16

Een half uur daarna schoof ze aan op het uiterste puntje van een bank achter in de zaal van het crematorium. De plechtigheid was kort en sober. Er waren weinig mensen, zag ze, hooguit twintig, tweeëntwintig. De meeste daarvan waren waarschijnlijk buren, aangevuld met wat voormalige collega’s. Tanja herkende de zoon. Hij zat voorovergebogen tussen zijn vrouw en zijn dochter op de eerste rij. Onopgemerkt maakte ze zonder flits twee foto’s van de aanwezigen.

Leendert Vosmeer keek naar haar en trok daarbij wéér die ene wenkbrauw op, maar omdat ze niet vond dat daaruit afkeuring bleek schoot ze openlijk nog een volgende foto. Iemand van de bank hield een vriendelijk praatje, een gedistingeerde heer met wit haar die speciaal voor de crematieplechtigheid uit Arnhem was afgereisd. Hij omschreef Duijker als een scherpzinnig man met een breed gezichtsveld en oog voor details. Joep knikte instemmend toen de man aanstipte dat Joost Duijker vroegtijdig “de bankfamilie moest verlaten onder de druk van een affaire waar hij part noch deel aan had.” Tenslotte bedankte Joep allen die waren gekomen om afscheid van zijn vader te nemen. Tanja vond de muziek goed uitgekozen. Ze herkende een overbekend deel uit Per Gynt van Grieg en vond het gedragen adagio uit een vioolconcert van Mendelssohn wel mooi, maar iets te lang duren. Na de plechtigheid schoof Tanja zo onopvallend als ze kon in de richting van Leendert Vosmeer. Maar hij was eerst druk in gesprek met de man met het witte haar en besteedde vervolgens al zijn aandacht aan Jantien Keesmaat, de buurvrouw van Celina Deemoed. Hij leek geen oog voor haar te hebben. Uiteindelijk stapte ze op de Soetings af en vroeg beleefd hoe het met hen ging. Ze waren wegens het fraaie weer naar het crematorium komen wandelen, maar accepteerden dankbaar haar aanbod voor een lift.

“Kom nog maar even mee naar boven,” zei Alex helemaal niet onvriendelijk. “Voor een kop koffie of zo. En misschien hebben we nog wat voor je…”