34

‘Dit is de enige uitzondering die ik maak en ooit zal maken, Winter.’

Winter hield zijn mobieltje met Brorsans stem twintig centimeter van zijn oor. Angela schrok even. Lilly en Elsa keken op. De zeilboten op de rede gierden. Zelfs als Brorsan geheime uitzonderingen maakte, was dat een boodschap aan de wereld.

‘Heb je met Abdullah gesproken?’ vroeg Winter.

‘Wat denk je, verdomme?’

‘Rustig maar, je hoeft je niet op mij af te reageren, Brorsan.’

‘Op wie dan wel?’

‘Waar en wanneer?’ vroeg Winter.

 

Toen ze weer thuis waren, belde Winter naar Öberg. Terwijl hij wachtte tot er werd opgenomen, voelde hij dat zijn haar door het zout alle kanten uit stak. De hoofdpijn was verdwenen. Wellicht had hij geen tumor. Misschien was het geen migraine. Het was dit. Dit telefoongesprek onder andere. Hij was misschien allergisch geworden. Het kwam en ging.

‘Wat kun je over het bloed zeggen?’

‘Volgens de generalist gaat het beslist om twee dna -profielen.’

De generalist was de persoon bij het Gerechtelijk Laboratorium met wie Öberg contact had tijdens het onderzoek. Dat was het makkelijkst.

‘Geen match in de registers?’

‘Nee. Ook niet met Hiwa.’

‘Hij had nog niet echt carrière gemaakt,’ zei Winter.

‘Helaas.’

‘Dus er is nog iemand. Hoeveel is het? Het bloed, bedoel ik.’

‘Dat weet ik nog niet. Ik wist dat het bloed was, maar dat was dan ook alles.’

‘Het lijkt me het meest logisch dat het van de moordenaar is,’ zei Winter. ‘Misschien kom ik vanavond meer te weten.’

‘Wat gaat er dan gebeuren?’

‘Ik ga een informant ontmoeten.’

‘Brorsans geheim?’

‘Ja.’

‘Dat is me ook wat. Wees voorzichtig.’

 

‘Is het gevaarlijk, Erik?’

‘Nee.’

‘Je hebt me beloofd niet tegen me te liegen. Vooral niet als het om je werk gaat.’

‘Dat heb ik beloofd.’

‘En, is het gevaarlijk?’

‘Dat kan ik me niet voorstellen, Angela. Alleen wij en hij zullen er zijn.’

‘Waar?’

‘Een afgelegen plek, maar dat is alleen maar goed. Er is toezicht.’

‘Waarom niet op het kantoor van die politieman? Of op jouw kamer?’

‘Dan komt hij niet.’

‘Neemt hij de beslissingen?’

‘Nee, maar we weten niet eens waar hij zich nu bevindt. Op dit moment vindt de ontmoeting op zijn voorwaarden plaats.’

‘Ik vind het maar niks.’

‘Wie wel?’

‘Waarom laat je die… Brorsan het niet in zijn eentje doen? Je hebt zelf gezegd dat het zijn bron is, of hoe jullie dat ook noemen. Laat hém dan met de informant praten.’

‘Ik wil erbij zijn.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik ervan overtuigd ben dat het met mijn zaak te maken heeft. Deze man weet iets wat mij kan helpen. Het is niet zeker dat Brorsan dat uit hem krijgt.’

‘Als iemand het kan, is hij het wel,’ zei Angela.

‘Ik weet het zo net nog niet.’

‘Beloof je dat je voorzichtig zult zijn?’

‘Er is geen gevaar, Angela.’

‘Hebben jullie meer mensen bij je? Meer agenten?’

‘In bredere kring, ja.’

‘Wat betekent dat, in bredere kring?’

‘Als hij probeert ervandoor te gaan, zal hem dat niet lukken.’

 

Ringmar en Winter spraken elkaar in Winters kamer. Trane’s Slo Blues verschafte het juiste melancholieke gevoel, als je daar gevoelig voor was. Het raam stond open en liet de avondlucht binnen. De muziek was vijftig jaar geleden opgenomen, maar het had nu kunnen zijn, of later. Melancholie is tijdloos. En gevaarlijk. Dit was niet de tijd of de plek voor zwaarmoedigheid.

‘Hoe voel je je?’ vroeg Winter.

‘Beter.’

‘Nog wat gehoord over die prostitutie?’

‘Nee, die is nog meer ondergronds gegaan.’

‘Die verdween met de schoten bij Jimmy.’

‘Daar lijkt het op.’

‘Wat zegt dat ons?’

‘Dat onze slachtoffers erbij betrokken waren.’

‘Allemaal?’

‘Dat is een heel goede vraag.’

‘Hiwa Aziz, Jimmy Foro, Said Rezai, Shahnaz Rezai, Hama Ali Mohammad.’

‘Allemaal, of een paar, of geen van allen.’

‘En twee verdwenen personen. Alan Darwish en Hussein Hussein.’

‘Beschouw je Alan Darwish als verdwenen?’

‘Voorlopig. Weggelopen en verdwenen.’

‘Ik voel me dom, Erik.’

‘Had je achter hem aan kunnen rennen?’

‘Nee.’

‘Het was mijn schuld. Ik had de centrale vergrendeling eraf gehaald. Ik opende mijn portier.’

‘Ja, oké. Maar wie kon voorzien dat de jongen hem zou smeren?’

‘Dat wist hijzelf niet eens.’

‘Nee. Maar we moeten hem snel zien te vinden.’

‘Want anders?’

‘Precies. Want anders?’

‘Raakt hij ook in de problemen.’

‘Mogelijk.’

‘Net als de jonge Hama Ali.’

‘Is er iets wat wij hier moeten begrijpen, Erik?’

‘Alan leidt ons naar een moordenaar.’

‘Mozaffar?’

‘Is hij een moordenaar, Bertil?’

‘Ik vind het moeilijk hem zo te zien.’

‘Dan zit hij in de nesten.’

‘Moeten we hem oppakken?’

‘Nee, niet op dit moment. De officier van justitie zou geen toestemming krijgen voor een voorlopige hechtenis.’

‘Dat weten we niet, Erik.’

‘De verhoren zouden niets opleveren. Nog niet.’

‘Je wacht af wat er vanavond gebeurt?’

‘Ja. Een nieuwe naam, of een oude.’

‘Reinholz?’

‘Die tien minuten zijn niet voldoende.’

‘We kunnen hem oppakken.’

Winter antwoordde niet. De muziek was gestopt en hij liep naar de hoek waar de Panasonic stond, en zette de cd weer aan. Like Someone In Love .

‘Waarom zou Mozaffar een moordenaar worden?’ vroeg Winter en hij draaide zich om.

‘Ik weet het niet.’

‘Wat is zijn relatie tot de familie Aziz?’

‘Dat weten we niet.’

‘Hebben we geprobeerd daarachter te komen?’

‘Ja.’

‘We weten misschien het weinige dat er te weten valt.’

‘Misschien.’

‘Waarom zou Mozaffar een moordenaar zijn?’ herhaalde Winter. ‘Waarom?’

‘Wat heeft waarmee te maken?’ zei Ringmar.

‘Neem nou de prostitutie. We hebben echt geprobeerd iets tegen de gevestigde bendes te vinden, maar die zijn het niet, dus dat kan het niet zijn. Niet deze keer, niet die liga. Wat zegt dat ons?’

‘Dat het een andere bende is. Eén die nog niet gevestigd is.’

‘Jimmy, Hiwa. Ze werkten tenslotte samen. Said, misschien. Als hij niet gewoon een klant was die op het verkeerde moment op de verkeerde plek was.’

‘En zijn vrouw.’

‘Waarom moest zijn vrouw dood? En op die manier?’

‘Was zij erbij betrokken?’ zei Ringmar.

‘Waarbij betrokken? Bij de prostitutie?’

‘Haar man was een kleine vis, maar de stap naar… ik weet het niet.’

‘Niemand weet het,’ zei Winter, ‘maar zo zit het niet in elkaar. Het is iets anders. Het is de stilte.’

Ringmar knikte.

‘Niemand zegt iets,’ zei Winter. ‘Dat zijn we gewend, het is bijna een samenvatting van dit klotewerk. Maar nu is het echt stíl. Mijn god, Bertil, de mensen rennen liever het bos in dan dat ze iets zeggen!’

Ringmar begon te lachen, heel even, waardoor de gordijnen leken te fladderen.

‘Het is angst,’ ging Winter verder. ‘Waarom zijn ze bang?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Waarom zijn ze allemaal bang?’ herhaalde Winter. ‘Waar zijn ze bang voor?’

‘Je zei “waar”. Niet “voor wie”.’

‘Zijn ze bang om zelf in de problemen te raken?’ vroeg Winter. ‘Of is het iets anders?’

‘Wat zou dat moeten zijn?’

‘Angst dat de waarheid aan het licht komt, Bertil.’

‘De waarheid?’

‘De waarheid over die moorden. De schoten bij Jimmy. Wat daar eigenlijk achter zat. De waarheid. Die is erger dan wat dan ook.’

 

Een kind verliezen was erger dan wat dan ook. Een zoon. Ediba Aziz had haar zoon verloren. Winter vroeg hoe het met haar ging. Het was nu avond, eigenlijk was het te laat voor dit gesprek. De tolk vertaalde. Het was een vrouw die zich had voorgesteld als Parwin. Möllerström had de Tolkencentrale gebeld en die had Parwin gestuurd. Ze leek niet veel ouder dan Nasrin. Ze hadden kort naar elkaar geknikt, Parwin en Nasrin. Winter kreeg de indruk dat ze elkaar kenden, maar niet meer dan dat, misschien zelfs minder: de begroeting bevatte geen warmte, maar misschien had dat te maken met het respect voor het verdriet dat nog steeds boven dit huis hing, als een zwarte vogel die niet langer vliegt.

Thee en koekjes stonden op tafel. Winter dronk van de zoete thee en nam een hapje van een knapperig bladerdeegkoekje dat bestrooid was met sesamzaadjes.

‘Sesamkoekjes,’ zei Nasrin.

Haar gezicht had iets ironisch, haar ogen hadden een bepaalde uitdrukking. Alsof ze het vanzelfsprekende beschreef. Alsof Winter het vanzelfsprekende niet kon zien.

Ze knikte naar de schaal met koekjes en gebak op de tafel die tussen hen in stond.

‘Walnootbolletjes met vulling,’ zei ze en ze knikte weer naar een paar walnootbolletjes met vulling, een bol gevuld met een bol. Winter dacht aan de jongen met zijn tennisbal. Hij was weg. Hij zou zich niet laten vinden. Hij bestond misschien niet eens, niet in de zin zoals Winter wilde dat hij zou bestaan.

Plotseling had hij besloten dat hij hierheen wilde, naar de lichte en lege flat in Hammarkullen waar de rest van de familie Aziz woonde.

Sirwa, het jongste zusje, was er niet. Azad, de jongste broer, vertrok toen Winter kwam. De jongen knikte even en was weg.

Winter legde zijn sesamkoekje op zijn bord.

Ediba Aziz zei iets.

‘Ze vraagt of je het koekje niet lekker vindt,’ zei Parwin.

‘Het is heel lekker,’ zei Winter.

Nasrin lachte even. Het geluid klonk niet als een lach.

‘Lieg niet,’ zei ze. ‘Politiemensen moeten niet liegen.’

‘Ik lieg niet,’ zei Winter. Hij pakte het koekje weer op en stopte het in zijn geheel in zijn mond.

‘Heb je zoiets weleens eerder gehad?’

Hij at tot zijn mond leeg was. ‘Ja, heel vaak,’ zei hij toen. ‘Ik hou van zoete dingen.’

‘Dat geloof ik niet.’

‘Hoe zit het met jou, Nasrin?’

‘Wat bedoel je?’

‘Hou jij van zoete dingen?’

‘Nee.’ Ze schudde haar hoofd. Haar dikke haar bewoog mee. Ze had iets met haar haar gedaan sinds Winter haar de vorige keer had gezien. Wanneer was dat? Het leek wel een week geleden. ‘Ik hou van zure dingen.’

‘Citroenen?’ zei Winter.

‘Ben je daarvoor gekomen? Om mij naar citroenen te vragen?’

Ze stond op en verliet de kamer.

Haar moeder zei iets.

‘Ze is boos,’ vertaalde Parwin. ‘Nasrin is boos.’

Winter knikte.

Ediba zei weer iets: ‘Ze gaat bijna nooit naar buiten. Ze zit alleen maar op haar kamer.’

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Winter en hij stond op. ‘Mag ik op haar kamer met haar gaan praten?’

Ediba knikte.

 

Ze antwoordde nadat hij twee keer had geklopt.

Winter deed de deur open.

‘Ik wil met rust worden gelaten,’ zei ze.

‘Ik moet met je praten, Nasrin,’ zei hij en hij liep een eindje de kamer in. Nasrin zat op haar bed. Er hing een poster boven het bed. Daarop was een dorp afgebeeld. Winter herkende de bergen.

‘Dat had je in de woonkamer kunnen doen.’

‘Je liep weg.’

‘Als je over koekjes en citroenen blijft praten, kun je meteen vertrekken.’

‘Jij begon.’

‘Wat is dit voor kinderachtig gedoe?’ zei Nasrin.

‘Mag ik gaan zitten?’

‘Niet op mijn bed.’

Er klonk muziek in de kamer. Het was muziek uit haar oude land. Maar de zanger klonk jonger dan Naser Razzazi. De muziek klonk jeugdiger.

‘Wie is dat?’ vroeg Winter.

‘Jij bent kennelijk overal in geïnteresseerd,’ zei ze. ‘Vraag je altijd overal naar?’

‘Ik ben geïnteresseerd in muziek.’

‘Ik heb je al een keer verteld wie het is. Weet je dat niet meer?’

‘Nee.’

Ze strekte haar hand uit naar iets wat op het bed lag en gooide dat plotseling naar Winter. Hij ving het in de lucht en bezeerde zijn hand.

‘Goed gedaan!’

Hij las het hoesje van de cd.

‘Zakaria.’

‘Hij is teruggegaan.’

‘Teruggegaan?’

‘Hij woonde in Zweden, maar hij is teruggegaan naar Koerdistan.’

Ze knikte naar iets achter Winter. Hij draaide zich om. Er hing een landkaart aan de muur.

‘Koerdistan?’

‘Wat denk je?’

‘Ik denk inderdaad dat dat Koerdistan is,’ zei hij en hij glimlachte.

‘Dat klopt! Zo ziet het eruit. Als het bestond. Mijn land zou er zo hebben uitgezien als het had bestaan.’

Het leek op Italië, maar dan zonder de punt van de laars. Een Italië dat tussen de Middellandse Zee, de Kaspische Zee en de Perzische Golf was neergelegd.

‘Waar komt de familie Aziz vandaan?’ vroeg Winter. ‘Kun je dat aanwijzen?’

‘Nee.’

Dat klonk heel definitief. Ze wilde nu niet naar de kaart kijken.

‘Wil jij ook terug?’

‘Daar is het te laat voor.’

‘Waarom?’

‘Er is daar niets meer. Niets om aan te wijzen. Het is voorgoed weg. En dan heeft het geen zin erheen te verhuizen. Of wel soms?’

‘Jij bent de enige die dat kan beslissen, Nasrin.’

Er verscheen een eigenaardige glimlach op haar gezicht. Of gebeurde er alleen iets met haar lippen toen ze zich naar voren boog?

‘Waarover zingt hij?’

‘Hè?’

‘Waarover zingt hij?’ herhaalde Winter. ‘Zakaria.’

Ze leek te luisteren.

Ze leek haar belangstelling te verliezen, voor de muziek, om op haar bed te blijven zitten, om naar Winters vragen te luisteren.

‘Het zijn gewoon liefdesliedjes.’

Winter las wat er op het hoesje stond.

Bo Pesimani . Wat betekent dat?’

‘Ik heb er spijt van. Dat zingt hij, ik heb er spijt van, ik heb er spijt van.’

‘Een veelvoorkomend thema in liefdesliedjes.’

‘Is dat zo?’

‘Ik geloof het wel.’

Nasrin stond op.

‘Ik geloof dat ik even naar buiten ga.’

‘Mag ik je eerst nog iets vragen, Nasrin?’

Ze antwoordde niet.

‘Was Hiwa op de een of andere manier betrokken bij prostitutie?’

Ze was al onderweg naar de deur. Winter kon haar gezicht niet zien. Ze draaide zich niet om.

‘Ging het daarom, Nasrin? Prostitutie?’

Ze draaide zich om. Haar gezicht was als voorheen.

‘Op de een of andere manier? Wat bedoel je? Hield hij zich er op de een of andere manier mee bezig?’

‘Was hij betrokken bij prostitutie?’

‘Waarom zou hij dat zijn geweest?’

‘Ik vraag het aan jou.’

‘Daar weet ik niets van.’

‘Is dat echt waar, Nasrin?’

‘Het is echt waar,’ zei ze en ze verliet de kamer.

 

Een Vlucht Vooruit
titlepage.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_0.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_1.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_2.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_3.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_4.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_5.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_6.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_7.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_8.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_9.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_10.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_11.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_12.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_13.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_14.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_15.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_16.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_17.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_18.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_19.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_20.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_21.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_22.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_23.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_24.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_25.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_26.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_27.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_28.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_29.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_30.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_31.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_32.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_33.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_34.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_35.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_36.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_37.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_38.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_39.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_40.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_41.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_42.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_43.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_44.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_45.xhtml
Edwardson-een_vlucht_vooruit_split_46.xhtml