24

Ze wachtten tot het middernacht was. De hemel was nog steeds prachtig blauw, maar inmiddels in een nog donkerder tint. Er bestaat ongetwijfeld ook een naam voor die kleur. De bomen in de tuin waren grote, geheimzinnige schaduwen. Alles was perfect. De kinderen lagen binnen te slapen en Angela zag eruit alsof ze elk moment kon indutten. Winter overwoog even om haar uit de tuinstoel te tillen waar ze in een ongemakkelijke houding in hing en haar naar binnen te dragen, waar hij haar op een vrij plekje kon neerleggen. Kleine kinderen kostten veel energie. Daar had zij de afgelopen week meer last van gehad dan hij, en hij het afgelopen halfjaar weer meer dan zij, hij wist hoe het was. Voor middernacht was je compleet afgedraaid, en al helemaal na een paar glazen wijn.

Halders keek uit over de hellingen van de wijk Lunden. In het dal lag het centrum van de stad. Overbodige straatverlichting glinsterde. Een paar auto’s gleden langs het Ullevi-stadion.

‘Mensen in het buitenland kunnen waarschijnlijk niet begrijpen dat Scandinavië ook zo kan zijn,’ zei Halders.

‘We hebben alles, of niet soms?’ zei Winter.

‘Inderdaad,’ zei Halders.

‘We begrijpen niet hoe goed we het hebben,’ zei Winter en hij pakte het pakje Corps uit zijn borstzak.

‘Ik begrijp het wel,’ zei Aneta Djanali.

‘Er is nog meer wijn,’ zei Halders en hij strekte zijn hand uit naar een fles op tafel. ‘De nacht is nog jong.’

‘Wanneer wordt die oud?’ vroeg Aneta Djanali. ‘Wanneer is die niet jong meer maar oud, of van middelbare leeftijd?’

‘Ben je nu serieus?’

‘Jazeker. In Burkina Faso hebben we dat soort uitdrukkingen niet. “De nacht is jong.” Daar valt de duisternis vroeg in de avond, altijd op dezelfde tijd, en de nachten duren het hele jaar door ongeveer even lang. Twaalf uur licht en twaalf uur duisternis.’

‘Net als in Kuala Lumpur,’ zei Halders. ‘Of niet soms, Bertil?’

Hij kreeg geen antwoord.

‘Bertil?’

Ze hoorden een gemompel vanuit de ligstoel waarin Ringmar was beland.

‘Hij moet alleen even wakker worden,’ zei Birgitta Ringmar en ze glimlachte.

‘Slaapt hij al? Er staan ons nog allerlei avonturen te wachten.’

Dat had Fredrik niet moeten zeggen, dacht Winter. Nog geen tel later begon zijn mobieltje te rinkelen, dat naast het doosje sigaren in zijn borstzak zat.

Winter zag hoe het gezelschap schrok, en echt een centimeter omhoog veerde: wie kon dat zijn?

Het was de recherche.

Iemand had het alarmnummer gebeld. De meldkamer had een surveillancewagen gestuurd, die vervolgens de recherche had gebeld. En die had op haar beurt de twee technisch rechercheurs gestuurd die vanavond oproepbaar waren.

Nu waren ze onderweg.

‘Er is een lichaam gevonden in Bergsjön,’ zei hoofdinspecteur Johan Västerlid.

‘Waar precies?’

Västerlid beschreef de locatie.

‘De rechercheurs kunnen er elk moment zijn,’ zei hij.

‘Een man of een vrouw?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Bel me zodra je meer weet,’ zei Winter en hij verbrak de verbinding.

‘Een lichaam in Bergsjön,’ zei hij tegen het gezelschap.

‘Dat begreep ik,’ zei Halders. ‘Het kan iedereen zijn.’

‘Het kan Brorsans bron zijn,’ zei Winter.

‘Weet Brorsan het al?’ vroeg Ringmar, die inmiddels wakker was.

‘Nee, nog niet. In elk geval niet voor zover ik weet.’

‘Wat gaat er nu gebeuren?’ vroeg Angela.

‘Ik wacht op een telefoontje van de rechercheurs,’ zei Winter.

 

 

Lars Östensson, een oudgediende op de technische afdeling, belde.

‘Het is een betrekkelijk jonge man,’ zei hij.

‘Hoe?’ vroeg Winter.

‘Het lijken steek- of snijwonden.’

‘Is hij geïdentificeerd?’

‘Nee.’

‘Waar is het precies? Op dezelfde plek als waar we de auto hebben gevonden?’

‘Nee. Verder naar het noorden.’

‘Heb je Öberg op de hoogte gebracht?’

‘Ja. Hij belde mij trouwens. De dienstdoende agent had hem geïnformeerd.’

‘Wat doet hij?’

‘Hij is onderweg hierheen.’

‘Beschrijf het uiterlijk van het slachtoffer,’ zei Winter.

Winter luisterde, bedankte Östensson en verbrak de verbinding. Hij toetste meteen een nieuw nummer in.

Brorsan Malmer nam op toen de telefoon twee keer was overgegaan.

‘Verdomme, dat kan hem zijn,’ zei Brorsan. ‘Ik ga erheen.’

‘Ik kom ook,’ zei Winter. ‘Wij komen.’

‘Ben je nuchter?’

‘Waarom vraag je dat?’

‘Omdat het midzomeravond is.’

‘Nu niet meer,’ zei Winter en hij keek op zijn horloge.

 

Ze hadden vervoer nodig, maar Winter wist dat het onmogelijk was om tijdens midzomernacht op zo’n korte termijn een politiewagen te krijgen.

‘Ik bel Lars,’ zei Winter. ‘Hij drinkt niet.’

Lars Bergenhem, zijn vrouw Martina en hun dochter Ada waren ook uitgenodigd door Halders, maar Ada had twee dagen geleden waterpokken gekregen. Ze hadden geen oppas willen vragen, omdat Ada nogal dreinerig was.

Bergenhem was er binnen twintig minuten. Halders, Ringmar en Winter stapten in. Tijdens het wachten hadden ze sterke koffie gedronken, niemand was dronken en niemand was helemaal nuchter. Ringmar was het meest vermoeid.

Winter knipperde een paar keer met zijn ogen toen ze naar het noorden reden. Hij voelde zich niet moe. Hij had nog steeds kracht. Een lichaam, een man. Wie? Dat zou misschien nog steeds onduidelijk zijn als ze het lichaam hadden gezien. Hij voelde een lichte rilling achter op zijn hoofd. Een nieuwe nacht op het werk. Wie zouden ze aantreffen? Zouden ze dichter bij de oplossing van het raadsel komen? Of zou deze nacht hen juist verder weg brengen? Dat had hij al eerder meegemaakt. Zaken leken te krimpen, kleiner te worden, maar dat was een illusie; ze krompen naar binnen toe, terwijl ze naar buiten toe wijder werden, steeds wijder, en ver de grenzen overschreden die hij had verondersteld. De grenzen verplaatsten zich.

‘Waar zijn we nu?’ vroeg Ringmar plotseling.

Winter keek naar buiten. Hij zag een rij fabrieken.

‘Gamlestaden,’ zei Bergenhem met enigszins verbaasde stem. Bertil herkende de wijk Gamlestaden toch zeker wel?

‘Rij via Kortedala,’ zei Ringmar. Hij rekte de klinkers een beetje uit, creëerde een grotere afstand tussen de letters.

‘Doe ik,’ zei Bergenhem.

 

Ze sloegen af bij een kruising die er in al haar eenzaamheid eigenaardig uitzag, alsof ze was verlaten door het automobilisme.

‘Ljusårsgatan,’ zei Halders, ‘de lichtjaarstraat, wat een klotenaam.’

Ze zagen vooral bos en wegen, een paar donkere huizen, nog meer bos. Het kon overal in Zweden zijn, maar niet ergens anders.

Ze kwamen een auto tegen die zonder licht reed.

‘Stomme idioot,’ zei Halders. Hij klonk niet vrolijk. ‘Stomme idioot.’

Niemand zei iets.

‘Waarom zitten we hier?’ zei Halders. ‘We weten helemaal niet wie daarginds ligt.’

Niemand reageerde.

‘Zo is het toch? Waarom zouden we zoveel geluk hebben dat het ons lijk is?’

Ja, waarom? Het kon iedereen zijn. Het kan met allerlei andere tragedies te maken hebben. Winter staarde strak voor zich uit naar de weg. Bergenhem reed snel en rustig. Ze waren er bijna.

‘Ik voel gewoon dat dit met de andere moorden te maken heeft,’ zei Ringmar. ‘Dat geldt voor ons allemaal. Anders hadden we hier niet gezeten.’

‘Hoe ver is het lopen vanaf de weg naar die plek?’ vroeg Halders.

‘Een paar honderd meter,’ zei Winter. ‘We snijden nu een stuk af.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Er loopt een pad vanaf de andere kant. Vanaf het Rymdplein. Maar met de auto is het vanaf deze kant korter.’

‘Hoe weet je dat allemaal?’

‘Ik ben hier eerder geweest,’ antwoordde Winter. ‘Heel lang geleden.’

Hij was lang geleden in het bos geweest, had over de paden gelopen. Hij was slaags geraakt op het plein. Toen was hij volkomen nuchter geweest. We moeten vannacht uit de buurt blijven van de verslaggevers. Maar er zijn verzachtende omstandigheden. Bertil moet zich op de achtergrond houden. Hij heeft waarschijnlijk een glaasje te veel op. Wat een glaasje te veel dan ook is. Hij valt misschien in de auto in slaap. Lars kan over hem waken tot we terugkomen.

‘Daar is het,’ zei Lars, maar ze zagen de zwaailichten in de midzomernacht al. Het zag er op de een of andere manier uit als in een droom, het agressieve licht in de milde nacht, maar dit was geen droom. Winter dacht aan de droom die hij eerder had gehad, waarin de werkelijkheid niet werd verdraaid maar precies zo werd weergegeven als ze was. Een midzomernachtsdroom.

 

De eenheid die als eerste was gearriveerd, had een vrij groot gebied afgezet. Winter zag Öberg binnen de linten, samen met een rug die hij op dit moment niet herkende. Öberg keek op en gebaarde hen te komen.

De man in het bos was niet veel meer dan een jongen.

Hij had een gemene wond.

Hij staarde met een verbaasde blik naar de hemel. Hij had hier niet moeten zijn.

‘Weten we wie het is?’ vroeg Halders.

Öberg schudde zijn hoofd. ‘Hij had geen papieren bij zich,’ zei hij. ‘Niets. Geen portemonnee.’

‘Het is in elk geval niet Hussein Hussein,’ zei Ringmar. ‘Niet zoals ze hem tegenover ons hebben beschreven.’

‘Deze man is veel jonger,’ zei Winter.

‘Maar hij ziet er wel uit als een Arabier,’ zei Halders.

Öberg keek naar Halders alsof Halders iets racistisch of denigrerends had gezegd, zoals ‘Stockholmer’ of ‘stomme Skåning’.

‘Is dat de doodsoorzaak?’ zei Halders en hij knikte naar de hals van de man.

‘Voor zover ik dat hier en nu kan zien, ja,’ zei Öberg. ‘We krijgen meer te horen als de patholoog-anatoom er is.’

 

De plek was net zo licht als overdag. Er waren niet veel lampen nodig. Öberg en zijn team kamden het terrein uit. Er waren voetsporen in het mos te zien, maar het waren er veel. Dit was geen onbekende plek. Winter hoorde in de verte aldoor stemmen. Het bos leefde. Terwijl hij hier was, ontwaakte het bos steeds meer, en de vogels begonnen te zingen als in een jungle.

‘Hoe kwam de melding binnen?’ vroeg Halders.

‘Van iemand die vannacht een oriëntatieloop deed,’ zei Winter, die een aantal telefoontjes had gepleegd, onder andere met de centrale meldkamer.

‘Wát zeg je?’

‘Iemand die vannacht een oriëntatieloop deed. Misschien had hij een lamp op zijn voorhoofd, dat weet ik nog niet. Waarschijnlijk was dat niet nodig.’

‘Wie doet er nou op midzomeravond een oriëntatieloop? Dat is pervers,’ zei Halders.

‘Let op je woorden,’ zei Ringmar.

‘Hij is naar huis gerend en heeft daarvandaan gebeld. Ik heb gevraagd of hij daar wil blijven wachten. Ik ga later met hem praten.’

‘Wie hebben we hier dan?’ zei Halders en hij keek weer naar het lichaam. De gezichtsuitdrukking van het slachtoffer was nog steeds even verbaasd, en wie zou niet verbaasd zijn? Halders wist niet hoe de drie doden in de buurtwinkel er hadden uitgezien op het moment dat ze stierven, het was de bedoeling van de moordenaars dat hij dat niet zou kunnen zien. Misschien waren Jimmy, Hiwa en Said niet verbaasd geweest?

‘Ik ken iemand die het misschien weet,’ zei Winter. Hij hoorde geluiden in het bos, iemand die onderweg was. Er was een kleine echo die niet ver reikte. ‘Hij komt er nu aan, geloof ik.’

 

Brorsan had niet veel seconden nodig, bijna geen enkele. De wijkagent met de geheime contacten mompelde iets onverstaanbaars en knorrigs. Hij rook licht naar drank, en hij was niet de enige hier op de vindplaats, die vermoedelijk ook de plaats delict was.

‘Die kleine stomme idioot,’ zei Brorsan, zonder respect voor de doden. ‘Ik had hem nog zo gewaarschuwd.’ Hij keek op en richtte zich tot Winter. ‘Echt.’

‘Waarvoor? En wie is hij?’

‘Hij heet Hama. Hama Ali Mohammad.’

‘Is dit Marko?’

Brorsan knikte zonder iets te zeggen.

‘Wie is hij eigenlijk?’

‘Een heel kleine bandiet. Een dief, drugs op zeer kleine schaal. Een pooier. Een nietsnut. Of een werkloze, zoals dat tegenwoordig heet.’

‘Een pooier?’

‘Dat dacht hij in elk geval. Hij rommelde wat in de marge. Probeerde ertussen te komen, maar dat lukte niet zo best. Maar hij wist het een en ander.’

‘Wat hij aan jou vertelde?’

Brorsan keek naar Hama Ali’s verbaasde gezicht. Brorsan leek te denken: ja, je kijkt wel verbaasd, maar ik had je gewaarschuwd.

‘Hij was jouw verklikker?’ vroeg Halders.

‘Ja,’ antwoordde Brorsan, met zijn blik nog steeds op Hama’s gezicht gericht. ‘Maar dat maakt nu niet meer uit, of wel soms?’

‘Waar had je hem voor gewaarschuwd?’ vroeg Winter.

‘Dat hij niet te dicht bij het vuur moest komen, als je dat zo kunt zeggen.’

‘Het vuur?’ Winter moest weer even aan een vlammende open plek in het bos denken. ‘Dat is toch juist de bedoeling? Dat de bronnen zo dicht mogelijk bij het vuur komen?’

Brorsan antwoordde niet.

‘Brorsan?’

‘Hij deed ook iets met wapens. Was waarschijnlijk een loopjongen, een tussenpersoon, ik weet het niet precies. Dat waren we nog aan het uitzoeken. Ik zei tegen Hama dat hij zich daar niet mee moest inlaten.’

‘Hoeren, maar geen pistolen?’ zei Halders.

‘Voor de wapenhandel hadden we andere bronnen met betere contacten dan deze kleine stakker,’ zei Brorsan zachtjes en hij knikte naar het lichaam. Hama was nu aan de marge van alles terechtgekomen, al zou hij nog even in het middelpunt van alle aandacht staan.

‘In dat geval zouden we informatie van die kant op prijs stellen,’ zei Halders.

Brorsan veerde op.

‘Wat zei je?’

‘We zoeken nog steeds naar hagelgeweren, en naar de weg die ze naar en van Jimmy’s winkel hebben afgelegd.’

‘Denk je niet dat ik doe wat ik kan? Dat wij doen wat we kunnen?’

Halders antwoordde niet.

Brorsan leek nog iets te willen zeggen, maar slikte zijn woorden in.

‘Hoe past Hama in ons onderzoek?’ zei Winter, maar meer voor zichzelf.

‘Hij werd om een reden vermoord,’ zei Brorsan. ‘Er is vaak niet veel nodig, maar meestal is er een kleine reden.’

‘Hij wist te veel?’

‘Ja.’

‘Over wapens?’

‘Dat weet ik eerlijk gezegd niet, Winter. Ik zal daar weer in duiken. Als ik het al had losgelaten.’

‘Kende Hama een van de doden?’

‘Voor zover ik weet niet. Maar dat moet je nu maar gaan vragen. Aan zijn familie.’

‘Waar woonde hij?’

‘In Gårdsten.’

‘In het westen of oosten?’

‘Ten oosten van het westen, als je dat bedoelt. De Salviagatan, nee, de Muskotgatan. Ken je die omgeving?’

‘Ja, maar niet precies die buurt. Ik weet meer over de straten rond de Kanelgatan.’

‘Eh… ja, goed. Ze hebben veel exotische kruiden gebruikt toen die wijk werd aangelegd. Waarschijnlijk wisten ze dertig, veertig jaar geleden al wat eraan zou komen.’

‘Wat deed hij hier?’ Winter gebaarde met zijn arm. ‘Op deze plek.’

‘Iemand had hem vermoedelijk gevraagd te komen. Of andersom.’

‘Kwam hij vaak in Bergsjön?’

Brorsan haalde zijn schouders op.

‘Hij hing vaak overal wat rond.’

‘Kende hij Hussein Hussein?’ vroeg Winter voor zich uit in de warme, compacte lucht.

‘Alles is mogelijk,’ zei Brorsan.

 

Öberg stond over een stukje bosgrond gebogen. ‘De moord is hier gepleegd,’ zei hij en hij keek op. ‘Er ligt zoveel bloed dat het nergens anders kan zijn gebeurd.’

‘Hm.’

‘Er is veel kracht gebruikt.’

‘Maar toch,’ zei Winter. ‘Hama Ali was jong, maar hij was geen kleine kerel. Hij had zich op de een of andere manier kunnen verzetten. Maar voor zover ik kan zien heeft hij geen wonden op zijn handen, armen of schouders.’

‘Nee.’

‘Hoe kon hij zich dan zo laten verrassen?’

‘Misschien had hij de moordenaar zijn rug toegekeerd,’ zei Öberg. ‘De wond lijkt van achteren te zijn toegebracht.’

Winter antwoordde niet.

Straks zou Hama Ali naar een wachtende lijkwagen worden gedragen. De vragen over wat hier was gebeurd konden misschien aan de hand van zijn lichaam worden beantwoord, maar misschien ook niet. Misschien lagen er antwoorden in de aarde, in het mos, in het struikgewas. Het rook naar aarde, of misschien was het bloed. Een geur van ijzer.

‘Er hebben hier de laatste dagen veel mensen rondgedraafd,’ zei Öberg.

‘Het zal niet makkelijk worden een passenpatroon te maken,’ zei Winter.

‘Nee… maar misschien was de moordenaar hier niet alleen. Dat de jongen verrast werd, kwam misschien doordat ze met z’n tweeën waren, of met nog meer natuurlijk.’

‘Dat is ook bij mij opgekomen,’ zei Winter. ‘Maar er is maar één wond.’

‘Iemand die de aandacht afleidde?’ zei Öberg.

‘Werden ze misschien allebei verrast?’

‘De moordenaar was niet genoeg verrast om niet toe te slaan.’

‘Er was geen aarzeling,’ zei Winter.

‘Dit waren geen halve maatregelen, nee.’

‘Hama werd hierheen gelokt om gedood te worden.’

‘Jij zegt het, Erik.’

‘Hij moet zijn moordenaar hebben vertrouwd.’

‘Misschien had hij geen keuze. Hij was wanhopig.’

‘Waarom, Torsten?’

‘Geld, misschien. Ik weet het niet. Dat moet je met je medewerkers bespreken. Hebben Bertil en jij niet een bepaalde methode? Ik heb jullie een keer horen praten. De gedachten vlogen in het rond.’

Maar Winter had op dit moment niet veel aan Bertil. Die was naar huis gegaan. Zijn gezicht had er in het tere licht grauw uitgezien. Ik ben hier te oud voor, had hij gezegd, maar Winter wist niet precies waar hij op doelde.

Hij begon weg te lopen. Öberg volgde hem.

‘Waarom hier?’ zei Winter. Hij stopte en keek om zich heen. ‘Het is een eindje van het pad vandaan, maar het is niet de meest afgelegen plek in het gebied.’

‘Dat was misschien niet de bedoeling,’ zei Öberg.

‘Wat bedoel je?’

‘Het was niet de bedoeling dat het afgelegen zou zijn. Het moest… zichtbaar zijn.’

Winter antwoordde niet.

‘Iemand wil ons iets vertellen,’ zei Öberg.

‘Of aan iemand anders,’ zei Winter. ‘Iemand anders moet dit signaal krijgen.’

De patholoog-anatoom was inmiddels gearriveerd en met haar werk begonnen. Het was een vrouw die Winter nog nooit had gezien. Ze zag er niet veel ouder uit dan de jongeman naast wie ze was neergeknield. Nu kwam ze overeind en liep naar Winter en Öberg.

‘Ik weet dat het moeilijk is, maar kun je nu al iets zeggen over het tijdstip van de moord?’ zei Winter.

‘Nee,’ antwoordde ze, ‘eigenlijk niet.’

‘Heeft hij hier langer dan een etmaal gelegen? Is hij langer dan een etmaal dood?’

Ze keek achterom naar het lichaam. Hama leek op het mos te rusten. Alsof hij daar gewoon was gaan liggen.

‘Naar het zich momenteel laat aanzien…’ zei ze aarzelend, ‘er is natuurlijk meer onderzoek nodig, maar… niet veel meer dan een etmaal.’

 

Een Vlucht Vooruit
titlepage.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_0.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_1.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_2.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_3.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_4.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_5.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_6.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_7.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_8.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_9.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_10.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_11.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_12.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_13.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_14.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_15.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_16.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_17.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_18.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_19.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_20.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_21.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_22.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_23.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_24.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_25.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_26.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_27.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_28.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_29.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_30.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_31.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_32.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_33.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_34.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_35.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_36.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_37.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_38.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_39.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_40.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_41.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_42.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_43.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_44.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_45.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_46.xhtml