouwd. Rest nog de oudste zoon, de jongen die ze stiekem aan Sansa Stark willen uithuwelijken.’

Willas Tyrel. Tyrion schepte een kwaadaardig genoegen in Cerseis machteloze woede. ‘Dat is toch die kreupele?’ zei hij.

Zijn vader keek hem kil aan. ‘Willas is erfgenaam van Hooggaarde en ik hoor niet anders dan dat hij een aardige, hoffelijke jongeman is die graag boeken leest en de sterren observeert. Daarnaast fokt hij graag dieren en heeft hij de beste honden, haviken en paarden in de Zeven Koninkrijken.’

Een volmaakt huwelijk, peinsde Tyrion. Cersei fokt ook graag. Hij beklaagde de arme Willas Tyrel en wist niet of hij om zijn zuster moest lachen of namens haar moest huilen.

‘Ik zou voor de erfgenaam van Tyrel zijn,’ besloot heer Tywin, ‘maar als jij liever een ander hebt wil ik je redenen wel aanhoren.’

‘Wat ontzettend aardig van u, vader,’ zei Cersei ijzig beleefd. ‘De keus die u mij voorlegt is toch zó moeilijk! Wie wil ik liever in bed, die ouwe inktvis of de kreupele hondenjongen? Ik zal er toch een paar dagen over moeten nadenken. Heb ik uw verlof om te gaan?’

Jij bent de koningin, had Tyrion graag tegen haar gezegd. Hij zou jou om verlof moeten vragen.

‘Ga,’ zei hun vader. ‘We praten verder als je jezelf weer in de hand hebt. Denk aan je plicht.’

Cersei beende met stijve passen de kamer uit, zichtbaar in razernij. Toch zal ze uiteindelijk doen wat vader wil. Dat had ze in het geval van Robert al bewezen. Al moeten we ook nog rekening houden met Jaime. Toen Cersei de eerste keer trouwde was hun broer veel jonger geweest. In een tweede huwelijk zou hij misschien niet zo snel berusten. De onfortuinlijke Willas Tyrel liep de kans een plotselinge, fatale aanval van zwaard doorsteking te krijgen, hetgeen de alliantie tussen Hooggaarde en de Rots van Casterling nogal kon verzuren. Ik zou iets moeten zeggen, maar wat? Pardon, vader, maar eigenlijk wil ze met onze broer trouwen?

‘Tyrion.’

Hij glimlachte berustend. ‘Wat hoor ik? Roept de heraut mij in het strijdperk?’

‘Dat gehoereer is een zwak punt van je,’ zei heer Tywin zonder inleiding, ‘maar misschien treft mij een deel van de blaam. Aangezien je niet groter dan een kind bent vergeet ik maar al te licht dat je in werkelijkheid een volwassen man met alle lagere behoeften van een man bent. Het is hoog tijd dat je trouwt.’

Ik was ooit getrouwd, of bent u dat vergeten? Tyrions mond vertrok, en het geluid dat eruit kwam was half een lach en half een grom.

‘Vind je het vooruitzicht van een huwelijk vermakelijk?’

‘Ik dacht er alleen aan wat een afgrijselijk knappe bruidegom ik zal zijn.’ Een vrouw was misschien precies wat hij nodig had. Als ze grondgebied en een burcht inbracht zou hij nog ergens anders een plek hebben dan aan Joffry’s hof… bij Cersei en hun vader.

Anderzijds was Shae er ook nog. Dit zal haar niets bevallen, al zweert ze nog zo hard dat ze er genoegen mee neemt mijn hoer te zijn.

Maar daarmee hoefde hij niet bij zijn vader aan te komen, dus werkte Tyrion zich een eindje omhoog van zijn stoel en zei: ‘U wilt dat ik met Sansa Stark trouw. Maar zullen de Tyrels zo’n verbintenis niet als een belediging beschouwen als zij ook plannen met het meisje hebben?’

‘Heer Tyrel zal de kwestie van het meisje Stark pas na Joffry’s bruiloft aansnijden. Als Sans a voor die tijd trouwt, hoe kan hij dan aanstoot nemen als hij ons nooit blijk heeft gegeven van zijn eigen bedoelingen?’

‘Precies,’ zei ser Kevan, ‘en mocht het toch kwaad bloed zetten dan wordt dat vanzelf minder als we zijn Willas de hand van Cersei aanbieden.’

Tyrion wreef over zijn rauwe neusstomp. Het littekenweefsel jeukte soms afschuwelijk. ‘Zijne genade de koninklijke puist heeft Sansa’s leven tot een hel gemaakt sinds de dag dat haar vader stierf, en nu ze eindelijk van Joffry af is, stelt u voor haar aan mij uit te huwelijken. Dat lijkt me wel erg wreed. Zelfs voor u, vader.’

‘Hoezo, ben je van plan haar te mishandelen?’ Zijn vader klonk eerder nieuwsgierig dan bezorgd. ‘Haar geluk zal mij een zorg zijn, en dat zou ook voor jou moeten gelden. Al zijn onze allianties met het zuiden zo hard als de Rots van Casterling, we moeten nog steeds het noorden veroveren, en de sleutel tot het noorden is Sansa Stark.’

‘Ze is nog maar een kind.’

‘Je zuster zweert dat ze ontbloeid is. Als dat klopt is ze een vrouw en klaar om te trouwen. Je moet haar absoluut ontmaagden, zodat niemand kan zeggen dat het huwelijk niet voltrokken is. Als je daarna nog een jaar of twee wacht voor je haar bed weer deelt heb je daar als haar echtgenoot het recht toe.’

Ik heb op dit moment geen andere vrouw dan Shae nodig, dacht hij, en Sansa is een kind, wat je ook zegt. ‘Als het uw bedoeling is haar uit handen van de Tyrels te houden, waarom stuurt u haar dan niet terug naar haar moeder? Dat zou Robb Stark er misschien toe brengen zijn knieën te buigen.’

Heer Tywin keek minachtend. ‘Stuur haar naar Stroomvliet en haar moeder huwelijkt haar aan een Zwartewoud of een Mallister uit om de bondgenootschappen van haar zoon langs de Drietand te schragen. Stuur haar naar het noorden en ze is binnen één maanomwenteling met een Manderling of een Omber getrouwd. Toch is ze hier aan het hof niet minder gevaarlijk, zoals die affaire met de Tyrels bewijst. Ze moet met een Lannister trouwen, en snel ook.’

‘De man die met Sansa Stark trouwt kan namens haar aanspraak op Winterfel maken,’ bracht zijn oom Kevan te berde. ‘Had je daar al aan gedacht?’

‘Als jij het kind niet wilt, geven we haar aan een van je neven,’ zei zijn vader. ‘Kevan, is Lancel sterk genoeg om te trouwen, denk je?’

Ser Kevan aarzelde. ‘Als we het meisje naast zijn bed zetten kan hij de woorden wel zeggen … maar een voltrekking, nee… Een van de tweelingen, zou ik zeggen, ware het niet dat de Starks die allebei in Stroomvliet gevangenhouden. Tion van Genna hebben ze ook, anders was die wel bruikbaar.’

Tyrion liet ze hun toneelstukje opvoeren, want hij wist dat het allemaal diende om hem te bewerken. Sansa Stark, peinsde hij. Die zo zachtjes praatte en zo lekker rook, die van zijde, liederen, ridderlijkheid en rijzige, dappere ridders met knappe gezichten hield. Hij had een gevoel alsof hij weer op de schepen brug was en het dek onder zijn voeten wegschoof.

‘Je hebt me gevraagd of ik je wilde belonen voor je inspanningen tijdens de slag,’ bracht heer Tywin hem nadrukkelijk in herinnering. ‘Dit is je kans, Tyrion. Een betere zul je niet gauw krijgen.’ Hij trommelde ongeduldig met zijn vingers op de tafel. ‘Eens hoopte ik je broer aan Lysa Tulling uit te huwelijken, maar Aerys beriep Jaime tot zijn Koningsgarde voor dat allemaal geregeld was. Toen ik heer Hoster voorstelde dat Lysa in plaats daarvan met jou zou kunnen trouwen antwoordde hij dat hij voor zijn dochter een complete man wilde.’

Dus huwelijkte hij haar aan Jon Arryn uit, die oud genoeg was om haar grootvader te zijn. Tyrion was eerder tot dankbaarheid dan tot boosheid geneigd, in aanmerking genomen wat er van Lysa Arryn geworden was.

‘Toen ik je aan Dorne aanbood kreeg ik te horen dat alleen al de suggestie een belediging was,’ vervolgde heer Tywin. ‘Een jaar of wat later antwoordden Yan Roys en Leyten Hoogtoren mij ook in die trant. Ten slotte zonk ik zo diep dat ik voorstelde om je het meisje Florens te geven dat Robert in het huwelijksbed van zijn broer had ontmaagd, maar haar vader gaf haar liever aan een van zijn eigen ridders. Als je het meisje Stark niet wilt zoek ik wel een andere echtgenote voor je. Ergens in het rijk is vast wel een of ander jonkertje dat graag van zijn dochter zal scheiden om met de Rots van Casterling op goede voet te komen. Vrouwe Tanda heeft Lollys aangeboden…’

Tyrion huiverde van afschuw. ‘Ik hak hem nog liever af om hem aan de geiten te voeren.’

‘Open je ogen dan! Het meisje Stark is jong, huwbaar, plooibaar, van zeer hoge geboorte en nog maagd. Ze is niet onaantrekkelijk. Waarom zou je aarzelen?’

Ja, waarom? ‘Een tic van me. Hoe vreemd het ook klinkt, ik heb liever een vrouw die me graag bij zich in bed wil.’

‘Als jij denkt dat je hoeren je graag bij zich in bed willen ben je nog dwazer dan ik dacht,’ zei heer Tywin. ‘Je stelt me teleur, Tyrion. Ik had gehoopt je met deze verbintenis een plezier te doen.’

‘Ja, iedereen weet hoe belangrijk u het vindt mij te plezieren, vader. Maar er is hier meer aan de hand. De sleutel tot het noorden, zegt u? De Grauwvreugds hebben op dit moment het noorden, en koning Balon heeft een dochter. Waarom Sansa Stark, en niet zij?’ Hij keek zijn vader in diens koele, groene ogen met de heldergouden vlekjes.

Heer Tywin zette zijn vingers onder zijn kin tegen elkaar. ‘Balon Grauwvreugd denkt in termen van plunderen, niet van heersen. Laat hem maar van een herfstige kroon genieten en onder een noordelijke winter lijden. Hij zal zijn onderdanen geen reden tot liefde geven. Als het weer voorjaar wordt, zullen de noorderlingen hun buik vol hebben van die kraken. Als jij Eddards kleinzoon dan naar huis voert om zijn geboorterecht op te eisen zullen de heren en het kleinvolk als één man opstaan om hem op de hoge zetel van zijn voorvaderen te plaatsen. Je kunt toch hopelijk wel een vrouw zwanger maken?’

‘Ik denk het wel,’ zei hij stekelig. ‘Ik moet bekennen dat ik het niet kan bewijzen. Al kan niemand beweren dat ik het nooit geprobeerd heb. Sterker nog, ik plant mijn zaadjes zo vaak ik kan…’

‘In goten en sloten,’ voltooide heer Tywin, ‘en op platte grond, waar alleen bastaardkruid wortelt. Het is hoog tijd dat je een eigen tuin gaat onderhouden.’ Hij kwam overeind. ‘Ik verzeker je dat je de Rots van Casterling nooit zult krijgen. Maar trouw met Sansa Stark en het zou kunnen zijn dat je Winterfel wint.’

Tyrion Lannister, beschermheer van Winterfel. Bij dat vooruitzicht ging er een vreemde rilling door hem heen. ‘Goed dan, vader,’ zei hij langzaam, ‘maar er schuilt een grote, lelijke adder onder uw gras. Wat ik kan, kan Robb Stark waarschijnlijk ook, en hij heeft gezworen met een van die vruchtbare Freys te trouwen. En zodra de Jonge Wolf een nest heeft verwekt, zijn de pups die Sansa werpt de erfgenamen van niets.’

Heer Tywin was niet uit het veld geslagen. ‘Robb Stark zal geen kinderen verwekken bij zijn vruchtbare Frey, waarachtig niet. Van één nieuwtje wilde ik de raad liever nog geen deelgenoot maken, al zullen de goede heren het ongetwijfeld snel genoeg horen. De Jonge Wolf heeft de oudste dochter van Gawen Westerling tot vrouw genomen.’

Even kon Tyrion niet geloven dat hij zijn vader goed gehoord had. ‘Hij heeft zijn gelofte gebroken?’ zei hij ongelovig. ‘Hij heeft de Freys weggegooid voor…’ Hij had er geen woorden voor.

‘Een meisje van zestien dat Jeane heet,’ zei ser Kevan. ‘Heer Gawen heeft mij haar eens aangeboden als vrouw voor Willem of Martyn, maar dat moest ik afslaan. Gawen is een beste vent, maar zijn vrouw is Sybel Kruider. Hij had nooit met haar moeten trouwen. De Westerlings hebben altijd meer eergevoel dan verstand gehad. De grootvader van vrouwe Sybel handelde in saffraan en peper en was bijna even laaggeboren als die smokkelaar die Stannis erop nahoudt. En haar grootmoeder was een vrouw die hij uit het oosten had meegebracht. Een angstaanjagend oud wijf dat zogenaamd priesteres was. Maegi, noemden ze haar. Geen mens kon haar werkelijke naam uitspreken. Half Lannispoort bezocht haar voor geneesmiddeltjes en liefdesdrankjes en zo.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Zij is allang dood, dat wel. En Jeane leek me een lekker dingetje, moet ik zeggen, al heb ik haar maar één keer gezien. Maar met zulk twijfelachtig bloed…’

Anders dan zijn oom vond Tyrion, die eens met een hoer getrouwd was geweest, het niet zo’n gruwelijk idee om een meisje tot vrouw te hebben wier overgrootvader kruidnagelen had verkocht. Maar toch… Een lekker dingetje, zei ser Kevan, maar menig vergif was ook lekker. De Westerlings waren een oud geslacht, maar bezaten meer trots dan macht. Het zou hem niets verbazen te vernemen dat vrouwe Sybel meer in het huwelijk had ingebracht dan haar hooggeboren echtgenoot. De mijnen van de Westerlings waren al jaren uitgeput, hun beste grond was verkocht of verloren gegaan en de Steilte leek meer op een ruïne dan op een burcht. Een romantische ruïne, dat wel, die dapper boven de zee uitrijst. ‘Ik ben verrast,’ moest Tyrion bekennen. ‘Ik had Robb Stark verstandiger gewaand.’

‘De jongen is zestien,’ zei heer Tywin. ‘Op die leeftijd werpt verstand weinig gewicht in de schaal tegenover lust, liefde en eer.’

‘Hij heeft meineed gepleegd, een bondgenoot beschaamd en een plechtige belofte gebroken. Wat voor eer schuilt daarin?’

Ser Kevan antwoordde: ‘Hij verkoos de eer van het meisje boven de zijne. Nadat hij haar had ontmaagd stond hem geen andere weg meer open.’

‘Het was barmhartiger geweest als hij haar had verlaten met een bastaard in haar buik,’ zei Tyrion botweg. De Westerlings hadden alles op het spel gezet, hun grondgebied, hun kasteel, ja, zelfs hun leven. Een Lannister betaalt altijd zijn schulden.

‘Jeane Westerling is de dochter van haar moeder,’ zei heer Tywin, ‘en Robb Stark is de zoon van zijn vader.’

Zijn vader scheen minder kwaad om dit verraad van Westerling dan Tyrion verwacht had. Heer Tywin duldde geen ontrouw bij zijn vazallen. Hij had de trotse Reyns van Castameer en de Teerbeeks van Teerbeekhove met wortel en tak uitgeroeid toen hij nog half een knaap was. De zangers hadden er zelfs een nogal somber lied op gemaakt. Een aantal jaren later, toen heer Verman van Fraaicastel hem had getart, had heer Tywin een gezant gestuurd die in plaats van een brief een luit meebracht. Nadat hij ‘De Regens van Castameer’ in zijn zaal had horen weerklinken had heer Verman geen moeilijkheden meer gemaakt. En alsof het lied nog niet voldoende was waren de geslechte kastelen van de Reyns en Teerbeeks er ook nog, als zwijgende getuigen van het lot dat diegenen wachtte die op de machtige Rots van Casterling spuwden. ‘De Steilte is niet zo ver van Teerbeekhove en Castameer af,’ merkte Tyrion op. ‘Je zou denken dat de Westerlings daar weleens langsgekomen waren en hun lesje hadden geleerd.’

‘Misschien is dat ook zo,’ zei heer Tywin. ‘Ze weten alles van Castameer af, dat verzeker ik je.’

‘Zouden de Westerlings en de Kruiders zo dwaas zijn te denken dat de wolf de leeuw kan verslaan?’

Er waren van die zeldzame keren dat heer Tywin Lannister warempel dreigde te glimlachen. Niet dat het er ooit van kwam, maar alleen al de dreiging was vreselijk om te aanschouwen. ‘De grootste dwazen zijn vaak slimmer dan degenen die ze uitlachen,’ zei hij, en toen: ‘Jij trouwt met Sansa Stark, Tyrion. En snel ook.’

Catelyn

Ze droegen de lijken op hun schouders naar binnen en legden ze voor het podium neer. Inde met toortsen verlichte zaal werd het stil, en in die stilte kon Catelyn een half kasteel verderop Grijze Wind horen huilen. Hij ruikt het bloed, dacht ze, door stenen muren en houten deuren, door nacht en regen heen herkent hij toch de geur van dood en ondergang.

Ze stond aan Robbs linkerhand naast de hoge zetel, en even had ze het gevoel alsof ze neerkeek op haar eigen doden, op Bran en Rickon. Deze jongens waren een stuk ouder geweest, maar ze waren gekrompen in de dood. Naakt en nat als ze waren leken ze erg klein, en ze lagen zo stil dat het haar moeite kostte hen levend voor zich te zien.

De blonde jongen had geprobeerd zijn baard te laten staan. Boven de schade die het mes aan zijn keel had aangericht waren zijn wangen en kaken met lichtgeel perzikdons bedekt. Zijn lange gouden haar was nog nat, alsof hij uit bad was gehaald. Zo te zien was hij vredig gestorven, misschien in zijn slaap, maar zijn bruinharige neef had voor zijn leven gevochten. Op zijn armen, waarmee hij had getracht de messen af te weren, zaten sneden, en rood vocht sijpelde nog traag uit de steekwonden die als even zovele monden zonder tong zijn borst, buik en rug bedekten, al had de regen ze bijna schoongewassen.

Robb had zijn kroon opgezet voordat hij de zaal betrad, en het brons gloeide donker in het toortslicht. Zijn ogen waren in schaduwen gehuld toen hij op de doden neerzag. Ziet hij Bran en Rickon ook voor zich? Ze had kunnen huilen, als ze nog tranen over had gehad. De dode jongens waren tijdens hun lange gevangenschap bleek geworden, en ze waren allebei licht van teint. Het bloed stak schrikwekkend rood af tegen hun gladde witte huid, onverdraaglijk om te zien. Zullen ze Sansa ook naakt voor de IJzeren Troon neerleggen nadat ze haar hebben vermoord? Zal haar huid even wit lijken, haar bloed even rood? Buiten klonken het gestage ruisen van de regen en het rusteloze gehuil van een wolf.

Haar broer Edmar stond aan Robbs rechterhand met één hand op de rugleuning van hun vaders zetel, zijn gezicht nog opgezet van de slaap. Ze hadden hem net als haar gewekt door in het holst van de nacht op zijn deur te bonzen, zodat hij ruw uit zijn dromen was gerukt. Waren het goede dromen, broertje? Droom je van zonlicht, gelach en de kussen van een maagd? Ik hoop het voor je. Haar eigen dromen waren duister en vol verschrikkingen.

Robbs aanvoerders en baanderheren stonden in de zaal, sommigen in maliën gehuld en bewapend, anderen in diverse stadia van slordigheid en ontkleding. Ser Reynald en zijn oom ser Rolf waren erbij, maar Robb had het passend geacht zijn koningin deze akelige aanblik te besparen. De Steilte is niet ver van de Rots van Casterling, herinnerde Catelyn zich. Misschien heeft Jeane wel met deze jongens gespeeld toen ze alle drie nog kinderen waren.

Opnieuw keek ze neer op de lijken van de schildknapen Tion Frey en Willem Lannister en wachtte totdat haar zoon het woord zou nemen.

Het leek heel lang te duren voordat Robb opkeek van de bebloede doden. ‘Kleinjon,’ zei hij, ‘zeg tegen uw vader dat hij ze binnen kan brengen.’ Zwijgend keerde Kleinjon Omber zich om en deed wat hem gezegd was. Zijn voetstappen galmden door de grote stenen zaal.

Toen de Grootjon zijn gevangenen binnenleidde merkte Catelyn dat sommige andere mannen een stapje achteruitweken om ruimte te maken, alsof verraad met een aanraking, een blik of een kuchje kon worden overgedragen. De gevangenen en degenen die hen gevangengenomen hadden leken sprekend op elkaar: allemaal forse kerels met volle baarden en lang haar. Twee van de mannen van de Grootjon waren gewond, en drie van hun gevangenen. Slechts het feit dat sommigen speren droegen en andere lege scheden onderscheidde hen van elkaar. Ze waren allemaal gekleed in hals bergen of maliënkolders, met zware laarzen en dikke mantels, sommige van wol, andere van bont. Het noorden is hard en koud en kent geen genade, had Ned haar gezegd toen ze duizend jaar geleden voor het eerst Winterfel had betreden.

‘Vijf,’ zei Robb toen de gevangenen nat en zwijgend voor hem stonden. ‘Zijn ze dat allemaal?’

‘Het waren er acht,’ gromde de Groot jon. ‘Toen we ze grepen hebben we er twee gedood, en een derde ligt op sterven.’

Robb bestudeerde de gezichten van de gevangenen. ‘Dus jullie hadden acht man nodig om twee ongewapende schildknapen te doden.’

Edmar Tulling verhief zijn stem: ‘Ze hebben ook twee van mijn mannen vermoord om de toren binnen te komen. Delp en Elwout.’

‘Het was geen moord, ser,’ zei heer Rickard Karstark, die zich evenmin stoorde aan de touwen om zijn polsen als aan het bloed dat over zijn gezicht sijpelde. ‘Iedereen die tussen een vader en zijn wraak komt, vraagt erom gedood te worden.’

Zijn woorden klonken Catelyn ruw en wreed in de oren, als het dreunen van een krijgstrom. Haar keel was kurkdroog. Dit heb ik gedaan. Deze twee jongens zijn gestorven opdat mijn dochters zouden leven.

‘Ik heb die nacht in het Fluisterwoud uw zoons zien sneuvelen’ zei Robb tegen heer Karstark. ‘Tion Frey heeft Torrhen niet gedood. Willem Lannister heeft Eddard niet verslagen. Hoe kunt u dit dan wraak noemen? Dit is dwaasheid, en vuige moord. Uw zoons zijn eervol op het slagveld gevallen, met het zwaard in de hand.’

‘Ze zijn dood,’ zei Rickard Karstark zonder een duimbreed te wijken. ‘De Koningsmoordenaar heeft ze neergehouwen. Deze twee waren van hetzelfde laken een pak. Bloed is slechts met bloed uit te wissen.’

‘Het bloed van kinderen?’ Robb wees naar de lijken. ‘Hoe oud waren ze? Twaalf, dertien? Schildknapen.’

‘Er sneuvelen schildknapen in iedere veldslag.’

‘Sneuvelen, ja. Tion Frey en Willem Lannister hebben zich in het Fluisterwoud overgegeven. Ze waren gevangenen, opgesloten in een cel, slapend, ongewapend… jongens. Kijk dan naar ze!’

Inplaats daarvan keek heer Karstark naar Catelyn. ‘Zegt u dat maar tegen uw moeder,’ zei hij. ‘Zij heeft hen evenzeer gedood als ik.’

Catelyn legde een hand op de rugleuning van Robbs zetel. De zaal leek te draaien. Ze had het gevoel dat ze moest overgeven.

‘Mijn moeder had hier niets mee te maken,’ zei Robb kwaad. ‘Dit is uw werk. Uw moord. Uw verraad.’

‘Hoe kan het verraad zijn om Lannisters te doden als het geen verraad is om ze vrij te laten?’ vroeg Karstark ruw. ‘Is uwe genade vergeten dat we met de Rots van Casterling in oorlog zijn? Ineen ?orlog doodt men zijn vijanden. Heeft je vader je dat niet geleerd, Jongen?’

‘Jóngen?’ De Grootjon gaf Richard Karstark met zijn gemaliede vuist zo’n dreun dat de ander op zijn knieën zonk.

‘Laat hem met rust!’ galmde Robbs stem bevelend. Omber deed een stapje bij de gevangene vandaan. .

Heer Karstark spuwde een afgebroken tand uit. ‘Ja, heer Omber, laat mij maar aan de koning over. Hij is van plan me een standje te geven en me vervolgens te vergeven. Zo rekent hij met verraders af, onze Koning in het Noorden.’ Hij glimlachte, een natte, rode lach. ‘Of is “De Koning die het Noorden verloor” een betere naam, uwe genade?’

De Grootjon greep een speer van de man naast hem en bracht die met een ruk naar zijn schouder. ‘Sta mij toe hem te doorsteken, sire. Hem zijn buik open te rijten, zodat we de kleur van zijn ingewanden kunnen zien.’

De deuren van de zaal vlogen met een klap open en de Zwartvis kwam binnen. Het water droop van zijn mantel en helm. Hij werd gevolgd door Tulling-wapenknechten, terwijl buiten de bliksem door de lucht knetterde en zwarte regen hard tegen de stenen van Stroomvliet sloeg. Ser Brynden nam zijn helm af en zonk op een knie. ‘Uwe genade,’ was alles wat hij zei, maar zijn grimmige stem sprak boekdelen.

‘Ik wil ser Brynden onder vier ogen spreken, in de ontvangstzaal.’ Robb stond op. ‘Grootjon, houd heer Karstark hier vast tot ik terug ben en hang de andere zeven op.’

De Grootjon liet zijn speer zakken. ‘Ook de doden?’

‘Ja. Ik wil niet dat ze de rivieren van mijn oom bezoedelen. Laat ze maar door de kraaien opvreten.’

Een van de gevangenen viel op zijn knieën. ‘Genade, sire. Ik heb niemand gedood. Ik stond alleen maar bij de deur om te kijken of er geen wachters aankwamen.’

Daar dacht Robb even over na. ‘Wist u wat heer Rickard van plan was? Hebt u de getrokken messen gezien? Hebt u het geschreeuw gehoord, het gegil, de kreten om genade?’

‘Dat wel, maar ik deed niet mee. Ik keek alleen, dat zweer ik…’

‘Heer Omber,’ zei Robb, ‘deze heeft alleen gekeken. Hang hem als laatste op, dan kan hij kijken hoe de anderen sterven. Moeder, oom, komt u mee?’ Hij keerde zich om, terwijl de mannen van de Grootjon de gevangenen omsingelden en hen met hun speerpunten de zaal uit dreven. Buiten rommelde en dreunde de donder zo luid dat het leek alsof het kasteel om hun oren instortte. Klinkt het zo als er een koninkrijk instort? vroeg Catelyn zich af.

In de ontvangstzaal was het donker, maar het geluid van de donder werd tenminste door een tweede dikke muur gedempt. Een bediende kwam binnen met een olielampje om het vuur aan te steken, maar Robb stuurde hem weg. De lamp hield hij. Er waren tafels en stoelen, maar alleen Edmar ging zitten, en hij stond weer op toen hij merkte dat de anderen bleven staan. Robb nam zijn kroon af en zette die voor zich op tafel.

De Zwartvis sloot de deur. ‘De Karstarks zijn weg.’

‘Allemaal?’ Was Robbs stem verstikt van woede of van wanhoop? Zelfs Catelyn zou het niet weten.

‘Alle strijders,’ antwoordde ser Brynden. ‘Een paar marketentsters en bedienden zijn nog bij de gewonden. We hebben er zoveel ondervraagd als nodig was om de ware toedracht te achterhalen. Ze zijn met het invallen van het donker opgebroken, eerst alleen of in paren, toen in grotere groepen. De gewonden en bedienden kregen opdracht de kampvuren brandend te houden zodat niemand zou ontdekken dat ze weg waren, maar toen het eenmaal begon te regenen maakte het niet meer uit.’

‘Zullen ze zich buiten Stroomvliet hergroeperen?’ vroeg Robb.

‘Nee. Ze hebben zich verspreid om op jacht te gaan. Heer Karstark heeft gezworen de hand van zijn maagdelijke dochter te schenken aan de man die hem het hoofd van de Koningsmoordenaar brengt, ongeacht zijn geboorte.’

Goeie goden. Weer werd Catelyn misselijk.

‘Bijna driehonderd ruiters en evenzo vele rijdieren, opgeslokt door de nacht.’ Robb wreef zijn slapen, waar de afdruk van de kroon nog in de zachte huid boven zijn oren stond. ‘De complete ruiterij van Karborg verloren gegaan.’

Verloren gegaan door mijn toedoen. Do