/ Language: Netherlands / Genre:sf / Series: Doodstrijd

Doodsstrijd In Appsala

Harry Harrison


Harry Harruson

Doodstrijd in Appsala

voor

John W. Campbell

zonder wiens hulp dit boek —

en een flink percentage van de moderne essef —

nooit zou zijn geschreven.

Natuur, ’t is niet dan Kunst die u ontgaat;

Toeval, ’t is Richting die ge niet verstaat;

Tweespalt is Harmonie, maar ons verstand teveel;

Kwaad van het deel, is Goed van het geheel:

Want trots de Trots, en ondanks Rede’s korte maat,

Wáár is: Alles is juist als het bestaat.

— Alexander Pope, “Een essay over de Mens”

I

“Een ogenblikje,” zei Jason in de telefoon; hij draaide zich even om en schoot een aanvallende hoornduivel neer. “Nee, ik ben niet met iets belangrijks bezig. Ik kom naar je toe en misschien kan ik wel helpen.”

Hij schakelde de telefoon uit en het beeld van de radioman verdween van het scherm. Toen hij langs de dode hoornduivel liep bewoog die met een laatste sprankje venijnig leven en de hoorn kletterde op zijn buigzame metalen laars; hij schopte het lijk van de muur af het oerwoud in. Het was donker in de wachttoren op de ommuring; de enige verlichting kwam van de flikkerende controlelampjes van het verdedigingsscherm. Meta keek even naar hem en glimlachte, toen keerde haar hele aandacht weer terug naar het alarmpaneel.

“Ik ga naar de radiotoren op de luchthaven,” vertelde Jason haar.

“Er cirkelt een ruimteschip rond dat in een onbekende taal contact probeert te maken. Misschien kan ik helpen.”

“Kom gauw terug,” zei Meta en na vlug even te hebben gekeken of al haar lampjes groen waren, draaide ze zich om in haar stoel en strekte haar armen naar hem uit. Haar armen waren om hem heen, stevig gespierd en zo sterk als die van een man, maar haar lippen waren warm en vrouwelijk. Hij gaf haar een zoen terug, maar ze trok zich even plotseling terug als ze was begonnen en richtte haar aandacht weer op het alarm- en verdedigingssysteem.

“Dat is de ellende met Pyrrus,” zei Jason. “Veel te efficiënt.” Hij boog zich voorover en beet haar zachtjes in haar nek. Ze sloeg speels naar hem zonder haar ogen van de lampjes af te wenden. Hij dook — maar niet vlug genoeg — en liep met een hand over zijn gekneusde oor naar buiten. “Mevrouw de gewichtheffer!” mompelde hij binnensmonds.

De radioman was alleen in de luchthaventoren, een tiener die nog nooit van de planeet weg was geweest en daarom alleen Pyrraans kende, terwijl Jason, na zijn loopbaan als beroepsgokker de meeste talen in het melkwegstelsel sprak of in ieder geval een beetje begreep.

“Zijn baan ligt nu buiten bereik,” zei de jongen. “Komt zo weer terug. Praat iets anders.” Hij draaide het volume hoger en boven het atmosferische gekraak uit werd langzaam een stem hoorbaar.

“…jeg kan ikke forstå…Pyrrus, kan dig hør mig…?”

“Geen moeilijkheden,” zei Jason terwijl hij de microfoon pakte. “Het is Nytdansk — wordt op de meeste planeten in het Polarisgebied gesproken.” Hij schakelde in.

Pyrrus til rumfartskib, over,” zei hij en zette de ontvanger aan. Het antwoord kwam terug in dezelfde taal.

“Vraag toestemming om te landen. Wat zijn uw coördinaten?”

“Toestemming geweigerd en sterk aanbevolen dat u een gezonder planeet zoekt.”

“Dat is onmogelijk omdat ik een bericht heb voor Jason dinAlt en ik heb gehoord dat hij hier is.”

Jason keek met nieuwe belangstelling naar de krakende luidspreker. “Uw inlichtingen zijn juist: dinAlt is hier. Wat is het bericht?”

“Kan niet over een openbare verbinding worden gegeven. Ik volg nu uw zendsignaal. Wilt u me aanwijzingen geven?”

“Beseft u dat u waarschijnlijk zelfmoord pleegt? Dit is de meest dodelijke planeet in de melkweg, en alle levensvormen, van de bacteriën tot de klauwvalken — die net zo groot zijn als het schip waarin u vliegt — zijn de mens vijandig. Er is op het ogenblik een soort wapenstilstand, maar voor een buitenwerelder als u betekent het nog steeds absoluut de dood. Kunt u mij verstaan?”

Er kwam geen antwoord. Jason haalde zijn schouders op en keek naar het radarscherm.

“Nou, het is je eigen leven. Maar zeg niet met je laatste woorden dat je niet bent gewaarschuwd. Ik zal je binnenloodsen — maar alleen als je afspreekt in je schip te blijven. Ik kom naar je toe; op die manier heb je een redelijke kans dat de ontsmetting in je luchtsluis het plaatselijke microscopische leven doodt.”

“Afgesproken,” kwam het antwoord, “aangezien ik geen zin heb om te sterven — ik wil alleen maar mijn bericht afleveren.”

Jason loodste het schip binnen en zag het uit de laaghangende wolken omlaagzakken. Het bleef even zweven en stortte toen met de achterkant naar voren met een knarsende dreun omlaag. De schokdempers vingen de grootste schok op, maar het schip had een verbogen steun en stond duidelijk scheef.

“Afschuwelijke landing,” kreunde de radioman en hij keerde weer terug naar zijn paneel, zonder enige belangstelling voor de vreemdeling. Pyrranen kennen geen terloopse nieuwsgierigheid.

Jason was precies het tegengestelde. Nieuwsgierigheid had hem naar Pyrrus gebracht, had hem in de oorlog over de hele planeet betrokken en hem bijna gedood. Nu werd hij door nieuwsgierigheid naar het schip gedreven. Hij aarzelde even toen hij bedacht dat de radioman zijn gesprek met de vreemde piloot niet had verstaan en niet kon weten dat hij van plan was het schip binnen te gaan. Als hij in moeilijkheden kwam kon hij geen hulp verwachten. “Ik kan wel voor mezelf zorgen,” zei hij lachend in zichzelf en toen hij zijn hand ophief sprong zijn ploffer uit het bekrachtigde holster dat aan de binnenkant van zijn pols zat gesnoerd en klapte in zijn hand. Zijn wijsvinger was al gekromd, en toen de op scherp staande trekker daartegenaan kwam knalde er een enkel schot dat het pijlkruid in de verte verschroeide, waarop hij had gericht.

Hij was goed en hij wist het. Hij zou nooit zo goed zijn als de inheemse Pyrranen, die op deze dodelijke planeet met zijn dubbele zwaartekracht waren geboren en getogen, maar hij was sneller en dodelijker dan enige buitenwerelder kon zijn. Hij kon alle eventuele moeilijkheden wel aan — en hij verwachtte moeilijkheden. In het verleden had hij heel wat meningsverschillen gehad met de politie en met verscheidene andere planetaire gezagsapparaten, hoewel hij er niet zo gauw een kon bedenken die de moeite zou nemen de politie door de interstellaire ruimte te sturen om hem te arresteren.

Waarom was dit schip gekomen?

Op de staart van het ruimteschip was een registratienummer geschilderd en een tamelijk bekend embleem. Waar had hij dat eerder gezien?

Zijn aandacht werd afgeleid doordat de buitendeur van de luchtsluis openging en hij stapte naar binnen. Toen die zich helemaal achter hem had gesloten, deed hij zijn ogen dicht terwijl de supersonics en het ultraviolet van de ontsmetter hun best deden de verschillende kleine levensvormen uit te roeien die in zijn kleren waren meegekomen. Eindelijk waren ze klaar en toen de binnendeur openging drukte hij zich er stijf tegenaan, klaar om er onmiddellijk door te springen zodra hij wijd genoeg open was. Als er verrassingen waren wilde hij dat ze van hem afkomstig waren. Toen hij door de deur ging besefte hij dat hij viel. Zijn ploffer sprong in zijn hand en hij had hem half gericht op de man in het ruimtepak die in de pilotenstoel zat.

“Gas…” was alles wat hij uit kon brengen en hij was bewusteloos voor hij op het metalen dek terecht kwam.

Zijn bewustzijn kwam terug samen met een kloppende hoofdpijn die Jason ineen deed krimpen als hij zich bewoog, en toen hij zijn ogen opende deed de pijn van het licht hem ze meteen weer dichtknijpen. Wat voor gif hem ook buiten westen had gekregen, het werkte snel en scheen net zo snel weer te verdwijnen. De hoofdpijn zakte tot een dof kloppen en hij kon zijn ogen open doen zonder het gevoel alsof er naalden in werden gestoken.

Hij zat in een standaard ruimtestoel die voorzien was van pols- en enkelboeien, die nu stevig dicht zaten. In de stoel naast hem zat een man ingespannen naar het regelpaneel van het schip te kijken; het schip was onderweg en al een heel eind de ruimte in. De vreemdeling was de computer aan het programmeren voor een sprong in de hyperruimte.

Jason maakte van de gelegenheid gebruik de man te bestuderen. Hij leek hem een beetje oud voor een politieagent, hoewel het bij nader inzien erg moeilijk was zijn leeftijd te schatten. Zijn haar was grijs en zo kortgeknipt dat het wel een mutsje leek, maar de plooien in zijn leerachtige huid schenen meer door verwering te zijn ontstaan dan door een hoge leeftijd. Hij was lang en kaarsrecht en leek op het eerste gezicht wat dun, tot Jason besefte dat dit effect werd veroorzaakt door de totale afwezigheid van overbodig vlees. Hij zag eruit alsof hij door de zon was gekookt en door de regen uitgeloogd tot er alleen nog botten, pezen en spieren over waren. Als hij zijn hoofd bewoog zagen de spieren onder de huid van zijn nek eruit als kabels en zijn handen aan de knoppen leken wel bruine klauwen van een of andere vogel. Een harde vinger drukte de knop in die het sprongregelapparaat inschakelde en hij keerde zich van het paneel af en keek Jason aan.

“Ik zie dat je wakker bent. Het was een licht gas. Ik gebruik het niet graag, maar het was de veiligste manier.”

Als hij praatte gingen zijn kaken open en dicht met de geen-geintjes ernst van een bankkluis. Zijn diepliggende, koude blauwe ogen staarden hem strak aan vanonder dikke donkere wenkbrauwen. Er was niet het geringste spoortje humor in zijn gezicht of in zijn woorden.

“Niet zo erg vriendelijk,” zei Jason terwijl hij stiekem de boeien onderzocht. Ze zaten op slot en waren erg strak. “Als ik er enig idee van had gehad dat je belangrijke persoonlijke bericht een dosis slaapgas zou zijn, zou ik wel twee keer hebben nagedacht voor ik je binnenloodste.”

“De bedrieger bedrogen,” beet de scherpe schildpadbek hem toe. “Als er een andere manier was geweest om je te vangen, zou ik die hebben gebruikt. Maar jouw naam als een meedogenloze moordenaar in overweging genomen en het feit dat je ongetwijfeld vrienden op Pyrrus hebt, greep ik je op de enige mogelijke manier.”

“Erg edel van je, vind ik.” Jason werd kwaad om de niet veel belovende zelfrechtvaardiging van de ander. “Het doel heiligt de middelen enzovoort — niet precies een origineel argument. Maar ik liep erin met open ogen en ik klaag niet.”

Niet veel, dacht hij bitter. Hij kon dit brok beter niet boos maken anders zou hij al gauw op zichzelf boos kunnen worden omdat hij zo stom was geweest. “Maar als ik niet teveel vraag, zou je me misschien willen vertellen wie je bent en waarom je al die moeite hebt gedaan mijn ondervoede lichaam in handen te krijgen?”

“Ik ben Mikah Samon. Ik breng je terug naar Cassylia om terecht te staan.”

“Cassylia — ik dacht al dat ik de registratie op dit schip herkende. Ik denk dat het me niet al te zeer moet verbazen dat ze nog steeds belang in me stellen. Maar je zou toch moeten weten dat er erg weinig over is van de drie miljard zeventienmiljoen kredits die ik in jullie speelbank won.”

“Cassylia wil het geld niet terug,” zei Mikah terwijl hij de instrumenten vastzette en zijn stoel ronddraaide. “Ze willen jou ook niet terug, want je bent nu de held van de planeet. Toen je ontsnapte met je slechtverdiende winst beseften ze dat ze het geld nooit meer terug zouden zien. Dus zetten ze hun propagandamolens aan het werk en ben je nu in alle aangrenzende sterrestelsels bekend als ’Jason Drie Miljard’, het levende bewijs van de eerlijkheid van hun oneerlijke spelen, en lokaas voor alle zwakken van geest. Jij verleidt ze tot gokken om geld in plaats van er eerlijk voor te werken.”

“Vergeef me dat ik vandaag zo traag ben,” zei Jason en hij schudde zijn hoofd snel heen en weer om zijn hersenen wat beter te laten werken. “Ik vind het een beetje moeilijk je te volgen. Wat voor een politieman ben je eigenlijk, dat je me een jaar nadat de aanklacht is ingetrokken nog arresteert om terecht te staan?”

“Ik ben geen politieman,” zei Mikah streng. Zijn lange vingers lagen stijf ineengestrengeld voor hem, zijn ogen waren wijd open en keken Jason doordringend aan. “Ik geloof in de Waarheid — dat is alles. De corrupte politici die Cassylia beheren hebben je op een erevoetstuk geplaatst. Door jou te eren, een andere en — zo mogelijk — nog meer corrupte man, en achter jouw voorbeeld zijn zij rijk geworden. Maar ik zal de Waarheid gebruiken om dat beeld te vernietigen en als ik het beeld vernietig zal ik het kwaad vernietigen waaruit het voortkwam.”

“Dat is een hele opgaaf voor één man,” zei Jason rustig — rustiger dan hij zich in werkelijkheid voelde. “Heb je een sigaret?”

“Natuurlijk is op dit schip geen tabak en geen drank. En ik ben meer dan één man — ik heb volgelingen. De Partij van de Waarheid is al een macht waarmee men rekening moet houden. We hebben heel wat tijd en inspanning besteed om je op te sporen, maar het was de moeite waard. We hebben je schandelijke spoor in het verleden gevolgd, naar Mahauts Planeet, naar het Spiraalnevel Casino op Galipto, langs een reeks smerige misdaden die de maag van een eerlijk man doet draaien. We hebben arrestatiebevelen van al die plaatsen en in sommige gevallen zelfs de uitspraken van rechtszittingen en je doodvonnis.”

“Ik neem aan dat het je rechtsgevoel niet kwetst dat die zittingen allemaal werden gehouden terwijl ik er niet bij was?” vroeg Jason. “Of dat ik alleen casino’s en gokkers heb uitgeschud — die hun brood verdienen met het uitschudden van domme mensen?”

Mikah Samon veegde die overweging opzij met een zwaai van zijn hand. “Je bent schuldig bevonden aan een aantal misdaden. Daar kan je gekronkel niets aan veranderen. Je zou dankbaar moeten zijn dat jouw walgelijke loopbaan aan het eind nog voor een goed doel wordt gebruikt. Het zal de hefboom zijn waarmee we de corrupte regering van Cassylia omver zullen werpen.”

“Ik zal toch iets moeten laten doen aan die nieuwsgierigheid van me,” zei Jason. “Kijk nou eens naar me’ — Hij ratelde met zijn polsen in de boeien en de servomotoren gierden een beetje toen de voelereenheid in werking trad en de boeien strakker aanhaalde, waardoor hij zich nog minder kon bewegen. “Een tijdje geleden genoot ik nog van mijn gezondheid en mijn vrijheid toen ze me riepen om via de radio met jou te praten. Dan loods ik je binnen, in plaats van je een heuvel te laten omploegen, en kan ik de neiging niet weerstaan om mijn stomme kop in die mooie val van je te steken. Ik zal moeten leren die neigingen te onderdrukken.”

“Als dat een bede om genade moet voorstellen, is het om misselijk van te worden,” zei Mikah. “Ik heb nooit een gunst aangenomen en ik ben niets verplicht aan mensen van jouw soort. En dat zal eeuwig zo blijven.”

Eeuwig is, net als nooit, erg lang,” zei Jason doodkalm. “Ik wilde dat ik jouw gemoedsrust had over de absolute orde der dingen.”

“Je laatste woorden wijzen erop dat er misschien nog hoop voor je is. Misschien herken je de Waarheid nog voor je sterft. Ik zal je helpen, met je praten en het je uitleggen.”

“Dan maar liever meteen dood,” zei Jason gesmoord.

II

“Ga je me voeren — of maak je mijn handen los als ik eet?” vroeg Jason. Mikah stond besluiteloos voor hem met een blad. Jason gaf hem een zetje met die woorden, heel zachtjes, want wat hij verder ook mocht zijn, Mikah was niet stom. “Ik heb natuurlijk liever dat je me voert — je zou een uitstekende lijfeigene zijn.”

“Je kunt best zelf eten,” antwoordde Mikah onmiddellijk terwijl hij het blad in de gleuven in Jasons stoel schoof. “Maar je zal het met een hand moeten doen, aangezien je alleen maar moeilijkheden zou veroorzaken als je los was.” Hij drukte een knop in op de rug van de stoel en de boei van de rechterpols knipte open. Jason strekte zijn verkrampte vingers en pakte de vork.

Terwijl Jason at, waren zijn ogen druk bezig. Niet zichtbaar, want de aandacht van een gokker is nooit zichtbaar, maar je kan heel wat zien als je je ogen open houdt en je aandacht kennelijk ergens anders is: een plotselinge glimp van iemands kaarten, de hele kleine verandering in gelaatsuitdrukking die de positie van een speler aangeeft. Beetje bij beetje gleed zijn kennelijk willekeurige blik over de inhoud van de cabine. Regelpaneel, beeldschermen, computer, kaartscherm, sprongregelaar, kaartenkist, boekenplank. Alles werd bekeken, overwogen en herinnerd. Op een of andere manier zouden ze in het plan passen.

Tot dusver had hij alleen maar het begin en het eind van een idee. Begin: Hij zat gevangen op dit schip en was op weg naar Cassylia. Eind: Hij was niet van plan gevangen te blijven — en ook niet om naar Cassylia terug te keren. Nu miste hij alleen nog het belangrijke middenstuk. Op dit ogenblik scheen het eind onmogelijk, maar Jason overwoog geen moment dat het misschien niet haalbaar was. Hij ging uit van het standpunt dat je je eigen geluk in de hand hebt. Je hield je ogen open terwijl de dingen zich ontwikkelden en op het juiste moment handelde je. Als je snel genoeg handelde, had je geluk. Als je over de kansen inzat tot het goede moment voorbij was, had je geen geluk.

Hij schoof zijn lege bord weg en roerde in zijn thee. Mikah had weinig gegeten en begon nu aan zijn tweede kop thee. Terwijl hij dronk staarde hij nietsziend, in gedachten verzonken voor zich uit. Hij schrok toen Jason tegen hem sprak.

“Hoe denk je erover om mij mijn eigen sigaretten te laten roken, aangezien je ze op dit schip niet in voorraad hebt? Je zal ze wel voor me moeten pakken, want ik kan niet bij mijn zak omdat ik aan deze stoel zit geketend.”

“Ik kan je niet helpen,” zei Mikah bewegingloos. “Tabak is een prikkelmiddel dat verdooft en kanker verwekt. Als ik je een sigaret gaf, zou ik je kanker geven.”

“Wees niet zo’n huichelaar!” snauwde Jason, inwendig verheugd over de belonende rode blos in de nek van de ander. “Ze halen al eeuwen de kankerverwekkende bestanddelen uit de tabak. En als ze dat niet deden — wat heeft dat dan met deze situatie te maken? Jij neemt me mee naar Cassylia waar me een zekere dood wacht. Waarom zou jij je dan bezorgd maken over de toestand van mijn longen in de toekomst?”

“Zo had ik het niet gezien. Het is alleen maar dat er bepaalde levensregels zijn —”

“O ja?” Jason viel hem in de rede om het initiatief en zijn voorsprong te behouden. “Niet zo veel als jij graag zou willen. En jullie soort mensen die altijd de regels bedenken voeren je denken nooit ver genoeg door. Jullie zijn tegen verdovende middelen. Welke verdovende middelen? Hoe zit het met het looizuur in de thee die jij daar drinkt. Of de caffeïne erin? Het zit barstensvol caffeïne — een gif dat sterk stimuleert en ook een diureticum is. Daarom vind je geen thee in de veldfles van een ruimtepak. Dat is een geval waarin een gif wordt verboden met een goede reden. Kan jij je afkeuring van sigaretten op dezelfde manier rechtvaardigen?”

Mikah stond op het punt iets te zeggen en dacht toen even na. “Misschien heb je gelijk. Ik ben moe en het is niet belangrijk.” Behoedzaam haalde hij de sigarettenkoker uit Jasons zak en liet hem op het blad vallen. Jason deed geen poging in te grijpen. Mikah schonk met een schuldig gezicht zijn derde kop thee in.

“Neem me niet kwalijk Jason, dat ik probeerde je mijn eigen regels op te dringen. Als je op zoek bent naar de grote Waarheden, vergeet je soms de kleinere Waarheden. Ik ben niet onverdraagzaam maar ik heb de neiging van iedereen te verwachten dat ze naar bepaalde maatstaven leven die ik mijzelf opleg. Nederigheid is iets dat we nooit moeten vergeten en ik dank je dat je me daaraan hebt herinnerd. Het zoeken naar Waarheid is zwaar.”

“Er is geen Waarheid,” vertelde Jason hem, nu zonder woede en belediging in zijn stem, omdat hij zijn bewaker in het gesprek betrokken wilde houden. Zo betrokken dat hij de ene vrije hand even zou vergeten. Hij bracht zijn kopje naar zijn mond en liet de thee tegen zijn lippen komen zonder er iets van te drinken. In de halfvolle kop had hij een vanzelfsprekende reden voor zijn vrije hand.

“Geen Waarheid?” Mikah dacht erover na. “Dat kan je toch moeilijk menen. De melkweg zit vol met Waarheid; het is de toetssteen van het Leven zelf. Het is het ding dat de Mens van de dieren onderscheidt.”

“Er is geen Waarheid, geen Leven en geen Mens. Tenminste niet zoals jij ze spelt — met hoofdletters. Die bestaan niet.”

Mikah fronste zijn strakke huid in een diepe denkplooi. “Je zal dat nader moeten verklaren,” zei hij. “Want je bent niet duidelijk.”

“Ik ben bang dat jij degene bent die niet duidelijk is. Jij maakt een werkelijkheid waar er geen bestaat. Waarheid — met een kleine w — is een beschrijving, een betrekkelijkheid. Een manier om een verklaring te beschrijven. Een taalkundig stuk gereedschap. Maar Waarheid met een hoofdletter W is een denkbeeldig woord, een geluid zonder betekenis. Het matigt zich aan een zelfstandig naamwoord te zijn, maar het slaat nergens op. Het is nergens een symbool van. Het betekent niets. Als jij zegt: ’Ik geloof in de Waarheid,” zeg je in werkelijkheid ’Ik geloof in niets’.”

“Je bent ongelooflijk fout!” zei Mikah. Hij leunde voorover en priemde met zijn vinger in de lucht. “Waarheid is een wijsgerig abstract begrip, een van de gereedschappen die onze geest heeft gebruikt om ons boven de dieren te verheffen — het bewijs dat we zelf geen dieren zijn, maar wezens van een hogere scheppingsorde. Dieren kunnen waarachtig zijn — maar zij kunnen de Waarheid niet kennen. Dieren kunnen zien, maar zij kunnen geen Schoonheid zien.”

“Arrgh!” gromde Jason. “Met jou valt niet te praten, laat staan redelijk van gedachten te wisselen. We spreken niet eens dezelfde taal. Als we even vergeten wie er gelijk heeft en wie ongelijk, zouden we terug moeten gaan naar het begin en het tenminste eens worden over de termen die we gebruiken. Om mee te beginnen — kan je het verschil beschrijven tussen ethos en ethica?”

“Natuurlijk,” beet Mikah hem toe met een glimpje plezier in zijn ogen bij de gedachte aan een goede opwindende ronde haarkloven. “Ethica is de leer die zich bezig houdt met wat goed of slecht is, of juist of verkeerd — of met morele plicht en verplichtingen. Ethos betekent de voornaamste opvattingen, standaarden of idealen die een groep of een gemeenschap bepalen.”

“Uitstekend. Ik zie dat je de lange nachten in de ruimte met je neus in de boeken hebt doorgebracht. Houdt nu het onderscheid tussen die twee termen goed in de gaten. Want dat is de kern van het kleine communicatieprobleem dat we hier hebben. Ethos is onverbrekelijk verbonden met een enkele groep en kan daar niet van worden gescheiden zonder elke betekenis te verliezen. Ben je het daarmee eens?”

“Nou…”

“Kom, kom — je moet het wel eens zijn over de woorden van je eigen definitie. De ethos van een groep is gewoon een allesomvattende term voor de manier waarop de leden van een groep met elkaar omgaan. Mee eens?”

Met tegenzin gaf Mikah een instemmend knikje. “Nu we het daarover eens zijn, kunnen we een stap verder gaan. Ethica moet zich, weer volgens je eigen definitie, bezighouden met ieder aantal gemeenschappen of groepen. Als er absolute ethische wetten zijn, moeten die zo algemeen zijn dat ze op elke gemeenschap kunnen worden toegepast. Een ethische wet moet net zo algemeen toepasbaar zijn als de wet van de zwaartekracht.”

“Ik kan je niet volgen…”

“Dat had ik al verwacht toen ik hierover begon. Jouw soort mensen dat maar over jullie Universele Wetten bazelt denken nooit echt na over de precieze betekenis van die term. Mijn kennis van de geschiedenis van de wetenschap is een beetje vaag, maar ik durf erom te wedden dat de eerste Wet van de Zwaartekracht die ooit werd bedacht luidde dat dingen met een bepaalde snelheid vielen en een bepaalde versnelling hadden. Dat is geen wet, maar een waarneming die niet eens volledig is tot je er ’op deze planeet’ aan toevoegt. Op een planeet met een andere massa zal je iets anders waarnemen. De wet van de zwaartekracht is de volgende formule:

en die kan worden gebruikt om uit te rekenen wat de aantrekkingskracht is tussen welke twee lichamen dan ook, waar je maar wilt. Dit is een manier om fundamentele en onveranderlijke uitgangspunten uit te drukken die onder alle omstandigheden dezelfde algemeenheid hebben. Ze zullen moeten opgaan op Cassylia of Pyrrus, of op welke planeet dan ook en in welke maatschappij je maar kunt vinden. Wat ons weer bij jou terugbrengt. Wat jij zo groots — met hoofdletters en trompetgeschal — ’Wetten der Ethica’ noemt, zijn helemaal geen wetten, maar gewoon kleine hompjes stam-ethos, waarnemingen van een bende inheemse woestijnschaapherders om de orde in het huis — of de tent — te bewaren. Deze regels kunnen niet algemeen worden toegepast; zelfs jij moet dat inzien. Denk eens aan de verschillende planeten waar je bent geweest, en aan het aantal vreemde en wonderbaarlijke manieren waarop de mensen op elkaar reageren — en probeer dan eens tien gedragsregels te bedenken die in al deze gemeenschappen kunnen worden toegepast. Een onmogelijke taak. Toch wil ik wedden dat jij tien regels hebt waarvan je wilt dat ik ze eerbiedig, en als een daarvan verspild is aan een verbod om gesneden beelden te aanbidden, kan ik me wel voorstellen hoe algemeen die andere negen zijn. Je gedraagt je niet ethisch als je ze overal waar je komt probeert toe te passen — je zoekt alleen maar een bijzonder overdreven manier om zelfmoord te plegen!”

“Je beledigt me!”

“Dat was de bedoeling. Als ik je niet op een andere manier kan bereiken, zal je misschien door belediging losgeschud worden uit je toestand van morele zelfingenomenheid. Hoe durf je er ook maar aan te denken mij te laten veroordelen voor het feit dat ik geld heb gestolen uit het casino op Cassylia, terwijl ik mij alleen maar aanpaste aan hun eigen ethische regels! Zij hebben valse gokspelen, dus moet hun plaatselijke ethische wet zijn dat het normaal is om vals te spelen. Dus bedroog ik ze, volgens hun eigen normen. Als ze ook een wet hebben uitgevaardigd dat vals spelen verboden is, is de wet onethisch, niet het valsspelen. Als jij me terugbrengt om me volgens die wet te laten veroordelen gedraag jij je niet ethisch en ben ik het hulpeloze slachtoffer van een slechte man.”

“Satanskind!” schreeuwde Mikah terwijl hij overeind sprong en voor Jason heen en weer liep en zenuwachtig zijn handen wrong. “Jij probeert mij te verwarren met je woordenvloed en je zogenaamde ethica, die alleen maar opportunisme is en hebzucht. Er is een Hogere Wet waaraan niet kan worden getwijfeld.”

“Dat is een onmogelijke verklaring — en ik kan het bewijzen ook.” Jason wees naar de boeken tegen de muur. “Ik kan het met je eigen boeken bewijzen, een paar van die lichte werkjes op die plank daar. Niet Aquinas — die is te dik. Maar dat kleine boekje met ’Lull’ op de rug. Is dat ’Dat Boeck van die Orde der Ridderen’ van Ramon Lull?”

Mikah sperde zijn ogen open. “Ken je het boek? Ben je bekend met de geschriften van Lull?”

“Natuurlijk,” zei Jason met een hooghartigheid die hij niet voelde, aangezien dit het enige boek in de verzameling was waarvan hij zich herinnerde dat hij het had gelezen; de vreemde titel was hem bijgebleven. “Geef me het maar, dan zal ik je laten zien wat ik bedoel.” Zijn woorden kwamen er met dezelfde natuurlijkheid uit en er was aan niets te merken dat dit het ogenblik was waar hij zorgvuldig naartoe had gewerkt. Hij nam een slok thee, zonder dat aan hem te zien was hoezeer hij in spanning verkeerde.

Mikah Samon pakte het boek en gaf het hem.

Jason bladerde het door terwijl hij praatte. “Ja… ja, dit is volmaakt. Bijna een ideaal voorbeeld van jouw manier van denken. Lees je Lull graag?”

“Bezielend!” antwoordde Mikah met glanzende ogen. “Schoonheid in elke zin, en Waarheden die we in de vaart van het moderne leven zijn vergeten. Een harmoniëring en een bewijs van de betrekkingen tussen het Mystieke en het Concrete. Door het hanteren van symbolen legt hij alles volstrekt logisch uit.”

“Hij bewijst niks over niks,” zei Jason heftig. “Hij speelt woordspelletjes. Hij neemt een woord, geeft het een abstracte en onwerkelijke waarde en bewijst dan die waarde door het te betrekken op andere woorden met dezelfde nevelige voorgeschiedenis. Zijn feiten zijn geen feiten — het zijn slechts betekenisloze geluiden. Dit is het voornaamste punt, waarin jouw wereld van de mijne verschilt. Jij leeft in die wereld van betekenisloze feiten die niet bestaan. Mijn wereld bevat feiten die kunnen worden gewogen, beproefd en waarvan bewezen kan worden dat ze zich op een logische manier verhouden tot andere feiten. Mijn feiten zijn onwankelbaar en onaantastbaar. Ze bestaan.”

“Noem me een van jouw onwankelbare feiten,” zei Mikah wiens stem nu kalmer was dan die van Jason.

“Daar,” zei Jason. “Dat grote groene boek op de plank. Dat bevat feiten waarvan zelfs jij zult erkennen dat ze waar zijn — ik vreet elke bladzij op als dat niet zo is. Geef het me.”

Zijn stem klonk kwaad alsof hij veel te overtrokken dingen zei en Mikah trapte er keurig in. Hij gaf Jason het boek met twee handen, want het was erg dik, met een metalen kaft en erg zwaar.

“Luister nou goed en probeer het te begrijpen ook al is het moeilijk voor je,” zei Jason terwijl hij het boek opensloeg. Mikah glimlachte zuur om de veronderstelling dat hij niets wist. “Dit is een beknopte sterrengids, tot de rand toe volgestopt met feiten. Op een bepaalde manier is het de geschiedenis van de mens. Kijk nu eens naar het sprong-scherm daar op het regelpaneel en dan zal je zien wat ik bedoel. Zie je de horizontale groene lijn. Nou, dat is onze koers.”

“Aangezien dit mijn schip is en ik het bestuur, ben ik me daarvan bewust,” zei Mikah. “Ga verder met je bewijs.”

“Geduld,” zei Jason. “Ik zal proberen het eenvoudig te houden. Kijk, die rode stip op de groene lijn is de positie van ons schip. Het getal boven het scherm is ons volgende navigatiepunt, de plaats waar het zwaartekrachtveld van een ster sterk genoeg is om in de hyperruimte te worden waargenomen. Het getal is het registratienummer van de ster. BD 89-046-229. Ik zoek het op in het boek’ — hij sloeg snel de bladen om — ’en vind de registratie. Geen naam. Maar een reeks codesymbolen die er een heleboel over vertellen. Dit kleine symbooltje betekent dat er een of meer planeten zijn waarop mensen kunnen leven. Het zegt echter niet of die mensen er ook zijn.”

“Waar wil je daarmee heen?” vroeg Mikah.

“Geduld — dat zal je zo zien. Kijk nu naar het scherm. De groene stip die over de koerslijn nadert is het PGN — Punt van Grootst-mogelijke Nabijheid. Als de rode en de groene stip samenvallen…”

“Geef mij dat boek,” beval Mikah, zich er plotseling van bewust dat er iets verkeerd was, en hij deed een stap naar voren. Hij was net even te laat.

“Hier is je bewijs,” zei Jason en hij smeet het zware boek door het sprongscherm in de kwetsbare instrumenten erachter. Voor het doel trof had hij het tweede boek al gegooid. Gerinkel, een lichtflits, geknetter van kortgesloten bedrading.

De bodem zwaaide geweldig heen en weer toen de schakelingen open klikten en het schip de gewone ruimte inviel.

Mikah kreunde van pijn en sloeg tegen de vloer door de plotselinge overgang. Vastgesnoerd in zijn stoel vocht Jason tegen het draaien van zijn maag en de zwarte vlekken voor zijn ogen.

Toen Mikah zich overeind hees, mikte Jason zorgvuldig en smeet het blad met de borden keihard in de rokende overblijfselen van de sprongregelaar.

“Daar heb je je feit,” zei hij triomfantelijk. “Je onweerlegbare, driedubbel overgehaalde feit.”

“We zijn niet langer op weg naar Cassylia!”

III

“Je hebt ons ten dode opgeschreven,” zei Mikah. Zijn gezicht was wit en gespannen maar hij hield zijn stem in bedwang.

“Nog niet,” zei Jason vrolijk. “Maar ik heb de sprongregelaar vernield zodat we niet naar een andere ster kunnen. Maar met onze ruimteaandrijving is er niets aan de hand, zodat we op een van de planeten kunnen landen — je hebt zelf gezien dat er tenminste één bewoonbaar is.”

“Waar ik de sprongaandrijving zal repareren en de reis naar Cassylia zal voortzetten. Je hebt niets gewonnen.”

“Misschien,” antwoordde Jason zo neutraal mogelijk, want hij was niet in het minst van plan de reis voort te zetten, wat Mikah Samon ook dacht.

Zijn bewaker had kennelijk dezelfde gevolgtrekking gemaakt. “Leg je arm weer op de stoelleuning,” beval hij en de boei klikte weer dicht. Hij struikelde toen de aandrijving begon te werken en het schip van richting veranderde.

“Wat was dat?” vroeg hij.

“Noodapparatuur. De computer van het schip weet dat er iets belangrijks fout is en heeft het overgenomen. Je kan hem uitschakelen en alles met de hand doen, maar maak je daar nog maar niet druk over. Het schip doet het beter dan een van ons met zijn zintuigen en die overvloed aan gegevens. Het apparaat zal de planeet vinden waar wij naar zoeken, een koers uitzetten en ons daar in zo weinig mogelijk tijd op zo weinig mogelijk brandstof heenbrengen. Als we de atmosfeer binnenkomen neem je het over en kijkt naar een plek waar we kunnen landen.”

“Ik geloof geen woord meer van wat jij zegt,” zei Mikah grimmig. “Ik neem het over en zal noodseinen uitzenden. Iemand zal ze wel horen.”

Toen hij een stap naar voren deed schudde het schip weer en al het licht ging uit. In de duisternis konden ze vlammetjes zien flikkeren achter het regelpaneel. Er klonk een sissend geluid en toen verdwenen ze. De noodverlichtingging aan met een zwak geflikker.

“Ik had het boek van Ramon Lull niet moeten gooien,” zei Jason. “Het schip kan er al net zomin tegen als ik.”

“Je gedraagt je oneerbiedig en godslasterlijk,” zei Mikah tussen zijn opeengeklemde tanden door. “Jij probeert ons allebei dood te krijgen. Je hebt geen eerbied voor je eigen leven of dat van mij. Jij bent een man die de zwaarste straf verdient die de wet toestaat.”

“Ik ben een gokker,” lachte Jason, “helemaal niet zo slecht als jij wel zegt. Ik neem risico’s — maar alleen als het er voor mij goed uitziet. Jij voerde me naar een zekere dood. Het ergste dat het vernielen van de besturing kan doen is datzelfde lot veroorzaken. Dus nam ik de kans. Jij loopt natuurlijk een groter risico, maar ik ben bang dat ik dat niet zo in overweging heb genomen. Deze hele zaak is immers jouw idee. Jij zal de gevolgen van je eigen daden moeten aanvaarden en mij daar niet voor uitschelden.”

“Je hebt volkomen gelijk,” zei Mikah kalm. “Ik had beter moeten opletten. Wil je me nu vertellen wat ik moet doen om ons allebei het leven te redden. De bedieningsapparatuur doet niets.”

“Niets! Heb je de noodschakelaar geprobeerd? De grote rode knop onder de veiligheidsbeplating?”

“Ja. Die doet ook niets.”

Jason liet zich in zijn stoel achterovervallen. Het duurde even voor hij iets kon zeggen. “Ga een van je boeken lezen Mikah,” zei hij eindelijk. “Zoek troost bij je filosofie. We kunnen niets doen. Alles hangt nu af van de computer en wat er nog van de bedrading over is.”

“Kunnen we helpen — kunnen we iets herstellen?”

“Ben jij een scheepsmonteur? Ik niet. We zouden waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen.”

Het duurde twee scheepsdagen voor ze zigzaggend de planeet bereikten. De atmosfeer werd verduisterd door een gordijn van wolken. Ze naderden aan de nachtkant en zagen geen bijzonderheden. Maar ook geen lichtjes.

“Als er steden waren zouden we hun licht zien — nietwaar?” vroeg Mikah.

“Dat hoeft niet. Zouden stormen kunnen zijn. Of gesloten steden. Misschien wel alleen oceaan op deze helft.”

“Of er zouden wel eens helemaal geen mensen daar beneden kunnen zijn,” zei Mikah. “Zelfs als het schip ons ongedeerd aan de grond krijgt, wat maakt het uit? We zullen de rest van ons leven op deze verloren planeet zitten opgesloten, aan het eind van het heelal.”

“Doe niet zo vrolijk,” zei Jason. “Wat denk je ervan om die boeien los te maken als we naar beneden gaan. Het zal waarschijnlijk wel een ruwe landing worden en ik zou wel graag een schijntje kans hebben.”

Mikah keek hem met gefronst voorhoofd aan. “Geef je me je erewoord dat je niet probeert te ontsnappen tijdens de landing?”

“Nee. En als ik het wel gaf — zou je het dan geloven? Als je me loslaat neem je een risico. Laten we geen van tweeën denken dat het enig verschil maakt.”

“Ik moet mijn plicht doen,” zei Mikah. Jason bleef vastgeklonken aan de stoel.

Ze waren in de atmosfeer, en het zachte zuchten langs de romp liep al snel op tot een schril gekrijs. De aandrijving sloeg af en ze waren in vrije val. De buitenkant van de romp werd witgloeiend door de wrijving en de temperatuur binnen steeg snel ondanks de koeler.

“Wat gebeurt er?” vroeg Mikah. “Jij bent beter bekend met deze dingen. Is het met ons gedaan — vallen we te pletter?”

“Misschien. Er zijn maar twee mogelijkheden. Of de hele machinerie ligt in puin — in welk geval we in zeer kleine stukjes over het landschap zullen worden verspreid; of de computer spaart zichzelf voor een laatste krachtsinspanning. Ik hoop dat dat het geval is. Tegenwoordig bouwen ze hele slimme computers met allerlei schakelingen die problemen kunnen oplossen. De romp en de motoren zijn goed — maar de instrumenten zijn in een netelige toestand en onbetrouwbaar. In een geval als dit zou een goede menselijke piloot het schip zo ver en zo hard mogelijk latenvallen voor hij de motoren inschakelde. Dan zou hij ze op volle kracht aanzetten — dertien g’s of nog meer, net zoveel als volgens hem de passagiers op de verende stoelen kunnen hebben. De romp zou op zijn donder krijgen, maar wie kan dat wat schelen? De instrumenten zouden zo kort en zo eenvoudig mogelijk worden gebruikt.”

“Denk je dat dat nu gebeurt?” vroeg Mikah terwijl hij in zijn acceleratiestoel ging liggen.

“Ik hoop dat het gebeurt. Maak je de boeien nog los voor je naar bed gaat? Het zou best eens een slechte landing kunnen worden en we zouden ons wel eens snel uit de voeten willen maken.”

Mikah overwoog het en haalde toen zijn pistool tevoorschijn. “Ik zal je losmaken, maar ik ben van plan te schieten als je iets probeert. Als we eenmaal beneden zijn zal ik je weer vastzetten.”

“God zij dank voor de kleine zegeningen,” zei Jason toen hij vrij was en hij wreef over zijn polsen.

De versnelling overviel hen, schopte de lucht in niet te beheersen golven uit hun longen en drukte ze diep in de zachte stoelen. Mikahs pistool werd tegen zijn borst geperst, veel te zwaar om het op te tillen. Het maakte niet uit — Jason kon zich toch niet bewegen, laat staan overeind komen. Hij zweefde op de rand van bewusteloosheid en hij zag alles door een flikkerende zwart met rode waas.

Even plotseling was de druk weer weg.

Ze vielen nog steeds.

De motoren voorin het schip gromden en schakelaars klikten. Maar er gebeurde niets. De twee mannen staarden elkaar onbeweeglijk aan tijdens de onmeetbare tijdseenheid waarin het schip viel.

Terwijl het viel, draaide het schip zich om en het raakte schuin de grond. Voor Jason kwam het einde in een allesomgevende golf van donder, schok en pijn. De plotselinge schok drukte hem tegen de riemen die door de traagheid van zijn lichaam losknapten, en smeet hem door de regel-kamer. Zijn laatste bewuste gedachte was dat hij zijn hoofd moest beschermen. Hij hief juist zijn armen op toen hij tegen de muur smakte.

Er bestaat koude die zo hevig is dat hij pijn doet en geen temperatuur meer is. Een koude die in het vlees snijdt voor hij je verdooft en doodt.

Jason kwam bij door het geluid van zijn eigen schorre geschreeuw. De koude was zo hevig dat hij het heelal vulde. Het was koud water, besefte hij toen hij het uit zijn mond en neus hoestte. Er lag iets om hem heen en met moeite herkende hij het als een arm van Mikah; al zwemmend hield hij Jasons hoofd boven water. De wegzinkende zwarte vlek in het water kon alleen maar het schip zijn dat kreunend en bellen blazend ten onder ging. Het koude water deed nu geen pijn meer en Jason was zich juist aan het ontspannen toen hij iets hards onder zijn voeten voelde.

“Sta op en loop, vervloekt,” hijgde Mikah schor. “Ik kan je niet… overeind houden… kan mezelf niet overeind houden…”

Naast elkaar ploeterden ze het water uit, kruipende beesten op vier poten die niet rechtop konden staan. Alles was omgeven met een onwerkelijke waas en Jason kon niet goed denken. Hij kon het niet opgeven, daar was hij zeker van, maar wat kon hij anders?

Er schitterde iets in de duisternis; een flakkerend licht dat naderbij kwam. Jason kon niet spreken, maar hij hoorde Mikah om hulp roepen. Het licht kwam naderbij; het was een soort fakkel die omhoog werd gehouden. Mikah kroop overeind toen de vlam dichterbij kwam.

Het was net een nachtmerrie. Het was geen man die de fakkel vasthield, maar een ding. Een ding met scherpe hoeken, met slagtanden en het was afschuwelijk. Een van zijn uiteinden had de vorm van een knuppel en daar sloeg hij Mikah mee die zonder een woord te zeggen ineenzakte. Toen draaide het wezen zich naar Jason. Hij had geen kracht om te vechten, maar hij probeerde zich overeind te worstelen. Zijn vingers schraapten over het bevroren zand, maar hij kon niet omhoog komen; en uitgeput door deze laatste krachtsinspanning viel hij met zijn gezichtnaar voren op de grond.

Bewusteloosheid knaagde aan zijn geest, maar hij wilde niet toegeven. Het flakkerende toortslicht kwam dichterbij en hij hoorde geschuifel van zware voeten in het zand. Hij kon dit monster niet achter zich verdragen en met zijn laatste kracht rolde hij zich om en lag op zijn rug omhoog te staren naar het ding dat boven hem stond terwijl een zwarte waas van uitputting over zijn ogen trok.

IV

Het wezen maakte hem niet onmiddellijk dood, maar stond op hem neer te staren. En terwijl de seconden langzaam voorbijtikten en Jason nog steeds leefde, dwong hij zich dit monster dat uit het duister was verschenen beter te bekijken.

K’e vi stas el…?” zei het wezen, en voor het eerst besefte Jason dat het een mens was. De betekenis van de vraag plukte aan de rand van zijn uitgeputte geest; hij voelde dat hij het bijna verstond hoewel hij de taal nooit eerder had gehoord. Hij probeerde te antwoorden maar er kwam alleen maar een schor gorgelend geluid uit zijn keel. “Ven k’n torkoi — r’pidu!

Verder landinwaarts doemden meer lichtjes op uit de duisternis en tegelijk hoorde hij het geluid van rennende voeten. Toen ze dichterbij kwamen kon Jason de man die over hem heen stond beter zien en kon hij begrijpen waarom hij hem had aangezien voor een niet-menselijk wezen. Zijn ledematen waren in lappen smerig leer gewikkeld en zijn borst en zijn lichaam waren bedekt met dikke overlappende platen leer die voorzien waren van bloedrode tekens. Op zijn hoofd had hij een gedraaide schelp van een of ander dier, die naar voren in een punt uitliep; er waren twee kleine gaten in geboord voor de ogen. In de onderrand van de schelp waren grote vingerlange tanden gezet om hettoch al enge uiterlijk nog te verergeren. Het enige menselijke aan het wezen was de smerige verwarde baard die onder de schelp onder de tanden vandaan hing. Er waren teveel andere kleinigheden die Jason niet zo snel kon opnemen; er hing een grote bult achter zijn schouder en hij had donkere dingetjes om zijn middel; een zware knots kwam naar voren en porde Jason in zijn ribben en hij was de bewusteloosheid te nabij om tegenstand te bieden.

Een gegromd bevel deed de fakkeldragers vijf meter van de plek waar Jason lag stilstaan. Hij vroeg zich vaag af waarom de gewapende man hen niet dichterbij liet komen, aangezien het licht van de fakkels nauwelijks tot aan zijn lichaam reikte; alles op deze planeet scheen onverklaarbaar.

Jason moest even het bewustzijn hebben verloren, want toen hij weer keek was de fakkel naast hem in het zand gestoken en had de gewapende man een van Jasons schoenen uitgetrokken en was hij aan de andere bezig. Jason kon alleen maar een beetje kronkelen maar hij kon de diefstal niet verhinderen; om de een of andere reden kon hij zijn lichaam niet dwingen te doen wat hij wilde. Zijn tijdsbesef leek ook wel te zijn veranderd want hoewel iedere seconde zich voortsleepte, gebeurden de dingen met een verbazingwekkende snelheid. De schoenen waren nu uit en de man frommelde aan Jasons kleren, waarbij hij iedere keer even ophield en naar de rij fakkeldragers keek.

Het vreemde wezen was niet bekend met de magnetische sluiting en de scherpe tanden die aan het leer boven zijn knokkels waren genaaid prikten telkens in Jasons vlees terwijl hij probeerde de sluiting los te trekken of het sterke metaaldoek kapot te scheuren. Hij gromde ongeduldig toen hij per ongeluk de knop van de medidoos raakte die in zijn hand viel. Dat glimmende apparaatje scheen hem wel te bevallen, maar toen een van de scherpe naalden door de dikke handbescherming heengleed en hem prikte brulde hij van woede, smeet het apparaat op de grond en trapte het in het zand kapot. Het verlies van zijn onvervangbare medidoos bracht Jason in beweging; hij kwam overeind en probeerde hem te pakken, toen hij plotseling het bewustzijn verloor.

Vlak voor zonsopgang kwam hij door de pijn in zijn hoofd onwillig weer bij bewustzijn. Er lagen een paar stinkende huiden over hem heen die zijn lichaamswarmte een beetje vasthielden. Hij trok de verstikkende plooi die zijn gezicht bedekte weg en staarde omhoog naar de sterren; koude lichtpuntjes die glinsterden in de vriesnacht. Diep zoog hij de prikkelende lucht in die in zijn keel brandde, maar zijn hoofd klaarde ervan op. Voor het eerst besefte hij dat zijn verwarring was veroorzaakt door die klap op zijn hoofd die hij had opgelopen toen het schip neerstortte; zijn tastende vingers vonden een rauwe bult op zijn schedel. Hij moest een hersenschudding hebben; dat verklaarde dan ook waarom hij zich tevoren niet had kunnen bewegen en niet helder kon denken. De koude lucht verdoofde zijn gezicht en met plezier trok hij de harige huid weer over zijn hoofd.

Hij vroeg zich af wat er met Mikah Samon was gebeurd nadat de plaatselijke moordenaar in het enge pak hem een klap had gegeven met zijn knuppel. Dit was een morsig en onverwacht einde voor de man, nadat hij erin was geslaagd het ongeluk te overleven. Jason was niet bepaald dol op de ondervoede dweper, maar hij had zijn leven aan hem te danken. Mikah had hem na het ongeluk gered, alleen maar om zelf door die moordenaar te worden gedood.

Jason nam zich voor de man te doden zo gauw hij daar lichamelijk toe in staat was; tegelijk was hij een beetje verbaasd over het feit dat hij de noodzaak voor deze bloeddorstige vergelding van leven om leven in gedachten aanvaardde. Kennelijk had zijn lange verblijf op Pyrrus zijn gewone afkeer van moorden, behalve dan uit zelfverdediging, sterk verminderd, en uit wat hij tot nu toe van deze wereld had gezien zou zijn pyrraanse training zeker uiterst nuttig zijn. Door een scheur in de huid zag hij een stukje grijze lucht en hij duwde het dek weg om naar de dageraad te kijken.

Mikah Samon lag naast hem; zijn hoofd stak onder een huid vandaan. Zijn haar was verward en zat vol met korsten geronnen bloed, maar hij ademde nog.

“Moeilijker kapot te krijgen dan ik dacht,” mompelde Jason terwijl hij zich pijnlijk op zijn elleboog hees en deze wereld waar zijn sabotage van het ruimteschip hem had gebracht, eens goed bekeek.

Het was een grimmige woestijn, bezaaid met ineengerolde lichamen, als na een veldslag aan het einde van de wereld. Een paar daarvan kropen overeind met hun huiden om zich heen; de enige tekenen van leven in die enorme woestijn van korrelig zand. Aan een kant sneed een rij duinen het uitzicht op de zee af, maar hij kon het doffe beuken van de golven op de kust horen. De grond was wit berijpt en de koude wind deed zijn ogen knipperen en tranen. Boven op de duinen verscheen plotseling een gestalte die hij zich herinnerde, de gewapende man; hij deed iets met dingen die op stukken touw leken. Er klonk gerinkel van metaal dat plotseling ophield. Mikah Samon kreunde en bewoog.

“Waar ben ik…?”

“Nou, dat is een verstandige en originele vraag — ik dacht niet dat jij het type was dat naar historische ruimteseries op de TV kijkt. Ik heb er geen idee van waar we zijn — maar ik kan je een korte samenvatting geven over hoe we hier zijn gekomen, als je daar al tegen bestand bent.”

“Ik herinner me dat we naar de kust zwommen, toen kwam er iets slechts uit de duisternis, als een duivel uit de hel. We vochten…”

“En hij sloeg je hoofd in — een snelle slag, en dat was zo ongeveer het hele gevecht. Ik heb jouw duivel beter kunnen bekijken, hoewel ik net zomin als jij in staat was met hem te vechten. Het is een man met een vreemd pak aan, uit de nachtmerries van een verslaafde, en hij schijnt de baas te zijn van dit stelletje stoere kampeerders. Verder heb ik er weinig idee van wat er aan de hand is — behalve dan dat hij mijn schoenen heeft gestolen en dat ik die terug moet hebben ook al moet ik hem ervoor vermoorden.”

“Begeer geen materiële dingen,” beleerde Mikah ernstig. “En praat niet over het doden van een man om materieel gewin. Jij bent slecht Jason, en… Mijn schoenen zijn weg — en mijn kleren ook!”

Mikah had zijn dekhuiden van zich afgeworpen en had deze verbijsterende ontdekking gedaan.”Belial!” brulde hij. “Asmodeus, Abaddon, Apollyon en Baal-zebub!”

“Heel aardig,” zei Jason bewonderend. “Je hebt werkelijk je duivelskennis goed bijgehouden. Noemde je ze alleen maar op — of riep je ze aan om hulp?”

“Stil, lasteraar! Ik ben beroofd!” Hij stond op en de wind die rond zijn bijna naakte lichaam floot gaf zijn huid al gauw een blauwige tint. “Ik ga dat slechte wezen zoeken dat dit heeft gedaan en ik zal hem dwingen mijn eigendommen terug te geven.”

Mikah draaide zich om, maar Jason rekte zich uit en pakte zijn enkel in een worstelgreep. Hij draaide hem om en smakte de man met een klap op de grond. Hij was verdoofd door de val en Jason trok de huiden weer over de broodmagere gestalte.

“We zijn quitte,” zei Jason. “Gisteravond redde jij mij het leven; nu net redde ik het jouwe. Je bent ongewapend en gewond — terwijl die ouwe man op die berg daar een lopende wapenopslagplaats is, en iemand die zulk soort pakken draagt zal je net zo makkelijk doden als hij zijn tanden uitpeutert. Dus hou je gemak en probeer moeilijkheden te vermijden. Er is een uitweg uit deze ellende — er is een uitweg uit elke ellende als je er maar naar zoekt — en die zal ik vinden. Om je de waarheid te zeggen, ik ga nu meteen een eindje wandelen en begin mijn onderzoek. Akkoord?”

Het enige antwoord was gekreun, want Mikah was weer bewusteloos en er sijpelde opnieuw bloed uit de wond aan zijn hoofd. Jason stond op, wikkelde de huiden om zich heen als bescherming tegen de wind en knoopte de losse einden aan elkaar. Toen schopte hij in het zand tot hij een gladde steen vond die zo in zijn vuist zou passen dat er nog net een stukje uitstak, en zo gewapend liep hij tussen de bewegende slapers door.

Toen hij terugkwam was Mikah weer bij bewustzijn en stond de zon een flink eind boven de horizon. De mensen waren nu allemaal wakker; een schurkende, krabbende bende van ongeveer dertig mannen, vrouwen en kinderen. Ze zagen er in hun vuile ruwe huiden allemaal hetzelfde uit en liepen doelloos rond of zaten lusteloos op de grond. Ze toonden geen enkele belangstelling voor de twee vreemdelingen. Jason gaf Mikah een geteerde kom en hurkte naast hem neer.

“Drink op. Het is water, het enige dat er hier te drinken schijnt. Ik heb geen voedsel gevonden.” Hij had nog steeds de steen in zijn hand en terwijl hij sprak wreef hij ermee in het zand; de punt was vochtig en rood en er kleefden een paar lange haren aan.

“Ik heb dit kamp eens goed bekeken en er is weinig meer te zien dan van hieruit zichtbaar is. Alleen deze groep sloebers met een paar in huiden gewikkelde bundels en sommige van hen hebben waterzakken bij zich. Ze hebben een eenvoudige regel van het recht van de sterkste, dus liet ik wat zien en nu kunnen we drinken. Daarna komt het eten.”

“Wat zijn het voor een mensen? Wat doen ze hier?” vroeg Mikah een beetje mummelend; hij had kennelijk nog last van de klap.

Jason keek naar zijn gekneusde hoofd en besloot het niet aan te raken. De wond had flink gebloed en het bloed was nu gestold. Als hij dat met het nogal twijfelachtige water ging wegwassen zou dat weinig uithalen en het zou een infectie aan hun andere problemen kunnen toevoegen.

“Slechts van een ding ben ik zeker,” zei Jason. “Het zijn slaven. Ik weet niet waarom ze hier zijn, wat ze doen of waar ze heengaan, maar hun toestand is volkomen duidelijk — onze trouwens ook. De Ouwe Snoodaard daar op de heuvel is de baas. De rest zijn slaven.”

“Slaven!” riep Mikah ontsteld uit toen het woord door de pijn in zijn hoofd tot hem doordrong. “Dat is verschrikkelijk. De slaven moeten worden bevrijd.”

“Geen beleringen alsjeblieft, en probeer reëel te zijn — ook al doet het pijn. Er zijn hier maar twee slaven die moetenworden bevrijd, jij en ik. Deze mensen schijnen zich aardig aan de status quo te hebben aangepast, en ik zie geen reden dat te veranderen. Ik begin niet aan een bevrijdingsactie voor ik duidelijk kan zien hoe ik uit deze troep moet raken en waarschijnlijk zelfs dan nog niet. Deze planeet draait al lange tijd zonder mij en zal waarschijnlijk wel blijven draaien als ik eenmaal weg ben.”

“Lafaard! Je moet voor de Waarheid vechten en de Waarheid zal je vrijmaken.”

“Ik hoor die hoofdletters weer,” kreunde Jason. “Het enige dat mij op het ogenblik vrij kan maken is mij. Wat weliswaar slecht taalgebruik is, maar niettemin waar. De toestand hier is moeilijk, maar niet onoverkomelijk, dus luister en leer. De baas — hij heet Ch’aka — schijnt op jacht te zijn of zoiets. Hij is niet ver weg en zal wel gauw terugkomen, dus zal ik proberen je de hele situatie snel uit te leggen. Ik dacht dat ik de taal herkende en ik had gelijk. Het is een verbasterde vorm van Esperanto, de taal die op alle Teridowerelden wordt gesproken. Deze veranderde taal, plus het feit dat deze mensen maar één treedje boven de Stenen Tijdperk cultuur leven, toont duidelijk aan dat ze van alle contact met de rest van het heelal zijn afgesneden, hoewel ik hoop dat dat niet zo is. Deze mensen hebben een heleboel klanken samengetrokken, hebben er een paar verloren en ze hebben zelfs een keelstop ingevoerd — iets dat geen enkele taal nodig heeft; maar met een beetje moeite kan je eruit opmaken wat ze bedoelen.”

“Ik spreek geen Esperanto.”

“Dan moet je het leren. Het is makkelijk genoeg, zelfs in deze rommelige vorm. Hou nou je mond en luister. Deze wezens worden als slaaf geboren en opgevoed en dat is alles wat ze weten. Er is wat onderling geharrewar waarbij de sterkere het werk op de zwakkere afschuiven als Ch’aka niet kijkt, maar die situatie heb ik uitstekend in de hand. Onze grootste moeilijkheid is Ch’aka en we moeten heel wat meer te weten zien te komen voor we aan hem kunnen beginnen. Hij is baas, vader, verzorger en noodlot voor deze meute en hij schijnt zijn werk te kennen. Dusprobeer een tijdje een goede slaaf te zijn.”

“Slaaf! Ik?” Mikah kromde zijn rug en probeerde te gaan zitten. Jason duwde hem weer op de grond — harder dan nodig was.

“Ja jij — en ik ook. Dat is de enige manier waarop we in deze gemeenschap in leven kunnen blijven. Doe wat iedereen doet, gehoorzaam aan bevelen en dan heb je een goede kans in leven te blijven tot we een uitweg uit deze troep hebben gevonden.”

Mikahs anwoord ging verloren in een gebrul van de duinen toen Ch’aka terugkwam. De slaven kwamen snel overeind, grepen hun bundels en vormden een enkele rij met grote tussenruimten. Jason hielp Mikah opstaan en repen huid om zijn voeten wikkelen, daarna hield hij hem overeind terwijl ze naar hun plaats in de opstelling strompelden. Toen ze allemaal op hun plaats stonden, gaf Ch’aka de dichtstbijzijnde slaaf een schop en begonnen ze langzaam voorwaarts te lopen waarbij ze zorgvuldig naar de grond keken. Jason had er geen idee van wat dit betekende, maar zolang Mikah en hij niet werden lastiggevallen, hinderde dat niet: hij had zijn handen al vol om de gewonde man overeind te houden. Op een of andere manier wist Mikhah genoeg kracht te verzamelen om het uit te houden.

Een van de slaven wees omlaag en gaf een schreeuw en de rij stond stil. Hij was zover bij Jason vandaan dat hij de reden voor de opwinding niet kon ontdekken, maar de man boog zich voorover en groef een gat met een korte puntige stok. In een paar seconden groef hij iets ronds op dat iets kleiner was dan zijn hand. Hij hield het boven zijn hoofd en bracht het ding hardlopend naar Ch’aka. De slavendrijver nam het aan en beet er een stuk af en toen de man die het had gevonden zich omdraaide gaf hij hem een flinke schop. De rij liep verder.

Er werden nog twee van die geheimzinnige voorwerpen gevonden, die Ch’aka allebei opat. Pas toen zijn eerste honger was gestild deed hij een poging de goede verzorger te zijn. Toen het volgende werd gevonden riep hij een slaaf bij zich en gooide het ding in een grof gevlochten mand die deslaaf op zijn rug droeg. Daarna liep de slaaf met de mand vlak voor Ch’aka, die nauwkeurig oplette dat alle dingen die werden opgegraven in de mand terechtkwamen. Jason vroeg zich af wat het was — en een boos gerommel in zijn maag herinnerde hem eraan dat het eetbaar was.

De slaaf die naast Jason in de rij liep schreeuwde en wees naar het zand. Toen ze stilstonden liet Jason Mikah in een zittende houding zakken en hij keek met belangstelling toe toen de slaaf de grond aanviel met zijn stok en om een klein groen sprietje heenkrabde dat uit het woestijnzand omhoogstak. Hij woelde een rimpelig grijs ding bloot, een wortel of een knol, waar de groene blaadjes uitgroeiden. Jason vond dat het er net zo eetbaar uitzag als een stuk steen, maar de slaaf kennelijk niet. Hij kwijlde hevig en had zelfs de stoutmoedigheid aan de wortel te ruiken. Ch’aka brulde van woede en toen de slaaf de wortel bij de andere in de mand gooide kreeg hij zo’n harde schop dat hij hinkend naar zijn plaats in de rij terugliep.

Vlak daarna liet Ch’aka hen stoppen en de armoedige slaven hurkten om hem heen terwijl hij in de mand wroette. Een voor een riep hij ze bij zich en gaf hij ze een of meer van de wortels volgens een eigen verdienstenstelsel. De mand was bijna leeg toen hij met zijn knuppel naar Jason wees.

K’e nam h’vas vi?” vroeg hij.

Mia namo estas Jason, mia amiko estas Mikah.

Jason had in gewoon Esperanto geantwoord, dat Ch’aka goed scheen te begrijpen, want hij gromde en groef door de inhoud van de mand. Zijn gemaskerde gezicht staarde hen aan en Jason voelde de priemende blik van de onzichtbare, loerende ogen. De knuppel wees weer. “Waar kom je vandaan? Dat jouw schip dat brandt, zinkt?”

“Dat was ons schip. Wij komen hier ver vandaan.”

“Van andere kant van oceaan?” Dit was kennelijk de grootste afstand die de slavendrijver zich kon voorstellen.

“Van de andere kant van de oceaan, inderdaad.” Jason was niet in de stemming om een lezing over sterrenkunde tegeven. “Wanneer eten we?”

“Jij rijk man in jouw land, heb een schip, heb schoenen. Nou heb ik jouw schoenen. Jij hier slaaf. Mijn slaaf. Jullie alletwee mijn slaaf.”

“Ik ben je slaaf, ik ben je slaaf,” zei Jason berustend. “Maar zelfs slaven moeten eten. Waar is het voedsel?”

Ch’aka wroette in de mand tot hij een kleine verschrompelde wortel vond die hij doormidden brak en voor Jason op het zand gooide.

“Werk hard, krijg je meer.”

Jason pakte de stukken op en veegde het vuil er zoveel mogelijk af. Hij gaf Mikah een stuk en nam voorzichtig een hap van het andere: het knarste van het zand en smaakte een beetje naar ranzige was. Het was een heel karwei het walgelijke ding op te eten, maar hij deed het toch. Zonder twijfel was het voedsel, hoe ongezond ook en hij zou er genoegen mee moeten nemen tot er iets beters kwam.

“Waar praatte je over?” vroeg Mikah terwijl hij zijn eigen portie tussen zijn tanden vermaalde.

“We wisselden alleen maar leugens uit. Hij denkt dat wij zijn slaven zijn en ik gaf dat toe. Maar dat is maar tijdelijk,” voegde Jason eraan toe toen Mikah rood van woede werd en overeind probeerde te komen. Jason trok hem weer omlaag. “Dit is een vreemde planeet, jij bent gewond, we hebben geen eten en drinken en geen benul hoe we op deze planeet in leven kunnen blijven. Het enige wat we kunnen doen om in leven te blijven is doen wat Ouwe Lelijkerd daar zegt. Als hij ons slaven wil noemen, goed — dan zijn we slaven.”

“Beter dood dan slaaf!”

“Wil je nou eens ophouden met die onzin? Beter als slaaf te leven en te weten zien te komen hoe we vrij moeten komen. Op die manier ben je uiteindelijk levend vrij in plaats van dood vrij, een aanmerkelijk aantrekkelijker toestand. Hou nou je mond en eet. We kunnen niets doen tot je ontslagen bent als lopend patiënt.”

De rest van de dag ploegde de rij wandelaars door het zand en Jason hielp niet alleen Mikah, maar vond ook nogtwee van de krenoj, de eetbare wortels. Voor het vallen van de avond stopten ze en ze vielen dankbaar óp het zand neer. Toen het voedsel werd verdeeld kregen ze een iets grotere portie, misschien als bewijs van Jasons aandacht voor het werk. De mannen waren alletwee uitgeput en vielen zodra het donker was in slaap.

De volgende morgen werd voor het eerst de wandelroutine onderbroken. Het zoeken naar voedsel liep altijd evenwijdig met de onzichtbare zee, en een slaaf liep op de duinenrij die het water uit het gezicht verborg. Hij moest iets belangwekkends hebben gezien, want hij sprong van het duin en zwaaide wild met zijn armen. Ch’aka rende moeizaam naar de duinen, praatte met de uitkijk en schopte toen de man uit zijn nabijheid.

Jason keek met toenemende belangstelling hoe hij het grote pak dat op zijn rug hing uitrolde en een doeltreffend uitziende kruisboog onthulde die gespannen werd door een ingebouwde slinger rond te draaien. Dit ingewikkelde en dodelijke werktuig leek helemaal niet op zijn plaats in de primitieve slavengemeenschap en Jason wilde dat hij het apparaat eens wat beter kon bekijken. Ch’aka viste een pijl uit een ander pak en legde hem op de boog. De slaven zaten zwijgend op het zand terwijl hun meester langs de voet van de duinen beende. Toen kroop hij stilletjes op zijn buik omhoog en verdween uit het gezicht. Een paar minuten later klonk er een schreeuw van pijn vanachter de duinen en alle slaven sprongen op en renden erheen om te kijken. Jason liet Mikah liggen waar hij lag en liep tussen de eerste rij toeschouwers die over de heuvels het strand oprenden.

Ze stonden op de gebruikelijke afstand stil en schreeuwden complimenten over de kwaliteit van het schot en wat een machtige jager Ch’aka was. Jason moest toegeven dat die beweringen wel een kern van waarheid bevatten. Bij de waterrand lag een grote, wollige amfibie; het geveerde eind van de kruisboogpijl stak uit zijn dikke nek en een dun stroompje bloed liep omlaag en vermengde zich met de brekende golven.

“Vlees! Vandaag vlees!”

“Ch’aka doodt de rosmaro! Ch’aka is geweldig!”

“Heil Ch’aka, de grote weldoener!” schreeuwde Jason omerin te komen. “Wanneer eten we?”

De meester negeerde zijn slaven en liet zich zwaar op een duin neervallen tot hij na de sluiptocht zijn adem terughad. Nadat hij de kruisboog weer had gespannen liep hij naar het beest toe, sneed met zijn mes de pijl uit en legde hem nog druipend van het bloed op de boog. “Haal hout voor vuur,” beval hij. “Jij, Opisweni, jij gebruikt het mes.”

Ch’aka schuifelde achteruit, ging op een heuveltje zitten en richtte de kruisboog op de slaaf die de buit naderde. Ch’aka had zijn mes in het dier laten zitten en Opisweni trok het los en begon het dier methodisch te villen en te slachten. Hij werkte voortdurend met zijn rug naar Ch’aka en de gerichte boog toe.

“Goed van vertrouwen, onze slavendrijver,” zei Jason in zichzelf terwijl hij zich bij de anderen voegde die de kust afzochten naar drijfhout. Ch’aka had de wapens, maar hij was ook voortdurend bang dat hij zou worden vermoord. Als Opisweni probeerde het mes voor iets anders dan voor het bedoelde karwei te gebruiken, zou hij de pijl in zijn achterhoofd krijgen. Zeer doeltreffend.

Ze vonden genoeg drijfhout voor een redelijk vuur, en toen Jason terugkwam met zijn bijdrage was de rosmaro in grote stukken gehakt. Ch’aka schopte zijn slaven bij de houthoop vandaan en haalde een klein apparaatje uit een van zijn zakken. Belangstellend drong Jason zich zover hij durfde naar voren in de kring toekijkers. Hoewel hij nooit eerder een vuurslag had gezien, was de werking hem duidelijk. Een geveerde arm sloeg een stukje steen tegen een stuk staal, er vlogen vonken uit die in een kom met spaanders werden opgevangen, waar Ch’aka tegen blies tot ze vlam vatten.

Waar kwamen het vuurslag en de kruisboog vandaan? Ze waren bewijzen van een hoger cultuurniveau dan dat van deze slavenhoudende nomaden. Dit was het eerste bewijsstuk dat Jason had gezien dat aangaf dat er aan het culturele leven van deze planeet meer vast kon zitten dan ze na hun landing hadden gezien. Later, toen de anderen zich zat aten aan het geschroeide vlees, trok hij Mikah terzijde en wees hem daarop.

“Er is nog hoop. Deze ongeletterde sloebers hebben in geen geval die kruisboog en dat vuurslag gemaakt. We moeten uitvissen waar ze vandaan komen en zelf proberen daarheen te komen. Ik heb naar de pijl gekeken toen Ch’aka die eruit trok en ik zweer dat die van staal was.”

“Heeft dat betekenis?” vroeg Mikah verbaasd. “Het betekent een industriegemeenschap en mogelijk interstellair contact.”

“Dan moeten we Ch’aka vragen waar hij ze vandaan heeft en onmiddellijk weggaan. Er zullen wel autoriteiten zijn, we treden met hen in verbinding, leggen de toestand uit en krijgen vervoer naar Cassylia. Ik zal je niet weer onder arrest stellen tot dan.”

“Zeer welwillend van je!” zei Jason terwijl hij één wenkbrauw optrok. Mikah was volkomen onmogelijk en Jason tastte zijn morele bewapening af om te zien of er zwakke plekken in zaten.

“Zal je je niet schuldig voelen als je me terug brengt om te worden gedood? We zitten toch samen in de narigheid — en ik heb je het leven gered.”

“Het zal me pijn doen Jason. Ik zie dat je wel slecht bent, maar toch niet door en door verdorven en met de juiste opvoeding zou je geschikt kunnen worden gemaakt voor een nuttige plaats in de gemeenschap. Maar ik kan niet toestaan dat mijn persoonlijke leed de gebeurtenissen wijzigt; jij vergeet dat je een misdaad hebt gepleegd en daarvoor moet boeten.”

Ch’aka boerde luidruchtig in zijn schelp en brulde tegen zijn slaven.

“Genoeg gegeten varkens! Jullie worden dik. Verpak het vlees en neem het mee — we hebben nog licht genoeg om krenoj te zoeken. Vort!”

De rij vormde zich weer en bewoog zich langzaam door dewoestijn. Er werden meer eetbare wortels gevonden en een keer stopten ze even bij een bron die uit het zand opborrelde om de waterzakken te vullen. De zon zakte naar de horizon en het kleine beetje warmte dat hij gaf werd opgeslorpt door een wolkenbank. Jason keek om zich heen en huiverde; toen zag hij de rij bewegende stipjes op de horizon. Hij stootte Mikah aan die nog steeds op hem steunde.

“Ziet ernaar uit dat we gezelschap krijgen. Ik vraag me af waar zij in het programma passen.”

Mikahs aandacht was verslapt door de pijn en hij schonk er geen aandacht aan; verrassend genoeg deden de andere slaven dat ook niet en Ch’aka evenmin. De stipjes werden groter en veranderden ook in een rij wandelaars. Ze ploegden voort terwijl ze langzaam het zand onderzochten en ze werden gevolgd door de eenzame gestalte van hun meester. De twee rijen naderden elkaar langzaam evenwijdig aan de kust.

Vlakbij de duinen was een ruwe hoop stenen en Ch’aka’s slavenrij stond stil zodra ze die bereikten en ze vielen met een vergenoegd gegrom op het zand neer. De steenhoop was kennelijk een grensmarkering, en Ch’aka liep erheen en zette zijn voet op een van de stenen; hij bleef daar staan kijken terwijl de andere slavenrij dichterbij kwam. Die stopten ook bij de steenhoop en ze gingen op de grond zitten. De groepen staarden elkaar dof en zonder enige belangstelling aan, en alleen de meesters gaven enig teken van leven. De andere meester bleef tien passen voor Ch’aka staan en zwaaide een boos uitziende hamer boven zijn hoofd.

“De pest aan je Ch’aka!” brulde hij.

“De pest aan jou Fasimba!” dreunde het antwoord terug. De woordenwisseling was even formeel als een pas de deux, en ongeveer even oorlogszuchtig. De twee mannen zwaaiden met hun wapens en schreeuwden een paar beledigingen, toen gingen ze rustig zitten praten. Fasimba was in dezelfde afzichtelijke en angstaanjagende uitrusting gekleed als Ch’aka, hij verschilde slechts in kleinigheden. Fasimba’s hoofd was niet onder een schelp verborgen maar in de schedel van een van de rosmaroj, die met een paar extra tanden en horens was versierd. De verschillen tussen de twee mannen waren maar klein en voornamelijk een zaak van versiering of variatie in de snit van de wapens. Zij waren kennelijk slavenhouders en dus eikaars gelijken.

“Heb vandaag een rosmaro geschoten, tweede keer in tien dagen,” zei Ch’aka.

“Jij hebt een goed stuk kust. Heleboel rosmaroj. Waar zijn de twee slaven die je me schuldig bent?”

“Ik ben jou twee slaven schuldig?”

“Jij bent mij twee slaven schuldig. Doe niet net of je stom bent. Ik heb de ijzeren pijlen voor je gehaald bij de d’zertanoj. De ene slaaf waarmee je betaalde is doodgegaan. Jij bent me de andere nog steeds schuldig.”

“Ik heb twee slaven voor je. Ik heb twee slaven uit de oceaan gevist.”

“Jij hebt een goed stuk kust.”

Ch’aka liep de rij langs tot hij bij de brutale kwam die hij de dag daarvoor bijna kreupel had geschopt. Hij trok hem omhoog en schopte hem naar de andere groep.

“Hier is een goeie,” zei hij en hij leverde de goederen met een laatste schop af.

“Ziet er mager uit. Niet zo erg goed.”

“Nee, allemaal spieren. Werkt hard. Eet niet veel.”

“Je bent een leugenaar.”

“Pest aan je Fasimba!”

“Pest aan je Ch’aka! Waar is de andere?”

“Heb een goeie. Vreemdeling uit de oceaan. Hij kan je leuke verhalen vertellen en hard werken.”

Jason draaide zich nog net op tijd om om de volle kracht van de schop te ontwijken, maar hij was nog krachtig genoeg om hem languit op de grond te smijten. Voor hij kon opstaan had Ch’aka Mikah Samon bij de arm gegrepen en sleurde hij hem over de onzichtbare lijn naar de andere groep slaven. Fasimba beende op hem af om hem te bekijken en hij porde hem met een puntige teen in zijn zij. “Ziet er niet goed uit. Groot gat in zijn hoofd.”

“Werkt hard,” zei Ch’aka. “Gat bijna dicht. Erg sterk.”

“Geef je me een nieuwe als hij doodgaat?” vroeg Fasimbaweifelend.

“Ik geef je er een. Pest aan je Fasimba!”

“Pest aan jou Ch’aka!”

De slavenkuddes werden overeind gejaagd en liepen weer terug in de richting waar ze vandaan kwamen.

Jason schreeuwde naar Ch’aka. “Wacht! Verkoop mijn vriend niet. We kunnen samen beter werken. Je kan iemand anders wegdoen…”

De slaven stonden met open monden bij deze plotselinge uitbarsting en Ch’aka draaide zich om met opgeheven knuppel. “Jij houdt je bek. Jij bent een slaaf. Jij vertelt me nog een keer wat ik moet doen en ik dood je.”

Jason bleef stil, aangezien het duidelijk was dat dat het enige was wat hij kon doen. Hij maakte zich een beetje ongerust over Mikahs mogelijke lot; als hij de wond overleefde, was hij in ieder geval niet het type dat zich in de onvermijdelijkheden van het slavenbestaan zou schikken. Maar Jason had zijn best gedaan om hem te redden en dat was dat. Nu zou Jason een tijdje voor Jason zorgen.

Voor het donker werd liepen ze nog korte tijd voort, tot de andere slaven uit het gezicht waren; toen stopten ze voor de nacht. Jason ging tegen de lijkant van een heuveltje zitten dat de wind een beetje brak en haalde een stuk geschroeid vlees tevoorschijn dat hij tevoren bij het festijn had bewaard. Het was taai en olieachtig, maar veel beter dan de nauwelijks eetbare krenoj waaruit het inheemse dieet voornamelijk bestond. Hij kauwde luidruchtig op het bot en keek terwijl een van de andere slaven naar hem toeschoof.

“Geef mij wat van jouw vlees?” vroeg de slaaf op jankerige toon en pas toen ze had gesproken besefte Jason dat dit een meisje was; alle slaven zagen er hetzelfde uit met hun verwarde haar en hun omhulsels van huiden. Hij scheurde een stuk vlees af.

“Hier. Ga zitten en eet het op. Hoe heet je?” In ruil voor zijn goedgeefsheid, wilde hij wat van het meisje te weten komen.

“Ijale.” Ze stond nog steeds en scheurde aan het vlees datze stevig in een vuist hield geklemd terwijl de wijsvinger van haar vrije hand op haar slordige hoofd krabde.

“Waar kom je vandaan? Heb je hier altijd geleefd — zoals nu?” Hoe vraag je een slavin of ze altijd een slavin is geweest?

“Niet hier. Eerst was ik van Bul’wajo, toen van Fasimba en nu ben ik van Ch’aka.”

“Wat of wie is Bul’wajo? Net zo iemand als onze baas Ch’aka?”

Ze knikte en knaagde op het vlees.

“En de d’zertanoj waar Fasimba zijn pijlen haalt — wie zijn dat?”

“Jij weet ook niet veel,” zei ze terwijl ze de laatste hap vlees doorslikte en het vet van haar vingers likte.

“Ik weet genoeg om vlees te hebben terwijl jij niks hebt — dus maak geen misbruik van mijn gulheid. Wie zijn de d’zertanoj.”

“Iedereen weet wie het zijn.” Ze haalde onbegrijpend haar schouders op en zocht een zacht plekje in het zand om op te zitten. “Ze wonen in de woestijn. Ze rijden rond in karoj. Ze stinken. Ze hebben een heleboel mooie dingen. Een van hen gaf mij mijn mooiste ding. Als ik het je laat zien, pak je het dan niet af?”

“Nee, ik zal er niet aankomen. Maar ik wil graag alles zien wat zij hebben gemaakt. Hier, hier heb je nog een stuk vlees. Nou, laat me nu je mooiste ding eens zien.”

Ijale wroette in haar huiden naar een verborgen zak en haalde daar iets uit dat ze in haar gesloten vuist verborgen hield. Trots stak ze haar hand naar voren en deed hem open. Het was nog licht genoeg voor Jason om de ruwe omtrek van een rode glazen kraal te kunnen zien.

“Is dat niet erg mooi?” vroeg ze.

“Erg mooi,” was Jason het met haar eens en eventjes voelde hij echt medelijden toen hij naar het aandoenlijke prul keek. De voorouders van dit meisje waren in ruimteschepen naar deze planeet gekomen, met kennis van de meest ontwikkelde wetenschappen. Hun kinderen die van de buitenwereld waren afgesneden, waren gedegenereerdtot dit: nauwelijks bewuste slaven, die een waardeloos stuk glas boven alles konden prijzen.

“Goed dan,” zei Ijale en ze ging op haar rug in het zand liggen. Ze deed een paar huiden af en begon de andere om haar middel omhoog te hijsen.

“Kalm aan,” zei Jason. “Het vlees was een cadeautje — je hoeft er niet voor te betalen.”

“Wil je me niet?” vroeg ze terwijl ze verbaasd de huiden weer over haar blote benen trok. “Vind je me niet aardig? Vind je me te lelijk?”

“Je bent beeldschoon,” loog Jason. “Laten we maar zeggen dat ik te moe ben.”

Was het meisje lelijk of mooi? Hij kon het niet zeggen. Haar slordige ongewassen haar bedekte de helft van haar gezicht terwijl de rest was bedekt met een dikke laag vuil. Haar lippen zaten vol kloven en haar ene wang had een rode schaafplek.

“Laat me vannacht bij je blijven, ook al ben je te oud om mij te willen hebben. Mzil’kazi wil aldoor en hij doet me pijn. Kijk daar is hij.”

De man naar wie ze wees stond op een gezonde afstand toe te kijken en kroop zelfs nog verder weg toen Jason opkeek.

“Maak je over Mzil’ maar niet druk,” zei Jason. “De verhouding met hem heb ik de eerste dag dat ik hier was al geregeld. Misschien heb je de buil op zijn hoofd gezien.” Hij strekte zijn hand uit naar een steen en de toeschouwer rende snel weg.

“Ik vind je aardig. Ik zal je nog een keer mijn mooiste ding laten zien.”

“Ik vind jou ook aardig. Nee, nu niet. Teveel van het goede in zo korte tijd zou me alleen maar verwennen. Welterusten.”

V

De volgende dag bleef Ijale bij Jason en toen de krenoj-jacht begon ging ze naast hem in de rij staan. Als het maar enigszins mogelijk was ondervroeg hij haar en voor het middaguur had hij al haar schaarse kennis over zaken buiten de kale kustvlakte waar zij leefden uit haar gekregen. De oceaan was een geheimzinnig ding dat eetbare dieren voortbracht en vissen en soms een menselijk lichaam. Af en toe konden ze ver in zee een schip zien, maar er was niets over bekend. Aan de andere kant werd het gebied begrensd door een woestijn die nog ongastvrijer was dan die waarin zij hun bestaan bijeenschraapten — een kale vlakte van levenloos zand, slechts bewoonbaar voor de d’zertanoj en hun geheimzinnige karoj. Die laatsten zouden dieren kunnen zijn — of misschien een soort mechanisch vervoermiddel; het was allebei mogelijk uit de vage beschrijving die Ijale ervan gaf. Oceaan, kust en woestijn — dat was haar hele wereld en ze kon zich niet indenken dat er daarbuiten nog iets anders bestond.

Jason wist dat er meer was; de kruisboog was daar een bewijs van en hij was vast en zeker van plan uit te vissen waar die vandaan kwam. Om dat te doen moest hij te zijner tijd zijn slavenpositie veranderen. Hij had een zekere handigheid ontwikkeld om Ch’aka’s zware schoen te ontwijken; het werk was nooit zwaar en er was voedsel genoeg. Als slaaf had hij geen enkele andere verantwoordelijkheid dan het gehoorzamen van bevelen en hij had gelegenheid te over om zoveel mogelijk over deze planeet te weten te komen, zodat hij als hij eenmaal wegging zo goed mogelijk zou zijn voorbereid.

Later op de dag zagen ze in de verte een andere rij slaven die in een evenwijdige koers liepen en Jason verwachtte een herhaling van de ontmoeting van de vorige dag. Hij was aangenaam verrast toen dat niet het geval was. Toen hij de anderen zag ontstak Ch’aka onmiddellijk in grote woede waardoor zijn slaven naar alle kanten wegholden om zich in veiligheid te stellen. Hij sprong in de lucht, brulde van woede, sloeg met zijn knuppel tegen zijn dikke leren wapenrusting en slaagde erin zich behoorlijk op te werken voor hij moeizaam wegholde. Jason liep vlak achter hem aan, zeer nieuwsgierig naar de nieuwe loop der gebeurtenissen.

Voor hen vloog de andere groep slaven uiteen en uit hun midden stormde nog een zwaar bewapende gestalte naar voren. De twee leiders renden op topsnelheid op elkaar af en Jason hoopte op een grote dreun als ze bij elkaar kwamen. Maar vlak voor ze tegen elkaar zouden botsen gingen ze langzamer lopen en begonnen ze vloekend om elkaar heen te draaien.

“Pest aan je M’shika!”

“Pest aan je Ch’aka!”

De woorden waren dezelfde maar ze werden fel uitgeschreeuwd, dit keer zonder enige formaliteit.

“Vermoord je M’shika! Je komt weer op mijn grond met je krengenetende slaven!”

“Je liegt Ch’aka — deze grond was al eerder van mij.”

“Ik vermoord je eerder!”

Ch’aka sprong schreeuwend op hem af en zwaaide zijn knuppel met zo’n kracht dat hij de andere man doormidden zou hebben gebroken als het raak was geweest. Maar M’shika verwachtte dit al; hij trok zich terug en zwaaide zijn eigen knuppel die Ch’aka met gemak ontweek. Er volgde een snelle uitwisseling van knuppelgezwaai dat weinig meer deed dan de lucht in beweging zetten, tot de twee mannen plotseling tegen elkaar aanstonden en het gevecht echt begon.

Ze rolden woest grommend met zijn tweeën over de grond en scheurden aan elkaar. Op zo’n korte afstand konden ze de knuppels niet gebruiken en die lieten ze dan ook vallen. Ze gebruikten liever hun messen en hun knieën; nu begreep Jason waarom Ch’aka de lange slagtanden op zijn knieën had. Het was een gevecht zonder enige beperking en iedere man probeerde zo hard mogelijk zijn tegenstander te doden. Dat werd bemoeilijkt door de leren wapenrusting en de strijd ging voort. Het zand raakte bezaaid met afgebroken dieretanden, gevallen wapens en andere rommel. Toen de twee mannen even uit elkaar gingen om op adem te komen leek het erop dat de strijd onbeslist zou blijven; maar ze vlogen er gelijk weer op los.

Ch’aka doorbrak het machtsevenwicht toen hij zijn dolk in de grond stak en die toen hij er weer langs rolde in zijn mond nam. Terwijl hij met twee handen de armen van zijn tegenstander vasthield drukte hij zijn hoofd omlaag en slaagde hij erin een zwakke plek te vinden in het harnas van zijn tegenstander. M’shika brulde en trok zich los en toen hij overeind kwam stroomde het bloed langs zijn arm en van zijn vingers. Ch’aka sprong achter hem aan, maar de gewonde man greep nog net op tijd zijn knuppel om de aanval af te weren.

Terwijl hij achteruit strompelde wist hij de meeste van zijn rondgestrooide wapens met zijn gewonde arm op te pakken en toen sloeg hij op de vlucht. Ch’aka rende een stukje achter hem aan terwijl hij luid schreeuwend zijn eigen kracht en vaardigheid aanprees en zijn tegenstander uitjouwde om zijn lafheid. Jason zag een korte, scherpe hoorn van een zeedier in het omgeploegde zand liggen en hij raapte hem vlug op voor Ch’aka terugkwam. Toen zijn vijand eenmaal uit het gezicht was zocht Ch’aka zorgvuldig het slagveld af en hij nam alles mee wat enige militaire waarde bezat. Hoewel het nog wel een paar uur licht zou blijven, gaf hij het teken dat ze hier zouden blijven en deelde hij het avondrantsoen krenoj uit.

Jason zat bedachtzaam op zijn rantsoen te kauwen terwijl Ijale tegen hem aanleunde en ritmisch heen en weer schudde als ze zich krabde. De luizen waren onvermijdelijk; ze verborgen zich in de kreukels van de slecht gelooide huiden en werden door de warmte van de menselijke huid aangelokt. Jason had ook zijn portie ongedierte en merkte dat hij in hetzelfde ritme zat te krabben. Dit gelijke gekrab deed de woede losbarsten die hij langzaam en ongemerkt had opgebouwd.

“Ik neem mijn ontslag,” zei hij en hij sprong overeind. “Ik heb genoeg van deze slavernij. Welke kant op is de dichtstbijzijnde plek waar ik de d’zertanoj kan vinden?”

“Die kant op, twee dagen lopen. Hoe ga je Ch’aka doden?”

“Ik ga Ch’aka niet doden, ik ga gewoon weg. Ik heb lang genoeg genoten van zijn gastvrijheid en zijn voet.”

“Dat kan je niet doen,” hijgde ze. “Hij zal je vermoorden.”

“Ch’aka kan me moeilijk vermoorden als ik er niet ben.”

“Iedereen zal je doden. Dat is de wet. Weggelopen slaven worden altijd doodgemaakt.”

Jason ging weer zitten, brak nog een stuk van zijn kreno en kauwde er nadenkend op. “Je hebt me omgepraat om nog een tijdje te blijven. Maar ik heb op dit moment in het geheel geen zin om Ch’aka te doden ook al heeft hij mijn schoenen gestolen. En ik zie trouwens niet hoe ik door hem te doden wordt geholpen.”

“Je bent stom. Als jij Ch’aka hebt vermoord ben jij Ch’aka. Dan kan je doen wat je wil.”

Natuurlijk. Nu het hem was verteld was de maatschappelijke structuur overduidelijk. Omdat hij slaven en slavendrijvers had gezien had Jason de verkeerde mening opgevat dat het verschillende maatschappelijke klassen waren, terwijl er in werkelijkheid maar een klasse was, die je de ik-of-jij klasse zou kunnen noemen. Hij had dit moeten begrijpen toen hij zag dat Ch’aka absoluut nooit iemand dichterbij liet komen dan op een armlengte en dat hij iedere nacht naar een of andere geheime plek verdween. Dit was een overdreven vrije onderneming die tot het uiterste was doorgevoerd, waar iedere man alleen stond, iedere andere man tegen hem was en waar je positie werd bepaald door de kracht van je arm en de snelheid van je reflexen. Iedereen die alleen bleef, plaatste zich buiten deze gemeenschap, was daarom een vijand van die gemeenschap en kon er zeker van zijn op het eerste gezicht te worden gedood. Dit alles betekende dat hij Ch’aka wel moest vermoorden als hij verder wilde komen. Hij had er nog steeds geen zin in, maar het moest toch gebeuren.

Die nacht lette Jason goed op toen Ch’aka bij de anderen vandaan glipte en hij prentte zich de richting waarin hij wegliep goed in. De slavendrijver zou natuurlijk wat rondlopen voor hij zich verborg, maar met een beetje geluk zou Jason hem wel vinden. En hem doden. Hij was nou niet bepaald dol op middernachtelijke moordpartijen en tot hij op deze planeet landde had hij altijd gemeend dat het doden van een slapende man een laffe manier was om iemand van het leven te beroven. Maar bijzondere omstandigheden vragen bijzondere oplossingen en in een openlijk gevecht was hij niet opgewassen tegen de zwaar bewapende man. En dus het moordenaarsmes — of liever de scherpe hoorn. Hij slaagde erin af en toe wat te doezelen tot even na middernacht; toen gleed hij stilletjes onder zijn huiden uit. Ija-le wist dat hij wegging; hij zag bij het licht van de sterren dat ze haar ogen opende maar ze bewoog zich niet en zei geen woord. Zwijgend liep hij langs de slapers en kroop hij de duisternis tussen de duinen in.

Het was niet makkelijk Ch’aka te vinden in de wildernis van de woestijn, maar Jason hield vol. Hij liep zorgvuldig in steeds wijdere cirkels bij de slapende slaven vandaan. Er waren greppels en donkere ravijnen en die moesten allemaal met de grootste omzichtigheid worden onderzocht. In een ervan moest de slavenhouder liggen en hij zou op zijn hoede zijn voor elk geluid.

Het feit dat Ch’aka bijzondere voorzorgsmaatregelen had genomen om zich tegen moordaanslagen te beschermen werd Jason pas duidelijk toen hij de bel hoorde rinkelen. Het was een zacht geluid, bijna niet te horen, maar hij stond onmiddellijk doodstil. Tegen zijn arm drukte een dunne draad en toen hij voorzichtig achteruit stapte klonk de bel weer. Hij vervloekte in stilte zijn stomheid, dat hij zich nu pas de bellen herinnerde die hij al eerder van Ch’aka’s slaapplaats had gehoord. De slavenhouder moest zich iedere nacht omringen met een netwerk van draden die alarmbellen deden rinkelen als iemand in de duisternis naderbij sloop. Langzaam en geluidloos trok Jason zich dieper in de greppel terug.

Met dreunende voetstappen kwam Ch’aka tevoorschijn. Hij zwaaide zijn knuppel boven zijn hoofd en kwam recht op Jason af. Wanhopig rolde Jason opzij en de knuppel kwam met een klap op de grond terecht, toen was hij weer overeind en rende op topsnelheid door de greppel. Rotsblokken wankelden onder zijn voeten en hij wist dat het zijn dood zou zijn als hij struikelde, maar hij had geen andere keus dan de vlucht. De zwaar bewapende Ch’aka kon hem niet bijhouden en Jason wist op de been te blijven tot de ander niet meer te zien was. Ch’aka brulde van woede en schreeuwde hem verwensingen toe, maar hij kon hem niet te pakken krijgen. Naar adem snakkend verdween Jason in de duisternis.

In een grote boog liep hij langzaam terug naar het slapende kamp. Hij wist dat het lawaai hen wakker had gemaakt en hij bleef ongeveer een uur lang bibberend rondlopen in de koude ochtendlucht, voor hij onder zijn huiden dook. De lucht begon al grijzig te worden en hij lag wakker en vroeg zich af of hij herkend was; hij dacht van niet.

Toen de rode zon boven de horizon uitklom verscheen Ch’aka schuddend van woede bovenop de duinen.

“Wie deed het?” schreeuwde hij. “Wie kwam in nacht?” Hij stampte tussen hen door, keek woest van rechts naar links, en niemand bewoog zich, behalve dan om voor zijn stampende voeten weg te kruipen. “Wie deed het?” riep hij weer toen hij bij de plaats kwam waar Jason lag.

Vijf slaven wezen zwijgend naar Jason, en Ijale huiverde en schoof bij hem vandaan.

Jason vervloekte hun verraad. Hij sprong op en rende bij de fluitende knuppel vandaan. Hij had de scherpe hoorn in zijn hand maar hij wist wel beter dan te proberen Ch’aka in een openlijk gevecht te weerstaan; er moest een andere manier zijn. Hij keek snel om en zag dat zijn vijand nog steeds achter hem aan kwam en struikelde daardoor bijna over het uitgestoken been van een slaaf.

Ze waren allemaal tegen hem. Ze waren allemaal tegen elkaar en geen man was veilig voor de hand van een ander. Hij rende bij de slaven vandaan en krabbelde omhoog tegen een duin van los zand; hij hees zich langs de steile helling omhoog aan het grove gras. Bovenop draaide hij zich om en schopte hij Ch’aka zand in het gezicht in een poging hem te verblinden, maar de slavenhouder zwaaide zijn kruisboog omlaag en legde een stalen pijl op en Jason moest weer voor zijn leven rennen. Zwaar hijgend joeg Ch’aka hem weer na.

Jason werd moe en hij wist dat dit het beste tijdstip was om een tegenaanval te doen. De slaven waren uit het gezicht en het zou een gevecht worden tussen hen alleen. Hij klom een brokkelige rotshelling op, draaide zich plotseling om en sprong omlaag. Ch’aka werd volkomen verrast en hij had zijn knuppel maar half opgeheven toen Jason bovenop hem terecht kwam en hij zwaaide hem in het wilde weg. Jason dook onder de slag door en gebruikte het moment van Ch’aka om hem op de grond te gooien toen hij de knuppelarm greep en hard trok.

Met zijn gezicht omlaag sloeg de man tegen de stenen en Jason zat al op zijn rug terwijl hij nog viel en grabbelde naar zijn kin. Hij haalde zijn vingers open aan een ketting van scherpe tanden, toen had hij de dikke baard van de man te pakken en hij trok het hoofd achterover. Een enkel lang ogenblik was Ch’aka’s hoofd achterovergestrekt voor hij zich kon losrukken en omrollen en in dat ogenblik stak Jason de scherpe hoorn diep in het zachte vlees van de keel. Heet bloed spoot over zijn hand. Ch’aka schudde afschuwelijk onder hem heen en weer en stierf.

Jason klom overeind; hij was plotseling doodop. Hij was alleen met zijn slachtoffer. De koude wind blies om hen heen, voerde kleine korreltjes ritselend zand mee en koelde zijn zweterige lichaam af. Hij zuchtte een keer, veegde zijn bloedige handen af aan het zand en begon het lichaam uit te kleden. De schelphelm zat met dikke banden over het hoofd van de dode man en toen hij ze losknoopte en de helm wegtrok zag hij dat Ch’aka al ver over de middelbare leeftijd was. In zijn baard zaten al een paar grijze plekken en zijn karige haar was helemaal grijs; zijn gezicht en zijn kalende hoofd waren lijkbleek geworden onder de allesbedekkende helm.

Het kostte heel wat tijd om de huiden en de wapenrusting los te krijgen en zelf aan te trekken, maar eindelijk was hij klaar. Onder de met tanden bezette huidrepen om de voeten van Ch’aka zaten Jasons schoenen; vies maar onbeschadigd, en Jason trok ze verheugd aan. Hij schuurde de helm uit met zand en toen hij hem eindelijk had opgezet was Ch’aka herboren. Het lichaam op het zand was gewoon een dode slaaf. Jason groef een ondiep graf, legde het lijk erin en bedekte het.

Toen beende hij, met wapens, tassen en kruisboog behangen en de knuppel in zijn hand, terug naar de wachtende slaven. Zodra hij verscheen krabbelden ze overeind en gingen in de rij staan. Jason zag dat Ijale bezorgd naar hem keek en probeerde te ontdekken wie het gevecht had gewonnen.

“Een-nul voor het bezoekende elftal,” riep hij uit en ze gaf hem een klein, bang lachje en draaide zich om. “Allemaal omdraaien en dezelfde weg terug. Er breekt een nieuwe tijd aan voor jullie slaven. Ik weet dat jullie dit nog niet geloven, maar er staan jullie een paar grote veranderingen te wachten.”

VI

Die avond maakten ze een vuur op het strand en Jason ging met zijn rug naar de veilige zee zitten. Hij zette zijn helm af — hij kreeg hoofdpijn van dat ding — en riep Ijale bij zich.

“Ik hoor Ch’aka. Ik gehoorzaam.”

Ze holde haastig naar hem toe en liet zich in het zand vallen terwijl ze haar huiden opzij trok.

“Wat een opvatting heb jij over de mannen!” barstte Jason uit. “Ga zitten — ik wil alleen maar met je praten. En ik heet Jason geen Ch’aka!”

“Ja Ch’aka,” zei ze met een vlugge blik op zijn blote gezicht. Toen draaide ze zich weer om. Hij gromde en duwdede mand met krenoj naar haar toe.

“Ik kan zien dat het niet makkelijk zal zijn deze maatschappij te veranderen. Vertel me eens, verlang jij of een van de anderen er nooit naar vrij te zijn?”

“Wat is vrij?”

“Tja — ik neem aan dat dat mijn vraag wel beantwoordt. Vrij is wat je bent als je geen slaaf bent, maar ook geen slavenhouder, vrij om te gaan waar je wilt en te doen wat je wilt.”

“Dat zou ik niet willen.” Ze huiverde. “Wie zou er voor me zorgen? Hoe zou ik krenoj kunnen vinden? Alleen met een heleboel mensen samen kan je krenoj vinden — één alleen zou verhongeren.”

“Als je vrij bent kan je samengaan met andere vrije mensen en samen naar krenoj zoeken.”

“Dat is stom. Wie er een vond zou hem zelf opeten en niet delen tenzij hij door zijn meester werd gedwongen. Ik eet graag.”

Jason krabde in zijn baardstoppels. “We eten allemaal graag, maar dat betekent niet dat we slaven moeten zijn. Maar ik kan wel zien dat ik, tenzij er een paar radicale veranderingen in deze omgeving komen niet veel geluk zal hebben bij het vrijmaken van mensen en ik kan beter alle voorzorgsmaatregelen nemen die Ch’aka ook nam teneinde in leven te blijven.”

Hij pakte zijn knuppel en liep de duisternis in. Zwijgend liep hij in een grote boog om het kamp heen tot hij een goed heuveltje vond met gladde kanten. Op de tast haalde hij de kleine piketjes uit de zak en stak hij ze in rijen in de grond. Toen legde hij voorzichtig de leren draden in de gevorkte uiteinden. De einden van de draden werden vastgemaakt aan zeer nauwkeurig uitgebalanceerde ijzeren belletjes die bij de geringste aanraking rinkelden. Zo beschermd ging hij midden in zijn waarschuwende spinnenweb liggen en lag hij gespannen te wachten tot de belletjes zouden gaan rinkelen.

’s Morgens liepen ze verder. Ze kwamen bij de grenshoopen toen de slaven stopten beval Jason hen er voorbij te gaan. Dat deden ze met genoegen en ze verheugden zich al op het bijwonen van een goed gevecht om het bezit van het geschonden land. Toen ze later op de dag in de verte de andere rij slaven zagen, ging hun hoop in vervulling want er maakte zich een gestalte los uit de rij die op hen afrende.

“Pest aan je Ch’aka!” schreeuwde Fasimba terwijl hij kwam aanrennen, maar dit keer meende hij wat hij zei. “Je bent op mijn grond, ik zal je vermoorden!”

“Nog niet,” riep Jason. “En pest aan je Fasimba, het spijt me dat ik de formaliteiten vergat. Ik wil helemaal je land niet en de oude overeenkomst of wat dan ook, is nog steeds van kracht. Ik wil alleen maar met je praten.”

Fasimba stond stil, maar hij hield zeer achterdochtig zijn stenen hamer bij de hand. “Je hebt een nieuwe stem Ch’aka.”

“Ik ben nieuwe Ch’aka; oude Ch’aka bemest nu de madeliefjes. Ik wil een slaaf met je ruilen en dan gaan we.”

“Ch’aka vecht hard. Jij moet een goede vechter zijn Ch’aka.” Hij zwaaide kwaad met zijn hamer. “Maar niet zo goed als ik, Ch’aka.”

“Jij bent de beste, Fasimba; negen van de tien slaven willen jou als meester. Zeg, kunnen we niet ter zake komen, dan haal ik mijn groep hiervandaan.” Hij keek naar de rij naderende slaven en probeerde Mikah er tussenuit te pikken. “Ik wil de slaaf terug met het gat in zijn kop. Ik geef je er twee slaven voor terug, je mag zelf kiezen. Wat zeg je daarvan?”

“Goeie ruil Ch’aka. Jij zoekt er een van mij uit, neem gerust de beste en ik neem er twee van jou. Maar gat-in-kop weg. Te veel last. Praat alsmaar. Ik kreeg een zere voet van het schoppen. Heb hem weggedaan.”

“Heb je hem gedood?”

“Verspil geen slaven. Heb hem geruild met de d’zertanoj. Heb pijlen. Wil je pijlen?”

“Dit keer niet Fasimba, maar bedankt voor de inlichtingen.” Hij groef in een zak en haalde een kreno tevoorschijn. “Hier, wat te eten.”

“Waar heb jij vergiftige kreno vandaan?” vroeg Fasimba met onverholen nieuwsgierigheid. “Ik kan best een vergiftige kreno gebruiken.”

“Deze is niet vergiftig, is best te eten, of tenminste even eetbaar als die andere dingen.”

Fasimba lachte. “Jij erg grappig Ch’aka. Ik geef je een pijl voor vergiftige kreno.”

“Afgesproken,” zei Jason en hij gooide de kreno op de grond tussen hen in. “Maar ik zeg je dat hij best eetbaar is.”

“Dat zal ik ook tegen de man zeggen aan wie ik hem geef. Ik kan een vergiftige kreno best gebruiken.” Hij gooide een pijl in het zand en greep de wortel terwijl hij wegliep.

Toen Jason de pijl oppakte verboog hij en hij zag dat hij bijna helemaal doormidden was geroest en dat de breuk handig met klei was bedekt. “Dat is wel in orde,” riep hij de wegtrekkende slavendrijver na. “Wacht maar tot je vriend de kreno opeet.”

Ze begonnen weer te marcheren, eerst terug naar de grenshoop met de achterdochtige Fasimba op hun hielen. Pas toen Jason en zijn bende de grens waren gepasseerd gingen de anderen weer gewoon voedsel zoeken.

Toen begon de lange tocht naar de grenzen van de woestijn in het binnenland. Aangezien ze onderweg krenoj moesten zoeken, hadden ze bijna drie dagen nodig om hun doel te bereiken. Jason bracht de rij alleen maar in de goede richting, maar zodra hij de zee niet meer kon zien had hij slechts een vaag vermoeden van de juiste weg. Maar dat vertelde hij niet aan de slaven en zij liepen stevig door, langs wat kennelijk voor hen een zeer bekende weg was. Onderweg verzamelden en aten ze een flink aantal krenoj, vonden ze twee bronnen waar ze de waterzakken vulden en wezen ze op een dier dat in elkaar gedoken voor zijn hol zat en tot hun onuitgesproken afkeer slaagde Jason erin er ver naast te schieten met een pijl uit de kruisboog. Op de morgen van de derde dag zag Jason een scheidingslijn op de vlakke horizon, en voor het middagmaal kwamen ze bij een golvende zee van blauwgrijs zand.

Het einde van het land waar hij gewoonlijk aan dacht als de woestijn was verrassend. Onder hun voeten was zand en kiezel waarop een paar struiken zich met moeite in leven hielden, ook groeide er hier en daar wat gras en de eetbare krenoj. Hier leefden mensen en dieren en hoewel het bestaan er wreed was, ze leefden tenminste. In de woestenij voor hen was er geen leven zichtbaar of mogelijk, hoewel er geen twijfel aan scheen te bestaan dat de d’zertanoj hier leefden. Dat betekende dat het weliswaar leek oneindig te zijn — zoals Ijale geloofde — maar dat er waarschijnlijk vruchtbaar land aan de andere kant lag. En ook bergen, als het niet gewoon maar wolken waren, want aan de horizon in de verte zag hij een rij grijze toppen.

“Waar vinden we de d’zertanoj,” vroeg Jason aan de dichtstbijzijnde slaaf, maar die gromde slechts en keek de andere kant op. Jason had moeilijkheden met orde houden. De slaven wilden niet doen wat hij zei als hij ze niet schopte. Hun conditionering was zo grondig dat een bevel zonder schop geen bevel was en zijn voortdurende onwil de lichamelijke dwang bij het gesproken bevel te voegen werd opgevat als een teken van zwakheid. Een paar van de zwaardere slaven likten al af en toe hun lippen af waarbij ze hem goed opnamen. Zijn poging het leven van de slaven te verbeteren werd volledig geblokkeerd door de slaven zelf. Jason vloekte binnensmonds over de niet aflatende hardnekkigheid van deze wezens en gaf de man een schop met de punt van zijn schoen.

“Vind ze daar bij grote rots,” kwam onmiddellijk het antwoord.

In de aangewezen richting was er een donkere plek aan de rand van de woestijn en toen ze er dichterbij kwamen zag Jason dat het een rotswand was die met bakstenen en rotsblokken tot een regelmatige hoogte was opgebouwd. Achter die muur konden heel wat mannen verborgen zitten en hij was niet van plan zijn kostbare slaven of nog kostbaarder huid in de waagschaal te stellen door er dichterbij te komen. Op zijn bevel stond de rij stil en de slaven lieten zich op het zand zakken terwijl hij een paar meter voor hen heenen weer liep en achterdochtig het bouwwerk onderzocht.

Dat er onzichtbare bewakers waren was wel duidelijk toen er om een hoek een man verscheen die langzaam op Jason toeliep. Hij was gekleed in loshangende gewaden en hij droeg een mand aan zijn ene arm. Toen hij ongeveer halverwege tussen Jason en de rots die hij zojuist had verlaten was gekomen, stond hij stil en ging hij met gekruiste benen in het zand zitten; de mand stond naast hem. Jason keek zorgvuldig alle kanten op en besloot dat de toestand veilig genoeg was. Er waren geen schuilplaatsen waar gewapende mannen zich konden verstoppen en van de man in zijn eentje was hij niet bang. Met de knuppel in zijn hand liep hij naar voren en hij bleef drie grote stappen voor de man staan.

“Welkom Ch’aka,” zei de man. “Ik was bang dat we je niet meer zouden zien na die kleine… moeilijkheid die we hebben gehad.”

Hij bleef zitten terwijl hij sprak en aaide de paar haren van zijn dunne baard. Zijn hoofd was spiegelglad en even gebruind en leerachtig als de rest van zijn gezicht, waarvan het meest opvallende onderdeel een geweldige boegspriet van een neus was die in wijduitstaande neusvleugels eindigde en werd gebruikt als een stevige steun voor een zelfgemaakte zonnebril. Die zag eruit of hij helemaal uit been was gesneden en hij zat strak om het gezicht heen; de vlakke, massieve voorkant was doorsneden met smalle dwarse kepen. Dit soort oogbescherming kon alleen maar voor zwakke ogen zijn en het netwerk van rimpels wees erop dat de man tamelijk oud was en geen gevaar opleverde voor Jason.

“Ik wil iets,” zei Jason op een rechtstreekse Ch’aka manier.

“Een nieuwe stem en een nieuwe Ch’aka — ik heet je welkom. De oude was een hond en ik hoop dat hij met veel pijn stierf toen je hem doodde. Nu, vriend Ch’aka, ga zitten en drink met me.” Hij opende voorzichtig de mand en haalde er een stenen kruik en twee stenen bekers uit.

“Waar heb je vergiftige drank vandaan?” vroeg Jason toen hij zich de plaatselijke gewoonten herinnerde. Deze d’zertano was slim; hij had onmiddellijk aan Jasons stem gehoord dat er een identiteitswisseling had plaatsgehad. “En wat je naam?”

“Edipon,” zei de oude terwijl hij, in het geheel niet beledigd, het drinkgerei weer in de mand zette. “Wat wil je? Binnen redelijke grenzen natuurlijk. We hebben altijd slaven nodig en willen altijd graag onderhandelen.”

“Ik wil een slaaf van jullie. Ik ruil er twee voor een.” De zittende man glimlachte kil vanachter het schild van zijn neus. “Je hoeft niet zo plat te praten als de barbaren, want ik hoor aan je accent dat je een ontwikkeld man bent. Welke slaaf wil je hebben?”

“Die je net van Fasimba hebt gekregen. Hij is van mij.” Jason liet zijn bedriegelijke taaltje varen en was nog meer op zijn hoede. Hij keek snel de lege zandvlakte rond. Deze uitgedroogde oude kip was heel wat slimmer dan hij eruit zag en Jason zou goed moeten opletten.

“Is dat alles?” vroeg Edipon.

“Alles wat ik op het ogenblik kan bedenken. Jij haalt die slaaf tevoorschijn en dan kunnen we misschien tot zaken komen.”

Edipon lachte vals en Jason sprong achteruit toen de oude twee vingers in zijn mond stak en een schril gefluit liet horen. Jason hoorde zand ritselen, hij draaide zich snel om en zag een heleboel mannen die zo te zien uit de lege woestijn omhoogklommen. Ze duwden houten deksels omhoog waarover het zand zorgvuldig was gladgestreken. Er waren er zes met schilden en knuppels en Jason vervloekte zichzelf dat hij zo stom was geweest Edipon te ontmoeten op een plaats die hij zelf had gekozen. Hij zwaaide met zijn knuppel maar de oude man holde al naar de veilige rots. Jason brulde van woede en rende op de dichtstbijzijnde man af die nog maar half uit zijn schuilplaats was gekropen. De man ving Jasons klap met zijn opgeheven schild op en door de kracht van de slag viel hij achterover in het gat. Jason rende verder, maar er stond een ander voor hem met zijn eigen knuppel omhoog voor de strijd. Hij kon niet om hem heen dus rende Jason in volle vaart op hem af waarbij al zijn tanden en horens klapperden en ratelden. De man deinsde onder de aanval achteruit en Jason sloeg met een klap zijn schild doormidden en zou hem verder hebben aangepakt als op dat ogenblik niet de andere mannen waren gearriveerd zodat hij die van zich af moest houden.

Het was een kort en gemeen gevecht waarin Jason net een paar klappen meer uitdeelde dan hij opliep. Twee van de aanvallers lagen op de grond en een derde zat met zijn gekneusde hoofd in zijn handen toen Jason door de overmacht tegen de grond werd geslagen. Hij riep zijn slaven te hulp, vervloekte ze toen ze gewoon maar bleven zitten terwijl zijn armen werden vastgebonden met touw en zijn wapens hem werden afgenomen. Een van de overwinnaars zwaaide naar de slaven die nu gedwee de woestijn inliepen. Jason die gromde van woede werd in dezelfde richting gesleurd.

In de woestijnkant van de muur zat een groot gat en toen Jason daar eenmaal doorheen was, verdween zijn boosheid op slag. Hier stond een van de karoj waar Ijale hem over had verteld; daar kon niet aan worden getwijfeld. Hij begreep nu hoe het voor haar ongeoefende oog niet duidelijk was of het ding een dier was of niet. Het voertuig was ruim tien meter lang en zag er ongeveer uit als een boot; voorop zat een groot, kennelijk nagemaakt dierehoofd dat met een vacht was bedekt en was opgeluisterd met rijen scherpe tanden en glinsterende glazen ogen. Over het ding hingen huiden en er zaten niet erg echte poten onder, zeker niet echt genoeg om een ontwikkeld kind van zes jaar voor de gek te houden. Dit soort vermomming mocht dan goed genoeg zijn om de onwetende wilden beet te nemen, maar hetzelfde beschaafde kind zou dit herkennen als een voertuig zodra hij de zes grote wielen eronder zag. Er was een diep profiel in uitgesneden en ze waren gemaakt van een of ander veerkrachtig materiaal. De bron van voortbeweging was niet zichtbaar, maar Jason loeide bijna van vreugde toen hij duidelijk de stank rook van verbrande olie. Dit primitief uitziende toestel had een kunstmatige krachtbron, die het resultaat zou kunnen zijn van een plaatselijke industriële revolutie, of van buitenwereldse handelaars zou kunnen zijn gekocht. Elk van beide mogelijkheden bood de kans om eventueel van deze naamloze planeet te ontsnappen.

De slaven, waarvan sommige van angst ineenkrompen voor het onbekende, werden de loopplank opgeschopt de karo in. Vier van de potige kerels die Jason hadden bedwongen en gebonden droegen hem omhoog en lieten hem op het dek vallen waar hij rustig bleef liggen kijken naar alles wat zichtbaar was van het mechanisme van het woestijnvoertuig. Voorop het dek stak een paal omhoog en een van de mannen drukte iets wat alleen maar een helmstok kon zijn, over de vierkante kop ervan. Als dit voorwereldlijke apparaat met de voorwielen stuurde, moest het met de achterwielen worden aangedreven, dus schoof Jason over het dek tot hij naar de achterkant kon kijken. Daar stond een cabine over de volle breedte van het dek, zonder ramen en met een ingelaten toegangsdeur die was voorzien van een uitgelezen verzameling sloten en grendels. Een zwarte metalen schoorsteen stak door het dak van de kabine omhoog en dit was dus zonder enige twijfel de machinekamer.

“We vertrekken,” krijste Edipon terwijl hij met zijn dunne armen boven zijn hoofd zwaaide. “Haal de loopplank binnen. Narsisi, ga voorop staan om de karo de weg te wijzen. Nou — allemaal bidden als ik de schrijn binnenga om de heilige machten te bewegen ons naar Putl’ko te brengen.” Hij deed en stap in de richting van de cabine maar stond toen weer stil en wees naar een van de knuppelzwaaiers.

“Erebo, lui varken, heb je er dit keer aan gedacht de waterkom van de goden te vullen, want ze hebben altijd dorst.”

“Ik heb hem gevuld, ik heb hem gevuld,” mompelde Erebo met zijn mond vol geroofde krenoj.

Nu alle voorbereidingen waren getroffen, liep Edipon naar het portaaltje en hij trok er een allesverhullend gordijn voor. Met veel gekletter en geratel maakte hij de deur open en ging hij naar binnen. Binnen een paar minuten rolde er een zwarte wolk vettige rook uit de schoorsteen die door de wind werd weggeblazen. Het duurde bijna een uur voor de heilige machten bereid waren op pad te gaan en ze kondigden die bereidheid aan door luid te schreeuwen en hun witte adem omhoog te blazen. Vier van de slaven lieten een meerstemmig geschreeuw horen en vielen flauw terwijl de rest eruit zag of ze liever dood waren.

Jason had al eerder ervaring opgedaan met primitieve machines en hij werd dus niet erg verrast door de veiligheidsklep van de stoomketel. Hij was er ook op voorbereid toen het voertuig begon te schokken en langzaam de woestijn inreed. Gezien de rookwolken en de hoeveelheid stoom die onder de achtersteven ontsnapte dacht hij niet dat de machine erg doelmatig was, maar hoe primitief hij ook was, hij duwde de karo met zijn vracht passagiers langzaam maar zeker het zand over.

Er begonnen meer slaven te schreeuwen en een paar probeerden er overboord te springen, maar die werden neergeknuppeld. De in mantels gehulde d’zertanoj liepen streng tussen de rijen gevangenen door en goten hen grote scheppen donkere vloeistof in hun keel. Sommige gevangenen lagen bewusteloos of dood op het dek, hoewel het waarschijnlijker was dat ze alleen maar bewusteloos waren, aangezien er voor hun bewakers geen reden was hen te doden nadat ze zoveel moeite hadden gedaan hen te pakken te krijgen. Jason was daar wel van overtuigd, maar de verschrikte slaven hadden die troost niet en worstelden dus verder, denkend dat ze voor hun leven vochten.

Toen Jason aan de beurt was gaf hij, ondanks zijn overtuiging niet lijdzaam toe en hij speelde het klaar in een paar vingers te bijten en een man een schop in zijn maag te geven voor ze bovenop hem gingen zitten, zijn neus dichtknepen en een golf van de bijtende vloeistof in zijn keel goten. Het deed pijn en hij voelde zich duizelig; hij probeerde over te geven, maar dat was het laatste dat hij zich herinnerde.

VII

“Drink nog iets,” zei de stem. Er plensde koud water over Jasons gezicht en er liep iets in zijn keel waardoor hij moest hoesten. Er drukte iets hards in zijn rug en zijn polsen deden pijn. Langzaam kwam zijn herinnering terug — het gevecht, de gevangenneming en de drank die in zijn keel was gegoten. Toen hij zijn ogen opende zag hij boven zijn hoofd een flikkerende gele lamp aan een ketting hangen. Hij knipoogde ernaar en probeerde genoeg kracht te verzamelen om te gaan zitten. Voor het licht zwom een bekend gezicht en Jason kneep zijn ogen dicht en kreunde. “Ben jij dat, Mikah — of ben je alleen maar een onderdeel van een nachtmerrie?”

“Aan het recht valt niet te ontkomen, Jason. Ik ben het en ik heb je een paar ernstige vragen te stellen.”

Jason kreunde nog eens. “Ik hoor het al, je bent het echt. Zelfs in een nachtmerrie zou ik zulke woorden niet durven bedenken. Maar voor je de vragen gaat stellen; hoe denk je erover om me wat over de omstandigheden hier te vertellen? Jij moet toch iets weten aangezien je al langer slaaf bent bij de d’zertanoj dan ik.”

Jason besefte dat de pijn in zijn polsen werd veroorzaakt door zware ijzeren banden. Er liep een ketting door die was bevestigd aan een dikke houten balk waar zijn hoofd op had gelegen. “Waarom zijn die kettingen — hoe is de gastvrijheid hier?”

Mikah gaf geen gehoor aan de uitnodiging om belangrijke inlichtingen te geven en hij keerde onverzettelijk weer naar zijn eigen onderwerp terug.

“Toen ik je voor het laatst zag was je een slaaf van Ch’aka en vannacht werd je met de andere slaven van Ch’aka binnengebracht en aan de balk geketend terwijl je bewusteloos was. Naast mij was een lege plaats en ik zei dat ik voor je zou zorgen als ze je daar vastmaakten en dat deden ze. Nu moet ik iets weten. Voor ze je uitkleedden, zag ik dat je de wapenrusting en de helm van Ch’aka droeg. Waar is hij — wat is er met hem gebeurd?”

“Ik Ch’aka,” kraste Jason en zijn keel was zo droog dat hij een hoestbui kreeg. Hij nam een grote slok water uit de kom. “Dat klinkt erg wraakgierig, Mikah, ouwe bedrieger. Waar blijf je nou met je draai-de-andere-wang-toe geklets? Vertel me niet dat je de man misschien haat alleen maar omdat hij je op je hoofd heeft geslagen, je schedel heeft gekneusd en je verkocht heeft als een waardeloze slaaf? Als je bij geval over deze onrechtvaardigheid hebt ingezeten, kan je nu gerust zijn omdat de slechte Ch’aka niet meer bestaat. Hij ligt begraven in de ongebaande wildernis en nadat alle sollicitanten beoordeeld waren kreeg ik het baantje.”

“Heb je hem gedood?”

“Om je de waarheid te zeggen — ja. En denk maar niet dat het makkelijk was, want hij had alle voordelen aan zijn kant en ik had alleen maar mijn aangeboren vindingrijkheid, die gelukkig voldoende bleek. Het was nog eventjes op het kantje af, want toen ik hem in zijn slaap probeerde te vermoorden —”

“Toen je wat?” onderbrak Mikah.

“Hem ’s nachts besloop. Je denkt toch zeker niet dat iemand bij zijn volle verstand zo’n monster openlijk zou aanvallen, wel? Hoewel het daar toch op neerkwam omdat hij een paar aardige apparaatjes had om in het donker mensen in de gaten te houden. Kort en goed, we vochten, ik won en ik werd Ch’aka hoewel mijn regeringsperiode niet lang was en ook niet roemrijk. Ik heb je tot aan de woestijn gevolgd, waar ik keurig werd gevangen door een slimme oude vogel die Edipon heet, die mij in rang verlaagde en ook al mijn slaven afpakte. Dat is mijn hele verhaal. Vertel me dus nu het jouwe — waar we zijn, wat er hier aan de hand is —”

“Moordenaar! Slavendrijver!” Mikah schoof zover mogelijk achteruit en wees met een beschuldigende vinger naar Jason. “Er moeten nog twee belastende feiten aan je lijst van wandaden worden toegevoegd. Ik word er misselijk van Jason, als ik bedenk dat ik je ooit aardig vond en je hebproberen te helpen. Ik zal je nog steeds helpen, maar alleen maar om in leven te blijven zodat ik je mee terug kan nemen naar Cassylia om daar veroordeeld en terechtgesteld te worden.”

“Dat is een aardig voorbeeld van eerlijke en onpartijdige rechtspraak — veroordeling en terechtstelling.” Jason hoestte weer en dronk de kom leeg. “Heb je nooit gehoord van aangenomen onschuld tot het tegendeel is bewezen? Dat is toevallig de spil waar alle rechtskunde om draait. En hoe zou jij het ooit kunnen rechtvaardigen dat ik op Cassylia terecht sta voor dingen die op deze planeet zijn voorgevallen — handelingen die hier geen misdaden zijn? Dat is net zoiets als een kannibaal bij zijn stam vandaan halen en hem ter dood te brengen wegens het eten van mensen.”

“Waarom zou dat verkeerd zijn? Het eten van mensenvlees is zo’n walgelijke misdaad dat ik huiver als ik eraan denk. Natuurlijk moet iemand die dat doet ter dood worden veroordeeld.”

“Als hij door de keukendeur binnenglipt en een van je familieleden opeet, heb je inderdaad reden om iets te ondernemen. Maar niet als hij samen met de rest van zijn vrolijke stam een geroosterde vijand oppeuzelt. Zie je niet hoe duidelijk het is — menselijk gedrag kan alleen worden beoordeeld in het licht van zijn omgeving. Gedrag is betrekkelijk. De kannibaal is in zijn gemeenschap net zo moreel verantwoord als de kerkganger in de jouwe.”

“Lasteraar! Misdaad is misdaad! Er zijn morele wetten die boven elke menselijke gemeenschap uitgaan.”

“O nee, die zijn er niet. Dat is juist het punt waarop jouw middeleeuwse zedenleer misgaat. Alle wetten en opvattingen zijn historisch en betrekkelijk, niet absoluut. Ze hebben betrekking op hun bepaalde tijdperk en omgeving; als ze uit hun verband worden gehaald verliezen ze hun belang. Binnen het verband van deze viezige gemeenschap heb ik zeer rechtschapen en eerlijk gehandeld. Ik probeerde mijn meester te vermoorden — wat de enige manier is waarop een eerzuchtige jongeman in deze harde wereld vooruit kan komen, en wat ongetwijfeld de manier was waarop Ch’akavroeger dit baantje heeft gekregen. De moordpoging liep op niets uit, maar het gevecht niet, en het resultaat was hetzelfde. Toen ik eenmaal aan de macht was, zorgde ik goed voor mijn slaven hoewel ze dat natuurlijk niet waardeerden aangezien ze niet wilden dat er goed voor hen werd gezorgd: ze wilden alleen mijn baantje, omdat dat de wet van het land is. Het enige dat ik echt verkeerd heb gedaan was het feit dat ik mijn plichten als slavenhouder niet nakwam en ze niet eeuwig langs de kust heen en weer heb laten lopen. In plaats daarvan ging ik jou zoeken, liep in de val en kwam weer onder het juk van de slavernij, waar ik ook hoor voor het uithalen van zo’n stomme streek.”

De deur vloog open en fel zonlicht stroomde het raamloze gebouw binnen. “Opstaan slaven!” schreeuwde een d’zertano door de opening naar binnen.

Een koor van gekreun en geschuifel brak los toen de mannen tot leven kwamen. Nu zag Jason dat hij met twintig andere slaven aan de lange balk zat geketend, kennelijk de stam van een behoorlijk grote boom. De man die aan het verste eind zat was kennelijk een soort opzichter want hij vloekte en dreef de anderen overeind. Toen ze allemaal stonden snauwde hij met donderende stem bevelen.

“Vooruit, vooruit! Wie het eerst komt krijgt het beste voedsel. En vergeet je kom niet. Stop hem goed weg zodat hij niet kan vallen. Denk eraan, de hele dag geen eten en drinken als je geen kom hebt. En laten we vandaag allemaal meewerken; ieder draagt zijn eigen stuk, dat is de enige manier. Dat geldt voor jullie allemaal, in het bijzonder voor de nieuwe mannen. Geef ze hier het werk van een dag en dan geven ze jou een dag te eten…”

“Hou toch je kop!” riep iemand.

“…en daar kan je niet over klagen,” ging de man onverstoorbaar verder. “Nou allemaal samen… een… bukken en de balk vastgrijpen, hou stevig vast en… twee… optillen, dat is de manier. En… drie… rechtop, en daar gaan we de deur door.”

Ze schuifelden naar buiten in het zonlicht en de koude ochtendwind beet door de Pyrraanse overall en de resten van de leren omhulsels van Ch’aka die Jason had mogen houden. Zijn bewakers hadden de windsels eronder laten zitten en hadden dus zijn schoenen niet gevonden. Dit was het enige lichtpuntje in de toekomst die er verder zeer somber uitzag. Jason probeerde dankbaar te zijn voor kleine vreugden, maar hij kon alleen maar bibberen. Deze toestand moest zo snel mogelijk worden gewijzigd want hij had zijn tijd als slaaf op een achterlijke planeet nu wel uitgediend en hij was voor betere dingen voorbestemd.

Op een bevel lieten de slaven de balk tegen de muur van het erf vallen en gingen ze erop zitten. Als een stelletje armoedige bedelaars hielden ze de kommen voor zich en ze kregen allemaal een schep lauwe soep van een andere slaaf die een tobbe op wieltjes voortduwde; hij was aan de tobbe vastgeketend. Jasons eetlust verdween toen hij het brouwsel proefde. Het was krenosoep en de woestijnwortels smaakten nog viezer — hij had niet gedacht dat het mogelijk was — als ze tot soep werden verwerkt. Maar het overleven was belangrijker dan kieskeurigheid, dus slikte hij het vieze spul naar binnen.

Na het ontbijt liepen ze het hek uit naar een ander terrein en Jasons zorgen maakten plaats voor een gretige belangstelling. Midden op het terrein stond een grote kaapstander; de eerste groep slaven was al bezig het eind van hun balk daarin te steken. Jasons groep en nog twee anderen, schuifelden naar hun plaats en staken hun balk er ook in waardoor de kaapstander een wiel met vier spaken werd. Een opzichter schreeuwde en de slaven kreunden en duwden uit alle macht tegen de spaken tot ze in beweging kwamen; toen liepen ze langzaam rond en hielden het wiel in beweging.

Toen dit moeizame werk eenmaal aan de gang was richtte Jason zijn aandacht op het primitieve mechanisme dat zij van kracht voorzagen. Een verticale schacht van de kaapstander draaide een krakend houten wiel rond dat een reeks leren riemen in beweging zette. Sommige daarvan verdwenen door openingen in een groot stenen gebouw, terwijl de sterkste riem de tuimelarm ronddraaide van iets dat alleen maar een tegenwichtpomp kon zijn. Dit alles leek een tamelijk oneconomische manier om water omhoog te pompen, aangezien er toch wel natuurlijke bronnen of meren in de buurt moesten zijn. De doordringende geur die over het terrein hing was erg vertrouwd en Jason had net de conclusie getrokken dat het voorwerp van hun arbeid geen water kon zijn toen de standpijp van de pomp een diep gorgelend geluid liet horen en er een dikke zwarte stroom uit-borrelde.

“Petroleum — natuurlijk!” zei Jason hardop. Toen de opzichter hem kwaad aankeek en dreigend met de zweep klapte boog hij zich weer over de balk. Dit was het geheim van de d’zertanoj en hun krachtbron.

Boven de ommuring uit torenden hoge heuvels en vlakbij waren bergen te zien. Maar de gevangen slaven waren verdoofd zodat ze zelfs niet konden weten in welke richting ze naar deze verborgen plaats waren gebracht of hoelang de tocht duurde. Hier in deze bewaakte vallei zwoegden ze om de ruwe olie omhoog te pompen die hun meesters gebruikten om hun grote woestijnwagens van energie te voorzien. Gebruikten ze daar wel ruwe olie voor? De petroleum gorgelde nu in een dikke straal naar buiten en liep door een open goot die door de muur in hetzelfde gebouw verdween als de drijfriemen. Wat voor barbaarse duivelskunsten werden daar uitgevoerd? Boven op het gebouw stond een brede schoorsteen die zwarte rookwolken uitbraakte en uit de openingen in de muur kwam een verschrikkelijke stank die zijn schedel dreigde te lichten.

Op hetzelfde ogenblik dat hij besefte wat er in het gebouw werd gedaan ging een bewaakte deur open en kwam Edipon naar buiten die zijn neus snoot in een reusachtig vod. Het krakende wiel draaide rond en toen Jason weer rond was riep hij hem.

“Hé Edipon, kom eens hier. Ik wil met je praten. Ik ben de vroegere Ch’aka voor het geval je me zonder uniform niet herkent.”

Edipon keek hem even aan en draaide zich toen om terwijl hij zijn neus afveegde. Het was duidelijk dat hij geen enkel belang stelde in de slaven, wat ook hun positie was geweest voor hun val. De slavendrijver kwam brullend aanrennen en hief zijn zweep op terwijl Jason met het langzaam draaiende wiel verdween. Hij schreeuwde achteruit over zijn schouder.

“Luister naar me — ik weet erg veel en ik kan je helpen.” Het enige antwoord was de achterkant van een rug en de zweep floot al omlaag.

Het was tijd voor zwaarder geschut. “Je kan beter wel naar me luisteren — want ik weet dat wat er het eerst uitkomt het beste is. Oeuw!”

Dat laatste ging vanzelf toen de zweep neerknalde. Jasons woorden hadden geen enkele betekenis voor de slaven en ook niet voor de opzichter die zijn zweep al ophief voor de tweede klap, maar hun effect op Edipon was even dramatisch als wanneer hij op een gloeiende kool was gestapt. Hij stond met een schok stil en draaide zich om en zelfs op die afstand kon Jason zien dat de normale bruine kleur van zijn huid was veranderd in een ziekelijke grijze tint.

Stop het wiel!” schreeuwde Edipon.

Dit onverwachte bevel trok ieders verbaasde aandacht. De opzichter liet met open mond zijn zweep zakken terwijl de slaven struikelden en stilstonden en het wiel kreunend tot stilstand kwam. In de plotselinge stilte waren Edipons stappen duidelijk te horen toen hij naar Jason toe rende; vlak voor hem bleef hij staan met zijn lippen opgetrokken van spanning alsof hij op het punt stond Jason te bijten.

“Wat zei je daar?” Hij beet Jason de woorden toe terwijl zijn vingers al half een mes uit zijn gordel plukten.

Jason glimlachte. Hij zag er heel wat kalmer uit en hij gedroeg zich heel wat rustiger dan hij zich voelde. Zijn pijl had doel getroffen, maar als hij niet voorzichtig te werk ging zou het mes van Edipon ook doel treffen — in Jasons buik. Dit was kennelijk een heel teer punt.

“Je hebt gehoord wat ik zei — en ik denk niet dat je me het wilt laten herhalen met al die vreemden erbij. Ik weetwat er hier gebeurt want ik kom van ver weg, waar we voortdurend dergelijke dingen doen. Ik kan je helpen. Ik kan je laten zien hoe je meer van de goede kwaliteit kan krijgen en hoe je de karoj beter kunt laten werken. Probeer het maar. Maar maak me eerst eens los van die balk en laten we op een rustig plekje eens een gezellig babbeltje maken.”

Het was duidelijk wat Edipon dacht. Hij kauwde op zijn lip en keek Jason woest aan terwijl hij de snede van zijn mes bevoelde. Jason glimlachte uiterst onschuldig naar hem en trommelde vrolijk met zijn vingers op de balk alsof hij gewoon stond te wachten tot hij werd losgemaakt. Maar ondanks de kou liep er een straaltje zweet over zijn ruggengraat. Hij had alles op één kaart gezet — het verstand van Edipon — omdat hij geloofde dat zijn nieuwsgierigheid het zou winnen van zijn eerste verlangen de slaaf die zoveel over zulke geheime dingen wist de mond te snoeren. Hij hoopte dat hij zich zou herinneren dat slaven altijd nog konden worden gedood, en dat het geen kwaad kon eerst een paar vragen te stellen. De nieuwsgierigheid won en het mes gleed terug in de schede. Jason zuchtte opgelucht. Dat was teveel op het kantje, zelfs voor een beroepsgokker; hij speelde niet graag om zulke hoge inzetten als zijn eigen leven.

“Maak hem los van de balk en breng hem bij me,” beval Edipon. Toen liep hij opgewonden weg. De andere slaven keken met grote ogen toe toen de smid werd gehaald en met verwarring en geschreeuw werd Jasons ketting van de balk losgemaakt waar hij aan de zware ring vastzat.

“Wat doe je?” vroeg Mikah en een van de bewakers sloeg hem tegen de grond. Jason lachte alleen maar en hield zijn vinger voor zijn lippen, toen zijn ketting los was en hij werd weggevoerd. Hij was niet meer geketend en dat zou zo blijven als hij Edipon ervan kon overtuigen dat hij van meer nut was bij iets anders dan dom krachtwerk.

In de kamer waar ze hem heenbrachten zag hij voor het eerst tekenen van versiering of zelfexpressie op deze planeet. Het meubilair was met zorg gemaakt, met hier endaar wat snijwerk om het te verfraaien en er lag een geweven kleed over het bed. Edipon stond bij een tafel en trommelde zenuwachtig met zijn vingers op het gladde donkere oppervlak.

“Maak hem vast,” beval hij de bewakers en Jason werd vastgezet aan een stevige ring die uit de muur stak. Zodra de bewakers weg waren ging Edipon vlak voor Jason staan en trok hij zijn mes. “Zeg me wat je weet of ik steek je meteen neer.”

“Mijn verleden is een open boek voor je Edipon. Ik kom uit een land waar we alle geheimen van de natuur kennen.”

“Hoe heet dat land? Ben je een spion uit Appsala?”

“Dat kan moeilijk, aangezien ik nog nooit van die plaats heb gehoord.” Jason trok aan zijn onderlip en vroeg zich af hoe intelligent Edipon nou precies was en hoeveel hij van de waarheid zou vertellen. Dit was niet het tijdstip om in leugens over de geografie van de planeet verzeild te raken; het zou misschien het beste zijn als hij het met een klein stukje van de waarheid probeerde.

“Als ik je zei dat ik van een andere planeet kom, een andere wereld in de hemel tussen de sterren, zou je me dan geloven?”

“Misschien. Vele oude legenden vertellen dat onze voorvaderen van een wereld boven uit de hemel kwamen, maar dat heb ik altijd afgewezen als religieuze kletskoek, goed voor vrouwen.”

“In dit geval hebben de meisjes toevallig gelijk. Jullie planeet werd gekoloniseerd door mensen met schepen die door de lege ruimte voeren net zoals jullie karoj door de woestijn rijden. Jouw volk is dat vergeten en de kennis en de wetenschap die ze eens hadden is verloren gegaan, maar op andere werelden is de wetenschap nog bekend.”

“Waanzin.”

“Helemaal niet. Het is wetenschap, hoewel die twee vaak worden verward. Ik zal het bewijzen. Je weet dat ik nooit in dat geheimzinnige gebouw van je ben geweest en ik neem aan dat je er zeker van kunt zijn dat niemand me de geheimen daarvan heeft verteld. Toch wil ik wedden dat ikvrij nauwkeurig kan beschrijven wat daar gebeurt — niet doordat ik de machines heb gezien, maar omdat ik weet wat je met olie moet doen om de producten te krijgen die je wilt hebben. Wil je het horen?”

“Begin maar,” zei Edipon die op een punt van de tafel zat en het mes losjes vasthield.

“Ik weet niet hoe jullie het apparaat noemen, maar in de wandeling is het een destilleerketel met koeling die voor gefractionneerde destillatie wordt gebruikt. Je ruwe olie loopt in een of ander vat en vandaar leid je het naar een retort, een of ander groot vat dat je luchtdicht kan afsluiten. Als dat eenmaal dicht is, steek je er een vuur onder aan en probeer je alle olie op dezelfde temperatuur te brengen. Uit de olie stijgt een gas omhoog en dat tap je af door een pijp die je door een koeler leidt, waarschijnlijk ook een pijp waar water over loopt. Dan zet je een emmer onder het open eind van de pijp en daaruit druppelt de vloeistof die jullie in de karoj stoken om ze te laten rijden.”

Terwijl Jason stond te praten gingen Edipons ogen steeds wijder open tot ze bijna uit zijn hoofd rolden. “Duivel!” schreeuwde hij en hij wankelde op Jason af met het mes voor zich uit. “Je kan het niet hebben gezien, niet door stenen muren heen. Alleen mijn familie heeft het gezien, geen anderen — daar durf ik op te zweren!”

“Hou je kalm Edipon. Ik zei je al dat we dit in mijn land al jaren doen.” Hij balanceerde op een voet, klaar om een schop tegen het mes te geven voor het geval de oude man niet bedaarde. “Ik ben er helemaal niet op uit je geheimen te stelen. Om je de waarheid te zeggen zijn het heel gewone dingen in het land waar ik vandaan kom, waar iedere boer zijn eigen stookketel heeft om zijn eigen drank te stoken en zo belasting uit te sparen. Ik wil wedden dat ik zelfs zonder dat ik iets heb gezien een paar verbeteringen kan aanbrengen. Hoe hou je de temperatuur van je brouwsel in de gaten? Hebben jullie thermometers?”

“Wat zijn thermometers?” vroeg Edipon terwijl hij het mes even vergat; zo was hij in beslag genomen door de vreugde van een technisch gesprek.

“Dat dacht ik al. Ik zie die clandestiene borrel van je al met grote sprongen verbeteren als je hier iemand hebt die een beetje eenvoudig kan glasblazen. Hoewel het misschien makkelijker zou zijn een gekrulde strip bi-metaal te maken. Jullie proberen de verschillende fracties af te koken en als je geen gelijke temperatuur houdt krijg je een gemengd brouwsel. Wat je voor je motoren nodig hebt zijn de vluchtigste fracties, de vloeistoffen die het eerst koken zoals benzine en benzeen. Daarna verhoog je de temperatuur en verzamel je petroleum voor je lampen en zo werk je de hele rij af tot je een aardige hoop teer overhoudt om je straten mee te bedekken. Hoe lijkt je dat?”

Edipon dwong zichzelf kalm te blijven hoewel een zenuwtrek in zijn wang zijn innerlijke spanning verried. “Wat je daar hebt beschreven is de waarheid hoewel je een paar kleine dingen fout had. Maar ik heb niet de minste belangstelling voor je thermometer en ook niet in verbetering van ons krachtwater. Dat is generaties lang goed genoeg geweest voor mijn familie en het is goed genoeg voor mij.”

“Ik vermoed dat je denkt dat dat een originele opmerking is?”

“Maar er is iets dat je misschien kunt doen dat je veel zou opleveren,” ging Edipon verder. “We kunnen zeer edelmoedig zijn als het nodig is. Je hebt onze karoj gezien en erin gereden. Je hebt mij de schrijn zien binnengaan waar ik me met de geheime machten bezighield zodat we konden rijden. Kan jij me vertellen door welke kracht de karoj worden voortbewogen?”

“Ik hoop dat dit het eindexamen is Edipon, want je stelt mijn redeneerkunst wel erg op de proef. Als we de ’schrijnen’ en de ’heilige machten’ even weg laten zou ik zeggen dat je de machinekamer binnengaat om een karweitje op te knappen dat erg weinig met bidden heeft te maken. Deze voertuigen zouden op heel wat manieren kunnen worden voortbewogen, maar laten we de eenvoudigste nemen. Dit is allemaal uit het blote hoofd, dus geen straf als ik een paar kleinigheden fout doe. Een verbrandingsmotor is uitgesloten. Ik betwijfel of jullie de techniek hebben om dieaan te kunnen en daarbij komt nog het feit dat er een heleboel herrie werd gemaakt over een watertank en het duurde bijna een uur voor hij op gang kwam. Dat klinkt alsof je eerst genoeg stoom moest hebben — de veiligheidsklep! Dat was ik vergeten.

Dus het is stoom. Jij gaat naar binnen, doet de deur op slot natuurlijk, dan draai je een paar kranen open tot dë brandstof in de vuurpot druppelt, dan steek je het aan. Misschien heb je een drukmeter of misschien wacht je gewoon tot de veiligheidsklep gaat werken en je vertelt dat je druk genoeg hebt. Wat gevaarlijk kan zijn, aangezien een verstopte klep de hele zaak uit elkaar kan laten knallen. Als je de stoom eenmaal hebt, draai je een kraan open om het in de cilinders te laten en het ding op gang te krijgen. Daarna geniet je van de reis nadat je je er natuurlijk van hebt verzekerd dat er genoeg water in de ketel komt, dat je druk hoog genoeg blijft, dat je vuur heet genoeg is, dat al je lagers geolied zijn enzovoort…”

Jason keek verbaasd op toen Edipon een klein rondedansje door de kamer maakte met zijn mantel boven zijn benige knieën geheven. Hij sprong opgewonden heen en weer, stak zijn mes in het tafelblad, rende naar Jason, greep hem bij zijn schouders en schudde hem heen en weer zodat zijn ketting rammelde.

“Weet je wat je hebt gedaan?” vroeg hij opgewonden. “Weet je wat je hebt gezegd?”

“Dat weet ik best. Betekent dit dat ik ben geslaagd en dat je nu naar me zult luisteren? Had ik gelijk?”

“Ik weet niet of je gelijk hebt of niet; ik heb nog nooit in een van de duivelskisten uit Appsala gekeken.” Hij danste weer door de kamer. “Jij weet meer over hun — hoe noem je het — motor, dan ik. Ik heb mijn hele leven alleen maar voor ze gezorgd en de mensen van Appsala vervloekt die het voor ons geheim houden. Maar jij zal het ons openbaren! We zullen onze eigen motoren bouwen en als ze krachtwater willen hebben, zullen ze het duur moeten betalen.”

“Zou je misschien iets duidelijker willen zijn,” vroeg Jason.”Ik heb mijn hele leven nog nooit zoiets verwards gehoord.”

“Ik zal het je laten zien, man van een verre wereld, en dan zal jij ons de geheimen van Appsala openbaren. Ik zie het begin van een nieuwe dageraad voor Putl’ko.”

Hij deed de deur open en riep de bewakers en zijn zoon Narsisi. Die laatste stapte net binnen toen ze Jason losmaakten. Jason herkende hem als dezelfde lodderige slaperig uitziende d’zertano die Edipon had geholpen hun onbeholpen voertuig op gang te krijgen.

“Pak deze ketting mijn zoon en hou je knuppel klaar om deze slaaf te doden als hij probeert te ontsnappen. Doe hem verder geen kwaad, want hij is zeer kostbaar. Kom.”

Narsisi trok aan de ketting, maar Jason plantte zijn voeten stevig op de grond en bewoog zich niet. Ze keken hem verbaasd aan.

“Nog even een paar kleinigheden voor we weggaan. De man die de nieuwe dag over Putl’ko moet brengen is geen slaaf. Laten we dat even rechtzetten voor deze operatie verdergaat. We zullen iets versieren met wachters of kettingen zodat ik niet kan ontsnappen, maar slavernij is er niet bij.”

“Maar — je bent niet een van ons, dus moet je een slaaf zijn.”

“Ik heb zojuist een derde soort aan jullie maatschappelijke stelsel toegevoegd: werknemer. Hoewel tegen mijn wil, ben ik toch een werknemer, geschoold, en ik ben van plan me als zodanig te laten behandelen. Reken zelf maar uit. Wat verlies je als je een slaaf doodt? Erg weinig als je een andere slaaf in het hok hebt die in zijn plaats kan duwen. Maar wat krijg je als je mij doodt? Hersencellen aan je knuppel — en daar heb je hier niets aan.”

“Bedoelt hij dat ik hem niet kan doden?” vroeg Narsisi die tegelijk verbaasd en slaperig keek naar zijn vader.

“Nee, dat bedoelt hij niet,” zei Edipon. “Hij bedoelt dat er, als we hem doden, niemand anders is die het werk kan doen dat hij voor ons gaat doen. Maar het staat me niet aan. Er zijn alleen maar slaven en slavenhouders; iets anders is tegen de natuurlijke orde. Maar hij heeft ons klemgezet tussen satano en de zandstorm en we moeten hem dus een zekere vrijheid geven. Neem de slaaf — ik bedoel de werknemer — nou mee en dan zullen we eens zien of hij de dingen kan doen die hij heeft beloofd. Als hij dat niet kan, zal ik het plezier hebben om hem te doden, want zijn revolutionaire ideeën staan me helemaal niet aan.”

Achter elkaar liepen ze naar een zwaar bewaakt en goed afgesloten gebouw met enorme deuren. Toen die open gingen zag Jason de omvangrijke omtrekken van zeven karoj. “Kijk er nou eens naar!” riep Edipon en hij trok aan zijn neus. “Uiterst scherpzinnige en zeer fraaie constructies, die het hart van onze vijanden met vrees vervullen, ons snel over het zand voeren, enorme lasten op hun rug dragen, en slechts drie van de vervloekte dingen kunnen rijden.”

“Motorpech?” vroeg Jason langs zijn neus weg.

Edipon vloekte en tierde binnensmonds en hij ging hem voor naar een binnenplaats waar vier enorme zwarte kisten stonden die waren beschilderd met doodskoppen, versplinterde botten, fonteinen van bloed en mystieke symbolen die er allemaal erg akelig uitzagen. “Die zwijnen in Appsala nemen ons krachtwater en geven er niets voor terug. O ja, ze laten ons hun motoren gebruiken, maar als die een paar maanden hebben gelopen stoppen de verdomde krengen en dan zijn ze niet meer op gang te krijgen. Dan moeten we ze naar de stad terugbrengen om ze voor nieuwe te ruilen en iedere keer moeten we maar weer betalen.”

“Een aardig handeltje,” zei Jason en hij keek naar de dichte beplating van de motoren. “Waarom breek je ze niet open en repareren jullie ze niet zelf? Ze kunnen niet zo erg ingewikkeld zijn.”

“Dat is de dood!” hijgde Edipon en alletwee de d’zertanoj deinsden bij de kisten vandaan bij die gedachte. “Dat hebben we geprobeerd, in de dagen van mijn overgrootvader, want we zijn niet zo bijgelovig als de slaven en we weten dat deze dingen door mensen zijn gemaakt en niet door goden. Maar de listige serpenten uit Appsala verbergen hungeheimen uiterst slim. Als je probeert het omhulsel kapot te maken, ontsnapt er een afschuwlijke dood die de lucht vult. Mannen die die lucht inademen sterven en zelfs degenen die er alleen maar even door worden geraakt krijgen onmiddellijk blaren en sterven een pijnlijke dood. De mannen van Appsala lachten toen dat met onze mensen gebeurde en daarna hebben ze de prijs nog meer verhoogd.”

Jason liep om een van de kisten heen en bekeek hem met belangstelling terwijl Narsisi aan het eind van de ketting achter hem aan liep. Het ding was hoger dan hijzelf en bijna tweemaal zolang. Door twee tegenover elkaar liggende openingen stak een zware stang, waarschijnlijk om de kracht over te brengen naar de wielen. Door een opening in de zijkant zag hij handels en twee kleine gekleurde schijven en daarboven zaten drie trechtervormige openingen die als monden waren beschilderd. Door op zijn tenen te gaan staan kon Jason er bovenop kijken, maar daar was alleen maar een roetig gat met een flens die daar moest zitten om de schoorsteen aan te bevestigen. Achterin zat nog een klein gaatje en verder zaten er geen andere instrumenten op de bonte kist.

“Ik begin het te begrijpen, maar je zal me moeten vertellen hoe je de instrumenten bedient.”

“Over mijn lijk!” schreeuwde Narsisi. “Alleen mijn familie —”

“Hou je kop!” schreeuwde Jason terug. “Weet je het nog? Je mag de helper niet meer intimideren. Er zijn hier geen geheimen. En dat is niet het enige; ik weet waarschijnlijk meer van dit ding af dan jij, alleen maar door er naar te kijken. In die drie openingen gaan olie, water en brandstof; je steekt ergens een brandende stok in, waarschijnlijk in dat roetige gat onder de hendels en je draait een van die kranen open om de brandstof toe te laten; de andere is om de motor sneller en langzamer te laten lopen en de derde is voor de watertoevoer. De schijven zijn een soort meters.”Narsisi verbleekte en deed een stap achteruit. “Hou dus je gemak terwijl ik met je vader praat.”

“Het is zoals je zegt,” zei Edipon. “De monden moeten altijdvol zijn en wee als ze leeg raken; want dan komen de machten tot stilstand of nog erger. Hier gaat, zoals je al dacht, het vuur in en als de groene wijzer naar voren komt mag deze hendel worden overgehaald om te gaan rijden. Die ernaast is voor hoge snelheden of om langzaam te gaan. De allerlaatste staat in het teken van de rode wijzer en als die wijst betekent het dat hij honger heeft en dan moet de hendel worden teruggeduwd en dichtblijven tot de wijzer teruggaat. Uit de opening aan de achterkant komt witte adem. Dat is alles.”

“Zo ongeveer wat ik verwachtte,” mompelde Jason terwijl hij de wand van de doos bekeek en er met zijn knokkels op trommelde tot hij dreunde. “Ze geven je het kleinst mogelijke aantal instrumenten om het ding te laten draaien, om te voorkomen dat jullie iets over de grondbeginselen te weten komen. Zonder de theorie zouden jullie nooit weten wat de hendels regelen of dat de groene wijzer naar voren komt als je druk genoeg hebt en de rode als het waterniveau in de ketel te laag is. Erg handig. En het hele ding is opgesloten in een blik, en van een booby-trap voorzien voor het geval jullie het in je hoofd mochten krijgen zelf in de handel te gaan. Het omhulsel klinkt alsof het dubbelwandig is en uit je beschrijving zou ik zeggen dat daarin een blaartrekkend oorlogsgas, zoals mosterdgas, in vloeibare vorm zit opgesloten. Iedereen die het kapot wil maken zal na een dosis daarvan heel gauw zijn ambities vergeten. Toch moet er een manier zijn om in de kist te komen en de motor te onderhouden; ze zullen ze wel niet meteen weggooien als ze net een maand zijn gebruikt. En het technische peil van dit monster in overweging nemend, zou ik de trucjes moeten kunnen vinden en alle andere ingebouwde vallen kunnen omzeilen. Ik denk dat ik het baantje aanneem.”

“Uitstekend, begin.”

“Wacht even baas. Je moet nog heel wat leren over betaalde arbeid. Er zijn altijd bepaalde arbeidsvoorwaarden en overeenkomsten die ik graag allemaal voor je wil opnoemen.”

VIII

“Ik begrijp niet waarom je de andere slaaf moet hebben,” jankte Narsisi. “De vrouw is natuurlijk doodgewoon, net zoals een eigen kamer. Mijn vader heeft daarin toegestemd. Maar hij zei ook dat mijn broers en ik je moeten helpen en dat de geheimen van de motor aan niemand anders mogen worden verteld.”

“Hol dan meteen naar hem toe en vraag toestemming voor de slaaf Mikah om me te mogen helpen met het werk. Je kan vertellen dat hij uit hetzelfde land komt als ik en dat jullie geheimen voor hem slechts kinderspeelgoed zijn. En als je vader nog meer redenen wil weten, zeg hem dan dat ik geschoolde hulp nodig heb, iemand die weet hoe hij gereedschap moet vasthouden en van wie ik kan verwachten dat hij alles precies zo doet als ik het zeg. Je broers en jij hebben veel te veel eigen ideeën over hoe de dingen moeten worden gedaan en jullie hebben de neiging de kleinigheden aan de goden over te laten en een grote klap met een hamer te geven als de dingen niet gaan zoals het zou moeten.”

Narsisi trok zich razend en mopperend terug, terwijl Jason bij de oliekachel de volgende stap stond te bedenken. Het had een groot deel van de dag gekost om balken neer te leggen als rollers en de verzegelde machine naar buiten te duwen de zandige vallei in, ver van de nederzetting bij de bron; voor een experiment waarbij een vergissing een wolk gifgas kon doen ontsnappen was ruimte nodig. Zelfs Edipon had daar eindelijk de zin van ingezien, hoewel hij geneigd was de proefnemingen zeer geheim te laten uitvoeren achter gesloten deuren. Hij had pas zijn toestemming gegeven toen er wanden van huiden waren geplaatst die een ruimte insloten die kon worden bewaakt; het was slechts toeval dat ze tegelijk een zeer welkom windscherm vormden.

Na heel wat geharrewar waren de rammelende kettingen en boeien van Jasons armen verwijderd en vervangen doorlichtgewicht beenkluisters. Hij kon alleen schuifelend lopen, maar zijn armen waren helemaal vrij; dit was een grote verbetering na de kettingen, ook al stond een van de broers op wacht met een gespannen kruisboog als Jason niet vastzat. Nu moest hij wat gereedschap zien te krijgen en enig idee over de technische kennis van deze mensen voor hij verder kon; wat inhield dat er nog een gevecht moest worden gevoerd over hun dierbare geheimen.

“Vooruit,” riep hij tegen zijn bewaker, “laten we Edipon opzoeken en hem nog een beetje meer buikpijn bezorgen.” Na zijn aanvankelijke geestdrift beleefde de leider van de d’zertanoj weinig vreugde aan zijn nieuwe project.

“Je hebt een eigen kamer,” mopperde hij tegen Jason, “en de slavin om voor je te koken en ik heb net toestemming gegeven dat de andere slaaf je mag helpen. Nu vraag je nog meer — wil je me soms straatarm hebben?”

“Laten we niet teveel overdrijven. Ik wil alleen maar wat gereedschap om met mijn werk door te kunnen gaan en een kijkje in jullie werkplaats of waar jullie het mechanische werk doen. Ik moet enig begrip hebben van de manier waarop jullie mechanische problemen oplossen voor ik aan die toverdoos daar in de woestijn kan beginnen.”

“Verboden toegang.”

“De voorschriften worden vandaag als strootjes doormidden gebroken, dus kunnen we net zo goed even doorgaan en er nog een paar om zeep helpen. Wil je me voorgaan?”

De wachters openden onwillig de deur van het raffineergebouw voor Jason en overal zag hij bezorgde gezichten en hoorde hij gerammel van sleutels. Een groepje oudere d’zertanoj die naar oliedamp stonken kwamen naar buiten en begonnen luidkeels te redetwisten met Edipon, die uiteindelijk zijn wil doordreef. Jason werd weer geketend en even zwaar bewaakt als een misdadiger het duistere gebouw ingeleid; maar de inventaris daarvan viel zo tegen dat hij er moedeloos van werd.

“Echt handwerk,” spotte Jason en hij gaf een schop tegen een kist vol handgesmeed gereedschap. Het was zeer grof werk, het produkt van een soort gemechaniseerd stenen tijdperk. De raffineerretort was moeizaam uit koperen platen geklopt en onhandig aan elkaar geklonken. Hij lekte verschrikkelijk, net als de gesoldeerde naden van de met de hand gevormde pijp. Het gereedschap bestond voor het grootste deel uit smidshamers en tangen om dingen te verhitten en er op het aambeeld iets van te maken. De enige dingen die Jason weer wat opvrolijkten waren de massieve boormachine en de draaibank die door de met slavenkracht bewogen riemen werd aangedreven. In de beitelhouder van de draaibank zat een stuk hard mineraal dat uitstekend door het gehamerde ijzer en het zachte staal heensneed. En de schroefdraadvoorloop van de beitel, die ze gebruikten om de grote bouten en moeren te maken waarmee de wielen van de karoj aan hun assen vastzaten, vrolijkte hem nog meer op.

Het had erger kunnen zijn. Jason zocht de kleinste en meest handzame stukken gereedschap uit en legde ze apart om ze de volgende dag te gebruiken. Het was nu bijna donker en vandaag werd er niet meer gewerkt. De zwaar bewapende optocht verliet het gebouw weer net zoals ze waren gekomen, en twee bewakers brachten hem naar de hokkige kamer die zijn slaapvertrek zou zijn. Achter hem viel de zware grendel met een klap dicht en hij kromp ineen onder de dikke oliewalm waar het licht van de eenpitslamp nauwelijks doorheen priemde.

Ijale zat bij de kleine oliekachel gehurkt en kookte iets in een stenen pot. Ze keek op, glimlachte aarzelend naar Jason en draaide zich toen weer vlug naar de kachel. Jason liep naar haar toe, snoof en huiverde.

“Wat een feestmaal. Krenosoep en naar ik aanneem daarna verse krenoj en krenosla. Morgen zal ik eens zien wat variatie in het dieet te brengen.”

“Ch’aka is groot,” fluisterde ze zonder op te kijken. “Ch’aka is machtig…”

“Ik heet Jason; ik raakte het Ch’aka baantje kwijt toen zij mijn uniform uittrokken.”

“…Jason is machtig dat hij de d’zertanoj kan betoveren en ze kan laten doen wat hij wil. Zijn slaaf dankt hem.”

Hij hief haar kin omhoog en de domme gehoorzaamheid in haar ogen deed hem ineen krimpen. “Kunnen we die slavernij niet vergeten? We zitten samen in hetzelfde schuitje en we zullen er samen proberen uit te komen.”

“We zullen ontsnappen, ik weet het. Jij zal alle d’zertanoj doden en je slaven bevrijden en ons weer naar huis brengen waar we kunnen marcheren en krenoj zoeken, ver weg van dit verschrikkelijke oord.”

“Sommige meisjes zijn erg gauw tevreden. Dat is ongeveer wat ik van plan was, behalve dan dat we als we eenmaal vrij zijn de andere kant opgaan, zover mogelijk bij jouw krenovolk vandaan.”

Ijale luisterde aandachtig, roerde met een hand in de soep en krabde met haar andere hand onder haar leren omhulsels. Jason merkte dat hij ook stond te krabben en aan de zere plekken op zijn huid voelde hij dat hij al heel wat had afgekrabd sinds hij op deze ongastvrije planeet uit de oceaan was gesleept.

“Genoeg is genoeg!” barstte hij uit en hij begon op de deur te timmeren. “Deze plek is ver van de beschaafde wereld die ik ken, maar dat is geen reden om je het niet zo gemakkelijk mogelijk te maken.” Aan de buitenkant van de deur ratelden kettingen en grendels en Narsisi stak zijn sombere hoofd naar binnen.

“Waarom roep je? Wat is er verkeerd?”

“Ik heb water nodig. Een heleboel.”

“Maar je hebt water,” zei Narsisi verbaasd en hij wees naar een stenen kruik in de hoek. “Er is daar water genoeg voor dagen.”

“Volgens jouw opvattingen Nars, ouwe jongen, niet volgens die van mij. Ik wil minstens tien keer zoveel en nu meteen. En zeep, als jullie dat tenminste hebben op deze barbaarse wereld.”

Het kostte heel wat moeite maar Jason kreeg eindelijk zijn zin door te verklaren dat hij het water nodig had voor godsdienstige riten, om zich ervan te verzekeren dat hij morgen niet zou falen bij het werk. Het kwam in een zeer gevarieerde verzameling vaten samen met een ondiepekom krachtige zachte zeep.

“Aan de slag,” grinnikte Jason. “Trek je kleren uit — ik heb een verrassing voor je.”

“Ja, Jason,” zei Ijale gelukzalig en ze ging op haar rug liggen.

“Nee! Je gaat in bad. Weet je niet wat een bad is?”

“Nee,” zei ze en ze huiverde. “Het klinkt akelig.”

“Hierheen en trek die kleren uit,” beval hij terwijl hij in een gat in de vloer porkte. “Dit zal de afvoer wel zijn, het water liep tenminste weg toen ik er wat ingoot.” Het water werd op de kachel gewarmd, maar Ijale zat nog steeds tegen de muur gedrukt en bibberde toen hij het over haar heengoot. Ze schreeuwde toen hij de glibberige zeep in haar haar wreef, maar hij ging gewoon door met zijn hand over haar mond zodat ze niet de bewakers zou alarmeren. Hij wreef de zeep ook in zijn eigen haar en zijn hoofdhuid prikte weldadig onder de verfrissende behandeling. Er raakte ook wat zeep in zijn oren waardoor hij minder scherp hoorde en zodoende merkte hij pas dat de deur open was toen Mikah een schorre kreet liet horen. Hij stond in de deuropening te wijzen en te schudden van woede, en Narsisi stond achter hem en tuurde geboeid over Mikahs schouder naar deze vreemde godsdienstige rite. “Vernedering!” donderde Mikah. “Jij dwingt dit arme wezen zich aan je wil te onderwerpen, je vernedert haar, je kleedt haar uit en je kijkt naar haar hoewel je geen wettige huwelijksband met haar hebt.” Hij schermde zijn ogen af met een opgeheven arm. “Jij bent slecht Jason, een kwade duivel en je moet worden terechtgesteld.”

“Deruit!” brulde Jason en hij draaide Mikah rond en schoot hem de deur uit met een van zijn geoefende Ch’aka schoppen. “Het enige kwaad hier, is in jouw geest, kinderachtige gluurder. Ik geef dit meisje de eerste wasbeurt in haar leven en je zou me een medaille moeten geven omdat ik de inboorlingen hygiëne bijbreng, inplaats van zo te keer te gaan.”

Hij duwde hen allebei de deur uit en riep naar Narsisi: ’Ik wil die slaaf hebben, maar niet nu! Sluit hem op tot morgenochtend en breng hem dan terug.” Hij smeet de deur dicht en nam zich voor ook een grendel te pakken te krijgen voor de binnenkant van de deur.

Ijale stond te bibberen en Jason spoelde het zeepschuim van haar af met warm water en hij gaf haar een schoon stuk vacht om zich mee af te drogen. Nu het vuil was verwijderd, zag haar lichaam er jong en sterk uit. Ze had stevige borsten en brede heupen — Toen herinnerde hij zich de beschuldigingen van Mikah en mopperend draaide hij zich om, kleedde zich uit en schrobde zichzelf grondig schoon. Toen gebruikte hij de rest van het water om zijn kleren uit te spoelen. Het ongewone schone gevoel vrolijkte hem weer op en hij neuriede zachtjes toen hij de lamp uitblies en zich verder in het donker afdroogde. Hij ging liggen, trok de slaapvachten over zich heen en begon net een plan te maken hoe hij de volgende morgen de motor zou aanpakken toen Ijale haar warme lichaam tegen het zijne aandrukte en onmiddellijk elke gedachte aan technische dingen verdreef.

“Hier ben ik,” zei ze tamelijk overbodig.

“Ja,” zei hij en hij kuchte, want hij kon even geen woord uitbrengen. “Dat is nou niet precies wat ik met het bad voorhad —”

“Je bent niet te oud. Wat is er dan verkeerd?” Haar stem klonk geschokt.

“Het is alleen maar dat ik er geen misbruik van wil maken, je moet begrijpen…” Hij was een beetje in de war.

“Wat bedoel je? Ben jij er zo-een die niet van meisjes houdt!” Ze begon te huilen en hij voelde haar lichaam schokken.

“ ’s Lands wijs —’ zuchtte hij en hij klopte haar op haar rug…

Het ontbijt bestond ook weer uit krenoj, maar Jason voelde zich lichamelijk zo goed dat het hem niets kon schelen. Hij was schoon en roze en de jeuk was weg, zelfs uit zijn korte baard. Het metaaldoek van zijn pyrraanse overall was bijna al droog toen hij was gewassen, dus droeg hij ookschone kleren. Ijale moest zich nog herstellen van de traumatische gevolgen van haar bad, maar ze zag er echt aantrekkelijk uit nu haar huid schoon was en haar haar gewassen en een beetje gekamd. Hij zou een stuk van de plaatselijke weefstof voor haar op de kop moeten tikken, want het zou zonde zijn het goede resultaat te verpesten door haar weer in haar slecht gelooide huiden te laten kruipen die ze gewoonlijk droeg.

Toen hij brulde dat de deur open moest en hij door de koele morgen naar zijn werkplaats stampte voelde hij zich geweldig. Mikah was er al. Hij zag er vies en boos uit en hij rammelde met zijn ketens. Jason lachte hem vriendelijk toe, wat alleen maar zout in de morele wonden van de ander wreef.

“Voor hem ook beenkluisters,” beval Jason. “En doe het vlug. We hebben vandaag heel wat te doen.” Hij draaide zich naar de verzegelde motor en wreef zich vol verwachting in zijn handen.

Het omhulsel was van dun metaal dat niet erg veel geheimen kon verbergen. Hij schraapte voorzichtig wat van de verf weg en ontdekte een gekrompen soldeernaald op de zijkant, maar geen andere tekenen die hem iets vertelden. Nadat hij enige tijd de hele mantel had beklopt met zijn oor tegen het metaal, was hij er zeker van dat de kap precies was wat hij had gedacht toen hij het ding voor het eerste bekeek: een dubbelwandige metalen doos, gevuld met vloeistof. Als je erin prikte was je dood. Hij was er alleen maar om de geheimen van de motor te verbergen en diende nergens anders voor. Toch moest hij eraf om de stoommachine te onderhouden — of moest dat wel? De constructie was ongeveer vierkant en de kap bedekte maar vijf zijden. Hoe zat het met de zesde, de bodem?

“Nou laat je de hersentjes werken Jason,” zei hij tegen zichzelf en hij knielde neer om dat te onderzoeken. Rondom stak een brede flens uit, kennelijk van gietijzer, met vier grote boutgaten erin. Het leek wel of de beschermkap aan de bodemplaat was vastgesoldeerd, maar er moest een beter verborgen bevestiging zijn, want hij wilde niet verroeren, zelfs niet nadat hij voorzichtig wat van het soldeer aan de basis had weggekrabd. Daarom moest het antwoord aan de zesde zijde liggen.

“Hierheen Mikah,” riep hij en de man liep onwillig bij de warme kachel vandaan en schuifelde naar voren. “Kom dichterbij en kijk naar deze middeleeuwse krachtbron terwijl we praten alsof we hierover discussiëren. Ben je van plan met me mee te werken?”

“Dat wil ik niet Jason. Ik ben bang dat je me met je aanraking zal bezoedelen zoals je al anderen hebt gedaan.”

“Nou, jij bent anders ook niet zo schoon —”

“Ik bedoel het niet lichamelijk.”

“Nou, ik wel. Je zou best een bad en wat zeep kunnen gebruiken. Ik maak me niet druk over de toestand van je ziel; dat kan je in je eigen tijd uitvechten. Maar als je met me meewerkt zal ik een manier zoeken om ons hiervandaan te krijgen naar de stad waar deze motor is gemaakt. Want als er een uitweg van deze planeet is zullen we die alleen in de stad vinden.”

“Dat weet ik, maar toch aarzel ik nog.”

“Je moet nu kleine offers brengen om later het grotere goed te verwerven. Is het hele doel van deze tocht niet mij voor het gerecht te slepen? Dat zal je niet bereiken als je hier de rest van je leven als slaaf blijft rotten.”

“Jij bent de advocaat van de duivel zoals je mijn geweten weet te verdraaien — maar wat je zegt is waar. Ik zal je hier helpen zodat we kunnen ontsnappen.”

“Goedzo. Nu aan het werk. Neem Narsisi mee en laat hem drie flinke palen opzoeken, van het soort waar we aan vastgeketend zaten in de pompploeg. Breng ze hierheen en ook een stel schoppen.”

De palen mochten maar tot aan de ingang van de werkruimte door slaven worden gedragen, want Edipon wilde niet dat ze binnenkwamen, en Jason en Mikah moesten ze dus moeizaam naar hun plaats slepen. De d’zertanoj die nooit lichamelijke arbeid verrichtten, vonden het erg grappig toen Jason voorstelde dat ze zouden helpen. Toen de palen eenmaal op hun plaats bij de motor lagen, groef Jasongeulen en wrong hij de palen eronder. Toen dit klaar was groeven Mikah en hij om beurten het zand eronder vandaan tot de motor boven een kuil stond en alleen nog op de palen steunde. Jason liet zich in de kuil zakken en bekeek de bodem van de machine. Die was volkomen glad. Opnieuw schraapte hij voorzichtig en nauwkeurig de verf weg tot de hele bodem tot aan de randen schoon was. Hier maakte het metaal plaats voor soldeer en hij bikte dat weg tot hij ontdekte dat er een gladde metalen plaat aan de randen en aan de bodem was vastgesoldeerd. “Erg handig, die Appsalanoj,” zei hij bij zichzelf en hij viel het soldeer aan met een mes. Toen hij een eind los had trok hij langzaam de plaat weg terwijl hij zich ervan verzekerde dat er niets aan vast zat en dat er geen valstrik aan was bevestigd. Hij kwam makkelijk genoeg los en viel kletterend in de kuil. Het oppervlak dat blootkwam was glad, hard metaal.

“Genoeg voor vandaag,” zei Jason terwijl hij uit de kuil klom en zijn handen afsloeg. Het was nu bijna donker. “We hebben voor het ogenblik genoeg bereikt en ik wil eerst wat nadenken voor ik verderga. Tot dusver hebben we geluk gehad, maar ik denk niet dat het zo makkelijk zal blijven. Ik hoop dat je je koffer hebt meegenomen Mikah, omdat je bij mij intrekt.”

“Nooit! Een poel van zonden, verdorvenheid…”

Jason keek hem kil aan en bij ieder woord dat hij sprak prikte hij hem met zijn vinger in de borst om het beter te laten doordringen: ’Jij trekt bij mij in omdat dat noodzakelijk is voor onze plannen. En als jij niet meer over mijn morele zwakheden praat, zal ik niet meer over de jouwe praten. Kom mee.”

Het leven met Mikah Samon was zeer vermoeiend, maar het was nog net draaglijk. Mikah liet Ijale en Jason met hun gezicht tegen de verste muur staan en ze moesten beloven dat ze niet zouden kijken terwijl hij achter een scherm van huiden een bad nam. Dat deden ze, maar Jason nam een beetje wraak door Ijale moppen te vertellen zodat ze samen stonden te giechelen en Mikah vast en zeker zoudenken dat ze om hem lachten. Na het bad bleef het scherm staan en het werd zelfs nog versterkt en Mikah trok zich erachter terug om te gaan slapen.

De volgende morgen begon Jason aan de onderkant van de bodemplaat terwijl de bewakers angstig toekeken. Hij had er bijna de hele nacht over nagedacht en hij probeerde meteen zijn theorieën uit. Als hij hard op het mes drukte kon hij een vrij diepe groef in het metaal maken. Het was niet zo zacht als het soldeer, maar het leek op een eenvoudige legering met een flink percentage lood. Wat zou daaronder zitten? Voorzichtig kraste hij met de punt van het mes een regelmatig patroon in de bodem. Het metaal was overal even dik behalve op twee plaatsen waar hij onregelmatigheden vond; middenin de rechthoekige bodem en op gelijke afstanden van alle vier zijden. Bikkend en schrapend onthulde hij twee vertrouwd uitziende vormen, elk zo groot als zijn hoofd.

“Mikah, kom eens in de kuil en kijk eens naar deze dingen. Wat zijn dat volgens jou?”

Mikah krabde in zijn baard en bevoelde ze met zijn vinger. “Er zit nog van dat metaal over. Ik ben er niet zeker van…”

“Ik vraag niet of je ergens zeker van bent — zeg gewoon maar waar ze je aan doen denken.”

“Nou — grote moeren natuurlijk. Die op het eind van bouten zijn gedraaid. Maar ze zijn zo groot…”

“Dat moet ook als de hele metalen doos erop vastzit. Ik denk dat we nu erg dichtbij het geheim van de motor zijn — en we moeten nu zeer voorzichtig te werk gaan. Ik kan nog steeds niet geloven dat het geheim zo eenvoudig is op te lossen. Ik ga een houten mal maken van de moer, daarna kunnen we een sleutel laten maken. Terwijl ik wegben blijf jij hier; hak al het metaal van de moer en uit de schroefdraad. We kunnen hier een tijdje over nadenken, maar vroeg of laat zal ik toch een van die moeren moeten losdraaien. En ik kan dat mosterdgas erg moeilijk vergeten.” Het maken van de sleutel was een klein probleempje voor de plaatselijke techniek en alle oude mannen die de eervolletitel Meester in de destilleerkunst droegen beraadslaagden erover. Een van hen was een goede smid en na een ritueel offer en een aantal gebeden schoof hij een staaf ijzer in het vuur en Jason pompte de blaasbalg op en neer tot de staaf witgloeiend was. Met veel vloeken en hamerslagen werd hij moeizaam omgevormd tot een forse steeksleutel met een gebogen kop om bij de verzonken moeren te kunnen komen. Jason verzekerde zich ervan dat de opening iets te klein was, toen nam hij de sleutel mee naar het werk en vijlde hij de bek pas. Nadat hij weer was verhit en in olie was gehard, had Jason een stuk gereedschap waarmee hij het karwei hoopte te klaren.

Edipon had de vorderingen van het werk zeker bijgehouden, want toen Jason met de sleutel terugkwam stond hij bij de motor te wachten.

“Ik ben eronder geweest,” kondigde hij aan, “en ik heb de moeren gezien die de duivelse Appsalanoj in het massieve metaal hebben verborgen. Wie had dat gedacht! Het lijkt mij nog steeds onmogelijk dat het ene metaal in het andere wordt verborgen. Hoe kan dat?”

“Makkelijk genoeg. De bodem van de afgemonteerde motor werd in een gietvorm gezet en daar werd het gesmolten dekmetaal ingegoten — Het heeft waarschijnlijk een veel lager smeltpunt dan het staal van de motor zodat het niets zou beschadigen. In de stad weten ze gewoon meer van metallurgie af en ze rekenden op jullie onwetendheid.”

“Onwetendheid? Je beledigt —”

“Ik neem het terug. Ik bedoelde alleen maar dat ze dachten dat deze list zou lukken, en aangezien dat niet het geval is, zijn zij de stommerds. Is dat naar je zin?”

“Wat ga je nu doen?”

“Ik draai de moeren los en als dat is gebeurd bestaat er een goede kans dat de gifkap los zit en er gewoon kan worden afgetild.”

“Dat is te gevaarlijk voor jou. De schoften kunnen nog wel andere valstrikken klaar hebben als de moeren los zijn. Ik zal een sterke slaaf sturen om ze los te draaien terwijl wij van een afstand toekijken. Als die doodgaat is het niet erg.”

“Ik ben geroerd door je bezorgdheid voor mijn gezondheid, maar hoe graag ik je aanbod ook zou aanvaarden, ik kan het niet. Ik heb dit ook overwogen en ik ben tot de conclusie gekomen dat dit een karweitje is dat ik zelf moet opknappen. Dat losdraaien van die moeren ziet er veel te makkelijk uit en dat maakt me achterdochtig. Ik ga het zelf doen en ik zal tegelijk naar valstrikken kijken — en dat is iets wat alleen ik kan doen. Nu stel ik voor dat jij je met de troepen terugtrekt naar een veiliger oord.” Niemand aarzelde; er ritselden vlugge voetstappen in het zand en toen was Jason alleen. De leren schermen klapperden zachtjes heen en weer in de wind en verder was het doodstil. Jason spuugde in zijn handen, onderdrukte een lichte huivering en liet zich in de kuil zakken. De sleutel paste keurig over de moer. Hij greep hem met twee handen vast, zette zich schrap tegen de wand van de kuil en begon te trekken.

En hield meteen weer op. Drie slagen draad van de bout staken onder de moer uit, keurig schoongeschraapt door de ijverige Mikah. Op een of andere manier zagen ze er helemaal verkeerd uit, hoewel hij niet precies wist waarom. Maar een vermoeden was al genoeg.

“Mikah,” riep hij, maar hij moest nog twee maal hard schreeuwen voor zijn helper voorzichtig zijn hoofd om de hoek van het scherm stak. “Wip vlug naar de petroleum-fabriek en haal een van hun bouten met een moer erop gedraaid — geeft niet hoe groot.”

Jason warmde zijn handen bij de kachel tot Mikah met de vettige bout terugkwam, toen stuurde hij hem weer naar de anderen. Terug in de kuil hield hij hem omhoog naast het uitstekende stukje van de Appsala-bout en hij schreeuwde bijna van vreugde. De draad van de motorbout had een iets andere hoek; waar de een omhoogliep liep de ander omlaag. De bout uit Appsala was andersom getapt, met een linkse draad.

In het heelal waren er evenveel verschillen in cultuur en techniek als planeten, maar een van de weinige dingen die ze allemaal gemeen hadden, een erfenis van hun aardsevoorvaderen, was een gelijkvormige schroefdraad. Jason had er nooit eerder over nagedacht, maar toen hij in gedachten zijn ervaringen op verschillende planeten naging, besefte hij dat ze allemaal hetzelfde waren. Schroeven gingen in hout, bouten in tapgaten en moeren op bouten als je ze met de klok meedraaide. Tegen de klok in gingen ze los. In zijn hand hield hij de grove d’zertano bout en moer en toen hij die probeerde, draaiden die op dezelfde manier. Maar de moer van de motor deed dat niet; die moest met de klok mee worden losgedraaid.

Hij liet de bout en de moer vallen, plaatste de sleutel over de massieve moer en zette langzaam kracht, naar het leek helemaal de verkeerde kant op — alsof hij hem niet losdraaide maar vast. Hij gaf langzaam mee, eerst een kwartslag, toen een halve. Stukje voor stukje verdween de draad die eruit stak tot de onderkant van de bout gelijk was met de moer. Die draaide nu gemakkelijk rond en binnen een minuut viel hij in de kuil. Hij gooide de sleutel erachteraan en krabbelde uit de kuil. Toen hij op de rand stond snoof hij voorzichtig de lucht op, gereed op bij het geringste spoortje gas weg te hollen. Hij rook niets.

De tweede moer kwam net zo makkelijk los als de eerste en zonder kwade gevolgen. Jason duwde een scherpe beitel tussen de kap en de bodemplaat waar hij het soldeer had losgebikt en toen hij erop leunde verschoof de kap een beetje; hij bleef alleen maar door zijn eigen gewicht op zijn plaats.

Vanuit de ingang van de omheining schreeuwde hij naar de groep die in de verte op een kluitje zat. “Kom terug — dit karweitje is bijna geklaard.”

Om beurten lieten ze zich in de kuil zakken om naar de uitstekende bouten te kijken en als Jason op de beitel leunde om te laten zien dat de kap los was, maakten ze goedkeurende geluiden.

“Nu moeten we hem er nog afhalen,” vertelde hij ze, “en ik ben ervan overtuigd dat gewoon vastpakken en trekken niet de manier is. Daar dacht ik eerst ook aan, maar de mensen die dit ding monteerden hadden iets akeligs bedacht voor degene die die moeren vaster draaide in plaats van losser. En tot we weten wat dat is, doen we het voorzichtig aan. Hebben jullie hier grote blokken ijs in de buurt Edipon? Het is nu toch winter, niet?”

“IJs? Winter?” mummelde Edipon die even in de war was door de verandering van onderwerp. Hij wreef langs de punt van zijn lange neus. “Natuurlijk is het winter. IJs — er moet ijs in de bergmeren liggen; die zijn altijd dichtgevroren in deze tijd van het jaar. Maar waar heb je ijs voor nodig?”

“Haal het maar, dan zal ik het laten zien. Laat het in keurige platte blokken zagen die ik kan opstapelen. Ik ga de kap er niet aftillen — ik laat de motor er onderuit zakken!” Tegen de tijd dat de slaven het ijs uit de meren in de verte hadden gehaald, had Jason plat op de grond een stevig houten latwerk om de motor heengebouwd en had hij scherpe metalen wiggen onder de kap geduwd; toen had hij de wiggen aan het latwerk bevestigd. Als de motor nu in de kuil zakte, zou de kap op de wiggen blijven hangen. Daar zou het ijs voor zorgen. Jason bouwde een fundering van ijs onder de motor en toen trok hij de steunpalen weg. Naarmate het ijs langzaam wegsmolt zou de motor zachtjes in de kuil zakken.

Het weer bleef koud en het ijs wilde niet smelten tot Jason de kuil liet omringen met rokende oliekachels. Er kwam water in de kuil te staan en Mikah begon te hozen terwijl de ruimte tussen de kap en de bodemplaat groter werd. Het smelten duurde nog de hele dag en het grootste gedeelte van de nacht. Doodop en met rode ogen hielden Jason en Mikah het drassige gebeuren in de gaten en toen de d’zertanoj ’s morgens terugkwamen stond de motor veilig in een modderpoel op de bodem van de kuil. De kap was eraf.

“Het zijn handige donders daar in Appsala, maar Jason dinAlt is niet van gisteren,” zei hij opgetogen. “Zie je die pot daar boven op de motor?” Hij wees naar een gesloten pot van dik glas die zo groot was als een klein vaatje en met een olieachtig groene vloeistof was gevuld. Hij was stevig bevestigd tussen stootkussens. “Dat is de val. De moeren die ik eraf haalde zaten op de tapeinden van twee staven die de kap vasthielden en die waren niet rechtstreeks aan de kap bevestigd, maar verbonden door een dwarsbalk die bovenop die pot rustte. Als een van de moeren niet los, maar vast werd gedraaid zou de staaf doorbuigen en het glas breken. Je mag een keer raden wat er dan zou zijn gebeurd.”

“De giftige vloeistof!”

“Inderdaad. En de dubbele kap is er ook mee gevuld. Ik stel voor dat we een diep gat graven in de woestijn en de kap en de pot daarin begraven en dan denken we er niet meer aan. Ik denk niet dat de motor nog andere verrassingen voor ons heeft, maar ik zal voorzichtig zijn als ik eraan werk.”

“Kan je hem maken? Weet je wat er mee is?” Edipon stond te trillen van vreugde.

“Nog niet. Ik heb er nauwelijks naar gekeken. Om je de waarheid te zeggen, één blik was genoeg om mij ervan te overtuigen dat het net zo’n makkelijk karwei wordt als een kreno stelen van een blinde man. De motor is even ondoelmatig en onhandig gebouwd als jullie destilleerapparaat. Als jullie een tiende van de energie die jullie verbruiken om het voor de concurrentie te verbergen, zouden besteden aan onderzoek en het verbeteren van jullie product, zouden jullie allemaal een straaljager bezitten.”

“Ik vergeef je de belediging omdat je ons een dienst hebt bewezen. Nu moet je deze motor repareren en de andere motoren. Er breekt een nieuwe dag voor ons aan!” Jason gaapte. “Op dit moment breekt er voor mij een nieuwe nacht aan. Ik moet nog slaap inhalen. Probeer je zoons over te halen het water van de motor te vegen voor hij wegroest en als ik terugkom zal ik kijken wat ik kan doen om hem weer aan de praat te krijgen.”

IX

Edipon bleef in een goed humeur en Jason maakte daar gebruik van om zoveel mogelijk concessies los te krijgen. Door te suggeren dat er nog meer valstrikken in de motor zouden kunnen zitten, kreeg hij makkelijk toestemming om al het werk op de oorspronkelijke plek te doen in plaats van in de afgesloten en bewaakte gebouwen. Een dichte schuur beschermde hem tegen het weer en er werd een testbank gebouwd waar de motoren in rustten als Jason eraan werkte. Deze had een zeer bijzonder model en was precies volgens Jasons opdracht gebouwd; en aangezien niemand, ook Mikah niet, ooit van een testbank had gehoord, laat staan er een had gezien, kreeg Jason zijn zin.

De eerste motor bleek een uitgelopen lager te hebben en Jason vernieuwde dat door het oude lagermetaal om te smelten en weer op zijn plaats te gieten. Toen hij de kop van de ene massieve cilinder loshaalde rilde hij toen hij de grote ruimte rond de zuiger zag; hij kon zijn vingers in de opening tussen de zuiger en de cilinderwand steken. Hij voerde cilinderringen in en verdubbelde zo de compressie en het vermogen. Toen Edipon zag hoe hard de gerevideerde motor zijn karo voortdreef, drukte hij Jason aan zijn borst en beloofde hem een zeer hoge beloning. Dit bleek iedere dag een klein stukje vlees te zijn om de eentonige krenoj af te wisselen en een verdubbelde wacht zodat hij er zeker van was dat zijn waardevolle bezit niet zou ontsnappen. Tot nu toe waren krenoj hun enige voedsel geweest en Jason rilde toen hij besefte dat hij er eigenlijk al aan begon te wennen.

Jason had zijn eigen plannen en was voortdurend bezig een heleboel dingen te maken die niets met zijn motorenrevisie te maken hadden. Terwijl hij die langzamerhand verzamelde ging hij proberen wat hulp te versieren.

“Wat zou jij doen als ik je een knuppel gaf?” vroeg hij aan een stevige slaaf die hij hielp een balk naar zijn werkplaats te slepen. Narsisi en een van zijn broers luierden buiten gehoorsafstand; ze verveelden zich bij het saaie wachtlopen.

“Wat doe ik met knuppel?” gromde de slaaf terwijl een diepe rimpel in zijn voorhoofd verscheen en zijn mond openzakte door de inspanning van het denken.

“Dat vroeg ik. En blijf sjouwen terwijl je denkt. Ik wil niet dat de wachten iets merken.”

“Als ik knuppel heb, moord ik,” kondigde de slaaf opgewonden aan, terwijl zijn vingers gretig naar het begeerde wapen grepen.

“Zou je mij vermoorden?”

“Ik heb knuppel, ik vermoord jou, jij niet zo groot.”

“Maar als ik je een knuppel gaf, zou ik dan niet je vriend zijn? Zou je dan niet liever iemand anders willen doden?”

Deze vreemde nieuwe gedachte deed de slaaf stilstaan en hij krabde verbijsterd op zijn hoofd tot Narsisi hem met de zweep weer aan het werk zette. Jason zuchtte en zocht een andere slaaf om zijn verkooptechniek uit te proberen.

Het duurde even, maar na verloop van tijd begon het idee tot de slaven door te dringen. Het enige dat ze van de d’zertanoj hadden te verwachten was zwaar werk en een vroege dood. Jason bood ze iets anders aan — wapens, een kans hun meesters te doden en zelfs nog meer gevechten, later wanneer ze naar Appsala trokken. Ze konden het idee dat ze moesten samenwerken om dit te bereiken en niet onmiddellijk als ze hun wapens kregen Jason en elkaar moesten afslachten, moeilijk bevatten. Op zijn best was het een riskant plan en het zou waarschijnlijk, lang voordat ze een bezoek aan de stad konden brengen, mislopen. Maar de opstand zou voldoende zijn om hen te bevrijden, ook al zouden de slaven daarna weglopen. Er waren nog geen vijftig d’zertanoj in deze oase, allemaal mannen. Hun vrouwen en kinderen waren in een andere nederzetting verderop in de heuvels. Het zou niet al te moeilijk zijn hen te doden of te verjagen en lang voordat zij met versterkingen konden terugkeren, zouden Jason en zijn weggelopen slaven gevlogen zijn. Hij miste nog een schakel in zijn plan en een nieuwe groep slaven loste ook dat probleem voor hem op.

“Vrolijke dag,” lachte hij terwijl hij de deur naar zijn kameropenduwde en zich van plezier in de handen wreef. De wacht duwde Mikah achter hem aan en sloot de deur. Jason verzekerde hem met zijn eigen grendel aan de binnenkant en toen wenkte hij de twee anderen naar de hoek die het verst van de deur en het raam lag.

“Nieuwe slaven vandaag,” vertelde hij hen, “en een van hen komt uit Appsala, een huurling of een soldaat die ze bij een schermutseling hebben gevangen. Hij weet dat ze hem nooit lang genoeg zullen laten leven om hiervandaan te komen, dus pakte hij alle voorstellen die ik deed met beide handen aan.”

“Dat is mannepraat die ik niet begrijp,” zei Ijale en ze draaide zich om en liep naar de kachel.

“Dit zal je wel begrijpen,” zei Jason en hij nam haar bij de schouder. “De soldaat weet waar Appsala ligt en hij kan ons daarheen brengen. Het is zo langzamerhand eens tijd om hiervandaan te gaan.”

Nu was Ijale een en al aandacht evenals Mikah. “Hoe kan dat?” hijgde ze.

“Ik heb plannen gemaakt. Ik heb genoeg vijlen en lopers om in iedere kamer hier in te breken, een paar wapens, de sleutel van het wapenmagazijn en iedere verstandige slaaf op mijn hand.”

“Wat ben je van plan?” vroeg Mikah.

“Een grootste slavenopstand ontketenen. De slaven vechten met de d’zertanojen wij ontsnappen, misschien met een leger dat ons helpt, maar in ieder geval smeren we hem.”

“Jij praat over revolutie!” brulde Mikah, en Jason sprong op hem af en smeet hem op de grond. Ijale hield zijn benen vast en Jason zat op zijn borst en hield zijn mond dicht.

“Wat is er met jou aan de hand? Wil je de rest van je leven motoren revideren? Ze bewaken ons veel te goed zodat we niet veel kans hebben om op onszelf te ontsnappen, dus hebben we bondgenoten nodig. We hebben ze voor het grijpen — alle slaven.”

“Brevelusie,” mompelde Mikah tussen Jasons vingers door.

“Natuurlijk is het revolutie. Maar het is ook de enige overlevingskans die deze arme duivels ooit zullen krijgen. Nu zijn ze menselijk vee, en worden ze voor de lol geslagen en vermoord. Je kan met de d’zertanoj geen medelijden hebben — elk van hen is een tiendubbele moordenaar. Je hebt ze mensen zien doodranselen. Vind je soms dat ze te aardig zijn om een revolutie tegen te beginnen?”

Mikah ontspande zich en Jason schoof zijn hand een stukje opzij, gereed om weer over de mond van de ander te sluiten als die een geluid maakte dat harder klonk dan gefluister.

“Natuurlijk zijn ze niet aardig,” zei Mikah. “Het zijn beesten in mensengedaante. Ik voel voor hen geen medelijden en ze zouden moeten worden uitgeroeid en van het aardoppervlak moeten worden gevaagd, zoals Sodom en Gomorrah. Maar dat mag niet gebeuren met een revolutie: revolutie is slecht, wezenlijk slecht.”

Jason kreunde zachtjes. “Probeer dat maar eens aan tweederde van de nu bestaande regeringen te vertellen, aangezien de meeste op die manier aan de macht kwamen — door revolutie. Vriendelijke, progressieve, democratische regeringen — die in het zadel werden geholpen door een groep jongens met geweren en een brandend verlangen de dingen zo te regelen dat ze er zelf meer profijt van trokken. Hoe raak je anders onderdrukkers kwijt als er geen manier is om ze wettig weg te stemmen? Als je ze niet kan wegstemmen — schiet je ze weg.”

“Bloederige revolutie, dat kan niet!”

“Goed, dan geen revolutie,” zei Jason terwijl hij opstond en verachtelijk zijn handen afveegde. “We zullen de naam veranderen. Wat denk je van uitbraak? Nee, dat zou jou ook niet bevallen. Ik heb het — bevrijding! We zullen de ketens van deze mensen afrukken en ze terugbrengen naar het land waar ze vandaan werden gesleurd. Het kleine feit dat de slavenhouders hen als hun eigendom beschouwen en zij het idee niet zo leuk zullen vinden en dientengevolge in het proces gewond kunnen raken, moet je je niet aantrekken. Dus — sta je achter me in deze bevrijdingsbeweging?”

“Het is nog steeds revolutie.”

“Het is wat ik zeg!” donderde Jason. “Jij doet mee met mijn plan of we laten je achter als we weggaan. Daar kan je van opaan.” Hij liep naar de kachel en nam wat soep terwijl hij wachtte tot zijn boosheid zou zakken.

“Ik kan het niet… ik kan het niet,” jammerde Mikah, terwijl hij in zijn snel afkoelende soep staarde als in een kristallen bol en daar advies zocht. Jason draaide zijn rug naar hem toe.

“Word nooit zoals hij,” waarschuwde hij Ijale terwijl hij met zijn lepel over zijn rug wees.

“Niet dat daar veel kans op is aangezien jij uit een gemeenschap komt die stevig met beide benen op de grond stond, of in het graf om het precies te zeggen. Jouw mensen zien alleen concrete feiten en dan nog alleen de meest voor de hand liggende en zelfs een eenvoudig begrip als ’vertrouwen’ schijnt jullie verstand te boven te gaan. Terwijl deze sjaggerijnige clown alleen maar in abstracties van abstracties kan denken en hoe onwerkelijker ze zijn hoe beter het is. Ik wil wedden dat hij zich zelfs druk maakt over de vraag hoeveel engelen er op de punt van een naald kunnen dansen.”

“Ik maak me er niet druk om,” onderbrak Mikah hem, die de opmerking had gehoord. “Maar ik denk er wel af en toe over na. Het is een probleem dat niet lichtvaardig kan worden afgedaan.”

“Zie je het nou.”

Ijale knikte. “Als hij ongelijk heeft en ik heb ongelijk — dan moet jij de enige zijn die gelijk heeft.” Bij die gedachte knikte ze vergenoegd.

“Erg aardig van je om dat te zeggen,” lachte Jason. “En nog waar ook. Ik beweer niet dat ik onfeilbaar ben, maar ik ben er verdomd zeker van dat ik het verschil tussen feiten en abstracties heel wat beter zie dan jullie twee en ik kan er in ieder geval heel wat handiger mee omspringen.”

Hij stak zijn hand achteruit en klopte zichzelf op zijn rug. “De vergadering van de Jason dinAlt fanclub is nu gesloten.”

“Verwaande kwast!” riep Mikah uit.

“Ach, hou je mond.”

“Hoogmoed komt voor de val! Jij bent een lasterende en afgoden aanbiddende oneerbiedige… schurk…”

“Zeer goed.”

“…en het verdriet me dat ik zelfs maar voor een seconde heb overwogen je te helpen en je in je zonde bij te staan en ik ben bang voor de zwakheden van mijn eigen ziel omdat ik de verleiding niet zo heb kunnen weerstaan als ik eigenlijk zou moeten. Het doet me pijn, maar ik moet mijn plicht doen.” Hij bonkte hard op de deur en riep, “Wacht! Wacht!”

Jason liet zijn kom vallen en kwam overeind, maar hij gleed uit in de soep en hij viel. Toen hij weer overeind stond ratelden de sloten en de deur ging open. Als hij Mikah kon bereiken voor de idioot zijn mond open deed zou hij die voor goed dichttimmeren, of hij zou hem tenminste bewusteloos kunnen slaan voor het te laat was. Maar het was al te laat. Narsisi stak zijn hoofd naar binnen en knipperde slaperig met zijn ogen; Mikah nam zijn meest dramatische houding aan en wees naar Jason. “Grijp die man en arresteer hem. Ik beschuldig hem van revolutie, van een poging tot afgrijselijke moord!” Jason remde af, gleed achteruit en dook in een tas met persoonlijke bezittingen die tegen de muur lag. Hij grabbelde erin, keerde toen de tas ondersteboven en kwam overeind met een smidshamer die een zware massieve loden kop had.

“Jij bent nog een veel grotere verrader,” riep Jason tegen Mikah en hij rende op Narsisi af die sprakeloos de gebeurtenissen had aangezien en over Mikahs woorden stond na te denken. Hij zag er wel traag uit, maar er mankeerde niets aan zijn reflexen en zijn schild schoot omhoog en ving Jasons klap op terwijl zijn knuppel keurig ronddraaide en Jason op zijn pols tikte; de verdoofde vingers ontspanden en de hamer viel op de grond.

“Ik denk dat jullie tweeën beter met mij mee kunnen gaan; mijn vader zal wel weten wat hij moet doen,” zei Narsisi terwijl hij Jason en Mikah voor zich uit door de deur duwde. Hij sloot hem af en riep tegen een van zijn broers datdie hem moest bewaken, toen duwde hij zijn gevangenen de hal door. Ze schuifelden naar voren in hun beenkluisters; Mikah edel als een martelaar en Jason woedend en tandenknarsend.

Edipon was niet zo stom waar het slavenopstanden betrof en hij had de toestand al door voor Narsisi kon vertellen wat er was gebeurd.

“Ik verwachtte dit, dus komt het niet als een verrassing.” Zijn ogen glinsterden gemeen toen hij naar Jason keek. “Ik wist dat jij mettertijd zou proberen mij omver te werpen, en daarom stond ik toe dat die ander jou hielp en jouw vak zou leren. Zoals ik al verwachtte heeft hij je verraden om jouw plaats te krijgen, die ik hem nu toewijs.”

“Verraden? Ik deed dit niet om persoonlijk gewin,” protesteerde Mikah.

“Louter zuivere motieven,” lachte Jason koud. “Geloof geen woord van wat deze vrome schurk je vertelt Edipon. Ik wil helemaal geen revolutie — dat zegt hij alleen maar om mijn baantje te krijgen.”

“Je belastert me Jason! Ik lieg nooit — jij bereidt een opstand voor. Je vertelde me —”

“Kop dicht allebei. Of ik laat jullie alletwee doodknuppelen. Dit is mijn oordeel. De slaaf Mikah heeft de slaaf Jason verraden en het is van geen enkel belang of de slaaf Jason een opstand voorbereidde of niet. Zijn helper zou hem niet hebben beschuldigd als hij niet zeker wist dat hij het werk evengoed zou kunnen doen, wat voor mij het enige belangrijke punt is. Jouw denkbeelden over een arbeidersklasse zaten me dwars, Jason, en ik zal blij zijn die tegelijk met jouzelf uit de wereld te helpen. Keten hem vast bij de andere slaven. Mikah, ik geef je Jasons woonvertrek en zijn vrouw als beloning en zolang je het werk goed doet zal ik je niet doden. Doe het lang en je leeft lang.”

“Alleen zuivere motieven — dat zei je toch Mikah?” schreeuwde Jason toen hij uit de kamer werd geschopt. Het was een snelle val van de bovenste trede van de ladder. Binnen een half uur had Jason nieuwe boeien om zijnpolsen en was hij aan de muur geketend in een donkere kamer vol met andere slaven. Zijn beenkluisters hadden ze laten zitten als een extra herinnering aan zijn nieuwe positie. Zodra de deur dicht was ratelde hij met de kettingen en hij bekeek ze in het zwakke licht van een lamp die verderop hing.

“Hoe gaat het met de revolutie?” de slaaf die naast hem aan de ketting lag boog zich naar hem toe en fluisterde schor.

“Erg leuk ha-ha,” antwoordde Jason en toen schoof hij dichterbij om de man beter te bekijken. Die was verschrikkelijk scheel; zijn ogen keken in heel verschillende richtingen. “Ik ken jou wel — ben jij de nieuwe slaaf waarmee ik vandaag heb gesproken?”

“Dat ben ik, Snarbi, soldaat eerste klas, piekenier, ervaren met knuppel en dolk, zeven zekere en twee waarschijnlijke doden op mijn naam. Je kan het zelf kontroleren in het gildehuis.”

“Ik weet het allemaal nog Snarbi, en ook dat jij de weg naar Appsala kent.”

“Ik heb aardig wat van de wereld gezien.”

“Dan gaat de revolutie nog door; om je de waarheid te zeggen, begint hij nu, maar ik wil hem klein houden. Wat zou je ervan zeggen als we in plaats van al die slaven te bevrijden met zijn tweeën ontsnappen?”

“Beste idee dat ik ooit hoorde sinds de uitvinding van de pijnbank. We hebben al die stommelingen niet nodig, ze lopen alleen maar in de weg. Er gaat niets boven een kleine, snelle manoeuvre zeg ik altijd maar.”

“Precies wat ik ook altijd zeg,” was Jason het met hem eens terwijl hij met zijn vinger in zijn schoen wroette. Hij had daar nog juist zijn beste vijl en een loper kunnen verstoppen toen Mikah hem in hun kamer verraadde. De aanval met de hamer op Narsisi was maar een afleidingsmanoeuvre. Jason had de vijl zelf gemaakt na heel wat pogingen om gehard staal te maken en de proeven waren succesvol geweest. Hij peuterde de klei uit de geul die hij in zijn voetkluisters had gemaakt en hij viel verwoed op het zachte ijzer aan; binnen drie minuten lagen ze op de grond.

“Ben jij soms een tovenaar?” fluisterde Snarbi.

“Werktuigkundige. Op deze planeet is dat hetzelfde.” Hij keek om zich heen maar de uitgeputte slaven lagen allemaal te slapen en hoorden niets. Hij wikkelde een stuk leer om de vijl om het geluid wat te dempen en begon de schakel door te vijlen van de ketting die door zijn handboeien liep. “Snarbi,” zei hij zachtjes. “Zitten we aan dezelfde ketting?”

“Ja, de ketting loopt door deze ijzeren boeien en houdt de hele rij slaven bijeen. Het andere eind gaat door een gat in de muur naar buiten.”

“Kan niet beter. Ik vijl een van deze schakels door en als dat is gebeurd zijn we allebei vrij. Probeer de ketting doorde gaten in je boeien te laten glijden zonder dat de slaafnaast je merkt wat er aan de hand is. We zullen die ijzerenmanchetten maar voorlopig omhouden. We hebben geentijd om daaraan te gaan frunniken en we zullen erniet al te veel last van hebben. Komen er hier ’s nachts nogwachten om de slaven te controleren?”

“Niet zolang ik hier ben. Ze maken ons alleen ’s morgenswakker door aan de ketting te trekken.”

“Laten we dan hopen dat dat vannacht ook zo is, want wezullen heel wat tijd nodig hebben. Daar!” De vijl was doorde schakel heen. “Probeer of je de andere kant van dieschakel kan vasthouden als ik dit eind vasthoud, dan zullenwe proberen hem een beetje open te buigen.”

Zwijgend zaten ze te trekken tot de opening breed genoegwas en de schakel op de grond viel. Ze lieten de kettingdoor hun boeien glijden, legden hem stilletjes op de gronden liepen toen geluidloos naar de deur.

“Staat er een wacht buiten?” vroeg Jason.

“Volgens mij niet. Ik denk niet dat ze genoeg mensen hierhebben om alle slaven te bewaken.”

De deur week geen centimeter toen ze ertegen duwden en het was licht genoeg om het grote sleutelgat van een zwaar verzonken slot te onderscheiden. Jason voelde voorzichtig met de loper en trok toen verachtelijk zijn lip op.

“Die idioten hebben de sleutel in het slot laten zitten.” Hij nam een stijf stuk leer van zijn omhulsels en nadat hij het had gladgestreken duwde hij het onder de wijkende onderkant van de deur door tot er nog een klein stukje over was om het vast te houden. Toen gaf hij de sleutel een zetje door het sleutelgat en hij hoorde hem buiten op de grond vallen. Toen hij het stuk leer terugtrok, lag de sleutel er middenop. De deur ging geluidloos open en een ogenblik later stonden ze buiten en staarden ze gespannen rond in het duister.

“Laten we gaan! Vlug hiervandaan,” zei Snarbi, maar Jason pakte hem bij zijn keel en trok hem terug.

“Is er dan niemand op deze planeet die zijn verstand bij elkaar heeft? Hoe wou jij naar Appsala zonder voedsel of water — en als je dat al vindt, hoe wil je dan voldoende voorraad meenemen? Als je in leven wilt blijven moet je de bevelen opvolgen. Ik ga eerst deze deur sluiten zodat niemand per ongeluk onze ontsnapping ondekt. Dan zoeken we een vervoermiddel en verlaten dit oord stijlvol. Akkoord?”

Het enige antwoord was een benauwd gereutel tot Jason zijn vingers een beetje los maakte en wat lucht in de longen van de man liet komen. Het moeizame gekreun moest wel een bevestiging zijn, want Snarbi strompelde achter Jason aan toen die door de donkere steegjes tussen de gebouwen sloop.

Het was niet moeilijk uit de ommuurde destilleerstad te komen aangezien de weinige schildwachten alleen moeilijkheden van buiten verwachtten. Het was al even makkelijk om Jasons werkplaats te bereiken en naar binnen te glippen op de plaats waar Jason een gat in het leer had gesneden en dat met dun touw weer had dichtgenaaid.

“Ga zitten en kom nergens aan of je bent vervloekt voor het leven,” beval hij de huiverende Snarbi. Toen gleed hij naar de ingang met een kleine voorhamer in zijn vuist geklemd. Gelukkig stond een van de andere zoons van Edipon op wacht. Hij stond tegen een paal te dutten. Jason tilde met zijn vrije hand zijn leren helm op en gaf hem eenklap met de hamer: de wacht sliep nu helemaal vast.

“Nu kunnen we aan het werk,” zei Jason toen hij weer binnen was. Hij hield een vuurslag bij de pit van een lantaarn. “Wat doe je nou?” vroeg Snarbi verschrikt. “Ze zullen ons zien, ons doden — ontsnapte slaven…”

“Vertrouw op mij Snarbi, dan loop je over een tijdje ook op schoenen. De schildwachten kunnen het niet zien als er hier licht brandt — daar heb ik me van verzekerd toen ik de plek uitkoos. En we hebben nog heel wat te doen voor we vertrekken — we moeten een karo bouwen.”

Ze hoefden niet helemaal met niets te beginnen, maar de bewering was waar genoeg om hem te rechtvaardigen. De motor die hij pas had herbouwd en die hij het meest had opgevoerd, stond nog in de testbank, een feit dat alle risico’s van die nacht rechtvaardigde. Tussen de rommel lagen drie karowielen en er waren er twee aan de motor bevestigd, toen die in de testbank stond. De uiteinden van de aandrijfas staken over de rand van de bank en Jason draaide de wielbouten op hun plaats en liet ze door Snarbi aandraaien. Aan de andere kant van de bank zat een sterke spil die als steun diende voor zijn testinstrumenten en nogal dik leek voor dat doel. Dat was hij ook. Toen de instrumenten waren gedemonteerd bleef er een enkele staaf over die achteruit stak als een helmstok van een roer. Toen een derde wiel van een asstomp was voorzien en tussen het gevorkte uiteinde van de spil was gestoken, leek de testbank precies op een driewielig bestuurbaar, stoom-gedreven platform dat op poten stond. En dat was het nou net, wat Jason er ook van het begin af aan mee had bedoeld en de poten kwamen er net zo makkelijk af als de andere delen erop waren gemonteerd. De uiteindelijke ontsnapping had in zijn plannen altijd voorop gestaan.

Snarbi sleepte de stenen kruiken met olie, water en brandstof aan terwijl Jason de reservoirs vulde. Hij stak het vuur onder de stoomketel aan en laadde het gereedschap in en de kleine voorraad krenoj die hij van hun rantsoenen had overgespaard. Dat kostte allemaal tijd. Al gauw zou het licht zijn en voordien moesten ze vertrekken, en hij konzijn beslissing niet langer uitstellen.

Hij kon Ijale niet hier achterlaten en als hij haar ging halen kon hij niet weigeren Mikah ook mee te nemen. De man had zijn leven gered, wat voor misdadige idioterieën hij daarna ook had weten uit te halen. Jason was van mening dat je een man die je leven verlengde iets verschuldigd was, maar hij vroeg zich ook af hoeveel hij nog was verschuldigd. Hij voelde dat de schuld in het geval Mikah nog maar erg klein was, als hij niet al aan de andere kant lag. Misschien nog deze ene keer…

“Houd de motor in de gaten — ik kom zo snel mogelijk terug,” zei hij terwijl hij op de grond sprong en zijn uitrusting omhing.

“Wat moet ik doen? Hier bij deze duivelse machine blijven? Dat kan ik niet! Hij zal me verbranden en verteren.”

“Gedraag je naar je leeftijd Snarbi, je lichamelijke leeftijd als je geestelijke te laag ligt. Deze rollende vuilnisbelt werd door mensen gemaakt en door mij gerepareerd en verbeterd — heeft niets met duivels te maken. Hij verbrandt olie om warmte op te wekken die stoom opwekt die naar deze buis gaat en tegen die stang duwt om die wielen te laten rollen zodat ze kunnen rijden en dat is alle theorie over de stoommachine die je van mij te horen krijgt. Misschien begrijp je dit beter — ik, en ik alleen kan je hier veilig vandaan krijgen. Daarom blijf je hier en doe wat ik zeg of ik sla je hersens in. Duidelijk?”

Snarbi knikte zwijgend.

“Mooi. Het enige wat je te doen hebt is hier zitten en naar deze kleine groene schijf kijken — zie je hem? Als die naar voren komt voor ik terug ben moet je deze hendel deze kant opduwen. Begrepen? Dan gaat de veiligheidsklep niet fluiten waardoor iedereen wakker zou worden, en dan hebben we evengoed druk genoeg.”

Jason ging naar buiten langs de nog steeds bewusteloze wacht en hij liep terug naar de destilleerfabriek. Hij was niet met een knuppel of een dolk bewapend, maar hij had een goedgehard slagzwaard dat hij onder de neuzen van de wacht had weten te vervaardigen. Alles wat hij uit dewerkplaats meenam hadden ze bekeken, aangezien hij ’s avonds in zijn kamer werkte, maar ze negeerden alles wat hij zelf maakte omdat ze dat toch niet zouden snappen. Deze achterlijke manier van doen was uiterst waardevol, want naast het zwaard droeg hij nog een zak met molotovcocktails, een eenvoudig aanvalswapen dat al in de oertijd was uitgevonden. Kleine aarden kruikjes, gevuld met de meest vlambare fracties uit de destilleerfabriek en omwikkeld met lappen die hij in dezelfde vloeistof had gedrenkt. Hij werd duizelig van de stank en hij hoopte dat ze hem voor zijn werk zouden belonen als de tijd daar was. Hij kon slechts hopen, want hij had ze nog helemaal niet geprobeerd. Je moest de buitenkant aansteken en ze dan weggooien. De kruikjes braken door de klap en de lont stak de inhoud aan. Theoretisch.

Het was even makkelijk om weer binnen te komen als uit te breken en dat speet Jason een beetje. Onbewust had hij kennelijk gehoopt dat er moeilijkheden zouden komen en dat hij terug zou moeten om zichzelf te redden — zijn onderbewustzijn had er kennelijk weinig belang bij om de slavin en zijn nemesis te redden, in het bijzonder als dat gebeurde met gevaar voor eigen leven. Maar hij was terug in het gebouw waar zijn kamer was en hij probeerde om de hoek te gluren om te zien of er een wacht voor de deur stond. Er was er een die leek te slapen, maar hij werd plotseling ergens wakker van. Hij hoorde niets, maar hij snoof en hij trok zijn neus op; de sterke lucht van het krachtwater van Jasons molotovcocktails had hem gewekt en hij zag Jason al voor die zich kon terugtrekken.

“Wie is daar!” schreeuwde de wacht en hij rende met dreunende stappen op hem af.

Dit kon niet in stilte worden afgedaan. Jason sprong luid schreeuwend naar voren en hij deed een uitval. Het zwaard kwam precies onder zijn helm terecht — hij moest nog nooit eerder een zwaard gezien hebben — en de punt trof hem in de keel. Hij blies luid rochelend zijn laatste adem uit en dieper in het gebouw werden andere stemmen hoorbaar. Jason sprong over het lijk en scheurde aan alle grendelsen sloten die de deur dichthielden. Toen hij eindelijk de deur opengooide en naar binnen holde hoorde hij in de verte al rennende voetstappen.

“Deruit, en vlug, we ontsnappen!” schreeuwde hij terwijl hij de verbijsterde Ijale naar de deur duwde. Met zeer veel plezier gaf hij Mikah een geweldige schop die hem letterlijk door de deuropening deed vliegen waar hij in botsing kwam met Edipon die juist kwam aanrennen met een knuppel in zijn hand. Jason sprong over de liggende gedaanten heen, klopte Edipon met het handvat van zijn zwaard achter het oor en sleurde Mikah overeind.

“Ren naar de motorwerkplaats,” beval hij zijn nog steeds niet begrijpende metgezellen. “Ik heb daar een karo waarin we kunnen ontsnappen.” Eindelijk kwamen ze dan log in beweging.

Achter hem klonk geschreeuw en een gewapende menigte d’zertanoj kwam in het gezicht. Jason trok de hallamp omlaag, brandde zijn vingers aan de hete onderkant en hield de open vlam bij een van zijn molotovcocktails. De lont begon fel te branden en hij gooide hem naar de naderende soldaten voor hij zijn hand nog erger brandde. De cocktail vloog op hen af, trof de muur en brak; de brandbare vloeistof spoot alle kanten op maar de vlam ging uit. Jason vloekte en greep een andere molotovcocktail want als ze het niet deden was hij ten dode opgeschreven. De d’zertanoj aarzelden even om door de plas krachtwater te lopen en op dat moment wierp hij de tweede brandbom. Deze barstte ook keurig uit elkaar en beantwoordde volkomen aan de verwachtingen van de maker toen hij ook de eerste molotovcocktail aanstak en de gang vulde zich met een gordijn van vuur. Met zijn hand om de lamp zodat die niet zou uitwaaien holde Jason achter de anderen aan.

Tot nu toe was de alarmtoestand nog niet tot buiten het gebouw doorgedrongen. Jason schoof de grendels aan de buitenkant van de deur dicht; tegen de tijd dat ze die hadden opengebroken en de verwarring een beetje over was zouden zij tussen de gebouwen vandaan zijn. Hij had de lampnu niet meer nodig, die zou hem alleen maar verraden, dus blies hij hem uit. Uit de woestijn klonk een langgerekt oorverdovend gekrijs.

“Hij heeft het voor elkaar,” kreunde Jason. “Dat is de veiligheidsklep van de stoommachine!”

Hij botste tegen Ijale en Mikah op die verward in het donker rondliepen, gaf Mikah weer een schop, louter en alleen uit haat tegen de hele mensheid en trok hen hardhollend mee naar de werkplaats.

Ze ontsnapten ongedeerd wat grotendeels was te danken aan de verwarring die er overal om hen heen was. De d’zertanoj hadden kennelijk nooit een nachtelijke aanval meegemaakt; ze dachten zeker dat dit er een was en ze deden niets anders dan rondrennen en schreeuwen. De algemene opwinding en wanorde werd nog erger door het brandende gebouw en de bewusteloze gestalte van Edipon die uit de vuurzee werd weggedragen. Alle d’zertanoj waren wakker geworden door het gegil van de veiligheidsklep die nog steeds wolken onvervangbare stoom de nachtlucht inblies.

In de verwarring werden de vluchtende slaven niet opgemerkt en Jason leidde ze langs de wachtposten op de muren rechtstreeks naar de werkplaats. Toen ze de kale vlakte overstaken werden ze gezien en na enige aarzeling holde de wacht achter hen aan. Jason leidde de vijand rechtstreeks naar zijn kostbare stoomwagen, maar hij had geen keus. In ieder geval liet het ding duidelijk genoeg merken waar het was en als hij het niet dadelijk bereikte zou de druk weg zijn en zouden ze in de val zitten. Hij sprong over de slapende wacht bij de ingang en rende naar het voertuig. Snarbi zat achter een wiel weggedoken, maar hij had nu geen tijd voor hem. Toen Jason op het platform sprong, ging de veiligheidsklep dicht en de plotselinge stilte was angstaanjagend.

Als een dolleman draaide hij aan ventielen en hij keek naar de wijzer; er was niet eens genoeg stoom meer over om tien meter vooruit te komen. Het water borrelde en de ketel siste en kraakte terwijl de d’zertanoj woedende kreten lieten horen toen ze de omheining binnenrenden en ze de onwettige karo zagen. Jason duwde de lont van een molotovcocktail in de vuurpot; hij begon te branden en Jason draaide zich om en smeet hem naar hen toe. Het boze geschreeuw veranderde in angstig gegil toen de vuurtongen de voeten van de achtervolgers lekten en ze trokken zich wanordelijk terug.

Jason holde achter hen aan en verhaastte hun vertrek met een tweede molotovcocktail. Het zag ernaar uit dat ze helemaal naar de muren om het destilleerterrein teruggingen, maar hij was er in het duister niet zeker van dat er niet een paar van hen langs de zijkanten terugslopen. Hij snelde terug naar de karo, tikte op de onbeweeglijke drukwijzer en zette de brandstofkraan wijd open. Bij nader inzien schroefde hij ook de veiligheidsklep aan, aangezien deze verstevigde ketel meer druk kon hebben dan die waar de klep oorspronkelijk voor was bestemd. Toen dat eenmaal klaar was kon hij niets anders doen dan wachten, want er viel verder niets te doen tot de druk weer toenam. De d’zertanoj zouden moed vatten, iemand zou de leiding nemen en dan zouden ze de werkplaats bestormen. Als ze voordat dit gebeurde, genoeg druk hadden konden ze ontsnappen. Zo niet…

“Mikah — en jij ook, lafhartige haas Snarbi, ga achter dit ding staan en duw,” zei Jason.

“Wat is er gebeurd?” vroeg Mikah. “Heb je de revolutie ontketend? Dan zal ik je niet helpen…”

“We ontsnappen, met uw welnemen. Alleen Ijale, en ik en een gids om de weg te wijzen. Je hoeft helemaal niet mee.”

“Ik zal meegaan. Er is niets misdadigs aan als we aan deze barbaren ontsnappen.”

“Erg aardig dat je dat zegt. En nou duwen. Ik wil deze stoommobiel in het midden hebben, bij de muren vandaan en met de neus naar de woestijn. De vallei door denk ik — is dat goed Snarbi?”

“De vallei door — zeker, dat is de goede weg.” Jason merkte met vreugde op dat zijn stem nog steeds schor was van de wurging eerder op de avond.

“Hier stoppen en allemaal aan boord. Houd je goed vast aan die stangen die ik langs de kanten heb gemaakt zodat je er niet afwipt — als we ooit nog op gang komen tenminste.”

Jason keek vlug de werkplaats rond om zich ervan te overtuigen dat alles wat ze nodig hadden al was ingeladen en toen klom hij onwillig aan boord. Hij blies de lamp uit en daar zaten ze in het donker terwijl de spanning steeg. Hun gezichten werden van onderaf beschenen door de flakkerende gloed van de vuurpot. Ze hadden geen manier om de tijd te meten; iedere seconde scheen een eeuwigheid nodig te hebben om zich voort te slepen. De wanden van de werkplaats sneden het uitzicht naar buiten af en in enkele ogenblikken had hun verbeelding de nacht bevolkt met zwijgende sluipende hordes, die om de dunne leren wanden dromden en klaar zaten om hen ieder ogenblik te bespringen en te verpletteren.

“Laten we wegrennen,” murmelde Snarbi en hij probeerde van het platform af te springen. “We zitten hier in de val, zo komen we nooit weg.”

Jason lichtte hem een beentje waardoor hij languit viel, toen sloeg hij hem een paar keer met zijn hoofd tegen de planken tot hij rustiger werd.

“Ik kan met die arme man meevoelen,” zei Mikah streng. “Je bent een bruut, Jason, dat je hem voor zijn natuurlijke gevoelens straft. Houd op met je sadistische aanval en bid met me.”

“Als deze arme man waar jij zo’n medelijden mee hebt zijn plicht had gedaan en op de ketel had gelet zouden we hier allang veilig vandaan zijn. En als je genoeg adem overhebt om te bidden, kan je die beter gebruiken om in de vuurpot te blazen. Wensen, gebeden of goddelijk ingrijpen zullen ons hier niet vandaan krijgen — daar hebben we druk voor nodig…”

Een langgerekte strijdkreet werd beantwoord door een hele massa stemmen en door de ingang kwam een ploeg d’zertanoj aanstormen. Op hetzelfde ogenblik kwam de leren achterwand omlaag en zwermden er nog meer gewapendemannen naar binnen. De onbeweeglijke karo zat gevangen tussen twee groepen aanvallers die vrolijk lachend aanstormden. Jason vloekte, stak vier molotovcocktails tegelijk aan en gooide die twee om twee in tegenovergestelde richting. Voor ze doel troffen sprong hij op de stoomkraan af en draaide hij hem helemaal open; met gesis en geratel begon de karo schuddend vooruit te rijden. De aanvallers werden enkele ogenblikken tegengehouden door de muren van vlammen en ze schreeuwden kwaad toen het voertuig loodrecht tussen de twee groepen uitreed. De lucht was vol met fluitende kruisboogpijlen maar de meesten waren slecht gericht en er kwamen er alleen een paar in de bagage terecht.

Met iedere omwenteling van de wielen nam hun snelheid toe, en toen ze de muur raakten scheurden de huiden met een krakende knal doormidden. Stukken leer zwiepten over hen heen, toen waren ze erdoor. De kreten en de vuren achter hen werden zwakker terwijl ze met zelfmoordsnelheid sissend en hobbelend door de vallei raasden. Jason hing aan het roer en schreeuwde naar Mikah dat hij hem moest komen aflossen. Want als hij het ding losliet zouden ze onmiddellijk gaan zwenken en ergens op te pletter lopen en zolang hij het vasthield kon hij de stoom niet afsluiten. Dit scheen eindelijk ook tot Mikah door te dringen want hij kroop naar voren, waarbij hij wanhopig iedere houvast greep, tot hij naast Jason zat gehurkt.

“Pak deze helmstok en houd hem recht en stuur om alles heen dat groot genoeg is om te worden gezien.”

Zodra de besturing was overgenomen, worstelde Jason zich terug naar de motor en sloot hij hem af; ze verminderden vaart tot ze nog stapvoets voortratelden en toen stonden ze helemaal stil. Ijale kreunde en Jason had het gevoel dat iedere centimeter van zijn lijf met hamers was bewerkt. Van achtervolgers was niets te zien; het zou minstens een uur duren voor ze voldoende druk in de karoj hadden en lopend kon niemand hun roekeloze vaart bijhouden. De lamp die hij eerder op de avond had gebruikt was tijdens de wilde rit weggeraakt, dus dook Jason een andereop van eigen makelij.

“Opstaan Snarbi,” beval hij. “Ik heb ons allemaal uit de slavernij bevrijd, en nou is het tijd dat jij eens aan je werk als gids begint, waar je me zoveel over hebt verteld. Ik heb de kans niet gekregen om koplampen op dit apparaat te bouwen, dus zal je ervoor moeten lopen met die lamp en een mooie vlakke weg uitzoeken die in de goede richting loopt.”

Snarbi klom een beetje bibberig omlaag en liep voor hen uit. Jason draaide het ventiel een klein stukje open en ze ratelden achter Snarbi aan waarbij Mikah aan het roer draaide. Ijale kroop naar Jason toe en ging tegen hem aan zitten; ze rilde van kou en angst. Hij klopte haar op de schouder.

“Kalm maar,” zei hij. “Van nu af aan is dit gewoon een plezierreisje.”

X

Ze waren nu zes dagen uit Putl’ko weg en hun voorraden waren bijna op. Toen ze eenmaal bij de bergen vandaan waren werd het land vruchtbaarder en kwamen er golvende grasvlakten met genoeg riviertjes en kuddes vee om hen in ieder geval niet te laten verhongeren. Maar het ging om de brandstof en die middag had Jason de laatste pot opengemaakt. Een paar uur voor het donker werd stopten ze, want hun verse vlees was op, en Snarbi nam de kruisboog en ging iets voor de pot schieten. Aangezien hij de enige was die ondanks zijn oogafwijking redelijk met het onhandige wapen kon omgaan, en de enige die iets van het plaatselijke wild afwist, was deze taak hem toegewezen.

Na enige tijd was zijn angst voor de karo afgenomen en zijn zelfrespect groeide, nu zijn kundigheid als jager was erkend. Hij liep arrogant het kniehoge gras in, de kruisboog over zijn schouder, en hij floot toonloos tussen zijn tanden. Jason staarde hem na en voelde zich steeds onrustiger.

“Ik vertrouw die schele huurling niet. Ik vertrouw hem voor geen seconde,” mompelde hij.

“Had je het tegen mij?” vroeg Mikah.

“Nee, maar dat kan ik nu net zo goed wel doen. Heb jij iets bijzonders opgemerkt aan het land waar we doorheenrijden, een verschil?”

“Niets. Het is een wildernis, onberoerd door mensenhanden.”

“Dan moet je blind zijn want ik heb de laatste twee dagen allerlei dingen gezien en ik weet net zo weinig van bosbouw af als jij. Ijale,” riep hij en ze keek op van de stoomketel waarop ze een dunne stamppot van hun laatste krenoj opwarmde. “Laat die rommel maar — het smaakt altijd even vies, wat je er ook mee doet, en als Snarbi geluk heeft hebben we geroosterd vlees. Vertel me eens, heb jij iets vreemds of een verschil gezien in het land waar we vandaag doorheen reden?”

“Niets vreemds, alleen tekenen van mensen. We zijn twee keer langs een plek gereden waar platgetrapt gras was en gebroken takken alsof er twee of drie dagen geleden of misschien langer, een karo was langsgekomen. En een keer langs een plek waar iemand een kookvuur had gebouwd, maar dat was erg oud.”

“Niets te zien, Mikah?” zei Jason met opgetrokken wenkbrauwen. “Kan je zien hoe een levenlang krenozoeken een zintuig ontwikkelt voor detail in het terrein.”

“Ik ben geen wilde. Je kan van mij niet verwachten dat ik op zulke dingen let.”

“Dat doe ik ook niet. Ik heb wel geleerd van jou niets dan ellende te verwachten. Maar nu zal ik je hulp wel moeten gebruiken. Dit is Snarbi’s laatste vrije avond, of hij het weet of niet, en ik wil niet dat hij vannacht op wacht staat, dus zullen jij en ik dat karwei samen opknappen.”

Mikah was verbaasd. “Ik begrijp het niet. Wat bedoel je als je zegt dat dit zijn laatste vrije avond is?”

“Dat zou langzamerhand wel duidelijk moeten zijn, zelfs aan jou, nadat je hebt gezien hoe de sociale ethica op deze planeet functionneert. Wat dacht je dat we gingen doen als we in Appsala kwamen — achter Snarbi aanlopen als schapen naar de slachtbank? Ik heb er geen idee van wat hij in zijn schild voert; ik weet alleen maar dat hij iets van plan is. Als ik hem iets over de stad vraag, antwoordt hij alleen maar in gemeenplaatsen. Hij is natuurlijk een huurling die niet zo erg veel van de details weet, maar hij moet veel meer weten dan hij ons vertelt. Hij zegt dat we nog vier dagen van de stad af zijn. Ik vermoed dat het er niet meer dan een of twee zijn. Ik ben van plan hem morgenochtend te grijpen en vast te binden, dan rijden we naar die heuvels daar en zoeken we een plekje om ons te verstoppen. Ik zal een paar boeien versieren voor Snarbi zodat hij niet weg kan en dan zal ik de stad eens verkennen.”

“Jij gaat deze arme man ketenen, je maakt een slaaf van hem zonder enige reden.”

“Ik maak geen slaaf van hem, ik ga hem alleen maar vastbinden om er zeker van te zijn dat hij ons niet in een val lokt waar hijzelf voordeel van heeft. Deze opgevoerde karo is waardevol genoeg om elke inboorling te verleiden en als hij mij kan verkopen als een werktuigkundige slaaf is hij binnen.”

“Daar wil ik niets van horen,” bulderde Mikah. “Jij veroordeelt de man zonder enige reden, alleen maar op grond van jouw kwaaddenkende vermoedens. Oordeel niet opdat gij zelf niet veroordeeld wordt! En je bent bovendien nog een hypocriet, want ik herinner me heel goed dat je mij vertelde dat iemand onschuldig is tot het bewijs van zijn schuld is geleverd.”

“Nou, als je zo wilt stellen, is deze man schuldig, in zo verre dat hij een lid is van deze verpauperde maatschappij, wat betekent dat hij in bepaalde omstandigheden altijd op een bepaalde manier zal handelen. Heb je dan nog niets over deze mensen geleerd?… Ijale!” Ze keek op van haar kreno waar ze tevreden op zat te knabbelen en ze had kennelijk niet naar de discussie geluisterd. “Zeg me eens, wat denk jij ervan? Binnenkort komen we bij een plaats waar Snarbi vrienden heeft, of mensen die hem zullen helpen. Wat denk je dat hij zal doen?”

“De mensen die hij kent gedag zeggen? Misschien geven ze hem wel een kreno.” Ze glimlachte tevreden over haar antwoord en nam weer een hap.

“Dat is niet precies wat ik bedoelde,” zei Jason geduldig. “Wat doet hij als wij met zijn drieën bij hem zijn als we bij de mensen komen en de mensen zien ons en de karo…”

Ze ging verschrikt rechtop zitten. “We kunnen niet met hem meegaan! Als hij daar kennissen heeft zullen ze met ons vechten, ons tot slaven maken en de karo afpakken. Je moet Snarbi onmiddellijk doden.”

“Bloeddorstige heiden…” begon Mikah op zijn meest dreigende toon, maar hij hield zijn mond toen hij zag dat Jason een zware hamer pakte.

“Begrijp je het nou nog niet?” vroeg Jason. “Als ik Snarbi vastbind, pas ik me alleen maar aan bij een plaatselijke ethische code, zoals het groeten in het leger of het niet met de vingers eten in deftig gezelschap. Eigenlijk ben ik een beetje slordig want volgens de gewoonte hier zou ik hem eigenlijk moeten doden voor hij het ons lastig kan maken.”

“Dat kan niet. Dat kan ik niet geloven. Je kan een man niet veroordelen op zulk flodderig bewijsmateriaal.”

“Ik veroordeel hem niet,” zei Jason die zich steeds meer ergerde. “Ik verzeker me er alleen maar van dat hij geen moeilijkheden voor ons kan veroorzaken. Je hoeft het niet met me eens te zijn om me te helpen, als je gewoon maar niet in de weg loopt. En deel vannacht de wacht met me. Wat ik morgenochtend doe is voor mijn verantwoording en daar heb je niets mee te maken.”

“Hij komt terug,” fluisterde Ijale en een ogenblik later kwam Snarbi door het hoge gras.

“Ik heb een cervo,” kondigde hij trots aan en hij liet het dier voor hen op het dek vallen. “Snij hem in stukken, goeie karbonaden en bouten. We eten vanavond.”

Hij zag er volkomen onschuldig en argeloos uit; het enige aan hem dat er schuldig uitzag was zijn schichtige blik en die was de schuld van zijn schele ogen. Jason vroeg zich even af of zijn vermoeden van gevaar wel juist was; toen dacht hij eraan waar hij zich bevond en alle twijfel verdween. Snarbi zou geen misdaad begaan als hij hen probeerde te doden of te verkopen; hij zou doen wat iedere doodgewone slavenhoudende barbaar in zijn plaats zou doen. Jason zocht in zijn gereedschapskist naar klinknagels waarmee hij voetboeien op de man kon vastzetten. Ze aten die avond hun buik vol en de anderen gingen tegen het vallen van de duisternis naar bed en ze sliepen al gauw. Jason, die doodop was van de zware tocht en erg veel had gegeten, dwong zichzelf wakker te blijven; hij probeerde op zijn hoede te zijn voor gevaar, zowel van binnen het kamp als erbuiten. Als hij al te slaperig werd liep hij rond het kamp tot de kou hem terugdreef naar de bescherming van de nog warme stoomketel. Boven hem draaiden de sterren langzaam voorbij en toen één heldere ster recht boven hem was schatte hij dat het middernacht was of iets later. Hij schudde Mikah wakker.

“Jouw beurt nu. Hou je ogen en oren open voor alles wat beweegt en vergeet niet zorgvuldig op hem te letten.” Hij wees met zijn duim naar Snarbi’s stille gestalte. “Maak me onmiddellijk wakker als er iets verdachts is.”

Jason viel onmiddellijk in slaap en hij bewoog zich nauwelijks tot het eerste ochtendlicht de lucht kleurde. Alleen de helderste sterren waren zichtbaar en uit het gras om hem heen steeg een grondmist op. Naast hem lagen twee slapende gestalten ineengedoken; de verste bewoog in zijn slaap en Jason besefte dat het Mikah was. Hij sprong onder zijn huiden vandaan en greep de andere man bij de schouder. “Wat doe je hier?” schreeuwde hij. “Jij moest op wacht staan.”

Mikah deed zijn ogen open en knipperde met koninklijk zelfvertrouwen. “Ik stond op wacht, maar tegen de ochtend werd Snarbi wakker en hij bood aan zijn deel te doen. Ik kon hem niet weigeren.”

“Jij kon wat niet? Na wat ik heb gezegd —’ ’Daarom kon ik het niet. Ik kon een onschuldig man niet schuldig oordelen en zo deelnemen aan jouw oneerlijke handelingen. Daarom liet ik hem op wacht staan.”

Je liet hem op wacht staan!” Jason stikte bijna in die woorden. “Waar is hij dan? Zie jij iemand op wacht staan?” Mikah keek zorgvuldig rond en zag alleen hen tweeën en de ontwakende Ijale. “Hij schijnt weg te zijn. Hij heeft zijn onbetrouwbaarheid bewezen en in het vervolg zullen we hem niet meer op wacht laten staan.”

Jason haalde zijn voet uit om hem een schop te geven, toen besefte hij dat hij geen tijd had voor zulke neigingen en hij vloog naar de stoommobiel. Voor de verandering deed het vuurslag het de eerste keer al en hij stak het vuur onder de ketel aan. Die brulde vrolijk, maar toen hij op de wijzer tikte zag hij dat de brandstof bijna op was. Er moest nog genoeg in de laatste kruik zitten om hen in veiligheid te brengen voordat de moeilijkheden die Snarbi voor hen had bedacht zouden arriveren — maar de kruik was weg.

“Dat doet de deur dicht,” zei Jason bitter nadat ze zenuwachtig de karo en de vlakte eromheen hadden afgezocht. Het krachtwater was verdwenen met Snarbi, die weliswaar erg bang was voor de stoommachine, maar kennelijk genoeg had opgestoken van het toekijken wanneer Jason het ding van brandstof voorzag, om te beseffen dat de karo niet kon rijden zonder de noodzakelijke vloeistof.

Jasons eerste woede had plaats gemaakt voor een leeg gevoel van berusting; hij had Mikah ook niet moeten vertrouwen en zeker niet waar het een ethisch punt betrof. Hij staarde naar de man die nu rustig een stuk koud vlees zat te eten en hij verwonderde zich over zijn onverstoorbare kalmte.

“Kan het je niets schelen,” zei hij, “dat je ons allemaal weer tot slavernij hebt veroordeeld?”

“Ik deed wat goed was. Ik had geen andere keus. We moeten als morele wezens leven anders zinken we omlaag tot het peil van de dieren.”

“Maar als je met mensen hebt te maken die zich als dieren gedragen — hoe hou je jezelf dan in leven?”

“Je leeft zoals zij — zoals jij doet Jason,” oordeelde hij koninklijk, “kronkelend en draaiend van angst, maar het is je niet mogelijk je lot te vermijden hoe je ook kronkelt. Of je leeft zoals ik, als een man van overtuiging, die weet wat goed is en zich niet van de wijs laat brengen door de futiele dagelijkse noden. En als je zo leeft, kan je gelukkig sterven.”

“Sterf dan gelukkig,” grauwde Jason en hij greep naar zijn zwaard, maar hij liet zich weer somber achteruit vallen zonder het te pakken. “En dan te bedenken dat ik ooit dacht dat ik je hier iets zou kunnen leren over de werkelijkheid van het bestaan, als je nog nooit eerder de werkelijkheid hebt ondergaan en dat ook nooit zal doen tot de dag waarop je sterft. Jij draagt voortdurend je eigen gedrag, wat jouw werkelijkheid is, met je mee, en dat is tastbaarder voor je dan de grond waarop we zitten.”

“Deze ene keer zijn we het eens Jason. Ik heb geprobeerd je de ogen te openen voor het ware licht, maar jij wendt je af en je wilt het niet zien. Jij negeert de Eeuwige Wet voor de eisen van het moment en daarom ben je verdoemd.”

De drukmeter van de ketel siste en plopte naar buiten, maar de brandstof was volkomen op.

“Zoek wat voedsel bijeen voor het onbijt, Ijale,” zei Jason, “en maak dat je bij dit voertuig vandaan komt. De brandstof is op en het is afgelopen.”

“Ik zal een draagbundel maken, dan ontsnappen we lopend.”

“Nee, dat is uitgesloten. Snarbi kent dit land en hij wist dat we tegen de ochtend pas zouden merken dat hij was verdwenen. Wat voor ellende hij ook over ons brengt; het is al onderweg en we zouden te voet niet meer kunnen ontkomen, maar ze krijgen mijn handgebouwde supersnelle stoommobiel niet te pakken!” voegde hij er plotseling heftig aan toe en hij greep de kruisboog. “Terug, jullie, een heel eind terug. Ze zullen me voor mijn talenten tot slaaf maken, maar ze krijgen er geen gratis proefmonster bij. Als ze een van die race-stoomkarren willen hebben zullen ze ervoor moeten betalen.”

Aan het eind van het bereik van de kruisboog ging Jason plat op de grond liggen en zijn derde pijl trof de ketel. Die vloog uit elkaar met een zeer bevredigende knal en overal om hen heen regende het kleine stukjes metaal en hout. In de verte hoorde hij geschreeuw en blaffende honden.

Toen hij opstond zag hij in de verte een rij mannen door het lange gras naderbij komen en toen ze dichterbij waren zag hij ook grote honden die aan hun riemen rukten. Hoewel ze in korte tijd een grote afstand moesten hebben afgelegd, kwamen ze met stevige gang aanhollen — ervaren hardlopers in dunne leren kleding, met elk een korte platte boog en een koker vol pijlen. Ze vielen aan in een halve cirkel en stopten toen de drie vreemdelingen binnen schootsafstand waren. Hun grote honden stonden kwijlend te wachten tot ze werden losgelaten. Ze legden hun pijlen op en bleven oplettend wachten, waarbij ze een flink eind bij de rokende overblijfselen van de karo vandaan bleven, tot Snarbi eindelijk half ondersteund door twee andere hardlopers kwam aanstrompelen.

“Jullie behoren nu aan… Hertug Persson… en zijn zijn slaven…” zei Snarbi. Hij scheen te uitgeput om zijn omgeving op te merken. “Wat is er met de karo gebeurd?” Dit laatste schreeuwde hij toen hij het rokende wrak zag, en als hij niet was ondersteund zou hij in elkaar zijn gezakt.

Kennelijk waren de nieuwe slaven minder waard nu het voertuig verloren was gegaan.

Snarbi strompelde erheen en toen geen van de soldaten hem wilde helpen graaide hij alles wat hij van Jasons maaksels en gereedschappen kon vinden bijeen. Toen hij ze had samengebonden en de voetcavalarie zag dat het contact hem geen kwaad deed, stemden ze er onwillig in toe ze te dragen. Een van de soldaten, die er hetzelfde uitzag als de anderen, scheen de leiding te hebben en toen hij het teken tot de terugtocht gaf sloten ze de drie gevangenen in en duwden ze hen met getrokken bogen overeind.

“Ik kom al, ik kom al,” zei Jason die op een bot zat te kluiven, “maar ik zal eerst mijn ontbijt afmaken. Ik zie een eindeloze zee van krenoj voor me en ik ben van plan van mijn laatste maal te genieten voor ik slaaf word.”

De voorste soldaten keken verward rond en wendden zich naar hun officier voor orders.

“Wie is dat?” vroeg hij aan Snarbi terwijl hij naar Jason wees die nog steeds zat. “Is er enige reden waarom ik hem niet zou doden?”

“Dat kan je niet doen!” Snarbi stikte bijna en werd grauwwit. “Hij is degene die de duivelswagen heeft gebouwd en hij kent alle geheimen ervan. Hertug Persson zal hem martelen tot hij een andere bouwt.”

Jason veegde zijn vingers af aan het gras en stond op. “Goed dan, heren, laten we gaan. En onderweg kan misschien iemand me vertellen wie die Hertug Persson is en wat hierna gaat gebeuren.”

“Ik zal het je vertellen,” snoefde Snarbi toen ze begonnen te lopen. “Hij is Hertug van de Perssonoj. Ik heb voor de Perssonoj gevochten en zij kenden mij en ik heb de Hertug zelf gesproken en hij geloofde me. De Perssonoj zijn erg machtig in Appsala en ze hebben veel krachtige geheimen, maar ze zijn niet zo machtig als de Trozelligoj die het geheim bezitten van de karoj en de jetilo. Ik weet dat ik elke prijs kan vragen van de Perssonoj als ik ze het geheim van de karoj breng. En dat zal ik ook doen.”

Hij duwde zijn woest grijnzende kop vlak voor Jasons gezicht. “Jij zal ze het geheim vertellen. Ik zal ze helpen je te martelen tot je het vertelt.”

Terwijl ze voortliepen stak Jason zijn voet uit en Snarbi struikelde erover en toen de verrader viel liep hij van achter naar voren over hem heen. Geen van de soldaten schonk enige aandacht aan dit voorval. Toen ze voorbij waren krabbelde Snarbi overeind en hij strompelde scheldend achter hen aan. Jason hoorde het nauwelijks, want hij had zo al moeilijkheden genoeg.

XI

Vanaf de omringende heuvels gezien zag Appsala eruit als een brandende stad die langzaam in de zee wegzakte. Pas toen ze dichterbij kwamen werd het duidelijk dat de rook uit talrijke schoorstenen kwam, grote en kleine die op de daken stonden en dat de stad aan de kust begon en op een aantal kleine eilandjes was gebouwd in een ondiep kustmeer. Aan de zeekant van de stad lagen grote zeeschepen gemeerd en dichter bij het vasteland werden kleinere scheepjes door de kanalen geboomd. Jason zocht begerig naar een ruimtehaven of enig ander teken van interstellaire cultuur, maar hij zag niets. Toen sneden de heuvels het uitzicht af en het pad boog opzij en liep een eindje voor de stad naar de zee af.

Aan het eind van een stenen pier lag een vrij groot schip dat kennelijk op hen wachtte en de gevangenen werden aan handen en voeten gebonden en in het ruim gegooid. Jason slaagde erin rond te kronkelen tot hij met zijn oog voor een spleet tussen twee slecht passende planken lag, en hij bracht verslag uit van de korte tocht, zo op het oog tot stichting van zijn metgezellen, maar in werkelijkheid voor zijn eigen gemoedsrust, aangezien het geluid van zijn eigen stem hem altijd opvrolijkte en hem nieuwe moed gaf.

“Onze reis nadert zijn einde, en voor ons ontvouwt zich de oude, romantische stad Appsala, beroemd om zijn walgelijke gewoonten, zijn moordzuchtige inwoners en zijn ouderwetse sanitaire voorzieningen, waarvan het waterige kanaal waar dit schip nu in vaart het hoofdriool schijnt te zijn. Aan beide zijden bevinden zich eilanden, de kleinste bedekt met zulke armoedige hutten dat in vergelijking daarmee de holen van de laagste dieren paleizen zijn, terwijl de grotere eilanden met hun hoge muren en hun prikkeldraad wel forten lijken en de wereld een oorlogszuchtig gezicht toedraaien. In een stad van deze afmetingen kunnen er onmogelijk zoveel forten zijn, dus ben ik geneigd te geloven dat elk fort ongetwijfeld de bewaakte veste is van een vande stammen, groepen of families waarover onze vriend Judas ons heeft verteld.

Bekijk deze monumenten van uiterste zelfzucht en hoed u: dit is het eindprodukt van het systeem dat begint met slavenhouders zoals wijlen Ch’aka met hun groepen krenovreters, uitgroeit tot familiehiërarchiën tot het zijn piek van verdorvenheid bereikt achter deze versterkte muren. Het is nog steeds de absolute macht die absoluut heerst, waar iedere man aast op alles wat hij te pakken kan krijgen en de enige manier om dat te bereiken is over de lijken van anderen, waar iedere natuurkundige ontdekking en iedere uitvinding wordt behandeld als een persoonlijk geheim dat moet worden weggestopt en dat alleen wordt gebruikt voor persoonlijk voordeel. Nog nooit heb ik menselijke hebzucht en zelfzucht zover doorgevoerd gezien en ik bewonder het vermogen van Homo Sapiens een idee door te voeren, hoeveel pijn dat ook doet.”

Het schip verloor vaart toen de zeilen werden gestreken en Jason viel van zijn onzekere zitplaats in het stinkende water op de bodem van het ruim. “De val van de mens,” mompelde hij terwijl hij eruit schoof.

Er schaafden palen langs de zijkanten en met veel gevloek en geschreeuwde bevelen kwam het schip tot stilstand. Het luik boven hun hoofd werd opengeschoven en de drie gevangenen werden het dek opgesleept. Het schip werd vastgelegd in een dok in een plas water die was omringd door gebouwen en hoge muren. Achter hen zwaaide net een grote sluisdeur dicht waardoor het schip van het kanaal was binnengevaren. Meer konden ze niet zien omdat ze een deuropening in werden geduwd, door gangen en langs wachten tot ze uiteindelijk in een grote kamer kwamen. Die was helemaal leeg op een verhoging aan het verste eind na waarop een grote roestige ijzeren troon stond.

De man op de troon, ongetwijfeld Hertug Persson, had een geweldige witte baard en half lang haar; zijn neus was rond en rood en zijn ogen waren blauw en waterig. Hij knabbelde op een kreno die zeer verfijnd op een tweepuntige ijzeren vork was geprikt.

“Vertel me eens,” schreeuwde de Hertug plotseling, “waarom jullie niet op staande voet moeten worden gedood?”

“Wij zijn uw slaven, Hertug, wij zijn uw slaven,” schreeuwde iedereen in de kamer in koor terwijl ze tegelijk met hun handen in de lucht zwaaiden. Jason miste het eerste couplet, maar hij viel in bij het tweede. Alleen Mikah deed niet mee met de zwaaizang, maar in plaats daarvan zei hij nadat de eed van trouw was afgelopen helemaal in zijn eentje:

“Ik ben niemands slaaf.”

De commandant van de soldaten zwaaide zijn dikke boog in een korte cirkel die eindigde op het hoofd van Mikah; hij viel bewusteloos op de grond.

“U hebt een nieuwe slaaf, Hertug,” zei de commandant. “Wie is degene die de geheimen van de karoj kent?” vroeg de Hertug en Snarbi wees naar Jason.

“Hij daar, Majesteit. Hij kan karoj maken en het monster dat brandt en ze voortbeweegt. Ik weet het omdat ik het hem heb zien doen. Hij heeft ook vuurballen gemaakt die de d’zertanoj verbrandden en een heleboel andere dingen. Ik bracht hem hier om uw slaaf te worden zodat hij karoj kon maken voor de Perssonoj. Hier zijn de stukken van de karo waar wij in reisden, die overbleven nadat hij door zijn eigen vuur was verteerd.”Snarbi liet het gereedschap en de verbrande stukken op de grond vallen en de Hertug trok zijn lip op.

“Wat is dat voor een bewijs?” vroeg hij en hij wendde zich tot Jason. “Die dingen betekenen niets. Hoe kan je mij bewijzen slaaf, dat jij de dingen kan doen die hij zegt?”

Jason overwoog even te zeggen dat hij daar niets van wist, wat een aardige wraak tegen Snarbi zou zijn, die zeker een bloedig einde zou krijgen voor het veroorzaken van zoveel moeilijkheden voor niets. Maar die gedachte verwierp hij weer even snel als hij was opgekomen. Gedeeltelijk uit menslievende overwegingen, want Snarbi kon het ook niet helpen dat hij was die hij was, maar grotendeels omdat Jason nou niet bepaald graag gemarteld wilde worden. Hij wist niets van de plaatselijke martelmethoden, en hij wilde dat zo houden.

“Dat is makkelijk te bewijzen, Hertug van alle Perssonoj, omdat ik alles van alles afweet. Ik kan machines bouwen die lopen, praten, rennen, vliegen, zwemmen, die blaffen als een hond en op hun rug kunnen rollen.”

“Zal je een karo voor me bouwen?”

“Dat zou wel kunnen worden geregeld, ja, als je de juiste gereedschappen voor me hebt. Maar eerst moet ik weten wat de specialiteit van je groep is, als je begrijpt wat ik bedoel. De Trozelligoj bijvoorbeeld maken motoren en de d’zertanoj pompen olie omhoog: wat doen jullie?”

“Jij kan nooit zoveel weten als je zegt als je de glorie van de Perssonoj niet kent!”

“Ik kom uit een ver land en zoals je weet, verspreidt het nieuws zich niet zo snel in deze omgeving.”

“Niet bij de Perssonoj,” zei de Hertug smalend en hij sloeg zich op de borst. “Wij kunnen over de hele breedte van het land spreken, en wij weten altijd waar onze vijanden zijn. Wij kunnen toverkracht opwekken om licht in een glazen bol te maken of toverkracht die een vijand het zwaard uit de hand slaat en hem de angst om het hart doet slaan.”

“Dat klinkt alsof jouw groep het monopolie op elektriciteit heeft, wat prettig is om te horen. Als jullie wat zware smidsapparatuur hebben —”

“Stop!” onderbrak de Hertug. “Weg! Eruit — iedereen behalve de sciuloj. De nieuwe slaaf niet, die blijft hier,” schreeuwde hij toen de soldaten Jason grepen.

Toen de anderen wegwaren bleef er nog maar een handjevol mensen over die allemaal al tamelijk oud waren. Ze hadden allemaal een geelkoperen, zonvormige versiering op hun borst. Zij waren ongetwijfeld ingewijd in de geheime kunst der elektriciteit en zij bevoelden hun wapens en stonden met onverholen boosheid te grommen over Jasons verboden kennis.

De Hertug sprak weer tegen hem. “Je gebruikte een heilig woord. Wie heeft je dat verteld? Zeg het vlug, of je wordt gedood.”

“Zei ik je niet dat ik alles wist? Ik kan een karo bouwen en met een beetje tijd kan ik jullie elektrische systeem verbeteren, als jullie techniek op hetzelfde niveau ligt als op de rest van deze planeet.”

“Weet je wat er achter de verboden deur ligt?” vroeg de Hertug en hij wees naar een gebarricadeerde, gesloten en bewaakte deur aan het andere eind van de kamer. “Je kan op geen enkele manier hebben gezien wat daar is, maar als je me kan vertellen wat erachter ligt, weet ik dat je de tovenaar bent die je beweert te zijn.”

“Ik heb het vreemde gevoel dat ik dit al eerder heb meegemaakt,” zuchtte Jason. “Goed dan, daar gaat ie. Jullie maken elektriciteit, misschien chemisch, hoewel ik eraan twijfel of je op die manier genoeg kracht krijgt, dus moeten jullie een of andere generator hebben. Dat zal wel een grote magneet zijn, een stuk bijzonder ijzer dat ander ijzer aantrekt en in de buurt daarvan draaien jullie een draad erg snel rond en daar heb je je elektriciteit. Dat leiden jullie door koperdraad of wat voor spulletjes jullie ook hebben — en dat kunnen er niet veel zijn. Je zegt dat jullie over het land kunnen spreken. Ik wil wedden dat jullie helemaal niet praten, maar dat jullie kleine klikjes sturen — ik heb gelijk nietwaar?” het geschuifel en het aanzwellende geroezemoes van de ingewijden waren duidelijke tekenen dat hij er erg dichtbij was.

“Ik heb een idee voor je: ik denk dat ik de telefoon zal uitvinden. Hoe zouden jullie het vinden om in plaats van het oude gerikketik, echt over het land te praten? Je praat hier in een apparaatje en je stem komt er aan de andere kant van de draad weer uit?”

De kleine varkensoogjes van de Hertug blonken begerig. “Men zegt dat dat vroeger kon worden gedaan, maar we hebben het geprobeerd en het lukte niet. Kan jij dat doen?”

“Dat kan ik — als we eerst tot een overeenkomst kunnen komen. Maar voor ik iets beloof moet ik eerst jullie apparatuur zien.”

Dit veroorzaakte gemompel en geklaag over geheimhouding maar uiteindelijk won de begeerte het van het taboe en de deur naar het heiligste der heiligen ging open voor Jason terwijl twee van de sciuloj met getrokken degensnaast hem stonden. De Hertug ging voorop, gevolgd door Jason en zijn bejaarde lijfwacht, met de rest van de sciuloj achter hen aan. Elk van hen boog en mompelde een gebed terwijl hij de heilige drempel overschreed, terwijl Jason alleen maar zijn best kon doen om niet in hoongelach uit te barsten.

Door de muur aan de overzijde kwam een draaiende spil — ongetwijfeld aangedreven door slaven — de kamer binnen die een rommelige verzameling riemen en raderen aandreef die uiteindelijk terechtkwam bij een grove en lelijke machine die ratelde en piepte en de grond onder hun voeten deed schudden. Op het eerste gezicht wekte het Jasons verbazing op tot hij de afzonderlijke delen bekeek en hij besefte wat het was.

“Wat zou ik anders hebben moeten verwachten?” zei hij bij zichzelf. “Als er twee manieren zijn om iets te doen, dan kan je het rustig aan deze mensen overlaten om het op de slechtste manier te doen.”

Het laatste rad dat zo groot was als een wagenwiel zat aan een houten spil die met indrukwekkende snelheid ronddraaide, behalve als een van de riemen erafliep, wat met eentonige regelmaat voorkwam. Dat gebeurde ook terwijl Jason stond te kijken en de spil stond onmiddellijk stil zodat hij kon zien dat er over de hele lengte ijzeren ringen zaten die waren beslagen met kleinere U-vormige stukjes ijzer. Die zaten half verborgen achter een vogelkooi van gebogen draad die om de spil was opgehangen. Het hele ding zag eruit als een afbeelding uit een uitgave uit de oertijd van De Eerste Stappen op het Pad der Electriciteit.

“Krimpt je ziel niet ineen voor deze wonderen?” vroeg de Hertug die Jasons opengevallen mond en zijn glazige ogen opmerkte.

“Hij krimpt wel ineen,” zei Jason tegen hem. “Maar alleen van pijn over die slecht overwogen verzameling van mechanische miskleunen.”

“Lasteraar!” gilde de Hertug. “Dood hem!”

“Wacht even,” zei Jason terwijl hij de degenarmen van de twee dichtstbijzijnde sciuloj stevig vastgreep en hun lichamen tussen het zijne en de degens van de anderen duwde. “Begrijp me niet verkeerd. Dat is een geweldige generator die jullie daar hebben, het zevende wereldwonder — hoewel het wonder er voor het grootste deel uit bestaat dat het nog enige stroom opwekt. Een geweldige ontdekking, zijn tijd jaren vooruit. Maar misschien zou ik een paar kleine wijzigingen kunnen opperen die meer stroom zouden opwekken met minder moeite. Ik veronderstel dat jullie weten dat een elektrische stroom in een draad wordt opgewekt als er een magnetisch veld overheen wordt bewogen?”

“Ik ben niet van plan met een ongelovige over theologie te praten,” zei de Hertug koel.

“Theologie of wetenschap, noem het wat je wilt, de antwoorden zijn toch hetzelfde.”

Jason draaide een beetje met zijn op Pyrrus geharde spieren en de twee oude mannen piepten en lieten hun degens op de grond vallen. De rest van de sciuloj schenen niet erg happig om verder aan te vallen. “Maar heb je er ooit bij gedacht dat je net zo makkelijk een elektrische stroom kunt opwekken door de draad door een magnetisch veld te bewegen, in plaats van andersom? Op die manier kan je dezelfde stroomsterkte krijgen met ongeveer een tiende van het werk.”

“We hebben het altijd op deze manier gedaan en wat goed genoeg was voor onze voorvaderen —”

“Ik weet het, ik weet het, je hoeft het niet verder te zeggen. Ik schijn dit op deze planeet al eerder te hebben gehoord.”

De gewapende sciuloj begonnen weer met getrokken degens op hem af te lopen. “Zeg Hertug — wil je me laten doden of niet. Zeg het dan tegen je mannen.”

“Dood hem niet,” zei de Hertug na een ogenblik nadenken. “Wat hij zegt kan waar zijn. Hij kan ons misschien helpen bij het bedienen van onze heilige machines.”

Nu de dreiging even was opgeheven bekeek Jason het grote onbeholpen apparaat dat het verste eind van de kamer vulde en dit keer probeerde hij een beetje zijn afschuw te verbergen. “Ik veronderstel dat ginds heilig wonder jullie heilige telegraaf is?”

“Inderdaad,” zei de Hertug eerbiedig. Jason huiverde.

Uit het plafond kwamen koperdraden naar beneden die eindigden in een onhandig gewonden elektromagneet die vlak bij de platte ijzeren staaf van een slinger was opgesteld. Als er een stroom door de elektromagneet ging zou hij de slinger aantrekken; en als de stroom werd uitgeschakeld trok het gewicht aan het eind van de slinger hem weer ongeveer recht. Aan de onderkant van het gewicht zat een scherpe metalen pen en de punt van de pen drukte in een waslaag op een lange koperen strip. Deze strip liep in een spleet zodat hij ten opzichte van de slinger in een rechte hoek bewoog; hij werd naar voren getrokken door een met gewichten aangedreven systeem van open houten raderen.

Terwijl Jason stond te kijken kwam het ratelende mechanisme schokkend in beweging. De elektromagneet zoemde, de slinger zwaaide, de naald trok een kerf in de was, de raderen piepten en het koord dat aan een gat in het eind van de strip vastzat trok die naar voren. Oplettende sciuloj stonden klaar om een andere met was bedekte strip op zijn plaats te leggen als de eerste vol was.

Vlakbij werden berichtstrips leesbaar gemaakt door er een rode vloeistof overheen te gieten. Dat liep van de waslaag af maar het bleef in de groeven van de naald liggen. Over de lengte van de strip verscheen een bibberige rode lijn met V-vormige uitschieters waar de krassende naald was afgebogen. Die werden naar een lange tafel gedragen waar de gecodeerde informatie werd overgeschreven op leien. Alles in aanmerking genomen was het een langzame, onbeholpen, dwaze manier om informatie over te brengen. Jason wreef zich in de handen.

“O, Hertug van alle Perssonoj,” zong hij. “Ik heb jullie heilige wonderen bekeken en ik sta werkelijk perplex. Hoewel het verre van mij als gewone sterveling is om de wonderen der goden te verbeteren, tenminste niet nu meteen, ligt het toch in mijn macht jullie bepaalde andere geheimen van de elektriciteit door te geven die de goden mij hebben meegedeeld.”

“Wat bijvoorbeeld?” vroeg de Hertug met toegeknepen ogen.

“Bijvoorbeeld de — eens kijken, wat is het in het Esperanto — bijvoorbeeld de akumulatoro. Is die jullie bekend?”

“Het woord wordt in sommige oude heilige geschriften genoemd, maar dat is alles wat we ervan weten.” De Hertug likte nu zijn lippen af.

“Maak je dan op om er een nieuw hoofdstuk aan toe te voegen, omdat ik jullie zal voorzien van een leidse fles, gratis en voor niks, samen met volledige instructies hoe je er meer moet maken. Dat is een manier om elektriciteit in een fles te stoppen, net of het water is. Dan kunnen we later verder gaan met meer gevorderde batterijen.”

“Als jij dat kan doen zal je passend worden beloond. Zoniet, dan zal je…”

“Geen dreigementen Hertug; dat stadium zijn we allang voorbij. En ook geen beloningen. Ik zei je dat dit een gratis monster was zonder enige verplichtingen — misschien gewoon wat lichamelijk gemak voor me als ik werk: de touwen eraf, een voorraadje krenoj en water en dergelijke. En als het je dan bevalt wat ik heb gedaan en je meer wilt hebben, kunnen we een overeenkomst sluiten. Afgesproken?”

“Ik zal je verzoek overwegen,” zei de Hertug.

“Een eenvoudig ja of nee is genoeg. Wat kan jij in ’s hemelsnaam verliezen bij een regeling als deze?”

“Je metgezellen zullen gevangen worden gehouden en worden gedood als je te ver gaat.”

“Een prachtig idee. En als je degene die Mikah heet iets wil laten doen — zwaar werk bijvoorbeeld — is dat volkomen in orde. Ik heb wat speciale materialen nodig die ik hier niet zie. Een wijde glazen pot en een flinke voorraad tin.”

“Tin? Dat ken ik niet.”

“Ja, je kent het wel. Het is het witte metaal dat je met koper vermengt om brons te maken.”

“Stano. Daar hebben we een flinke voorraad van.”

“Laat ze het hier brengen dan ga ik aan de slag.” In theorie is een leidse fles makkelijk genoeg te maken — als je alle spullen bij de hand hebt. Jasons grootste probleem was het verzamelen van de juiste materialen. De Perssonoj deden zelf niet aan glasblazen, maar ze kochten alles wat ze nodig hadden bij de Vitristoj familie, die boven hun geheime vuren stonden te werken. Deze glasblazers maakten een paar soorten flessen, knopen, glazen, bubbelig vensterglas en nog wat andere dingen. Geen van hun flessen kon hiervoor worden gebruikt en ze hoorden vol afschuw Jasons voorstel aan dat ze een nieuwe fles zouden maken volgens zijn aanwijzingen. Hun ontsteltenis werd grotendeels weggenomen met handgeld en nadat ze het kleimodel van Jason hadden bestudeerd kwamen ze onwillig overeen een dergelijke fles te maken voor een duizelingwekkend bedrag. De Hertug ging verschrikkelijk te keer, maar eindelijk betaalde hij het gevraagde aantal geslagen doorboorde goudstukken die aan een draad waren geregen.

“Er staat je een afschuwelijke dood te wachten,” zei hij tegen Jason, “als je akumulatoro niet werkt.”

“Vertrouw op mij en het komt in orde,” verzekerde Jason hem, en hij ging de metaalbewerkers weer op hun huid zitten die met veel moeite tinnen platen tot dunne folie probeerden te hameren.

Jason had Mikah of Ijale geen van beiden gezien sinds ze samen het Perssonojfort waren binnengesleept, maar hij maakte zich geen zorgen om hen. Ijale was gewend aan het slavenleven en zou dus niet in moeilijkheden raken terwijl hij de Hertug zijn wonderen van elektrisch kunnen verkocht. Maar Mikah was niet gewend een slaaf te zijn en Jason hoopte dat dit hem in grote moeilijkheden zou brengen die tot lichamelijke kneuzingen zouden leiden. Na het laatste fiasco was zijn laatste restje goede wil voor de man opgedroogd.

“Hij is er,” kondigde de Hertug aan en hij en alle sciuloj stonden argwanend te mompelen terwijl de glazen pot werd uitgepakt.

“Niet zo gek,” zei Jason en hij hield hem tegen het licht om te kijken hoe dik de wanden waren. “Behalve dan dat dit de twintig-liter familiefles is — ongeveer drie keer zo groot als het model dat ik ze heb gestuurd.”

“Een grote fles voor een grote som geld,” zei de Hertug. “Dat is zoals het hoort. Waarom klaag je? Ben je bang dat het zal mislukken?”

“Ik ben nergens bang voor. Het is gewoon veel meer werk om zo’n grote te maken. Het kan ook gevaarlijk zijn; die leidse flessen kunnen een behoorlijke lading krijgen.”

Zonder zich iets aan te trekken van de toeschouwers bedekte Jason de fles van binnen en van buiten met zijn hobbelige tinfolie tot op ongeveer tweederde van de hals. Toen sneed hij een stop van gumi, een rubberachtig materiaal dat goede isolerende eigenschappen had, en daarin boorde hij een gat. De Perssonoj keken verbaasd toe hoe hij een ijzeren staaf door het gat duwde en vervolgens een kort ijzeren kettinkje aan het langste eind bevestigde en een ronde ijzeren bal aan het kortste.

“Klaar,” kondigde hij aan.

“Maar — wat doet hij?” vroeg de Hertug verbijsterd.

“Dat zal ik laten zien.” Jason duwde de stop in de brede hals van de fles zodat de ketting op de binnenste folielaag rustte. Hij wees naar de bal die boven de fles uitstak. “Deze wordt aan de negatieve pool van de generator bevestigd, dan vloeit de stroom door de staaf en de ketting en verzamelt zich in de tinnen voering. We laten de generator draaien tot de fles vol is en dan maken we hem los. Dan heeft de fles een elektrische lading die we eruit kunnen halen door iets aan de bal aan te sluiten. Begrepen?”

“Krankzinnig!” kakelde een van de oudste sciuloj en hij behoedde zich voor besmetting van de krankzinnigheid door zijn wijsvinger naast zijn slaap rond te draaien.

“Wacht maar af,” zei Jason kalm, hoewel hij zich niet zo voelde. Hij had de leidse fles gemaakt naar een vaag herinnerde illustratie uit een leerboek dat hij in zijn jeugd had bestudeerd, en hij had geen enkele garantie dat het ding zou werken. Hij aardde de positieve pool van de generator en deed toen hetzelfde met de buitenlaag van de fles door een draad van de fles naar een pin te leiden die door een gebroken vloertegel in de grond eronder was gestoken.

“Laat maar draaien!” schreeuwde hij en hij deed een stap achteruit en vouwde zijn armen over elkaar. De generator draaide kreunend rond, maar zo te zien gebeurde er niets. Hij liet hem een paar minuten draaien, aangezien hij geen idee had van de stroomsterkte of van het vermogen van de fles, en er hing heel wat af van de resultaten van zijn eerste proef. Op het laatst werden de spottende opmerkingen van de sciuloj steeds luider en dus stapte hij naar voren en hij verbrak de verbinding met een klap van een droge tak.

“Stop de generator; het werk is klaar. De akumulatoro is tot aan de rand gevuld met heilige elektriciteit.” Hij pakte het demonstratieapparaat dat hij had gemaakt, een rij in serie geschakelde gloeilampen. De leidse fles moest genoeg lading hebben om de zwakke weerstand van de gloeidraden te overwinnen en die te laten branden. Hoopte hij.

“Godslastering!” schreeuwde dezelfde oude sciulo en hij schuifelde naar voren. “Het staat geschreven in de heilige boeken dat de heilige kracht alleen kan stromen als de weg compleet is en als de stroomweg is onderbroken beweegt de kracht niet. Toch durft deze buitenlander ons te vertellen dat deze fles, waar maar een draad aan vastzat, nu heilige kracht bevat. Leugens en laster!”

“Dat zou ik maar niet doen als ik jou was…” stelde Jason de oude voor die nu naar de bal boven op de leidse fles wees.

“Er is hier geen kracht — er kan hier geen kracht zijn…” Toen hij zijn vinger een paar centimeter van de bal heen en weer zwaaide brak zijn stem plotseling af. Een grote blauwe vonk sprong uit het opgeladen metaal naar zijn vinger en de sciulo schreeuwde schor en viel op de grond. Een van zijn collega’s knielde neer om hem te onderzoeken en keek toen verschrikt naar de fles.

“Hij is dood,” fluisterde hij.

“Je kan niet zeggen dat ik hem niet heb gewaarschuwd,” zei Jason en toen besloot hij het geluk een handje te helpen nu het toch op zijn hand was. “Hij was degene die lasterde!” schreeuwde Jason en de oude mannen deinsden achteruit. “De heilige kracht zat in de fles en hij twijfelde en de kracht doodde hem. Twijfelt niet of hetzelfde lot zal jullie allen treffen! Ons werk als sciuloj,” ging hij verder en hij verhief zich gelijk boven zijn slavenrang, “is de krachten van de elektriciteit te bedwingen tot meerdere glorie van de Hertug. Laat dit een les zijn opdat we het nooit vergeten.” Ze bekeken het lijk, schuifelden achteruit en begrepen het erg goed.

“De heilige kracht kan doden,” zei de Hertug terwijl hij glimlachend naar het lijk keek en in zijn handen wreef. “Dat is inderdaad geweldig nieuws. Ik wist altijd al dat hij kon schokken en brandwonden kon veroorzaken, maar ik wist nooit dat hij deze grote macht bezat. Onze vijanden zullen voor ons ineenkrimpen.”

“Zonder twijfel,” zei Jason. IJzer moet je smeden als het heet is en hij haalde snel de tekeningen tevoorschijn die hij zorgvuldig had voorbereid. “Kijk eens naar deze wonderen. Een elektrische motor om dingen op te tillen en te trekken, een licht dat we een booglamp noemen en dat de zwartste nacht doordringt, een manier om dingen te bedekken met een dunne laag metaal en nog veel meer. Allemaal voor jou, Hertug.”

“Begin meteen!”

“Dadelijk — zodra we het eens zijn over de voorwaardenvan mijn contract.”

“Dat klinkt helemaal niet plezierig.”

“Je zal het nog minder leuk vinden als je de bijzonderheden hoort, maar het zal de moeite waard zijn.” Hij boog zich voorover en fluisterde in het oor van de Hertug. “Hoe zou je het vinden om een machine te hebben die de muren van de forten van je vijanden kan opblazen zodat je ze kan verslaan en hun geheimen kan inpikken?”

“Verlaat de kamer,” beval de Hertug en toen ze alleen waren keek hij Jason aan met zijn slimme kleine rode oogjes. “Wat is dat voor een contract waar je het over had?”

“De vrijheid voor mij, een positie als je persoonlijk adviseur, slaven, juwelen, meisjes, goed eten — al de gebruikelijke dingen die bij dat baantje horen. Daarvoor in deplaats zal ik alle apparaten voor je bouwen die ik heb genoemd en nog veel meer. Er is niets dat ik niet kan! En dat alles kan van jou zijn…”

“Ik zal ze allemaal vernietigen — ik zal over Appsala heersen!”

“Zoiets had ik al in gedachten. En hoe beter de zaken gaan voor jou, des te beter gaan ze voor mij. Ik vraag niets meer dan een comfortabel leven en de gelegenheid aan mijn uitvindingen te werken, want ik ben geen ambitieus man. Ik zal me gelukkig voelen als ik in het laboratorium kan knoeien — terwijl jij de wereld regeert.”

“Je vraagt veel…”

“Ik bied veel. Ik zal je wat vertellen — denk er een paar dagen over na terwijl ik nog een uitvinding in elkaar zet tot lering ende vermaak.”

Jason dacht aan de vonk die de oude man had gedood en die gedachte gaf hem nieuwe hoop. Dat zou wel eens de weg kunnen zijn om van deze planeet af te komen.

XII

“Wanneer is dit klaar?” vroeg de Hertug terwijl hij naar de onderdelen wees die over Jasons werkbank lagen verspreid. “Morgenochtend, Hertug, ook al werk ik de hele nacht door. Maar zelfs voor dit klaar is heb ik een andere gift voor je, een manier om je telegraafsysteem te verbeteren.”

“Dat heeft geen verbetering nodig! Het is net zoals het was in de dagen van onze voorvaderen en —”

“Ik zal niets veranderen; voorvaderen weten het altijd het beste, dat ben ik met je eens. Ik geef je alleen maar een nieuwe werkwijze. Kijk hier eens naar —’ en hij hield een van de metalen strips met de beschreven was omhoog. “Kan je de boodschap lezen?”

“Natuurlijk, maar het vereist sterke concentratie, want het is een moeilijk geheim.”

“Niet zo erg moeilijk; in een oogopslag raadde ik alle afschuwlijke eenvoud ervan.”

“Je lastert!”

“Niet echt. Kijk, dat is toch een B, nietwaar — twee kronkels van de magische slinger?”

De Hertug telde op zijn vingers. “Het is een B, je hebt gelijk. Maar hoe kun je dat zien?”

Jason verborg zijn minachting. “Het was moeilijk op te lossen, maar voor mij zijn alle dingen een open boek. B is de tweede letter van het alfabet, dus is de code twee slingers. C drie — nog steeds makkelijk; maar uiteindelijk krijg je de Z waarvoor je zesentwintig zendseinen nodig hebt en dat is gewoon onzinnige tijdverspilling. Het enige wat je moet doen is je apparatuur een klein beetje wijzigen zodat hij twee verschillende signalen kan zenden — laten we origineel blijven en de ene een ’punt’ noemen en de andere een ’streep’. Nu kunnen we, met gebruikmaking van die twee signalen, een korte en een lange, iedere letter van het alfabet omschrijven met ten hoogste vier tekens. Begrepen?”

“Het zoemt in mijn hoofd en het is moeilijk te volgen…”

“Slaap er maar een nachtje over. Morgenochtend is mijn uitvinding klaar en dan zal ik mijn code demonstreren.”

De Hertug liep mompelend weg en Jason legde de laatste wikkelingen om het anker voor zijn nieuwe generator.

“Hoe heet het?” vroeg de Hertug terwijl hij om de hoge, sierlijke houten kist heenliep.

“Dit is een Allen Eren de Hertug-Maker, een nieuwe bron van verering, eerbied en inkomsten voor Uwe Excellentie. Hij moet in de tempel worden geplaatst, of wat voor ding jullie hier ook hebben, waar het publiek moet betalen voor het voorrecht jou te eren. Let op: ik ben een trouwe onderdaan die de tempel binnenkomt. Ik geef een bedrag aan de priester en pak deze hendel die uit de zijkant steekt en ik draai hem rond.” Hij begon vrolijk te draaien en uit het kastje kwam het geluid van draaiende wielen en luid gejank. “Let nu op de bovenkant.”

Uit de bovenkant van de kast staken twee gebogen metalen armen die uitliepen in koperen bollen die een eindje van elkaar afzaten. De Hertug snakte naar adem en deinsde achteruit toen een blauwe vonk van de ene bol naar de andere oversprong.

“Dat zal de boeren versteld doen staan, nietwaar?” zei Jason. “Kijk nu naar de vonken en let op de volgorde. Eerst drie korte vonken, dan drie lange en dan weer drie korte.”

Hij hield op met draaien en gaf de Hertug een duidelijk beschreven vel perkament, een gewijzigde versie van de standaard interstellaire code. “Kijk. Drie punten betekent H en drie strepen A. Daarom zal de machine zolang de hendel wordt rondgedraaid in kode H.A.H. uitzenden, wat betekent Huraoj al Hertug, Allen Eren de Hertug! Een indrukwekkend apparaat dat de priesters zal bezighouden en ze zal afhouden van het kwaad en je trouwe onderdanen zal vermaken. Terwijl het tegelijkertijd lof over jou zal uitroepen met de stem der elektriciteit, steeds maar weer, dag en nacht.”

De Hertug draaide aan de hendel en keek met glanzende ogen naar de vonken. “Morgen zal hij in de tempel worden onthuld. Maar er moeten wat heilige tekens op. Misschien wat goud…”

“Ook edelstenen, hoe duurder het eruit ziet, hoe beter. De mensen betalen niet om aan een heilig orgel te draaien als het er niet indrukwekkend uitziet.”

Jason luisterde vrolijk toe terwijl de vonken eruit sprongen. Misschien betekenden ze H.A.H. in de plaatselijke kode, maar voor een buitenwerelder was het een S.O.S. En ieder ruimteschip met een redelijke ontvanger dat de atmosfeer van deze planeet binnenkwam, moest de breedband radiogolven van de vonken oppikken. Misschien was er op dit moment wel een die het bericht opving, die de boog van de richtingzoeker ronddraaide en de plaats van de zender probeerde te bepalen. Had hij maar een ontvanger zodat hij hun antwoord kon horen, maar het gaf eigenlijk niet, want binnenkort zou hij het gebrul van hun raketten horen als ze boven Appsala omlaag zakten…

Er gebeurde niets. Twaalf uur geleden had Jason het eerste S.O.S. uitgezonden, maar nu gaf hij onwillig de hoop op dat hij onmiddellijk zou worden gered. Het was nu het beste ervoor te zorgen dat hij zich goed en aangenaam vestigde terwijl hij wachtte tot er een schip kwam. Hij stond niet stil bij de mogelijkheid dat er tijdens zijn leven wel eens helemaal geen ruimteschip in de buurt van deze achterlijke planeet zou kunnen komen.

“Ik heb over je verzoek nagedacht,” zei de Hertug en hij draaide zich bij de vonkenzender vandaan. “Je kan een klein eigen appartement krijgen, misschien een of twee slaven, genoeg voedsel om je te verzadigen en op heilige dagen wijn en bier…”

“Niets sterkers?”

“Er is niets sterkers te krijgen; de Perssonoj wijnen van onze velden op de hellingen van de Malviglaberg zijn beroemd om hun kracht.”

“Ze zullen nog beter zijn als ik ze eenmaal heb gedestilleerd. Ik zie dat ik wel een aantal kleine verbeteringen zal moeten aanbrengen als ik hier lang moet blijven. Misschien moet ik zelfs het water closet wel uitvinden voor ik reumatiek krijg van die primitieve tochtige pisbakken van jullie. Er moet heel wat worden gedaan. Allereerst moeten we een voorrangslijst maken en bovenaan de lijst komt geld te staan. Sommige van de dingen die ik tot jouw glorie zal bouwen, zullen flink wat kosten, dus zou het het beste zijn als we dat mogelijk maakten door van te voren de schatkist te vullen. Ik veronderstel dat je geen godsdienstige regels hebt die je verbieden rijker te worden?”

“Geen,” antwoordde de Hertug zeer positief. “Dan kunnen we het er voorlopig bij laten. Met Uwe Excellentie’s permissie zal ik mij nu in mijn nieuwe verblijven terugtrekken en wat proberen te slapen, waarna ik een lijst zal opstellen van plannen waaruit je kunt kiezen en leren.”

“Dat is voor mij voldoende. En vergeet vooral niet de dingen om geld mee te maken.”

“Die komen bovenaan.”

Jason mocht vrijelijk door de afgesloten heilige werkplaatsen rondlopen, maar hij had vier lijfwachten die voortaan erg dichtbij hem bleven, op zijn hielen trapten en krenowalm in zijn nek bliezen.

“Weet jij waar mijn nieuwe kamers zijn?” vroeg Jason aan de kapitein van de wacht, een knorrige bruut die Benn’t heette.

“Uhuh,” antwoordde Benn’t en hij ging hem voor het tochtige Perssonoj fort in. Ze gingen een wenteltrap op die naar een hogere verdieping leidde en toen door een donkere gang naar een stevige deur waar een andere wachter stond. Benn’t opende de deur met een zware sleutel die aan zijn riem hing.

“Dit is van jou,” snauwde hij en hij wees met zijn zwarte duim.

“Compleet met slaven,” zei Jason die naar binnen keek en Mikah en Ijale aan de muur geketend zag. “Ik zal niet veel aan die twee hebben als ze alleen maar als versiering worden gebruikt. Heb je de sleutel?”

Nog onbehouwener groef Benn’t een kleinere sleutel uit zijn portefeuille en hij gaf hem aan Jason; toen ging hij naar buiten en hij sloot de deur achter zich af. “Ik wist wel dat je iets zou doen zodat ze je niet zouden martelen,” zei Ijale toen Jason haar ijzeren boord losmaakte. “Ik was maar een klein beetje bang.”

Mikah bleef doodstil tot Jason met Ijale de kamers ging bekijken, toen zei hij koel: ’Je hebt nagelaten mij uit deze ketenen te bevrijden.”

“Ik ben blij dat je dat zelf merkt,” zei Jason. “Dat bespaart mij de moeite je erop te wijzen. Kan jij een betere manier bedenken om je uit de moeilijkheden te houden?”

“Je bent beledigend!”

“Ik ben eerlijk. Jij zorgde ervoor dat ik mijn baan bij de d’zertanoj kwijtraakte en dat ik als slaaf werd opgesloten. Toen ik ontsnapte heb ik je meegenomen en jij hebt mijn edelmoedigheid betaald door Snarbi de gelegenheid te geven ons aan mijn huidige werkgever te verraden — en deze positie heb ik bereikt zonder enige hulp van jou.”

“Ik deed alleen maar wat ik dacht dat het beste was.”

“Je dacht verkeerd.”

“Jij bent een wraakzuchtig en kleinzielig mens, Jason dinAlt!”

“Dat heb je verdomd goed gezien. Jij blijft aan die muur geketend.”

Jason stak zijn arm door die van Ijale en hij leidde haar rond door het appartement. “De deur komt, heel modern, direct uit op de grootste kamer die is gemeubileerd met rustieke meubelen van gespleten balkjes en de muren zijn behangen met een uitgelezen verscheidenheid aan schimmels. Een geweldige plek om kaas te maken, maar minder geschikt voor bewoning door mensen. Mikah mag hem hebben.” Hij opende een verbindingsdeur. “Dit lijkt er meer op, een kamer op het zuiden, uitzicht op het grote kanaal en een beetje licht. Ramen van de beste gebarste hoorn, die zowel zonneschijn als frisse lucht binnenlaten. Ik zal er wat glas in moeten zetten. Maar op het ogenblik zullen we het moeten doen met een vuur in die enorme stookplaats.”

Krenoj!” piepte Ijale en ze rende naar de mand die in een nis stond. Jason huiverde. Ze rook eraan en kneep erin. “Niet te oud, tien dagen, misschien vijftien. Goed voor soep.”

“Precies waar mijn buikje naar verlangt,” zei Jason zonder geestdrift.

Mikah brulde uit de andere kamer. Jason stak eerst het vuur aan voor hij ging kijken wat hij wilde.

“Dit is misdadig!” zei Mikah en hij rammelde met zijn kettingen.

“Ik ben een misdadiger,” Jason draaide zich om en liep weg.

“Wacht! Je kan me hier niet zo achterlaten. Wij zijn beschaafde mensen. Maak me los dan geef ik je mijn woord erop dat ik je geen kwaad hart toedraag.”

“Dat is erg aardig van je Mikah ouwe jongen, maar uit mijn tevoren zo vertrouwende ziel is alle vertrouwen geweken. Ik heb me bekeerd tot de ethiek van de inboorlingen en ik vertrouw je nu alleen als ik je kan zien. Dat kan je krijgen. Je kan hier rondlopen want dan hou je tenminste je kop.”

Jason maakte de ketting los waarmee Mikahs ijzeren boord aan de wand vastzat en toen liep hij weg. “Je hebt de ring vergeten,” zei Mikah.

“O ja?” vroeg Jason en hij lachte, niet plezierig maar wraakzuchtig. “Ik heb nog niet vergeten hoe je me aan Edipon hebt verraden, en ik heb ook de ring niet vergeten. Zolang je slaaf blijft kan je me niet nog een keer verraden — dus blijf je slaaf.”

“Dat had ik van jou ook wel kunnen verwachten.” Mikah sprak met kille woede. “Je bent een hond, geen beschaafd mens. Ik zal niet beloven je ook maar ergens mee te helpen; ik schaam me voor mijn zwakheid dat ik dat zelfs maar heb overwogen. Jij bent een slecht mens en mijn leven is gewijd aan het bestrijden van het kwaad — daarom zal ik jou bestrijden.”

Jason had zijn arm al half omhoog voor een klap, maar in plaats daarvan barstte hij in lachen uit.

“Je zal me altijd blijven verbazen Mikah. Het lijkt gewoon onmogelijk dat iemand zo ongevoelig is voor feiten, logica en werkelijkheid of wat men vroeger gewoon gezond verstand noemde. Ik ben blij dat je hebt toegegeven dat je tegen me vecht — dat zal het makkelijker maken me van achteren te beschermen. En opdat je het niet vergeet en weer vriendelijk gaat doen, hou ik je als slaaf en zal ik je als slaaf behandelen. Pak dus die aardewerken kruik daar en bom op de deur voor de wacht en vul hem met water op de plaats waar alle slaven zoals jij water halen.”

Hij draaide zich om en liep de kamer uit. Hij kookte nog van woede, maar hij probeerde een beetje enthousiasme op te brengen voor het maal dat Ijale met zoveel zorg had bereid.

Met een volle maag en zijn voeten lekker warm bij het vuur voelde Jason zich al bijna behaaglijk. Ijale zat gehurkt bij de haard moeizaam en geduldig een paar huiden te verstellen met een grote ijzeren naald, terwijl uit de anderekamer het boze gerammel van Mikahs ketting hoorbaar was. Het was laat en Jason was moe, maar hij had de Hertug een lijst van mogelijke wonderen beloofd en die wilde hij afmaken voor hij ging slapen. Hij keek op toen de sloten op de voordeur rammelden en Benn’t, de officier van de wacht, binnenstapte gevolgd door een van zijn soldaten die een flakkerende toorts droeg.

“Kom,” zei Benn’t en hij wees naar de deur.

“Waarheen en waarom?” vroeg Jason die helemaal geen zin had het vochtige ongezellige fort in te gaan.

“Kom,” herhaalde Benn’t op dezelfde onprettige toon en hij trok zijn korte degen uit zijn gordel.

“Ik begin te leren je te haten,” zei Jason en hij hees zich onwillig overeind. Hij trok zijn bontjas weer aan en ging naar buiten langs de mokkende gestalte van Mikah. De wacht voor de deur was weg en er lag een donkere gestalte op de grond die net zichtbaar was bij het licht van de fakkel. Was het de bewaker? Jason wilde zich net omdraaien toen de deur achter hem dichtsloeg en de punt van Benn’ts degen door zijn leren pak prikte en de huid boven zijn nieren doorboorde.

“Geen woord en geen beweging of je gaat eraan,” kraste de stem van de soldaat in zijn oor.

Jason dacht erover na en besloot zich niet te verroeren. Niet dat het dreigement hem bang maakte, want hij was er zeker van dat hij Benn’t kon ontwapenen en de andere soldaat te pakken kon nemen voor die zijn zwaard kon trekken, maar hij interesseerde zich voor deze nieuwe ontwikkeling. Hij had een sterk vermoeden dat de Hertug niet wist wat er nu gebeurde en hij vroeg zich af waar het op uit zou lopen. Hij had onmiddellijk spijt van zijn besluit. Er werd een smerig smakend vod in zijn mond gepropt en vastgebonden met koorden die in zijn nek en zijn wangen sneden. Tegelijk werden zijn armen vastgebonden en voelde hij nog een degen in zijn zij. Nu was weerstand onmogelijk zonder dat hij ernstig risico liep, dus wandelde hij toen hij een duw kreeg onderdanig de trap op naar het platte dak van het gebouw.

De soldaat doofde zijn toorts en daar stonden ze in de zwarte nacht terwijl koude natte sneeuw om hen heen blies. Ze strompelden over de gladde tegels. In de duisternis was de borstwering niet te zien en toen Jason er met zijn schenen tegenaan liep, zwaaide hij voorover en hij zou zijn gevallen als de soldaten hem niet achteruit hadden getrokken. Zwijgend en snel bonden ze een touw onder zijn oksels en lieten ze hem over de rand zakken. Jason vloekte achter de prop terwijl hij pijnlijk langs de ruwe buitenkant van het gebouw schaafde. Plotseling hing hij tot zijn knieën in ijskoud water en hij kromp ineen. Deze kant van het Perssonoj fort liep steil omlaag naar het kanaal en daar hing Jason tot aan zijn middel in het water toen de nauwelijks zichtbare vorm van een boot uit de doorsneeuwde duisternis opdoemde. Ruwe handen trokken hem naar binnen en gooiden hem op de bodem en even later schommelde de boot heen en weer toen zijn ontvoerders langs het touw omlaaggleden en naast hem op de bodem sprongen. De riemen piepten en daar gingen ze. Er was geen alarm geslagen.

De mannen in de boot negeerden hem; ze gebruikten hem zelfs als voetenbank tot hij opzij rolde. Zo plat op de bodem kon hij weinig zien tot er meer fakkels verschenen en hij zag dat ze door een grote sluis voeren, net zoiets als die bij de ingang van het Perssonoj fort. Het vereiste niet veel overleg om te beseffen dat hij door een van de concurrerende groepen was opgepikt. Toen de boot stillag werd hij op de wal gegooid en vervolgens door vochtige stenen gangen gesleept tot voor een hoge roestige ijzeren poort. Benn’t was verdwenen — waarschijnlijk nadat hij zijn dertig zilverlingen had opgestreken — en de nieuwe wachters spraken geen woord. Ze maakten zijn touwen los, trokken de prop uit zijn mond, duwden hem door de ijzeren poort en smeten de deur met een klap achter hem dicht. Hij was alleen met de afschuwelijke verschrikkingen van de kamer.

Op een hoog podium zaten zeven gestalten met lange mantels; ze waren gewapend en droegen angstaanjagende maskers. Elk van hen leunde op een slagzwaard van een meter lang. Vreemd gevormde lampen stonden om hen heen tebranden en te roken en de lucht stonk verschrikkelijk naar zwavelwaterstof.

Jason lachte koeltjes en keek om zich heen naar een stoel. Hij zag er geen, dus nam hij een sputterende lamp, die eruit zag als een slang met een vlam in zijn mond van een tafel vlakbij, zette die op de grond en ging toen op de tafel zitten. Hij keek de verschrikkingen voor zich minachtend aan.

“Sta op sterveling!” zei de middelste gestalte. “Zitten in het aangezicht van de Mastreguloj betekent de dood.”

“Ik zit,” zei Jason en hij nam er zijn gemak van. “Jullie hebben me niet ontvoerd om me alleen maar te doden en hoe eerder jullie beseffen dat griezelpakken mij niet bangmaken, des te eerder kunnen we tot zaken komen.”

“Stilte! De dood is nabij!”

Ekskremento!” spotte Jason. “Jullie maskers en dreigementen zijn van dezelfde soort als die van de woestijnslavendrijvers. Laten we ter zake komen. Jullie hebben geruchten over mij opgevangen en die hebben jullie nieuwsgierig gemaakt. Jullie hebben wat over de opgevoerde karo gehoord en spionnen hebben jullie verteld over de elektronische gebedsmolen in de tempel — misschien zelfs meer. Dat klonk allemaal zo goed dat jullie mij voor jezelf wilden hebben en dus probeerden jullie het nooit mislukkende Appsalaanse kunstje van een beetje geld op de goeie plaats. En hier ben ik dan.”

“Weet je wel tegen wie je spreekt?” vroeg de gemaskerde gestalte die aan de rechterkant stond met een hoge, bevende stem. Jason bekeek de spreker zorgvuldig.

“De Mastreguloj? Ik heb over jullie gehoord. Jullie schijnen de heksen en tovenaars van deze stad te zijn, met vuur dat in water brandt, rook die de longen verschroeit, water dat het vlees verbrandt enzovoort. Ik vermoed dat jullie het plaatselijke equivalent van scheikundigen zijn; en hoewel er niet erg veel van jullie schijnen te zijn, zijn jullie akelig genoeg om de andere stammen bang te houden.”

“Weet je wat hier inzit?” vroeg de man terwijl hij een glazen bol omhooghield met een gelige vloeistof erin.

“Ik weet het niet en het kan me ook niks schelen.”

“Het bevat het brandende toverwater dat je in een tel zal verschroeien en verkolen als je het aanraakt.”

“Ach, hou toch op! Daar zit niets anders in dan een doodgewoon zuur, waarschijnlijk zwavelzuur, omdat daarvan de andere zuren worden afgeleid en er hangt hier in de kamer ook nog een sterke stank van rotte eieren.”

Zijn vermoeden was kennelijk juist; de zeven gestalten gebaarden en mompelden tegen elkaar. Nu zij waren afgeleid stond Jason op en hij liep langzaam op hen af. Hij had genoeg van de wetenschappelijke quiz-spelletjes en hij was kwaad omdat ze hem hadden ontvoerd en gebonden en ondergedompeld en hij liep door. Deze Mastreguloj werden door de anderen in Appsala gevreesd en gemeden, maar hun groep was niet groot genoeg voor wat hij van plan was. Hij had voor een aantal zeer goede redenen op de Perssonoj gewed en hij was niet van plan nu naar de andere kant over te lopen.

Tussen de losse rommeltjes in zijn achterhoofd zat ook een opmerking die hij eens had gelezen in een boek over beroemde ontsnappingen. Hij had die onthouden omdat hij een beroepsmatige belangstelling had voor ontsnappingen, aangezien hij bij vele gelegenheden een ander oogmerk had dan de politie. Na bestudering van ontsnappingen had hij de gevolgtrekking gemaakt dat je het best kunt ontsnappen vlak nadat je gevangen bent genomen. En dat was nu.

De Mastreguloj hadden een vergissing begaan toen ze hem in zijn eentje binnen lieten; ze waren er zo aan gewend de mensen te intimideren en bang te maken dat ze nonchalant werden — en oud. Uit hun stemmen en uit hun manier van doen maakte hij op dat er absoluut geen jonge mannen op het podium stonden en hij was er even zeker van dat de man aan de rechterkant al erg oud was. Zijn stem had dat verraden en nu Jason dichterbij was kon hij het lange zwaard dat de man voor zich hield beverig zien schokken.

“Wie heeft het geheim en de heilige naam van sulfurika acido verraden?” bulderde de middelste gestalte. “Spreek spion, of we zullen je je tong uitrukken en vuur in je ingewanden gieten —”

“Nee, nee,” smeekte Jason terwijl hij knielde en zijn handen gevouwen voor zich hield. “Alles liever dan dat! Ik zal het vertellen!” Hij schuifelde op zijn knieën dichter naar het podium en ging daarbij iets naar rechts. “De waarheid komt toch aan het licht, ik kan het niet langer verbergen — hier staat de man die me alle heilige geheimen vertelde.” Hij wees naar de oude man aan de rechterkant en terwijl hij dat deed kwam zijn hand vlakbij het lange zwaard dat de man vasthield.

Toen Jason opstond strekte hij zijn arm uit, plukte het uit de losse greep van de oude en duwde hem opzij in de stoel ernaast — de twee mannen vielen met een bevredigende klap op de grond.

“Dood aan de ongelovigen!” schreeuwde hij terwijl hij het zwarte gordijn met het doodskop-en-duivel patroon omlaag-trok dat voor de achterwand hing. Hij wierp het over de twee mannen die naast hem stonden en net weer overeind waren gekrabbeld en toen zag hij een kleine deur die achter het gordijn verborgen was. Hij duwde hem open en sprong de verlichte gang erachter in, bijna in de armen van twee gewapende wachters die daar stonden. Het voordeel van de verrassing was aan zijn kant. De eerste stortte in elkaar toen Jason hem met de platte kant van zijn zwaard op het hoofd tikte en de tweede liet zijn eigen zwaard vallen toen de punt van Jasons zwaard hem in de bovenarm trof. Nu kwam zijn pyrraanse training hem van pas. Hij kon zich sneller bewegen en hij kon sneller doden dan welke Appsalaan ook. Dat bewees hij toen hij een hoek omrende in de richting van de ingang en bijna tegen Benn’t, zijn vroegere bewaker opbotste.

“Bedankt dat je me hier hebt gebracht — ik had nog niet genoeg moeilijkheden,” zei Jason terwijl hij het zwaard van de ander opzijsloeg. “En hoewel het in Appsala gewoon is een betaalde verrader te zijn, was het niet aardig een van je eigen mannen te doden.” Zijn zwaard suisde door de lucht en scheurde Benn’ts keel open waarbij het tegelijk bijna zijn hoofd eraf sloeg. Het slagzwaard was zwaar enmoeilijk te hanteren, maar als het eenmaal in beweging was sneed het door alles wat het tegenkwam heen. Jason rende verder en viel strijdlustig aan op de wachters in de hal.

Het enige voordeel dat hij had was weer het verrassingselement, dus bewoog hij zich zo snel hij kon. Als ze zich eenmaal samenvoegden, konden ze hem grijpen en hem doden, maar het was al erg laat en de verveelde bewakers verwachtten niet in het minst dat ze van achter zouden worden aangevallen. Een viel er op de grond, een ander strompelde weg terwijl het bloed uit zijn gehavende arm spoot en Jason duwde uit alle macht tegen de draaistang die de ingang afsloot. Uit zijn ooghoek zag hij een van de gemaskerde Mastreguloj uit de hoofddeur van de raadskamer komen.

“Sterf!” gilde de man en hij wierp een glazen bol naar Jasons hoofd.

“Bedankt,” zei Jason die het ding keurig met zijn vrije hand uit de lucht plukte. Hij liet hem in zijn kleren glijden terwijl hij de deur opentrok.

De achtervolging werd juist ingezet toen hij de glibberige trap afrende en in de dichtstbijzijnde boot sprong. Die was te groot voor hem om er makkelijk in te kunnen roeien, maar hij sneed de vang door en duwde af met een bladvormige roeispaan.

In het kanaal stond een zwakke stroom en daarop liet hij zich wegdrijven terwijl hij de riemen in de dollen liet vallen en er flink aan trok. Op de trap verschenen gestalten, er werd geschreeuwd, toortsen flikkerden; toen werd er een vlaag natte sneeuw tussen hen in geblazen en ze verdwenen uit het gezicht. Jason roeide verder in de duisternis en lachte grimmig in zichzelf.

XIII

Hij roeide tot hij warm was en toen liet hij de boot met het tij meedrijven. In het duister bonsde hij tegen onzichtbare voorwerpen op en toen hij bij een ander kanaal kwam raakte hij in een draaikolk. Snel roeide Jason het andere kanaal op en hij zocht zich een weg door een doolhof van vage sloten tussen lage eilanden en steile muren. Toen hij er zeker van was dat zijn spoor voldoende was verward, roeide hij naar de dichtstbijzijnde wal waar hij de boot kon aanleggen. Die kwam stil te liggen en hij sprong eruit, zakte totaan zijn enkels in het natte zand en trok de boot zover hij kon op het strand.

Toen hij er geen beweging meer in kon krijgen klom hij er weer in, verstopte hij de glazen bol in het ruim waar hij niet per ongeluk kon worden gebroken en ging hij op de ochtend zitten wachten. Hij had het koud en hij zat te bibberen en voor het eerste grijze licht door de sneeuw heendrong was hij in een zeer slecht humeur.

Vage vormen maakten zich langzaam uit de duisternis los — een paar kleine boten vlakbij op het strand getrokken die stevig aan palen waren geketend; en verder terug kleine, lage hutten. Uit een van de hutten kroop een man, maar zodra hij Jason en de boot zag, verdween hij krijsend weer uit het gezicht. Binnen hoorde hij geritsel en gemompel en Jason klom uit de boot op het strand en zwaaide het slagzwaard een paar maal heen en weer om zijn spieren los te maken.

Een tiental mannen kwam aarzelend over het strand op hem af, met knuppels en roeiriemen, maar ze bibberden bijna van angst.

“Ga weg, laat ons met rust,” zei de leider terwijl hij zijn wijsvinger en zijn pink uitstak om het boze oog af te wenden. “Neem je smerige schuit, Mastrulego en vertrek van onze kust. Wij zijn maar arme vissers…”

“Ik voel volkomen met jullie mee,” zei Jason die op zijn zwaard leunde. “En ik ben net zomin gek op de Mastrulegojals jullie.”

“Maar je boot — daar is het teken,” en de leider wees naar een afschuwlijk stukje snijwerk op de boeg.

“Die heb ik van hen gestolen.”

De vissers liepen kreunend rond, sommigen renden weg terwijl anderen op hun knieën vielen om te bidden. Een van hen gooide zijn knuppel naar Jason, een halfslachtige worp die Jason makkelijk opving met zijn zwaard.

“We zijn verloren,” jammerde de leider. “De Mastrulegoj zullen achter je aan komen, dan zien ze die vervloekte boot en dan zullen ze ons overvallen en ons allemaal doden. Neem hem mee, ga onmiddellijk weg!”

“Daar zit wat in,” was Jason het met hem eens. De boot was een belemmerende factor. Hij kon hem nauwelijks in zijn eentje hanteren en hij was te makkelijk te herkennen om er ongemerkt mee rond te varen. Terwijl hij de vissers goed in de gaten hield haalde Jason de glazen bol weer tevoorschijn. Toen zette hij zijn schouder tegen de boeg en duwde hij de boot weer in het water, waar hij door de stroom werd gegrepen en uit het gezicht verdween.

“Dat probleem is uit de wereld,” zei Jason. “Nu moet ik terug naar het Perssonoj fort. Wie van jullie wil me daarheen brengen?”

De vissers liepen weg en Jason ging vlak voor de leider staan voor die ook kon verdwijnen. “Nou, hoe denk je erover?”

“Ik denk niet dat ik het kan vinden,” zei de man terwijl hij onder zijn verweerde huid wit wegtrok. “Mist, natte sneeuw, ik ga nooit die kant op…”

“Vooruit nou, je zal behoorlijk worden beloond zodra we aan land gaan. Noem het bedrag.”

De man lachte geringschattend en probeerde opzij weg te glippen.

“Ik begrijp wat je bedoelt,” zei Jason terwijl hij met zijn zwaard de ander de weg versperde. “Krediet is een gewoonte die hier niet veel waard is.”

Jason keek bedachtzaam naar zijn zwaard en toen beseftehij voor het eerst dat de bobbels op het gevest, geslepen edelstenen waren ter versiering. Hij wees ernaar.

“Vooruit dan, ik betaal vooruit als je een mes voor me hebt waarmee ik deze stenen eruit kan peuteren. Als voorschot de rode die eruit ziet als een robijn en dan de groene als we er zijn.”

Na wat geharrewar en nog een rode steen erbij, won, zoals gewoonlijk, de hebzucht het van de angst en de visser duwde een kleine slecht gebouwde boot in het kanaal. Hij roeide terwijl Jason hoosde en ze begonnen aan een heimelijke tocht door kleine kanalen. Geholpen door sneeuw, mist en de plotseling hervonden nauwkeurige kennis van de visser omtrent de kanalen, kwamen ze ongezien aan bij een vervallen stenen trap die naar een gesloten poort leidde. Jason die zo langzamerhand de plaatselijke gewoonten wel kende, besefte dat het wel iets heel anders kon zijn, zelfs een toegang tot de Mastrulegoj die hij zojuist had verlaten en hij hield een voet in de boot tot er een wachter verscheen met de kenmerkende stralende zon van de Perssonoj op zijn rug. De visser nam verbaasd de laatste betaling in ontvangst en roeide mompelend weg. Er werd nog een wachter geroepen; Jasons zwaard werd afgepakt en toen werd hij snel naar de spreekkamer van de Hertug gebracht.

“Verrader!” schreeuwde de Hertug die alle formaliteit overboord zette. “Jij beraamt een plan om mijn mannen te doden en te ontvluchten, maar nu heb ik je —”

“O, hou toch op!” zei Jason geërgerd en hij schudde zich los van de twee wachters die zijn armen vasthielden. “Ik ben vrijwillig teruggekeerd, en dat moet, zelfs in Appsala, toch wel wat betekenen. Ik werd ontvoerd door de Mastreguloj met de hulp van een verrader uit je wacht —”

“Hoe heet hij?”

“Benn’t zaliger — daar heb ik zelf voor gezorgd. Jouw trouwe kapitein verraadde je aan de concurrentie, die wilden dat ik voor hen zou werken, maar dat nam ik niet aan. Hun zaakje beviel me niet erg en ik ben weggegaan voor ze een voorstel konden doen. Maar ik heb een monstertjemee teruggenomen.” Jason haalde de glazen bol met zuur voor de dag en de wachters liepen schreeuwend achteruit en zelfs de Hertug verbleekte.

“Het brandende water,” hijgde hij.

“Precies. En zodra ik wat lood te pakken kan krijgen wordt het een onderdeel van de natte batterij die ik aan het uitvinden was. Ik ben ontstemd Hertug — ik houd er niet van ontvoerd en gecommandeerd te worden. Alles hier in Appsala ergert me en ik heb plannen voor de toekomst. Stuur die mannen weg zodat ik je mijn plannen kan voorleggen.”

De Hertug kauwde zenuwachtig op zijn lip en keek naar de wachters.

“Je bent teruggekomen,” zei hij tegen Jason — ’waarom?”

“Omdat ik jou net zo nodig heb als jij mij. Jij hebt flink wat mensen, macht en geld. Ik heb grote plannen. Stuur nou die bedienden weg.”

Er stond een kom met krenoj op tafel en Jason viste er een verse uit en beet er een stuk af. De Hertug dacht diep na. “Je bent teruggekomen,” zei hij weer. Hij scheen dat feit verbazingwekkend te vinden. “Laten we praten.”

“Alleen.”

“Verlaat de kamer,” beval hij, maar hij hield als voorzorgsmaatregel een gespannen kruisboog bij de hand. Jason negeerde die; hij had niet anders verwacht. Hij liep naar het bobbelige raam en keek uit over de eilandstad. De storm was eindelijk gaan liggen en een waterig zonnetje bescheen de donkere natte daken.

“Hoe zou je het vinden om dat alles te bezitten?” vroeg Jason.

“Ga verder.” De kleine oogjes van de Hertug glinsterden.

“Ik heb dit al eerder gezegd, maar nu meen ik het — ernstig. Ik zal de geheimen van elke andere groep op deze planeet onthullen. Ik zal je laten zien hoe de d’zertanoj olie destilleren, hoe de Mastreguloj zwavelzuur maken en hoe de Trozelligoj motoren bouwen. Dan zal ik je wapenen verbeteren en zoveel mogelijk nieuwe invoeren. Ik zal de oorlog zo verschrikkelijk maken dat hij niet langer mogelijk is.

Hij gaat natuurlijk gewoon door, maar jouw troepen zullen altijd winnen. Je zal de concurrenten een voor een uitroeien, te beginnen bij de zwakste tot je heer en meester van deze stad bent en dan heer en meester van de hele planeet. Alle rijkdommen van deze wereld zullen van jou zijn en je avonden zullen worden opgevrolijkt door de afschuwelijke doden die je aan je vijanden zal beschikken. Wat zeg je daarvan?”

Supren la Perssonoj!” schreeuwde de Hertug terwijl hij overeind sprong.

“Ik dacht al dat je dat zou zeggen. Als ik hier een tijdje moet zitten wil ik het systeem een paar flinke opdoffers verkopen. Ik leef hier veel te ongemakkelijk en het is tijd dat dat verandert.”

XIV

De dagen werden langer, de sneeuw veranderde in regen, maar zelfs die hield uiteindelijk op. Tenslotte werden de laatste wolken naar de zee geblazen en scheen de zon over de stad Appsala. Knoppen sprongen open, bloemen bloeiden op en vervulden de lucht met geuren, terwijl uit het warmer wordende water van de kanalen een andere, minder plezierige geur opsteeg die Jason net zo goed had kunnen missen. Maar hij had weinig tijd om erop te letten, want hij maakte lange uren met research en productie, een voortdurend uitputtende taak. Zuiver wetenschappelijk onderzoek en productieontwikkeling waren duur en toen de rekeningen teveel opliepen krabde de Hertug in zijn baard en begon hij te mompelen over de goede oude tijd. Dan moest Jason alles laten liggen en weer een paar nieuwe wonderen fabriceren. De booglamp was er een van; toen het elektrische smidsvuur, dat goed van pas kwam bij het metallurgische werk en dat de Hertug zeer gelukkig maakte, vooral toen hij merkte dat het een geweldig martelwerktuig wasen hij hield er een gevangen Trozelligo in tot die hen vertelde wat ze wilden weten. Toen de nieuwigheid daarvanaf ging, voerde Jason het galvaniseren in, wat hielp om de schatkist te vullen, zowel door de verkoop van sieraden als door valse munterij.

Nadat Jason met uitgebreide voorzorgsmaatregelen de glazen bol van de Mastreguloj had opengemaakt, overtuigde hij zich ervan dat er echt zwavelzuur in zat en hij maakte een zware, maar doelmatige accu. Hij was nog steeds kwaad over de ontvoering en hij leidde een aanval op een schuit van de Mastreguloj en maakte een grote voorraad zuur buit en ook nog verscheidene andere chemicaliën. Als hij maar even tijd had nam hij daar proeven mee. Hij had een paar keer een dood spoor gevolgd, maar daar had hij op terug moeten komen. Hij was de formule voor kruit kwijt, en dat maakte hem neerslachtig, hoewel zijn helpers die in oude mesthopen hadden moeten zoeken naar salpeter, zich erover verheugden.

Meer succes had hij met karoj en stoommachines, vanwege zijn vroegere ervaring en hij ontwikkelde een stevige lichtgewicht scheepsmotor. In zijn vrije tijd vond hij het letterzetten uit, de telefoon en de luidspreker — die, samen met de grammofoonplaat, wonderen deed voor het religieuze inkomen door stemmen van geesten te produceren. Hij maakte ook een scheepsschroef bij zijn motor en was bezig aan een stoomblijde. Hij had voor zijn eigen plezier een destilleerapparaat gebouwd in zijn kamer waarmee hij een ruwe maar doeltreffende brandewijn stookte.

“Al met al gaat het niet zo slecht,” zei hij, toen hij achterover lag in zijn zachte luie stoel met een glas van zijn laatste en beste brandewijn in de hand. Het was een warme dag geweest en tamelijk benauwd met de dampen die uit de kanalen opstegen, maar nu blies er een koele, zilte zeebries door het open raam. In zijn buik zat een heerlijke biefstuk, gebakken op een zelfuitgevonden houtskoolgrill, opgediend met gestampte krenoj en brood dat was gebakken van meel dat in zijn kortgeleden uitgevonden molen was gemalen. Ijale stond zingend af te wassen in de keukenen Mikah haalde ijverig een borstel door de buizen van het destilleerapparaat om de droesem van de laatste partij te verwijderen.

“Weet je zeker dat je er niet even een met me wil drinken,” vroeg Jason die overliep van menslievendheid.

“De wijn is een spotter, de drank een luidruchtige… Spreuken,” deklameerde Mikah zo mooi mogelijk.

“Wijn die het hart der mensen verheugt. Psalmen. Ik heb de Schrift ook gelezen. Maar als je geen vriendschappelijk glas wilt drinken, neem dan een verfrissend glas water en rust wat. Dat karweitje kan wel tot morgen wachten.”

“Ik ben je slaaf,” zei Mikah somber en hij raakte even de ijzeren band om zijn nek. Toen ging hij weer aan het werk.

“Nou, dat is je eigen schuld. Als jij meer te vertrouwen was, zou ik je vrijlaten. Waarom doe ik dat eigenlijk niet? Geef me alleen je woord dat je geen moeilijkheden meer zal veroorzaken en dan heb ik je uit die boord voor je hottentottententententoonstelling kan zeggen. Ik denk dat ik nu bij de Hertug wel in zo’n goed blaadje sta dat ik kleine moeilijkheden die je zou kunnen veroorzaken wel kan oplossen. Wat zeg je ervan? Ook al is je conversatie beperkt, hij is in ieder geval twee keer zo goed als wat ik verder op deze planeet kan vinden.”

Mikah raakte de band weer aan en hij keek heel even bedachtzaam. Toen schreeuwde hij: ’Nee!” en hij trok zijn vingers terug alsof hij ze had gebrand. “Achter me Satan! Weg met jou! Ik zal jou geen beloften doen, en ook zal ik mijn eer niet lenen aan zo iemand als jij. Dan liever als slaaf leven tot de dag van de bevrijding wanneer ik jou terecht zal zien staan voor misdaden als deze, wanneer je voor een rechtscollege staat en wordt gevonnist en verdoemd.”

“Nou, je laat weinig twijfel bestaan over je doeleinden.” Jason dronk waarderend zijn glas leeg en vulde het weer. “Ik hoop dat ze worden vervuld, tenminste dat stuk over de dag van de bevrijding; daarna vind ik onze opvattingen over de juiste loop der dingen wat verschillen. Maar heb je er ooit bij stilgestaan hoe ver weg die dag van de bevrijding kan liggen? En hoe ben je van plan om die dag te realiseren?”

“Ik kan niets doen — ik ben een slaaf!”

“Ja, en we weten alletwee waarom. Maar buiten dat, denk je dat je meer zou kunnen doen als je vrij was? Die vraag zal ik voor je beantwoorden. Nee. Maar ik kan wel meer doen, en ik heb een paar antwoorden gevonden. In de eerste plaats zijn er behalve wij, geen buitenwerelders op deze afgelegen planeet. Ik vond wat kristallen die behoorlijk resoneren en ik heb een kristalontvanger gebouwd. Ik hoorde niets, behalve atmosferisch geruis en mijn eigen heilige S.O.S.”

“Wat voor godslastering sla je nou weer uit?”

“Heb ik je dat nooit verteld? Ik heb een eenvoudige zender gebouwd, vermomd als een elektronische gebedsmolen en de gelovigen hebben sinds de eerste dag zeer godvruchtig uitgezonden.”

“Is er voor jou dan niets heilig, godslasteraar?”

“Daar zullen we het een andere keer over hebben — hoewel ik niet zie waar je nu weer over klaagt. Bedoel je dat je deze onechte godsdienst met de grote god Elektro en de hele poespas respecteert? Je zou dankbaar moeten zijn dat ik de gelovigen productief maak. Als er ooit een ruimteschip in de buurt van deze planeet komt zal het dat noodsein oppikken en deze kant uitkomen.”

“Hoe gauw?” vroeg Mikah die ondanks zichzelf geïnteresseerd was.

“Kan vijf minuten — kan ook vijfhonderd jaar zijn. Zelfs als er iemand naar je op zoek is; er zijn heel wat planeten in dit heelal. Ik denk niet dat de Pyrranen achter mij aan zullen gaan — ze hebben maar één ruimteschip en dat hebben ze hard nodig. Hoe staat het met jouw mensen?”

“Ze zullen voor me bidden, maar ze kunnen niet gaan zoeken. Het grootste deel van ons geld werd besteed aan het schip dat jij zo opzettelijk vernielde. Maar hoe zit het met andere schepen? Er zullen toch wel handelaren en onderzoekers…”

“Toeval — het hangt volledig van de grillen van het lot af.Zoals ik al zei, over vijf rninuten, vijf eeuwen — of nooit. Blind toeval.”

Mikah liet zich somber neerploffen en Jason — ondanks het feit dat hij besefte dat hij beter zou moeten weten — voelde even medelijden met hem. “Kop op, zo slecht is het hier niet,” zei hij. “Vergelijk alleen onze huidige positie maar met ons eerste krenobaantje in Ch’aka’s vrolijke bende. Nu hebben we een woonruimte met gemakkelijke meubelen, verwarming, goed eten en, zo snel als ik ze kan uitvinden alle moderne gemakken. Voor mijn eigen gemak en ook wegens het feit dat ik zoveel van de betrokkenen haat, ga ik deze wereld uit zijn middeleeuwen halen en breng ik hem op weg naar de glorie van de technologische toekomst. Dacht je dat ik alleen om de Hertug te helpen zoveel moeite deed?”

“Ik begrijp het niet.”

“Dat is nogal kenmerkend. Kijk, we hebben hier een stilstaande cultuur die nooit zal veranderen zonder dat er op de juiste plaats een grote lading dynamiet wordt geplaatst. Dat ben ik. Zolang kennis als een ambtsgeheim wordt geclassificeerd, zal er geen vooruitgang zijn. Er zullen misschien kleine wijzigingen en verbeteringen binnen de groepen komen in hun eigen specialiteit, maar niet iets van wezenlijk belang. Dat ga ik allemaal te gronde richten. Ik zal de Hertug de kennis van alle andere groepen geven, plus nog een hoop apparaten waar zij nog niets vanaf weten. Dat verstoort het evenwicht dat deze oorlogszuchtige massa’s gewoonlijk min of meer in bedwang houdt en als hij zijn oorlog goed voert — waarmee ik bedoel op mijn manier — kan hij ze een voor een opruimen…”

“Oorlog?” vroeg Mikah met opengesperde neusvleugels en het oude vuur weer in zijn ogen. “Zei je oorlog?”

“Dat is het woord,” antwoordde Jason die voldaan aan zijn glas nipte, dronken van zijn eigen visioen en half zat van zijn eigen brouwsel, zodat hij de waarschuwende tekenen niet opmerkte. “Zoals iemand eens heeft gezegd, waar gehakt wordt vallen spaanders. Als deze wereld aan zijn lot wordt overgelaten zal hij eeuwig langs zijn baan blijvenkruipen terwijl negenennegentig procent van de bevolking is gedoemd tot ziekte, armoede, vuiligheid, ellende, slavernij en de hele rest. Ik zal een oorlog ontketenen, een keurige, schone wetenschappelijke oorlog die de concurrentie zal uitroeien. Als dat allemaal voorbij is, zal deze planeet een heel, heel wat beter plaats zijn voor iedereen. De Hertug zal de andere groepen hebben opgeruimd en hij zal dan dictator zijn. Het werk dat ik doe grijpt nu al te hoog voor de oude sciuloj; ik heb al slaven in dienst genomen en ik ben jongere werktuigkundigen van de familie aan het opleiden. Als ik daarmee klaar ben zullen alle wetenschappen zich hebben vermengd en zal de industriële revolutie hier goed op gang zijn. De weg terug is afgesneden omdat de oude manieren dood zijn. Machines, kapitaal, ondernemers, vrije tijd, kunst…”

“Jij bent een monster!” kraste Mikah tussen zijn tanden. “Jij wilt zelfs een oorlog ontketenen en duizenden onschuldigen ter dood veroordelen om je eigen ego te bevredigen. Ik zal je tegenhouden, ook al kost het me mijn leven.”

“Watizzer…?” zei Jason en hij hief zijn hoofd op. Hij was in slaap gesukkeld, doodop van het werk en gesust door zijn eigen visioen.

Maar Mikah gaf geen antwoord. Hij zat met zijn rug naar hem toe, nog steeds over het destilleerapparaat gebogen. Zijn gezicht was vuurrood en zijn tanden waren zo stijf in zijn onderlip gedrukt dat er een dun straaltje bloed langs zijn kin liep. Eindelijk had hij geleerd dat je op bepaalde momenten beter je mond kunt houden, hoewel hij bijna overleed aan de inspanning van het zwijgen.

Op de binnenplaats van het Perssonoj fort stond een grote stenen bak die volgehouden werd met zoet water dat uit schuiten werd overgepompt. Hier ontmoetten de slaven elkaar als ze water kwamen halen, en hier werd geroddeld — en geïntrigeerd. Mikah wachtte op zijn beurt bij de kraan om zijn emmer te vullen, maar hij bekeek tegelijk de gezichten van de andere slaven; hij zocht naar degene die een paar weken geleden tegen hem had gesproken en diehij toen had genegeerd. Eindelijk zag hij hem. Hij sleepte bossen brandhout aan van de kade en Mikah ging naar hem toe.

Ik zal helpen,” fluisterde Mikah in het voorbijgaan. De man lachte gemeen.

Eindelijk verstandig geworden. Alles wordt geregeld.”

Het was volop zomer. De dagen waren warm en vochtig en de lucht koelde pas wat af als het donker was. Jason was aan het uitproberen van zijn stoomlepelblijde toe, en toen werd hij gedwongen zijn stelregel dat hij alleen overdag werkte, te doorbreken. Op het laatste moment besloot hij ’s avonds de proef te doen, want overdag was de hitte niet te dragen als de oliestook-stoomketel op volle kracht draaide. Mikah was water aan het halen voor hun keukentank — dat had hij overdag vergeten — dus had Jason hem niet gesproken toen hij na het eten naar de werkplaats ging. Jasons helpers hadden de ketel heet en onder druk: de proeven begonnen. Door het gesis van ontsnappende stoom en al het andere lawaai van het apparaat merkte hij voor het eerst dat er iets niet in orde was toen er een soldaat naar binnen stormde; het bloed stroomde over zijn leren wambuis uit een wond in zijn schouder waar een kruisboogpijl in stak.

“Aanval — Trozelligoj!” hijgde hij.

Jason schreeuwde bevelen, maar in de algemene ren naar de deur werd er niet op hem gelet. Hij vloekte en bleef even achter om het vuur te temperen en een kraan open te draaien zodat de ketel niet zou ontploffen als hij weg was. Toen ging hij de anderen achterna door de deur, langs het rek waarop zijn experimentele wapens lagen, en zonder stil te staan greep hij een pas gefabriceerde morgenster, een akelig uitziend wapen dat bestond uit een dik handvat waarop een bronzen bol zat met machinaal vervaardigde stalen punten. Hij lag prettig in de hand en floot door de lucht als hij ermee zwaaide.

Hij rende door de donkere gangen naar het geschreeuw in de verte, dat van de binnenplaats scheen te komen. Toenhij langs de trap naar de bovenverdiepingen rende, hoorde hij vaag ergens boven iets kletteren en een gedempt geschreeuw. Toen hij uit de brede hoofdingang kwam die op de binnenplaats uitkwam, zag hij dat het gevecht op zijn eind liep en wel zonder zijn hulp zou worden gewonnen.

Booglampen beschenen het toneel met een hard licht. De sluisdeur die naar de haven leidde was gedeeltelijk open geramd door een schuit met een puntige boeg die daar nog steeds vastlag tussen de versplinterde deuren. De Trozelligoj die er niet in waren geslaagd de binnenplaats binnen te dringen, waren langs de muur aangevallen en ze hadden het grootste gedeelte van de wacht daar omgebracht. Maar voor ze de binnenplaats konden bereiken en via de muur versterkingen konden aanvoeren werden ze tegengehouden door de tegenaanval van de gealarmeerde verdedigers. Nu was een overwinning onmogelijk; ze trokken zich langzaam terug en dekten de aftocht. Er stierven nog steeds mannen, maar het gevecht was afgelopen. In het water dreven lijken, de meeste vol pijlen en de gewonden werden al weggesleept. Hier kon Jason niet veel doen en hij vroeg zich af wat er achter deze middernachtelijke strooptocht stak.

Op hetzelfde moment had hij een voorgevoel dat er nog meer moeilijkheden dreigden. Wat was er verkeerd? De aanval was afgeslagen, toch had hij het gevoel dat er iets niet in orde was, iets belangrijks. Toen herinnerde hij zich de geluiden die hij in het trappenhuis had gehoord — zware voetstappen en wapengekletter. En de schreeuw die plotseling afbrak alsof iemand het zwijgen was opgelegd. Toen hij de geluiden hoorde hadden ze weinig betekend; als hij er al aandacht aan had geschonken, had hij gedacht dat er nog meer soldaten aan het gevecht gingen deelnemen.

“Maar ik was de laatste die de deur uitging! Er kwam niemand van de trap af!” En terwijl hij die woorden uitsprak rende hij al naar de trap en holde hij met drie treden tegelijk naar boven.

Ergens boven zich hoorde hij een bons en het gekletter van metaal op steen. Jason stormde de hal in, struikelde bijnaover een lijk dat daar lag en besefte dat de geluiden van het gevecht uit zijn eigen kamers kwamen. Daarbinnen was het een gekkenhuis, een slachthuis; er was nog maar één lamp heel en in het vage licht daarvan strompelden soldaten over de gebroken overblijfselen van zijn meubilair en stierven ze. De kamers leken wel kleiner nu ze vol waren met vechtende mannen en Jason sprong over een hoopje lijken heen om zich bij de gedunde rijen van de Perssonoj te voegen.

“Ijale,” schreeuwde hij, “waar ben je?” en hij zwaaide de morgenster tegen de helm van een aanvallende soldaat. De man viel en sleurde nog iemand met zich mee en Jason sprong in het gat.

“Daar is hij!” riep een stem uit de achterhoede van de Trozelligoj en Jason werd bijna onder de voet gelopen toen de aanvallers hun aandacht op hem richtten. Er waren er zoveel dat ze elkaar in de weg liepen in hun wanhopige aanval. Ze probeerden hem buiten gevecht te stellen en probeerden zijn benen onder hem uit te maaien of een pijl in zijn arm te schieten. Er sneed een zwaard in zijn kuit voor hij het kon afweren en zijn arm deed pijn van de inspanning om de morgenster als een warrelend doodsweb voor zich rond te draaien. Hij zag alleen de wanhopige mannen die hem aanvielen en hij wist niet dat het nieuws van de aanval was doorgegeven en dat er meer verdedigers waren gearriveerd tot de soldaten voor hem achteruit werden gedrongen door een stormloop van Perssonoj.

Jason wiste met zijn mouw het zweet uit zijn ogen en strompelde achter hen aan. Er waren nu meer fakkels en hij zag dat de overvallers die nu in de minderheid waren zich terugtrokken en schouder aan schouder de aftocht dekten terwijl anderen probeerden door de brede ramen te klimmen die op het kanaal uitkwamen. Zijn zorgvuldig aangebrachte glazen ramen waren nu een tapijt van scherven; in de kozijnen en de muur zaten haken en enterijzers en door de opening liepen dikke touwen naar buiten.

Een groep boogschutters stormde naar binnen en schoot de laatsten uit de achterhoede neer, en Jason leidde de stormloop naar het raam. Langs de muur verdwenen donkere gestalten uit het gezicht die in wanhopige haast langs de afhangende touwladders naar beneden klommen. De schreeuwende overwinnaars begonnen de touwen door te zagen tot Jason hen met een armzwaai opzij duwde.

“Nee — achter hen aan!” schreeuwde hij en hij zwaaide zijn been over de vensterbank. Met het handvat van de morgenster tussen zijn tanden klom hij de zwaaiende touwladder af en hij vervloekte binnensmonds de slingerende sporten. Toen hij onderaan kwam zag hij dat de uiteinden van de touwen in het water hingen en hij hoorde het geluid van snelle roeiriemen die in het duister verdwenen. Plotseling besefte Jason dat zijn been pijnlijk was gewond en dat hij doodop was; hij ging niet proberen weer omhoog te klimmen.

“Laat ze een boot brengen,” zei hij tegen de soldaat die achter hem aan naar beneden was geklommen. Toen hing hij daar met zijn arm over een sport tot de boot arriveerde. De Hertug zelf stond met een getrokken zwaard voorin de boeg.

“Wat is dit voor een aanval? Wat heeft hij te betekenen?” vroeg de Hertug. Jason hees zich moeizaam in de boot en liet zich op een bank vallen.

“Dat is nu duidelijk genoeg — de hele aanval was alleen maar bedoeld om mij in handen te krijgen. De aanval op de sluis moest helemaal niet slagen, dat was gewoon een afleidingsmanoeuvre terwijl het echte plan om mij te ontvoeren werd uitgevoerd. Het was louter toeval dat ik vanavond in de werkplaats was — gewoonlijk slaap ik om deze tijd.”

“Wie zou jou willen hebben? Waarom?”

“Is het nu nog niet tot je doorgedrongen dat ik het meest waardevolle bezit in Appsala ben? De Mastreguloj waren de eersten die dat beseften; die slaagden er ook in me te ontvoeren, wat je je nog wel zult herinneren. We hadden op onze hoede moeten zijn voor een aanval van de Trozelligoj; ze moeten toch nu wel weten dat ik stoommachines maak, hun oude monopolie.”

De boot gleed door de versplinterde sluisdeur naar binnen en kwam tegen de kade tot stilstand en Jason sprong pijnlijk op de wal.

“Maar hoe zijn ze binnengekomen en hoe hebben ze jouw kamer gevonden?” vroeg de Hertug.

“Het was van binnenuit geregeld, een verrader zoals altijd op deze planeet vol ongedierte. Iemand die wist hoe het hier toegaat, die de haak kon vastzetten en de eerste touwladder omlaag kon werpen naar de wachtende boten, vlak voor de aanval. Ijale was het niet — ze moeten haar gevangen hebben genomen.”

“Ik zal ontdekken wie de verrader is!” brulde de Hertug. “Ik zal hem centimeter voor centimeter in de boogvlam verbranden.”

“Ik weet wie het is,” zei Jason met een boze glans in zijn ogen. “Ik hoorde zijn stem toen ik binnenkwam; hij vertelde ze wie ik was. Ik herkende de stem — het was mijn slaaf, Mikah.”

XV

“Daar zullen ze voor boeten — o, wat zullen ze hiervoor boeten!” gromde de Hertug en hij knarste verschrikkelijk met zijn tanden. Hij nipte aan een glas van Jasons brandewijn en zijn neus en zijn ogen waren nog roder dan gewoonlijk.

“Ik ben blij je dat te horen zeggen, omdat ik dat precies zo in gedachten had,” zei Jason die achterover lag op een bank met een nog groter glas op zijn borst. Hij had de snee in zijn been met gekookt water uitgewassen en hem met steriele windsels verbonden. Nu klopte het een beetje, maar hij dacht niet dat hij er moeilijkheden mee zou krijgen. Hij negeerde het en ging door met plannen maken. “Laten we nu de oorlog beginnen,” zei hij.

De Hertug knipperde met zijn ogen. “Is dat niet te plotseling? Ik bedoel zijn we al klaar?”

“Ze drongen je kasteel binnen, vermoordden je soldaten, vernielden je —”

“Dood aan de Trozelligoj!” schreeuwde de Hertug en hij smeet zijn glas tegen de muur.

“Dat lijkt er meer op. Vergeet niet wat een achterbakse miskramen het zijn, dat ze zo’n rotstreek uithalen. Je kan ze niet ongestraft laten gaan. Daarbij komt nog het feit dat we beter gauw met de oorlog kunnen beginnen, anders krijgen we de kans niet meer. De Trozelligoj moeten wel erg bezorgd zijn als ze al deze moeite willen doen om mij te pakken te krijgen. Aangezien dit plan niet lukte, zullen ze hierna met een krachtiger aanval op de proppen komen — en misschien krijgen ze dan wel een paar van de andere groepen zover dat ze meehelpen. Ze beginnen allemaal bang voor je te worden Hertug, dus kunnen we de oorlog beter aan het rollen brengen voor ze besluiten zich samen te voegen en ons uit te roeien. We kunnen nog steeds een voor een de groepen te pakken nemen en zeker zijn van de overwinning.”

“Het zou makkelijker zijn als we meer mensen hadden, en een beetje meer tijd…”

“We hebben ongeveer twee dagen de tijd — zolang zal het duren voor ik mijn invasievloot heb uitgerust. Dat zal jou genoeg tijd geven om de reserves van het platteland op te roepen. Haal de boerderijen maar leeg, want we willen aanvallen en het Trozelligoj fort innemen en dit is de enige kans die we zullen krijgen. En de nieuwe stoomblijde zal het karwei klaren.”

“Heb je hem geprobeerd?”

“Net genoeg om te zien dat hij zal doen waarvoor ik hem had ontworpen. We kunnen het richten en mikken uitproberen met de Trozelligoj als doel. Zodra het licht is ga ik aan het werk, maar ik stel voor dat jij de bodes nu wegstuurt zodat de mannen hier ruim op tijd kunnen zijn. Dood aan de Trozelligoj!”

“Dood!” herhaalde de Hertug en hij grijnsde afzichtelijk terwijl hij een bediende belde.

Er was heel wat te doen en Jason speelde het klaar door niet naar bed te gaan. Als hij moe werd dacht hij aan Mikah de verrader, en vroeg hij zich af wat er met Ijale was gebeurd en dan dreef zijn woede hem weer aan het werk. Hij had geen enkele zekerheid dat Ijale nog leefde; hij nam gewoon maar aan dat ze ontvoerd was als een deel van zijn huishouding. En wat Mikah betrof, die zou heel wat te verantwoorden hebben.

Omdat de stoommachine en de schroef al in een schip waren gemonteerd en al binnen de sluisdeuren waren geprobeerd, duurde het niet lang voor het oorlogsschip klaar was. Eigenlijk moesten alleen de ijzeren platen worden vastgezet die hij had ontworpen om het onder de waterlijn te beschermen. Op de boeg was de beplating dikker en hij zag erop toe dat er van binnen stutspanten werden aangebracht. Eerst had hij erover gedacht de stoomblijde op het oorlogsschip te monteren, maar toen had hij besloten dat niet te doen. Het kon beter op een eenvoudiger manier. De blijde werd op een grote, platboomde schuit geplaatst samen met de ketel, de brandstoftanks en een verzameling zorgvuldig ontworpen projectielen.

De Perssonoj stroomden binnen, allemaal witheet van woede over de achterbakse aanval en dorstend naar wraak. Ondanks hun geschreeuw slaagde Jason erin de tweede nacht een paar uurtjes te slapen en hij liet zich tegen zonsopgang wekken. De vloot werd opgesteld en met veel tromgeroffel en vals trompetgeschetter staken ze van wal. Eerst kwam het oorlogsschip de ’Zonder Vrees’, met Jason en de Hertug op de versterkte brug; dit trok de platte schuit. Daarachter kwam een rij zeer gevarieerde schepen in alle maten, die waren volgeladen met manschappen. De hele stad wist wat er ging gebeuren en de kanalen waren verlaten en het Trozelligoj fort was afgesloten en gebarricadeerd, en het verwachtte hen. Een flink eind buiten het bereik van de pijlen van de vijandelijke muren liet Jason de stoomfluit gillen en met tegenzin kwam de vloot tot stilstand.

“Waarom vallen we niet aan?” vroeg de Hertug.

“Omdat zij binnen ons bereik zijn terwijl ze ons niet kunnen raken. Kijk maar.” Ruim dertig meter voor de boeg van het schip plonsden enorme speren met metalen punten in het water, “Jetilopijlen.” De Hertug huiverde. “Ik heb ze door de lichamen van zeven man zien gaan zonder dat ze vaart minderden.”

“Deze keer niet. Ik sta op het punt je de glorie van de wetenschappelijk gevoerde oorlog te laten zien.”

Het vuur van de jetiloj had evenmin enige uitwerking als de schreeuwende soldaten op de muren die met hun zwaarden op hun schilden sloegen en verwensingen naar hen riepen, en het hield al spoedig op. Jason stapte op de platte schuit over en lette erop dat hij stevig voor anker lag met zijn boeg recht naar het fort. Terwijl de druk toenam, richtte hij het vizier van de blijde en hij gokte maar wat met de elevatie.

Het was een eenvoudig, maar krachtig apparaat en hij had er hoge verwachtingen van. Op het draaibare platform dat ook omhoog kon, was één enkele grote stoomcilinder gemonteerd met zijn zuiger rechtstreeks bevestigd aan de korte arm van een lange hefboom. Als er stoom in de cilinder werd gelaten werd de korte, maar vreselijk krachtige slag van de zuiger door het mechanische voordeel omgezet in een verschrikkelijke snelheid aan het lange eind van de arm. Die zwiepte omhoog, dreunde tegen een stootbalk aan en werd gestopt, maar de lading die in de lepel aan het eind van de arm zat vloot met akelige snelheid door de lucht. Het mechanisme was getest en het werkte uitstekend hoewel er nog geen schoten mee waren afgevuurd.

“Volle druk,” riep Jason naar zijn werktuigkundigen. “Leg een van de stenen in de lepel.” Hij had een heleboel verschillende projectielen vervaardigd die allemaal evenveel wogen om het richten te vergemakkelijken. Terwijl het wapen werd geladen keek hij de flexibele stoomleidingen nog eens na; het was erg moeilijk geweest die te maken en ze hadden nog steeds de neiging te gaan lekken als ze lang onder druk stonden.

“Daar gaat-ie!” schreeuwde hij en hij trok de klep open.

De zuiger kwam bevredigend snel naar buiten, de arm zwiepte omhoog en dreunde met een klap tegen de stootbalk — terwijl de steen fluitend wegvloog, een steeds kleiner wordende stip. Alle Perssonoj juichten. Maar het gejuich hield op toen de steen bleef doorgaan en wel vijftig meter boven de hoogste toren van het fort voorbij vloog en aan de andere kant uit het gezicht verdween. Nu hieven ook de Trozelligoj een schor gejuich aan toen hij zonder enige schade aan te richten in het kanaal aan de andere kant plonsde.

“Dit was alleen maar een richtschot,” zei Jason voor de vuist weg. “Een beetje minder elevatie en dan zal ik er een als een bom op hun binnenplaats laten vallen.” Hij sloeg de uitlaatkleppen open en door de zwaartekracht kwam de lange arm weer horizontaal te liggen terwijl gelijk de zuiger terugzakte voor het volgende schot. Jason sloot de inlaatklep zorgvuldig en draaide aan het elevatiewiel. Er werd een steen geladen en hij vuurde weer. Dit keer juichten alleen de Trozelligoj in het fort toen de steen bijna recht omhoog schoot en toen naar beneden viel en een van de boten van de aanvallers tot zinken bracht, nog geen vijftig meter van de platte schuit. “Ik heb niet zo’n hoge dunk van jouw duivelse machine,” zei de Hertug. Hij was teruggekomen om naar het vuren te kijken.

“Er zijn altijd veldproblemen,” zei Jason tussen zijn opeengeklemde lippen. “Let maar op het volgende schot.” Hij besloot geen pogingen meer te doen mooie hoge bogen te schieten en nu recht vooruit te schieten, want het apparaat was veel krachtiger dan hij had gedacht. Hij draaide als een gek aan het elevatiewiel en hij bracht het achterstuk van de blijde zoveel omhoog dat de steen bijna evenwijdig aan het water uit de lepel zou vliegen. “Dit is het belangrijke schot,” kondigde hij aan met een overtuiging die hij niet voelde en hij kruiste de vingers van zijn vrije hand toen hij vuurde. De steen zoefde weg en trof doel vlak onder de kantelen van de muur. Hij schoot een groot stuk metselwerk weg en de soldaten die daar hadden gestaan werden grondig uitgeschakeld. Ze hoorden geen gejuich meer van de belegerde Trozelligoj.

“Ze krimpen ineen van angst!” schreeuwde de Hertug opgetogen. “Val aan!”

“Nog niet,” legde Jason geduldig uit. “Jij begrijpt de bedoeling van belegeringswerktuigen nog niet. Voor we aanvallen brengen we hen zoveel mogelijk schade toe — dat helpt.” Hij draaie het richtwiel een beetje en het volgende schot hapte verderop een stuk uit de muur. “En we veranderen onze munitie ook, gewoon maar om ze goed bezig te houden.

Toen hij met de stenen de muur had bewerkt en er al wat gaten in het hoofdgebouw zaten, richtte Jason iets hoger. “Speciale lading,” beval hij. Dat waren in olie gedrenkte, met stenen verzwaarde bundels vodden die waren samengebonden met touw.

Toen het speciale projectiel in de lepel lag stak hij het zelf aan en hij schoot het niet af voor het goed brandde. De snelle vlucht door de lucht wakkerde het aan tot een loeiende vuurbal die uit elkaar barstte op het rieten dak van het vijandelijke fort dat onmiddellijk begon te knetteren en te roken. “Daar proberen we er nog een paar van,” zei Jason die verheugd in zijn handen wreef.

De buitenmuur was op tientallen plaatsen doorboord, er waren twee torens ingestort en het grootste gedeelte van het dak stond in brand, voor de wanhopige Trozelligoj een poging tot een tegenaanval deden. Daar had Jason op gewacht en hij zag het onmiddellijk toen de sluisdeuren opengingen.

“Staakt het vuren,” beval hij, “en hou de druk in de gaten. Als jullie die ketel laten ontploffen zal ik persoonlijk iedereen die het heeft overleefd vermoorden.” Hij sprong in de bemande boot die langszij lag te wachten. “Snel naar het oorlogsschip!” zei hij en de boot slingerde heen en weer toen de Hertug achter hem aan sprong.

“De Hertug gaat altijd voorop!” schreeuwde hij en hij onthoofdde bijna een van de roeiers met zijn woest zwaaiende zwaard. “Dat vind ik best,” zei Jason, “maar kijk wel uit waar je dat zwaard stopt en hou je gedekt als ze beginnen te schieten.”

Toen Jason op de brug van de ’Zonder Vrees’ kwam zag hij dat de log-uitziende raderboot van de Trozelligoj uit de sluis was en recht op hen afkwam. Jason had bloedstollende verhalen over dit krachtige verwoestingswapen gehoord en het verheugde hem te zien dat het gewoon maar een onhandig, ongepantserd schip was, zoals hij al had verwacht.

“Volle kracht vooruit,” brulde hij in de megafoon en hij nam zelf het roer.

De schepen die recht op elkaar afvoeren kwamen snel dichterbij en de speren van de jetiloj, de overmaatse kruisbogen, ketsten van de pantserplaten van de ’Zonder Vrees’ en plonsden in het water. Ze richtten geen schade aan en de twee schepen bleven nog steeds recht op elkaar afvaren. Het gezicht van de lage, keverachtige en rook uitbrakende romp van de ’Zonder Vrees’ had de vijandelijke kapitein zeker geschokt, en hij moest hebben ingezien dat een botsing met deze snelheid zijn schip niet veel goed zou doen, want plotseling wendde hij de steven. Jason draaide aan het stuurwiel en volgde hem waarbij hij zijn boeg op de flank van het andere schip hield gericht.

“Hou je vast allemaal — we gaan ze rammen!” schreeuwde hij toen de hoge drakenboeg van het andere schip langsflitste met angstige gezichten achter de reling. Toen dreunde de metalen boeg van de ’Zonder Vrees’ loodrecht tegen het midden van het druipende bakboordrad en ramde diep in de romp van het schip. De ’Zonder Vrees’ lag plotseling stil en de dreunende klap wierp hen omver.

“Volle kracht achteruit, zodat we ons los kunnen trekken!” beval Jason en hij draaide snel het wiel rond.

Een soldaat die was overgesprongen of van het andere schip was gestoten viel op het gepantserde dek van de ’Zonder Vrees’. Onder het roepen van wilde strijdkreten klom de Hertug uit het raam van de stuurhut en hij viel de verdoofde man aan; hij gaf hem een zwaardhouw over zijn keel en schopte toen zijn lijk in het water. Uit de zijwieler klonk gegil, gebonk en het hoge sissen van ontsnappende stoom. De Hertug dook de veilige stuurhut weer in, juist voordat de eerste kruisboogpijlen omlaag suisden. De schroef draaide op volle kracht achteruit, maar de ’Zonder Vrees’ trilde alleen maar en bewoog niet. Jason mompelde iets en draaide het stuurwiel snel de andere kant op. Het schip slingerde, trok zich los en begon toen vlot achteruit te varen. Het water gorgelde en stroomde de kapotte zijwieler binnen, die onmiddellijk slagzij begon te maken en begon te zinken.

“Zag je hoe ik de schurk overmeesterde die ons durfde aan te vallen?” vroeg de Hertug enorm voldaan.

“Je hebt nog steeds een vervaarlijke slag over je,” zei Jason tegen hem. “Zag jij hoe ik dat gat in die schuit ramde? Ahhh! Daar gaat de ketel,” voegde hij eraan toe toen er uit het getroffen vijandelijke schip een enorme dreunende knal kwam, die werd gevolgd door een grote wolk van stoom en rook waarna het doormidden brak en snel zonk.

Tegen de tijd dat Jason het oorlogsschip weer naar zijn plaats had gebracht was de zijwieler verdwenen en waren de sluisdeuren weer dicht. “Vaar over de overlevenden heen,” beval de Hertug, maar Jason negeerde hem.

“Er staat water beneden,” zei een man die zijn hoofd door een luik stak. “Het loopt al over onze voeten.”

“Er zijn wat naden gebarsten na de dreun,” zei Jason. “Wat had je gedacht? Daarom heb ik de pompen geïnstalleerd en daarom hebben we tien extra slaven aan boord. Zet ze aan het werk.”

“Het is een dag van overwinning,” zei de Hertug die gelukkig naar het bloed op zijn zwaard keek. “Wat zullen de zwijnen een spijt hebben van de aanval op ons fort!”

“Ze zullen er nog meer spijt van hebben voor de dag voorbij is,” zei Jason. “We gaan nu over tot de laatste fase. Weet je zeker dat je mannen weten wat ze moeten doen?”

“Ik heb het ze zelf vele malen verteld en ik heb ze de bedrukte vellen papier met bevelen gegeven die jij hebt gemaakt. Alles is klaar voor het sein. Wanneer zal ik het geven?”

“Heel gauw. Jij blijft hier op de brug met je hand op de fluit terwijl ik nog een paar schoten afvuur.”

Jason ging weer naar de platte schuit en schoot nog een paar speciale brandbommen naar het dak om het vuur goed aan te houden. Toen liet hij een stuk of tien kartetsen vliegen — leren zakken met vuistgrote stenen die uiteenbarstten als ze werden afgevuurd — die alle brandweerlieden en soldaten opruimden die zo dom waren om zich bloot te geven. Toen werkte hij de muur weer langs met de zware stenen, waardoor die nog meer instortte, tot zijn snorrende projectielen de sluisdeuren bereikten. Hij had maar vier schoten nodig om de zware balken te versplinteren en van het hek een in elkaar gezakte ruïne te maken. De weg lag open. Jason zwaaide met zijn armen en sprong in de boot. De fluit gilde drie keer en de wachtende schepen van de Perssonoj begonnen de aanval.

Omdat er niemand was waarvan hij kon verwachten dat hij het karwei naar behoren zou uitvoeren, was Jason niet alleen opperbevelhebber van de aanvallers, maar ook laadmeester, stukscommandant, scheepskapitein en wat al niet, en hij kreeg moeie benen van het heen en weer rennen. Het kostte hem heel wat moeite naar de brug van de Zonder Vrees’ te klimmen. Als de aanvallers eenmaal in de vesting waren kon hij wat uitrusten en kon hij hen het karwei op hun doelmatige bloeddorstige wijze laten afmaken. Hij had zijn deel gedaan: hij had de verdediging verzwakt en een flink aantal doden veroorzaakt; nu zouden de manschappen samen het man-tegen-man gevecht voeren waardoor de weg naar de volledige overwinning open zou komen te liggen. De kleinere schepen die werden geroeid en gezeild waren al halverwege de afstand naar de kapotte muren voor de ’Zonder Vrees’ op gang kwam, maar het stoomschip haalde hen al gauw in. De aanvallers openden hun slagorde en het aanstormende schip schoot ertussendoor, recht op de vervallen overblijfselen van de sluisdeuren af. De gepantserde boeg ramde ertegenaan, scheurde ze krakend uit hun scharnieren en voer de binnenvijver op. Zelfs met volle kracht achteruit, hadden ze nog vaart toen ze tegen de kade bonsden en met een schok kwamen ze tot stilstand met de scherpe boeg diep in de palen geramd. Achter hen aan kwamen de brullende Perssonoj en van voren kwamen de verdedigende Trozelligoj; in enkele seconden waren ze in een dodelijk gevecht gewikkeld. De dappere lijfwacht van de Hertug bevond zich in de eerste golf en ze wachtten op hun leider om hem te beschermen toen hij ten aanval stormde.

Jason pakte een fles van zijn huisbrouwsel dat hij voor noodgevallen had meegenomen uit de beklede bergplaats en hij nam een opwekkende slok. Hij goot een tweede hoeveelheid in een beker om daar langzaam van te genieten en hij bekeek het gevecht vanuit zijn gunstige positie op de brug.

De uitslag stond al vast bij het begin, toen de strijdmachten handgemeen werden. De verdedigers waren gebeukt, verbrand en ver in de minderheid en hun moreel had een flinke deuk opgelopen. Toen de Perssonoj aanvielen over de kapotte muren en door de open sluisdeuren, konden ze zich alleen nog maar terugtrekken. De binnenplaats werd schoongeveegd en het gevecht verplaatste zich naar de diepten van het fort. Het werd tijd dat Jason zijn volgende steentje bijdroeg.

Hij dronk zijn beker leeg, schoof een klein schild op zijn linkerarm en greep de morgenster die zijn nut al had bewezen. Hij was er zeker van dat Ijale ergens daarbinnen was, en hij moest haar vinden voor er onaangename ongelukken gebeurden. Hij voelde zich verantwoordelijk voor het meisje — als hij er niet was geweest zou ze nog steeds met haar slavenbende door de woestijn langs de kust lopen. Er viel niet onderuit te komen, hij had haar in deze moeilijkheden gebracht en hij moest haar er weer veilig uit zien te halen. Hij holde de wal op.

Het vuur in het vochtige rieten dak scheen te zijn gedoofd zonder enige verdere schade aan het stenen gebouw aan te richten, maar het rookte nog wel en de gangen stonken verschrikkelijk. In de ingangshal waarde de dood rond — lijken en bloed en een paar gewonden. Jason schopte een deur open en ging dieper het fort in. In de grote eetzaal werd nog een laatste gevecht geleverd door de paar verdedigers, maar hij liep erlangs naar de keukens. Hier waren alleen maar slaven die onder de tafels waren weggekropen en de chef-kok die hem aanviel met een hakmes.

Jason ontwapende hem met een tikje van de morgenster en hij bedreigde de man met een pijnlijke dood als hij hem niet vertelde waar Ijale was. De kok praatte bereidwillig terwijl hij zijn gewonde arm vasthield, maar hij wist niets. De slaven sloegen alleen maar angstige onzin uit; ze waren hopeloos. Jason liep verder.

Een verschrikkelijk gebrul en een aanhoudend gedreun trok hem naar het enige grote gevecht dat nog aan de gang was in een ruimte die kennelijk de hoofdzaal was. Het licht viel binnen door grote ramen en er hingen vlaggen en wimpels. Nu was het er een grote puinhoop waar de strijdende massa’s heen en weer renden en uitgleden in het bloed en struikelden over de lichamen van de doden en de gewonden. Een regen van pijlen van de kruisboogschutters aan het verste eind van de zaal dreef de vechtende mannen uiteen en dwong de aanvallers hun schilden op te heffen om zich te beschermen.

Dwars over de kamer stond een rij gewapende mannen met schilden en aan het eind van die rij stond een kleinere groep mannen die kleuriger kleding en meer juwelen droegen, ongetwijfeld de adellijke Trozelligoj familie zelf. Ze stonden op het eetplatform waar nu al het meubilair vanaf was en ze konden over de hoofden van de strijdende mannen onder hen heenzien. Een van hen zag Jason binnenkomen en hij wees naar hem met zijn zwaard terwijl hij snel met de anderen overlegde. Toen draaiden ze zich allemaal naar hem toe en de groep opende zich. Jason zag dat ze Ijale vasthielden; ze was wreed geketend en gebonden en een van hen hield zijn zwaard tegen haar borst. Ze wezen daarop en hun bedoeling was duidelijk genoeg: als je aanvalt, sterft ze. Ze hadden er geen idee van wat ze voor hem betekende, maar ze moesten vermoeden dat hij enige genegenheid voor haar bezat. Ze stonden op het punt te worden afgeslacht, dus was iedere wanhopige daad de moeite van het proberen waard.

Jason reageerde met een withete woede en stoof naar voren. Verstandelijk wist hij dat er nu geen compromis mogelijk was; de overwinning was nabij, en iedere poging tot onderhandelen met de Hertug of de Perssonoj die door het dolle heen waren zou zeker uitlopen op Ijale’s dood. Hij moest naar haar toe.

Hij stormde van achteren op de Trozelligoj soldaten in, sloeg ze opzij en wierp zich op de rij gewapende wachten. Er schoot een pijl vlak langs zijn hoofd; hij merkte het niet en toen sprong hij op hen af. Zijn plotselinge aanval en zijn vliegende vaart deed de rij even achteruit deinzen en zijn morgenster floot in een gat tussen twee schilden en kwam precies op een gehelmd hoofd terecht. Hij ving een zwaardslag op met zijn schild en ramde de man die hij had geraakt en wierp hem op de grond. Toen hij eenmaal achter de soldaten was bleef hij niet vechten maar hij ploegde verder terwijl de rij zich probeerde te sluiten om weerstand te bieden aan de vijanden die toegesneld waren om hun voordeel te doen met Jasons zelfmoordaanval.

Er stond nog iemand op het platform die Jason tevoren niet had gezien; hij zag hem nu terwijl hij aanviel. Het was Mikah, de verrader, hier! Hij stond naast Ijale, die vermoord zou worden omdat Jason haar onmogelijk op tijd kon bereiken. Het zwaard suisde al omlaag om haar te doorsteken.

Jason ving nog net een glimp op van Mikah toen die naar voren stapte, de man met het zwaard bij de schouders greep en hem achterover op de grond smeet. Toen werd Jason van alle kanten tegelijk aangevallen en hij vocht wanhopig voor zijn leven.

De overmacht was te groot — vijf, zes tegen één — en alle aanvallers gewapend en wanhopig. Maar hij hoefde niet te winnen, hij hoefde ze alleen maar een paar seconden langer af te houden tot zijn eigen mannen arriveerden. Ze waren vlak achter hem; hij kon hun gejuich horen toen de rij van verdedigers viel. Jason ving een zwaard op met zijn schild, schopte een andere aanvaller opzij en sloeg een derde van zich af met de morgenster.

Maar er waren er teveel. Hij was helemaal ingesloten. Hij smeet er twee opzij en keerde zich toen naar de anderen achter hem. Daar — die oude man, de leider van deze mensen, woede in zijn ogen… een lang zwaard in de hand… een steek.

“Sterf duivel! Sterf verwoester!” gilden de Trozelligoj en ze vielen aan.

Het lange koele staal raakte Jason vlak boven zijn riem, het stak in zijn lichaam met een verzengende pijn, doorboorde hem en kwam uit zijn rug weer naar buiten.

XVI

Het was pijn, maar het was niet ondraaglijk. Maar de absolute zekerheid dat hij zou sterven was wel ondraaglijk. De oude man had hem gedood. Het was allemaal voorbij. Bijna zonder boosheid hief Jason zijn schild en duwde de man ermee achteruit. Het zwaard bleef zitten, een slanke, glanzende dood door zijn lichaam.

“Laat zitten,” zei Jason hees tegen Ijale die haar geketende handen ophief om het eruit te trekken; haar ogen waren groot van ontzetting.

Het gevecht was afgelopen en door een waas van pijn zag Jason de Hertug voor zich staan en ook op zijn gezicht was het besef te lezen dat de dood nabij was. “Lappen,” zei Jason zo duidelijk mogelijk. “Hou ze klaar en druk ze tegen de wond als het zwaard eruit wordt gehaald.”

Sterke soldatenhanden hielden hem overeind en de lappen lagen klaar. De Hertug stond voor Jason die alleen maar knikte en toen zijn ogen dichtdeed. Weer stak de pijn hem en hij viel. Ze lieten hem op het tapijt zakken, zijn kleren werden opengescheurd en de bloedstroom werd gestelpt met de klaarliggende lappen.

Toen hij, dankbaar voor deze verlossing van de verschrikkelijke pijn, het bewustzijn verloor, vroeg hij zich af waarom hij zich nog druk maakte. Waarom zou hij de pijn rekken? Hij kon hier alleen maar doodgaan, zoveel lichtjaren verwijderd van ontsmettingsmiddelen en antibiotica, met zijn ingewanden verscheurd. Hij kon alleen maar doodgaan.

Jason kwam een keer moeizaam bij en zag dat Ijale op haar knieën over hem zat heengebogen en dat zij de rauwe randen van de wond in zijn buik met naald en draad tegen elkaar aannaaide. Het licht ging weer weg en de volgende keer dat hij zijn ogen opende lag hij in zijn eigen slaapkamer naar het zonlicht te kijken dat door de gebroken ramen naar binnen stroomde. Het licht werd verduisterd en toen werden eerst zijn voorhoofd en zijn wangen en daarna zijn lippen bevochtigd en verkoeld. Dat deed hem beseffen hoe droog zijn keel was en hoe erg de pijn was. “Water…” kraste hij en de zwakte van zijn eigen stem verraste hem.

“Ze hebben me verteld dat je niet mag drinken — met een wond daar,” zei Ijale terwijl ze met opeengeklemde lippen naar zijn lichaam wees.

“Ik geloof dat het nu niet veel meer uitmaakt,” zei hij tegen haar en de wetenschap van de naderende dood deed veel meer pijn dan de wond. De Hertug kwam naast Ijale staan; zijn betrokken gezicht was een spiegelbeeld van het hare. Hij reikte Jason een klein kistje aan.

“De sciuloj hebben dit gehaald, de wortels van de bede die pijn verminderen en hem ver weg doen schijnen. Je moet erop kauwen, maar niet teveel; teveel van de bede is erg gevaarlijk.”

Niet voor mij, dacht Jason die zijn kaken dwong op de droge, stoffige wortel te kauwen. Een pijnstiller, een verdovend middel, een verslavend gif… ik heb erg weinig tijd om verslaafd te raken.

Wat voor gif het ook was, het werkte goed en Jason was dankbaar. De pijn gleed weg en zijn dorst ook, en hoewel hij zich een beetje licht in het hoofd voelde was hij niet langer uitgeput.

“Hoe is het gevecht afgelopen?” vroeg hij aan de Hertug die met gekruiste armen naast hem stond en dreigend zijn voorhoofd fronste in het aangezicht van het noodlot.

“Wij hebben gewonnen. De enige overlevende Trozelligoj zijn onze slaven; hun familie bestaat niet meer. Er zijn een paar soldaten ontsnapt, maar die tellen niet mee. Hun fort is van ons, met de geheime kamers waar ze hun motoren bouwden. Als je alleen maar hun machines kon zien…” Toen hij besefte dat Jason ze niet kon zien en nog maar weinig te zien zou krijgen, begon de Hertug weer dreigend te kijken.

“Kop op,” zei Jason. “Een gewonnen, al gewonnen. Nu zijn er geen andere groepen meer die sterk genoeg zijn om je te weerstaan. Blijf aan de gang voor ze zich kunnen verenigen. Vernietig eerst de meest vijandelijke. Probeer als het enigszins mogelijk is, niet al hun technici te doden; je zal iemand nodig hebben die hun geheimen uit kan leggen als je ze hebt verslagen. Sla snel toe, dan is tegen de winter Appsala van jou.”

“We zullen je de mooiste begrafenis geven die ooit in Appsala is vertoond,” barstte de Hertug uit. “Daar ben ik zeker van. Kosten noch moeite gespaard.”

“Er zullen feesten zijn en gebeden en je overblijfselen zullen verast worden in de elektrische oven, ter ere van de god Elektro.”

“Niets zou me gelukkiger maken…”

“En daarna worden ze meegevoerd naar zee vooraan in een geweldige begrafenisoptocht, schip na schip, allemaal zwaar bewapend zodat we op de terugtocht de Mastreguloj kunnen overvallen en we hen onverwacht te pakken kunnen nemen.”

“Dat klinkt beter, Hertug. Ik dacht even dat je te sentimenteel werd.”

Jasons aandacht werd getrokken door gebonk bij de deur en hij draaide langzaam zijn hoofd om en zag een groep slaven die zwaar geïsoleerde kabels de kamer binnensleepten. Anderen droegen dozen met apparatuur en achter hen aan liep de slavenopzichter die met zijn zweep knalde en Mikahs strompelende, geketende gestalte voor zich uitdreef. Mikah werd in een hoek geschopt, waar hij in elkaar zakte.

“Ik zou de verrader ter dood gaan brengen,” zei de Hertug, “toen ik bedacht hoe leuk het voor je zou zijn hem zelf dood te martelen. Daar zal je van opvrolijken. De boogvlam is weldra heet en dan kan je hem stukje voor stukje roosteren en hem vooruit sturen als een offer aan Elektro om het pad voor te bereiden voor jouw komst.”

“Dat is erg nadenkend van je,” zei Jason die naar Mikahs gehavende gestalte keek. “Keten hem aan de muur en laat ons dan alleen, zodat ik erg ingewikkelde en afschuwelijke martelingen voor hem kan bedenken.”

“Ik zal doen wat je vraagt. Maar je moet me wel naar de plechtigheid laten kijken. Ik stel altijd belang in nieuwe martelingen.”

“Daar ben ik wel zeker van, Hertug.”

Ze gingen weg en Jason zag Ijale met het keukenmes op Mikah afsluipen.

“Niet doen,” zei Jason. “Het heeft geen zin, geen enkele zin.”

Ze legde gehoorzaam het mes neer en pakte de spons om Jasons gezicht te betten. Mikah hief zijn hoofd op en keek Jason aan — zijn hele gezicht was beurs en een oog was zo gezwollen dat het dichtzat.

“Zou je me misschien willen vertellen,” vroeg Jason, “wat je voor de duivel dacht te bereiken door ons te verraden en mij door de Trozelligoj te laten ontvoeren?”

“Ook al martel je me, mijn lippen blijven eeuwig gesloten.”

“Doe niet stommer dan anders. Niemand zal je martelen. Ik vraag me alleen maar af wat je deze keer van plan was — wat zette je tot deze streek aan?”

“Ik deed wat ik het beste vond,” zei Mikah terwijl hij zich oprichtte.

“Jij doet altijd wat je het beste vindt — alleen denk je gewoonlijk verkeerd. Vond je dat ik je niet goed behandelde?”

“Wat ik heb gedaan was niet persoonlijk. Het was voor de bestwil van de lijdende mensheid.”

“Ik denk dat je het voor de beloning en voor een nieuwe baan deed en omdat je kwaad op me was,” drong Jason aan die Mikahs zwakheden heel goed kende.

“Nooit! Als je het dan toch moet weten… ik deed het om oorlog te voorkomen…”

“Wat bedoel je daar eigenlijk mee?”

Mikah fronste zijn voorhoofd en zag er dreigend en streng uit ondanks zijn blauwe oog. Zijn kettingen ratelden toen hij beschuldigend naar Jason wees.

“Toen je op een dag dronken was bekende je mij je misdaad, en sprak je over je plannen om temidden van deze onschuldige mensen een dodelijke oorlog te voeren, om hen in slachtingen onder te dompelen en hen te bezwaren met wrede tirannie. Toen wist ik wat me te doen stond. Je moest worden tegengehouden. Ik dwong mezelf te zwijgen want ik durfde geen woord te zeggen uit angst dat ik mijn plannen zou verraden, want ik wist een manier.

“Ik was benaderd door een man die in dienst was van de Trozelligoj, een familie van eerlijke arbeiders en werktuigkundigen, naar hij mij verzekerde, die jou bij de Perssonoj vandaan in dienst wilden nemen tegen een goed loon. Die keer antwoordde ik hem niet, omdat ieder plan om ons te bevrijden geweld zou inhouden en het verlies van levens en dat kon ik niet in overweging nemen, ook al betekende mijn weigering dat ik geketend zou blijven. Maar toen ik jouw bloeddorstige voornemens vernam, onderzocht ik mijn geweten en zag ik wat er moest worden gedaan. We zouden hier allemaal vandaan worden gehaald en naar de Trozelligoj worden gebracht, die beloofden dat ze je geen kwaad zouden doen, hoewel ze je wel gevangen zouden houden. De oorlog zou zijn afgewend.”

“Je bent een simpele dwaas,” zei Jason zonder woede. Mikah bloosde.

“Het kan me niet schelen wat je van me denkt. Ik zou weer hetzelfde doen als ik de gelegenheid kreeg.”

“Zelfs als je wist dat de groep waaraan je je verkocht geen haar beter was dan die hier? Belette je er niet een Ijale te doden tijdens de strijd? Ik veronderstel dat ik je daarvoor moet bedanken — ook al ben jij degene die haar in die toestand bracht.”

“Ik wil jouw dank niet. Het was de hartstocht van het ogenblik die hen haar deed bedreigen. Ik kan het ze niet kwalijk nemen…”

“Het maakt toch niets meer uit. De oorlog is afgelopen; ze hebben verloren en mijn plannen voor een industriële revolutie gaan gewoon door, ook zonder mijn persoonlijke aandacht. Ongeveer het enige wat je hebt bereikt is mijn dood — wat ik je erg moeilijk kan vergeven.”

“Wat voor waanzin…?”

Waanzin, jij bekrompen idioot!” Jason hees zich op een arm overeind maar hij moest zich weer laten vallen toen een pijnscheut door de wattendekens van het gif heendrong. “Denk je soms dat ik hier lig omdat ik moe ben? Jouw ontvoering en jouw gekonkel deden me heel wat dieper in de strijd belanden dan ik van plan was, recht in een lang scherp, onhygiënisch zwaard. Het doorstak me als een zwijn.”

“Ik begrijp niet wat je daar zegt.”

“Dan ben je verschrikkelijk dom. Ik werd doorstoken van voor naar achteren. Mijn kennis van de anatomie is niet zo goed als hij zou kunnen zijn, maar ik zou zo zeggen dat er geen vitale organen zijn geraakt. Als mijn lever of een hoofdader was geraakt, zou ik nu niet tegen je praten. Maar ik weet geen manier om een gat in een buik te maken zonder een of twee darmlussen te beschadigen, het buikvlies door te snijden en een heleboel aardige, hongerige bacteriën naar binnen te brengen. Voor het geval je al lang niet meer in je eerste hulp boek hebt gelezen, daarna krijg je een buikvliesontsteking, die, de medische wetenschap op deze planeet in aanmerking genomen, voor honderd procent fataal is.”

Dat legde Mikah gelukkig het zwijgen op, maar het vrolijkte Jason niet erg op. Dus deed hij zijn ogen maar dicht om een beetje uit te rusten. Toen hij ze weer opende was het donker en tot de dageraad deed hij nu en dan een dutje. Toen moest hij Ijale wakker maken om haar te vragen hem het kistje met bede wortels te brengen. Ze wiste zijn voorhoofd af en hij zag de uitdrukking op haar gezicht.

“Dan wordt het hier dus niet warmer,” zei hij. “Ik ben het zelf.”

“Je raakte voor mij gewond,” jammerde Ijale en ze begon te huilen.

“Onzin,” zei Jason tegen haar. “Op wat voor manier ik ook doodga, het is altijd zelfmoord. Dat heb ik lang geleden zo geregeld. Op de planeet waar ik werd geboren was er niets anders dan zonnige dagen, eindeloze rust en een lang, lang leven. Ik besloot daarvandaan te gaan omdat ik een kort, vol leven verkoos boven een lang en leeg leven. Geef me nu nog een stukje van die wortel, want ik wil graag mijn moeilijkheden vergeten.”

Het gif was krachtig en de ontsteking was ernstig. Jason dreef weg in de rode mist van de bede en toen hij daaruit ontwaakte zag hij dat er niets was veranderd. Ijale verzorgde hem nog steeds en Mikah zat in de verste hoek in zijn ketenen te mokken. Hij vroeg zich af wat er met hen zou gebeuren als hij doodging en die gedachte maakte hem ongerust.

In een van die zwarte, heldere ogenblikken hoorde hij het geluid, een aanzwellend geraas dat plotseling de lucht buiten verscheurde en toen wegstierf. Hij duwde zich overeind op zijn ellebogen zonder op de pijn te letten en schreeuwde.

“Ijale, waar ben je? Kom onmiddellijk hier!”

Ze rende uit de andere kamer naar hem toe en hij hoorde geschreeuw buiten, stemmen op het kanaal en op de binnenplaats. Had hij het echt gehoord? Of was het een koortsvisioen. Ijale probeerde hem naar beneden te drukken, maar hij duwde haar weg en riep naar Mikah. “Heb je net iets gehoord? Hoorde je het?”

“Ik sliep — ik dacht dat ik iets hoorde…”

Wat?

“Geraas — ik werd er wakker van. Het klonk als… maar dat is onmogelijk…”

“Onmogelijk? Waarom onmogelijk? Het was een raketmotor niet? Hier op deze primitieve planeet.”

“Maar er zijn hier geen raketten.”

“Nou wel, idioot. Waarom denk je eigenlijk dat ik mijn zend-gebedsmolen heb gebouwd?”

Plotseling fronste hij zijn voorhoofd en probeerde hij zijn mistige en koortsige hoofd aan het werk te zetten. “Ijale!” riep hij, en hij groef onder zijn kussen naar de tas die daar lag. “Neem dit geld — alles — en ga naar de tempel van Elektro en geef het aan de priesters. Laat je door niemand tegenhouden, omdat dit het belangrijkste is dat je ooit hebt gedaan. Ze hebben waarschijnlijk het wiel stopgezet en zijn allemaal naar buiten gegaan om naar het wonder te kijken. Die raket zal nooit de goede plek vinden zonder een richtsignaal — en als hij ergens anders in Appsala landt zouden er wel eens moeilijkheden kunnen komen. Zeg dat ze moeten draaien en dat ze niet mogen ophouden omdat er een schip van de goden hierheen op weg is dat alle gebeden nodig heeft die het kan krijgen.”

Ze rende weg en Jason liet zich hijgend achterover vallen. Was het een ruimteschip daarbuiten dat zijn S.O.S. had opgepikt? Zou er een dokter of een medische automaat aan boord zijn die hem kon genezen in dit vergevorderde stadium van de ontsteking? Dat moest wel, ieder schip had wel medische voorzieningen aan boord. Voor het eerst sinds hij gewond was geraakt, stond hij zichzelf toe te geloven dat er een kans zou kunnen zijn dat hij het overleefde en er viel hem een pak van het hart. Hij slaagde er zelfs in tegen Mikah te glimlachen.

“Ik heb het gevoel, Mikah ouwe jongen, dat we onze laatste kreno hebben gegeten. Denk je dat je die last kan dragen?”

“Ik zal je moeten aangeven,” zei Mikah ernstig. “Jouw misdaden zijn te ernstig om ze te verbergen; ik kan niets anders doen. Ik moet de kapitein vragen de politie in te lichten…”

“Hoe ben je er in godsnaam in geslaagd zolang in leven te blijven met zo’n hoofd?” vroeg Jason kil. “Er is niets dat me belet je nu onmiddellijk te laten doden en begraven zodat je geen aanklacht kan indienen.”

“Ik denk niet dat je dat doet. Je bent niet geheel ontbloot van een zeker eergevoel.”

“Een zeker eergevoel! Een woord van lof van jou! Zou het dan toch mogelijk zijn dat er een klein spleetje zit in dat met rotsen versterkte bolwerk van je geest?”

Voor Mikah kon antwoorden kwam het gebrul van de raket terug, steeds lager, en het stierf niet weg zoals daarnet, maar het werd juist steeds sterker, het werd oorverdovend en er schoof een schaduw voor de zon.

“Chemische raketmotoren!” schreeuwde Jason boven het lawaai uit. “Een pinas of een landingsboot van een ruimteschip… hij moet op de vonkenzender richten — dat kan nu geen toeval meer zijn.” Op dat ogenblik stormde Ijale de kamer binnen en ze wierp zich op Jasons bed.

“De priesters zijn gevlucht,” jammerde ze, “iedereen heeft zich verstopt. Een groot vuurspuwend beest is neergedaald om ons allemaal te verwoesten!” Plotseling klonk haar stem erg luid toen het geraas op de binnenplaats ophield.

“Hij is veilig geland,” herademde Jason en toen wees hij naar zijn tekenspullen op de tafel. “Papier en potlood, Ijale. Geef ze even. Ik ga een briefje schrijven dat je voor mij naar het schip moet brengen dat zojuist is geland.” Ze deinsde huiverend achteruit.

“Je moet niet bang zijn, Ijale, het is gewoon maar een schip net als de schepen waar je in hebt gevaren, alleen is het niet gemaakt om in water te zeilen, maar in lucht. Er zullen mensen in zijn die je geen kwaad zullen doen. Ga erheen en laat ze dit briefje zien en breng ze dan hierheen.”

“Ik ben bang…”

“Hoeft niet; het kan geen kwaad. De mensen in het schip zullen me helpen en ik denk dat ze me weer beter kunnen maken.”

“Dan ga ik,” zei ze eenvoudig. Ze stond op en dwong zichzelf door de deur te gaan hoewel ze nog steeds stond te trillen.

Jason keek haar na. “Er zijn momenten, Mikah,” zei hij, “als ik niet naar jou kijk, dat ik trots kan zijn op de mens.”

Minuten verliepen en Jason merkte dat hij aan de dekens lag te plukken en rolletjes draaide tussen zijn vingers terhij zich afvroeg wat er buiten op de binnenplaats gebeurde. Hij schrok op toen hij plotseling gedreun op metaal hoorde en vlak daarna een snelle reeks ontploffingen. Vielen de idioten het schip aan? Hij kronkelde in bed en vervloekte zijn eigen zwakte toen hij overeind probeerde te komen. Hij kon hier alleen maar liggen en afwachten — terwijl zijn lot in de handen van anderen lag.

Er klonken meer ontploffingen — dit keer binnen het gebouw — en ook stemmen en een luide schreeuw. Rennende voetstappen kwamen de gang in en Ijale rende naar binnen en achter haar aan kwam Meta, met een rokende ploffer in haar hand.

“Pyrrus is ver weg,” zei Jason, terwijl hij naar haar mooie bezorgde gezicht keek en naar het vertrouwde vrouwenlichaam in het strenge pak van metaaldoek. “Maar ik kan zo gauw niet bedenken wie ik liever door die deur had zien komen…”

“Je bent gewond!” ze rende snel naar hem toe en knielde bij het hoofdeind van het bed zodat ze de open deur in de gaten kon houden. Toen ze zijn hand pakte en de droge hitte van zijn huid voelde, werden haar ogen groot van schrik. Zonder iets te zeggen haalde ze de medidoos van haar riem en drukte die tegen de huid van zijn onderarm. De onderzoekende staaf kwam omlaag, klikte druk en gaf hem een injectie en vlak daarna nog drie achter elkaar. Hij zoemde nog een beetje, gaf hem toen nog een snelle prik anti-stoffen en toen ging het ’Behandeling Voltooid’ lampje branden.

Meta’s gezicht was vlak boven het zijne; ze kwam een beetje dichterbij en kuste hem op zijn gebarsten lippen en er viel een krul van haar blonde haar op zijn wang. Ze was een vrouw, maar een Pyrraanse vrouw en ze kuste hem met haar ogen open en zonder zich op te richten vuurde ze een schot af dat een hoek van de deurpost wegvaagde en de soldaten in de gang achteruit deed deinzen.

“Niet schieten,” zei Jason toen ze met tegenzin weer ging staan. “Het zijn eigenlijk vrienden.”

“Niet mijn vrienden. Zodra ik uit de reddingsboot kwam schoten ze op me met een soort primitief projectielwapen, maar dat heb ik al opgelost. Ze schoten zelfs op het meisje dat je boodschap bracht, tot ik een van hun muren omverblies. Voel je je al beter?”

“Niet goed en niet slecht, een beetje duizelig van de prikken die je me hebt gegeven. Maar we kunnen beter naar het schip gaan. Ik zal zien of ik kan lopen.” Hij zwaaide zijn benen over de rand van het bed en zakte voorover op de grond in elkaar. Meta sjorde hem weer op het bed en legde de dekens weer over hem heen. “Je moet hier blijven tot je beter bent. Je bent veel te ziek om te worden vervoerd.”

“Als ik hier blijf zal ik nog veel zieker worden. Zodra de Hertug — hij is de baas hier — beseft dat ik wel eens zou kunnen vertrekken, zal hij alles doen om me hier te houden, hoeveel mannen hem dat ook zal kosten. We moeten iets doen voor zijn kleine kwade hersentjes die gevolgtrekking maken.”

Meta keek de kamer rond en haar blik gleed langs Ijale — die ineengedoken naar haar zat te staren — alsof ze een deel van het meubilair was en stopte toen ze bij Mikah kwam. “Is dat wezen dat aan de muur zit geketend gevaarlijk,” vroeg ze.

“Soms wel; je moet hem goed in de gaten houden. Hij heeft me op Pyrrus gevangen genomen.”

Meta’s hand schoot naar een tas aan haar riem en ze drukte Jason ook een ploffer in de hand. “Hier heb je een ploffer — je zal hem zelf wel willen doden.”

“Zie je het, Mikah,” zei Jason terwijl hij het vertrouwde gewicht van de ploffer in zijn hand woog, “Iedereen wil dat ik je doodmaak. Wat heb je toch dat iedereen zo’n hekel aan je heeft?”

“Ik ben niet bang voor de dood,” zei Mikah en hij hief zijn hoofd op en trok zijn schouders recht. Maar hij zag er niet erg indrukwekkend uit met zijn spichtige grijze baard en de ketenen die hij droeg.

“Dat zou ik maar wel zijn,” Jason liet de ploffer zakken.

“Het is verbazingwekkend dat iemand met jouw hartstocht voor de verkeerde dingen zolang in leven is gebleven.”

Hij draaide zich naar Meta. “Ik heb voorlopig genoeg van moorden,” zei hij tegen haar, “deze planeet is ermee doorweekt. En we hebben hem nodig om mij omlaag te helpen dragen. Ik denk niet dat ik het in mijn eentje klaarspeel en hij is waarschijnlijk de beste ziekendrager die we kunnen vinden.”

Meta draaide zich naar Mikah en haar ploffer schoot uit zijn bekrachtigde holster in haar hand en vuurde. Hij deinsde achteruit, sloeg zijn handen voor zijn ogen en scheen toen geschokt te bemerken dat hij nog steeds leefde. Meta had hem bevrijd door zijn kettingen door te schieten. Ze gleed naar hem toe met de moeiteloze gratie van een sluipende tijger en ze duwde de rokende loop van haar ploffer diep in zijn maag.

“Jason wil niet dat ik je doodschiet,” snorde ze en ze duwde de ploffer nog verder, “maar ik doe niet altijd wat hij zegt. Als je nog een tijdje wilt leven moet je doen wat ik zeg. Haal dat blad van de tafel voor een draagbaar. Jij helpt me Jason daarop naar de raket te dragen. Als je moeilijkheden veroorzaakt, ben je er geweest. Begrepen?”

Mikah deed zijn mond open om te protesteren, of misschien om een van zijn toespraken af te steken, maar er was iets in de ijskoude bitterheid van het meisje dat hem deed zwijgen. Hij knikte alleen maar en liep naar de tafel. Ijale zat nu naast Jasons bed gehurkt met zijn hand stevig in de hare. Ze had geen woord begrepen van de buitenwereldse talen die ze hadden gesproken.

“Wat gebeurt er Jason,” smeekte ze. “Wat was dat glimmende ding dat in je arm prikte? Die nieuwe zoende je, dus moet ze je vrouw zijn, maar jij bent sterk en je kan best twee vrouwen hebben. Laat me niet alleen.”

“Wie is dat meisje?” vroeg Meta koud. Haar holster zoemde en de loop van haar ploffer schoot op en neer.

“Een van de inboorlingen, een slavin die me heeft geholpen,” zei Jason voor de vuist weg, hoewel hij zich helemaal niet op zijn gemak voelde. “Als we haar hier achterlaten zullen ze haar waarschijnlijk vermoorden. We nemen haar mee…”

“Ik denk niet dat dat verstandig is,” Meta had haar ogen half dicht en de ploffer stond op het punt in haar hand te springen. Een verliefde Pyrraanse vrouw, is nog steeds een vrouw — en nog steeds een Pyrraanse, een verschrikkelijk gevaarlijke combinatie. Gelukkig werd ze afgeleid door een geluid bij de deur en ze vuurde twee schoten in die richting voor Jason haar kon tegenhouden.

“Hou op — dat is de Hertug. Ik herkende zijn voeten toen hij wegdook.”

Een bange stem klonk bibberend uit de gang. “We wisten niet dat dit je vriend was, Jason. Sommige soldaten schoten een beetje te vlug. Ik heb ze laten straffen. Wij zijn vrienden, Jason. Zeg tegen de man uit het schip dat hij geen ontploffingen meer moet veroorzaken zodat ik kan binnenkomen en met je kan praten.”

“Ik begrijp niet wat hij zegt,” zei Meta, “maar zijn stem staat me niet aan.”

“Je instinct is volkomen juist, lieverd,” zei Jason. “Zelfs als hij een neus, ogen en een mond in zijn achterhoofd had zou hij niet dubbelzinniger kunnen zijn.” Jason grinnikte en hij besefte dat hij een beetje dronken was van al die worstelende giffen en tegengiffen in zijn lijf. Het kostte veel moeite om helder te denken, maar het was moeite die moest worden opgebracht. Ze waren nog steeds niet uit de moeilijkheden en hoewel Meta een goede vechtjas was, kon hij niet van haar verwachten dat ze een heel leger aankon. En dat zou bijeengeroepen worden om hen tegen te houden als hij niet goed op zijn tellen paste.

“Kom erin, Hertug,” riep hij. “Niemand zal je kwaad doen — deze vergissingen kunnen iedereen overkomen.” En toen tegen Meta: ’Niet schieten, maar wees op je hoede. Ik zal proberen of ik hem zover kan krijgen dat hij geen moeilijkheden veroorzaakt, maar ik kan het niet garanderen, dus hou je gereed.”

De Hertug keek vlug om de hoek van de deur en schoot weer achteruit. Eindelijk verzamelde hij de resten van zijn moed en hij schuifelde aarzelend naar binnen. “Dat is een aardig wapentje wat je vriend daar heeft, Jason. Zeg hem’ — hij knipperde met zijn bijziende ogen naar Meta’s uniform — ’ik bedoel haar, dat we wel een paar slaven voor zo’n dingetje willen ruilen. Vijf slaven, dat is een goede ruil.”

“Laten we zeggen, zeven.”

“Afgesproken. Geef op.”

“Niet deze; die is al jaren een familiestuk en ze zou het niet kunnen verdragen daarvan te scheiden. Maar er is er nog een in het schip waarmee ze hier kwam — we zullen naar beneden gaan en er een halen.”

Mikah was klaar met de tafel en hij legde het bovenblad naast Jasons bed; toen tilden Meta en hij Jason er voorzichtig op. De Hertug veegde met de rug van zijn hand langs zijn neus en hij nam alles op met zijn knipperende rode oogjes.

“In het schip zijn dingen die je beter zullen maken,” zei hij, waarmee hij bewees dat hij intelligenter was dan Jason had gedacht. “Je gaat niet dood, en je vertrekt met het luchtschip?”

Jason kreunde en kronkelde op de draagbaar en greep angstig naar zijn buik. “Ik ga dood, Hertug! Ze nemen mijn as mee naar het schip, een ruimte-begrafenisschuit, om die tussen de sterren uit te strooien.”

De Hertug dook naar de deur, maar Meta had hem op hetzelfde ogenblik al te pakken en ze boog zijn arm achter zijn rug tot hij gilde en ze duwde haar ploffer tussen zijn nieren.

“Wat ben je van plan Jason,” vroeg ze kalm.

“Laat Mikah de voorkant van de draagbaar dragen, dan kunnen de Hertug en Ijale de achterkant nemen. Hou de ouwe onder vuur en dan komen we hier met een beetje geluk heelhuids vandaan.”

En zo gingen ze naar buiten, langzaam en voorzichtig. De leidingloze Perssonoj konden niet besluiten wat ze moesten doen; de gepijnigde kreten van de Hertug maakten hen alleen maar zenuwachtig net als Jasons schoten die brokken metselwerk opbliezen en ramen deden sneuvelen. Hij genoot van het tochtje naar beneden en over de binnenplaats en hij vermaakte zich uitstekend door vlak naast ieder hoofd dat verscheen te vuren. Ze bereikten de raket zonder moeilijkheden.

“Nu komt het moeilijkste deel,” zei Jason terwijl hij zijn ene arm om Ijale’s schouder sloeg en het grootste gedeelte van zijn gewicht op de andere arm liet rusten die hij stevig om Mikahs nek had geklemd. Hij kon niet lopen, maar zij konden hem overeind houden en hem naar binnen slepen. “Blijf in de deuropening staan Meta en hou de ouwe vogel goed vast. Wees op alles voorbereid, want er bestaat hier geen loyaliteit en als ze de Hertug moeten doden om jou te pakken te krijgen zullen ze geen seconde aarzelen.”

“Dat is logisch,” vond Meta. “Het is tenslotte oorlog.”

“Ja, ik vermoed dat een Pyrraan het zo zou bekijken. Hou je gereed. Ik zal de motoren warm laten lopen en als we klaar zijn om te starten zal ik de sirene laten gieren. Laat de Hertug dan vallen, sluit de luchtsluis en neem zo snel mogelijk de besturing over — ik denk niet dat ik kan opstijgen. Begrepen?”

“Volkomen. Ga nou — je staat je tijd te verdoen.”

Jason liet zich in de stoel van de tweede piloot vallen en werkte alle starthandelingen zo snel mogelijk af. Hij stak net zijn hand uit naar de knop van de sirene toen er een dreunende klap klonk en het hele schip begon te trillen, en — een verlammende seconde lang — schudde het heen en weer en viel het bijna om. Langzaam richtte het zich weer op en hij drukte op de knop. Voor de echo was weggestorven zat Meta al in de bestuurdersstoel en de kleine raket schoot omhoog.

“Ze zijn verder dan ik had gedacht van deze primitieve wereld,” zei ze zodra de eerste versnellingsdruk wegzakte. “In een van de gebouwen stond een groot, lelijk apparaat dat plotseling rook uitbraakte en een rotsblok wierp dat het grootste gedeelte van onze bakboordvin verwoestte. Ik heb het opgeblazen, maar de man die jij de Hertug noemde is ontsnapt.”

“In bepaalde opzichten zijn ze erg ver,” zei Jason, die zich te zwak voelde om toe te geven dat ze bijna waren gedood door zijn eigen uitvinding.

XVII

Met Meta’s kundige besturing gleden ze zonder moeite het open ruim van het Pyrraanse ruimteschip binnen dat net even buiten de atmosfeer rondcirkelde. In de vrije val was Jasons pijn zoveel minder dat hij zich ervan kon verzekeren dat de doodsbange angstig kijkende Ijale in een versnellingsstoel werd gegespt voor hij in elkaar stortte. Daarna liet hij zichzelf naar een kooi drijven en voor hij die bereikte, verloor hij gelukkig glimlachend het bewustzijn: de slavenhoudende monomaniakken schenen al ver achter hem.

Toen hij wakker werd was de pijn en het ongemak grotendeels weg en de koorts ook; en hoewel hij nog erg zwak was slaagde hij er toch in zich door de gangen naar de regelkamer te slepen. Meta was bezig met het uitzetten van de koers op de computer.

“Voedsel!” kraste Jason terwijl hij naar zijn keel greep. “Mijn weefsel put zich uit om zich te herstellen en ik scheur van de honger.”

Zonder iets te zeggen reikte Meta hem een knijpfles met voedsel en ze deed dat op zo’n manier dat hij wist dat ze ergens kwaad over was. Toen hij de buis in zijn mond stopte zag hij Ijale die aan de andere kant van de ruimte ineengedoken zat — tenminste voorzover ze dat kon in vrije val.

“Hè, dat was lekker!” riep Jason met onechte vrolijkheid. “Vlieg je alleen, Meta?”

“Natuurlijk ben ik alleen.” Ze zei het op zo’n manier dat het meer klonk als: Wat ben je toch voor een dwaas? ’Ik mocht het schip hebben, maar er kon niemand met me mee.”

“Hoe heb je me gevonden?” vroeg hij in een poging een onderwerp aan te snijden dat haar ter harte ging.

“Dat is wel duidelijk zou ik denken. De radioman op de ruimtehaven noteerde het kenteken toen het ruimteschip vertrok met jou aan boord en toen hij het beschreef herkende Kerk het als een schip van Cassylia. Ik ging naar Cassylia en stelde een onderzoek in; zij identificeerden het schip, maar volgens de boeken was het niet teruggekeerd. Toen vloog ik weer terug in de richting van Pyrrus en onderweg vond ik drie planeten die dicht genoeg langs de route lagen om tijdens de vlucht in de sprongruimte in het schip te worden opgemerkt. Twee daarvan hebben een centrale regering en moderne luchthavens en vluchttorens en zij zouden het hebben geweten als het schip dat ik zocht daar was geland of zelfs neergestort. Dat was niet het geval. Daarom moest het schip op de derde planeet zijn geland, de planeet waar we net vandaan komen. Zodra ik de atmosfeer binnenkwam hoorde ik het noodsein en ik kwam zo vlug mogelijk… Wat ben je van plan met die vrouw?”

Die laatste woorden klonken ijskoud. Ijale dook nog meer in elkaar. Ze begreep wel geen woord van het gesprek, maar ze was kennelijk verstijfd van schrik.

“Ik heb er eigenlijk nog niet over nagedacht…”

“In jouw leven is slechts plaats voor een vrouw, Jason. Dat ben ik. En iedereen die daar anders over denkt zal ik doden.”

Zonder twijfel meende ze wat ze zei; en als hij Ijale nog langer in leven wilde houden, moest ze zo snel mogelijk bij de dodelijke dreiging van de Pyrraanse vrouwejaloezie vandaan. Jason dacht snel na.

“We stoppen bij de eerste beschaafde planeet en daar laten we haar uitstappen. Ik heb genoeg geld om een bedrag op een bank te zetten waar ze jaren van kan leven. En ik zal het zo regelen dat het met kleine beetjes tegelijk wordt uitbetaald, zodat ze, hoe ze ook wordt bedrogen, altijd genoeg zal hebben. Over haar maak ik me geen zorgen — als ze in het krenolegioen in leven kon blijven, kan ze zich op een rustige planeet overal redden.”

In gedachten hoorde hij de klachten al die hij te horen zou krijgen als hij Ijale dat nieuws vertelde, maar het was voorhaar eigen bestwil.

“Ik zal voor haar zorgen en haar begeleiden op de paden der rechtvaardigheid,” sprak een bekende stem uit de deuropening. Daar stond Mikah tegen de deurpost met een verwarde baard en schitterende ogen.

“Dat is een geweldig idee,” was Jason het geestdriftig met hem eens. Hij draaide zich naar Ijale en sprak met haar in haar eigen taal. “Hoorde je dat? Mikah neemt je mee naar huis en hij zal voor je zorgen. Ik zal het zo regelen dat je wat geld krijgt voor alles wat je nodig hebt — hij zal je alles over geld uitleggen. Ik wil dat je nauwkeurig naar hem luistert. Onthou precies wat hij heeft gezegd en doe dan precies het omgekeerde. Je moet me beloven dat je dat zal doen en nooit die belofte breken. Op die manier zal je wel een paar vergissingen maken en zal je het soms verkeerd doen, maar de rest van de tijd zullen de dingen zeer gladjes verlopen.”

“Ik kan je niet missen! Neem me met je mee — ik zal altijd je slaaf zijn!” jammerde ze.

“Wat zei ze?” snauwde Meta die het wel ongeveer begreep.

“Jij bent slecht, Jason,” galmde Mikah, die zo langzamerhand weer goed op dreef raakte. “Ze zal je gehoorzamen, dat weet ik, zodat ze ondanks al mijn moeite altijd zal doen wat jij hebt gezegd.”

“Dat hoop ik van harte,” zei Jason vurig. “Je moet al temidden van jouw bijzondere soort anti-logica zijn geboren om er enig plezier aan te beleven. De rest van ons mensen is gelukkiger als ze een beetje doorbuigen onder het gewicht van het bestaan en zij beleven heel wat meer plezier aan het fysieke leven om ons heen.”

“Slecht, zeg ik, en je zal niet ongestraft blijven.” Mikahs hand kwam achter de deurpost vandaan met een ploffer erin die hij beneden had gevonden. “Ik neem het bevel van dit schip over. Jij bindt de twee vrouwen vast zodat ze geen moeilijkheden kunnen veroorzaken en dan gaan we naar Cassylia om je te laten berechten.”

Meta zat met haar rug naar Mikah in de regelstoel, ruim vijf meter van hem af; ze had haar handen vol met navigatieaantekeningen. Langzaam hief ze haar hoofd op, ze keek naar Jason en ze begon te lachen.

“Je zei dat je hem niet wilde laten doden.”

“Dat wil ik nog steeds niet, maar ik ben ook niet van plan naar Cassylia te gaan.”

Hij lachte terug en draaide zich om.

Hij zuchtte gelukkig en plotseling klonken er snelle voetstappen achter zijn rug. Er werden geen schoten afgevuurd, maar aan de schorre kreet, de dreun en het scherpe, knappende geluid hoorde hij dat Mikah zijn laatste debat had verloren.