47

Een paar minuten voor half vier stapten Leendert Vosmeer en Barend Kolfschoten het imposante kantoor van North Sea Offshore Services aan de Spuistraat binnen. Op de brede buitentrap zei Leendert spottend: “We zullen Breetvelt eens lekker laten zweten, die dikke patser in zijn dure kantoor.”

“Op de rechercheschool doen ze alle moeite om ons zulke gedachten af te leren, Leendert!”

Ze hoefden geen vragen te stellen. Breetvelt had zijn gewone pose hervonden en begon meteen te praten. Hij had gehoord van de moord op Duijker, maar daar hadden zowel zijn chauffeur als hijzelf niets mee te maken. Hij had de hele week in Duitsland doorgebracht om een opdracht binnen te halen.

“Was uw chauffeur mee?” vroeg Barend. “Nee,” zei Breetvelt op arrogante toon. “Ik heb gevlogen en kan mijn boarding pass nog laten zien als u daar prijs op stelt. Maar wat u toch vooral moet weten…”

“Instappasjes bewijzen niets,” onderbrak Leendert Vosmeer hem. “U kunt gemakkelijk een vliegticket hebben terwijl u daar niet op heeft gereisd…”

“Ja, ja, dat zal allemaal wel, maar ik heb natuurlijk in een hotel…” Hij friemelde geagiteerd met zijn vingers aan zijn montuur. “Wat ik wil zeggen is dat ik van die Duijker twéé chantagebrieven heb ontvangen!”

“Chanteurs zetten hun naam nooit onder een brief,” reageerde Leendert gevat.

“Precies, inspecteur, en daarom was ik eerder vandaag bij uw chef op het bureau. Hij wist al dat die Duijker met vuile zaakjes bezig was en heeft mij verzekerd dat ik nooit meer iets van hem zal horen. Hier, kijkt u zelf maar.” De hand waarmee Leenderts het papier aanpakte trilde van woede. Hij vond het onverteerbaar dat de commissaris aan hem liet vragen vooral discreet te zijn, terwijl hijzelf zonder blikken of blozen een gechanteerd lid van zijn old boys network van informatie voorzag. Hoofdschuddend bekeek hij het materiaal. De eerste brief bevatte twee foto’s en een eis van 10.000 euro.

“U dient de biljetten te wikkelen in een bruine kruidenierszak en te deponeren op donderdagnacht 19 juli om 0.00 uur in de prullenbak op het trottoir tegenover de Sociëteit van het Belgisch Loodswezen op Boulevard De Ruyter,” las hij hardop.

“Slim, natuurlijk,” mopperde Breetvelt, “want die bakken worden op donderdagmiddag door de reinigingsdienst geleegd. Ik heb gedacht: barst jij maar, en ik heb niet gereageerd. Toen kwam er op maandag 23 juli een tweede brief.” Hij greep de brief die op zijn immense bureau klaarlag en reikte hem Leendert Vosmeer aan.

“Denkt u, meneer Breetvelt,” zei Leendert heel vilein, “denkt u dat het zin heeft om deze brieven nu nog op vingerafdrukken te laten onderzoeken? En…wie heeft die prullenbak voor u in de gaten gehouden op die bewuste donderdagnacht? Onze wederzijdse vriend Joziasse misschien?” De oogjes achter de brillenglazen van Breetvelt vernauwden zich.

Dat kan twee dingen betekenen, analyseerde Leendert nuchter. Of hij denkt: verdomme, dat had ik zelf kunnen bedenken, wat stom, of hij denkt: dat inspecteurtje is mij te slim met zijn opmerkingen.

In de tweede brief was het bedrag verdubbeld. Er zat nu ook een extra foto bij. Meneer Breetvelt lag relaxed onderuit terwijl een mooie juffrouw in jarretelles met zijn geslachtsorgaan in de weer was. Op de achtergrond zat wethouder Richard De Veth van Steenis met een glas champagne in de hand verhit toe te kijken hoe bouwondernemer Huig de la Rey, een gespierde en atletische verschijning, schijnbaar achteloos zijn hand in het blote kruis van een andere jongedame liet rusten.

“Tja,” mompelde Breetvelt, “om die tweede briefen die foto kon ik niet heen, natuurlijk. Het is heel bedreigend, allemaal. Maar ik heb begrepen dat de afzender geen schade meer kan aanrichten.”

“Daar zou ik niet van uitgaan,” reageerde Leendert traag. “De mensen die in deze business werken nemen meestal hun voorzorgsmaatregelen voor het geval hun tegenpartij een paar ons te zwaar blijkt te wegen. Wees niet verbaasd als de foto’s nu ineens ergens in de publiciteit worden gebracht…” Breetvelt schrok zichtbaar.

“Heeft u contact met de andere heren op de foto? Worden zij óók gechanteerd?”

“Ik zou het niet weten,” loog Breetvelt. “Het feestje was een idee van De la Rey om die arme wethouder eens een leuke avond te gunnen. Ik ken die man verder niet. Ze zijn geloof ik bevriend.”

“Was dat de enige reden? Een ruimhartig gebaar naar iemand die niet gewend is aan dit soort uitjes?” Breetvelt gaf er geen antwoord op. Leendert zuchtte diep. “Mag ik deze brieven meenemen?”

“Dat is goed. Ik heb er al een kopie van gemaakt.”

“Ik wil uw uitleg graag zwart op wit. Kan ik daar vandaag nog iemand voor langssturen? U kunt ook op het bureau een verklaring afleggen. U weet daar de weg, tenslotte.”

“Nee, nee,” klonk het haastig. “Prima als u iemand langs laat komen!”

Buiten, naast de wagen, keek Leendert Vosmeer naar het ruime venster van Breetvelts kamer. Hij stond alweer met een telefoon tegen zijn oor en maakte dezelfde drukke gebaren als de vorige keer.

“Het netwerk zoemt,” filosofeerde Barend. “Wie zou hij nu bellen? De la Rey of De Veth van Steenis?”