51

Het was Tanja die middag niet gelukt om Breetvelt, De la Rey of de wethouder aan de telefoon te krijgen en een afspraak voor een interview te maken. De secretaresse van De la Rey beloofde haar een map met voorlichtingsmateriaal te sturen en de persoonlijke assistent van Breetvelt had nogal kortaf gezegd dat meneer de directeur nooit persoonlijk mensen van de pers ontving, maar dat altijd aan hem overliet. Hij wilde halverwege de volgende week wel een uur voor haar vrijmaken. Ze verliet het stadhuis in een exodus van huiswaarts kerende ambtenaren en merkte dat ze honger had. Aan de overkant van het Raadhuisplein ontdekte ze een cafetaria. Tanja besloot een kop koffie met een broodje te kopen om eens rustig na te denken over haar volgende stap. Ze had het broodje al op toen de Marokkaans ogende jongen haar de koffie bracht. Ze rekende af, roerde in haar kopje en staarde nadenkend naar buiten. Ze zag de diepgroene Bentley van Breetvelt tot voor de trappen van het stadhuis rijden. De chauffeur liep om en hield de deur open voor een man met een imposante snor.

De Marokkaanse jongen volgde haar blik en zuchtte. “In zo’n slee zou ik ook wel willen rijden,” zei hij. “Ken je die man?” vroeg Tanja.

“Die snor die de trap op loopt? Dat is de baas van North Sea Offshore, in de Spuistraat.”

“Hard werken dan!” zei ze. “Dat heeft die snor ook vast en zeker gedaan.”

“Of meedoen aan een loterij,” zei de jongen. “Wilt u misschien een sponsorlot van mijn voetbalclub kopen? U kunt er een reis mee winnen.”

Tanja zag de snor samen met De Veth van Steenis de trap afkomen en naar de Bentley wandelen.

“Een andere keer misschien,” zei ze. “Weet je hoe hij heet, die snor?”

De jongen schudde het hoofd. “Nee,” reageerde hij, hevig nadenkend. “Maar die bolle naast hem is De Veth van Steenis, een wethouder.”

Tanja verliet de cafetaria, stapte in haar Renault Mégane en reed achter de Bentley aan.

“Hup, Tanja,” sprak ze zichzelf toe. “We zien wel wat ervan komt. Denk eraandat je flink afstand houdt.”