84

In zijn stille flat aan de Alexander Gogelweg opende Leendert de beige kledingkast. Voorzichtig haalde hij Julia’s kledingstukken eruit, vouwde ze allemaal netjes op en vulde er de plastic kledingtassen mee. Hij ging naar buiten en opende de kofferbak van zijn grijze Honda. Langzaam reed hij de stad uit, langs de duinenrij. Het begon al te schemeren en tot zijn verbazing kwam hij niemand tegen. Hij opende het hek van de duinovergang en reed naar boven, op zoek naar een geschikte plek om de auto zo dicht mogelijk bij het strand te parkeren.

Op de blauwe blokken basalt tussen de gepokte en bemosselde palen van een golfbreker stapelde hij de kleding op en stopte er zorgvuldig op een paar plaatsen de meegebrachte kranten tussen. Hij liep terug naar de Honda en haalde de jerrycan met benzine uit de achterbak. Hij sproeide het vocht rijkelijk over de brandstapel en hield er tenslotte een lucifer bij. Met een zoevend geluid vlogen de vlammen erin. Hij pakte een stok en verschoof af en toe iets in de stapel. Toen er na twintig minuten nog slechts een smeulend asheuveltje was overgebleven, groef hij in het zand naast het paalhoofd een kuil.

Het was intussen helemaal donker geworden. Hij liep naar de waterlijn, trok al zijn kleren uit en zwom recht de zee in. Toen hij niet meer kon, stopte hij en draaide hij zich om. Het laatste zonlicht streek scharlakenrood langs de toppen van de duinenrij, waardoor ze nog onverwacht fel oplichtten tegen de donkerende luchten uit het oosten. “Nu is alles helemaal schoon,” zei hij tegen zichzelf. “Vaarwel, Julia, ik laat je los. Ik kan het je vergeven, want je koos uiteindelijk toch voor mij.” Hij duwde zijn hoofd onder water en proestte luid om zich heen. Daarna zwom hij op zijn gemak terug, wreef zich min of meer droog met zijn overhemd en trok de resterende kleding aan. Toen hij weer onder aan de duinovergang kwam en het hek achter zich sloot, schoof hij het cassettebandje van The Animals in de radio. Heel de weg zong hij luid mee: “There is a house in New Orleans they call the rising sun…”