68

Liebermann opende de deur met een stevige ruk. “Ik heb niets aan mijn verklaring toe te voegen!” riep hij luid. “Daar kom ik ook niet voor, meneer Liebermann,” zei Leendert vriendelijk. “Wij willen gewoon nog wat nadere details van u weten.”

Liebermann had al koffie en thee klaarstaan. Hij was zichtbaar nerveus, maar wel heel beheerst. Hij vertelde hoe Celina op het parkeerterrein bij het station in zijn auto was gestapt. Ze wilde in geen geval dat hij haar thuis ophaalde, dus had hij ook geen idee waar ze exact woonde. Om tien uur stapte ze met haar tassen uit de bus en liep ze naar de grote parkeerplaats. Daar stond hij naast zijn auto en vouwwagen op haar te wachten, tot op het laatst onzeker of ze wel zou komen.

“Vertel eens over de route die jullie hebben genomen.”

“Ardennen, door Champagne, langs Parijs, we hebben gekampeerd aan de Loire, toen door naar de Dordogne. Celina wilde graag naar de streek onder Bordeaux, omdat je daar van die geweldig hoge golven hebt aan de stranden.”

“U had het over ruzies die steeds vaker voorkwamen. Waar gingen die over?”

“Het waren aanvankelijk meer discussies en filosofische mijmeringen,” zei Liebermann. “Over de vrijheid van het individu, de waarde en het gewicht van een relatie, en hoe vrij mensen elkaar kunnen of moeten laten. Het werd steeds duidelijker dat we daar onverenigbare gedachten over hadden. Ik was dol op haar, ik vond haar heerlijk, mooi, ik was gewoon verliefd. Ik verwachtte eigenlijk niet dat zoiets op mijn leeftijd nog zou komen. Maar ik wilde haar voor mijzelf. Celina wilde geen vastigheid, dat werd steeds duidelijker. Ze was daar heel erg dubbel over. Ze wilde bij mij horen, zei ze, ze wilde mij ook voor zichzelf hebben. Op het laatst begon het een beetje hysterische trekken te krijgen.”

“Heeft u aanwijzingen dat ze na Bordeaux nog een ander deel van Frankrijk heeft bezocht? Misschien de omgeving van Troyes?” vroeg Barend. “Nee, zegt mij niets.”

“Zegt de naam Thieffrain u dan misschien iets?” drong Barend aan.

“Nee, nooit van gehoord.”

Liebermann schoof onrustig met de wreef van een voet langs zijn hiel. Toen zei Leendert Vosmeer: “Wat is dat nu vervelend – u heeft daar toch met Celina op een camping gestaan?”

“Nou zeg, dat zou ik toch zelf moeten weten?” Het klonk hooghartig. “U mag niet jokken, meneer Liebermann.”

“Wat zullen we nu beleven? Zo wens ik niet toegesproken te worden!”

Leendert keek hem scherp aan.

“Ik heb hier een fax van de Gendarmerie in Troyes. Misschien heeft u tijdens uw vakantie wel gemerkt dat de Franse politie vreselijk tuk is op een exacte registratie van wie precies waar verblijft. Ze hebben daar in hun archief een met de hand ingevulde kaart dat u zich op 22 juli op een camping à la ferme bij Thieffrain heeft ingeschreven, in het gezelschap van Madame Celina Deemoed. Het nummer van uw ANWB campingcarnet staat hier netjes ingevuld en zelfs de nummers van de paspoorten staan er keurig bij.” Liebermann liet zich doodsbleek in zijn stoel vallen. Barend keek Leendert bewonderend aan. “En de grond bij de rivier is roodachtig bruin en van dezelfde samenstelling als de grond die wij in de ribbels van Celina’s schoenzolen hebben gevonden,” vulde hij aan. “Kijk,” zei Leendert rustig. “U heeft al gemerkt, meneer Liebermann, dat we een collega van de Bredase recherche bij ons hebben. U mag met hem mee.”

“Wat gaat er dan met me gebeuren?” riep Liebermann klagend. “Ik kan er toch niets aan doen dat ze dood is? Ze is uitgegleden en…”

“U wordt ook niet van moord beschuldigd,” zei Van der Schraaf. “U heeft een valse verklaring afgelegd en ook nog ondertekend.”

“Dat is niet strafbaar! Ik stond niet onder ede!”

“Zo? Meneer is op de hoogte. Maar hoe dan ook: we zijn nu allemaal vreselijk benieuwd naar het echte verhaal. Legt u eerst maar eens uit waarom u de politie niet heeft gewaarschuwd en hoe u het in uw hoofd haalde om met een overleden vrouwspersoon te gaan lopen zeulen…”

“Is dat strafbaar?”

“Natuurlijk. Het is in strijd met de Wet op de Lijkbezorging.”

“Geldt die wet ook in Frankrijk?”

“Nee. In Frankrijk zijn ze nog veel strenger.” Leendert keek hem strak aan.

“Vertel eens, meneer Liebermann. Kent u een meneer Den Hartog?”

Liebermann dacht na. Hij wreef met zijn hand door zijn dunne haar.

“Nee, tenzij u de schrijver bedoelt. Jan de Hartog, van Hollands Glorie.”

Leendert keek hem somber aan. Toen zei hij: “Mag ik uw handen even vasthouden?”

“Pardon? Waar slaat dit op?”

“Ik wil uw duimen even bekijken.”

Liebermann haalde schokkerig zijn schouders op. Hij stak zijn handen met de open handpalmen naar boven naar hem uit.

Leendert pakte de gladde handen een voor een beet. Ze voelden klam en zweterig aan. Hij betastte de duimen en bekeek hen nauwkeurig. Op een ervan zat een litteken van een oude wond in de vorm van een winkelhaak. “We nemen u mee naar het bureau, naar een verhoorkamer,” zei hij zachtjes tegen de man. “Daar hebben we een taperecorder. Vertelt u ons alstublieft in detail hoe Celina Deemoed is verongelukt en wat er daarna gebeurde.”