10

Barend Kolfschoten kwam naast Leendert op de galerij staan. Samen leunden ze tegen de balustrade. “Is ditje eerste moord, Barend?”

De ander knikte. “Ik heb twee jaar geüniformeerde dienst gedaan en anderhalfjaar verkeersdienst op de motor. Wel veel doden gezien, maar alleen door ongelukken.”

“En? Schrok je erg?”

“Ja. Ik heb een paar glazen water gedronken.”

“Het was vooral die plas bloed, zeker?”

“Nee. Die heb ik wel groter gezien. Het was die…brij…in zijn haar.”

“Ja. Het klinkt misschien afgezaagd, maar je went eraan. Goed. Wat hebben we, Barend?”

“Om te beginnen de vraag of meneer Duijker een insluiper heeft betrapt en te pakken is genomen.”

“Dat ligt het meest voor de hand, ja. Is die vraag omkeerbaar?”

Barend nam de tijd. “Eh…je bedoelt…was hij hier al toen de dader aanbelde, of zo?”

“Heel goed, knul.” Leendert knikte tevreden. “En verder?”

“Dit appartement,” ging Barend verder. “Wat is hier zo belangrijk dat er voor gemoord moet worden? Of was het misschien om Duijker zelf te doen?”

“Dan is het een afrekening en is er sprake van voorbedachte rade.”

“In dat geval…” aarzelde Barend. “Nou?”

“In dat geval…had het dan niet meer voor de hand gelegen dat hij in zijn eigen huis was aangevallen?”

“Bingo. Er zijn dus dingen gebeurd waarop niemand rekende. Onverwachte ontwikkelingen – buiten de geijkte patronen. Net als in het dagelijks leven.”

Rinus Engels kwam met een rol rood en wit geblokt lint aanlopen.

“Tot straks, Rinus!” zei Leendert Vosmeer. “Wij lopen even naar de bovenburen.”

Bij de deur hield hij stil en zei: “Zeg, Rinus…hoe is het met je schoenen? Loopt dat nou lekker, met die extra spijkers?” De hoofdagent zei niets terug, maar begon op zijn gemak het lint en de stickers aan te brengen.