/ Language: Netherlands / Genre:sf_fantasy / Series: Harry Potter (nl)

Harry Potter en de vuurbeker

Joanne Rowling

Het is zomer en Harry logeert bij de familie Duffeling aan de Ligusterlaan 4. Neef Dirk is onuitstaanbaarder dan ooit tevoren, hij is namelijk op dieet. De familie Wemel redt Harry van een saaie zomer door hem uit te nodigen voor de finale van het WK Zwerkbal. Een bloedstollend uitstapje, zo blijkt en niet in de laatste plaats vanwege een ongekende dosis geheimzinnigheid na afloop van de wedstrijd. Aardsvijand Voldemort heeft blijkbaar in de tussentijd niet stilgezeten. Een briljant plan moet hem de krachten teruggeven die hij door Harry is kwijtgeraakt. Zich nog niet bewust van deze plannen, popelt Harry om te beginnen aan z’n vierde jaar op Zweinstein. Een volgende uitdaging staat te wachten: een toernooi tussen Zweinstein en twee buitenlandse toverscholen. De Vuurbeker spuwt tot iedereens verbazing ook Harry’s naam uit, wat betekent dat Harry als jongste deelnemer een aantal zware beproevingen zal moeten doorstaan. Heeft Hij Die Niet Genoemd Mag Worden hier iets mee van doen… Harry Potter wordt voorgelezen door Jan Meng. Ademloos luisteren kinderen en volwassenen naar de stemmen die hij de personages uit de boeken meegeeft, ondertussen fantaserend over duistere tovenaars en sidderende toverspreuken.

J.K. Rowling

Harry Potter en de vuurbeker

Hoofdstuk 1

VILLA VILIJN

In het dorpje Havermouth noemden ze het nog steeds ‘Villa Vilijn’, ook al was het vele jaren geleden dat de familie Vilijn er gewoond had. Het huis stond op een heuvel die uitkeek over het dorp. Een deel van de ramen was dichtgespijkerd, er ontbraken een hoop dakpannen en de gevel was overwoekerd door klimop. Ooit was het een statig landhuis geweest, het grootste en voornaamste huis in de wijde omgeving, maar nu was Villa Vilijn vochtig, vervallen en verlaten.

Alle mensen in Havermouth waren het erover eens dat het huis ‘griezelig’ was. Een halve eeuw geleden was er iets mysterieus en verschrikkelijks gebeurd, iets waar oudere dorpsbewoners nog graag over mochten praten als er verder niets te roddelen viel. Het verhaal was zo vaak nagekauwd en op zoveel plaatsen aangedikt dat niemand nog wist wat er werkelijk gebeurd was, maar alle versies begonnen op hetzelfde moment: vijftig jaar geleden, heel vroeg op een mooie zomerdag, toen Villa Vilijn nog fraai en goed onderhouden was geweest en een kamermeisje dat de salon binnenging alledrie de Vilijnen daar dood had aangetroffen.

De meid was gillend de heuvel afgerend naar het dorp en had zoveel mogelijk mensen uit hun bed gebeld.

‘Ze lagen daar met grote, starende ogen! Steenkoud! Met de kleren nog aan die ze bij het avondeten hadden gedragen!’

De politie werd erbij gehaald en Havermouth had gekookt van geschokte nieuwsgierigheid en slecht verborgen opwinding. Niemand was zo huichelachtig geweest om te doen alsof ze het vreselijk vonden voor de Vilijnen, want die waren allesbehalve populair geweest. De oude meneer Vilijn en zijn vrouw waren rijk, arrogant en onbeschoft geweest en hun volwassen zoon Marten al helemaal. Het enige dat de dorpelingen echt wilden weten was wie die moorden had gepleegd — want het was duidelijk dat drie ogenschijnlijk gezonde mensen niet allemaal in een nacht een natuurlijke dood konden sterven.

Het Mes op de Keel, de dorpskroeg, puilde die avond uit van de mensen; het hele dorp zat binnen om de moorden te bespreken. Ze werden beloond voor het feit dat ze hun veilige huis en haard verlaten hadden toen de kokkin van de familie Vilijn onverwachts de kroeg binnenstapte en tegen de plotseling zwijgende aanwezigen verkondigde dat de politie zojuist een zekere Frank Braam gearresteerd had.

‘Frank?’ riepen verscheidene mensen uit. ‘Dat kan niet!’

Frank Braam was de tuinman van de familie Vilijn die in een vervallen huisje op het terrein van de villa woonde. Frank had aan de oorlog een stijf been en een grote afkeer van mensenmassa’s en lawaai overgehouden en had sindsdien altijd voor de Vilijnen gewerkt.

Iedereen haastte zich om de kokkin iets te drinken aan te bieden en verder uit te horen.

‘Ik heb hem altijd al raar gevonden,’ zei de kokkin tegen de gretig luisterende dorpelingen na haar vierde sherry. ‘Nooit echt vriendelijk. Ik heb wel honderd keer gevraagd of hij trek had in een kopje thee, maar hij hield zich altijd afzijdig.’

‘Ja, maar Frank heeft het zwaar gehad tijdens de oorlog,’ zei een vrouw aan de bar. ‘Hij houdt van rust en eenzaamheid. Dat is nog geen reden om —’

‘Wie anders had er een sleutel van de achterdeur?’ beet de kokkin haar toe. ‘Zo lang ik me kan herinneren, heeft er altijd een reservesleutel in het huisje van de tuinman gehangen! Niemand heeft gisteren de deur geforceerd! En er was geen ruitje ingeslagen of zo! Frank hoefde alleen maar naar de villa te sluipen terwijl wij lagen te slapen….’

De dorpsbewoners wisselden duistere blikken uit.

‘Ik vond altijd al dat ie iets onguurs had,’ gromde een man aan de bar.

‘Door de oorlog zat er een steekje bij hem los, als je ’t mij vraagt,’ zei de waard.

‘Ik heb zo vaak gezegd dat ik niet graag ruzie met Frank zou willen hebben, hè Dora?’ zei een opgewonden vrouw in de hoek.

‘Ontzettend opvliegend,’ zei Dora, driftig knikkend. ‘Ik weet nog, toen ie klein was…’

De volgende ochtend was vrijwel de hele bevolking van Havermouth ervan overtuigd dat Frank Braam de familie Vilijn had uitgemoord.

Maar in het donkere en ongezellige politiebureau van Musley, de dichtstbijzijnde stad, hield Frank koppig vol dat hij onschuldig was en dat de enige die hij op de dag van de moorden in de buurt van de villa had gezien, een onbekende jongen van een jaar of zestien was geweest, met donker haar en een bleek gezicht. Verder had niemand in het dorp die jongen gezien en de politie was ervan overtuigd dat Frank hem verzonnen had.

Net toen het er voor Frank heel ernstig uit begon te zien, kwam het sectierapport en nam de zaak een onverwachte wending.

De politie had nog nooit zo’n ongewoon rapport gelezen. Een heel team van doktoren had de lichamen onderzocht en was tot de conclusie gekomen dat de Vilijnen niet waren vergiftigd, neergestoken, doodgeschoten, gewurgd, gesmoord of, voor zover ze dat konden zeggen, op een andere manier aan hun eind waren geholpen. De conclusie van het rapport, waaruit onverholen verbijstering bleek, was dat de drie Vilijnen eigenlijk kerngezond waren geweest — afgezien van het feit dat ze morsdood waren. Het enige dat de artsen was opgevallen (alsof ze vastbesloten waren iets vreemds op te merken) was dat de gelaatsuitdrukking van de Vilijnen er een van doodsangst was — maar zoals de gefrustreerde politie zo treffend zei, je kon je toch moeilijk voorstellen dat drie gezonde mensen zich letterlijk doodschrokken?

Bij gebrek aan bewijs dat de familie Vilijn hoe dan ook vermoord was, was de politie gedwongen geweest om Frank Braam te laten gaan. De Vilijnen werden begraven op het kerkhof van Havermouth, waar hun graven een tijdlang veel nieuwsgierigen trokken. Tot ieders verbazing, en onder afkeurend gemompel van de dorpsbewoners, keerde Frank terug naar zijn huisje op het terrein van de villa.

‘Ik blijf erbij dat hij ze vermoord heeft en ’t kan me niks schelen wat de politie zegt,’ verkondigde Dora. ‘En als ie een greintje fatsoen in z’n donder had zou ie opkrassen, nu hij weet dat wij weten dat ie ’t gedaan heeft.’

Maar Frank kraste niet op. Hij bleef aan als tuinman van de familie die Villa Vilijn daarna kocht, en de familie daarna — want geen van beide families hield het lang uit. Misschien kwam het gedeeltelijk door Frank dat de nieuwe eigenaars steeds vonden dat er zo’n akelige sfeer hing in en om het huis, dat, toen het niet meer bewoond werd, langzaam maar zeker in verval raakte.

De rijke man die nu eigenaar was van Villa Vilijn woonde niet in het huis en deed er ook niets mee; in het dorp ging het gerucht dat hij het gekocht had wegens ‘belastingtechnische redenen’, hoewel niemand precies wist wat die redenen waren. De welgestelde eigenaar betaalde Frank echter nog steeds om voor de tuin te zorgen. Frank was nu bijna zevenenzeventig. Hij was aan een oor doof en zijn gewonde been was stijver dan ooit, maar op mooie dagen kon je hem nog steeds zien rommelen in de bloembedden, hoewel het onkruid alsmaar verder oprukte.

Onkruid was niet het enige waar Frank mee te kampen had. Kinderen uit het dorp gooiden vaak ruiten in bij Villa Vilijn. Ze reden met hun fietsen over de gazons die Frank met zo veel moeite kort en glad trachtte te houden. Een paar keer, nadat ze elkaar hadden uitgedaagd, hadden ze zelfs ingebroken in het huis. Ze wisten dat ouwe Frank verknocht was aan het huis en ze vonden het leuk als ze hem door de tuin zagen hinken, met zijn stok zwaaiend en schorre verwensingen schreeuwend. Frank geloofde op zijn beurt dat die kinderen hem pestten omdat ze, net als hun ouders en grootouders, dachten dat hij een moordenaar was. Dus toen Frank in augustus ’s nachts wakker werd en iets vreemds zag in het oude huis, dacht hij gewoon dat de kinderen nog een stapje verder waren gegaan bij hun pogingen om hem te straffen.

Frank werd wakker door de pijn in zijn been; naarmate hij ouder werd, kreeg hij er steeds meer last van. Hij stond op en hinkte de trap af naar de keuken, om opnieuw heet water in de kruik te doen waarmee hij de stijfheid in zijn knie probeerde te verminderen. Toen hij bij de gootsteen de fluitketel vulde, wierp hij een blik op Villa Vilijn en zag hij licht flikkeren achter de ramen op de bovenverdieping. Frank besefte meteen wat er aan de hand was. Die rotjochies hadden weer ingebroken en aan het flakkerende schijnsel te zien, hadden ze een vuurtje gestookt.

Frank had geen telefoon en bovendien koesterde hij een enorm wantrouwen tegen de politie sinds ze hem gearresteerd hadden om hem te verhoren over de dood van de familie Vilijn. Hij zette direct de fluitketel neer, hinkte zo snel als zijn zere been dat toeliet de trap op en was al gauw aangekleed en wel weer terug in de keuken. Hij nam een roestige oude sleutel van een haakje bij de deur, pakte zijn stok die tegen de muur stond en stapte het duister in.

De voordeur van Villa Vilijn was zo te zien niet geforceerd en de ramen evenmin. Frank hinkte om het huis heen, tot hij bij een deur aan de achterkant kwam die vrijwel compleet schuilging achter de klimop. Hij pakte de oude sleutel, stak die in het slot en deed geluidloos de deur open.

Hij stapte de grote, holle keuken in. Frank was daar al jaren niet meer geweest, maar ondanks het feit dat het er aardedonker was, herinnerde hij zich waar de deur was die uitkwam in de hal. Op de tast baande hij zich een weg door de keuken, aandachtig luisterend of hij boven soms voetstappen of stemmen hoorde en met de geur van stof en verval in zijn neusgaten. In de hal was het ietsje lichter, dankzij de grote ramen met stenen kozijnen aan weerszijden van de voordeur. Hij liep de trap op, blij dat er zo’n dikke laag stof op de stenen treden lag, want dat dempte het geluid van zijn schoenen en zijn stok.

Op de overloop ging Frank rechtsaf en zag meteen waar de indringers zich bevonden: helemaal aan het uiteinde van de gang stond een deur op een kier en het flakkerende schijnsel viel door de spleet en wierp een langgerekte, gouden lichtstreep op de donkere vloer. Frank schuifelde dichter en dichter naar de deur, met zijn stok stevig in zijn hand. Op zo’n meter van de deur kon hij een smalle strook van de kamer zien.

Het vuur bleek gewoon te branden in de haard en dat verbaasde hem. Hij bleef staan en luisterde, want uit de kamer klonk een mannenstem op, angstig en timide.

‘Er zit nog wat in de fles, Heer, als u honger mocht hebben.’

‘Later,’ zei een tweede stem. Die was ook van een man — maar merkwaardig hoog en even kil als een ijzige windvlaag. De weinige haren die Frank nog had, gingen overeind staan toen hij die stem hoorde. ‘Schuif me dichter naar het vuur, Wormstaart.’

Frank keerde zijn rechteroor naar de deur om beter te kunnen luisteren. Een fles werd rinkelend op een hard oppervlak gezet, gevolgd door het doffe geschraap van een zware stoel die over de vloer werd gesleept. Frank ving een glimp op van een kleine man, die met zijn rug naar de deur de stoel op zijn plaats zette. Hij droeg een lange zwarte mantel en had een kale plek op zijn achterhoofd. Even later verdween hij weer uit het zicht.

‘Waar is Nagini?’ vroeg de kille stem.

‘Ik — ik weet niet, Heer,’ zei de eerste stem nerveus.

‘Ik geloof dat ze bezig is het huis te verkennen…’

‘Melk haar voor we gaan slapen, Wormstaart,’ zei de tweede stem. ‘Ik moet vannacht opnieuw gevoed worden. Die reis heeft me vreselijk vermoeid.’

Met gefronst voorhoofd bracht Frank zijn goede oor nog dichter naar de deur en luisterde uiterst ingespannen. Er viel even een stilte en toen zei de man die Wormstaart werd genoemd:

‘Mag ik vragen hoe lang we hier zullen blijven, Heer?’

‘Een week,’ zei de kille stem. ‘Misschien langer. Dit huis is redelijk comfortabel en het plan kan nog niet verder uitgevoerd worden. Het zou dom zijn iets te ondernemen zolang het Wereldkampioenschap Zwerkbal niet is afgelopen.’

Frank stak een knoestige vinger in zijn oor en draaide die rond. Waarschijnlijk door een teveel aan oorsmeer had hij het woord ‘zwerkbal’ gehoord, dat niet bestond.

‘Het — het Wereldkampioenschap Zwerkbal, Heer?’ zei Wormstaart. (Frank stak zijn vinger nog dieper in zijn oor.) ‘Vergeef me, maar — ik snap niet — waarom moeten we wachten tot het WK voorbij is?’

‘Omdat op dit moment tovenaars van over de hele wereld het land binnenstromen, idioot. Ongetwijfeld zijn alle verloven op het Ministerie van Toverkunst ingetrokken en staan al die bemoeials op de uitkijk om tekenen van ongewone activiteit te registreren en controleren ze de identiteit van iedereen extra grondig. Ze worden geobsedeerd door veiligheidsmaatregelen, voor het geval de Dreuzels iets zouden merken. Daarom moeten we wachten.’

Frank staakte zijn pogingen om zijn oor schoon te maken. Hij had duidelijk de woorden ‘Ministerie van Toverkunst’, ‘tovenaars’ en ‘Dreuzels’ verstaan. Het was zonneklaar dat die uitdrukkingen een geheime bijbetekenis hadden en Frank kon maar twee soorten mensen bedenken die het nodig zouden vinden om in code te spreken — spionnen en criminelen. Hij greep zijn stok opnieuw extra stevig vast en luisterde nog aandachtiger.

‘Dus u bent nog steeds vastbesloten, Heer?’ zei Wormstaart zacht.

‘Natuurlijk ben ik vastbesloten, Wormstaart.’ Nu klonk er iets van dreiging door in die kille stem.

Er volgde een korte stilte — en toen Wormstaart die verbrak, gooide hij de woorden er overhaast uit, alsof hij zich dwong om te zeggen wat hij te zeggen had voor de angst hem de mond zou snoeren.

‘Het zou ook zonder Harry Potter kunnen, Heer.’

Nog een stilte, een langere ditmaal, en toen —

‘Zonder Harry Potter?’ fluisterde de tweede stem zacht. ‘Juist, ja…’

‘Ik zeg dat niet uit bezorgdheid om die jongen, Heer,’ zei Wormstaart, wiens stem hoog en pieperig werd. ‘Die jongen betekent niets voor me, helemaal niets! Ik dacht alleen dat het allemaal zoveel sneller zou kunnen gaan als we een andere heks of tovenaar zouden gebruiken — welke dan ook! Als u me zou toestaan u korte tijd alleen te laten — u weet hoe effectief ik mezelf kan vermommen — zou ik al over twee dagen terug kunnen zijn met een geschikt persoon —’

‘Ik zou ook een andere tovenaar kunnen gebruiken,’ zei de eerste stem zacht. ‘Dat is waar…’

‘Dat zou niet meer dan logisch zijn, Heer,’ zei Wormstaart, die enorm opgelucht klonk. ‘Het zou vreselijk moeilijk zijn om Harry Potter te pakken te krijgen, hij wordt zo goed beschermd —’

‘En daarom bied jij vrijwillig aan om een plaatsvervanger voor me te halen? Ik vraag me af… begin je er soms genoeg van te krijgen om mij te verzorgen, Wormstaart? Is die suggestie om ons plan te laten varen gewoon een poging om mij in de steek te laten?’

‘Nee, Heer! Ik — ik zou u nooit in de steek willen laten, nooit en te nimmer —’

‘Lieg niet!’ siste de tweede stem. ‘Ik heb je door, Wormstaart, zoals altijd! Je hebt er spijt van dat je naar me bent teruggekeerd. Je gruwt van me. Ik zie je gezicht vertrekken als je me aankijkt, voel je huiveren als je me aanraakt…’

‘Nee, Heer! Mijn toewijding aan u —’

‘Jouw toewijding is een ander woord voor lafheid! Je zou hier niet zijn als je ergens anders heen kon vluchten. Hoe moet ik zonder jou overleven, terwijl ik om de paar uur gevoed moet worden? Wie moet Nagini dan melken?’

‘Maar u lijkt zoveel sterker, Heer —’

‘Leugenaar!’ fluisterde de tweede stem. ‘Ik ben niet sterker en een paar dagen alleen zou me beroven van de weinige kracht die ik onder jouw klungelige zorgen heb opgedaan. Stilte!’

Wormstaart, die onsamenhangend had staan sputteren, deed er direct het zwijgen toe. Een paar tellen lang hoorde Frank alleen het geknetter van het haardvuur en toen de tweede man weer iets zei, was dat op een toon die veel weghad van gesis.

‘Ik heb zo mijn redenen om die jongen te gebruiken, zoals ik al heb uitgelegd en ik neem geen genoegen met een ander. Ik heb dertien jaar gewacht, dus een paar maanden extra maakt niets uit. En wat betreft de bescherming die Potter geniet, denk ik dat mijn plan heel effectief zal zijn. Er is alleen een klein beetje moed van jouw kant voor nodig, Wormstaart — moed die ik maar gauw bijeen zou schrapen, tenzij je graag wilt weten hoe groot de woede van Heer Voldemort kan zijn —’

‘Ik moet dit zeggen, Heer!’ zei Wormstaart, wiens stem nu regelrecht paniekerig klonk. ‘Tijdens onze hele reis heb ik over het plan nagedacht — de verdwijning van Berta zal niet lang meer onopgemerkt blijven, Heer, en als we ons plan doorzetten, als ik die vloek —’

‘Als?’ fluisterde de eerste stem. ‘Als? Als je het plan gewoon uitvoert, Wormstaart, hoeft het Ministerie er nooit achter te komen dat er nog iemand verdwenen is. En je voert het plan ook uit, onopvallend en zonder verdere klaagzangen. Ik wou dat ik het zelf kon doen, maar in mijn huidige toestand… kom, Wormstaart, als we nog een obstakel opruimen, ligt de weg naar Harry Potter open. Ik vraag je niet om het alleen te doen. Tegen die tijd zullen we gezelschap hebben gekregen van mijn andere, mijn trouwe dienaar —’

‘Ik ben ook uw trouwe dienaar,’ zei Wormstaart, met een heel klein vleugje opstandigheid in zijn stem.

‘Wormstaart, ik heb iemand nodig met hersens, iemand wiens trouw geen moment gewankeld heeft en helaas voldoe jij aan geen van beide voorwaarden.’

‘Ik heb u gevonden,’ zei Wormstaart, en nu was de opstandigheid in zijn stem duidelijker. ‘Ik ben degene die u heeft gevonden. Ik heb Berta Kriel naar u toegebracht.’

‘Dat is waar,’ zei de tweede stem, die geamuseerd klonk. ‘Een briljante inval die ik nooit van je verwacht had, Wormstaart — hoewel je, als je heel eerlijk bent, geen idee had hoe nuttig ze zou zijn toen je haar gevangennam, nietwaar?’

‘Ik — ik dacht dat ze goed van pas zou komen, Heer —’

‘Leugenaar,’ zei de eerste stem en de ondertoon van wreed vermaak was sterker dan ooit. ‘Maar goed, ik zal niet ontkennen dat haar informatie van onschatbare waarde was. Zonder die informatie had ik ons plan nooit kunnen opstellen en vanwege die dienst zul je beloond worden, Wormstaart. Ik zal je toestaan om een essentiële taak te vervullen, een taak waar veel van mijn volgelingen graag hun rechterhand voor zouden willen geven…’

‘W-werkelijk, Heer? Wat — ?’ Wormstaart klonk weer doodsbenauwd.

‘Kom, kom, Wormstaart, je houdt toch wel van een kleine verrassing? Jouw aandeel komt pas op het allerlaatst… maar ik beloof je dat je de eer zult hebben om net zo nuttig te zijn als Berta Kriel.’

‘Bent… bent…’ De stem van Wormstaart klonk plotseling hees, alsof zijn mond ineens kurkdroog was. ‘Bent u… van plan… mij ook te vermoorden?’

‘Wormstaart, Wormstaart,’ zei de kille stem gladjes, ‘waarom zou ik jou vermoorden? Berta moest dood omdat dat niet anders kon. Ze was een wrak toen ik klaar was met mijn ondervraging, totaal nutteloos. En bovendien hadden er pijnlijke vragen gesteld kunnen worden als ze was teruggekeerd op het Ministerie met het nieuws dat ze jou op vakantie ontmoet had. Tovenaars die eigenlijk dood horen te zijn, kunnen beter geen heksen van het Ministerie van Toverkunst tegen het lijf lopen in een herberg langs de weg…’

Wormstaart mompelde iets, zo zacht dat Frank het niet kon verstaan, maar de tweede man moest lachen — een volkomen vreugdeloze lach, die even kil was als zijn stem.

‘We hadden ook haar geheugen kunnen wissen? Maar Herinneringssloten kunnen verbroken worden door een machtige tovenaar, zoals ik zelf bewezen heb toen ik haar uithoorde. Het zou een belediging zijn voor de herinnering aan Berta als we de informatie die ik uit haar heb losgekregen niet zouden gebruiken, Wormstaart.’

Buiten op de gang besefte Frank opeens dat de hand waarmee hij zijn stok vasthield glibberig was van het zweet. De man met die kille stem had een vrouw vermoord. Hij praatte erover zonder een greintje gewetenswroeging — eerder met een soort genoegen. Hij was levensgevaarlijk — een gevaarlijke gek. En hij was nog meer moorden aan het beramen — die jongen, die Harry Potter, wie dat dan ook was, liep groot gevaar —

Frank wist wat hij moest doen. Dit was het moment om naar de politie te gaan. Hij zou naar buiten sluipen en dan regelrecht naar de telefooncel in het dorp gaan…. maar de kille stem was weer aan het woord en Frank bleef staan, aan de grond genageld en ingespannen luisterend.

‘Nog een vloek… mijn trouwe dienaar op Zweinstein… Ik heb Harry Potter bijna in mijn macht, Wormstaart. Het besluit is genomen en ik duld geen tegenspraak meer. Maar stil… ik geloof dat ik Nagini hoor…’

En de stem van de tweede man veranderde. Hij begon geluiden te maken die Frank nog nooit eerder had gehoord; hij siste en spuwde, zonder adem te halen. Frank dacht dat hij een soort toeval of beroerte kreeg.

Plotseling hoorde Frank iets bewegen in de duistere gang. Hij keek om en verstijfde van schrik.

Er gleed iets over de donkere vloer naar hem toe en toen het de schuine streep licht van het haardvuur naderde, zag hij tot zijn verbijstering dat het een reusachtige slang was, van minstens vier meter lang. Vol ontzetting en als verlamd staarde Frank naar het kronkelende lijf, dat een brede, slingerende streep door het stof trok en steeds dichterbij kwam — wat moest hij doen? De enige vluchtroute was de kamer in waar die twee mannen een moord beraamden, maar als hij bleef staan, zou hij vast en zeker gedood worden door die slang —

Voor hij een besluit kon nemen was de slang al op gelijke hoogte en ongelooflijk, wonderbaarlijk genoeg, gleed hij gewoon langs Frank heen; hij volgde de spuwende, sissende geluiden die de kille stem in de kamer maakte en een paar tellen later verdween ook het puntje van zijn staart door de smalle spleet.

Het zweet parelde nu op Franks voorhoofd en de hand waarmee hij zijn stok vasthield, trilde. Binnen bleef de kille stem sissen en plotseling kreeg Frank een krankzinnig idee, een onmogelijk idee… Die man kon met slangen praten.

Frank begreep niet wat dit allemaal te betekenen had. Het allerliefst wilde hij gewoon weer in zijn eigen bed liggen, met een warme kruik. Het probleem was alleen dat zijn benen weigerden te gehoorzamen. Terwijl hij daar bevend stond en zich probeerde te vermannen, schakelde de kille stem abrupt weer over op normale mensentaal.

‘Nagini had een interessant nieuwtje, Wormstaart.’

‘W-werkelijk, Heer?’ zei Wormstaart.

‘Ja, werkelijk,’ zei de stem. ‘Volgens Nagini staat er een oude Dreuzel op de gang, die ons gesprek afluistert.’

Frank had geen kans om zich te verschuilen. Er klonken voetstappen en de deur van de kamer werd opengesmeten.

Een korte, kalende man met grijzend haar, een puntneus en kleine, waterige oogjes staarde Frank aan, met een uitdrukking die het midden hield tussen angst en ongerustheid.

‘Vraag of hij binnenkomt, Wormstaart. Waar zijn je manieren?’

De kille stem kwam uit de oude fauteuil bij de haard, maar Frank kon de spreker niet zien. De slang, daarentegen, lag opgerold op het wegrottende haardkleed, als een soort gruwelijke parodie op een hond.

Wormstaart gebaarde dat Frank binnen moest komen. Hoewel hij nog steeds diep geschokt was, pakte Frank zijn wandelstok steviger vast en hinkte over de drempel.

Het vuur was de enige lichtbron; het wierp langgerekte, dunne schaduwen op de muren. Frank staarde naar de rug van de fauteuil; de man die erin zat scheen nog kleiner te zijn dan zijn bediende, want Frank kon zelfs zijn achterhoofd niet zien.

‘Dus je hebt alles gehoord, Dreuzel?’ zei de kille stem.

‘Hoe noemde je me?’ zei Frank uitdagend, want nu hij eenmaal binnen was, nu het tijd was om op een of andere manier tot actie over te gaan, voelde hij zich een stuk moediger; zo was het in de oorlog ook altijd geweest.

‘Ik noemde je een Dreuzel,’ zei de stem koeltjes. ‘Dat betekent dat je geen tovenaar bent.’

‘Ik weet niet wat je bedoelt met tovenaar,’ zei Frank, wiens stem een stuk minder onvast was. ‘Ik weet alleen dat ik voldoende heb gehoord om naar de politie te stappen. Jullie hebben iemand vermoord en zaten nog een moord te beramen! En laat ik je nog iets zeggen,’ voegde hij eraan toe, na een plotselinge ingeving. ‘M’n vrouw weet dat ik hier ben en als ik niet terugkom —’

‘Je hebt helemaal geen vrouw,’ zei de kille stem bedaard. ‘Niemand weet dat je hier bent. Je hebt tegen niemand gezegd dat je naar de villa ging. Lieg niet tegen Heer Voldemort, Dreuzel, want hij weet alles… hij weet alles altijd…’

‘Je meent ‘t?’ zei Frank ruw. ‘Heer, hè? Nou, je manieren bevallen me anders helemaal niet, Heer. Keer je om, als je durft en kijk me aan, als een man!’

‘Maar ik ben geen man, Dreuzel,’ zei de kille stem, die nu nauwelijks hoorbaar was boven het geknetter van de vlammen. ‘Ik ben veel meer dan alleen een man. Maar goed… waarom niet? Ik wil je best aankijken… Wormstaart, draai mijn stoel om.’

De bediende stootte een zacht gejammer uit.

‘Je hebt me gehoord, Wormstaart!’

Langzaam, met een vertrokken gezicht, alsof hij alles liever deed dan in de buurt komen van zijn meester en het haardkleedje waar de slang lag, liep de kleine man naar de stoel en begon die om te draaien. De slang hief zijn lelijke, driehoekige kop op en siste zacht toen de poten van de stoel in het kleed bleven haken.

En toen was de stoel naar Frank toegekeerd en zag hij wat erin zat. Zijn stok viel kletterend op de grond. Hij sperde zijn mond open en gilde. Hij gilde zo hard dat hij de woorden niet hoorde die het ding in de stoel zei, terwijl het een staf ophief. Er volgde een groene lichtflits, er klonk een ruisend geluid en Frank Braam zakte in elkaar. Hij was al dood voor hij op de grond plofte.

Meer dan driehonderd kilometer daarvandaan, schrok de jongen die Harry Potter heette plotseling wakker.

Hoofdstuk 2

HET LITTEKEN

Harry lag plat op zijn rug en hijgde, alsof hij een stuk gerend had. Hij was wakker geschrokken uit een vreselijke, levensechte droom, met zijn handen tegen zijn gezicht gedrukt. Het oude litteken op zijn voorhoofd, dat de vorm had van een bliksemschicht, brandde onder zijn vingers, alsof iemand een roodgloeiende ijzerdraad tegen zijn huid had gehouden.

Hij ging overeind zitten, met een hand tegen zijn litteken en tastte met de andere in het donker naar zijn bril, die op het nachtkastje lag. Nadat hij die had opgezet nam zijn slaapkamer vastere vorm aan, verlicht door de straatlantaarn voor het raam, die een wazige oranje gloed door de gordijnen wierp.

Harry streek opnieuw met zijn vingers over het litteken. Dat deed nog steeds pijn. Hij deed de lamp op het nachtkastje aan, sprong uit bed, liep naar zijn kleerkast, deed die open en staarde in de spiegel aan de binnenkant van de deur. Een magere jongen van veertien keek hem aan, met verbaasde groene ogen onder zijn warrige zwarte haar. Hij bekeek het bliksemvormige litteken van zijn spiegelbeeld wat beter. Het zag er normaal uit, maar prikte nog steeds.

Harry probeerde zich te herinneren wat hij precies gedroomd had voor hij wakker was geschrokken. Het had zo echt geleken… er waren twee mensen in voorgekomen die hij kende en een vreemde… hij concentreerde zich uit alle macht, met gefronst voorhoofd, en probeerde het zich weer voor de geest te halen…

Het vage beeld van een schemerige kamer kwam bij hem op… er had een slang op een haardkleedje gelegen… een kleine man, een zekere Peter, bijgenaamd Wormstaart… en een kille, hoge stem… de stem van Voldemort! Alleen al bij die gedachte had Harry het gevoel alsof er plotseling een blok ijs in zijn maag was neergeploft…

Hij kneep zijn ogen stijf dicht en probeerde zich te herinneren hoe Voldemort er had uitgezien, maar dat lukte niet… Harry wist alleen dat, toen Voldemorts stoel was omgedraaid en hij had gezien wat daar zat, hij zo’n golf van afschuw had gevoeld dat hij wakker was geschrokken… of was dat door de pijn in zijn litteken gekomen?

En wie was die oude man geweest? Want er was beslist een oude man in voorgekomen; Harry had hem op de grond zien vallen. Het werd allemaal steeds verwarder; Harry deed zijn handen voor zijn gezicht om zijn slaapkamer buiten te sluiten en probeerde het beeld van die schemerige kamer vast te houden, maar het was alsof hij water probeerde vast te houden in het kommetje van zijn handen; de details sijpelden sneller weg dan hij ze kon oproepen… Voldemort en Wormstaart hadden gepraat over iemand die ze vermoord hadden, hoewel Harry zich de naam niet kon herinneren… en ze hadden beraadslaagd hoe ze iemand anders konden vermoorden… hem…

Harry liet zijn handen zakken, deed zijn ogen open en keek door de kamer, alsof hij verwachtte iets ongewoons te zien. Toevallig bevatte zijn slaapkamer inderdaad een grote hoeveelheid ongewone dingen. Aan het voeteneinde van zijn bed stond een zware houten hutkoffer, met het deksel open, zodat je een grote ketel kon zien, een bezemsteel, zwarte gewaden en een heel assortiment spreukenboeken. Dat deel van zijn bureau dat niet in beslag werd genomen door de grote, lege kooi waarin meestal zijn sneeuwuil Hedwig zat, was bezaaid met rollen perkament. Naast zijn bed lag een open boek op de grond, waar hij in had gelezen voor hij in slaap viel. De foto’s in het boek bewogen allemaal, en mensen op bezemstelen en met knaloranje gewaden aan zoefden in en uit beeld en gooiden elkaar een rode bal toe.

Harry liep naar het boek, raapte het op, keek hoe een van de tovenaars een spectaculaire goal scoorde door de bal door een meer dan vijftien meter hoge hoepel te gooien en sloeg het boek toen dicht. Zelfs Zwerkbal — naar Harry’s mening de beste sport ter wereld — kon hem op dat moment niet bekoren. Hij legde De lucht in met de Cannons op zijn nachtkastje, liep naar het raam, deed de gordijnen een stukje open en keek omlaag naar de straat.

De Ligusterlaan was precies zoals je zou verwachten van een keurige straat in een buitenwijk, in de kleine uurtjes van zaterdagochtend. Overal waren de gordijnen dicht. Voor zover Harry kon zien in het donker, was er geen levend wezen te bekennen, zelfs geen kat.

En toch… en toch… Harry liep rusteloos terug naar zijn bed, ging zitten en streek opnieuw met zijn vinger over zijn litteken. Het was niet de pijn die hem onrustig maakte; Harry was pijn en blessures gewend. Hij was een keer alle botten uit zijn rechterarm kwijtgeraakt, die in een nacht pijnlijk teruggegroeid waren. Diezelfde arm was niet lang daarna doorboord door een dertig centimeter lange giftand. Vorig jaar nog had Harry een smak van meer dan vijftien meter gemaakt, toen hij midden in de lucht van zijn bezem was gevallen. Hij was gewend aan bizarre ongelukken en verwondingen; die waren onvermijdelijk als je les had op Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus en je af en toe als een magneet moeilijkheden leek aan te trekken.

Nee, Harry was ongerust omdat de laatste keer dat hij last had gehad van zijn litteken, Voldemort in de buurt was geweest… maar dat kon nu onmogelijk het geval zijn… het idee dat Voldemort zich schuilhield in de Ligusterlaan was absurd, ondenkbaar…

Harry luisterde ingespannen naar de stilte om hem heen. Verwachtte hij half en half dat hij het gekraak van een traptrede zou horen, het geruis van een mantel? Hij maakte een sprongetje van schrik toen zijn neef Dirk plotseling een geweldig, grommend gesnurk uitstootte in de kamer naast de zijne.

Harry gaf zichzelf een mentale uitbrander; hij deed idioot; er was verder niemand in huis, behalve oom Herman, tante Petunia en Dirk, en het was duidelijk dat zij alledrie sliepen en dat hun dromen ongestoord en pijnloos waren.

Diep in slaap en van de wereld, zo zag Harry de Duffelingen het liefst. Als ze wakker waren, had hij toch niets aan hen. Oom Herman, tante Petunia en Dirk waren Harry’s enige levende familieleden. Ze waren Dreuzels (niet-magische mensen), die tovenarij in welke vorm dan ook haatten en vreesden, zodat Harry in hun huis ongeveer even welkom was als optrekkend vocht. Ze hadden Harry’s lange periodes van afwezigheid tijdens de afgelopen drie jaar, als hij op Zweinstein zat, tegenover familie en kennissen verklaard door te zeggen dat ze hem naar St. Walpurga’s Gesloten Inrichting voor Onverbeterlijke Jonge Criminelen hadden gestuurd. Ze wisten heel goed dat Harry, als minderjarige tovenaar, buiten Zweinstein geen magie mocht gebruiken, maar toch waren ze er altijd als de kippen bij om hem de schuld te geven als er iets mis ging in huis. Harry had hen nooit in vertrouwen kunnen nemen, of ook maar iets kunnen vertellen over zijn leven in de tovenaarswereld. Alleen al het idee dat hij naar hen toe zou stappen als ze wakker werden en zou zeggen dat zijn litteken pijn deed en dat hij zich zorgen maakte om Voldemort, was lachwekkend.

En toch kwam het door Voldemort dat Harry bij de Duffelingen was komen wonen. Als Voldemort er niet was geweest, zou Harry niet dat litteken in de vorm van een bliksemschicht op zijn voorhoofd hebben gehad. Als Voldemort er niet was geweest, zouden Harry’s ouders nog hebben geleefd.

Harry was een jaar oud geweest tijdens de nacht dat Voldemort — de krachtigste Duistere tovenaar sinds een eeuw, een tovenaar die elf jaar lang gestaag aan macht had gewonnen — hun huis was binnengedrongen en zijn vader en moeder had vermoord. Vervolgens had Voldemort zijn toverstaf op Harry gericht; hij had de vloek uitgesproken waarmee hij al zoveel volwassen heksen en tovenaars uit de weg had geruimd tijdens zijn onafwendbare klim naar de oppermacht — maar ongelooflijk genoeg had die niet gewerkt. Het jongetje was niet gedood en de vloek was teruggekaatst tegen Voldemort. Harry had er alleen die bliksemvormige wond op zijn voorhoofd aan overgehouden, maar Voldemort was gereduceerd tot een schim, op sterven na dood. Beroofd van zijn macht en met zijn leven vrijwel uitgedoofd was Voldemort gevlucht; de terreur waaronder de geheime gemeenschap van heksen en tovenaars zo lang gezucht had was verdwenen, Voldemorts volgelingen hadden de benen genomen en Harry Potter was beroemd geworden.

Het was al een enorme schok geweest voor Harry toen hij op zijn elfde verjaardag had gehoord dat hij een tovenaar was; het was helemaal schokkend geweest toen hij erachter kwam dat iedereen in de toverwereld zijn naam kende. Toen Harry voor het eerst op Zweinstein arriveerde, had hij gemerkt dat men hem nakeek en dat hij overal gevolgd werd door gefluister. Daar was hij inmiddels aan gewend; aan het einde van de zomer zou hij aan zijn vierde jaar op Zweinstein beginnen en hij telde de dagen af totdat hij terug zou gaan naar het kasteel.

Maar het duurde nog twee weken voor het zover was. Hij staarde opnieuw vertwijfeld door de kamer en zijn blik bleef even rusten op de verjaardagskaarten die zijn beste vriend en vriendin hem eind juli hadden gestuurd. Wat zouden ze zeggen als hij hun schreef dat zijn litteken pijn deed?

Onmiddellijk klonk de stem van Hermelien Griffel in zijn hoofd, schril en paniekerig.

‘Deed je litteken pijn? Dat is echt heel ernstig, Harry… Schrijf aan professor Perkamentus! En dan kijk ik in Veel Voorkomende Magische Kwalen en Kwellingen… Misschien staat daar iets in over littekens die het gevolg zijn van een vloek…’

Ja, dat zou het advies van Hermelien zijn: naar het schoolhoofd van Zweinstein stappen en tegelijkertijd een boek raadplegen. Harry staarde uit het raam, naar de aardedonkere, blauwzwarte hemel. Hij betwijfelde sterk of er een boek was dat hem kon helpen. Voor zover hij wist, was hij de enige die een vloek zoals die van Voldemort overleefd had; het was dus uiterst onwaarschijnlijk dat de symptomen vermeld zouden staan in Veel Voorkomende Magische Kwalen en Kwellingen. En wat naar het schoolhoofd stappen betrof: Harry had geen idee waar Perkamentus tijdens de zomervakantie heenging. Hij vermaakte zich eventjes met een beeld van Perkamentus die met zijn lange zilvergrijze baard, een tovenaarsgewaad tot op zijn enkels en een punthoed languit op het strand lag en zonnebrandolie op zijn lange, kromme neus wreef. Harry wist zeker dat, waar Perkamentus ook was, Hedwig hem zou weten te vinden; Harry’s uil was er tot nog toe altijd in geslaagd om elke brief te bezorgen, zelfs als hij iemands adres niet wist. Maar wat moest hij schrijven?

Beste professor Perkamentus, sorry dat ik u stoor, maar ik had vanochtend last van mijn litteken. Vriendelijke groeten, Harry Potter.

Zelfs in gedachten klonken die woorden al idioot.

Daarom probeerde hij zich de reactie voor te stellen van Ron Wemel, zijn beste vriend, en een fractie van een seconde later leek Rons gezicht, met zijn lange neus en sproeten, voor dat van Harry te zweven en hem verbouwereerd aan te staren.

‘Deed je litteken pijn? Maar… maar Jeweetwel kan nu toch niet in de buurt zijn? Ik bedoel… dat zou je toch weten? Dan zou hij weer proberen om je om zeep te helpen, ja toch? Ik weet niet, Harry. Misschien doen littekens die ontstaan zijn door een vloek wel vaker pijn… ik zal ’t aan pa vragen…’

Meneer Wemel was een volledig bevoegde tovenaar die op het Ministerie van Toverkunst werkte, op de Afdeling Misbruikpreventie van Dreuzelvoorwerpen, maar voor zover Harry wist, was hij geen expert op het gebied van vervloekingen. Bovendien voelde Harry er niets voor om de hele familie Wemel te laten weten dat hij in de piepzak zat omdat zijn voorhoofd een paar tellen pijn had gedaan. Mevrouw Wemel zou nog ongeruster zijn dan Hermelien, en Fred en George, de zestienjarige tweelingbroers van Ron, zouden Harry misschien een watje vinden. De Wemels waren Harry’s meest favoriete familie; hij hoopte dat hij binnenkort een uitnodiging zou krijgen om bij hen te komen logeren (Ron had iets gezegd over het WK Zwerkbal) en om de een of andere reden wilde hij niet dat zijn bezoek geheel overschaduwd zou worden door bezorgde vragen naar zijn litteken.

Harry kneedde zijn voorhoofd met zijn knokkels. Waar hij in feite behoefte aan had (en het was haast gênant om dat tegenover zichzelf toe te geven) was iemand zoals — iemand zoals een vader of moeder: een volwassen tovenaar die hij om raad kon vragen zonder zich gelijk stom te voelen, iemand die om hem gaf en die ervaring had met Duistere Magie…

Opeens schoot hem de oplossing te binnen, zo simpel en voor de hand liggend dat hij niet kon geloven dat hij er niet eerder aan gedacht had — Sirius.

Harry sprong uit bed, liep haastig naar zijn bureau en ging zitten; hij trok een stuk perkament naar zich toe, stak zijn adelaarsveer in de inktpot, schreef Beste Sirius, en stopte toen even, terwijl hij zich afvroeg hoe hij zijn probleem het beste onder woorden kon brengen en zich nog steeds verbaasde over het feit dat hij niet direct aan Sirius had gedacht. Maar misschien was dat ook niet zo vreemd — tenslotte was hij er pas twee maanden geleden achter gekomen dat Sirius Zwarts zijn peetvader was.

Er was een heel eenvoudige verklaring voor het feit dat Sirius tot dan toe geen enkele rol had gespeeld in Harry’s leven — Sirius had in Azkaban gezeten, de angstaanjagende tovenaarsgevangenis, die bewaakt werd door schepsels die Dementors werden genoemd: oogloze, zielenverslindende, gruwelijke schepsels die Sirius waren komen zoeken op Zweinstein toen hij ontsnapt was. En toch was Sirius onschuldig geweest — de moorden waarvoor hij was veroordeeld waren in werkelijkheid gepleegd door Wormstaart, de dienaar van Voldemort, van wie vrijwel iedereen nu geloofde dat hij dood was. Harry, Ron en Hermelien wisten echter wel beter; ze hadden het afgelopen schooljaar oog in oog gestaan met Wormstaart, hoewel alleen professor Perkamentus hun verhaal had geloofd.

Een glorieus uur lang had Harry geloofd dat hij de Duffelingen eindelijk kon verlaten, omdat Sirius hem had uitgenodigd om bij hem te komen wonen zodra zijn naam eenmaal gezuiverd was. Maar die kans was hem abrupt ontnomen — Wormstaart was ontsnapt voor ze hem naar het Ministerie van Toverkunst hadden kunnen brengen en Sirius had moeten vluchten voor zijn leven. Harry had hem helpen ontsnappen, op de rug van een hippogrief genaamd Scheurbek, en sindsdien was Sirius voortvluchtig geweest. Harry was de hele zomer gekweld door de gedachte aan het tehuis dat hij had kunnen hebben als Wormstaart er niet vandoor gegaan was. Het was dubbel zo zwaar geweest om terug te keren naar de Duffelingen in de wetenschap dat hij op een haar na voorgoed aan hen ontsnapt was.

Desondanks had Harry toch veel aan Sirius gehad, ook al kon hij niet bij hem zijn. Dankzij Sirius mocht Harry nu zijn schoolspullen gewoon op zijn slaapkamer hebben. Dat hadden de Duffelingen nooit eerder goed gevonden; in hun verlangen Harry het leven zo zuur mogelijk te maken, plus hun angst voor zijn toverkracht, hadden ze tijdens voorafgaande zomervakanties zijn hutkoffer met schoolspullen steevast achter slot en grendel opgeborgen in de bezemkast onder de trap. Maar hun houding was veranderd sinds ze gehoord hadden dat Harry een peetvader had die een gevaarlijke moordenaar was — Harry was wel zo verstandig geweest om niet te zeggen dat Sirius onschuldig was.

Sinds zijn terugkeer naar de Ligusterlaan had Harry twee brieven gehad van Sirius, die niet bezorgd waren door uilen (wat gebruikelijk was onder tovenaars) maar door grote, felgekleurde tropische vogels. Hedwig had die bonte, opzichtige indringers maar niets gevonden; ze had ze slechts heel schoorvoetend laten drinken uit haar waterbak voor ze weer aan hun terugreis begonnen. Harry had ze juist mooi gevonden; ze deden hem aan wit zand en palmbomen denken en hij hoopte dat, waar Sirius ook was (dat schreef Sirius nooit, voor het geval zijn brieven in verkeerde handen vielen), hij in elk geval een fijne tijd had. Harry kon zich om de een of andere reden niet voorstellen dat Dementors lang konden overleven in de felle tropenzon; misschien was dat de reden waarom Sirius naar het zuiden was gegaan. In zijn brieven, die nu verborgen waren onder die uiterst nuttige losse plank onder Harry’s bed, klonk hij heel opgewekt en hij had Harry beide keren op het hart gedrukt hem toch vooral te schrijven als hij daar behoefte aan had. Nou, dat had hij nu zeker.

Het schijnsel van Harry’s lamp vervaagde toen het kille, grauwe licht dat voorafgaat aan de dageraad langzaam door de kamer kroop. Uiteindelijk, toen de zon op was, de muren van zijn slaapkamer goud kleurden en hij gestommel hoorde bij oom Herman en tante Petunia, veegde Harry alle verfrommelde stukken perkament van zijn bureau en herlas zijn voltooide brief.

Beste Sirius,

Bedankt voor je laatste brief. De vogel die hem bracht was zo groot dat hij nauwelijks door het raam naar binnen kon.

Hier gaat alles zijn gangetje. Dirk heeft nogal moeite met zijn dieet. Gisteren betrapte mijn tante hem toen hij donuts naar zijn kamer smokkelde. Ze zeiden dat ze hem zouden korten op zijn zakgeld als hij daarmee doorging en toen werd hij zo kwaad dat hij zijn PlayStation uit het raam smeet. Dat is een soort computergeval waar je spelletjes op kunt spelen. Een beetje stom van hem, want nu heeft hij niet eens Monsters aan Mootjes Deel Drie om zijn gedachten af te leiden.

Met mij gaat het goed, vooral omdat de Duffelingen doodsbang zijn dat jij misschien langskomt en ze in vleermuizen verandert als ik dat vraag.

Vanochtend gebeurde er wel iets vreemds. M’n litteken deed weer pijn. De laatste keer dat dat gebeurde, was toen Voldemort op Zweinstein was. Maar nu kan hij toch moeilijk in de buurt zijn? Weet jij of littekens die het gevolg zijn van een vloek jaren later nog pijn kunnen doen?

Ik stuur dit met Hedwig mee zodra ze terugkomt; ze is op het moment op jacht. Doe Scheurbek de groeten.

Harry

Ja, dat zag er goed uit, dacht Harry. Het had geen zin om over die droom te vertellen, want hij wilde niet de indruk wekken dat hij zich al te veel zorgen maakte. Hij vouwde het perkament op en legde het op zijn bureau, klaar voor als Hedwig terugkwam. Vervolgens stond hij op, rekte zich uit en deed zijn kleerkast opnieuw open. Zonder naar zijn spiegelbeeld te kijken, kleedde hij zich aan en ging naar beneden om te ontbijten.

Hoofdstuk 3

DE UITNODIGING

De drie Duffelingen zaten al aan tafel toen Harry de keuken binnenkwam en ging zitten, maar ze keken geen van drieën op. Het grote rode hoofd van oom Herman ging schuil achter Het Algemeen Volksblad en tante Petunia sneed een grapefruit in vieren, met haar paardengebit verborgen achter haar afkeurend getuite lippen.

Dirk zag er woedend en chagrijnig uit en scheen om de een of andere reden nog meer ruimte in beslag te nemen dan normaal. Dat wilde heel wat zeggen, want hij hield altijd al een hele kant van de vierkante keukentafel bezet. Tante Petunia legde een kwart grapefruit zonder suiker op zijn bord met een nogal nerveus: ‘Alsjeblieft, Dirkje lief,’ maar Dirk keek haar alleen maar nijdig aan. Zijn leven had een hoogst onaangename wending genomen nadat hij die zomer was thuisgekomen met zijn eindrapport.

Oom Herman en tante Petunia hadden zoals gewoonlijk wel excuses weten te vinden voor zijn slechte cijfers; tante Petunia hield stug vol dat Dirk een hoogbegaafde jongen was die niet werd begrepen door zijn leraren, en oom Herman riep dat hij ‘sowieso geen watje dat dag en nacht met z’n neus in de boeken zat’ als zoon wilde. Ook de beschuldigingen van pesterij werden haastig met de mantel der liefde bedekt — ‘Het is een actieve, levenslustige jongen, maar hij zou geen vlieg kwaad doen!’ zei tante Petunia huilerig.

Helemaal onder aan het rapport stonden echter enkele rake opmerkingen van de schoolverpleegster, die zelfs oom Herman en tante Petunia niet konden wegwuiven. Al jammerde tante Petunia nog zo vaak dat Dirk zware botten had, dat al dat overgewicht gewoon babyvet was en dat hij een jongen in de groei was die goed moest eten, het feit bleef dat bij geen enkele leverancier van schooluniformen nog kniebroeken in zijn maat te koop waren. De schoolverpleegster had gezien wat de ogen van tante Petunia — die anders zo haarscherp zagen als het ging om het signaleren van vingerafdrukken op haar glanzende muren of het bespioneren van de buren — simpelweg weigerden te zien: dat extra calorieën wel het laatste was wat Dirk nodig had, omdat hij inmiddels ongeveer even groot en zwaar was als een jonge orka.

En dus was — na een hoop knetterende ruzies, na stampende woedeaanvallen waarbij de vloer van Harry’s slaapkamer had meegedeind en na vele tranen van tante Petunia — het nieuwe regime van kracht geworden. De verpleegster van Ballings had een dieetlijst opgestuurd die op de ijskast was geplakt, een ijskast waaruit al Dirks lievelingssnacks waren verwijderd — cola en taart, chocoladerepen en hamburgers — en die nu gevuld was met groenten en fruit en andere dingen die oom Herman afdeed als ‘konijnenvoer’. Om het Dirk ietsje gemakkelijker te maken, had tante Petunia erop gestaan dat de rest van het gezin hetzelfde dieet volgde en ze gaf nu ook een kwart grapefruit aan Harry, al was het zijne een stuk kleiner dan dat van Dirk. Blijkbaar dacht tante Petunia dat ze Dirks moraal het best hoog kon houden door ervoor te zorgen dat hij in elk geval meer te eten kreeg dan Harry.

Wat tante Petunia niet wist, was dat Harry het nodige verborgen had onder die losse plank in zijn slaapkamer en het dieet helemaal niet volgde. Zodra hij er lucht van had gekregen dat hij geacht werd de hele zomer alleen maar geraspte worteltjes te eten, had hij Hedwig naar zijn vrienden gestuurd met een smeekbede om hulp en die hadden hem niet in de steek gelaten. Hedwig was van Hermeliens adres teruggekeerd met een grote doos suikervrije snacks (Hermeliens ouders waren allebei tandarts), Hagrid, de jachtopziener van Zweinstein, had een grote zak zelfgebakken pindarotsjes bijgedragen (daar had Harry nog niets van gegeten, want hij had al genoeg ervaring met Hagrids kookkunst) en mevrouw Wemel had Egidius, de familie-uil, langs gestuurd met een enorme vruchtencake en een heel assortiment pasteitjes. De arme Egidius, die oud en zwak was, had vijf volle dagen nodig gehad om van die reis te bekomen. En op Harry’s verjaardag (die de Duffelingen straal genegeerd hadden), had hij vier heerlijke verjaardagstaarten gekregen, van Ron, Hermelien, Hagrid en Sirius. Harry had er nog twee over en omdat hij zich op een echt ontbijt kon verheugen als hij weer boven was, begon hij zonder klagen aan zijn armzalige grapefruit.

Oom Herman legde zijn krant met een diep gesnuif van afkeuring neer en keek naar zijn eigen kwart grapefruit.

‘Is dat alles?’ vroeg hij nors aan tante Petunia.

Die keek hem streng aan en knikte nadrukkelijk in de richting van Dirk, die zijn eigen portie al op had en met een zure blik in zijn kleine varkensoogjes naar het stuk van Harry zat te staren.

Oom Herman slaakte een diepe zucht, zodat zijn grote, borstelige snor heen en weer wapperde, en pakte zijn lepel.

De bel ging. Oom Herman hees zichzelf uit zijn stoel en liep naar de hal. Bliksemsnel, terwijl zijn moeder bezig was water op te zetten voor thee, gapte Dirk de rest van zijn vaders grapefruit.

Harry hoorde gepraat bij de deur. Er lachte iemand en oom Herman gaf kortaf antwoord. Toen ging de voordeur weer dicht en klonk in de hal het geluid van scheurend papier.

Tante Petunia zette de theepot op tafel en keek nieuwsgierig waar oom Herman was gebleven. Daar kwam ze al gauw achter; nog geen minuut later stormde hij de keuken weer binnen. Hij zag bleek van woede.

‘Jij daar,’ blafte hij tegen Harry. ‘Mee naar de woonkamer. Nu!’

Terwijl hij zich verbijsterd afvroeg wat hij nu weer misdaan had, stond Harry op en volgde oom Herman naar de andere kamer. Oom Herman deed de deur met een klap dicht.

‘Dacht ik het niet?’ zei hij, terwijl hij met nijdige passen naar de haard liep, zich omdraaide en Harry aankeek alsof hij op het punt stond hem te arresteren. ‘Dacht ik het niet?’

Harry had dolgraag: ‘Waarschijnlijk niet, nee,’ willen zeggen, maar het leek hem niet verstandig oom Hermans humeur zo vroeg op de ochtend al op de proef te stellen, vooral nu dat toch al zo te lijden had onder het strenge dieet. Hij koos daarom voor een uitdrukking van beleefde verbazing.

‘Dit is net gekomen,’ zei oom Herman. Hij zwaaide met een vel paars briefpapier onder Harry’s neus. ‘Een brief. Over jou.’

Nu begreep Harry er helemaal niets meer van. Wie zou oom Herman in vredesnaam schrijven over hem? Kende hij iemand die brieven verstuurde over de post?

Oom Herman staarde Harry woedend aan, keek toen naar de brief en las hardop voor:

‘Beste meneer en mevrouw Duffeling,

We hebben elkaar nog nooit ontmoet, maar Harry heeft u vast veel verteld over mijn zoon Ron.

Zoals Harry misschien gezegd heeft, vindt aanstaande maandag de finale van het Wereldkampioenschap Zwerkbal plaats en mijn man Arthur is erin geslaagd goede kaartjes te bemachtigen, via zijn connecties op het Departement van Magische Sport en Recreatie.

Ik hoop echt dat u ons de gelegenheid wilt geven om met Harry naar de wedstrijd te gaan, want dit is een kans die zich maar zelden voordoet; het is voor het eerst sinds dertig jaar dat het WK in dit land wordt gehouden en het is een hels karwei om aan kaartjes te komen. We zouden het uiteraard ook fijn vinden als Harry de rest van de zomervakantie bij ons bleef logeren en wij zouden hem dan veilig en wel op de trein naar school zetten.

Het zou het beste zijn als Harry ons uw antwoord op de normale manier toestuurt en liefst zo snel mogelijk, want de Dreuzelpostbode heeft nog nooit een brief bij ons bezorgd en volgens mij weet hij niet eens waar het is.

Ik hoop dat we Harry binnenkort kunnen begroeten.

Met vriendelijke groeten,

Molly Wemel

P.S. Ik hoop dat ik voldoende postzegels op de brief heb gedaan.’

Oom Herman hield op met lezen, stak zijn hand in zijn borstzak en haalde iets anders tevoorschijn.

‘Moet je dit zien,’ gromde hij.

Hij hield de envelop waarin de brief van mevrouw Wemel had gezeten omhoog en Harry moest zijn best doen om niet in lachen uit te barsten. De hele envelop was volgeplakt met postzegels, behalve een stukje van zo’n twee vierkante centimeter op de voorkant, waarin mevrouw Wemel nog net het adres van de Duffelingen had kunnen persen, in een heel priegelig handschrift.

‘Nou, ze heeft er inderdaad voldoende zegels op gedaan,’ zei Harry, die probeerde te doen alsof mevrouw Wemel een doodnormale vergissing had gemaakt. De ogen van zijn oom schoten vuur.

‘Dat was de postbode ook al opgevallen,’ zei hij tandenknarsend. ‘Hij wilde heel graag weten wie die brief had gestuurd. Daarom belde hij aan. Blijkbaar vond hij het grappig.’

Harry deed er het zwijgen toe. Iemand anders zou misschien niet begrijpen waarom oom Herman zich zo druk maakte over een paar extra zegeltjes, maar Harry woonde al zo lang bij de Duffelingen dat hij maar al te goed wist hoe panisch ze werden als ze werden geconfronteerd met iets wat ook maar enigszins ongewoon was. Hun grootste angst was dat iemand te weten zou komen dat ze mensen kenden (al was dat nog zo op afstand) als mevrouw Wemel.

Oom Herman staarde Harry nog steeds woedend aan en die deed zijn best om zijn gelaatsuitdrukking neutraal te houden. Als hij geen stomme dingen deed of zei, stond hem heel misschien een van de mooiste ervaringen van zijn leven te wachten. Hij keek of oom Herman iets zou zeggen, maar die bleef hem alleen maar woest aankijken. Harry besloot de stilte te verbreken.

‘Nou — mag ik er naar toe?’ vroeg hij.

Oom Hermans grote, paarse gezicht vertrok een beetje en zijn snor werd nog borsteliger. Harry wist wat zich achter die snor afspeelde: een heftig conflict tussen twee van oom Hermans meest fundamentele gevoelens. Als hij toestemming gaf, zou hij Harry blij maken, iets wat oom Herman al dertien jaar lang uit alle macht had proberen te voorkomen. Daar stond tegenover dat, als Harry voor de rest van de vakantie opkraste naar de Wemels, hij twee weken eerder van hem af zou zijn dan hij had durven hopen en als er iets was wat oom Herman vreselijk vond, was het om Harry in huis te hebben. Blijkbaar om zichzelf wat bedenktijd te gunnen, keek hij opnieuw naar de brief van mevrouw Wemel.

‘Wie is dat mens?’ vroeg hij en hij staarde vol afkeer naar haar handtekening.

‘U hebt haar wel eens ontmoet,’ zei Harry. ‘De moeder van m’n vriend Ron. Ze haalde hem dit jaar af van de Zwein… van de schooltrein.’

Hij had bijna ‘Zweinsteinexpres’ gezegd, maar dat was de manier om zijn oom kwaad te maken. In huize Duffeling waagde niemand het om de naam van Harry’s school hardop uit te spreken.

Er verscheen een diepe frons op het lage voorhoofd van oom Herman, alsof hij zich iets buitengewoon onaangenaams probeerde te herinneren.

‘Een klein, dik vrouwtje?’ gromde hij uiteindelijk. ‘En een hele rits kinderen met rood haar?’

Harry keek hem boos aan. Dat oom Herman het lef had om iemand dik te noemen, terwijl zijn eigen zoon erin was geslaagd iets te doen wat vanaf zijn derde onvermijdelijk had geleken, namelijk breder worden dan hij lang was.

Oom Herman keek weer naar de brief.

‘Zwerkbal,’ mompelde hij. ‘Zwerkbal — wat is dat voor flauwekul?’

Harry voelde opnieuw een vlaag van ergernis.

‘Dat is een sport,’ zei hij kortaf. ‘Gespeeld op bezem —’

‘Ja, oké, oké!’ zei oom Herman luid. Harry zag tot zijn tevredenheid dat zijn oom lichtelijk paniekerig begon te worden. Blijkbaar konden zijn zenuwen het niet verdragen dat in zijn eigen woonkamer het woord ‘bezemsteel’ werd uitgesproken. Hij zocht gauw zijn toevlucht tot de brief, die hij opnieuw doorlas. Harry zag zijn lippen de woorden ‘op de normale manier toestuurt’ vormen. Hij fronste nijdig zijn voorhoofd.

‘Hoe bedoelt ze, op de normale manier?’ beet hij Harry toe.

‘Normaal voor ons,’ zei Harry, en voor zijn oom hem de mond kon snoeren voegde hij eraan toe: ‘U weet wel, per uilenpost. Dat is normaal voor tovenaars.’

Oom Herman keek hem furieus aan, alsof Harry de smerigste taal had uitgeslagen. Sputterend van woede wierp hij een zenuwachtige blik op het raam, blijkbaar uit vrees dat de buren met hun oren tegen het glas gedrukt zouden staan.

‘Hoe vaak heb ik je niet gezegd dat er in mijn huis niet over dat onnatuurlijke gedoe wordt gesproken?’ siste hij, met een gezicht dat nu zo paars was als een overrijpe pruim. ‘Over stank voor dank gesproken! Je draagt notabene de kleren die Petunia en ik je gegeven hebben —’

‘Pas nadat Dirk ze had afgedragen,’ zei Harry koeltjes, en hij droeg inderdaad een sweatshirt dat zo groot was dat hij de mouwen vijf keer moest omslaan voor hij zijn handen kon gebruiken en dat tot over de knieën van zijn uiterst slobberige spijkerbroek hing.

‘Ik wens niet zo toegesproken te worden!’ zei oom Herman, trillend van nijd.

Maar Harry liet zich niet meer alles welgevallen. De tijd dat hij gedwongen was geweest elk stom regeltje van de Duffelingen voor zoete koek te slikken was voorbij. Hij verdomde het om Dirks dieet te volgen en als het even kon, zou hij zich er ook niet door oom Herman van laten weerhouden om naar het WK Zwerkbal te gaan.

Harry haalde diep adem, om een beetje te kalmeren en zei toen: ‘Oke, dus ik mag niet naar het WK. Kan ik dan nu weer naar boven? Ik was bezig met een brief aan Sirius en die wil ik graag afmaken. U weet wel — m’n peetvader.’

Bingo! Hij had de magische woorden gezegd. De paarse kleur trok vlekkerig weg uit oom Hermans gezicht, dat plotseling op een portie slecht gemengd bosbessenijs leek.

‘Was je — was je hem een brief aan het schrijven?’ zei oom Herman quasi-nonchalant — maar Harry had gezien hoe de pupillen van zijn kleine oogjes plotseling samentrokken, in een vlaag van doodsangst.

‘Ja, klopt,’ zei Harry terloops. ‘Hij heeft al een tijdje niets van me gehoord. En dadelijk denkt hij nog dat er iets mis is.’

Hij zweeg even, om van de uitwerking van zijn woorden te genieten. Hij kon als het ware de radertjes zien draaien onder oom Hermans dikke, donkere, keurig gekamde haar. Als hij verhinderde dat Harry aan Sirius schreef, zou die denken dat Harry slecht behandeld werd. Als hij Harry verbood om naar het WK Zwerkbal te gaan, zou hij dat vast aan Sirius schrijven en zou die weten dat hij slecht behandeld werd. Er was maar een uitweg. Harry kon gewoon zien hoe oom Herman tot die conclusie kwam, alsof zijn bolle, besnorde hoofd doorzichtig was. Harry probeerde niet te glimlachen en zijn eigen gezicht zo uitdrukkingsloos mogelijk te houden en toen —

‘Nou, vooruit. Ga dan maar naar dat stomme… dat achterlijke… dat WK-gedoe. Schrijf maar aan die — aan die Wemels dat ze je moeten komen ophalen. Ik heb geen tijd om je ergens in een uithoek van het land af te zetten. En blijf dan gelijk maar voor de rest van de vakantie. En schrijf aan je — aan je peetvader… schrijf maar dat je… dat je mag gaan.’

‘Nou, bedankt,’ zei Harry opgewekt.

Hij draaide zich om en liep naar de deur van de woonkamer, terwijl hij de aandrang onderdrukte om te juichen en een luchtsprongetje te maken. Hij mocht weg… hij mocht naar de Wemels, hij mocht naar het WK Zwerkbal!

Op de gang botste hij bijna tegen Dirk, die met zijn oor tegen de deur had gestaan in de hoop dat hij zou horen hoe Harry de wind van voren kreeg. Hij was geschokt bij het zien van Harry’s brede grijns.

‘Dat was een uitstekend ontbijt, vond je ook niet?’ zei Harry. ‘Ik zit echt vol, en jij?’

Lachend om Dirks verbijsterde gezicht holde Harry met drie treden tegelijk de trap op en stormde zijn slaapkamer binnen.

Het eerste dat hij zag was dat Hedwig terug was. Ze zat in haar kooi, staarde Harry aan met haar enorme, amberkleurige ogen en klikte met haar snavel, op een manier die betekende dat ze ergens kwaad om was. Vrijwel meteen werd duidelijk wat haar irriteerde.

‘Au!’ riep Harry.

Iets wat op het eerste gezicht een kleine, grijze, gevederde tennisbal leek, was tegen Harry’s slaap gebotst. Hij wreef nijdig over de zijkant van zijn hoofd, keek omhoog om te zien wat hem geraakt had en zag een piepklein uiltje, zo klein dat het gemakkelijk in zijn handpalm zou passen, opgewonden rondzoeven door de kamer, als een levend stukje vuurwerk. Pas toen besefte Harry dat het uiltje een brief aan zijn voeten had laten vallen. Harry bukte zich, herkende Rons handschrift en scheurde de envelop open, die een haastig neergekrabbeld briefje bevatte.

Harry — PA HEEFT KAARTJES — Ierland tegen Bulgarije, op maandagavond. Ma gaat die Dreuzels schrijven om te vragen of je mag komen logeren. Misschien hebben ze de brief al gehad. Ik heb geen idee hoe snel Dreuzelpost gaat, maar ik dacht, laat ik toch maar een briefje sturen met Koe.

Harry staarde naar het woordje ‘Koe’ en toen naar het piepkleine uiltje dat nu rond de lamp aan het plafond zoefde. Hij had nog nooit een dier gezien dat minder op een koe leek. Misschien kon hij Rons handschrift gewoon niet goed lezen. Hij richtte zijn aandacht weer op de brief.

We komen je gewoon halen, of die Dreuzels het nou goedvinden of niet! Tenslotte mag je het WK niet missen. Pa en ma vinden het alleen beter als we net doen of we eerst hun toestemming vragen. Als ze ja zeggen, stuur Koe dan meteen terug met je antwoord en dan komen we je zondagmiddag om vijf uur ophalen. Als ze nee zeggen, stuur Koe dan ook meteen terug en dan komen we je zondagmiddag om vijf uur ophalen.

Hermelien komt vanmiddag al. Percy heeft een baantje — op het Departement voor Internationale Magische Samenwerking. Zeg alsjeblieft niks over het Buitenland als je bij ons logeert, tenzij je je graag te pletter verveelt.

Tot gauw – Ron

‘Kalmeer een beetje!’ zei Harry toen het uiltje opgewonden kwetterend vlak langs zijn hoofd scheerde, volgens Harry uit pure trots omdat het zijn brief op het juiste adres had bezorgd. ‘Kom hier, ik wil dat je m’n antwoord meeneemt!’

Het uiltje landde fladderend op de kooi van Hedwig. Die keek hem kil aan, alsof ze hem waarschuwde om vooral geen stap dichterbij te komen.

Harry pakte opnieuw zijn adelaarsveer, greep een vers stuk perkament en schreef:

Ron, alles is oke. Ik mag van de Dreuzels. Tot morgen om vijf uur. Ik popel.

Harry

Hij vouwde het briefje heel klein op en wist het met ontzettend veel moeite aan de poot van het uiltje te binden, dat constant op en neer hipte van opwinding. Zodra het briefje stevig vastzat vloog het uiltje weg; het scheerde door het raam naar buiten en verdween uit het zicht.

Harry wendde zich tot Hedwig.

‘En, ben je klaar voor een lange reis?’ vroeg hij.

Hedwig kraste waardig.

‘Zou je dit naar Sirius willen brengen?’ zei hij en hij pakte zijn brief. ‘Wacht even… ik wil er nog iets aan toevoegen.’

Hij vouwde het perkament weer open en zette nog gauw een P.S. onder aan de brief.

Als je me wilt schrijven, logeer ik voor de rest van de vakantie bij mijn vriend Ron Wemel. Zijn vader heeft kaartjes weten te bemachtigen voor het WK Zwerkbal.

Toen hij de brief afhad, bond hij hem aan Hedwigs poot; ze bleef extra stil zitten, alsof ze hem wilde laten zien hoe een echte postuil zich hoort te gedragen.

‘Ik ben bij Ron als je terugkomt, oke?’ zei Harry.

Ze beet hem zacht en liefdevol in zijn vinger, spreidde met een zacht geruis haar enorme vleugels en wiekte door het open raam naar buiten.

Harry keek haar na tot ze uit het zicht was, kroop toen onder zijn bed, trok de losse plank omhoog en pakte een grote homp verjaardagstaart. Hij bleef op de grond zitten terwijl hij die opat en genoot van het gelukkige gevoel dat door hem heen stroomde. Hij had taart, en Dirk alleen maar grapefruit; het was een mooie zomerdag; morgen verliet hij de Ligusterlaan; zijn litteken voelde weer normaal aan en hij mocht naar de finale van het WK Zwerkbal. Op zo’n moment was het moeilijk om je ook maar ergens zorgen over te maken — zelfs over Heer Voldemort.

Hoofdstuk 4

TERUG NAAR HET NEST

De volgende dag had Harry zijn schoolspullen om twaalf uur al in zijn hutkoffer gepakt, net als zijn meest waardevolle bezittingen — de Onzichtbaarheidsmantel die hij van zijn vader had geërfd, de bezemsteel die hij van Sirius had gekregen en de Sluipwegwijzer van Zweinstein die hij vorig jaar van Fred en George Wemel had gekregen. Hij had het eten uit de bergplaats onder de losse plank verwijderd, alle hoeken en gaten van zijn slaapkamer twee keer gecontroleerd op eventueel vergeten spreukenboeken of ganzenveren, en de kaart van de muur gehaald waarop hij de dagen afstreepte tot hij op een september terug mocht naar Zweinstein.

Aan de Ligusterlaan nummer vier hing een uiterst gespannen sfeer. Het feit dat dadelijk een heel gezelschap tovenaars bij hen zou aankloppen, maakte de Duffelingen gespannen en kortaangebonden. Oom Herman was totaal van slag geweest toen Harry had gezegd dat de Wemels al de volgende dag om vijf uur op de stoep zouden staan.

‘Je hebt toch wel tegen die lui gezegd dat ze zich een beetje normaal moeten kleden, hè?’ snauwde hij. ‘Ik heb gezien in wat voor idiote vodden jouw slag mensen rondloopt. Nou, als ze hier komen, hoop ik dat ze zo fatsoenlijk zijn om gewone kleren te dragen.’

Harry begon bange voorgevoelens te krijgen. Hij had meneer en mevrouw Wemel zelden kleren zien dragen die de Duffelingen ‘normaal’ zouden vinden. Hun kinderen trokken tijdens de schoolvakanties vaak Dreuzelkleren aan, maar hun ouders gingen meestal gehuld in lange gewaden, die varieerden van sjofel tot regelrecht versleten. Het kon Harry geen lor schelen wat de buren zouden denken, maar hij vroeg zich wel angstig af hoe onbeschoft de Duffelingen tegen de Wemels zouden zijn, als die bleken te beantwoorden aan hun ergste schrikbeeld van tovenaars.

Oom Herman had zijn beste pak aangetrokken. Sommige mensen zouden dat misschien als een welkomstgebaar hebben opgevat, maar Harry wist dat hij dat alleen deed omdat hij er indrukwekkend en intimiderend uit wilde zien. Dirk, daarentegen, leek juist te zijn geslonken, niet omdat het dieet eindelijk begon te werken, maar uit pure angst. De laatste keer dat Dirk een volwassen tovenaar kwaad had gemaakt, had hij dat moeten bekopen met een krullerige varkensstaart die plotseling uit zijn broek stak en die oom Herman en tante Petunia operatief hadden moeten laten verwijderen in een privékliniek in Londen. Het was daarom niet vreemd dat Dirk steeds nerveus met zijn hand over zijn achterwerk streek en met zijdelingse stappen van de ene kamer naar de andere schuifelde, zodat hij de vijand niet voor de tweede keer hetzelfde doelwit zou tonen.

Tijdens het middageten werd er vrijwel geen woord gezegd. Dirk protesteerde niet eens toen hij zag wat hij kreeg voorgezet (magere kwark met geraspte bleekselderij) en tante Petunia at helemaal niets. Met over elkaar geslagen armen en getuite lippen scheen ze op haar tong te kauwen, alsof ze moeite moest doen om de woedende tirade binnen te houden die ze graag tegen Harry zou hebben afgestoken.

‘Ik neem aan dat ze met de auto komen?’ blafte oom Herman plotseling over tafel.

‘Eh…’ zei Harry.

Daar had hij nog niet aan gedacht. Hoe wilden de Wemels hem eigenlijk komen ophalen? Ze hadden geen auto meer; de oude Ford Anglia die ze ooit hadden gebruikt reed nu in het wild rond in het Verboden Bos bij Zweinstein. Vorig jaar had meneer Wemel een auto van het Ministerie van Toverkunst geleend; zou hij dat dit jaar weer doen?

‘Dat denk ik wel,’ zei Harry.

Oom Herman snoof schamper in zijn snor. Normaal gesproken zou hij gevraagd hebben wat voor auto meneer Wemel had; hij beoordeelde mensen voornamelijk aan de hand van hun auto’s en hoe groot en duur die waren. Maar zelfs als meneer Wemel in een Ferrari had gereden, betwijfelde Harry nog of oom Herman hem sympathiek zou hebben gevonden.

Harry bracht het grootste gedeelte van de middag op zijn kamer door; hij werd gek van tante Petunia, die om de paar seconden door de vitrage gluurde, alsof ze gewaarschuwd was dat er buiten een losgebroken neushoorn rondliep. Uiteindelijk, om kwart voor vijf, ging Harry weer naar de woonkamer.

Tante Petunia was dwangmatig bezig rechte kussens nog rechter te leggen. Oom Herman deed alsof hij de krant las, maar zijn kleine oogjes bewogen niet en Harry wist zeker dat hij in werkelijkheid ingespannen luisterde of hij een auto hoorde aankomen. Dirk zat in een fauteuil geklemd, met zijn dikke handen stevig tegen zijn dikke achterwerk gedrukt. Harry kon niet tegen al die opgekropte spanning; hij ging op de trap in de hal zitten, met zijn ogen op zijn horloge gericht en een hart dat bonkte van opwinding.

Maar het werd vijf uur en er gebeurde niets. Oom Herman, die een beetje zweette in zijn krappe pak, deed de voordeur open, keek links en rechts de straat in en trok zijn hoofd toen snel weer terug.

‘Ze zijn te laat!’ snauwde hij tegen Harry.

‘Weet ik,’ zei Harry. ‘Misschien — eh — misschien zitten ze in de file of zo.’

Tien over vijf… kwart over vijf… Harry begon zelf ook nerveus te worden. Om half zes hoorde hij oom Herman en tante Petunia kortaf en mompelend met elkaar praten in de woonkamer.

‘Geen greintje consideratie.’

‘We hadden wel andere afspraken kunnen hebben.’

‘Misschien denken ze dat we vragen of ze blijven eten als ze zo laat komen.’

‘Mooi niet,’ zei oom Herman en Harry hoorde hoe hij opstond en door de woonkamer begon te ijsberen. ‘Ze nemen dat joch mee en krassen dan direct weer op. Als ze tenminste nog komen opdagen. Waarschijnlijk hebben ze zich in de dag vergist. Ik denk dat dat slag mensen weinig waarde hecht aan stiptheid. Of ze komen met een of andere oude roestbak en staan nu langs de kant van de — AAAAAAAARRRRGH!’

Harry sprong overeind. Vanuit de woonkamer klonk het geluid van drie Duffelingen die in paniek wegvluchtten. Een tel later sprintte een doodsbange Dirk naar buiten.

‘Wat gebeurt er?’ vroeg Harry. ‘Wat is er aan de hand?’

Maar het was alsof Dirk geen woord kon uitbrengen. Met zijn handen nog steeds tegen zijn billen gedrukt, waggelde hij op topsnelheid naar de keuken. Harry ging haastig de woonkamer in.

Er klonk luid gebonk en geschraap uit de dichtgetimmerde schoorsteen van de Duffelingen, waar nu een elektrisch haardje met een namaakkolenvuur stond.

‘Wat gebeurt er?’ bracht tante Petunia moeizaam uit. Ze was achteruit gedeinsd tot ze met haar rug tegen de muur stond en staarde met grote angstogen naar de haard. ‘Wat gebeurt er, Herman?’

Nog geen tel later werd dat duidelijk, want ze hoorden stemmen opklinken uit de dichtgetimmerde haard.

‘Au! Nee, Fred — ga terug, ga terug, er is iets misgegaan — zeg tegen George dat hij niet — AU! Nee, George, er is geen plaats, ga direct terug en zeg tegen Ron —’

‘Misschien kan Harry ons horen, pa — misschien kan hij ons eruit laten —’

Vuisten bonkten op de planken achter de elektrische haard.

‘Harry? Harry, kun je ons horen?’

De Duffelingen keken Harry venijnig aan, als twee woedende ratelslangen.

‘Wat heeft dat te betekenen?’ grauwde oom Herman. ‘Wat moet dat?’

‘Ze — ze hebben geprobeerd om hier te komen met behulp van Brandstof,’ zei Harry, die probeerde niet in lachen uit te barsten. ‘Ze kunnen via het haardvuur reizen — alleen hebben jullie de schoorsteen dichtgemaakt — wacht even —’

Hij liep naar de haard en riep door de planken heen:

‘Meneer Wemel? Kunt u me horen?’

Het gebonk hield op. Iemand in de schoorsteen zei: ‘Ssst!’

‘Meneer Wemel, ik ben het, Harry… de schoorsteen is dichtgetimmerd. Daarom kunt u er niet uit.’

‘He, verdorie!’ zei de stem van meneer Wemel. ‘Waarom hebben ze in ’s hemelsnaam de schoorsteen dichtgemaakt?’

‘Er staat nu een elektrische kachel,’ legde Harry uit.

‘Echt waar?’ zei meneer Wemel opgewonden. ‘Eklektrisch, zei je? Met een stekker? Lieve hemel, dat moet ik zien… even nadenken… au, Ron!’

Rons stem klonk boven die van de anderen uit:

‘Wat doen we hier? Is er iets misgegaan?’

‘Nee, natuurlijk niet, Ron,’ zei Fred heel sarcastisch. ‘Nee, we wilden juist graag klem komen zitten.’

‘Ja, we amuseren ons hier kostelijk,’ zei George, wiens stem nogal gedempt klonk, alsof hij helemaal achteraan tegen de muur gedrukt stond.

‘Jongens, jongens…’ zei meneer Wemel vaag. ‘Ik probeer te bedenken wat we het beste kunnen doen… ja…. de enige manier… ga opzij, Harry.’

Harry trok zich terug achter de bank, maar oom Herman liep juist naar de haard.

‘Wacht eens even!’ brulde hij tegen de kachel. ‘Wat wou u precies —’

BENG!

Het elektrische haardje vloog door de kamer toen de dichtgetimmerde schoorsteen open spatte en meneer Wemel, Fred, George en Ron in een regen van puin en splinters naar buiten werden geblazen. Tante Petunia krijste en viel achterover op het salontafeltje; oom Herman wist haar nog net te grijpen voor ze op de grond smakte en staarde met open mond en sprakeloos naar de Wemels, die allemaal vuurrood haar hadden, inclusief Fred en George, die als twee druppels water op elkaar leken, tot aan de laatste sproet toe.

‘Zo, dat is beter,’ hijgde meneer Wemel, die het stof van zijn lange groene gewaad klopte en zijn bril recht zette. ‘Aha — u bent vast de oom en tante van Harry!’

Meneer Wemel, die lang, mager en kalend was, stapte met uitgestoken hand op oom Herman af, maar die deinsde snel een paar stappen achteruit en trok tante Petunia met zich mee. Oom Herman leek met stomheid geslagen. Zijn beste pak zat onder de kalk, die ook in zijn haar en snor was neergedaald, zodat hij in een oogwenk dertig jaar ouder leek te zijn geworden.

‘En — ja — sorry voor de rommel,’ zei meneer Wemel, die zijn hand liet zakken en over zijn schouder naar de verwoeste haard keek. ‘Allemaal mijn schuld. Het was gewoon niet bij me opgekomen dat we er aan deze kant niet uit zouden kunnen. Ik heb uw schoorsteen laten opnemen in het Haardrooster, snapt u — gewoon voor een middag, zodat we Harry konden ophalen. Strikt genomen mogen Dreuzelschoorstenen niet worden aangesloten — maar ik ken een mannetje bij de Dienst Rookkanalen en die heeft het geregeld. Maakt u zich geen zorgen, ik heb dat in een wip gerepareerd. Ik zal eerst even vuur maken om de jongens terug te sturen en dan herstel ik uw schoorsteen voor ik Verdwijnsel.’

Harry durfde te wedden dat de Duffelingen daar geen woord van begrepen hadden. Ze staarden meneer Wemel nog steeds met open mond aan. Tante Petunia kwam wankelend overeind en zocht vlug dekking achter oom Herman.

‘Hallo, Harry!’ zei meneer Wemel monter. ‘Heb je je hutkoffer ingepakt?’

‘Ja, hij staat boven,’ zei Harry, die ook grijnsde.

‘Wij halen hem wel,’ zei Fred meteen. Met een knipoog naar Harry verlieten hij en George de kamer. Ze wisten waar Harry’s slaapkamer was, omdat ze hem daar ooit in het holst van de nacht uit hadden gered. Harry vermoedde dat Fred en George hoopten dat ze een glimp zouden opvangen van Dirk; Harry had veel over hem verteld.

‘Zo,’ zei meneer Wemel, die een beetje met zijn armen zwaaide terwijl hij woorden zocht om de steeds pijnlijkere stilte te verbreken. ‘Leuk — eh — leuk huis heeft u.’

Aangezien de altijd zo smetteloze woonkamer van de Duffelingen nu bedekt was met een dikke laag stof en puin, viel die opmerking niet al te goed. Oom Hermans gezicht werd weer paars en tante Petunia begon opnieuw op haar tong te kauwen. Ze schenen echter te bang te zijn om ook echt iets te zeggen.

Meneer Wemel keek om zich heen. Hij was dol op alles wat met Dreuzels te maken had en Harry zag dat hij popelde om de tv en videorecorder van dichterbij te bekijken.

‘Die werken zeker ook op eklektriciteit?’ zei hij, met het air van een kenner. ‘O ja, ik zie de stekkers. Ik verzamel namelijk stekkers,’ vertrouwde hij oom Herman toe. ‘En batterijen. Ik heb thuis een heel grote verzameling batterijen. M’n vrouw denkt dat ik gek ben, maar ach…’

Oom Herman dacht duidelijk ook dat meneer Wemel gek was. Hij schuifelde een klein stukje naar rechts en probeerde voor tante Petunia te gaan staan, alsof hij bang was dat meneer Wemel hen plotseling te lijf zou gaan.

Opeens kwam Dirk de kamer weer binnen. Harry hoorde het gebonk van zijn hutkoffer op de trap en besefte dat Dirk uit angst voor die geluiden uit de keuken was gevlucht. Dirk schuifelde met zijn rug tegen de muur door de kamer, staarde meneer Wemel met grote angstogen aan en probeerde zichzelf te verschuilen achter zijn vader en moeder. Weliswaar was het lichaam van oom Herman meer dan massief genoeg om zo’n knokig iemand als tante Petunia te bedekken, maar als het zaak was iemand van Dirks omvang aan het zicht te onttrekken, was het helaas volkomen ontoereikend.

‘Aha, dus dat is je neefje, Harry?’ zei meneer Wemel, die opnieuw een dappere poging deed om het gesprek op gang te houden.

‘Klopt,’ zei Harry. ‘Dat is Dirk.’

Hij en Ron wisselden een blik van verstandhouding en keken toen gauw de andere kant op; de verleiding om in lachen uit te barsten was haast onweerstaanbaar. Dirk hield zijn handen nog steeds om zijn achterwerk geklemd, alsof hij bang was dat het eraf zou vallen en meneer Wemel leek zich oprecht zorgen te maken om Dirks merkwaardige gedrag. Toen meneer Wemel opnieuw iets zei, hoorde Harry aan zijn stem dat hij ervan overtuigd was dat Dirk minstens zo gek was als de Duffelingen van hem dachten, alleen voelde meneer Wemel eerder mededogen dan angst.

‘En, heb je een fijne vakantie, Dirk?’ vroeg hij vriendelijk.

Dirk stootte een zacht gejammer uit en Harry zag dat hij zijn handen nog steviger om zijn bolle achterwerk klemde.

Fred en George kwamen de kamer binnen, met Harry’s hutkoffer tussen hen in. Ze keken om zich heen en toen ze Dirk zagen, verschenen er twee identieke, duivelse grijnzen op hun gezichten.

‘Ah, mooi zo,’ zei meneer Wemel. ‘Nou, dan gaan we maar weer eens.’

Hij stroopte de mouwen van zijn gewaad op en pakte zijn toverstaf. Harry zag de Duffelingen alledrie tegelijk achteruitdeinzen, tot ze met hun rug tegen de muur stonden.

‘Incendio!’ zei meneer Wemel en hij wees met zijn staf op het gat waar de haard had gestaan.

Onmiddellijk laaiden in de schoorsteen vlammen op, die vrolijk knetterden, alsof ze al urenlang brandden. Meneer Wemel haalde een klein zakje dat met een koordje gesloten was uit zijn gewaad, maakte het koordje los, haalde er een snufje poeder uit en gooide dat in de vlammen, die smaragdgroen werden en nog hoger opflakkerden.

‘Vooruit, Fred, jij eerst,’ zei meneer Wemel.

‘Ik kom eraan,’ zei Fred. ‘O jee — wacht even —’

Er was een zak met snoepgoed uit Freds zak gevallen en de inhoud rolde alle kanten op — grote, dikke toffees in felgekleurde papiertjes.

Fred kroop haastig op handen en knieën door de kamer, propte de toffees weer in zijn zakken, zwaaide vrolijk naar de Duffelingen, stapte naar de haard en liep regelrecht het vuur in, terwijl hij ‘Het Nest!’ riep. Tante Petunia snakte trillerig naar adem. Er klonk een gierend geluid en Fred was verdwenen.

‘Oke, George,’ zei meneer Wemel, ‘nu jij en die hutkoffer.’

Harry hielp hem om de koffer naar de vlammen te dragen en hem rechtop te zetten, zodat George hem beter kon vasthouden. Hij riep ook: ‘Het Nest!’, er klonk opnieuw een gierend geluid en ook George was verdwenen.

‘Nu jij, Ron,’ zei meneer Wemel.

‘Tot ziens,’ zei Ron opgewekt tegen de Duffelingen. Hij grijnsde breed tegen Harry, stapte het vuur in, riep: ‘Het Nest!’ en was weg.

Alleen Harry en meneer Wemel waren nu nog over.

‘Nou, tot ziens dan maar,’ zei Harry tegen de Duffelingen.

Die zeiden helemaal niets terug. Harry liep naar het vuur, maar net toen hij bij de rand van de haard was, stak meneer Wemel zijn hand uit en hield hem tegen. Hij keek de Duffelingen verbaasd aan.

‘Harry zei tot ziens,’ zei hij. ‘Hebben jullie hem niet gehoord?’

‘Maakt niet uit,’ mompelde Harry tegen meneer Wemel. ‘Dat kan me echt niks schelen.’

Maar meneer Wemel nam zijn hand niet van Harry’s schouder.

‘Jullie zien jullie neef pas volgend jaar zomer terug,’ zei hij licht verontwaardigd tegen oom Herman. ‘Dan is het toch niet te veel gevraagd om even afscheid te nemen?’

Er gleden allerlei woedende uitdrukkingen over het gezicht van oom Herman. Het feit dat hij een lesje in beleefdheid kreeg van een man die zojuist zijn halve woonkamer in puin had gelegd, scheen hem ongelooflijk tegen de borst te stuiten, maar meneer Wemel had zijn toverstaf nog steeds in zijn hand. De kleine oogjes van oom Herman flitsten heel even naar die staf en toen zei hij met de grootst mogelijke tegenzin: ‘Nou, dag.’

‘Tot ziens,’ zei Harry. Hij stak een voet in de groene vlammen, die prettig aanvoelden, als een warme adem. Op dat moment hoorde hij echter een afschuwelijk, kokhalzend geluid en begon tante Petunia te gillen.

Harry draaide zich vliegensvlug om. Dirk stond niet meer achter zijn ouders. Hij knielde naast het salontafeltje en hij kokhalsde en spuugde omdat er een minstens dertig centimeter lang, slijmerig paars geval uit zijn mond stak. Een tel lang was Harry volslagen verbijsterd, maar toen besefte hij dat dat paarse ding Dirks tong was — en dat er een felgekleurd snoeppapiertje naast hem op de grond lag.

Tante Petunia gooide zich naast Dirk neer, greep het uiteinde van zijn gezwollen tong en probeerde die uit zijn mond te rukken; het was dus niet verbazingwekkend dat Dirk harder begon te sputteren en gillen dan ooit en haar probeerde weg te duwen. Oom Herman brulde en zwaaide met zijn armen en meneer Wemel moest schreeuwen om zich verstaanbaar te maken.

‘Geen paniek, ik maak hem zo weer de oude!’ bulderde hij en hij stapte met uitgestoken toverstok op Dirk af, maar tante Petunia begon nog doordringender te krijsen en wierp zich boven op haar zoon om hem tegen meneer Wemel te beschermen.

‘Nee, echt,’ zei meneer Wemel wanhopig. ‘Een heel simpel spreukje — het komt door die toffee — m’n zoon Fred — altijd bezig met practical jokes — gewoon een Zwelbezwering — dat neem ik tenminste aan — heb ik zo weer gefikst —’

De Duffelingen lieten zich echter niet geruststellen, maar werden juist steeds banger; tante Petunia rukte hysterisch snikkend aan Dirks tong, alsof ze vastbesloten was hem uit zijn mond te scheuren; Dirk leek bijna te stikken onder de gecombineerde last van zijn moeder en zijn tong en oom Herman, die nu echt door het dolle heen was, greep een porseleinen beeldje van het dressoir en gooide dat keihard naar meneer Wemel. Die dook gauw weg, zodat het beeldje aan gruzelementen spatte in de geruïneerde haard.

‘Toe nou!’ zei meneer Wemel nijdig en hij zwaaide met zijn toverstaf. ‘Ik probeer alleen maar te helpen!’

Brullend als een aangeschoten nijlpaard griste oom Herman nog een beeldje van het dressoir.

‘Ga alvast maar, Harry! Vooruit, ga weg!’ riep meneer Wemel, die zijn staf op oom Herman richtte. ‘Ik los dit wel op!’

Harry wilde eigenlijk de pret niet missen, maar het tweede beeldje van oom Herman floot rakelings langs zijn linkeroor en bij nader inzien leek het hem verstandiger om de zaak aan meneer Wemel over te laten. Hij stapte het vuur in en keek nog even achterom terwijl hij: ‘Het Nest!’ zei; in de laatste vluchtige glimp die hij opving van de woonkamer, zag hij hoe meneer Wemel een derde beeldje uit de hand van oom Herman schoot met behulp van zijn toverstaf, hoe tante Petunia gillend boven op Dirk lag en hoe Dirks tong als een grote, slijmerige python uit zijn mond kronkelde. Maar een oogwenk later begon Harry razendsnel rond te tollen en verdween de woonkamer van de Duffelingen uit het zicht, in een baaierd van smaragdgroene vlammen.

Hoofdstuk 5

TOVERTWEELINGS TOPFOPSHOP

Harry tolde sneller en sneller rond, met zijn ellebogen stevig tegen zijn zij gedrukt. Hij zag talloze wazige haarden langs flitsen, tot hij misselijk begon te worden en zijn ogen dichtdeed. Toen hij merkte dat hij vaart minderde, stak hij gauw zijn handen uit en remde nog net op tijd af om te voorkomen dat hij vanuit het haardvuur van de Wemels languit op de keukenvloer plofte.

‘En, heeft hij hem opgegeten?’ zei Fred opgewonden, terwijl hij zijn hand uitstak om Harry uit de haard te helpen.

‘Ja,’ zei Harry, die zich oprichtte. ‘Wat was dat?’

‘Ton-Tong Toffee,’ zei Fred vrolijk. ‘Die hebben George en ik zelf uitgevonden en we zochten al de hele zomer iemand om hem op uit te proberen…’

Het kleine keukentje galmde van het gelach; Harry keek om zich heen en zag dat Ron en George aan de schoongeschrobde houten tafel zaten, samen met twee roodharige personen die hij nog nooit eerder had ontmoet, al besefte hij meteen wie dat moesten zijn: Bill en Charlie, de twee oudste gebroeders Wemel.

‘Hallo, Harry, hoe gaat ie?’ zei de dichtstbijzijnde van de twee. Hij stak grijnzend een grote hand uit, die Harry schudde, en hij voelde blaren en eeltplekken onder zijn vingers. Dat moest Charlie zijn, die in Roemenie met draken werkte. Charlie leek qua postuur veel op de tweeling en was korter en meer gedrongen dan Percy en Ron, die allebei nogal lang en slungelig waren. Hij had een breed, gemoedelijk, verweerd gezicht, dat zo overdekt was met sproeten dat het leek alsof hij diep gebruind was; op een van zijn gespierde armen zag Harry het grote, glanzende litteken van een oude brandwond.

Bill stond glimlachend op en gaf Harry ook een hand. Bill kwam als een verrassing: Harry wist dat hij voor Goudgrijp werkte, de tovenaarsbank en dat hij Hoofdmonitor was geweest op Zweinstein en daarom had hij zich een oudere versie van Percy voorgesteld; doodsbang om ook maar het kleinste regeltje te overtreden en dol op commanderen. Bill was echter — er was geen ander woord voor — cool. Hij was groot, droeg zijn lange haar in een paardenstaart en had een oorring in waar een grote slagtand aan bungelde. Zijn kleren zouden niet uit de toon vallen op een rockconcert, alleen zag Harry dat zijn laarzen niet van leer waren, maar van drakenhuid.

Voor iemand verder nog iets kon zeggen, klonk er een zacht ploppend geluidje en verscheen meneer Wemel plotseling uit het niets, achter de schouder van George. Hij was bozer dan Harry hem ooit had meegemaakt.

‘Dat was niet grappig, Fred!’ schreeuwde hij. ‘Wat heb je die Dreuzeljongen in vredesnaam gegeven?’

‘Ik heb hem niks gegeven,’ zei Fred, met nog zo’n duivelse grijns. ‘Ik heb alleen iets laten vallen — wist ik veel dat hij het op zou eten? Dat is z’n eigen stomme schuld.’

‘Je hebt het met opzet laten vallen!’ tierde meneer Wemel. ‘Je wist dat hij het op zou eten, je wist dat hij op dieet was —’

‘Hoe groot is z’n tong geworden?’ vroeg George gretig.

‘Bijna anderhalve meter, voor ik z’n ouders eindelijk zover kreeg dat ik hem mocht laten krimpen!’

Harry en de Wemels schaterden opnieuw van het lachen.

‘Dat is niet grappig!’ schreeuwde meneer Wemel. ‘Zulke fratsen kunnen de relatie tussen Dreuzels en tovenaars ernstig verstoren! Ik ben m’n hele leven bezig campagne te voeren tegen de mishandeling van Dreuzels en dan flikken m’n bloedeigen zoons me —’

‘We hebben het hem niet gegeven omdat hij een Dreuzel is!’ zei Fred verontwaardigd.

‘Nee, we hebben het gegeven omdat hij een dikke, etterige bullebak is,’ zei George. ‘Ja toch, Harry?’

‘Ja, dat klopt, meneer Wemel,’ zei Harry serieus.

‘Daar gaat het niet om!’ foeterde meneer Wemel. ‘Wacht maar, als ik het aan jullie moeder vertel —’

‘Als je wat vertelt?’ zei iemand achter hem.

Mevrouw Wemel was net de keuken binnengekomen. Ze was klein en mollig, met een heel vriendelijk gezicht, hoewel haar ogen op het moment achterdochtig toegeknepen waren.

‘Hallo, Harry,’ zei ze toen ze hem zag zitten, en ze glimlachte. Toen flitsten haar ogen weer naar haar man. ‘Als je me wat vertelt, Arthur?’

Meneer Wemel aarzelde en Harry zag dat hij niet echt van plan was geweest zijn vrouw te vertellen wat er gebeurd was, al was hij nog zo kwaad op Fred en George. Er viel een ongemakkelijke stilte, terwijl meneer Wemel nerveus naar zijn vrouw keek, maar toen verschenen er twee meisjes in de deuropening achter mevrouw Wemel. De een had een grote bos bruin haar en nogal forse voortanden en was Hermelien Griffel, de vriendin van Harry en Ron. De ander was klein, met rood haar en was Rons zusje Ginny. Ze glimlachten allebei tegen Harry, die teruggrijnsde, en Ginny werd vuurrood — sinds Harry’s eerste bezoek aan Het Nest had ze een groot zwak voor hem.

‘Als je me wat vertelt, Arthur?’ herhaalde mevrouw Wemel op onheilspellende toon.

‘O, niks eigenlijk, Molly,’ mompelde meneer Wemel. ‘Fred en George hadden alleen — maar ik heb ze al op hun donder gegeven —’

‘Wat hebben ze nu weer uitgespookt?’ zei mevrouw Wemel. ‘Als het ook maar iets te maken heeft met Tovertweelings Topfopshop —’

‘Waarom laat je Harry niet even zien waar hij slaapt, Ron?’ zei Hermelien vanuit de deuropening.

‘Hij weet waar hij slaapt,’ zei Ron. ‘Op mijn kamer. Daar heeft hij de laatste keer ook —’

‘Dan gaan we allemaal even kijken,’ zei Hermelien met nadruk.

‘O,’ zei Ron, die het doorkreeg. ‘Oke.’

‘Ja, dan gaan wij ook mee,’ zei George.

Jullie blijven hier!’ snauwde mevrouw Wemel.

Harry en Ron schuifelden gauw de keuken uit, en gevolgd door Hermelien en Ginny liepen ze door de smalle gang naar de krakkemikkige trap die zigzaggend naar de bovenverdiepingen voerde.

‘Wat is Tovertweelings Topfopshop?’ vroeg Harry terwijl ze naar boven klommen.

Ron en Ginny lachten, maar Hermelien niet.

‘Toen ma op een keer de kamer van Fred en George schoonmaakte, vond ze een grote stapel bestelformulieren,’ zei Ron zacht. ‘Ellenlange prijslijsten voor allerlei dingen die ze zelf hadden uitgevonden. Fopartikelen, snap je. Fopstokken en magisch snoepgoed, dat soort dingen. Echt fantastisch. Ik wist niet dat ze bezig waren zulke spullen uit te vinden…’

‘We hoorden wel vaak ontploffingen op hun kamer, maar we hadden geen idee dat ze dingen aan het maken waren,’ zei Ginny. ‘We dachten dat ze gewoon van geknal hielden.’

‘Alleen waren sommige spullen — of eigenlijk alle — een beetje gevaarlijk,’ zei Ron. ‘En ze waren van plan ze op Zweinstein te verkopen, om een centje bij te verdienen. Ma ging helemaal door het lint.

Ze zei dat ze niks meer mochten maken en ze verbrandde al die bestelformulieren… ze was sowieso woest op ze. Ze hebben lang niet zoveel S.L.IJ.M.B.A.L.len gehaald als ma verwacht had.’

Een S.L.IJ.M.B.A.L. was een Schriftelijke Loftuiting wegens IJver Magische Bekwaamheid en Algeheel Leervermogen, de graad die studenten aan Zweinstein trachtten te behalen als ze vijftien waren.

‘En toen kregen ze ook nog eens knetterende ruzie met ma omdat die wil dat ze bij het Ministerie gaan werken, net als pa, en ze tegen haar zeiden dat ze gewoon een fopwinkel wilden beginnen,’ zei Ginny.

Op dat moment ging een deur op de overloop op de tweede verdieping open en werd er een hoofd om de hoek gestoken, een heel geïrriteerd hoofd dat voorzien was van een bril met hoornen montuur.

‘Hoi, Percy,’ zei Harry.

‘O, hallo, Harry,’ zei Percy. ‘Ik vroeg me al af wie er zoveel lawaai maakte. Ik probeer te werken, snap je — ik heb een rapport voor kantoor dat af moet — en ik kan me niet concentreren als mensen constant de trap op en af denderen.’

‘We denderen niet,’ zei Ron geërgerd. ‘We lopen gewoon. Sorry als we het ultrageheime werk van het Ministerie van Toverkunst verstoord hebben!’

‘Waar ben je mee bezig?’ vroeg Harry.

‘Een rapport voor het Departement van Internationale Magische Samenwerking,’ zei Percy zelfvoldaan. ‘We proberen de bodemdikte van toverketels te standaardiseren. Sommige van die goedkope prullen uit het buitenland zijn net een cruciale fractie te dun — het aantal lekkages neemt jaarlijks met bijna drie procent toe —’

‘Dat wordt vast een wereldschokkend rapport,’ zei Ron. ‘Het zou me niks verbazen als je lekkende ketels de voorpagina van de Ochtendprofeet halen.’

Percy werd een beetje rood.

‘Ja, doe maar schamper, Ron,’ zei hij verhit, ‘maar als we niet tot internationale afspraken komen, zou de markt wel eens overspoeld kunnen worden met gammele, flinterdunne producten die ernstig gevaar kunnen opleveren voor —’

‘Ja, ja, al goed, al goed,’ zei Ron en hij liep verder de trap op. Percy sloeg zijn slaapkamerdeur met een klap dicht. Terwijl Harry, Hermelien en Ginny achter Ron aan nog drie trappen verder klommen, hoorden ze beneden uit de keuken woedend geschreeuw op klinken. Zo te horen had meneer Wemel zijn vrouw over de toffees verteld.

Het kamertje helemaal boven in het huis, waar Ron sliep, was niet veel veranderd sinds Harry’s laatste bezoek; dezelfde posters van Rons favoriete Zwerkbalteam, de Cambridge Cannons, zwierden en zwaaiden aan de muren en het schuine plafond, en het aquarium op de vensterbank, waar eerst kikkerdril in had gezeten, bevatte nu een reusachtige kikker. Schurfie, Rons oude rat, was er niet meer, maar nu had hij het piepkleine grijze uiltje dat Rons brief had bezorgd in de Ligusterlaan. Het uiltje hipte op en neer in een kleine kooi en kwetterde als een gek.

‘Hou je snavel, Koe,’ zei Ron, die tussen twee van de vier matrassen doorschuifelde die in de kamer waren gepropt. ‘Fred en George slapen hier ook, omdat Bill en Charlie hun kamer hebben,’ zei hij tegen Harry. ‘Percy houdt z’n kamer helemaal alleen voor zichzelf, omdat hij zogenaamd moet werken.’

‘Eh — waarom noem je die uil eigenlijk Koe?’ vroeg Harry aan Ron.

‘Omdat hij stom is,’ zei Ginny. ‘Eigenlijk heet hij Koekeroekus.’

‘Ja, en dat is helemaal geen stomme naam,’ zei Ron sarcastisch. ‘Ginny heeft hem zo genoemd,’ legde hij uit. ‘Dat vond ze lief klinken. Ik heb nog geprobeerd het te veranderen, maar het was al te laat, hij luistert nergens anders meer naar. Dus heb ik er maar Koe van gemaakt. Ik hou hem hier op m’n kamer omdat Egidius en Hermes anders gek van hem worden. Ik word trouwens ook gek van hem.’

Koekeroekus zoefde vrolijk en schril krassend door zijn kooi. Harry kende Ron al te goed om hem serieus te nemen. Hij had ook constant geklaagd over Schurfie, zijn oude rat, maar was vreselijk van streek geweest toen hij dacht dat hij was opgevreten door Knikkebeen, de kat van Hermelien.

‘Waar is Knikkebeen eigenlijk?’ vroeg Harry aan Hermelien.

‘Buiten in de tuin, denk ik,’ zei ze. ‘Hij vindt het heerlijk om achter de tuinkabouters aan te zitten. Die heeft hij nog nooit eerder gezien.’

‘Dus Percy heeft het naar z’n zin op z’n werk?’ zei Harry, die op een van de bedden ging zitten en keek hoe de Cambridge Cannons de posters aan het plafond in en uit scheerden.

‘Naar z’n zin?’ zei Ron duister. ‘Ik denk dat hij niet eens meer thuis zou komen als pa hem niet dwong. Het is gewoon een obsessie voor hem. Laat hem alsjeblieft niet over z’n baas beginnen. Volgens meneer Krenck… zoals ik tegen meneer Krenck zei…. meneer Krenck is van mening… ik hoorde van meneer Krenck… Ik denk dat ze binnenkort hun verloving bekendmaken.’

‘Heb je een leuke zomer gehad, Harry?’ vroeg Hermelien. ‘Heb je onze voedselpakketten gekregen?’

‘Ja, nog heel erg bedankt,’ zei Harry. ‘Zonder die taarten had ik het echt niet gered.’

‘En heb je nog iets gehoord van — ?’ begon Ron, maar na een blik van Hermelien deed hij er het zwijgen toe. Harry wist dat Ron naar Sirius had willen vragen. Ron en Hermelien waren zo nauw betrokken geweest bij de ontsnapping van Sirius uit de klauwen van het Ministerie van Toverkunst dat ze haast net zo sterk meeleefden met Harry’s peetvader als hijzelf. Desondanks leek het niet verstandig om in het bijzijn van Ginny over hem te praten. Alleen zij drieën en professor Perkamentus wisten hoe Sirius ontsnapt was en geloofden in zijn onschuld.

‘Volgens mij zijn ze gestopt met ruziën,’ zei Hermelien om de pijnlijke stilte te overbruggen, want Ginny keek nieuwsgierig van Ron naar Harry. ‘Zullen we naar beneden gaan en je moeder helpen met het eten?’

‘Ja, oke,’ zei Ron. Ze verlieten zijn kamer en gingen weer naar de keuken, waar ze alleen mevrouw Wemel aantroffen. Ze leek boos en uit haar doen.

‘We eten buiten, in de tuin,’ zei ze toen ze binnenkwamen. ‘Er is hier gewoon niet genoeg plaats voor elf mensen. Zouden jullie de borden naar buiten willen brengen, meisjes? Bill en Charlie zijn de tafels aan het opzetten. En nemen jullie twee het bestek mee,’ zei ze tegen Ron en Harry. Ze wees ietsje krachtiger dan de bedoeling was geweest met haar toverstok op een berg aardappelen in de gootsteen en die spatten zo snel uit hun schil dat ze tegen de muren en het plafond heen en weer ketsten.

‘O, lieve hemel’ snauwde ze en wees met haar staf op een veger en blik, die van het aanrecht sprongen, over de vloer heen en weer begonnen te schaatsen en de aardappels opveegden. ‘Die twee!’ snauwde ze woedend terwijl ze potten en pannen uit een keukenkastje griste, en Harry wist dat ze Fred en George bedoelde. ‘Ik weet echt niet wat er van die twee moet worden, echt niet. Geen greintje ambitie, behalve om zoveel mogelijk rotzooi te schoppen…’

Ze smeet een grote koperen steelpan op de keukentafel en begon er met haar toverstok in te zwaaien. Terwijl ze roerde, stroomde er een romige saus uit de punt van haar stok.

‘Het is niet dat ze geen hersens hebben,’ vervolgde ze nijdig, terwijl ze met de steelpan naar het fornuis liep en dat aanstak met nog een zwaai van haar toverstaf. ‘Ze gebruiken ze alleen niet en als ze niet gauw een beetje verstandiger worden, zitten ze dadelijk echt in de nesten. Ik heb over die twee al meer uilen van Zweinstein gehad dan over de rest van m’n kinderen bij elkaar. Als ze zo doorgaan, krijgen ze nog met de Taakeenheid Ongepast Spreukgebruik te maken!’

Mevrouw Wemel porde met haar stok tegen de bestekla, die openvloog. Harry en Ron sprongen gauw opzij toen verscheidene messen uit de la sprongen, door de keuken vlogen en de aardappels in blokjes begonnen te snijden die de veger en blik net weer in de gootsteen hadden gedeponeerd.

‘Ik weet niet waar we in de fout zijn gegaan,’ zei mevrouw Wemel, die haar toverstok neerlegde en nog meer steelpannen tevoorschijn haalde. ‘Het is al jaren hetzelfde liedje, de ene toestand na de andere en ze luisteren gewoon niet naar — O, NIET WEER!’

Ze had haar toverstok van de keukentafel gepakt en die was luid piepend in een grote rubbermuis veranderd.

‘Weer zo’n fopstok!’ schreeuwde ze. ‘Hoe vaak heb ik die twee al niet gezegd dat ze hun rotzooi moeten opruimen?’

Ze pakte gauw haar echte toverstok en toen ze zich omkeerde, zag ze dat de saus op het fornuis aanbrandde.

‘Vooruit,’ zei Ron haastig tegen Harry en hij griste een handvol bestek uit de la. ‘Laten we Bill en Charlie gaan helpen.’

Ze lieten mevrouw Wemel alleen en gingen door de achterdeur naar buiten.

Ze hadden nog maar een paar stappen gezet toen er een rossige kat met kromme poten de tuin uit kwam stormen, met zijn pluizige staart hoog opgestoken. Dat was Knikkebeen, de kat van Hermelien en hij had het gemunt op iets wat net een modderige aardappel op pootjes leek. Harry herkende het wezentje direct als een tuinkabouter. Het was hoogstens vijfentwintig centimeter groot en zijn eeltige voetjes roffelden razendsnel over het erf terwijl hij naar de achterdeur sprintte en vliegensvlug in een van de kaplaarzen dook die her en der verspreid lagen. Harry hoorde de kabouter opgewonden giechelen terwijl Knikkebeen zijn poot in de laars stak en hem probeerde te grijpen. Ondertussen klonken aan de andere kant van het huis keiharde, bonkende geluiden.

De oorzaak van die herrie werd duidelijk toen ze de tuin inliepen en zagen dat Bill en Charlie allebei hun toverstok getrokken hadden en twee gehavende oude tafels hoog boven het grasveld lieten rondvliegen. De tafels beukten tegen elkaar en probeerden elkaar blijkbaar uit de lucht te slaan. Fred en George juichten; Ginny lachte en Hermelien stond onzeker aan de rand van het groepje, zowel geamuseerd als ongerust.

Bills tafel diende die van Charlie een enorme mep toe en brak een van zijn poten af. Boven hen klonk gerammel en toen ze opkeken, zagen ze Percy’s hoofd uit een raam op de tweede verdieping steken.

‘Kan het misschien ietsje zachter!’ bulderde hij.

‘Sorry, Percy,’ zei Bill grijnzend. ‘Hoe gaat het met je ketelbodems?’

‘Slecht!’ zei Percy knorrig en hij sloeg het raam weer dicht. Grinnikend lieten Bill en Charlie de tafels op het gras zakken, met de smalle kanten tegen elkaar en met een kleine tik van zijn toverstok maakte Bill de afgebroken poot weer vast en toverde tafelkleden uit het niets.

Tegen zevenen bogen de twee tafels haast door onder de schotels en schalen met het resultaat van mevrouw Wemels uitstekende kookkunst en namen de negen Wemels en Harry en Hermelien plaats om te gaan eten, onder een heldere, donkerblauwe hemel. Voor iemand die het de hele zomer met hompen oudbakken taart had moeten stellen was dat verrukkelijk, en eerst luisterde Harry meer dan dat hij praatte, terwijl hij gekookte aardappels, salade en pastei met kip en ham opschepte.

Aan de andere kant van de tafel vertelde Percy zijn vader uitgebreid over zijn ketelbodemrapport.

‘Ik heb meneer Krenck verzekerd dat het rapport aanstaande dinsdag af zal zijn,’ zei Percy pompeus. ‘Dat is ietsje eerder dan hij verwacht had, maar ik werk graag snel en efficiënt. Ik denk dat hij blij zal zijn dat ik het zo gauw inlever. We hebben het op het moment razend druk op onze afdeling, met alle zaken die geregeld moeten worden voor het WK. We krijgen gewoon niet voldoende ondersteuning van het Departement van Magische Sport en Recreatie. Ludo Bazuyn —’

‘Ik mag Ludo graag,’ zei meneer Wemel mild.

Hij heeft die goede kaartjes voor ons versierd. Ik heb hem ooit uit de brand geholpen toen z’n broer Otto in de problemen zat — het ging om een grasmaaier met bovennatuurlijke krachten — en toen heb ik de boel weer gladgestreken.’

‘O, Bazuyn is heel aardig,’ zei Percy nogal laatdunkend, ‘maar hoe ze die ooit tot Afdelingshoofd hebben kunnen benoemen… als ik hem met meneer Krenck vergelijk! Ik kan me niet voorstellen dat, als meneer Krenck een lid van onze afdeling kwijt was, hij zelfs geen poging zou doen om erachter te komen wat er met hem of haar gebeurd was. Weet u dat Berta Kriel nu al meer dan een maand vermist wordt? Ze zou op vakantie gaan naar Albanië en sindsdien heeft niemand meer iets van haar gehoord.’

‘Ja, daar heb ik Ludo ook naar gevraagd,’ zei meneer Wemel fronsend. ‘Hij beweert dat Berta wel vaker een tijdje zoek is geweest — hoewel ik moet toegeven dat ik me zorgen zou maken als het om iemand van mijn afdeling ging…’

‘O, Berta is inderdaad een hopeloos geval,’ zei Percy. ‘Ik heb gehoord dat ze al jarenlang constant van de ene afdeling naar de andere wordt overgeplaatst. Niemand wil haar eigenlijk hebben… maar toch zou Bazuyn een poging moeten doen om haar op te sporen. Meneer Krenck voelt zich persoonlijk betrokken bij de zaak — ze heeft ook een tijdje op ons departement gewerkt, weet u, en ik denk dat meneer Krenck echt op haar gesteld was — maar Bazuyn lacht alleen maar en zegt dat ze waarschijnlijk verkeerd op de kaart heeft gekeken en nu in Australië zit in plaats van Albanië. Maar goed…’ Percy slaakte een indrukwekkende zucht en nam een grote slok vlierbloesemwijn, ‘… we hebben al meer dan genoeg aan ons hoofd op het Departement voor Internationale Magische Samenwerking zonder ook nog eens pogingen te moeten ondernemen om medewerkers van andere departementen te vinden. Zoals u weet, moet vlak na het WK nog een groot evenement georganiseerd worden.’

Hij schraapte veelbetekenend zijn keel en keek naar het uiteinde van de tafel waar Harry, Ron en Hermelien zaten. ‘U weet wat ik bedoel, vader.’ Op ietsje luidere toon vervolgde hij: ‘Dat ultra geheime evenement.’

Ron sloeg zijn ogen ten hemel en mompelde tegen Harry en Hermelien: ‘Vanaf het moment dat hij op dat departement begonnen is, probeert hij ons zover te krijgen dat we hem vragen wat dat evenement is. Waarschijnlijk een expositie van ketels met extra dikke bodems.’

In het midden van de tafel had mevrouw Wemel woorden met Bill over zijn oorringetje, dat hij blijkbaar pas sinds kort droeg.

‘… en dan met zo’n afschuwelijke grote slagtand. Nee echt, Bill! Wat zeggen ze daar niet van op de bank?’

‘Ma, op de bank kan het niemand een lor schelen hoe ik erbij loop, zo lang ik maar lekker veel goud en kostbaarheden binnenbreng,’ zei Bill geduldig.

‘En je haar is echt geen gezicht,’ zei mevrouw Wemel, die gretig over haar toverstok streek. ‘Ik wou dat ik het even mocht knippen…’

‘Ik vind het leuk,’ zei Ginny, die naast Bill zat. ‘U bent zo ouderwets, ma. En het is trouwens op geen stukken na zo lang als het haar van professor Perkamentus…’

Fred, George en Charlie, die naast mevrouw Wemel zaten, praatten geanimeerd over het WK.

‘Ik zet m’n geld op Ierland,’ zei Charlie moeizaam, met zijn mond vol aardappel. ‘Die hebben in de halve finale geen spaan heel gelaten van Peru.’

‘Maar Bulgarije heeft Viktor Kruml,’ zei Fred.

‘Kruml is een goede speler, maar Ierland heeft er zeven,’ zei Charlie kortaf. ‘Het is anders wel doodzonde dat Engeland niet verder is gekomen. Dat was echt gênant.’

‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg Harry gretig. Hij had er nu meer spijt van dan ooit dat hij zo afgezonderd was van de tovenaarswereld als hij verbannen was naar de Ligusterlaan. Harry was helemaal gek van Zwerkbal. Sinds zijn eerste jaar op Zweinstein had hij constant als Zoeker voor het afdelingsteam van Griffoendor gespeeld en hij was de trotse eigenaar van een echte Vuurflits, een van de beste racebezemstelen ter wereld.

‘Met driehonderdnegentig tegen tien klop gekregen van Transsylvanie,’ zei Charlie somber. ‘Ze bakten er echt niks van. En Wales heeft verloren van Oeganda en Schotland is afgeslacht door Luxemburg.’

Meneer Wemel toverde kaarsen tevoorschijn om de steeds donkerder wordende tuin te verlichten voor ze aan hun toetje begonnen (zelfgemaakt aardbeienijs) en tegen de tijd dat ze klaar waren met eten, fladderden er motjes over de tafel en rook de zwoele lucht naar gras en kamperfoelie. Harry voelde zich heerlijk vol en vredig en keek hoe een stel tuinkabouters tussen de rozenstruiken doorsprintte, hard lachend en op de voet gevolgd door Knikkebeen.

Ron keek naar de andere kant van de tafel, om er zeker van te zijn dat de rest van het gezin druk zat te praten en zei toen zachtjes tegen Harry: ‘En — heb je de laatste tijd nog iets van Sirius gehoord?’

Hermelien keek om en luisterde aandachtig.

‘Ja,’ zei Harry net zo zacht. ‘Twee keer. Zo te horen gaat het goed met hem. Ik heb hem eergisteren nog teruggeschreven. Misschien krijg ik hier wel een brief van hem.’

Plotseling herinnerde hij zich de reden waarom hij Sirius had geschreven en even stond hij op het punt Ron en Hermelien te vertellen over de pijn in zijn litteken en de droom waardoor hij wakker was geschrokken… maar eigenlijk wilde hij ze niet ongerust maken op een moment dat hij zich zelf zo gelukkig en vredig voelde.

‘Moet je zien hoe laat het is!’ zei mevrouw Wemel plotseling, terwijl ze op haar horloge keek. ‘Jullie horen al lang al in bed te liggen. Morgen moeten jullie er voor dag en dauw uit, om op tijd te zijn voor het WK. Harry, als jij je lijst van school klaarlegt, haal ik morgen je spullen wel in de Wegisweg. Dat doe ik voor de anderen ook. Na het WK is er misschien geen tijd meer, want de laatste keer duurde de finale vijf dagen.’

‘Wauw — ik hoop deze keer ook!’ zei Harry enthousiast.

‘Nou, ik niet! zei Percy schijnheilig. ‘Ik moet er niet aan denken hoe m’n postbakje eruit zou zien als ik vijf dagen wegbleef van m’n werk.’

‘Ja, wie weet zou iemand er dan weer drakenstront in doen, hè Percy?’ zei Fred.

‘Dat was een mestmonster uit Noorwegen!’ zei Percy, die vuurrood werd. ‘Het had helemaal niets persoonlijks’

‘Jawel,’ fluisterde Fred tegen Harry, terwijl ze opstonden van tafel. ‘Het kwam van ons.’

Hoofdstuk 6

DE VIAVIA

Harry had het gevoel alsof hij zich nog maar nauwelijks had uitgestrekt op zijn matras in Rons kamer toen hij alweer wakker werd geschud door mevrouw Wemel. Tijd om op te staan, Harry,’ fluisterde ze en liep naar het bed van Ron om die ook te wekken. Harry tastte naar zijn bril, zette die op en ging overeind zitten. Het was nog donker buiten. Ron mompelde iets onverstaanbaars toen zijn moeder hem wakker maakte. Aan het voeteneinde van Harry’s matras richtten twee grote, verfomfaaide silhouetten zich langzaam op uit een wirwar van dekens.

‘Staltijd?’ zei Fred slaapdronken.

Ze kleedden zich zwijgend aan, te slaperig om te praten en liepen toen geeuwend en zich uitrekkend de trap af naar de keuken.

Mevrouw Wemel roerde in een grote pan op het fornuis, terwijl meneer Wemel aan tafel zat en een stapeltje perkamenten kaartjes controleerde. Hij keek op toen de jongens binnenkwamen en spreidde zijn armen uit, zodat ze zijn kleren beter konden zien. Hij droeg iets wat op een golftrui leek en een heel oude spijkerbroek, die hem te groot was en die werd opgehouden met behulp van een dikke leren riem.

‘Wat vind je?’ vroeg hij bezorgd. ‘We moeten incognito reizen — lijk ik zo op een Dreuzel, Harry?’

‘Ja,’ zei Harry glimlachend. ‘Sprekend.’

‘Waar zijn Bill en Charlie en Per-Per-Percy?’ zei George, die er niet in slaagde om een gigantische geeuw te onderdrukken.

‘Die zijn van plan om te Verschijnselen,’ zei mevrouw Wemel, die de grote pan naar tafel sjouwde en pap begon op te scheppen. ‘Zodat ze wat langer kunnen uitslapen.’

Harry wist dat Verschijnselen heel erg moeilijk was; dat betekende dat je op het ene punt verdween en vrijwel onmiddellijk op een ander punt weer opdook.

‘Dus die liggen nog op bed?’ zei Fred knorrig en hij trok een bord pap naar zich toe. ‘Waarom kunnen wij ook niet Verschijnselen?’

‘Omdat jullie te jong zijn en nog geen examen hebben gedaan,’ beet mevrouw Wemel hem toe. ‘En waar blijven die meiden?’

Ze ging haastig de keuken uit en ze hoorden haar de trap oplopen.

‘Moet je examen doen om te kunnen Verschijnselen?’ vroeg Harry.

‘Jazeker,’ zei meneer Wemel, die de kaartjes veilig wegstopte in de achterzak van zijn spijkerbroek. ‘Laatst heeft het Departement voor Magisch Transport nog een paar mensen een boete gegeven wegens Verschijnselen zonder vergunning. Verschijnselen is niet eenvoudig en als je het niet goed doet, kan dat tot allerlei vervelende complicaties leiden. Die twee over wie ik het heb, hadden zichzelf versprokkeld.’

Iedereen aan tafel trok een pijnlijk gezicht, behalve Harry.

‘Eh — versprokkeld?’ zei Harry.

‘Ze lieten de helft van zichzelf achter,’ zei meneer Wemel, die grote lepels stroop over zijn pap goot. ‘En dus kwamen ze natuurlijk muurvast te zitten. Ze konden geen kant meer uit en moesten wachten tot het Traumateam bij Toverongevallen ze uit de nesten had geholpen. Dat brengt altijd een hele papierwinkel met zich mee, dat kan ik je wel vertellen. Als je nagaat hoeveel Dreuzels die achtergebleven lichaamsdelen zagen liggen…’

Harry had plotseling een visioen van twee benen en een oogbol, die eenzaam op het trottoir lagen in de Ligusterlaan.

‘Kwam het weer goed met ze?’ vroeg hij geschrokken.

‘Jazeker,’ zei meneer Wemel nuchter. ‘Maar ze kregen een hoge boete en ik denk niet dat ze gauw weer zoiets zullen uithalen. Je moet geen risico’s nemen met Verschijnselen. Een heleboel volwassen tovenaars doen het nooit. Die nemen liever de bezem — langzamer, maar ook een stuk veiliger.’

‘Maar Bill en Charlie en Percy kunnen het allemaal?’

‘Charlie moest twee keer examen doen,’ zei Fred grijnzend. ‘De eerste keer zakte hij. Toen Verschijnselde hij acht kilometer verder naar het zuiden dan de bedoeling was, boven op een of ander oud vrouwtje dat net boodschappen ging doen, weten jullie nog wel?’

‘Ja, nou, de tweede keer is hij geslaagd,’ zei mevrouw Wemel, die onder luid gegrinnik de keuken kwam binnenmarcheren.

‘Percy is pas twee weken geleden geslaagd,’ zei George. ‘Hij Verschijnselt nu elke ochtend in de keuken, gewoon om te bewijzen dat hij het kan.’

Er klonken voetstappen op de gang en Hermelien en Ginny kwamen binnen. Ze zagen er allebei bleek en slaperig uit.

‘Waarom moeten we zo vroeg op?’ zei Ginny, die in haar ogen wreef en aan tafel ging zitten.

‘Omdat we eerst een eindje moeten lopen,’ zei meneer Wemel.

‘Lopen?’ zei Harry. ‘Moeten we helemaal naar het WK lopen?’

‘Nee, nee, dat is kilometers hiervandaan,’ zei meneer Wemel glimlachend. ‘Wij hoeven maar een klein stukje. Het probleem is dat het heel moeilijk is om zoveel tovenaars op een punt te verzamelen zonder de aandacht te trekken van Dreuzels. We moeten altijd al voorzichtig zijn hoe we reizen en tijdens zo’n groot evenement als het WK Zwerkbal —’

‘George!’ zei mevrouw Wemel op scherpe toon, en iedereen schrok.

‘Wat?’ zei George, op een gemaakt-onschuldige toon waar niemand intrapte.

‘Wat heb je in je zak?’

‘Niks!’

‘Lieg niet!’

Mevrouw Wemel richtte haar toverstok op de broekzak van George en zei: ‘Accio!’

Allerlei kleine, felgekleurde voorwerpen schoten uit de zak van George; hij probeerde ze nog te pakken, maar greep mis en ze vlogen regelrecht in de uitgestoken hand van mevrouw Wemel.

‘We zeiden toch dat je die weg moest gooien!’ zei mevrouw Wemel woedend en ze zwaaide met wat onmiskenbaar Ton-Tong Toffees waren. ‘We zeiden dat jullie die hele zooi weg moesten doen. Vooruit, maak je zakken leeg, allebei!’

Er volgde een onaangename scene; de tweeling was duidelijk van plan geweest om zoveel mogelijk toffees het huis uit te smokkelen en alleen door haar Sommeerspreuk te gebruiken, wist mevrouw Wemel ze allemaal tevoorschijn te toveren.

‘Accio! Accio! Accio!’ riep ze en er schoten toffees uit de meest onverwachte plaatsen, zoals de zoom van George’s jas en de omslagen van Freds spijkerbroek.

‘We zijn zes maanden bezig geweest om ze te ontwikkelen!’ schreeuwde Fred tegen zijn moeder terwijl ze de toffees weggooide.

‘O, een mooie manier om zes maanden te verspillen!’ krijste ze. ‘Geen wonder dat jullie zo weinig S.L.IJ.M.B.A.L.len hebben gehaald!’

Al met al heerste er geen erg vriendelijke sfeer toen ze afscheid namen. Mevrouw Wemel keek nog steeds woest terwijl ze haar man een zoen op zijn wang gaf, maar lang niet zo woest als de tweeling, die hun rugzak op hun schouders hesen en zonder een woord tegen haar te zeggen naar buiten gingen.

‘Nou, veel plezier’ zei mevrouw Wemel, ‘en gedraag je’ riep ze de nijdige ruggen van de tweeling na, maar die keken niet om en gaven geen antwoord. ‘Ik stuur Bill, Charlie en Percy rond de middag achter jullie aan,’ zei mevrouw Wemel tegen haar man toen hij, Harry, Ron, Hermelien en Ginny het donkere erf overstaken, achter Fred en George aan.

Het was fris en de maan was nog op. Alleen uit een doffe, groenachtige gloed aan de horizon rechts bleek dat het niet lang zou duren voor de zon opkwam. Harry, die had nagedacht over die duizenden tovenaars die toestroomden voor het WK Zwerkbal, ging wat sneller lopen, zodat hij met meneer Wemel kon praten.

‘Hoe komt iedereen hier zonder dat de Dreuzels het merken?’ vroeg hij.

‘Dat is een gigantisch organisatorisch probleem,’ verzuchtte meneer Wemel. ‘De moeilijkheid is dat zo’n honderdduizend tovenaars het WK willen volgen en uiteraard hebben we geen enkele magische plek die groot genoeg is om al die mensen te herbergen. Er zijn wel plaatsen waar geen Dreuzels kunnen komen, maar stel je voor dat je honderdduizend tovenaars moet samenpakken op de Wegisweg of perron negendriekwart. Daarom waren we gedwongen een mooi, verlaten heideveld te zoeken en daar zoveel mogelijk anti-Dreuzelmaatregelen te installeren. Het hele Ministerie is er maandenlang mee bezig geweest. Ten eerste moeten we er natuurlijk voor zorgen dat niet iedereen tegelijk arriveert. Mensen met goedkopere kaartjes moeten er twee weken van tevoren zijn. Een beperkt aantal maakt gebruik van Dreuzelvervoer, maar we willen niet dat hun bussen en treinen uitpuilen van de tovenaars — en die komen van over de hele wereld, stel je voor. Sommigen Verschijnselen uiteraard, maar dan moeten er veilige punten zijn om te verschijnen, een eind uit de buurt van eventuele Dreuzels. Ik geloof dat er een geschikt bos is bij het stadion dat ze als Verschijnselpunt gebruiken. Voor mensen die niet kunnen of willen Verschijnselen, hebben we Viavia’s. Dat zijn voorwerpen die tovenaars op een van tevoren vastgesteld tijdstip van de ene plek naar de andere verplaatsen. Zonodig kunnen er grote groepen tegelijk gebruik van maken. Op strategische plaatsen door het hele land zijn tweehonderd Viavia’s opgesteld en in ons geval is de dichtstbijzijnde die op de top van de Druilerige Berg. Daar gaan we nu naartoe.’

Meneer Wemel wees op een grote zwarte massa, die voorbij het dorpje Greenwitch oprees.

‘Wat zijn dat voor dingen, Viavia’s?’ vroeg Harry nieuwsgierig.

‘Nou, het kan van alles zijn,’ zei meneer Wemel. ‘Onopvallende dingen, uiteraard, zodat Dreuzels ze niet oppakken en ermee gaan spelen… meestal voorwerpen die zij als afval beschouwen…’

Ze sjokten het duistere, vochtige weggetje af naar het dorp en de stilte werd alleen verbroken door hun voetstappen. Toen ze door het dorp liepen werd de hemel heel langzaam lichter en maakte de inktzwarte duisternis plaats voor het diepst denkbare blauw. Harry’s handen en voeten waren net ijsklompen en meneer Wemel keek steeds op zijn horloge.

Ze kwamen adem te kort om te praten toen ze de Druilerige Berg beklommen. Af en toe struikelden ze in verborgen konijnenholen of gleden ze uit over dikke zwarte pollen gras. Toen elke ademhaling door Harry’s borst sneed en zijn benen begonnen te verkrampen, merkte hij dat ze eindelijk weer op vlakker terrein waren.

‘Poe poe,’ hijgde meneer Wemel, die zijn bril afveegde aan zijn trui. ‘Nou, we zijn ruim op tijd — we hebben nog tien minuten…’

Hermelien bereikte als laatste de top en had last van steken in haar zij, want ze drukte haar hand tegen haar middel.

‘Nu alleen de Viavia nog,’ zei meneer Wemel, die zijn bril weer opzette en naar de grond tuurde. ‘Hij zal niet groot zijn… vooruit…’

Ze verspreidden zich en begonnen te zoeken. Ze waren nog maar een paar minuten bezig toen de stilte plotseling verstoord werd door een kreet.

‘Hierzo, Arthur! Hierzo, jongen! We hebben hem!’

Twee lange gedaantes stonden afgetekend tegen de sterrenhemel aan de andere kant van de heuveltop.

‘Barend!’ zei meneer Wemel glimlachend en hij liep naar de man die geroepen had. De anderen volgden hem.

Meneer Wemel schudde de hand van een tovenaar met een rood gezicht en een nogal dun bruin baardje, die een beschimmelde oude kaplaars in zijn andere hand hield.

‘Dit is Barend Kannewasser, jongens,’ zei meneer Wemel. ‘Hij werkt voor het Departement van Toezicht op Magische Wezens. En ik geloof dat jullie zijn zoon Carlo al kennen?’

Carlo Kannewasser was een buitengewoon knappe jongen van een jaar of zeventien. Hij was aanvoerder en Zoeker van het Zwerkbalteam van Huffelpuf.

‘Hoi,’ zei Carlo, die de anderen aankeek.

Ze zeiden allemaal: ‘Hoi’ terug, behalve Fred en George, die alleen maar knikten. Ze hadden Carlo nooit echt vergeven dat zijn team Griffoendor had verslagen in de eerste Zwerkbalwedstrijd van het vorige schooljaar.

‘Moesten jullie ver lopen, Arthur?’ vroeg Carlo’s vader.

‘Viel wel mee,’ zei meneer Wemel. ‘We wonen net buiten het dorp. En jullie?’

‘Wij moesten er om twee uur al uit, hè Carlo? Ik zal blij zijn als hij z’n diploma Verschijnselen heeft, dat kan ik je wel vertellen. Maar goed… ik mag niet klagen… ik zou het WK Zwerkbal voor geen zak Galjoenen willen missen — en dat kostten de kaartjes ook zo ongeveer. Al ben ik er zo te zien nog goedkoop van afgekomen…’ Barend Kannewasser keek vriendelijk naar de drie gebroeders Wemel, Harry, Hermelien en Ginny. ‘Zijn die allemaal van jou, Arthur?’

‘Nee, nee, alleen die met rood haar,’ zei meneer Wemel, die zijn kinderen aanwees. ‘Dat is Hermelien, een vriendin van Ron — en Harry, een van z’n beste vrienden —’

‘Bij Merlijns baard!’ zei Barend Kannewasser met grote ogen. ‘Harry? Harry Potter?’

‘Eh — ja,’ zei Harry.

Harry was er inmiddels aan gewend dat mensen hem nieuwsgierig aanstaarden als ze hem voor het eerst ontmoetten en dat hun blik gelijk naar het bliksemvormige litteken op zijn voorhoofd gleed, maar toch voelde hij zich nog steeds slecht op zijn gemak als dat gebeurde.

‘Carl heeft natuurlijk over je verteld,’ zei Barend Kannewasser. ‘In geuren en kleuren. Over die wedstrijd die hij vorig jaar tegen jullie heeft gespeeld… ik zei nog tegen hem, ik zei — Carl, dat is iets om later aan je kleinkinderen te vertellen… dat jij Harry Potter hebt verslagen!’

Harry kon geen zinnig antwoord bedenken en zei daarom maar niets. Fred en George fronsten nijdig hun voorhoofd en Carlo zelf leek een beetje opgelaten.

‘Harry viel van z’n bezem, pa,’ mompelde hij. ‘Dat heb ik toch gezegd… het was een ongeluk…’

‘Ja, maar jij bent niet van je bezem gevallen, hè?’ bulderde Barend gemoedelijk en hij sloeg zijn zoon op zijn rug. ‘Altijd even bescheiden, onze Carlo, altijd een echte heer… maar de beste heeft gewonnen. Ik weet zeker dat Harry dat als eerste zou beamen, nietwaar Harry? De een valt van z’n bezem en de ander niet. Nou, dan hoef je geen genie te zijn om te weten wie beter kan vliegen!’

‘Ik denk dat het bijna tijd is,’ zei meneer Wemel vlug en hij haalde zijn horloge weer tevoorschijn. ‘Weet jij of we op nog meer mensen moeten wachten, Barend?’

‘Nee, de Berkemeiertjes zijn al een week op het terrein en de Teutels konden niet aan kaartjes komen,’ zei meneer Kannewasser. ‘Verder wonen hier geen tovenaarsfamilies in de buurt, ofwel?’

‘Niet dat ik weet,’ zei meneer Wemel. ‘Ja, nog een minuut… laten we maar vast klaar gaan staan…’

Hij keek naar Harry en Hermelien. ‘Je hoeft de Viavia alleen maar aan te raken, meer niet. Een vinger is voldoende —’

Met de nodige moeite, vanwege de grote rugzakken die ze droegen, dromden ze allemaal samen rond de oude kaplaars die Barend Kannewasser uitstak.

Ze wachtten in een klein kringetje, terwijl een kille wind over de heuveltop streek. Niemand zei iets. Harry bedacht plotseling hoe merkwaardig dit eruit zou zien als er toevallig een Dreuzel voorbijkwam… negen mensen, onder wie twee volwassen mannen, die in het schemerduister een gore oude kaplaars vasthielden… wachtend.

‘Drie…’ mompelde meneer Wemel, met zijn blik op zijn horloge gericht, ‘twee… een…’

Het gebeurde in een flits: Harry had het gevoel alsof er een onweerstaanbare ruk werd gegeven aan een haak die net achter zijn navel zat; zijn voeten kwamen van de grond; hij voelde de schouders van Ron en Hermelien tegen de zijne stoten; ze werden meegesleurd in een draaikolk van kleuren en gierende wind; zijn wijsvinger leek wel vastgeplakt aan de laars, alsof die hem als een magneet meetrok en toen —

Zijn voeten kwamen met een smak op de grond; Ron botste tegen hem aan en hij viel; de Viavia plofte met een doffe dreun naast zijn hoofd neer.

Harry keek op. Meneer Wemel, meneer Kannewasser en Carlo hadden op de been weten te blijven, al zagen ze er heel verwaaid uit; verder lag iedereen op de grond.

‘De 5.07 vanaf de Druilerige Berg,’ zei een stem.

Hoofdstuk 7

BAZUYN EN KRENCK

Harry gooide Ron van zich af en krabbelde overeind. Ze waren zo te zien geland op een verlaten, nevelig, stuk heide. Voor hen stonden twee vermoeid en knorrig ogende tovenaars, van wie de een een groot gouden horloge in zijn hand had en de ander een dikke rol perkament en een ganzenveer. Ze waren allebei gekleed als Dreuzels, maar nogal onbeholpen; de man met het horloge droeg een tweedpak met rubber lieslaarzen en zijn collega een kilt en een poncho.

‘Goeiemorgen, Arnout,’ zei meneer Wemel. Hij raapte de laars op en gaf hem aan de tovenaar met de kilt, die hem in een grote doos met gebruikte Viavia’s gooide; Harry zag een oude krant, een leeg limonadeblikje en een lekke voetbal.

‘Hallo, Arthur,’ zei Arnout vermoeid. ‘Dus jij hebt geen dienst? Sommige mensen hebben ook altijd geluk… wij staan hier al de hele nacht… ik zou maar vlug verdergaan als ik jullie was, want om kwart over vijf arriveert er een groot gezelschap uit het Zwarte Woud. Wacht even, dan zoek ik jullie kampeerplaats… Wemel… Wemel… ’ Hij keek op zijn perkamenten lijst. ‘Zo’n vierhonderd meter verderop, het eerste veld waar jullie langskomen. De beheerder heet Rolvink. Kannewasser… tweede veld… vraag naar meneer Paans.’

‘Bedankt, Arnout,’ zei meneer Wemel en hij gebaarde dat de anderen hem moesten volgen.

Ze gingen op weg over de verlaten heide, maar konden door de mist weinig zien. Na zo’n twintig minuten doemden er een hek en een klein stenen huisje op uit de nevel en daarachter kon Harry net de schimmige omtrekken onderscheiden van honderden en nog eens honderden tenten, die zich over een zacht omhoog glooiend veld uitstrekten naar het donkere bos aan de horizon. Ze namen afscheid van de Kannewassers en liepen naar het huisje.

Er stond een man in de deuropening, die over de tenten uitkeek en Harry zag in een oogopslag dat hij de enige echte Dreuzel in de wijde omtrek was. Toen hij hun voetstappen hoorde, keek hij om.

‘Morgen!’ zei meneer Wemel opgewekt.

‘Morgen,’ zei de Dreuzel.

‘Bent u meneer Rolvink?’

‘Klopt,’ zei meneer Rolvink. ‘En wie bent u?’

‘Wemel — twee tenten, een paar dagen geleden geboekt?’

‘Ja,’ zei meneer Rolvink en hij keek op een lijst die op de deur geprikt was. ‘Jullie hebben een plekje aan de bosrand. Voor een nacht?’

‘Inderdaad,’ zei meneer Wemel.

‘Dan wilt u zeker direct betalen?’

‘Eh — ja — natuurlijk —’ zei meneer Wemel. Hij deed een paar stappen achteruit en wenkte Harry. ‘Help me, Harry,’ mompelde hij, terwijl hij een rolletje Dreuzelgeld uit zijn zak haalde en bankbiljetten begon af te pellen.’Dit is een briefje van — van — van tien? O ja, nu zie ik die kleine cijfertjes… dan is dit er zeker eentje van vijf?’

‘Van twintig,’ corrigeerde Harry zachtjes, in het onbehaaglijke besef dat meneer Rolvink elk woord van hun gesprek probeerde op te vangen.

‘O ja, dat klopt… het is ook zo moeilijk, al die stukjes papier…’

‘Komen jullie uit het buitenland?’ zei meneer Rolvink, toen meneer Wemel terugkeerde met de juiste bankbiljetten.

‘Uit het buitenland?’ vroeg meneer Wemel verbaasd.

‘U bent niet de enige die moeite had met geld,’ zei meneer Rolvink, die meneer Wemel scherp aankeek. ‘Nog geen tien minuten geleden probeerden twee lui te betalen met enorme gouden munten, zo groot als wieldoppen.’

‘Echt waar?’ zei meneer Wemel nerveus.

Meneer Rolvink rommelde in een blikje naar wisselgeld.

‘ ’t Is hier nog nooit zo druk geweest,’ zei hij plotseling en hij staarde weer naar het nevelige veld. ‘Honderden mensen hebben vooraf geboekt. Normaal gesproken komen de meesten gewoon op de bonnefooi…’

‘U meent het?’ zei meneer Wemel. Hij stak zijn hand uit voor zijn wisselgeld, maar dat gaf meneer Rolvink niet.

‘Ja,’ zei hij bedachtzaam. ‘Mensen uit het hele land. Hordes buitenlanders. En niet alleen buitenlanders, maar echte vreemde snuiters. Er loopt iemand met een kilt en een poncho rond.’

‘Mag dat dan niet?’ vroeg meneer Wemel ongerust.

‘Het is net een soort… ik weet niet… een soort bijeenkomst,’ zei meneer Rolvink. ‘Alsof iedereen elkaar kent. Een groot feest.’

Op dat moment verscheen vlak naast de voordeur uit het niets een tovenaar met een kniebroek.

‘Amnesia!’ zei hij op scherpe toon en hij richtte zijn toverstaf op meneer Rolvink.

Diens ogen werden onmiddellijk wazig, zijn gefronste voorhoofd ontspande zich en er verscheen een dromerige, serene uitdrukking op zijn gezicht. Harry herkende de symptomen van iemand wiens geheugen gemodificeerd was.

‘Hier heeft u een kaart van het kampeerterrein,’ zei meneer Rolvink kalmpjes tegen meneer Wemel. ‘En uw wisselgeld.’

‘Dank u,’ zei meneer Wemel.

De tovenaar met de kniebroek liep met hen mee naar het hek dat naar het kampeerterrein leidde. Hij maakte een afgematte indruk; zijn kin zag blauw van de baardstoppels en hij had grote paarse kringen onder zijn ogen. Zodra meneer Rolvink hen niet meer kon horen mompelde hij tegen meneer Wemel: ‘Ik heb een hoop last van die man. Je moet wel tien keer per dag een Vergetelheidsspreuk uitspreken om hem gelukkig te houden. En Ludo Bazuyn helpt ook niet echt. Hij praat gewoon keihard over Beukers en Slurken, zonder zich ook maar iets aan te trekken van de Dreuzelbeveiliging. Allemachtig, ik zal blij zijn als het erop zit. Nou, tot straks, Arthur.’

Hij Verdwijnselde.

‘Ik dacht dat meneer Bazuyn Hoofd was van Magische Sport en Recreatie?’ zei Ginny verbaasd. ‘Dan moet hij toch weten dat hij niet over Beukers hoort te praten waar Dreuzels bij zijn?’

‘Eigenlijk wel,’ zei meneer Wemel met een glimlach, terwijl hij hen voorging naar het kampeerterrein. ‘Ludo is altijd een tikje… laks geweest als het om beveiliging gaat. Maar je zou je geen enthousiaster hoofd van de afdeling Sport kunnen wensen. Hij heeft zelf nog Zwerkbal gespeeld voor Engeland, weet je. En hij was de beste Drijver die de Winterpayne Wasps ooit hebben gehad.’

Ze sjokten over het mistige veld naar het bos, tussen lange rijen tenten door. De meeste zagen er bijna gewoon uit; de eigenaars hadden duidelijk hun best gedaan om ze zo Dreuzelachtig mogelijk te maken, maar waren in de fout gegaan door er schoorstenen of trekbellen of windwijzers aan toe te voegen. Hier en daar stonden echter tenten die zo overduidelijk magisch waren dat het Harry niets verbaasde dat meneer Rolvink achterdochtig begon te worden. Halverwege het veld zagen ze een extravagante creatie van gestreepte zijde die veel weghad van een miniatuurpaleisje, met levende aangelijnde pauwen bij de ingang. Ietsje verder passeerden ze een tent met drie verdiepingen en een paar uitkijktorentjes en weer een eindje verderop een tent met een uitrolbare voortuin, compleet met vogelbadje, zonnewijzer en fontein.

‘Het is ook altijd hetzelfde liedje,’ zei meneer Wemel glimlachend. ‘Als we onder ons zijn, kunnen we niet nalaten elkaar de loef af te steken. Ah, we zijn er. Kijk, hier staan we.’

Ze waren bij een lege plek aan de rand van het bos, helemaal boven aan het veld. Er was een klein bordje in de grond geslagen, met het opschrift ‘Wemel’.

‘We hadden geen betere plaats kunnen hebben!’ zei meneer Wemel enthousiast. ‘Het stadion is aan de andere kant van het bos, dus we zitten vlakbij.’ Hij liet zijn rugzak van zijn schouders zakken. ‘Oke,’ zei hij. ‘We mogen niet toveren, nu we ons met zoveel mensen op Dreuzelterrein bevinden en daarom gaan we deze tenten met de hand opzetten! Dat is vast niet moeilijk… Dreuzels doen het zo vaak… He Harry, hoe moeten we beginnen?’

Harry had nog nooit van zijn leven gekampeerd; de Duffelingen hadden hem niet een keer meegenomen op vakantie en hadden hem altijd gedumpt bij mevrouw Vaals, een oude buurvrouw. Samen met Hermelien wist hij echter uit te knobbelen waar de meeste stokken en haringen moesten komen, en hoewel meneer Wemel eerder in de weg liep dan behulpzaam was, omdat hij veel te opgewonden werd toen ze de haringen moesten inslaan met een houten hamer, slaagden ze er uiteindelijk toch in om twee nogal versleten tweepersoonstentjes op te zetten.

Ze deden een stapje achteruit om hun prestatie te bewonderen. Iemand die die tenten zag, zou nooit vermoeden dat ze van tovenaars waren, dacht Harry, maar zodra Bill, Charlie en Percy arriveerden, zouden ze met zijn tienen zijn. Hermelien had dat probleem blijkbaar ook onderkend; ze keek Harry vragend aan toen meneer Wemel zich op handen en knieën liet zakken en de eerste tent binnenkroop.

‘Het wordt een beetje krapjes, maar ik denk wel dat we er allemaal in kunnen,’ riep hij. ‘Kom maar kijken.’

Harry bukte zich, dook onder de tentflap door en voelde zijn mond openvallen. Hij was een ruimte binnengestapt die aan een ouderwetse driekamerflat deed denken, compleet met badkamer en keuken. Merkwaardig genoeg was de tent in exact dezelfde stijl gemeubileerd als het huis van mevrouw Vaals, met gehaakte kleedjes op de niet bij elkaar passende stoelen. Het stonk er zelfs ook naar katten.

‘Nou, het is maar voor tijdelijk,’ zei meneer Wemel, die zijn kale kruin afveegde met zijn zakdoek en om de deur van de slaapkamer naar de vier stapelbedden keek. ‘Ik heb deze geleend van Peeters op kantoor. Hij gaat niet vaak meer kamperen, arme stakker. Hij heeft jicht.’

Hij pakte de stoffige fluitketel en keek erin. ‘We hebben water nodig…’

‘Er staat een kraan op de kaart die die Dreuzel ons heeft gegeven,’ zei Ron, die Harry naar binnen was gevolgd en totaal niet onder de indruk leek van de bizarre binnenafmetingen van de tent. ‘Aan de andere kant van het veld.’

‘Nou, gaan jij en Harry en Hermelien dan water halen —’ meneer Wemel gaf ze de ketel en een paar steelpannetjes,’- dan sprokkelen wij hout voor het kampvuur.’

‘Maar er is een oven,’ zei Ron. ‘Waarom kunnen we niet gewoon —’

‘Dreuzelbeveiliging, Ron!’ zei meneer Wemel. Zijn gezicht straalde van verwachting. ‘Als echte Dreuzels kamperen, koken ze altijd buiten op een vuurtje. Ik heb het ze zelf zien doen!’

Na een korte rondleiding door de meisjestent, die ietsje kleiner was dan die van de jongens, maar niet naar katten rook, gingen Harry, Ron en Hermelien op weg naar de kraan met hun ketel en steelpannetjes.

Nu de zon boven de horizon stond en de mist optrok, konden ze de canvas stad zien die zich in alle richtingen uitstrekte. Langzaam liepen ze langs de rijen tenten en keken gretig om zich heen. Pas nu besefte Harry hoeveel heksen en tovenaars er op de wereld waren; hij had nooit echt nagedacht over de magische bevolking van andere landen.

Hun medekampeerders begonnen net wakker te worden. Gezinnen met kleine kinderen waren het vroegst uit de veren; Harry had nog nooit zulke jonge heksen en tovenaars gezien. Een piepklein ventje van hoogstens twee zat gehurkt naast een grote, piramidevormige tent, met een toverstok in zijn hand waarmee hij vrolijk tegen een slak porde in het gras, die langzaam opzwol tot het formaat van een salami. Toen ze op gelijke hoogte waren met het ventje, kwam zijn moeder haastig de tent uit.

‘Hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen, Kevin? Blijf — van — papa’s — toverstok — af — Getver!’

Ze was op de opgezwollen slak gaan staan, die openbarstte. Haar gemopper bleef nog een hele tijd hoorbaar in de windstille ochtendlucht, samen met het gegil van het ventje — ‘Jij slak trap! Jij slak trap!’

Ietsje verder zagen ze twee kleine heksjes, die nauwelijks ouder waren dan Kevin, rondzoeven op speelgoedbezemsteeltjes die zo laag bleven dat de tenen van de meisjes over de toppen van het bedauwde gras streken. Een tovenaar van het Ministerie had de meisjes al gezien; terwijl hij Harry, Ron en Hermelien haastig passeerde mompelde hij geagiteerd: ‘Op klaarlichte dag! Hun ouders slapen zeker uit —’

Hier en daar kropen volwassen heksen en tovenaars uit hun tenten en begonnen aan hun ontbijt. Sommigen keken schichtig om zich heen en toverden gauw een vuurtje tevoorschijn met hun toverstok; anderen streken lucifers af, met nogal zuinige gezichten, alsof ze ervan overtuigd waren dat zoiets nooit kon werken. Drie Afrikaanse tovenaars in lange witte gewaden hielden een ernstig gesprek, terwijl ze een konijn roosterden boven een vuurtje van paarse vlammen en een groepje Amerikaanse heksen van middelbare leeftijd zat lekker te roddelen onder een Amerikaanse vlag die tussen hun tenten was gespannen en die voorzien was van het opschrift: Heksenkring van Salem. Harry hoorde flarden van gesprekken in vreemde talen opklinken uit de tenten die ze passeerden en hoewel hij er geen woord van begreep, klonken de stemmen allemaal even opgewonden.

‘Eh — ligt het aan mijn ogen, of is alles plotseling groen?’ zei Ron.

Het lag niet aan zijn ogen. Ze kwamen langs een groep tenten die zo dichtbegroeid waren met Ierse klavertjes dat het leek alsof er kleine, vreemd gevormde heuveltjes oprezen uit de grond. In de tenten waarvan de flappen open waren, zagen ze grijnzende gezichten. Plotseling hoorden ze iemand hun namen roepen.

‘Harry! Ron! Hermelien!’

Het was Simon Filister, hun medeleerling van Griffoendor, die ook in het vierde jaar zat. Hij zat voor zijn eigen, met klaver begroeide tent, samen met een vrouw met rossig haar die zijn moeder moest zijn en zijn beste vriend Daan Tomas, ook van Griffoendor.

‘Hoe vind je de versieringen?’ zei Simon grijnzend toen Harry, Ron en Hermelien gedag kwamen zeggen. ‘Het Ministerie is er niet echt blij mee.’

‘Ach, waarom zouden we de kleuren van ons land niet mogen laten zien?’ zei mevrouw Filister. ‘Moet je kijken wat de Bulgaren allemaal aan hun tenten hebben hangen. Jullie zijn natuurlijk voor Ierland?’ voegde ze eraan toe, met een doordringende blik op Harry, Ron en Hermelien.

Toen die haar ervan verzekerd hadden dat ze inderdaad supporters van Ierland waren, liepen ze verder. ‘Alsof we iets anders zouden zeggen met al die lui om ons heen,’ zei Ron.

‘Ik ben benieuwd wat de Bulgaren dan allemaal aan hun tenten hebben hangen! zei Hermelien.

‘Laten we even gaan kijken,’ zei Harry en hij wees op een grote groep tenten, een eindje verderop, waar de Bulgaarse vlag, rood, groen en wit, wapperde in de wind.

De Bulgaarse tenten waren niet versierd met planten, maar op elke tent hing dezelfde poster, van een extreem nors gezicht met dikke zwarte wenkbrauwen. De foto kon uiteraard bewegen, maar knipperde alleen met zijn ogen en fronste dreigend zijn voorhoofd.

‘Kruml,’ zei Ron zacht.

‘Wat?’ zei Hermelien.

‘Kruml!’ zei Ron. ‘Viktor Kruml, de Bulgaarse Zoeker!’

‘Hij lijkt me echt een stuk chagrijn!’ zei Hermelien, met een blik op de vele fronsende en knipperende Krumls om hen heen.

‘Een stuk chagrijn?’ Ron sloeg zijn ogen ten hemel. ‘Alsof het iets uitmaakt hoe hij er uitziet! Hij is gewoon ongelooflijk goed. En nog heel jong, achttien of zo. Hij is een genie, dat zul je vanavond wel zien.’

Er stond al een kleine rij bij de kraan in een van de hoeken van het veld. Harry, Ron en Hermelien sloten netjes aan achter twee mannen die een verhitte discussie voerden. Eentje was een stokoude tovenaar in een lang, gebloemd nachthemd en de ander duidelijk een tovenaar van het Ministerie; hij zwaaide met een krijtstreepbroek en huilde haast van frustratie.

‘Doe nou toch aan, Evert, alsjeblieft. Je kunt niet zo blijven rondlopen, die Dreuzel bij de uitgang begint al achterdochtig te worden —’

‘Ik heb dit ding notabene in een Dreuzelwinkel gekocht!’ zei de oude tovenaar koppig. ‘Dit is wat Dreuzels dragen.’

‘Wat Dreuzelvrouwen dragen, Evert, niet de mannen. Die dragen dit soort dingen,’ zei de tovenaar van het Ministerie en hij hield de krijtstreepbroek omhoog.

‘Dat trek ik toch mooi niet aan,’ zei Evert verontwaardigd. ‘Ik hou van een frisse bries in mijn kruis, als je het niet erg vindt.’

Hermelien kreeg na die uitspraak zo’n giechelbui dat ze snel de rij moest verlaten en pas terugkwam toen Evert zijn water had getapt en op de terugweg was naar zijn tent.

Ze liepen een stuk langzamer terug over het kampeerterrein, vanwege het gewicht van het water. Hier en daar zagen ze nog meer bekenden. Olivier Plank, de oude aanvoerder van Harry’s Zwerkbalteam, die dit jaar was afgestudeerd, sleepte Harry mee naar zijn tent om hem aan zijn ouders voor te stellen en vertelde hem opgewonden dat hij net een contract had getekend bij het tweede van Pullover United. Daarna werden ze begroet door Ernst Marsman, een vierdejaars van Huffelpuf en ietsje verderop zagen ze Cho Chang, een heel knap meisje dat Zoeker was van het team van Ravenklauw. Ze zwaaide en glimlachte naar Harry, die een heleboel water over zijn kleren morste toen hij terugzwaaide. Vooral vanwege Rons veelbetekenende grijns, wees Harry haastig op een grote groep jongelui die hij nog nooit eerder had gezien.

‘Wie zouden dat zijn?’ vroeg hij. ‘Die zitten toch niet op Zweinstein?’

‘Waarschijnlijk lui van een of andere buitenlandse school,’ zei Ron. ‘Ik weet dat die er zijn, maar ik heb nog nooit iemand van zo’n school ontmoet. Bill had een correspondentievriend op een school in Brazilië… dat was jaren en jaren geleden… en hij wilde graag een uitwisselingsreis maken, maar dat konden pa en ma niet betalen. Die correspondentievriend was zwaar beledigd toen Bill schreef dat hij niet kon komen en stuurde hem een vervloekte hoed. Toen hij hem opzette, verschrompelden zijn oren.’

Harry lachte, maar zei niets over de verbazing die hij had gevoeld toen hij hoorde dat er nog meer toverscholen waren. Nu hij mensen van zoveel verschillende nationaliteiten op het kampeerterrein zag, besefte hij dat het stom van hem was geweest om er nooit bij stil te staan dat Zweinstein onmogelijk de enige school kon zijn. Hij keek vlug naar Hermelien, die absoluut niet verrast leek door dat nieuwtje. Ongetwijfeld had ze al lang in een of ander boek gelezen dat er nog meer toverscholen bestonden.

‘Nou nou, kon het nog langzamer?’ zei George toen ze eindelijk terug waren bij hun tent.

‘We kwamen een paar bekenden tegen,’ zei Ron, die het water neerzette. ‘Brandt dat vuurtje van jullie nog steeds niet?’

‘Pa heeft problemen met de lucifers,’ zei Fred.

Meneer Wemel was er nog in de verste verte niet in geslaagd om het vuur aan te steken, maar niet omdat hij het niet geprobeerd had.

De grond was bezaaid met versplinterde lucifers, maar desondanks amuseerde hij zich zo te zien kostelijk.

‘Oeps!’ zei hij toen hij er eindelijk in slaagde een lucifer af te strijken en die in zijn verbazing direct weer liet vallen.

‘Laat mij maar even, meneer Wemel,’ zei Hermelien vriendelijk. Ze nam het doosje van hem over en liet hem zien hoe je het moest doen.

Eindelijk wisten ze een vuurtje aan de gang te krijgen, hoewel het nog minstens een uur zou duren voor het heet genoeg was om erop te kunnen koken. Gelukkig waren er genoeg dingen om naar te kijken terwijl ze wachtten. Hun tent bleek precies aan de voornaamste route naar het Zwerkbalveld te staan en er kwamen constant leden van het Ministerie langs, die meneer Wemel in het voorbijgaan hartelijk groetten. Meneer Wemel gaf commentaar, vooral ten behoeve van Harry en Hermelien; zijn eigen kinderen wisten al te veel van het Ministerie om nog echt geïnteresseerd te zijn.

‘Dat was Horus Windgoud, Hoofd van de Kobold-Contactgroep… en daar heb je Max Knelbreuk, van het Comité Experimentele Bezweringen — hij heeft die hoorntjes nu al een tijdje… o, hallo, Henk… Hendrik Vendelier, die is Revalideur — lid van het Traumateam bij Toverongevallen… en daar komen Pais en Vreedeling… twee Verbloemisten…’

‘Twee wat?’

‘Van het Departement van Mystificatie. Allemaal strikt geheim. Ik heb geen idee wat ze uitvoeren…’

Eindelijk was het vuur klaar en ze waren net bezig om eieren en worstjes te bakken toen Bill, Charlie en Percy uit het bos kwamen wandelen.

‘We zijn net Verschijnseld, pa,’ zei Percy luid. ‘Ha, lekker! Eten.’

Ze hadden hun borden met worstjes en eieren half op toen meneer Wemel overeind sprong en wuifde en grijnsde naar een man die met grote passen in hun richting liep. ‘Aha!’ zei hij. ‘Net de man die ik zocht! Ludo!’

Ludo Bazuyn was verreweg de opvallendste figuur die Harry tot dusver gezien had en dan rekende hij Evert in zijn gebloemde nachthemd mee. Bazuyn droeg een lang Zwerkbalgewaad met brede, horizontale strepen in felgeel en zwart. Dwars over zijn borst was een enorme wesp afgebeeld en hij zag eruit als een atletische man die zijn lichaam een beetje had verwaarloosd; zijn gewaad spande strak om een dikke buik die hij vast nog niet had gehad toen hij Zwerkbal speelde voor Engeland. Zijn neus was platgeslagen (waarschijnlijk gebroken door een rondvliegende Beuker, dacht Harry), maar met zijn ronde blauwe ogen, korte blonde haar en gezonde, blozende gezicht leek hij nog steeds een heel erg uit de kluiten gewassen schooljongen.

‘Hallo allemaal!’ riep Bazuyn vrolijk. Hij liep alsof hij springveren onder zijn voetzolen had en hij was duidelijk door het dolle heen van opwinding.

‘Arthur, ouwe jongen!’ hijgde hij toen hij bij hun kampvuurtje was. ‘Wat een dag, hè? Wat een dag! Je zou je geen beter weer kunnen wensen! Vanavond is er ook geen wolkje aan de hemel… en de hele organisatie verloopt bijna vlekkeloos… ik heb eigenlijk niet veel te doen!’

Achter hem kwam een groepje opgejaagde tovenaars van het Ministerie voorbij hollen, druk wijzend op een magisch vuurtje in de verte, waaruit grote lila vonken wel zes meter de lucht in schoten.

Percy stapte gauw met uitgestoken hand op Ludo Bazuyn af. Blijkbaar was zijn afkeuring over de manier waarop die zijn departement leidde ook weer niet zo groot dat hij niet graag een goede indruk op hem wilde maken.

‘O ja,’ zei meneer Wemel grijnzend, ‘dit is m’n zoon Percy — die is net begonnen op het Ministerie — en dit is Fred — nee, George, sorry, dit is Fred — Bill, Charlie, Ron — m’n dochter Ginny en Rons vrienden, Hermelien Griffel en Harry Potter.’

Bazuyn knipperde heel even met zijn ogen toen hij Harry’s naam hoorde en zijn blik flitste op de bekende manier naar het litteken op Harry’s voorhoofd.

‘Jongens,’ zei meneer Wemel, ‘dit is Ludo Bazuyn. Jullie weten wel wie dat is, dankzij hem hebben we zulke goede kaartjes te pakken gekregen —’

Bazuyn glimlachte breed en maakte een bescheiden gebaar, alsof hij zijn hulp wilde wegwuiven.

‘En, zet je ook wat in op de wedstrijd, Arthur?’ vroeg hij gretig en hij rammelde met een zo te horen grote hoeveelheid goud in de zakken van zijn zwart met gele gewaad. ‘Rudy Putters heeft al gewed dat Bulgarije als eerste zal scoren — als hij wint verdient hij goed, want de aanval van Ierland is de sterkste die ik in jaren heb gezien — en die kleine Agaat Tintel heeft haar halve palingkwekerij op een wedstrijd van een week gezet.’

‘O… nou, vooruit,’ zei meneer Wemel. ‘Eens kijken… een Galjoen dat Ierland wint?’

‘Een Galjoen?’ Ludo Bazuyn leek enigszins teleurgesteld, maar herstelde zich snel. ‘Goed, goed… nog meer liefhebbers?’

‘De kinderen zijn nog een beetje te jong om te gokken,’ zei meneer Wemel. ‘Ik denk niet dat Molly het leuk zou vinden als —’

‘We verwedden er zevenendertig Galjoenen, vijftien Sikkels en drie Knoeten om dat Ierland wint — maar dat Viktor Kruml de Snaai bemachtigt,’ zei Fred, terwijl hij en George gauw al hun geld bij elkaar legden. ‘O ja, en we doen er ook nog een fopstok bij.’

‘Meneer Bazuyn is absoluut niet geïnteresseerd in jullie rotzooi —’ siste Percy, maar Bazuyn vond de toverstok blijkbaar helemaal geen rotzooi; integendeel, zijn jongensachtige gezicht glom van opwinding terwijl hij de stok aanpakte van Fred en toen de toverstaf luid tokkend in een rubberkip veranderde, schaterde Bazuyn het uit.

‘Geweldig! Ik heb in geen jaren zo’n levensecht exemplaar gezien! Daar zou ik grif vijf Galjoenen voor neertellen!’

Percy verstijfde, vol verbijsterde afkeuring.

‘Jongens,’ zei meneer Wemel zachtjes, ‘ik wil niet dat jullie gokken… dat is al jullie spaargeld… jullie moeder —’

‘Doe niet zo kinderachtig, Arthur!’ riep Ludo Bazuyn joviaal en hij rammelde opgewonden met het geld in zijn zakken. ‘Ze zijn oud en wijs genoeg om te weten wat ze willen! Dus jullie denken dat Ierland wint, maar dat Kruml de Snaai bemachtigt? Geen schijn van kans, jongens, geen schijn van kans… als jullie winnen, strijken jullie een mooie winst op… en laten we er vijf Galjoenen bijtellen voor die fopstok…’

Meneer Wemel keek hulpeloos toe terwijl Ludo Bazuyn een zakboekje en een ganzenveer tevoorschijn haalde en de namen van de tweeling noteerde.

‘Bedankt,’ zei George, die het stukje perkament van Bazuyn aannam en het in zijn borstzak stopte.

Bazuyn wendde zich opgewekt tot meneer Wemel. ‘Heb je soms een kopje thee voor me? Ik zit op Barto Krenck te wachten. M’n Bulgaarse tegenhanger doet moeilijk en ik begrijp geen woord van wat hij zegt. Barto kan het vast wel oplossen. Hij spreekt zo’n honderdvijftig talen.’

‘Meneer Krenck?’ zei Percy, die zijn ijzige en afkeurende houding liet varen en haast op en neer danste van opwinding. ‘Die spreekt er meer dan tweehonderd! Meermans en Koetervlaams en Trols…’

‘Iedereen kan Trols spreken,’ zei Fred geringschattend. ‘Je hoeft alleen maar te wijzen en te grommen.’

Percy wierp Fred een uiterst onaangename blik toe en pookte het vuur op, om de ketel weer aan de kook te brengen.

‘Heb je al iets van Berta Kriel gehoord, Ludo?’ vroeg meneer Wemel, toen Bazuyn naast hen op het gras ging zitten.

‘Nog helemaal nada,’ zei Bazuyn op zijn gemak. ‘Maar ze komt heus wel weer boven water. Arme ouwe Berta… een geheugen als een lekke ketel en geen greintje richtingsgevoel. Ze is gewoon verdwaald, geloof mij nou maar. Die komt zo rond oktober het kantoor weer binnenstappen, in de overtuiging dat het nog steeds juli is.’

‘Lijkt het je geen tijd worden om iemand naar haar te laten zoeken?’ opperde meneer Wemel aarzelend, terwijl Percy Bazuyn zijn thee gaf.

‘Dat zegt Barto Krenck ook steeds,’ zei Bazuyn, die zijn ronde ogen onschuldig opensperde, ‘maar we kunnen op het moment gewoon niemand missen. O — als je over de duivel spreekt! Barto!’

Er was een tovenaar Verschijnseld naast hun kampvuur die moeilijk een nog groter contrast had kunnen vormen met Ludo Bazuyn, die languit op het gras lag in zijn oude gewaad van de Wasps. Barto Krenck was een stijve, kaarsrechte heer op leeftijd, met een onberispelijk, keurig geperst pak en een stropdas. De scheiding in zijn korte grijze haar was haast onnatuurlijk recht en zijn smalle snorretje leek bijgeknipt langs een liniaal. Zijn schoenen blonken oogverblindend en Harry zag meteen waarom hij Percy’s idool was. Percy was een groot voorstander van het koste wat het kost blind vasthouden aan de regels en meneer Krenck had de regel die Dreuzelkledij voorschreef zo grondig opgevolgd dat hij voor een bankdirecteur had kunnen doorgaan. Harry betwijfelde of zelfs oom Herman hem herkend had voor wat hij werkelijk was.

‘Schuif een pol gras bij, Barto,’ zei Ludo opgewekt en hij klopte op de grond.

‘Nee, dank je, Ludo,’ zei Krenck en er klonk het nodige ongeduld door in zijn stem. ‘Ik was al een tijd naar je op zoek. De Bulgaren staan erop dat we twaalf extra stoelen plaatsen in de Topbox.’

‘O, zaten ze daarover te zeuren?’ zei Bazuyn. ‘Ik dacht dat die kerel een neusharenknippertje wilde lenen. Hij had nogal een sterk accent.’

‘Meneer Krenck!’ zei Percy ademloos en met een soort permanente halve buiging, waardoor het leek alsof hij een bochel had. ‘Wilt u soms een kopje thee?’

‘O,’ zei meneer Krenck, die Percy verbaasd aankeek. ‘Ja — dank je, Wezel.’

Fred en George stikten haast in hun eigen thee en Percy ging met vuurrode oren met de ketel aan de slag.

‘Ik wilde jou trouwens ook nog even spreken, Arthur,’ zei meneer Krenck, toen zijn scherpe blik op meneer Wemel viel. ‘Ali Bobo is op het oorlogspad. Hij wil een hartig woordje met je spreken over je verbod op vliegende tapijten.’

Meneer Wemel slaakte een diepe zucht. ‘Daar heb ik hem vorige week nog een uil over gestuurd. Ik geloof dat ik het wel honderd keer tegen hem gezegd heb: tapijten worden in het Register van Verboden Betoverbare Objecten als Dreuzelvoorwerpen gedefinieerd, maar hij wil gewoon niet luisteren.’

‘Dat verbaast me niets,’ zei meneer Krenck, die een kop thee aannam van Percy. ‘Hij wil dolgraag naar dit land exporteren.’

‘Het lijkt me sterk dat ze hier ooit de bezem zullen verdringen,’ zei Bazuyn.

‘Ali ziet een gat in de markt voor een gezinsvervoermiddel,’ zei meneer Krenck. ‘Ik weet nog dat mijn grootvader een Berber had voor twaalf personen — uiteraard voordat tapijten verboden werden.’

Hij zei het op een toon alsof hij er geen enkele twijfel over wilde laten bestaan dat zijn voorouders zich altijd strikt aan de wet hadden gehouden.

‘En, heb je het druk gehad, Barto?’ zei Bazuyn monter.

‘Behoorlijk druk, ja,’ zei meneer Krenck droogjes. ‘Viavia’s opzetten op vijf continenten gaat je niet in de kouwe kleren zitten, Ludo.’

‘Dus je zult wel blij zijn als het allemaal achter de rug is?’ zei meneer Wemel.

Ludo Bazuyn leek geschokt. ‘Blij! Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zoveel lol heb gehad… maar goed, het is niet zo dat we hierna niets meer hebben om ons op te verheugen, hè Barto? Er valt nog een hoop te organiseren, hè?’

Meneer Krenck keek Bazuyn met opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘We hadden afgesproken dat we met de aankondiging zouden wachten tot alle details —’

‘O, details!’ zei Bazuyn, die het woord wegwuifde alsof het een lastige mug was. ‘Ze hebben toch getekend, of niet soms? Ze kunnen er toch niet meer onderuit? Ik durf te wedden dat deze kinderen het sowieso binnen de kortste keren te horen krijgen. Ik bedoel, het gebeurt op Zweinstein —’

‘Ludo, we moeten nu echt met die Bulgaren gaan praten,’ zei meneer Krenck op scherpe toon en hij kapte de opmerkingen van Bazuyn af. ‘Bedankt voor de thee, Wezel.’

Hij gaf zijn onaangeroerde thee terug aan Percy en wachtte tot Ludo opstond: die krabbelde moeizaam overeind en goot gauw de rest van zijn thee naar binnen, terwijl het goud in zijn zakken vrolijk rinkelde.

‘Tot later!’ zei hij. ‘Jullie zitten samen met mij in de Topbox — ik doe het commentaar!’ Hij zwaaide, Barto Krenck knikte afgemeten en ze Verdwijnselden allebei.

‘Wat gaat er gebeuren op Zweinstein, pa?’ vroeg Fred onmiddellijk. ‘Waar hadden ze het over?’

‘Daar kom je gauw genoeg achter,’ zei meneer Wemel glimlachend.

‘Dat is geheime informatie, tot op het moment dat het Ministerie besluit tot vrijgave,’ zei Percy stijfjes. ‘Meneer Krenck had groot gelijk dat hij het niet wilde verklappen.’

‘O, hou je kop toch, Wezel,’ zei Fred.

Naarmate de middag verstreek, begon op het kampeerterrein een steeds grotere opwinding te heersen, tot het een haast tastbare wolk leek. Tegen de schemering was het of de windstille zomerlucht trilde van verwachting en toen de duisternis zich als een zwart laken uitspreidde over de duizenden wachtende tovenaars, verdwenen ook de laatste restjes geheimhouding: het Ministerie had zich blijkbaar bij het onvermijdelijke neergelegd en trad niet meer op tegen de flagrante tekenen van toverkunst die nu overal opdoken.

Om de paar meter Verschijnselden venters, die dienbladen droegen of karretjes duwden die waren afgeladen met de meest vreemde supportersartikelen. Je had lichtgevende rozetten — groen voor Ierland en rood voor Bulgarije — die met pieperige stemmetjes de namen van de spelers schreeuwden, groene punthoeden die versierd waren met dansende Ierse klavertjes, Bulgaarse sjaals die waren voorzien van leeuwen die echt konden brullen, vlaggen van beide landen die de respectievelijke volksliederen speelden als je ermee zwaaide, piepkleine, vliegende modelletjes van Vuurflitsen en voor de echte verzamelaars poppetjes van befaamde spelers, die arrogant over je handpalm struinden.

‘Hiervoor heb ik de hele zomer m’n zakgeld opgespaard,’ zei Ron tegen Harry, terwijl ze samen met Hermelien langs de stalletjes liepen en souvenirs kochten. Ron schafte zich weliswaar een hoed met dansende klavertjes en een grote groene rozet aan, maar ook een model van Viktor Kruml, de Bulgaarse zoeker. Die mini-Kruml liep over Rons hand heen en weer en schudde met zijn vuist naar de groene rozet boven hem.

‘Wauw, moet je dat zien!’ zei Harry, die haastig naar een kar liep die was afgeladen met dingen die op koperen verrekijkers leken, alleen voorzien van allerlei merkwaardige knoppen en wijzers.

‘Omniscopen,’ zei de tovenaar bij de kar gretig. ‘Je kunt acties herhalen… alles vertragen… en zonodig laten ze je zelfs een worp-voor-worpanalyse van het spel zien. Echt een koopje — tien Galjoenen per stuk.’

‘He, had ik deze nou maar niet gekocht,’ zei Ron, met een gebaar naar zijn dansende klaverhoed. Hij staarde verlekkerd naar de Omniscopen.

‘Drie stuks,’ zei Harry gedecideerd tegen de tovenaar.

‘Nee — dat hoeft echt niet,’ zei Ron, die rood werd. Het feit dat Harry een klein fortuin had geërfd van zijn ouders en veel meer geld had dan hij, lag nogal gevoelig bij hem.

‘Dan krijgen jullie gewoon niks voor kerst,’ zei Harry, terwijl hij een Omniscoop in de hand van Ron en van Hermelien drukte. ‘Zo’n tien jaar lang, bedoel ik.’

‘Nou, oké dan,’ zei Ron grijnzend.

‘Oooo, bedankt, Harry,’ zei Hermelien. ‘Dan koop ik de programmaboeken, kijk —’

Hun geldbuidels waren aanzienlijk lichter toen ze terugkeerden naar hun tent. Bill, Charlie en Ginny waren ook allemaal voorzien van groene rozetten en meneer Wemel droeg een Ierse vlag. Fred en George hadden als enigen geen souvenirs, omdat ze al hun geld aan Bazuyn hadden gegeven.

En toen klonk ergens achter het bos een diepe, galmende gongslag en begonnen er onmiddellijk groene en rode lantaarns te branden tussen de bomen, die de weg naar het veld verlichtten.

‘Het is zover!’ zei meneer Wemel, die even opgewonden leek als de kinderen. ‘Vooruit, laten we gaan!’

Hoofdstuk 8

HET WK ZWERKBAL

Met hun aankopen stevig in de hand en meneer Wemel voorop, haastten ze zich door het bos, over het door lantaarns verlichte pad. Om zich heen hoorden ze duizenden andere mensen lopen, roepen en lachen en vingen ze flarden van liedjes op. Die sfeer van koortsachtige opwinding was heel aanstekelijk; Harry had constant een onbedwingbare grijns op zijn gezicht. Na zo’n twintig minuten lopen, luid pratend en grappen makend, waren ze eindelijk aan de andere kant van het bos en stonden ze plotseling in de schaduw van een gigantisch stadion. Harry kon slechts een fractie van de immense gouden muren zien die het veld omringden, maar hij besefte wel dat er gemakkelijk tien kathedralen in zouden passen.

‘Plaats voor honderdduizend toeschouwers,’ zei meneer Wemel, bij het zien van Harry’s blik van ontzag. ‘Een speciale eenheid van het Ministerie, vijfhonderd man sterk, is er het hele jaar mee bezig geweest. Elke vierkante centimeter wordt beschermd door Dreuzelafstotende spreuken. Als dit jaar Dreuzels ook maar in de buurt van deze plek kwamen, herinnerden ze zich plotseling dat ze een dringende afspraak hadden en snel weer weg moesten… de goedsullen,’ voegde hij er vol genegenheid aan toe en hij ging de anderen voor naar de dichtstbijzijnde ingang, waar zich al een grote drom luidruchtige heksen en tovenaars bevond.

‘Prima plaatsen!’ zei de heks van het Ministerie bij de ingang toen die hun kaartjes afscheurde. ‘De Topbox! De trap op, Arthur, zo hoog als je maar kunt.’

De trappen in het stadion waren met hoogpolig, purperen tapijt bekleed. Ze klommen samen met de rest van de menigte naar boven, maar de andere mensen verdwenen geleidelijk door zijdeuren naar de tribunes links en rechts. Meneer Wemels gezelschap stapte stug door tot ze helemaal boven aan de trap waren, in een kleine box op het hoogste punt van het stadion, precies midden tussen de gouden doelpalen aan weerszijden van het veld. Er stonden twee rijen met purperen pluche beklede stoelen, zo’n twintig in totaal en toen Harry samen met de Wemels naar de voorste rij liep en naar beneden keek, zag hij een tafereel dat hij nooit voor mogelijk had gehouden.

Honderdduizend heksen en tovenaars schuifelden naar hun zitplaatsen, die in rijen boven elkaar oprezen rond het lange, ovalen veld. Alles was doortrokken van een mysterieus gouden licht, dat uit het stadion zelf scheen te komen. Vanuit hun verheven positie leek het veld zo glad als groen fluweel. Aan weerszijden van het veld stonden de drie palen met de doelringen, die ruim vijftien meter hoog waren en recht tegenover hen, bijna op ooghoogte, zag Harry een reusachtig zwart bord. Er gleden steeds gouden letters over, alsof een onzichtbare reuzenhand teksten neerkrabbelde en weer uitwiste; toen Harry wat beter keek, zag hij dat het bord reclameboodschappen door het stadion flitste.

De Hommel, een Bezem voor het Hele Gezin — Veilig, Betrouwbaar en met Ingebouwde Anti-Diefstal Zoemer… Madame Reina’s Magische Multi-vlekkenverwijderaar —. In een Wip Schoon Schip… Voddeleurs Couture, Voor de Modebewuste Magiër- Londen, Parijs, Zweinsveld…

Harry scheurde zijn ogen los van het bord en keek achterom, om te zien wie er verder in de box zat. Die was nog leeg, afgezien van een piepklein wezentje op de een na laatste stoel van de rij achter hen. Het wezentje had zulke korte beentjes dat ze niet verder dan de rand van de stoelzitting kwamen, droeg een theedoek die als een soort toga was omgeslagen en had zijn handen voor zijn gezicht, maar toch kwamen die lange, vleermuisachtige oren Harry merkwaardig bekend voor…

‘Dobby?’ zei Harry ongelovig.

Het wezentje keek op en spreidde zijn vingers, zodat er twee reusachtige bruine ogen zichtbaar werden en een neus die qua vorm en grootte op een forse tomaat leek. Het was Dobby niet — maar wel onmiskenbaar een huis-elf, net zoals Harry’s vriend Dobby was geweest. Harry had Dobby bevrijd uit de klauwen van zijn eigenaars, de familie Malfidus.

‘Noemde meneer me Dobby?’ piepte de elf nieuwsgierig tussen zijn vingers door. De stem van deze elf was nog hoger dan die van Dobby, een heel zacht, trillerig piepstemmetje en Harry vermoedde — hoewel dat moeilijk te zien was bij Huis-elfen — dat dit een vrouwelijk exemplaar was. Ron en Hermelien draaiden zich gauw om en keken ook. Harry had hun veel over Dobby verteld, maar ze hadden hem nooit ontmoet. Zelfs meneer Wemel keek nieuwsgierig om.

‘Sorry,’ zei Harry tegen de elf. ‘Ik dacht dat je iemand was die ik kende.’

‘Maar ik kent Dobby ook, meneer!’ piepte de elf. Ze hield nog steeds haar handen voor haar gezicht, alsof ze verblind werd, hoewel de Topbox niet fel verlicht was. ‘Ik heet Winky, meneer — en u —’ haar donkerbruine ogen werden zo groot als ontbijtbordjes toen ze even op Harry’s litteken bleven rusten ‘- u is vast en zekers Harry Potter!’

‘Ja, dat klopt,’ zei Harry.

‘Dobby heeft het heel vaaks over u, meneer!’ zei ze. Ze liet haar handen een stukje zakken en leek diep onder de indruk.

‘Hoe gaat het met hem?’ vroeg Harry. ‘Geniet hij een beetje van zijn vrijheid?’

‘Ah, meneer,’ zei Winky hoofdschuddend, ‘ah, meneer, ik wilt niet onbeleefd zijn, maar ik is niet zeker of u goed eraan heeft gedaan door Dobby te bevrijden, meneer.’

‘Hoezo?’ vroeg Harry onthutst. ‘Wat is er dan met hem?’

‘Vrijheid is naar Dobby’s hoofd gestegen, meneer,’ zei Winky treurig. ‘Hij krijgt ideeën boven z’n stand. Kan geen werk meer vinden, meneer.’

‘Waarom niet?’ vroeg Harry.

Winky liet haar stem een halve octaaf zakken en fluisterde: ‘Hij’ wilt betaald worden, meneer.’

‘Betaald?’ zei Harry niet-begrijpend. ‘Nou — waarom zou hij niet betaald krijgen?’

Winky was blijkbaar diep geschokt door dat idee en sloot haar vingers een beetje, zodat haar gezicht weer bijna verborgen was.

‘Huis-elfen wordt niet betaald, meneer!’ zei ze met gedempte piepstem. ‘Nee, nee, nee! Ik zegt tegen Dobby, ik zegt, zoek toch een leuke familie en zorgt dat je het naar je zin krijgt! Dobby haalt allerlei rare fratsen uit, meneer, die niet passend zijn voor een huis-elf. Als je je zo blijft aanstellen, Dobby, zegt ik, word je dadelijk nog op het matje geroepen door het Departement van Toezicht op Magische Wezens, als een ordinaire kobold.’

‘Nou, het werd hoog tijd dat hij eens een beetje lol had,’ zei Harry.

‘Huis-elfen hoort geen lol te hebben, Harry Potter,’ zei Winky streng van achter haar handen. ‘Huis-elfen doet wat hun gezegd wordt. Ik heb hele erge hoogtevrees —’ ze keek naar de rand van de box en slikte moeizaam, ‘- maar als mijn meester me stuurt naar Topbox dan gaat ik.’

‘Waarom heeft hij je hier naartoe gestuurd als hij weet dat je hoogtevrees hebt?’ zei Harry fronsend.

‘Meester — meester wilt dat ik plekje voor hem bezet houd, Harry Potter. Hij heeft het heel druk.’ Winky gebaarde met haar hoofd naar de lege plek naast haar. ‘Winky wou dat ze terug is in de veilige tent van meester, Harry Potter, maar Winky doet wat haar gezegd wordt. Winky is brave huis-elf.’

Ze wierp opnieuw een angstige blik op de rand van de box en bedekte haar ogen weer snel. Harry draaide zich om.

‘Dus dat was een huis-elf?’ mompelde Ron. ‘Rare wezentjes, hè?’

‘Dobby was nog tien keer zo raar,’ zei Harry vol overtuiging.

Ron pakte zijn Omniscoop om hem uit te proberen en staarde naar de menigte aan de andere kant van het stadion.

‘Fantastisch!’ zei hij, terwijl hij aan de Herhalingsknop aan de zijkant draaide. ‘Ik kan die ouwe man daar nog een keer in z’n neus laten peuteren… en nog een keer… en nog een keer…’

Ondertussen bladerde Hermelien gretig haar in fluweel gebonden en met gouden kwastjes versierde programmaboek door.

‘ “De wedstrijd wordt voorafgegaan door een optreden van de teammascottes”,’ las ze voor.

‘O, dat is altijd het bekijken waard,’ zei meneer Wemel. ‘Nationale teams nemen wezens uit hun land mee, weet je, om een kleine show te geven.’

Gedurende het daaropvolgende halfuur stroomde de box geleidelijk vol. Meneer Wemel moest steeds een hand geven aan mensen die duidelijk belangrijke tovenaars waren en Percy sprong zo vaak haastig overeind dat het leek of hij op een egel zat. Toen Cornelis Droebel arriveerde, de Minister van Toverkunst, boog Percy zo diep dat zijn bril van zijn neus gleed en kapot viel. Met een rood hoofd van gene repareerde Percy hem gauw met zijn toverstok en bleef daarna maar zitten, maar wierp wel afgunstige blikken op Harry, die door Cornelis Droebel begroet werd als een oude vriend. Ze hadden elkaar al vaker ontmoet en Droebel gaf Harry een vaderlijke hand, vroeg hoe het met hem ging en stelde hem voor aan de tovenaars die naast hem zaten.

‘Harry Potter, begrijpt u?’ zei hij luid tegen de Bulgaarse Minister, die een schitterend gewaad van zwart fluweel droeg, afgezet met goud en die blijkbaar uitsluitend Bulgaars sprak. ‘Harry Potter… kom, kom, u weet vast wel wie dat is… de jongen die Jeweetwel overleefd heeft… u weet vast wel wie dat is —’

De Bulgaarse tovenaar zag plotseling Harry’s litteken en begon luid te brabbelen en opgewonden te wijzen.

‘Ik wist wel dat we eruit zouden komen,’ zei Droebel vermoeid tegen Harry. ‘Ik heb niet echt een talenknobbel. Voor dit soort dingen heb ik eigenlijk Barto Krenck nodig. Ik zie dat z’n huis-elf een stoel voor hem vrijhoudt… en maar goed ook, want die Bulgaarse gladjakkers proberen de beste plaatsjes in te pikken… aha, en daar hebben we Lucius!’

Harry, Ron en Hermelien draaiden zich snel om. Op de tweede rij, achter meneer Wemel, schuifelden de vroegere eigenaars van Dobby de huis-elf naar drie nog onbezette plaatsen — Draco Malfidus, zijn vader Lucius en een vrouw die waarschijnlijk zijn moeder was.

Harry en Draco Malfidus waren vanaf hun allereerste treinreis naar Zweinstein gezworen vijanden geweest. Draco, een bleke jongen met een spits gezicht en witblond haar, leek veel op zijn vader. Zijn moeder was ook blond en bovendien lang en slank; ze zou er leuk hebben uitgezien als ze niet constant een gezicht had getrokken alsof ze iets smerigs rook.

‘Ah, Droebel,’ zei meneer Malfidus toen hij bij de Minister van Toverkunst was, en hij stak zijn hand uit. ‘Hoe gaat het? Ik geloof niet dat u Narcissa ontmoet heeft, mijn vrouw? Of onze zoon Draco?’

‘Aangenaam, aangenaam,’ zei Droebel glimlachend en buigend naar mevrouw Malfidus. ‘Mag ik u voorstellen aan meneer Oblansk — Obalonsk — meneer — nou ja, de Bulgaarse Minister van Toverkunst. Hij verstaat toch geen woord van wat ik zeg, dus laat die naam maar zitten. Eens kijken — Arthur Wemel ken je waarschijnlijk al?’

Het was een heel gespannen moment. Meneer Wemel en meneer Malfidus keken elkaar aan en Harry herinnerde zich levendig wat er was gebeurd toen ze elkaar de laatste keer ontmoet hadden. Dat was in de boekhandel van Klieder & Vlek geweest en toen hadden ze slaande ruzie gekregen. De kille grijze ogen van meneer Malfidus gleden eerst even over meneer Wemel en toen over de rij stoelen.

‘Lieve hemel, Arthur,’ zei hij zacht. ‘Wat heb je allemaal moeten verkopen om plaatsen in de Topbox te kunnen betalen? Ik had nooit gedacht dat je huis zoveel zou opbrengen.’

Droebel, die niet luisterde, zei: ‘Lucius heeft pas een zeer royale schenking gedaan aan St. Holisto’s Hospitaal voor Magische Ziektes en Zwaktes, Arthur. Hij is hier als mijn gast.’

‘Nou, dat is heel — aardig,’ zei meneer Wemel, met een erg geforceerde glimlach.

De blik van meneer Malfidus rustte nu op Hermelien, die een beetje rood werd, maar vastberaden terugkeek. Harry wist precies waarom meneer Malfidus zo schamper keek. De familie Malfidus ging prat op zijn zuivere tovenaarsbloed; met andere woorden, ze beschouwden iemand zoals Hermelien, die van Dreuzels afstamde, als uitschot. Onder het toeziend oog van de Minister van Toverkunst durfde meneer Malfidus echter niets te zeggen. Hij knikte hatelijk naar meneer Wemel en liep verder. Draco wierp Harry, Ron en Hermelien een verachtelijke blik toe en ging toen tussen zijn vader en moeder zitten.

‘Stelletje gluiperige etterbakken!’ mompelde Ron terwijl hij, Harry en Hermelien hun aandacht weer op het veld richtten. Een tel later kwam Ludo Bazuyn de box binnenstormen.

‘Is iedereen zover?’ zei hij en zijn ronde gezicht glom als een grote, opgewonden Edammer kaas. ‘Bent u er klaar voor, minister?’

‘Als jij dat ook bent, Ludo,’ zei Droebel kalm.

Ludo griste zijn toverstok uit zijn zak, wees daarmee op zijn eigen keel en zei: ‘Sonorus!’ Toen hij het woord nam, klonk zijn stem boven al het rumoer en geroezemoes op de eivolle tribunes uit en drong galmend door tot in de kleinste uithoeken van het stadion. ‘Dames en heren…. welkom! Welkom bij de finale van het vierhonderd-tweeentwintigste Wereldkampioenschap Zwerkbal!’

De toeschouwers juichten en klapten. Duizenden vlaggen zwaaiden heen en weer en voegden hun door elkaar letterende volksliederen toe aan de herrie. Op het enorme scherm verdween de laatste reclameboodschap (Smekkies in Alle Smaken — Je Weet Niet Wat Je Proeft) en verscheen de tekst BULGARIJE: NUL — IERLAND: NUL.

‘En nu presenteer ik, zonder verdere omhaal… de mascottes van de Bulgaarse ploeg!’

Op de tribunes rechts, die een zee van rood waren, klonk goedkeurend gejuich en gejoel.

‘Ik ben benieuwd wat ze meegebracht hebben,’ zei meneer Wemel, die zich vooroverboog. ‘Aaah!’ Hij zette zijn bril af en poetste die haastig op met de zoom van zijn gewaad. ‘Glamorgana’s’

‘Wat zijn Glamor —’

Maar wel honderd Glamorgana’s betraden het veld en daarmee was Harry’s vraag beantwoord. Glamorgana’s waren vrouwen… de mooiste vrouwen die Harry ooit gezien had… alleen waren ze niet — konden ze niet — menselijk zijn. Dat verbaasde Harry even en hij vroeg zich af wat ze dan wel waren; wat maakte dat hun huid zo helder glansde als de maan, of dat hun witgouden haar achter hen aan golfde zonder een zuchtje wind… maar toen begon de muziek en maakte Harry zich geen zorgen meer over het feit dat ze niet menselijk waren — hij maakte zich trouwens nergens meer zorgen over.

De Glamorgana’s waren gaan dansen en het werd helemaal zalig leeg in Harry’s hoofd. Het enige dat er nog toe deed, was dat hij naar de Glamorgana’s bleef kijken, want als ze ophielden met dansen zouden er vreselijke dingen gebeuren…

De Glamorgana’s begonnen sneller en sneller te dansen en er maalden wilde, vage gedachten door Harry’s versufte geest. Hij wilde graag iets heel erg stoers doen. Vanuit de box naar beneden springen op het veld leek een goed idee… maar zou dat stoer genoeg zijn?

‘Harry, waar ben je in vredesnaam mee bezig?’ zei de stem van Hermelien, die van heel ver leek te komen.

De muziek hield op en Harry knipperde met zijn ogen. Hij was opgestaan en zijn ene been rustte op de rand van de box. Naast hem was Ron verstijfd in een houding alsof hij op het punt stond om van een hoge duikplank te springen.

Woedend geschreeuw galmde door het stadion. De toeschouwers wilden niet dat de Glamorgana’s stopten. Daar was Harry het mee eens; uiteraard stond hij vierkant achter Bulgarije en hij vroeg zich vaag af waarom hij in ’s hemelsnaam die grote groene rozet op zijn borst had gespeld. Ron zat ondertussen verstrooid de klavertjes van zijn hoed te plukken. Met een flauwe glimlach boog meneer Wemel zich naar hem toe en trok de hoed uit zijn handen.

‘Die heb je dadelijk nodig,’ zei hij, ‘zodra Ierland aan de beurt is.’

‘He?’ zei Ron en hij staarde met open mond naar de Glamorgana’s, die nu een lange rij hadden gevormd langs een kant van het veld.

Hermelien klakte luid met haar tong, stak haar hand uit en trok Harry weer terug op zijn stoel. ‘Nou ja!’ zei ze.

‘En nu,’ bulderde de stem van Ludo Bazuyn, ‘graag een hartelijke zwaai van uw toverstokken voor… de mascottes van het Ierse team!’

Even later kwam iets wat op een grote, groen met gouden komeet leek het stadion binnenscheren. Het maakte een rondje langs de tribunes en splitste zich toen in twee kleinere kometen, die naar de doelpalen aan weerszijden van het veld raasden. Plotseling verscheen er een regenboog boven het veld, die de twee bollen van licht met elkaar verbond. De toeschouwers riepen luid ‘ooooo’ en ‘aaaaah’, alsof ze naar een groot vuurwerk keken. De regenboog vervaagde weer, de twee lichtbollen vlogen naar elkaar toe en versmolten en vormden een enorme, glitterende Ierse klaver, die hoog in de lucht oprees en rond begon te zweven boven de tribunes. Het was alsof er een gouden regen uit neerdaalde —

‘Geweldig!’ zei Ron, toen de klaver over hun hoofden vloog en er zware gouden munten uit regenden, die op hun hoofden en stoelen ketsten. Harry staarde met half toegeknepen ogen naar de klaver en zag dat hij in werkelijkheid uit duizenden piepkleine, bebaarde mannetjes met rode vestjes bestond, die allemaal een minuscuul gouden of groen lantaarntje meedroegen.

‘Ierse kabouters!’ riep meneer Wemel, boven het daverende applaus van het publiek uit. Veel toeschouwers vochten nog met elkaar om het goud, of kropen onder hun stoelen om de munten op te rapen.

‘Alsjeblieft!’ schreeuwde Ron blij en hij drukte een vuistvol goudstukken in Harry’s hand. ‘Voor die Omniscoop! Nu moet je lekker toch een kerstcadeau voor me kopen!’

De enorme klaverfiguur loste op, de kabouters zweefden omlaag en gingen aan de andere kant van het veld, recht tegenover de Glamorgana’s, in kleermakerszit op het gras zitten om naar de wedstrijd te kijken.

‘En nu, dames en heren, graag een hartelijk applaus voor — het Zwerkbalteam van Bulgarije! Met als eerste — Dimitrov!’

Een gedaante in vuurrood gewaad, die zo snel vloog dat hij net een rode streep leek, schoot vanuit de laaggelegen spelerstunnel het veld op, onder stormachtige toejuichingen van de Bulgaarse supporters.

‘Ivanova!’

Een tweede speler in vuurrood gewaad spoot het veld op.

‘Zograv! Levski! Vulkanov! Volkov! Ennnnn – Kruml!’

‘Dat is hem, dat is hem!’ schreeuwde Ron, die Kruml volgde met zijn Omniscoop; Harry stelde die van hem ook gauw scherp.

Viktor Kruml was mager en donker, met een tanige huid, een grote haviksneus en dikke zwarte wenkbrauwen. Hij had veel weg van een grote roofvogel en het was moeilijk te geloven dat hij pas achttien was.

‘En nu graag uw applaus voor — het Zwerkbalteam van Ierland!’

brulde Bazuyn. ‘In volgorde — Connolly! Ryan! Troy! Mullet! Moran! Quigley! Ennnnn – Lynch!’

Zeven groene strepen flitsten het veld op; Harry draaide aan het kleine wieltje aan de zijkant van zijn Omniscoop en vertraagde het beeld voldoende om het woord ‘Vuurflits’ te kunnen lezen op hun bezems en te zien dat hun namen in zilverdraad op de rug van hun gewaden geborduurd waren.

‘En als laatste, helemaal vanuit Egypte, de veelgeprezen voorzitter van de Internationale Zwerkbalfederatie en scheidsrechter bij deze wedstrijd: Hassan Moestafa!’

Een kleine, magere tovenaar, volkomen kaal, maar met een snor die kon wedijveren met die van oom Herman en gekleed in een gewaad van zuiver goud, dat paste bij de kleur van het stadion, kwam met grote passen het veld op. Een zilveren fluitje stak onder zijn snor uit en onder zijn ene arm had hij een houten kist en onder de andere zijn bezemsteel. Harry zette de Versnelknop van zijn Omniscoop weer op normaal en keek hoe Moestafa op zijn bezem stapte en de kist open schopte. Er vlogen vier ballen uit: de vuurrode Slurk, de twee zwarte Beukers en (Harry ving er heel even een glimp van op, voor hij bliksemsnel uit het zicht verdween) de minuscule, gevleugelde Gouden Snaai. Moestafa’s fluitje snerpte en ook hij schoot de lucht in, achter de ballen aan.

‘Ennnnn ze zijn WEG!’ schreeuwde Bazuyn. ‘Mullet in balbezit! Troy! Moran! Dimitrov! Terug naar Mullet! Troy! Levski! Moran!’

Het was Zwerkbal zoals Harry het nog nooit eerder had zien spelen. Hij drukte zijn Omniscoop zo hard tegen zijn ogen dat zijn bril in zijn neus sneed. De snelheid van de spelers was ongelooflijk — de Jagers gooiden elkaar de bal zo vlug toe dat Bazuyn alleen tijd had om hun namen te roepen. Harry draaide opnieuw aan het Vertraagwieltje aan de rechterkant van zijn Omniscoop en drukte op de Speluitlegknop die bovenop zat. Onmiddellijk zag hij de wedstrijd in vertraging en flitsten er glitterende paarse letters over de lenzen, terwijl het geschreeuw van het publiek zijn trommelvliezen teisterde.

‘Havikskop Aanvalslinie,’ las hij terwijl de drie Ierse Jagers op de Bulgaren afstormden, dicht opeen, maar met Troy in het midden en iets voor Mullet en Moran uit. ‘Witlov Manoeuvre,’ flitste er over de lenzen toen Troy deed alsof hij omhoogschoot met de Slurk om de Bulgaarse Jager Ivanova mee te lokken en de Slurk snel overgooide naar Moran. Volkov, een van de Bulgaarse Drijvers, haalde met zijn kleine knuppel uit naar een passerende Beuker en sloeg die in het pad van Moran; die moest snel bukken om de Beuker te ontwijken en liet de Slurk vallen; Levski, die net onder haar doorschoot, ving hem op —

TROY SCOORT!’ bulderde Bazuyn en het hele stadion schudde op zijn grondvesten door het applaus en gejuich. ‘Tien-nul voor Ierland!’

‘Wat?’ schreeuwde Harry, die wild om zich heen keek met zijn Omniscoop. ‘Maar Levski is in Slurkbezit!’

‘Harry, als je niet op normale snelheid kijkt, zul je een hoop dingen missen!’ riep Hermelien, die op en neer danste en met haar armen in de lucht zwaaide terwijl Troy een vreugderondje maakte rond het veld. Harry liet zijn Omniscoop snel zakken en zag dat de Ierse kabouters die vanaf de zijlijn hadden toegekeken weer waren opgestegen en opnieuw die glitterende grote klaver hadden gevormd. Aan de andere kant van het veld keken de Glamorgana’s chagrijnig toe.

Harry, die woest op zichzelf was, zette de Versnelknop vlug op normaal toen het spel hervat werd.

Harry had voldoende verstand van Zwerkbal om te zien dat de Ierse Jagers van grote klasse waren. Ze werkten naadloos samen, als een hecht team, en als je zag hoe ze positie kozen, leek het of ze elkaars gedachten konden lezen. De groene rozet op Harry’s borst piepte steeds opgewonden hun namen: ‘Troy — Mullet — Moran!’ Binnen de tien minuten scoorde Ierland nog twee keer, zodat ze op een dertig-nul voorsprong kwamen, en de in het groen gestoken fans deden het stadion trillen van het gejuich en applaus.

De wedstrijd werd nog sneller, maar ook agressiever. Volkov en Vulkanov, de Bulgaarse Drijvers, mepten de Beukers zo hard mogelijk op de Ierse Jagers af en maakten het hun onmogelijk om hun beste manoeuvres uit te voeren; twee keer waren ze gedwongen om hun formatie te verbreken en uiteindelijk wist Ivanova door de Ierse verdediging te zigzaggen, de Wachter, Ryan, te ontwijken en het eerste Bulgaarse doelpunt te scoren.

‘Vingers in je oren!’ brulde meneer Wemel toen de Glamorgana’s begonnen te dansen om de goal te vieren. Harry kneep ook zijn ogen dicht; hij wilde met zijn gedachten bij de wedstrijd blijven. Na een paar tellen waagde hij het erop en keek gauw even naar het veld. De Glamorgana’s waren gestopt met dansen en Bulgarije was weer in Slurkbezit.

‘Dimitrov! Levski! Dimitrov! Ivanova — o, hemel!’ schreeuwde Bazuyn.

Honderdduizend heksen en tovenaars snakten naar adem toen de twee Zoekers, Kruml en Lynch, loodrecht tussen de jagers door omlaag schoten, zo snel dat het leek alsof ze zonder parachute uit een vliegtuig waren gesprongen. Harry volgde hun vrije val met zijn Omniscoop en probeerde tegelijkertijd te ontdekken waar de Snaai was —

‘Ze vallen te pletter!’ gilde Hermelien naast Harry.

Ze had half gelijk — op het allerlaatste moment brak Viktor Kruml zijn duikvlucht af en vloog in een spiraal omhoog, maar Lynch smakte tegen de grond, met een doffe dreun die door het hele stadion te horen was. Vanaf de Ierse tribunes steeg een oorverdovend gekreun op.

‘Stomme idioot!’ steunde meneer Wemel. ‘Dat was een schijnbeweging van Kruml!’

‘En een time-out!’ donderde de stem van Bazuyn, ‘terwijl getrainde toverzorgers haastig het veld opkomen om Aidan Lynch op te lappen!’

‘Het komt wel weer goed met hem, hij is alleen maar geplet!’ zei Charlie geruststellend tegen Ginny, die met een blik vol afschuw over de rand van de box leunde. ‘Dat was natuurlijk precies wat Kruml wilde…’

Harry drukte haastig op de Herhalings- en Speluitlegknoppen van zijn Omniscoop, draaide aan de Versnelknop en hield hem weer voor zijn ogen.

Hij keek hoe Kruml en Lynch opnieuw hun duik maakten, maar nu vertraagd. ‘Spatski-schijnbeweging — gevaarlijke Zoekersmanoeuvre,’ vermeldden de glanzende paarse letters die voor de lenzen langs gleden. Hij zag het van concentratie vertrokken gezicht van Kruml, die op het allerlaatste moment zijn duikvlucht afbrak terwijl Lynch een krater sloeg in het veld en hij begreep het — Kruml had de Snaai helemaal niet gezien, hij had Lynch alleen meegelokt in de hoop dat die hem zou volgen.

Harry had nog nooit iemand zo zien vliegen; Kruml scheen nauwelijks een bezemsteel te gebruiken. Hij gleed zo soepel door de lucht dat het was alsof hij vrij en gewichtloos rondvloog. Harry zette zijn Omniscoop weer op normaal en richtte hem op Kruml. Die cirkelde hoog boven Lynch, die door toverzorgers werd bijgebracht met bekers genezende drank. Harry zoomde nog meer in op Krumls gezicht en zag zijn donkere ogen rondflitsen over het veld, dertig meter lager. Hij benutte de tijd waarin Lynch werd bijgebracht om ongestoord naar de Snaai te zoeken.

Onder luid gejuich van de in het groen gehulde supporters kwam Lynch ten slotte weer overeind, stapte op zijn Vuurflits en steeg op. Zijn herstel scheen Ierland nieuwe moed te geven. Toen Moestafa weer op zijn fluitje blies, trokken hun Jagers ten aanval met een flair die Harry nog niet eerder had gezien.

Na vijftien minuten waarin het spel razendsnel op en neer golfde, had Ierland nog eens tien keer gescoord. Ze stonden nu met honderddertig-tien voor en het spel begon gemener te worden.

Toen Mullet opnieuw op het doel afschoot, met de Slurk stevig onder haar arm, kwam Zograv, de Bulgaarse Wachter, haar tegemoet. Wat er daarna gebeurde, ging zo snel dat Harry het niet kon zien, maar aan de woedende kreten vanaf de Ierse tribunes en het lange, schrille fluitsignaal van Moestafa, hoorde hij dat er een overtreding had plaatsgevonden.

‘Moestafa geeft de Bulgaarse Wachter op z’n donder wegens knoerten — ongeoorloofd gebruik van de ellebogen!’ verkondigde Bazuyn tegen de schreeuwende en joelende menigte. ‘En — ja, hij geeft een strafworp aan Ierland!’

De Ierse kabouters, die als een zwerm woedende, glitterende horzels waren opgestegen toen Mullet die elleboogstoot kreeg, dromden nu samen en vormden de woorden ‘HA HA HA!’ De Glamorgana’s aan de andere kant van het veld sprongen overeind, wierpen woest hun haar in hun nek en begonnen weer te dansen.

De gebroeders Wemel en Harry staken als een man hun vingers in hun oren, maar Hermelien, die daar niet de moeite voor had genomen, rukte al gauw aan Harry’s arm. Hij keek haar aan en ze trok ongeduldig zijn vingers uit zijn oren.

‘Moet je de scheidsrechter zien!’ zei ze giechelend.

Harry keek weer naar het veld. Hassan Moestafa was vlak voor de dansende Glamorgana’s neergestreken en gedroeg zich heel erg vreemd. Hij liet zijn spierballen zien en streek opgewonden over zijn snor.

‘Dat kunnen we echt niet hebben!’ zei Ludo Bazuyn, hoewel hij het zo te horen dolkomisch vond. ‘Kan iemand de scheidsrechter even een klap geven?’

Er kwam een toverzorger aangehold over het veld, met zijn eigen vingers diep in zijn oren gestoken, die Moestafa een harde schop tegen zijn schenen gaf. Moestafa scheen weer bij zijn positieven te komen; door zijn Omniscoop zag Harry dat hij vreselijk opgelaten leek en iets schreeuwde tegen de Glamorgana’s, die waren opgehouden met dansen en er opstandig uitzagen.

‘En als ik me niet heel erg vergis, doet Moestafa nu een poging om de Bulgaarse mascottes van het veld te sturen!’ zei Bazuyn. ‘Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt… o, dit zou wel eens uit de hand kunnen lopen…’

Dat gebeurde ook: de Bulgaarse Drijvers, Volkov en Vulkanov, waren aan weerszijden van Moestafa geland en gingen woedend met hem in discussie. Ze gebaarden furieus naar de kabouters, die vol leedvermaak de woorden ‘HI HI HI!’ hadden gevormd. Moestafa leek echter niet onder de indruk van hun argumenten; hij pookte met zijn vinger in de lucht en droeg de Bulgaren duidelijk op om weer te gaan vliegen. Toen ze dat weigerden, gaf hij twee korte, snerpende fluitjes.

‘Twee strafworpen voor Ierland!’ schreeuwde Bazuyn en het Bulgaarse deel van het publiek krijste van woede. ‘En als ik Volkov of Vulkanov was, zou ik maar gauw op die bezem stappen… ja… daar gaan ze… en Troy neemt de Slurk…’

Het spel werd nu ongehoord woest. De Drijvers van beide partijen traden genadeloos op en vooral Volkov en Vulkanov leek het niets te kunnen schelen of hun knuppels in contact kwamen met Beukers of met tegenstanders, zo wild maaiden ze door de lucht. Dimitrov schoot recht op Moran af, die de Slurk had, en sloeg haar bijna van haar bezem.

‘Overtreding!’ brulden de Ierse supporters, die als een man overeind sprongen, als een groene golf.

‘Overtreding!’ herhaalde de magisch versterkte stem van Ludo Bazuyn. ‘Dimitrov schrepelt Moran — hij vliegt met opzet tegen haar aan — en dat wordt opnieuw een strafworp… ja, daar klinkt het fluitje!’

De Ierse kabouters waren opnieuw opgestegen en vormden nu een reusachtige hand, die een heel erg onbeleefd gebaar maakte naar de Glamorgana’s aan de overkant. Toen die dat zagen, verloren ze hun zelfbeheersing. Ze holden over het veld op de kabouters af en begonnen ze zo te zien met handenvol vuur te bekogelen. Terwijl Harry toekeek door zijn Omniscoop, zag hij dat ze in de verste verte niet mooi meer waren. Integendeel, hun gezichten rekten uit tot scherpe vogelkoppen met wrede snavels en vanuit hun schouders ontvouwden zich plotseling lange, geschubde vleugels —

‘En dat, jongens,’ schreeuwde meneer Wemel boven het tumult van het publiek uit, ‘is waarom je nooit alleen op het uiterlijk moet letten!’

Tovenaars van het Ministerie stroomden het veld op om de Glamorgana’s en kabouters te scheiden, maar met weinig succes; ondertussen viel de veldslag die beneden plaatsvond in het niet bij de strijd die in de lucht werd gevoerd. Harry draaide constant van links naar rechts en staarde door zijn Omniscoop terwijl de Slurk met de snelheid van een kogel van hand verwisselde.

‘Levski — Dimitrov — Moran — Troy — Mullet — Ivanova — opnieuw Moran — Moran — MORAN SCOORT!’

Het gejuich van de Ierse supporters werd overstemd door het gekrijs van de Glamorgana’s, de knallen die opklonken uit de toverstokken van de leden van het Ministerie en het woedende gehuil van de Bulgaren. De wedstrijd ging onmiddellijk verder; nu had Levski de Slurk, nu Dimitrov; Quigley, een van de Ierse Drijvers, haalde met volle kracht uit naar een langs suizende Beuker en sloeg die zo hard mogelijk naar Kruml. Die dook niet op tijd weg en de bal raakte hem vol in het gezicht.

Op de tribunes klonk luid gekreun; het leek of Kruml zijn neus had gebroken en zijn gezicht zat onder het bloed, maar Hassan Moestafa floot niet. Hij was afgeleid en dat kon Harry hem niet kwalijk nemen; een van de Glamorgana’s had een handvol vuur naar hem gegooid en de staart van zijn bezem stond in brand.

Harry wilde dat iemand zou beseffen dat Kruml geblesseerd was; hij was weliswaar voor Ierland, maar Kruml was de meest opwindende speler op het veld. Het was duidelijk dat Ron er net zo over dacht.

‘Time out! Kom op, scheids, zo kan hij niet spelen, moet je hem zien —’

‘Moet je Lynch zien!’ gilde Harry.

De Ierse Zoeker was plotseling aan een duikvlucht begonnen en Harry was ervan overtuigd dat dit geen Spatski-schijnbeweging was, maar ernst…

‘Hij heeft de Snaai gezien!’ schreeuwde Harry. ‘Hij heeft hem gezien! Kijk hem vaart maken!’

De helft van het publiek scheen te beseffen wat er aan de hand was; de Ierse supporters kwamen in een groene golf overeind en moedigden hun Zoeker luidkeels aan… maar Kruml zat hem op de hielen. Harry begreep niet hoe hij nog kon zien waar hij vloog; er dwarrelden druppels bloed achter hem aan, maar hij was al bijna op gelijke hoogte met Lynch terwijl ze allebei weer op de grond afsuisden —

‘Ze storten neer!’ krijste Hermelien.

‘Welnee!’ brulde Ron.

‘Lynch wel!’ gilde Harry.

En hij had gelijk — voor de tweede keer kwam Lynch met een daverende klap op de grond en werd onmiddellijk besprongen door een horde woedende Glamorgana’s.

‘De Snaai, waar is de Snaai?’ brulde Charlie, die ietsje verderop zat.

‘Hij heeft hem — Kruml heeft hem — de wedstrijd is afgelopen!’ schreeuwde Harry.

Kruml, wiens rode gewaad nat was van het bloed uit zijn neus, steeg langzaam weer op, met zijn vuist hoog opgestoken en een gouden schittering in zijn hand.

Boven de hoofden van de menigte flitste het scorebord BULGARIJE: HONDERDZESTIG — IERLAND: HONDERDZEVENTIG, maar men had blijkbaar nog niet door wat er precies gebeurd was. Langzaam, alsof er een enorme jumbojet startte, werd het rumoer onder de Ierse supporters luider en barstten ze in opgetogen gegil en gejoel los.

‘IERLAND WINT!’ schreeuwde Bazuyn, die blijkbaar nogal overdonderd was door het plotselinge einde van de wedstrijd, net als het publiek. ‘KRUML PAKT DE SNAAI — MAAR IERLAND WINT — lieve hemel, ik geloof niet dat iemand dat verwacht had!’

‘Waarom moest hij zo nodig de Snaai pakken?’ brulde Ron, terwijl hij tegelijkertijd op en neer danste en met zijn handen boven zijn hoofd applaudisseerde. ‘Nu was de wedstrijd meteen afgelopen, terwijl Ierland honderdzestig punten voorstond. Wat een idioot!’

‘Hij wist dat ze Ierland nooit meer in konden halen,’ schreeuwde Harry boven het lawaai uit en hij klapte opgetogen. ‘De Ierse Jagers waren gewoon te goed… hij wilde op zijn manier een einde maken aan de wedstrijd…’

‘Dat was wel vreselijk dapper van hem, hè?’ zei Hermelien, die zich vooroverboog om te kunnen zien hoe Kruml landde en hoe een horde mediamagiërs zich met geweld een weg baande door de vechtende kabouters en Glamorgana’s om bij hem te kunnen komen. ‘Hij ligt helemaal in de kreukels…’

Harry keek weer door zijn Omniscoop. Het was moeilijk te zien wat er beneden precies gebeurde, omdat er hele zwermen feestvierende kabouters kriskras over het veld vlogen, maar hij kon nog net de gedaante van Kruml onderscheiden, omringd door mediamagiërs. Hij zag er norser uit dan ooit en weigerde zich te laten verzorgen. Zijn ploeggenoten stonden om hem heen, hoofdschuddend en terneergeslagen, maar ietsje verderop dansten de Ierse spelers opgetogen in een kring, onder een regen van goud die door hun mascottes werd uitgestrooid. Overal in het stadion zwaaiden vlaggen, van alle kanten schetterde het Ierse volkslied en de Glamorgana’s slonken tot hun normale, beeldschone gedaantes, al leken ze nu nogal ontmoedigd en verslagen.

‘Vel, ve hebben ons dapper geveerd,’ zei een sombere stem achter Harry. Hij keek om: het was de Bulgaarse Minister van Toverkunst.

‘Dus u spreekt niet alleen Bulgaars!’ zei Droebel diep verontwaardigd. ‘En u heeft me de hele dag alles in gebarentaal laten doen!’

‘Tja, dat vas ook zo ontzettend grappig,’ zei de Bulgaarse Minister schouderophalend.

‘En terwijl het Ierse team een ereronde maakt, geflankeerd door hun mascottes, wordt de Wereldbeker naar de Topbox gebracht!’ bulderde Bazuyn.

Harry werd verblind door een fel wit schijnsel toen de Topbox plotseling magisch verlicht werd, zodat iedereen in het stadion de uitreiking kon volgen. Toen Harry met half toegeknepen ogen naar de ingang van de box tuurde, zag hij twee hijgende tovenaars aankomen met een gigantische gouden beker, die ze aan Cornelis Droebel overhandigden. Die leek nog steeds gepikeerd omdat hij de hele dag voor niets gebarentaal had gebruikt.

‘En nu graag een daverend applaus voor de dappere verliezers — Bulgarije!’ riep Bazuyn.

De zeven verslagen Bulgaarse spelers liepen de trap op naar de Topbox. De mensen op de tribunes applaudisseerden vol waardering; Harry zag duizenden en nog eens duizenden Omniscooplenzen in hun richting flitsen.

Een voor een schuifelden de Bulgaren tussen de stoelen door de box binnen en Bazuyn riep hun namen om terwijl ze eerst een hand kregen van hun eigen Minister en daarna van Droebel. Kruml, die de laatste in de rij was, zag er niet uit. Hij had twee spectaculaire blauwe ogen en zijn gezicht zat onder het bloed, maar hij had de Snaai nog steeds in zijn hand. Het viel Harry op dat hij op de grond een veel minder zekere indruk maakte: hij had een beetje platvoeten en nogal gebogen schouders. Maar toen de naam van Kruml werd omgeroepen, trakteerde het hele stadion hem op een oorverdovend gejuich.

En toen was de Ierse ploeg aan de beurt. Aidan Lynch werd ondersteund door Moran en Connolly; na die tweede smak scheen hij nog steeds versuft te zijn en zijn ogen stonden wazig. Hij grijnsde echter opgetogen toen Troy en Quigley de beker omhooghielden en het publiek juichte en floot. Harry’s handen waren gevoelloos van het klappen.

Toen het Ierse team de box ten slotte verliet om nog een ererondje te maken op hun bezems (Aidan Lynch achterop bij Connolly, die hij stevig om zijn middel vasthield terwijl hij nog steeds met een nogal verdwaasde grijns voor zich uit staarde), wees Bazuyn met zijn toverstok op zijn keel en mompelde: ‘Quietus’

‘Over deze wedstrijd zal nog jarenlang worden nagepraat,’ zei hij schor. ‘Een totaal onverwachte wending… jammer dat de match niet langer geduurd heeft… o ja… ja, jullie krijgen nog wat van me… hoeveel was het ook alweer?’

Want Fred en George waren over de rugleuning van hun stoelen geklauterd en stonden nu voor Ludo Bazuyn, met een brede grijns en uitgestoken handen.

Hoofdstuk 9

HET DUISTERE TEKEN

Zeg alsjeblieft niet tegen je moeder dat jullie gegokt hebben,’ zei meneer Wemel smekend tegen Fred en George toen ze langzaam de met purperen tapijt beklede trap afdaalden.

‘Geen paniek, pa,’ zei Fred opgetogen. ‘We hebben grote plannen met dit geld, we willen niet dat het in beslag wordt genomen.’

Even leek even alsof meneer Wemel zou vragen wat die grote plannen waren, maar bij nader inzien scheen hij toch maar te besluiten dat hij dat liever niet wilde weten.

Al gauw raakten ze verstrikt in de mensenstromen die het stadion verlieten en over het door lantaarns verlichte pad terugkeerden naar het kampeerterrein. De nachtelijke stilte werd verstoord door luidruchtig gezang en boven hun hoofden vlogen constant Ierse kabouters over, die grinnikend met hun lampjes zwaaiden. Toen ze eindelijk bij hun tent waren, had niemand zin om al naar bed te gaan en gezien de enorme herrie, besloot meneer Wemel om nog een laatste beker chocola te drinken voor ze gingen slapen. Er werd druk nagepraat over de wedstrijd; meneer Wemel had een hele discussie met Charlie over knoerten en pas toen Ginny pardoes aan tafel in slaap viel en een grote plas hete chocola op de grond morste, maakte meneer Wemel een einde aan alle verbale herhalingen en stuurde hij iedereen naar bed. Hermelien en Ginny gingen naar hun eigen tent en Harry en de rest van de Wemels trokken hun pyjama’s aan en klommen in hun stapelbedden. In de verte, aan de andere kant van het kampeerterrein, hoorden ze nog steeds gezang en af en toe een donderende knal.

‘Wat ben ik blij dat ik vannacht geen dienst heb!’ mompelde meneer Wemel slaperig. ‘Stel je voor dat je tegen die Ieren moet zeggen dat ze moeten stoppen met feestvieren.’

Harry, die boven in een stapelbed lag, met Ron onder zich, staarde naar het canvas dak van de tent, keek naar de gloeiende lantaarntjes van af en toe overvliegende kabouters en liet de meest spectaculaire manoeuvres van Kruml nogmaals de revue passeren. Hij popelde om op zijn eigen Vuurflits te stappen en die Spatski-schijnbeweging uit te proberen… om de een of andere reden was Olivier Plank er, zelfs met al zijn wriemelende diagrammen, nooit helemaal in geslaagd om uit te leggen hoe die ging… Harry zag zichzelf in gedachten een Zwerkbalgewaad dragen met zijn naam op zijn rug en hoorde het gejuich van een honderdduizendkoppig publiek toen Ludo Bazuyns stem door het stadion schalde: ‘En daar is… Potter!’

Harry kwam er nooit achter of hij nou echt in slaap was gesukkeld of niet — het zou heel goed kunnen dat zijn fantasieën over vliegen als Kruml waren overgegaan in echte dromen. Hij wist alleen dat hij meneer Wemel plotseling hoorde roepen:

‘Opstaan! Ron — Harry — vooruit, opstaan, dit is dringend!’

Harry ging vlug overeind zitten en zijn kruin raakte het canvas.

‘Tisser?’ mompelde hij.

Hij was zich er vaag van bewust dat er iets mis was. De geluiden op het kampeerterrein waren veranderd. Er werd niet meer gezongen en hij hoorde gegil en rennende voetstappen.

Hij liet zich van het stapelbed glijden en wilde zijn kleren pakken, maar meneer Wemel, die snel zijn spijkerbroek had aangetrokken over zijn pyjama, zei: ‘Geen tijd voor, Harry — pak een jas en ga naar buiten, vlug!’

Harry deed wat hem gezegd werd en haastte zich de tent uit, met Ron op zijn hielen.

In het licht van de weinige kampvuurtjes die nog brandden, zag hij mensen naar het bos rennen, op de vlucht voor iets wat in hun richting kwam, iets wat vreemde lichtflitsen en knallende geluiden voortbracht. In de verte hoorde hij luid gejoel, bulderend gelach en dronken gegil en toen volgde er een felle groene flits, die het hele tafereel verlichtte.

Een grote groep tovenaars, dicht opeengepakt en met hun toverstokken recht omhooggestoken, marcheerde langzaam over het terrein. Harry kneep zijn ogen toe… het was alsof ze geen gezichten hadden… maar toen besefte hij dat ze kappen en maskers droegen. Hoog boven hun hoofden zweefden vier spartelende gedaanten, die gedwongen werden allerlei groteske houdingen aan te nemen. Het was alsof de gemaskerde tovenaars poppenspelers waren en de mensen in de lucht marionetten die vastzaten aan onzichtbare touwtjes die oprezen uit de toverstokken. Twee van de gedaanten waren heel klein.

Er sloten zich nog meer tovenaars bij de marcherende groep aan, tovenaars die lachten en naar de zwevende lichamen wezen. Tenten werden platgetrapt door de aanzwellende menigte en Harry zag een paar keer hoe een tovenaar er eentje opzij blies met zijn toverstaf. Meerdere tenten vlogen in brand. Het gegil werd luider.

De zwevende mensen werden plotseling verlicht toen ze over een brandende tent dreven en Harry herkende meneer Rolvink, de beheerder van het kampeerterrein. De andere drie zouden heel goed zijn vrouw en kinderen kunnen zijn. Een van de marcherende tovenaars keerde mevrouw Rolvink ondersteboven met zijn staf; haar nachthemd viel omlaag en je kon haar volumineuze onderbroek zien; ze probeerde wanhopig haar nachthemd op te trekken terwijl de menigte onder haar juichte en joelde van leedvermaak.

‘Dat is ziek,’ mompelde Ron, die naar het kleinste Dreuzelkind keek dat twintig meter boven de grond rondtolde, met een hoofd dat slap heen en weer bungelde. ‘Dat is echt ziek…’

Hermelien en Ginny kwamen ook haastig aanlopen en deden een jas aan over hun nachthemd. Ze werden gevolgd door meneer Wemel en op hetzelfde moment kwamen Bill, Charlie en Percy de tent uit. Ze waren helemaal aangekleed, hadden hun mouwen opgestroopt en hun toverstok in hun hand.

‘We gaan het Ministerie helpen,’ riep meneer Wemel boven het lawaai uit en hij rolde zijn eigen mouwen op. ‘Maak dat jullie het bos inkomen en blijf bij elkaar! Zodra we dit opgelost hebben, kom ik jullie halen!’

Bill, Charlie en Percy renden op de naderende groep tovenaars af en meneer Wemel sprintte achter hen aan. Vanuit alle richtingen kwamen tovenaars van het Ministerie op de herrieschoppers afhollen. De menigte onder het gezin Rolvink kwam steeds dichterbij.

‘Kom op,’ zei Fred, die Ginny’s hand greep en haar meetrok naar het bos. Harry, Ron, Hermelien en George volgden hen. Aan de bosrand keken ze achterom. De groep onder het gezin Rolvink was groter dan ooit; ze zagen hoe tovenaars van het Ministerie door de menigte probeerden heen te breken om bij de gemaskerde magiërs in het midden te komen, maar dat kostte grote moeite. Zo te zien durfden ze geen spreuken te gebruiken waardoor de Rolvinken zouden kunnen vallen.

De gekleurde lantaarns die het pad naar het stadion hadden verlicht waren gedoofd. Donkere gedaanten stommelden tussen de bomen door; kinderen huilden; angstig geschreeuw en ongeruste stemmen galmden door de kille nachtlucht. Harry werd links en rechts aangestoten door mensen wier gezichten hij niet kon onderscheiden. Opeens slaakte Ron een kreet van pijn.

‘Wat is er?’ zei Hermelien geschrokken en ze bleef zo abrupt staan dat Harry tegen haar opbotste. ‘Ron, waar ben je? O, dit is echt te gek voor woorden – Lumos!’

Ze verlichtte de punt van haar toverstok en richtte de smalle stralenbundel op het pad. Ron lag languit op de grond.

‘Gestruikeld over een boomwortel!’ zei hij nijdig, terwijl hij weer overeind krabbelde.

‘Wat wil je ook, met zulke grote poten?’ zei een lijzige stem vlak achter hen.

Harry, Ron en Hermelien draaiden zich snel om. Draco Malfidus leunde tegen een boom en maakte een zeer ontspannen indruk. Hij had zijn armen over elkaar geslagen en had de onlusten op het kampeerterrein blijkbaar gadegeslagen door een opening tussen de bomen.

Ron zei iets tegen Malfidus waarvan Harry wist dat hij het nooit had durven zeggen als zijn vader erbij was geweest.

‘Wat een taal, Wemel!’ zei Malfidus en zijn bleke ogen glinsterden. ‘Kunnen jullie trouwens niet beter snel doorlopen? Jullie willen toch niet dat ze haar in de smiezen krijgen?’

Hij knikte naar Hermelien en op hetzelfde moment klonk op het kampeerterrein een dreun alsof er een bom was ontploft en werden de bomen even verlicht door een felle groene flits.

‘Wat bedoel je daar nou weer mee?’ zei Hermelien uitdagend.

‘Griffel, ze hebben het op Dreuzels gemunt,’ zei Malfidus. ‘Wil jij ook graag in de lucht zweven, en je onderbroek laten zien? Wacht dan even… ze komen deze kant uit, dan hebben we tenminste iets om te lachen.’

‘Hermelien is een heks!’ snauwde Harry.

‘Als jij het zegt, Potter,’ zei Malfidus met een boosaardige grijns. ‘Als je denkt dat ze geen Modderbloedjes kunnen herkennen, moet je vooral hier blijven.’

‘Let op je woorden, jij!’ schreeuwde Ron. Iedereen wist dat ‘Modderbloedje’ een heel beledigend woord was voor een heks of tovenaar met Dreuzelouders.

‘Laat maar, Ron,’ zei Hermelien vlug en ze greep Ron bij zijn arm toen die een stap in de richting van Malfidus deed.

Achter de bomen klonk de luidste knal die ze tot dusver hadden gehoord. Verschillende mensen gilden.

Malfidus grinnikte zachtjes. ‘Stelletje angsthazen,’ zei hij sloom. ‘Jullie pappie heeft zeker gezegd dat jullie gauw de benen moesten nemen, hè? Wat is hij aan het doen — druk bezig die Dreuzels te redden?’

‘Waar zijn jouw ouders eigenlijk?’ zei Harry, die nu echt kwaad werd. ‘Lopen die soms rond met maskers op?’

Malfidus keek Harry aan en glimlachte nog steeds. ‘Nou… zelfs als dat zo was, zou ik dat niet tegen je zeggen, Potter.’

‘Kom op,’ zei Hermelien, die Malfidus een blik vol walging toewierp. ‘Laten we de anderen gaan zoeken.’

‘Hou dat grote harige hoofd van je uit de vuurlinie, Griffel,’ sneerde Malfidus.

‘Kom op!’ herhaalde Hermelien en ze trok Harry en Ron mee over het pad.

‘Ik wil wedden dat z’n vader bij die gemaskerde lui hoort!’ zei Ron verhit.

‘Nou, met een beetje geluk krijgt het Ministerie hem te pakken!’ zei Hermelien vurig. ‘He, niet te geloven! Waar zijn de anderen?’

Fred, George en Ginny waren nergens te bekennen, hoewel het pad volgepakt was met mensen die allemaal nerveus achteromkeken, in de richting van het kampeerterrein.

Ietsje verderop stond een groepje jongelui in pyjama luidruchtig te discussiëren. Toen ze Harry, Ron en Hermelien zagen, keerde een meisje met dik, krullend haar zich om en zei vlug: ‘Ou est Madame Mallemour? Nous l’avons perdue —

‘Eh — pardon?’ zei Ron.

‘O…’ Het meisje dat hem had aangesproken keerde hen weer de rug toe en toen ze doorliepen hoorden ze haar duidelijk ‘Zwienstien’ zeggen.

‘Beauxbatons,’ mompelde Hermelien.

‘Sorry?’ zei Harry.

‘Dat zijn vast leerlingen van Beauxbatons,’ zei Hermelien. ‘Je weet wel… Beauxbatons Academie voor Toverkunst… daar heb ik over gelezen in Europa: Een Analyse van het Magische Onderwijs.’

‘O… ja… natuurlijk…’ zei Harry.

‘Fred en George kunnen niet ver zijn,’ zei Ron, die zijn toverstok pakte, hem ook verlichtte en over het pad tuurde. Harry zocht in zijn jaszakken naar zijn eigen staf — maar die was nergens te vinden. Het enige dat hij voelde was zijn Omniscoop.

‘O nee! Niet te geloven… ik ben m’n toverstaf kwijt!’

‘Dat meen je toch niet?’

Ron en Hermelien hieven hun eigen stokken zo hoog op dat de smalle stralenbundels wat meer licht verspreidden over de grond en Harry keek om zich heen, maar zijn toverstaf was nergens te bekennen.

‘Misschien ligt hij nog in de tent,’ zei Ron.

‘Of is hij uit je zak gevallen toen we wegrenden,’ zei Hermelien bezorgd.

‘Ja,’ zei Harry, ‘misschien…’

In de toverwereld had hij zijn stok normaal gesproken altijd bij zich en hij voelde zich heel kwetsbaar nu alles zo chaotisch was en hij hem nergens kon vinden.

Ze schrokken zich alledrie te pletter toen ze ietsje verderop een ritselend geluid hoorden. Winky de huis-elf baande zich een weg door het struikgewas, maar ze liep heel raar, alsof een onzichtbare hand haar tegen probeerde te houden.

‘Er zijn slechte tovenaars!’ piepte ze verward, terwijl ze moeite deed om te blijven rennen. ‘Mensen hoog — hoog in de lucht! Winky neemt de benen!’

Ze verdween tussen de bomen aan de overkant van het pad, hijgend en piepend en worstelend tegen de kracht die haar tegenhield.

‘Wat heeft ze?’ zei Ron, die Winky nieuwsgierig nakeek. ‘Waarom kan ze niet gewoon rennen?’

‘Ik denk dat ze geen toestemming heeft van haar eigenaar om zich te verschuilen,’ zei Harry. Hij dacht aan Dobby: iedere keer als die iets had gedaan wat de familie Malfidus niet aanstond, was hij gedwongen geweest zichzelf te slaan.

‘Ik vind dat Huis-elfen echt zwaar onderdrukt worden!’ zei Hermelien verontwaardigd. ‘Het is je reinste slavernij! Ze moest van die meneer Krenck helemaal boven in het stadion zitten, terwijl ze hoogtevrees heeft, en hij heeft haar zo in z’n macht dat ze niet eens weg kan rennen als die lui tenten beginnen plat te branden! Waarom doet niemand daar iets aan?’

‘Nou, die elfen zelf vinden het best,’ zei Ron. ‘Je hebt Winky toch gehoord tijdens de wedstrijd… “Huis-elfen hoort geen lol te hebben”… ze vinden het juist leuk om gekoeioneerd te worden…’

‘Mensen zoals jij houden verrotte en onrechtvaardige systemen in stand, Ron,’ zei Hermelien opgewonden. ‘Alleen omdat jullie te lui zijn om —’

Opnieuw klonk er een luide knal aan de rand van het bos.

‘Zullen we doorlopen?’ zei Ron en Harry zag hem geïrriteerd naar Hermelien kijken. Misschien school er een kern van waarheid in wat Malfidus had gezegd en liep Hermelien inderdaad meer gevaar dan zij. Ze liepen verder terwijl Harry nog steeds in zijn zakken zocht, ook al wist hij dat zijn toverstok daar niet in zat.

Ze volgden het donkere pad dieper het bos in en keken steeds of ze Fred, George en Ginny zagen. Ze passeerden een groepje kakelend lachende kobolden, die bij een grote zak goud stonden die ze ongetwijfeld hadden gewonnen met wedden op de match en die zich niets schenen aan te trekken van het tumult op het kampeerterrein. Weer ietsje verder scheen er plotseling een wazig, zilverachtig licht over het pad en zagen ze op een open plek drie lange, beeldschone Glamorgana’s staan, omringd door een groep gretige jonge tovenaars van wie de een nog harder praatte dan de ander.

‘Ik verdien minstens honderd zakken Galjoenen per jaar!’ riep een van hen. ‘Ik ben Drakendoder bij het Comité voor de Vernietiging van Gevaarlijke Wezens.’

‘Dat lieg je!’ schreeuwde zijn vriend. ‘Je bent bordenwasser in de Lekke Ketel… maar ik ben Vampierjager! Ik heb er al een stuk of negentig te pakken gekregen —’

Een derde jonge tovenaar, wiens puistjes zelfs in het vage, zilveren schijnsel van de Glamorgana’s duidelijk zichtbaar waren, viel de anderen in de rede en riep: ‘En ze staan op ’t punt om mij tot de jongste Minister van Toverkunst ooit te benoemen!’

Harry proestte het uit. Hij herkende de puisterige tovenaar; hij heette Sjaak Stuurman en was conducteur op de Collectebus.

Hij wilde dat tegen Ron zeggen, maar diens gezicht was merkwaardig star geworden en een ogenblik later schreeuwde hij: ‘Heb ik al verteld dat ik een bezemsteel heb uitgevonden waarmee je helemaal tot Jupiter komt?’

‘Nou ja!’ zei Hermelien. Zij en Harry grepen Ron stevig bij zijn armen, draaiden hem om en dwongen hem door te lopen. Tegen de tijd dat de geluiden van de Glamorgana’s en hun bewonderaars waren weggestorven, bevonden ze zich diep in het bos. Ze schenen alleen te zijn; alles was veel stiller.

Harry keek om zich heen. ‘Ik denk dat we hier wel kunnen wachten. Als er iemand aankomt, horen we hem al op een kilometer afstand.’

Hij had dat nauwelijks gezegd of Ludo Bazuyn stapte een paar meter verder achter een boom vandaan.

Zelfs in het flauwe licht van hun twee toverstokken, zag Harry dat Bazuyn een regelrechte gedaanteverwisseling had ondergaan. Hij was niet meer vrolijk en blozend en zijn stappen waren niet veerkrachtig meer. Hij zag er heel bleek en gespannen uit.

‘Wie is daar?’ zei hij, knipperend met zijn ogen in een poging om hun gezichten te onderscheiden. ‘Wat doen jullie hier, helemaal alleen in het bos?’

Ze keken elkaar verbaasd aan.

‘Nou — er is een soort rel aan de gang,’ zei Ron.

Bazuyn staarde hem aan. ‘Wat?’

‘Op het kampeerterrein… een stel idioten heeft een Dreuzelgezin te pakken…’

Bazuyn vloekte luid. ‘Schoften!’ zei hij geagiteerd, en zonder verder nog een woord te zeggen Verdwijnselde hij, met een klein, ploppend geluidje.

‘Onze meneer Bazuyn houdt niet echt de vinger aan de pols, hè?’ zei Hermelien fronsend.

‘Hij was anders wel een fantastische Drijver,’ zei Ron, die hen voorging naar een kleine open plek naast het pad en op een stuk droog gras aan de voet van een boom ging zitten. ‘De Winterpayne Wasps zijn drie keer op rij kampioen geworden toen hij voor ze speelde.’

Hij haalde zijn model van Kruml uit zijn zak, zette het op de grond en keek een tijdje hoe het poppetje rondliep. Net als de echte Kruml had het model een beetje platvoeten en ronde schouders en zoals hij daar rond waggelde, was hij veel minder indrukwekkend dan op zijn bezemsteel. Harry luisterde of hij nog iets hoorde op het kampeerterrein. Alles was stil; misschien was de orde hersteld.

‘Ik hoop dat de anderen ongedeerd zijn,’ zei Hermelien na een tijdje.

‘Ja, natuurlijk,’ zei Ron.

‘Stel je voor dat je vader Lucius Malfidus in z’n kraag grijpt,’ zei Harry, die naast Ron ging zitten en keek hoe het poppetje van Kruml met ingezakte schouders over de afgevallen bladeren kloste. ‘Hij heeft al zo vaak gezegd dat hij hem graag te pakken zou willen nemen.’

‘Dan zou het lachen onze geliefde Draco wel vergaan,’ beaamde Ron.

‘En die arme Dreuzels,’ zei Hermelien nerveus. ‘Stel je voor dat ze die niet meer naar beneden kunnen krijgen.’

‘Vast wel,’ zei Ron geruststellend. ‘Ze verzinnen wel iets.’

‘Maar het is toch gekkenwerk om zoiets te doen als bijna het hele Ministerie van Toverkunst aanwezig is!’ zei Hermelien. ‘Ik bedoel, hoe denken ze daarmee weg te komen? Zouden ze te veel gedronken hebben of zijn ze gewoon —’

Ze deed er abrupt het zwijgen toe en keek over haar schouder. Harry en Ron keken ook vlug om. Het was alsof er iemand wankelend in de richting van hun open plek liep. Ze wachtten en luisterden, maar de hortende voetstappen achter de donkere bomen hielden plotseling halt.

‘Hallo?’ riep Harry.

Stilte. Harry stond op en gluurde achter de boom. Het was te donker om ver te kunnen zien, maar hij had het gevoel dat er iemand net buiten hun gezichtsveld stond.

‘Wie is daar?’ riep hij.

En toen werd de stilte volkomen onverwacht verbroken door een heel andere stem dan alle stemmen die ze tot dusver in het bos hadden gehoord en werd er geen paniekerige kreet geslaakt, maar iets wat op een toverspreuk leek.

‘MORSMORDRE!’

Iets reusachtigs, iets groens en fonkelends, steeg op uit de duisternis waar Harry zo ingespannen naar had getuurd en rees boven de boomtoppen uit.

‘Wat krijgen we — ?’ zei Ron, die verbijsterd opsprong en naar het ding staarde dat opeens verschenen was.

Een fractie van een seconde dacht Harry dat het opnieuw een formatie Ierse kabouters was, maar toen besefte hij dat het een reusachtige schedel was, die uit kleine, smaragdgroene sterretjes leek te bestaan. Uit de mond van de schedel stak een slang, als een soort tong. Terwijl ze toekeken, rees het ding steeds hoger op, fonkelend en glinsterend, in een waas van groenachtige rook, maar toch scherp afgetekend tegen de donkere hemel, als een nieuw sterrenbeeld.

Opeens klonk overal in het bos gegil. Harry begreep niet waarom, maar de enige reden kon de plotselinge verschijning van die schedel zijn, die nu hoog genoeg was opgestegen om het hele bos te verlichten, als een soort lugubere neonreclame. Hij tuurde door het duister, maar zag degene die de schedel had opgeroepen niet.

‘Wie is daar?’ riep hij opnieuw.

‘Vooruit, Harry, kom mee!’ Hermelien had hem bij de achterkant van zijn jas gepakt en probeerde hem mee te sleuren.

‘Wat is er?’ zei Harry, die schrok toen hij haar doodsbleke, angstige gezicht zag.

‘Dat is het Duistere Teken, Harry!’ kreunde Hermelien, die hem uit alle macht probeerde mee te trekken. ‘Het teken van Jeweetwel!’

‘Van Voldemort — ?’

‘Kom op, Harry!’

Harry draaide zich om, Ron pakte haastig zijn mini-Kruml en ze staken vlug de open plek over, maar nog voor ze een paar stappen hadden gedaan, hoorden ze een hoop ploppende geluidjes en verschenen er twintig tovenaars uit het niets, die hen omsingelden.

Harry zag in een oogwenk een ding heel duidelijk: elke tovenaar had zijn toverstaf getrokken en al die toverstokken waren op Ron, Hermelien en hemzelf gericht. Zonder erbij na te denken schreeuwde hij: ‘DUIKEN!’ Hij greep de anderen beet en trok ze tegen de grond.

‘PARALITIS!’ brulden twintig stemmen, er volgde een reeks oogverblindende lichtflitsen en Harry voelde zijn haar wapperen, alsof er een stormwind over de open plek had geraasd. Toen hij zijn hoofd een fractie van een centimeter ophief, zag hij stralen vurig rood licht vanuit de stokken van de tovenaars over hun hoofden schieten, tegen boomstammen ketsen, wegspatten door het duister —

‘Stop!’ schreeuwde een stem die hij herkende. ‘STOP! Dat is mijn zoon!’

Harry’s haar hield op met wapperen en hij tilde zijn hoofd ietsje verder op. De tovenaar voor hem had zijn stok laten zakken. Harry rolde zich om en zag meneer Wemel, die met grote passen op hen afliep. Zo te zien was hij zich doodgeschrokken.

‘Ron — Harry —’ zijn stem klonk trillerig, ‘- Hermelien — is alles goed met jullie?’

‘Uit de weg, Arthur,’ zei een kille, bruuske stem.

Het was meneer Krenck. Hij en de andere tovenaars van het Ministerie kwamen op hen af en Harry stond op. Het gezicht van meneer Krenck stond strak van woede.

‘Wie van jullie heeft dat gedaan?’ snauwde hij en zijn doordringende blik flitste van de een naar de ander. ‘Wie heeft het Duistere Teken opgeroepen?’

‘Dat hebben wij niet gedaan!’ zei Harry, die naar de schedel gebaarde.

‘We hebben helemaal niks gedaan!’ zei Ron, die over zijn elleboog wreef en zijn vader verontwaardigd aankeek. ‘Waarom gingen jullie ons direct te lijf?’

‘Lieg niet, mannetje!’ schreeuwde meneer Krenck, die zijn toverstaf nog steeds op Ron gericht hield. Zijn ogen puilden uit zijn hoofd en hij zag eruit of hij niet helemaal goed snik was. ‘Jullie zijn op heterdaad betrapt op de plaats van de misdaad!’

‘Barto,’ fluisterde een heks met een lange wollen ochtendjas, ‘Barto, het zijn maar kinderen. Die kunnen onmogelijk zoiets —’

‘Waar kwam het Teken vandaan, jongens?’ vroeg meneer Wemel vlug.

‘Daarvandaan,’ zei Hermelien beverig en ze wees naar de plaats waar ze de stem hadden gehoord. ‘Er stond iemand achter de bomen… iemand die iets riep — een toverspreuk —’

‘O, dus ze stonden achter de bomen?’ zei meneer Krenck, die zijn uitpuilende ogen nu op Hermelien richtte. Het ongeloof droop van zijn gezicht. ‘En ze zeiden een toverspreuk? Ja ja. Je weet maar al te goed hoe het Teken wordt opgeroepen, meisje —’

Maar behalve meneer Krenck scheen niet een van de tovenaars van het Ministerie het voor mogelijk te houden dat Harry, Ron of Hermelien de schedel had opgeroepen; integendeel, nadat Hermelien dat gezegd had, hieven ze hun toverstokken vlug weer op en richtten die op de plaats die ze had aangewezen, terwijl ze ingespannen door het duister tuurden.

‘We zijn te laat,’ zei de heks met de wollen ochtendjas hoofdschuddend. ‘Ze zijn allang Verdwijnseld.’

‘Dat denk ik niet,’ zei een tovenaar met een borstelig bruin baardje — Barend Kannewasser, de vader van Carlo. ‘Onze Lamstralen gingen precies tussen die bomen door… je hebt grote kans dat we ze geraakt hebben…’

‘Voorzichtig, Barend!’ zeiden een paar tovenaars waarschuwend toen meneer Kannewasser zijn schouders rechtte, zijn toverstok ophief, kordaat de open plek overstak en in het donker verdween. Hermelien keek met haar hand voor haar mond toe hoe hij door het duister werd opgeslokt.

Een paar tellen later hoorden ze meneer Kannewasser roepen: ‘Ja! We hebben ze! Hier ligt iemand! Buiten westen! Het is — maar- jeetje…’

‘Ligt daar iemand?’ riep meneer Krenck vol ongeloof. ‘Wie? Wie dan?’

Ze hoorden brekende takjes, ritselende bladeren, knerpende voetstappen en toen kwam meneer Kannewasser achter de bomen vandaan. Hij droeg een kleine, slappe gedaante in zijn armen en Harry herkende de theedoek meteen. Het was Winky.

Meneer Krenck verroerde zich niet en zei niets, terwijl meneer Kannewasser zijn elf aan zijn voeten legde. De andere tovenaars van het Ministerie staarden Krenck aan. Die bleef een paar seconden stokstijf staan, terwijl hij met vuurschietende ogen in zijn doodsbleke gezicht naar Winky staarde en toen scheen hij weer tot leven te komen.

‘Dat — kan — niet — waar — zijn,’ zei hij schokkerig. ‘Nee —’

Hij stapte snel om meneer Kannewasser heen en liep met grote passen naar de plaats waar hij Winky had gevonden.

‘Dat heeft geen zin, meneer Krenck,’ riep Kannewasser hem na. ‘Er is verder niemand.’

Maar Krenck leek niet bereid te zijn hem op zijn woord te geloven. Ze hoorden hem rondlopen en er ritselden bladeren terwijl hij zoekend de struiken opzij duwde.

‘Een beetje gênant,’ zei meneer Kannewasser grimmig en hij staarde naar de bewusteloze Winky. ‘Barto Krencks eigen huis-elf… ik bedoel maar…’

‘Kom nou toch, Barend,’ zei meneer Wemel zacht. ‘Je denkt toch niet echt dat die elf het gedaan heeft? Het Duistere Teken is een symbool dat alleen door tovenaars wordt gebruikt. Je hebt er een toverstok voor nodig.’

‘Klopt,’ zei meneer Kannewasser, ‘maar ze had ook een toverstok.’

‘Wat?’ zei meneer Wemel.

‘Hier, kijk maar.’ Meneer Kannewasser stak een toverstok uit en liet die aan meneer Wemel zien. ‘Ze had hem nog in haar hand. Dus op z’n allerminst heeft ze artikel drie van de Wet op het Toverstokgebruik overtreden. Het is geen enkel niet-menselijk wezen toegestaan een toverstok bij zich te dragen of te gebruiken.’

Op dat moment klonk er opnieuw een ploppend geluid en Verschijnselde Ludo Bazuyn vlak naast meneer Wemel. Hij leek buiten adem en gedesoriënteerd en draaide een paar keer in de rondte, terwijl hij met grote ogen naar de smaragdgroene schedel staarde.

‘Het Duistere Teken!’ hijgde hij en hij ging bijna op Winky staan toen hij zich vragend naar zijn collega’s keerde. ‘Wie heeft dat gedaan? Hebben jullie ze gepakt? Barto? Wat gebeurt er allemaal?’

Meneer Krenck was met lege handen teruggekeerd. Zijn gezicht was nog steeds lijkbleek en zowel zijn dunne snorretje als zijn handen trilden.

‘Waar was je toch, Barto?’ zei Bazuyn. ‘Waarom was je niet bij de wedstrijd? Je elf had nog wel een plaats voor je vrijgehouden — duizend draken en salamanders!’ Bazuyn had Winky zien liggen. ‘Wat is er met haar gebeurd?’

‘Ik heb het druk gehad, Ludo,’ zei meneer Krenck, die nog steeds op dezelfde, schokkerige manier praatte, haast zonder zijn lippen te bewegen. ‘En mijn elf is Verlamd.’

‘Verlamd? Door jullie, bedoel je? Maar waarom —’

Langzaam verscheen er een uitdrukking van begrip op Bazuyns ronde, glimmende gezicht; hij keek eerst naar de schedel, toen naar Winky en vervolgens naar meneer Krenck.

‘Nee!’ zei hij. ‘Winky? Het Duistere Teken opgeroepen? Dat zou ze niet eens kunnen! Om te beginnen zou ze een toverstok nodig hebben.’

‘En die had ze ook,’ zei meneer Kannewasser. ‘Ze had een stok in haar hand toen ik haar vond, Ludo. Als u het goedvindt, lijkt het me dat we maar eens moeten horen wat ze zelf te zeggen heeft, meneer Krenck.’

Krenck gaf geen enkel teken dat hij meneer Kannewasser gehoord had, maar die vatte zijn stilte blijkbaar als toestemming op. Hij richtte zijn eigen toverstok op Winky en zei: ‘Enervauo!’

Winky bewoog zich zwakjes. Ze knipperde een paar keer versuft met haar grote bruine ogen en terwijl de zwijgende tovenaars toekeken, kwam ze trillerig half overeind. Haar blik viel op de voeten van meneer Kannewasser en langzaam en beverig hief ze haar ogen op en keek eerst naar zijn gezicht en toen naar de hemel. Harry zag hoe de zwevende schedel twee keer weerkaatst werd in haar enorme, glazige ogen. Ze snakte naar adem, staarde verwilderd naar het groepje mensen op de open plek en barstte in doodsbang gesnik uit.

‘Elf!’ zei meneer Kannewasser streng. ‘Weet je wie ik ben? Ik ben lid van het Departement van Toezicht op Magische wezens!’

Winky begon heen en weer te wiegen op de grond en haalde met korte, scherpe slootjes adem. Harry moest aan Dobby denken, als die ongehoorzaam was geweest.

‘Zoals je ziet, is het Duistere Teken hier zojuist opgeroepen, elf,’ zei meneer Kannewasser. ‘En jij werd vlak daarna precies onder het Teken aangetroffen. Verklaar je nader!’

‘Ik — ik — ik is niet de dader, meneer!’ bracht Winky moeizaam uit.

‘Ik is niet weten hoe, meneer!’

‘Toen je werd gevonden, had je een toverstok in je hand!’ blafte meneer Kannewasser en hij zwaaide met de stok onder haar neus. Het groene licht van de schedel, dat de open plek bescheen, viel op de toverstok en plotseling herkende Harry hem.

‘He — die is van mij!’ zei hij.

Iedereen keek hem verbluft aan.

‘Pardon?’ zei meneer Kannewasser ongelovig.

‘Dat is mijn toverstok!’ zei Harry. ‘Die was ik kwijt!’

‘Kwijt?’ herhaalde meneer Kannewasser sceptisch. ‘Is dit soms een bekentenis? Heb je je toverstok weggegooid nadat je het Teken had opgeroepen?’

‘Barend, bedenk tegen wie je het hebt!’ zei meneer Wemel woedend. ‘Is het waarschijnlijk dat Harry Potter het Duistere Teken zou oproepen?’

‘Eh — nee, natuurlijk niet,’ mompelde meneer Kannewasser. ‘Sorry… ik liet me even gaan…’

‘Ik heb m’n stok trouwens niet daar laten vallen,’ zei Harry, die met zijn duim naar de bomen onder de schedel wees. ‘Vlak nadat we het bos in waren gegaan was ik hem al kwijt.’

‘Aha,’ zei meneer Kannewasser en zijn blik werd weer strenger toen hij opnieuw naar Winky keek, die trillend aan zijn voeten zat. ‘Dus jij hebt die staf gevonden, hè elf? En toen heb je hem gauw opgeraapt en gedacht, daar kan ik iets leuks mee uithalen?’

‘Ik heeft daar geen toverkunst mee gedaan, heer!’ piepte Winky en de tranen biggelden langs haar grote, platgedrukte neus. ‘Ik heeft… ik heeft… ik heeft hem alleen opgeraapt, heer! Ik heeft niet het Duistere Teken gemaakt, ik niet weten hoe!’

‘Zij was het niet!’ zei Hermelien. Ze leek heel nerveus, maar tegelijk vastberaden, omdat ze Winky moest verdedigen in het bijzijn van al die tovenaars van het Ministerie. ‘Winky heeft een hoog piepstemmetje en de stem die wij hoorden was veel zwaarder!’ Ze zocht steun bij Harry en Ron. ‘Het leek toch niet op de stem van Winky, of wel?’

‘Nee,’ zei Harry hoofdschuddend. ‘Het klonk absoluut niet als een elf.’

‘Nee, het was een mensenstem,’ zei Ron.

‘Nou, daar zullen we gauw achterkomen,’ gromde meneer Kannewasser, die niet erg onder de indruk leek. ‘Er bestaat een eenvoudige manier om te ontdekken welke spreuk het laatst is uitgevoerd met een toverstaf, elf. Wist je dat?’

Winky schudde trillend haar hoofd, met flapperende oren, terwijl meneer Kannewasser zijn eigen toverstok ophief en de punt tegen de punt van Harry’s staf drukte.

‘Prior Incantato!’ riep meneer Kannewasser.

Harry hoorde Hermelien ontzet naar adem snakken toen er een reusachtige schedel met een slangentong tevoorschijn schoot uit het punt waar de twee stokken elkaar raakten, maar het was slechts een schaduw van de groene schedel hoog boven hun hoofd. Hij leek uit dikke grijze rook te bestaan: de schim van een spreuk.

‘Dektrius!’ riep meneer Kannewasser en de schimmige schedel loste op in een dunne rooksliert.

‘Aha!’ zei meneer Kannewasser met een soort woeste triomf en hij staarde naar Winky, die nog steeds schudde en trilde.

‘Ik heeft het niet gedaan!’ piepte ze en haar ogen rolden doodsbang in hun kassen. ‘Ik niet, ik niet, ik niet weten hoe! Ik brave elf, ik geen toverstok gebruiken, ik niet weten hoe!’

‘Je bent op heterdaad betrapt, elf!’ bulderde meneer Kannewasser. ‘Met de rokende toverstok in je hand!’

‘Barend,’ zei meneer Wemel luid, ‘Barend, denk eens na… er zijn al weinig tovenaars die die spreuk kennen… waar zou zij hem dan in vredesnaam geleerd moeten hebben?’

‘Misschien bedoelt meneer Kannewasser dat ik mijn bedienden stelselmatig leer hoe ze het Duistere Teken moeten oproepen?’ zei meneer Krenck, en zijn stem droop van de kille woede.

Er volgde een uiterst pijnlijke stilte.

Barend Kannewasser leek onthutst. ‘Nee, meneer Krenck… na- natuurlijk niet…’

‘Je hebt nu twee keer op het punt gestaan om juist die mensen te beschuldigen van wie het wel het minst waarschijnlijk is dat ze het Duistere Teken zouden oproepen!’ snauwde meneer Krenck. ‘Harry Potter — en ikzelf! Je kent de voorgeschiedenis van die jongen toch, Barend?’

‘Ja, natuurlijk — iedereen kent —’ mompelde meneer Kannewasser, die vreselijk in verlegenheid gebracht leek.

‘En ik mag toch hopen dat je je herinnert dat ik tijdens mijn lange carrière talloze malen heb bewezen dat ik de Duistere Kunsten en hun beoefenaars haat en veracht?’ schreeuwde meneer Krenck en zijn ogen begonnen weer uit te puilen.

‘Meneer Krenck, ik — ik wilde uiteraard niet de indruk wekken dat u er ook maar iets mee te maken had!’ mompelde Barend Kannewasser, die vuurrood werd achter zijn borstelige bruine baardje.

‘Als je mijn elf beschuldigt, beschuldig je mij, Kannewasser!’ riep meneer Krenck. ‘Waar zou ze anders zo’n spreuk geleerd kunnen hebben?’

‘Ze — ze zou hem overal opgepikt kunnen hebben —’

‘Precies, Barend,’ zei meneer Wemel. ‘Ze zou hem overal opgepikt kunnen hebben… Winky?’ zei hij vriendelijk en hij wendde zich tot de elf, maar die dook angstig ineen, alsof meneer Wemel ook tegen haar geschreeuwd had. ‘Waar heb je Harry’s toverstaf gevonden?’

Winky draaide en plukte zo heftig aan de zoom van haar theedoek dat die begon te rafelen.

‘Ik — ik heeft hem gevonden…. ik heeft hem daar gevonden, heer…’ fluisterde ze, ‘daar… tussen de bomen, heer…’

‘Zie je wel, Barend?’ zei meneer Wemel. ‘Degene die het Teken heeft opgeroepen kan heel goed direct daarna Verdwijnseld zijn en Harry’s stok hebben laten liggen. Het was een slimme zet van hem om niet zijn eigen stok te gebruiken, want die zou hem verraden kunnen hebben. En Winky had gewoon de pech dat ze die stok een paar tellen later zag liggen en hem opraapte.’

‘Maar dan moet ze hoogstens een paar meter van de echte dader zijn geweest!’ zei meneer Kannewasser ongeduldig. ‘Elf? Heb je iemand gezien?’

Winky begon nog erger te trillen. Haar reusachtige ogen schoten van meneer Kannewasser naar Ludo Bazuyn en toen naar meneer Krenck.

Ze slikte moeizaam en zei: ‘Ik heeft niemand gezien, heer… niemand…’

‘Barend,’ zei meneer Krenck bruusk, ‘ik besef dat je onder normale omstandigheden Winky mee zou nemen naar je departement, voor verhoor. Ik zou je echter willen verzoeken mij toestemming te geven om de zaak af te handelen.’

Meneer Kannewasser leek absoluut niet blij met die suggestie, maar meneer Krenck was zo’n belangrijk lid van het Ministerie dat hij niet durfde te weigeren.

‘Je kunt ervan verzekerd zijn dat ze gestraft zal worden,’ voegde meneer Krenck er kil aan toe.

‘M-m-meester…’ stamelde Winky en ze staarde met betraande ogen naar meneer Krenck, ‘m-m-meester, a-a-alstublieft…’

Meneer Krenck keek zijn elf aan met een gezicht dat op de een of andere manier scherper leek en waarin elke lijn en groef duidelijk zichtbaar was. Er was geen spoortje mededogen te bekennen in zijn blik. ‘Winky heeft zich vanavond misdragen op een manier die ik niet voor mogelijk had gehouden,’ zei hij langzaam. ‘Ik heb haar opgedragen om in de tent te blijven. Ik heb haar opgedragen daar te blijven terwijl ik me met die relletjes bezighield en nu merk ik dat ze mijn opdracht genegeerd heeft. Dat betekent kleren.’

‘Nee!’ krijste Winky, die zich aan de voeten van meneer Krenck wierp. ‘Nee, meester! Niet de kleren, niet de kleren!’

Harry wist dat je een huis-elf alleen vrij kon maken door hem of haar een echt kledingstuk te geven. Het was zielig om te zien hoe Winky haar theedoek vastklampte terwijl ze snikkend aan de voeten van meneer Krenck lag.

Hermelien kon zich niet langer inhouden. ‘Maar ze was bang!’ zei ze woedend tegen meneer Krenck. ‘Uw elf heeft hoogtevrees en die gemaskerde tovenaars lieten mensen door de lucht zweven! U kunt het haar toch niet kwalijk nemen dat ze probeerde weg te komen?’

Meneer Krenck deed een stap achteruit, zodat Winky hem niet meer kon aanraken. Hij staarde op de elf neer alsof ze iets smerigs en verrots was dat zijn overdreven glimmende schoenen bezoedelde.

‘Ik heb niets aan een ongehoorzame huis-elf,’ zei hij kil, terwijl hij Hermelien aankeek. ‘Ik heb niets aan een bediende die vergeet wat haar meester en de reputatie van haar meester toekomt.’

Winky’s gesnik galmde over de open plek. Er viel een heel onaangename stilte, die werd verbroken toen meneer Wemel kalm zei: ‘Nou, als niemand bezwaar heeft, denk ik dat ik met m’n aanhang terugga naar onze tent. Barend, van die toverstok worden we verder niets wijzer — mag Harry hem terug?’

Meneer Kannewasser gaf de stok aan Harry, die hem in zijn zak deed.

‘Vooruit, jullie,’ zei meneer Wemel zacht, maar Hermelien wilde blijkbaar niet weg; haar ogen waren nog steeds op de snikkende elf gericht. ‘Hermelien!’ zei meneer Wemel dringender. Ze draaide zich om en volgde Harry en Ron, terwijl ze de open plek verlieten en tussen de bomen doorliepen.

‘Wat gaat er met Winky gebeuren?’ vroeg Hermelien zodra ze de open plek achter zich hadden gelaten.

‘Geen idee,’ zei meneer Wemel.

‘Zoals ze haar afbekten!’ zei Hermelien woedend. ‘Meneer Kannewasser die haar constant “elf” noemde… en die Krenck! Hij weet dat ze het niet gedaan heeft, maar toch wil hij haar ontslaan! Het kan hem niks schelen dat ze doodsbang was en nu zo vreselijk van streek — ik vond dat hij haar onmenselijk behandelde!’

‘Nou, ze is ook geen mens,’ zei Ron.

Hermelien reageerde haar woede op hem af. ‘Dat wil nog niet zeggen dat ze geen gevoelens heeft, Ron! Ik vind het gewoon walgelijk zoals —’

‘Hermelien, ik ben het met je eens,’ zei meneer Wemel vlug, terwijl hij gebaarde dat ze door moest lopen, ‘maar dit is niet het juiste moment om over de rechten van de elf te discussiëren. Ik wil zo snel mogelijk terug naar de tent. Wat is er met de anderen gebeurd?’

‘Die zijn we in het donker kwijtgeraakt,’ zei Ron. ‘Pa, waarom schoot iedereen zo in de stress door die schedel?’

‘Dat leg ik allemaal wel uit in de tent,’ zei meneer Wemel gespannen.

Maar toen ze bij het kampeerterrein waren, konden ze niet zomaar doorlopen.

Aan de bosrand had zich een grote groep angstige heksen en tovenaars verzameld en toen ze meneer Wemel zagen, holden ze snel naar hem toe. ‘Wat is er in het bos gebeurd?’ ‘Wie heeft het Teken opgeroepen, Arthur?’ ‘Toch niet — Hij?’

‘Natuurlijk was Hij het niet,’ zei meneer Wemel ongeduldig. ‘We weten niet wie het gedaan heeft. Zo te zien zijn ze direct weer Verdwijnseld. En nu wil ik graag naar bed, als jullie het niet erg vinden.’

Hij loodste Harry, Ron en Hermelien door de menigte heen. Op het kampeerterrein was alles weer rustig; de gemaskerde tovenaars waren nergens meer te bekennen, hoewel verschillende afgebrande tenten nog nasmeulden.

Charlie stak zijn hoofd om de flap van de jongenstent.

‘Wat is er aan de hand, pa?’ riep hij door het donker. ‘Fred, George en Ginny zijn veilig teruggekomen, maar de anderen —’

‘Die zijn hier,’ zei meneer Wemel, die zich bukte en de tent binnenging. Harry, Ron en Hermelien volgden hem.

Bill zat aan de kleine keukentafel en drukte een laken tegen zijn arm, die behoorlijk bloedde. Charlie had een grote scheur in zijn overhemd en Percy een bloedneus. Fred, George en Ginny waren zo te zien ongedeerd, maar leken wel geschokt.

‘Hebben jullie hem te pakken gekregen, pa?’ vroeg Bill op scherpe toon. ‘Degene die het Duistere Teken heeft opgeroepen?’

‘Nee,’ zei meneer Wemel. ‘We hebben alleen de huis-elf van Barto Krenck gevonden. Ze had Harry’s toverstok in haar hand, maar wie het Teken heeft opgeroepen is nog steeds een raadsel.’

‘Wat?’ zeiden Bill, Charlie en Percy in koor.

‘Harry’s toverstok?’ zei Fred.

‘De elf van meneer Krenck?’ zei Percy verbijsterd.

Met enige hulp van Harry, Ron en Hermelien legde meneer Wemel uit wat er in het bos gebeurd was. Toen ze waren uitgesproken, zwol Percy op van verontwaardiging.

‘Nou, meneer Krenck had groot gelijk dat hij die elf meteen de laan uitstuurde!’ zei hij. ‘Weglopen terwijl hij dat uitdrukkelijk verboden had… hem in het bijzijn van het halve Ministerie voor gek zetten… denk je eens in dat ze had moeten voorkomen op het Departement van Toezicht op —’

‘Ze heeft niks gedaan — ze was alleen op het verkeerde moment op de verkeerde plaats!’ snauwde Hermelien tegen Percy, die nogal onthutst leek. Hermelien had altijd vrij goed met Percy kunnen opschieten — beter dan alle anderen.

‘Hermelien, een tovenaar in de positie van meneer Krenck kan het zich niet veroorloven om een huis-elf te hebben die elk moment amok kan maken met een toverstok!’ zei Percy nogal pompeus, toen hij van de verrassing was bekomen.

‘Ze heeft helemaal geen amok gemaakt!’ schreeuwde Hermelien. ‘Ze heeft die stok gewoon opgeraapt!’

‘Kan iemand even vertellen wat die schedel nou eigenlijk moest voorstellen?’ zei Ron ongeduldig. ‘Het deed niemand kwaad… waarom ging iedereen dan door het lint?’

‘Ik zei al dat dat het symbool van Jeweetwel was, Ron,’ zei Hermelien voor iemand anders antwoord kon geven. ‘Dat heb ik gelezen in De Opkomst en Ondergang van de Zwarte Kunst.’

‘En het was al dertien jaar niet meer gezien,’ zei meneer Wemel zacht. ‘Geen wonder dat de mensen in paniek raakten… het was haast of Jeweetwel was teruggekeerd.’

‘Ik snap het nog steeds niet,’ zei Ron fronsend. ‘Ik bedoel… het is en blijft gewoon een vorm in de lucht…’

‘Ron, Jeweetwel en zijn volgelingen lieten het Duistere Teken opstijgen als ze iemand vermoord hadden,’ zei meneer Wemel. ‘De angst die dat veroorzaakte… je bent te jong, daar heb je geen idee van. Stel je voor dat je thuiskomt en dan het Duistere Teken boven je huis ziet zweven en weet wat je binnen zult aantreffen…’ Het gezicht van meneer Wemel vertrok. ‘Dat was de grootste angst van elke tovenaar… de allergrootste angst…’

Er viel een stilte.

Toen haalde Bill het laken van zijn arm om te zien of zijn wond nog bloedde en zei: ‘Nou, vanavond heeft het ons in elk geval geholpen, wie het dan ook heeft opgeroepen. Zodra de Dooddoeners het zagen, namen ze direct de benen. Ze Verdwijnselden helaas voor we dicht genoeg in de buurt konden komen om ze te ontmaskeren, maar we wisten de familie Rolvink gelukkig op te vangen voor ze te pletter sloegen. Op dit moment worden hun geheugens gemodificeerd.’

‘Dooddoeners?’ zei Harry. ‘Wat zijn Dooddoeners?’

‘Zo noemden de volgelingen van Jeweetwel zichzelf,’ zei Bill. ‘Ik denk dat we vanavond de Dooddoeners hebben gezien die er nu nog over zijn — of in elk geval degenen die uit Azkaban hebben weten te blijven.’

‘We kunnen niet bewijzen dat zij het waren, Bill,’ zei meneer Wemel. ‘Al is dat wel waarschijnlijk,’ voegde hij er vertwijfeld aan toe.

‘Ja, dat geloof ik graag!’ zei Ron plotseling. ‘Pa, we kwamen Draco Malfidus tegen in het bos en die liet duidelijk doorschemeren dat z’n vader een van die engerds was met die maskers! En we weten allemaal dat de familie Malfidus heel dik was met Jeweetwel!’

‘Maar waarom lieten volgelingen van Voldemort —’ begon Harry. Iedereen kromp ineen — net als vrijwel alle andere tovenaars probeerden de Wemels de naam van Voldemort nooit uit te spreken. ‘Sorry,’ zei Harry vlug. ‘Waarom lieten de volgelingen van Jeweetwel Dreuzels in de lucht zweven? Wat is daar de lol van?’

‘De lol?’ zei meneer Wemel met een holle lach. ‘Je slaat de spijker op z’n kop, Harry. Toen Jeweetwel aan de macht was, werd de helft van alle moorden op Dreuzels gewoon voor de lol gepleegd. Ik denk dat ze vanavond iets te veel gedronken hadden en de verleiding niet konden weerstaan om ons eraan te herinneren dat er nog heel wat van hun slag vrij rondlopen. Een gezellige kleine reünie, zeg maar,’ voegde hij er walgend aan toe.

‘Maar als het werkelijk Dooddoeners waren, waarom Verdwijnselden ze dan toen ze het Duistere Teken zagen?’ zei Ron. ‘Dan zouden ze toch juist blij moeten zijn geweest om het te zien, of niet?’

‘Gebruik je hersens, Ron,’ zei Bill. ‘Als het echt Dooddoeners waren, hebben die hun uiterste best gedaan om niet in Azkaban te belanden toen Jeweetwel zijn macht verloor en hebben ze allerlei leugens over hem verteld, dat hij hen gedwongen had om mensen te martelen en te vermoorden. Ik wed dat zij nog banger zijn dan normale tovenaars dat Jeweetwel zou kunnen terugkeren. Ze hebben hem verloochend toen hij zijn macht kwijtraakte en zijn gewoon verdergegaan met hun normale leventje… ik denk niet dat hij erg blij met ze zal zijn, jij wel?’

‘Maar… heeft degene die het Duistere Teken heeft opgeroepen…’ zei Hermelien langzaam, ‘… dat nou gedaan om steun te betuigen aan de Dooddoeners, of juist om ze op de vlucht te jagen?’

‘Dat durf ik niet met zekerheid te zeggen, Hermelien,’ zei meneer Wemel. ‘Maar een ding weet ik wel… alleen Dooddoeners weten hoe ze het Teken moeten oproepen. Het zou me heel erg verbazen als de dader vroeger geen Dooddoener is geweest, ook al heeft hij zich later misschien bekeerd… Maar goed, het is heel erg laat en als jullie moeder hoort wat er gebeurd is, maakt ze zich vast vreselijk ongerust. We gaan een paar uurtjes slapen en proberen morgen dan met de vroegst mogelijke Viavia naar huis te gaan.’

Het duizelde Harry toen hij weer in het bovenste stapelbed klom. Hij wist dat hij eigenlijk uitgeput zou moeten zijn; het was tenslotte drie uur ’s ochtends, maar hij voelde zich klaarwakker — klaarwakker en heel erg ongerust.

Drie dagen geleden — het leek veel langer, maar het was slechts drie dagen — was hij wakker geworden omdat zijn litteken pijn deed. En vannacht was voor het eerst in dertien jaar het Teken van Voldemort aan de hemel verschenen. Wat had dat allemaal te betekenen?

Hij dacht aan de brief die hij aan Sirius had geschreven, vlak voor zijn vertrek uit de Ligusterlaan. Zou Sirius die al ontvangen hebben? Wanneer zou hij terugschrijven? Harry staarde naar het tentdoek, maar deze keer verschenen er geen Zwerkbalfantasieën om hem in slaap te sussen en pas een hele tijd nadat het eerste gesnurk van Charlie door de tent had gegalmd, dommelde Harry eindelijk in.

Hoofdstuk 10

MOT OP HET MINISTERIE

Na maar een paar uurtjes slapen werden Harry en de anderen alweer gewekt door meneer Wemel. Hij pakte de tenten in met behulp van toverkracht en ze verlieten zo snel mogelijk het kampeerterrein. Meneer Rolvink stond in de deuropening van zijn huisje toen ze langskwamen. Hij had een rare, versufte blik in zijn ogen en zwaaide hen uit met een vaag: ‘Vrolijk kerstfeest!’

‘Het komt wel weer goed met hem,’ zei meneer Wemel zacht terwijl ze naar het heideveld liepen. ‘Soms zijn mensen een tijdje in de war als hun geheugen gemodificeerd is… en het was ook geen kleinigheidje dat gewist moest worden.’

In de verte hoorden ze opgewonden stemmen en toen ze op de plaats kwamen waar de Viavia’s lagen, zagen ze dat Arnout, de bewaarder van de Viavia’s, omringd werd door een hele drom heksen en tovenaars. Iedereen probeerde schreeuwend en dringend zo snel mogelijk weg te komen van het kampeerterrein. Na een haastig gesprek tussen meneer Wemel en Arnout sloten ze zich aan in de rij en wisten met behulp van een oude autoband terug te keren naar de Druilerige Berg voor de zon goed en wel opgekomen was. In het eerste ochtendlicht liepen ze door het dorpje terug naar Het Nest. Bijna niemand zei iets, omdat iedereen uitgeput was en verlangend aan het ontbijt dacht. Toen ze om de bocht kwamen en Het Nest zagen liggen, galmde er een kreet over het vochtige weggetje.

‘O, godzijdank, godzijdank!’

Mevrouw Wemel, die hen blijkbaar voor het huis had staan opwachten, kwam op haar pantoffels aanrennen. Haar gezicht was bleek en gespannen en ze had een verfrommeld exemplaar van de Ochtendprofeet in haar hand. ‘Arthur — ik was zo ongerust — zo ongerust —’

Ze sloeg haar armen om de nek van meneer Wemel en de Ochtendprofeet gleed uit haar hand en viel op de grond. Harry keek naar de krant en zag de kop: ANGST EN TERREUR TIJDENS WK ZWERKBAL, compleet met een fonkelende zwart-witfoto van het Duistere Teken dat boven de boomtoppen zweefde.

‘Jullie zijn ongedeerd,’ mompelde mevrouw Wemel verward, terwijl ze meneer Wemel losliet en met roodomrande ogen naar de anderen keek. ‘Jullie leven nog… o, jongens…’

Tot ieders verbazing drukte ze Fred en George in zo’n innige omhelzing tegen zich aan dat ze met hun hoofden tegen elkaar sloegen.

‘Au! Ma — we stikken bijna —’

‘Ik heb jullie uitgekafferd!’ zei mevrouw Wemel, die in snikken uitbarstte. ‘Dat is het enige waar ik aan kon denken! Stel dat Jeweetwel jullie vermoord had en dat het laatste dat ik tegen jullie had gezegd was dat jullie niet genoeg S.L.IJ.M.B.A.L.len hadden gehaald? O Fred… George…’

‘Kom kom, Molly, niemand mankeert iets,’ zei meneer Wemel sussend, terwijl hij de tweeling bevrijdde uit haar greep en haar meenam naar het huis. ‘Bill,’ voegde hij er zachtjes aan toe, ‘pak die krant, ik wil weten wat erin staat…’

Toen ze allemaal in het kleine keukentje zaten en Hermelien een kop extra sterke thee had gezet voor mevrouw Wemel, waar meneer Wemel gauw een scheut Oude Klares Jonge Borrel in deed, gaf Bill de krant aan zijn vader. Meneer Wemel liet zijn blik over de voorpagina gaan, terwijl Percy over zijn schouder meelas.

‘Als ik het niet dacht,’ zei meneer Wemel zuchtend. ‘Blunders van het Ministerie… daders niet gearresteerd… gebrekkige veiligheidsmaatregelen… Duistere tovenaars konden ongestoord hun gang gaan… een nationale schande… Wie heeft dat geschreven? O ja… natuurlijk… Rita Pulpers.’

‘Dat mens heeft gewoon de pik op het Ministerie van Toverkunst!’ zei Percy woedend. ‘Vorige week schreef ze nog dat we onze tijd verdoen met gehakketak over de dikte van ketelbodems terwijl we beter alle vampiers zouden kunnen uitroeien! Alsof niet uitdrukkelijk wordt vermeld in paragraaf twaalf lid zeven van de Ministeriele Richtlijn Betreffende de Behandeling van Niet-Magische Deels-Menselijke —’

‘Percy,’ zei Bill geeuwend. ‘Zou je ons allemaal een groot genoegen willen doen en je kop willen houden?’

‘Ik word er ook nog in genoemd,’ zei meneer Wemel, die zijn ogen wijd opensperde achter zijn brillenglazen toen hij bijna bij het einde van het artikel was.

‘Waar?’ sputterde mevrouw Wemel, die zich verslikte in haar thee met jenever. ‘Als ik dat had gelezen, had ik geweten dat je nog leefde!’

‘Niet met naam en toenaam,’ zei meneer Wemel. ‘Maar moet je dit horen: “Als de doodsbange heksen en tovenaars die aan de bosrand ademloos op nieuws wachtten, of hoopten op geruststellende woorden van het Ministerie van Toverkunst, werden ze teleurgesteld. Enige tijd na de verschijning van het Duistere Teken kwam een functionaris van het Ministerie het bos uit, die beweerde dat niemand gewond was, maar weigerde verdere informatie te geven. Of deze verklaring voldoende zal zijn om het gerucht de kop in te drukken dat een uur later verscheidene lichamen uit het bos werden verwijderd, is nog maar de vraag.” Nou ja!’ zei meneer Wemel geërgerd terwijl hij de krant aan Percy gaf. ‘Er was ook niemand gewond. Wat had ik dan moeten zeggen? Het gerucht dat verscheidene lichamen uit het bos werden verwijderd… je kunt er donder op zeggen dat er geruchten zullen zijn, nu dat eenmaal in de krant heeft gestaan.’

Hij slaakte een diepe zucht. ‘Ik ben bang dat ik naar kantoor moet, Molly. Er zal heel wat voor nodig zijn om deze plooien glad te strijken.’

‘Ik ga met u mee, vader,’ zei Percy gewichtig. ‘Meneer Krenck heeft alle hulp nodig die hij gebruiken kan. En dan kan ik hem mijn ketelrapport persoonlijk overhandigen.’

Haastig verliet hij de keuken.

Mevrouw Wemel leek erg van streek. ‘Arthur, dit is je vakantie! Dit heeft niets met jouw afdeling te maken. Dat kunnen ze toch wel zonder jouw hulp af?’

‘Ik moet, Molly,’ zei meneer Wemel. ‘Ik heb de zaak er erger op gemaakt. Ik trek snel m’n gewaad aan en dan vertrek ik…’

‘Mevrouw Wemel,’ zei Harry, die zich niet langer kon inhouden, ‘Hedwig heeft toevallig toch geen brief voor me gebracht, hè?’

‘Hedwig?’ zei mevrouw Wemel verstrooid. ‘Nee… nee, er is helemaal geen post geweest.’

Ron en Hermelien keken Harry nieuwsgierig aan.

Met een veelbetekenende blik zei hij: ‘Is het goed als ik m’n spullen even op je kamer dump, Ron?’

‘Ja… laat ik dat ook maar even doen,’ zei Ron direct. ‘Hermelien?’

‘Ja,’ zei ze vlug en ze verlieten de keuken en liepen de trap op.

‘Wat is er, Harry?’ zei Ron, zodra ze de deur van zijn zolderkamer achter zich dicht hadden gedaan.

‘Iets wat ik nog niet tegen jullie gezegd had,’ zei Harry. ‘Op zaterdagochtend werd ik wakker omdat m’n litteken weer pijn deed.’

Ron en Hermelien reageerden vrijwel exact zoals Harry zich had voorgesteld in zijn slaapkamer aan de Ligusterlaan. Hermelien snakte naar adem, deed allerlei suggesties, raadde een aantal naslagwerken aan en noemde de namen van een hele hoop mensen, van professor Perkamentus tot madame Plijster, de schoolverpleegster van Zweinstein.

Ron leek met stomheid geslagen. ‘Maar — maar — Jeweetwel was er toch niet? Ik bedoel — de laatste keer dat je litteken pijn deed was hij op Zweinstein, nietwaar?’

‘Ik weet zeker dat hij niet in de Ligusterlaan was,’ zei Harry. ‘Maar ik had wel over hem gedroomd… over hem en Peter — je weet wel, Wormstaart. Ik kan het me niet precies meer herinneren, maar ze smeedden plannen om… om iemand te vermoorden.’

Hij had even op het punt gestaan om ‘mij’ te zeggen, maar Hermelien keek al zo angstig en geschokt dat hij dat niet over zijn hart kon verkrijgen.

‘Nou ja, het was maar een droom,’ zei Ron opbeurend. ‘Gewoon een nachtmerrie.’

‘Maar was het dat wel?’ zei Harry, die zich omdraaide en uit het raam keek, naar de lichter wordende hemel. ‘Het is wel merkwaardig, hè?… m’n litteken doet pijn en drie dagen later zijn de Dooddoeners plotseling op oorlogspad en verschijnt het teken van Voldemort aan de hemel.’

‘Zeg — die — naam — niet!’ siste Ron tussen zijn tanden.

‘En weten jullie nog wat professor Zwamdrift heeft gezegd?’ vervolgde Harry, die Ron negeerde. ‘Aan het eind van vorig schooljaar?’

Professor Zwamdrift was hun lerares Waarzeggerij op Zweinstein.

Hermeliens angstige blik verdween en ze lachte schamper. ‘Kom nou toch, Harry! Je laat je toch niet beïnvloeden door die ouwe oplichtster?’

‘Jij was er niet bij,’ zei Harry. ‘Je hebt haar niet gehoord. Die keer was anders. Ze raakte in een trance, dat heb ik al gezegd — een echte trance. En ze zei dat de Heer van het Duister zou herrijzen… machtiger en vreselijker dan ooit tevoren… en dat hij daarin zou slagen omdat zijn dienaar zich weer bij hem zou voegen… en diezelfde nacht ontsnapte Wormstaart.’

Er volgde een stilte, waarin Ron verstrooid aan een gat in zijn Cambridge Cannons-sprei pulkte.

‘Waarom vroeg je of Hedwig post had gebracht, Harry?’ vroeg Hermelien. ‘Verwacht je soms een brief?’

‘Ik heb Sirius over m’n litteken verteld,’ zei Harry schouderophalend. ‘Ik wacht op antwoord.’

‘Goed idee!’ zei Ron, wiens gezicht opklaarde. ‘Sirius weet vast wel wat je moet doen!’

‘Ik had gehoopt dat hij snel terug zou schrijven,’ zei Harry.

‘Maar we weten niet waar Sirius is… wie weet zit hij wel ergens in Afrika of zo,’ zei Hermelien wijs. ‘Zo’n lange reis kan Hedwig nooit in een paar dagen maken.’

‘Nee, dat is zo,’ zei Harry, maar hij had een zwaar, somber gevoel in zijn maag toen hij naar de Hedwigloze lucht keek.

‘Kom op, dan gaan we een potje Zwerkballen in de boomgaard,’ zei Ron. ‘Drie tegen drie. Bill en Charlie en Fred en George doen ook mee… dan kan je die Spatski-schijnbeweging uitproberen…’

‘Ron,’ zei Hermelien op een wat-kunnen-jongens-toch-bot-zijn-toon, ‘Harry heeft nu echt geen zin in Zwerkbal… hij is moe en ongerust… we horen eigenlijk in bed te liggen…’

‘Ja, ik heb best zin in een partijtje,’ zei Harry plotseling. ‘Wacht even, dan haal ik m’n Vuurflits.’

Hermelien stampte de kamer uit en mompelde iets wat verdacht veel leek op: ‘Jongens!’

Meneer Wemel en Percy waren die week maar heel weinig thuis. Ze vertrokken ’s ochtends vroeg, voor de rest van het gezin op was en kwamen ’s avonds pas na etenstijd terug.

‘Het is echt een chaos,’ zei Percy gewichtig, op de zondagavond voor hun terugkeer naar Zweinstein. ‘Ik ben de hele week bezig met brandjes blussen. Mensen sturen alsmaar Brulbrieven en als je die niet direct openmaakt, ontploffen ze. M’n bureau zit onder de schroeiplekken en m’n beste ganzenveer is een hoopje as.’

‘Waarom sturen al die mensen Brulbrieven?’ vroeg Ginny, die op het kleedje voor de haard in de woonkamer lag en haar exemplaar van Duizend Magische Kruiden en Paddestoelen met behulp van Fantastape aan het repareren was.

‘Klachten over de beveiliging tijdens het WK,’ zei Percy. ‘Ze willen compensatie omdat hun spullen vernield zijn. Levenius Lorrebos heeft een claim ingediend voor een twaalfkamertent met bubbelbad, maar dat gaat mooi niet door. Ik weet toevallig dat hij onder een oude mantel op vier stokjes sliep.’

Mevrouw Wemel keek op de staande klok in de hoek. Harry had het altijd een mooie klok gevonden. Hij was waardeloos als je wilde weten hoe laat het was, maar verder heel informatief. Hij had negen gouden wijzers en op elke wijzer was de naam van een van de Wemels gegraveerd. Op de wijzerplaat stonden geen cijfers, maar plaatsen waar de leden van het gezin zich eventueel zouden kunnen bevinden. ‘Thuis’, ‘school’ en ‘werk’ waren een paar van de mogelijkheden, maar ook ‘verdwaald’, ‘ziekenhuis’ en ‘gevangenis’. Op de plaats waar zich normaal gesproken het cijfer twaalf bevond, stond het woordje ‘levensgevaar’.

Acht van de wijzers stonden op dat moment in de ‘thuis’-positie, maar de wijzer van meneer Wemel, die ook meteen de langste was, wees nog op ‘werk’. Mevrouw Wemel zuchtte.

‘Je vader heeft niet meer in het weekend hoeven werken sinds de tijd van Jeweetwel,’ zei ze. ‘Ze beulen hem veel te veel af. Als hij niet gauw thuiskomt, is z’n eten dadelijk helemaal verpieterd.’

‘Nou ja, vader heeft het gevoel dat hij zijn fout tijdens het WK moet goedmaken,’ zei Percy. ‘Eerlijk gezegd was het misschien een tikkeltje onverstandig om uitspraken te doen in het openbaar zonder eerst de goedkeuring te verkrijgen van het Hoofd van het Departement —’

‘Waag het niet om je vader de schuld te geven voor wat dat rotmens van een Pulpers heeft geschreven!’ schoot mevrouw Wemel direct uit haar slof.

‘Als pa niks had gezegd, zou die stomme Rita gewoon hebben geschreven dat het schandalig was dat niemand van het Ministerie bereid was commentaar te geven,’ zei Bill, die zat te schaken met Ron. ‘Rita Pulpers kraakt alleen maar mensen af. Weet je nog dat ze ooit een artikel heeft geschreven over de vloekverbrekers van Goudgrijp en mij toen een “langharige nietsnut” noemde?’

‘Nou, je haar is ook aan de lange kant,’ zei mevrouw Wemel. ‘Als je me nou even —’

‘Nee, ma!’

De regen kletterde tegen de ramen van de woonkamer. Hermelien was verdiept in Het Standaard Spreukenboek, Niveau 4, dat mevrouw Wemel voor haar, Harry en Ron had gekocht op de Wegisweg, Charlie stikte een gat in een brandvrije bivakmuts en Harry poetste zijn Vuurflits op. De Luxe Onderhoudskit voor de Bezem die Hermelien hem op zijn dertiende verjaardag had gegeven, stond naast zijn voeten. Fred en George zaten in de hoek te fluisteren, met hun veren in de aanslag en hun hoofden over een stuk perkament gebogen.

‘Wat voeren jullie in je schild?’ zei mevrouw Wemel scherp en ze keek de tweeling doordringend aan.

‘Huiswerk,’ zei Fred vaag.

‘Doe niet zo idioot. Jullie hebben nog vakantie,’ zei mevrouw Wemel.

‘Ja, we hebben het een beetje lang uitgesteld,’ zei George.

‘Jullie zijn toch geen nieuw bestelformulier aan het maken, hè?’ zei mevrouw Wemel scherpzinnig. ‘Ik hoop niet dat jullie plannen hebben om Tovertweelings Topfopshop nieuw leven in te blazen?’

‘Kom, ma,’ zei Fred, die haar gekwetst aankeek. ‘Stel dat de Zweinsteinexpres morgen uit de rails vliegt en George en ik omkomen? Hoe zou u zich voelen als u wist dat we als laatste woorden een ongegronde beschuldiging van u hadden gehoord?’

Iedereen lachte, zelfs mevrouw Wemel.

‘O, daar heb je je vader!’ zei ze, toen ze weer op de klok keek.

De wijzer van meneer Wemel was plotseling van ‘werk’ versprongen naar ‘op reis’; een paar tellen later stopte hij trillend bij ‘thuis’ en hoorden ze meneer Wemel roepen vanuit de keuken.

‘Ik kom eraan, Arthur!’ riep mevrouw Wemel en ze ging haastig de kamer uit.

Even later kwam meneer Wemel de behaaglijke woonkamer binnen, met zijn eten op een dienblad. Hij maakte een totaal uitgeputte indruk.

‘Nu zijn de poppen pas echt aan het dansen,’ zei hij tegen mevrouw Wemel, terwijl hij in een leunstoel bij de haard ging zitten en niet erg enthousiast in zijn nogal verlepte bloemkool prikte. ‘Rita Pulpers is de hele week aan het wroeten geweest naar nog meer blunders van het Ministerie en nu is ze erachter gekomen dat die arme oude Berta vermist wordt. Ik zie de koppen morgen in de Ochtendprofeet al voor me. Ik heb nog zo tegen Bazuyn gezegd dat hij al tijden geleden iemand erop uit had moeten sturen om haar te zoeken.’

‘Dat zegt meneer Krenck ook al wekenlang,’ zei Percy vlug.

‘Krenck boft dat Rita nog niets over Winky gehoord heeft,’ zei meneer Wemel geërgerd. ‘Als ze wist dat zijn huis-elf betrapt is met de toverstok waarmee het Duistere Teken is opgeroepen, zou de voorpagina van de Profeet minstens een week gevuld zijn.’

‘Ik dacht dat iedereen het erover eens was dat die elf weliswaar onverantwoordelijk is geweest, maar het Teken niet heeft opgeroepen?’ zei Percy verhit.

‘Als je het mij vraagt, mag meneer Krenck van geluk spreken dat niemand van de Ochtendprofeet weet hoe vreselijk hij zijn elfen behandelt!’ zei Hermelien kwaad.

‘Hoor eens, Hermelien,’ zei Percy, ‘een hooggeplaatste functionaris zoals meneer Krenck heeft het recht om onvoorwaardelijke gehoorzaamheid te eisen van zijn bedienden —’

‘Van zijn slaven, bedoel je!’ zei Hermelien schril. ‘Want Winky kreeg niet betaald, of wel?’

‘Misschien kunnen jullie beter naar boven gaan om te kijken of jullie alles hebben ingepakt!’ zei mevrouw Wemel, om een eind aan de ruzie te maken. ‘Vooruit, naar boven…’

Harry pakte zijn Luxe Onderhoudskit weer in, legde zijn Vuurflits over zijn schouder en liep samen met Ron de trap op. Boven in het huis roffelde de regen nog harder en huilde en gierde de wind, om nog maar te zwijgen van de jammerkreten die het spook op de zolder af en toe uitstootte. Koekeroekus begon gelijk te kwetteren en door zijn kooi te zoeven toen ze binnenkwamen. Blijkbaar was hij vreselijk opgewonden door de aanblik van hun half ingepakte hutkoffers.

‘Gooi een paar Uilevellen in z’n kooi,’ zei Ron, die Harry een zakje toewierp. ‘Misschien houdt hij dan z’n snavel.’

Harry duwde een paar Uilevellen door de spijlen en liep naar zijn hutkoffer. Naast zijn koffer stond de kooi van Hedwig, die nog altijd leeg was.

‘Ze is nu al een week weg,’ zei Harry, die naar Hedwigs verlaten stok keek. ‘Zeg Ron, je denkt toch niet dat Sirius gepakt is?’

‘Welnee, dan had het wel in de Ochtendprofeet gestaan,’ zei Ron. ‘Het Ministerie zou dolgraag willen laten weten dat ze in elk geval iemand gearresteerd hadden, of niet?’

‘Ja, dat zal wel…’

‘Alsjeblieft, dit zijn de spullen die ma voor je heeft gekocht op de Wegisweg. En ze heeft wat goud uit je kluis gehaald… en al je sokken gewassen.’

Hij gooide een grote stapel pakjes op Harry’s matras en legde er een geldbuidel en een grote berg sokken naast. Harry begon de nieuwe aankopen uit te pakken. Behalve Het Standaard Spreukenboek, Niveau 4 door Miranda Wiggelaar, had hij een handvol nieuwe ganzenveren, een stuk of twaalf rollen perkament en extra ingrediënten voor zijn toverdrankset — hij had vooral behoefte gehad aan stekel van schorpioenvis en essence van vingerhoedskruid. Hij was net bezig om ondergoed in zijn toverketel te proppen toen Ron een kreet van walging slaakte.

‘Wat moet dat nou weer voorstellen?’

Hij hield iets omhoog wat veel op een lange, kastanjebruine, fluwelen jurk leek, met een nogal schimmelig kantkraagje en bijpassende kanten manchetten.

Er werd op de deur geklopt en mevrouw Wemel kwam binnen, met haar armen vol pasgewassen schoolgewaden.

‘Alsjeblieft,’ zei ze en ze maakte er twee stapeltjes van. ‘En pak ze netjes in, zodat ze niet kreuken.’

‘Ma, u heeft me Ginny’s nieuwe jurk gegeven,’ zei Ron, die het kledingstuk liet zien.

‘Natuurlijk niet,’ zei mevrouw Wemel. ‘Dat is voor jou. Je galagewaad.’

‘M’n wat?’ zei Ron vol afschuw.

‘Je galagewaad!’ herhaalde mevrouw Wemel. ‘Op jullie lijst van school staat dat jullie dit jaar galagewaden moeten hebben, voor ceremoniële gelegenheden.’

‘Dat is toch een geintje, hoop ik?’ zei Ron vol ongeloof. ‘Ik verdom het om zo’n soepjurk te dragen. Vergeet het maar!’

‘Iedereen draagt ze, Ron!’ zei mevrouw Wemel nijdig. ‘Zo zien ze er allemaal uit. Je vader heeft er ook een paar, voor deftige feestjes!’

‘Ik loop nog liever in m’n blote kont dan in dat ding!’ zei Ron koppig.

‘Doe niet zo gek,’ zei mevrouw Wemel. ‘Je moet een galagewaad hebben, dat staat op je lijst! Ik heb er ook een gekocht voor Harry… laat maar zien, Harry…’

Vol bange voorgevoelens maakte Harry het laatste pakje op zijn matras open. Het was gelukkig niet zo erg als hij verwacht had; er zaten geen kanten frutsels aan en het leek in feite veel op zijn normale schoolgewaden, alleen was het flessengroen in plaats van zwart.

‘Ik dacht dat dat mooi bij de kleur van je ogen zou staan,’ zei mevrouw Wemel liefdevol.

‘Nou, dat ding gaat nog!’ zei Ron, met een boze blik op Harry’s gewaad. ‘Waarom heb ik niet zoiets?’

‘Omdat… nou, omdat ik het jouwe tweedehands moest kopen en er niet veel keus was!’ zei mevrouw Wemel, die rood aanliep.

Harry wendde zijn blik af. Hij had graag al het geld in zijn kluis bij Goudgrijp met de Wemels willen delen, maar hij wist dat ze dat nooit zouden aannemen.

‘Ik trek dat achterlijke ding niet aan!’ zei Ron koppig. ‘Nooit!’

‘Nou, mij best!’ snauwde mevrouw Wemel. ‘Loop dan maar naakt rond! En maak alsjeblieft een foto van hem, Harry. Het is tijden geleden dat ik eens lekker gelachen heb!’

Ze ging de kamer uit en trok de deur met een klap achter zich dicht. Achter hen hoorden ze een raar, sputterend geluid en ze zagen dat Koekeroekus bijna stikte in een wat al te grote Uilevel.

‘Waarom krijg ik altijd alleen maar rotzooi?’ zei Ron, die woedend naar de kooi stapte om de snavel van Koekeroekus los te maken.

Hoofdstuk 11

IN DE ZWEINSTEINEXPRES

Toen Harry de volgende ochtend wakker werd, hing er echt een sombere einde-vakantiesfeer. Dikke regendruppels spatten tegen het raam terwijl hij een spijkerbroek en een sweatshirt aanschoot; pas in de Zweinsteinexpres zouden ze hun schoolgewaden aantrekken.

Harry, Ron, Fred en George gingen naar beneden om te ontbijten en waren net op de overloop op de eerste verdieping toen een geagiteerde mevrouw Wemel onder aan de trap verscheen.

‘Arthur!’ riep ze. ‘Arthur! Dringende boodschap van het Ministerie!’

Harry drukte zich gauw tegen de muur toen meneer Wemel de trap kwam afhollen, met zijn gewaad achterstevoren aan. Toen Harry en de anderen de keuken binnenkwamen, zagen ze mevrouw Wemel zenuwachtig in een la rommelen — ‘Ik weet zeker dat hier een ganzenveer lag!’ — terwijl meneer Wemel zich over het haardvuur boog en sprak met — Harry kneep zijn ogen dicht en deed ze weer open, om te controleren of ze wel goed werkten.

Het hoofd van Barend Kannewasser lag in het haardvuur, als een soort groot, bebaard ei. Het praatte heel vlug en scheen totaal geen last te hebben van de rondvliegende vonken of de vlammen die aan zijn oren likten.

‘… Dreuzelburen hoorden knallen en geschreeuw en waarschuwden die — hoe heten ze ook weer? — plisiegenten. Arthur, kom alsjeblieft zo snel mogelijk —’

‘Hier!’ zei mevrouw Wemel buiten adem en ze duwde een stuk perkament, een flesje inkt en een verfomfaaide veer in de handen van meneer Wemel.

‘ — een geluk bij een ongeluk dat ik het ’t eerst hoorde,’ zei het hoofd van meneer Kannewasser. ‘Ik was toevallig vroeg op kantoor omdat ik nog een paar uilen moest versturen en toen gingen die jongens van de Taakeenheid Ongepast Spreukgebruik net op pad — als Rita Pulpers dit te horen krijgt, Arthur —’

‘Wat is er volgens Dwaaloog zelf gebeurd?’ vroeg meneer Wemel, die de dop van de inktfles draaide, zijn veer erin doopte en aanstalten maakte om notities te maken.

Meneer Kannewasser sloeg zijn ogen ten hemel. ‘Hij beweert dat hij een indringer hoorde in de achtertuin. Volgens hem probeerde die naar zijn huis te sluipen, maar werd hij aangevallen door de vuilnisbakken.’

‘Wat deden die vuilnisbakken?’ vroeg meneer Wemel, driftig schrijvend.

‘Ontzettend veel lawaai maken en overal rotzooi rondsmijten, voor zover ik begrepen heb,’ zei meneer Kannewasser. ‘Blijkbaar raasde een van die bakken nog steeds door de tuin toen die plisiegenten kwamen opdagen —’

Meneer Wemel kreunde. ‘En die indringer?’

‘Arthur, je kent Dwaaloog toch?’ zei het hoofd van meneer Kannewasser, dat opnieuw met zijn ogen rolde. ‘Iemand die in het holst van de nacht door zijn achtertuintje sluipt? Kom nou toch. Ik denk eerder dat er ergens een heel erg geschrokken kat rondloopt die onder de aardappelschillen zit. Maar als Ongepast Spreukgebruik Dwaaloog te pakken krijgt, kan hij het schudden — denk aan wat hij allemaal op zijn kerfstok heeft. Nee, we moeten zorgen dat hij er met iets kleins vanaf komt, iets wat onder jouw afdeling valt — wat staat er tegenwoordig op ontploffende vuilnisbakken?’

‘Misschien alleen een waarschuwing,’ zei meneer Wemel met gefronst voorhoofd en nog steeds druk schrijvend. ‘Heeft Dwaaloog z’n toverstok niet gebruikt? Heeft hij echt niemand aangevallen?’

‘Ik wil wedden dat hij direct uit bed is gesprongen en alles vervloekt heeft wat hij door z’n raam kon zien,’ zei meneer Kannewasser. ‘Ze zullen er alleen een hele kluif aan hebben om dat te bewijzen, want er waren geen slachtoffers.’

‘Oke, ik kom eraan,’ zei meneer Wemel. Hij propte het stuk perkament in zijn zak en sprintte de keuken weer uit.

Het hoofd van meneer Kannewasser keek naar mevrouw Wemel.

‘Sorry, Molly,’ zei het hoofd kalm. ‘Dat ik jullie zo vroeg moest lastigvallen en zo… maar Arthur is de enige die Dwaaloog uit de puree kan helpen en Dwaaloog had vandaag eigenlijk met z’n nieuwe baan moeten beginnen. Waarom hij nou perse gisteravond…’

‘Geeft niks, Barend,’ zei mevrouw Wemel. ‘Wil je echt geen stukje brood voor je weggaat?’

‘Nou, vooruit dan maar,’ zei meneer Kannewasser.

Mevrouw Wemel pakte een stukje gesmeerd brood van de stapel op de keukentafel, deed dat in de haardtang en stak het daarmee tussen de tanden van meneer Kannewasser.

‘Bwewankt,’ mompelde die met volle mond en hij verdween met een klein, ploppend geluidje.

Harry hoorde meneer Wemel haastig afscheid nemen van Bill, Charlie, Percy en de meisjes. Nog geen vijf minuten later stond hij weer in de keuken, met nu zijn gewaad op de juiste manier aan en haalde een kam door zijn haar.

‘Ik moet echt gaan — een goed schooljaar, jongens!’ zei meneer Wemel tegen Harry, Ron en de tweeling. Hij gooide een mantel om zijn schouders en maakte aanstalten om te Verdwijnselen. ‘Molly, denk je dat je het alleen afkunt? De kinderen naar het station brengen, bedoel ik?’

‘Ja, natuurlijk,’ zei ze. ‘Zorg jij nou maar voor Dwaaloog, dan komt het hier best goed.’

Net toen meneer Wemel verdween, kwamen Bill en Charlie de keuken binnen.

‘Hoorde ik iemand Dwaaloog zeggen?’ vroeg Bill. ‘Wat heeft hij nu weer uitgespookt?’

‘Hij beweert dat gisternacht iemand bij hem probeerde in te breken,’ zei mevrouw Wemel.

‘Dwaaloog Dolleman?’ zei George bedachtzaam terwijl hij marmelade op zijn brood smeerde. ‘Is dat niet die halvegare —’

‘Je vader heeft toevallig een heel hoge dunk van Dwaaloog Dolleman,’ zei mevrouw Wemel streng.

‘Ja, oke, maar pa verzamelt stekkers. Of niet soms?’ zei Fred zacht toen mevrouw Wemel de keuken even uit was. ‘Soort zoekt soort…’

‘Dolleman was vroeger een befaamde tovenaar,’ zei Bill.

‘Hij is toch een oude vriend van Perkamentus?’ zei Charlie.

‘Maar Perkamentus kun je ook moeilijk normaal noemen, of wel?’ zei Fred. ‘Ik bedoel, ik weet dat hij een genie is en zo…’

‘Wie is die Dwaaloog?’ vroeg Harry.

‘Hij is nu met pensioen, maar vroeger werkte hij op het Ministerie,’ zei Charlie. ‘Ik heb hem ooit ontmoet toen pa me een keer meenam naar z’n werk. Hij was Schouwer… een van de allerbeste — een ontmaskeraar van Duistere tovenaars,’ zei hij toen hij Harry’s niet-begrijpende blik zag. ‘De helft van de cellen in Azkaban is door zijn toedoen bezet. Daardoor heeft hij ook ontzettend veel vijanden gemaakt… voornamelijk familieleden van de mensen die hij ontmaskerd heeft… en ik heb gehoord dat hij op z’n oude dag verschrikkelijk achterdochtig is geworden. Hij vertrouwt helemaal niemand meer en ziet overal Duistere tovenaars.’

Bill en Charlie besloten mee te gaan naar het station om de anderen uit te zwaaien, maar nadat Percy uitgebreid zijn excuses had gemaakt, zei hij dat hij echt naar zijn werk moest.

‘Ik kan het gewoon niet maken om op dit moment nog meer vrij te nemen,’ zei hij. ‘Meneer Krenck begint juist op me te vertrouwen.’

‘Zal ik je ‘ns wat vertellen, Percy?’ zei George serieus. ‘Misschien kent hij binnenkort zelfs je naam.’

Mevrouw Wemel had al haar moed bijeengeschraapt en de telefoon op het postkantoortje in het dorp gebruikt om drie gewone Dreuzeltaxi’s te bestellen die hen naar Londen moesten brengen.

‘Arthur heeft nog geprobeerd om auto’s van het Ministerie te regelen,’ fluisterde mevrouw Wemel tegen Harry terwijl ze op het kletsnatte erf stonden en keken hoe de taxichauffeurs zes loodzware hutkoffers naar hun auto’s sjouwden. ‘Maar die waren allemaal in gebruik… o jee, ze zien er niet echt blij uit, hè?’

Harry zei maar niet tegen mevrouw Wemel dat chauffeurs van Dreuzeltaxi’s zelden opgewonden uilen vervoerden en Koekeroekus maakte een oorverdovend lawaai. De stemming werd er ook niet beter op toen Freds hutkoffer opensprong en een handvol van Dr. Vleermans Voortreffelijk Natstartend Niet-Schroeiend Vuurwerk spontaan ontbrandde. De chauffeur gilde van schrik en pijn toen een paniekerige Knikkebeen zich langs zijn been omhoog klauwde.

Het werd een ongemakkelijke trip, doordat ze samen met hun hutkoffers achter in de taxi’s gepropt zaten en het een hele tijd duurde voor Knikkebeen over de schrik heen was. Tegen de tijd dat ze Londen binnenreden, zaten Harry, Ron en Hermelien onder de schrammen en krassen en waren ze dolblij dat ze bij het station konden uitstappen, ook al goot het harder dan ooit en raakten ze totaal doorweekt toen ze met hun hutkoffers de drukke weg overstaken.

Harry was er inmiddels aan gewend om op perron negendriekwart te komen. Je moest gewoon dwars door het massieve dranghek lopen dat perron negen en tien scheidde. Het was alleen soms lastig om dat op een onopvallende manier te doen, zodat je niet de aandacht van passerende Dreuzels trok. Deze keer deden ze het in groepjes; eerst gingen Harry, Ron en Hermelien (die het meest opvielen omdat ze Koekeroekus en Knikkebeen bij zich hadden); ze leunden nonchalant en vrolijk pratend tegen het hek, gleden er zijdelings doorheen… en bevonden zich plotseling op perron negendriekwart.

De Zweinsteinexpres, een glanzende, vuurrode stoomtrein, stond al klaar en blies dichte stoomwolken uit, waardoor de vele leerlingen van Zweinstein en hun ouders die afscheid van elkaar namen op het perron, net donkere schimmen leken. Koekeroekus werd luidruchtiger dan ooit toen hij andere uilen hoorde krassen in de mist. Harry, Ron en Hermelien zochten een plaatsje, stouwden hun bagage in een coupe halverwege de trein en stapten het perron weer op om afscheid te nemen van Bill, Charlie en mevrouw Wemel.

‘Misschien zie ik jullie eerder terug dan jullie denken! zei Charlie grijnzend, terwijl hij Ginny een afscheidsknuffel gaf.

‘Hoezo?’ vroeg Fred scherp.

‘Je zult wel zien,’ zei Charlie. ‘Zeg alleen niet tegen Percy dat ik iets gezegd heb…. tenslotte is het “geheime informatie, tot het moment dat het Ministerie besluit tot vrijgave”.’

‘Ja, ik vind het jammer dat ik dit jaar niet meer op Zweinstein zit,’ zei Bill, die met zijn handen in zijn zakken haast verlangend naar de trein keek.

‘Waarom?’ zei George ongeduldig.

‘Omdat dit een interessant jaar wordt,’ zei Bill, met twinkelende ogen. ‘Misschien neem ik zelfs wel een dagje vrij, om naar een deel te komen kijken…’

‘Een deel van wat?’ zei Ron.

Maar op dat moment ging er een fluitje en dreef mevrouw Wemel hen haastig naar de trein.

‘Bedankt voor het logeren, mevrouw Wemel,’ zei Hermelien toen ze instapten, de deur dichtsloegen en uit het raampje leunden om nog even met haar te praten.

‘Ja, bedankt voor alles, mevrouw Wemel,’ zei Harry.

‘O, ik vond het zelf ook ontzettend leuk,’ zei mevrouw Wemel. ‘Ik zou jullie graag uitnodigen met Kerstmis, maar… nou ja, ik denk dat jullie dit jaar liever op Zweinstein blijven, gezien… gezien het een en ander…’

‘Ma!’ zei Ron geïrriteerd. ‘Wat weten jullie dat wij niet weten?’

‘Dat horen jullie vanavond wel, denk ik,’ zei mevrouw Wemel glimlachend. ‘Het wordt vast heel opwindend — maar ik ben blij dat ze de regels hebben veranderd —’

‘Wat voor regels?’ riepen Harry, Ron, Fred en George in koor.

‘Dat horen jullie wel van professor Perkamentus… en gedraag jullie, hè? Beloof je dat, Fred? En jij, George?’

De zuigers sisten luid en de trein begon te rijden.

‘Zeg nou wat er op Zweinstein gaat gebeuren!’ brulde Fred uit het raampje terwijl ze mevrouw Wemel, Bill en Charlie snel achter zich lieten. ‘Wat voor regels gaan ze veranderen?’

Maar mevrouw Wemel lachte en zwaaide alleen maar. Voor de trein de bocht om was, waren zij, Bill en Charlie al Verdwijnseld.

Harry, Ron en Hermelien gingen terug naar hun coupe. Door de dikke regendruppels die tegen de ramen kletterden kon je buiten haast niets zien. Ron maakte zijn hutkoffer open, pakte zijn kastanjebruine galagewaad en gooide dat over de kooi van Koekeroekus, om zijn gekras te dempen.

‘Bazuyn wou ons notabene wel vertellen wat er op Zweinstein gaat gebeuren,’ zei hij knorrig terwijl hij naast Harry ging zitten. ‘Tijdens het WK, weet je nog? Maar m’n bloedeigen moeder wil niks loslaten. Ik ben benieuwd wat —’

‘Ssst!’ fluisterde Hermelien plotseling. Ze legde haar vinger tegen haar lippen en wees naar de coupe naast de hunne. Harry en Ron luisterden en hoorden een vertrouwde, lijzige stem opklinken uit de deuropening.

‘… vader heeft zelfs overwogen om me naar Klammfels te sturen in plaats van Zweinstein. Hij kent het schoolhoofd daar. Jullie weten hoe hij over Perkamentus denkt — zo’n walgelijke Modderbloedjesvriend — en op Klammfels wordt dat soort uitschot niet toegelaten. Maar moeder wilde niet dat ik naar een school ging die zo ver weg was. Vader zegt dat Klammfels een veel beter beleid voert dan Zweinstein wat de Zwarte Kunsten betreft. Op Klammfels leren ze die echt, niet alleen dat slappe verweergedoe dat wij krijgen…’

Hermelien stond op, liep op haar tenen naar de deur van de coupe en schoof die dicht, zodat de stem van Malfidus werd buitengesloten.

‘Dus hij denkt dat hij op Klammfels beter op z’n plaats zou zijn geweest?’ zei ze nijdig. ‘Was hij maar gegaan, dan hadden wij tenminste geen last van hem gehad.’

‘Is Klammfels ook een toverschool?’ zei Harry.

‘Ja,’ zei Hermelien nogal hooghartig, ‘en met een vreselijk slechte reputatie. Volgens Europa: Een Analyse van het Magische Onderwijs wordt daar sterk de nadruk gelegd op de Zwarte Kunsten.’

‘Volgens mij heb ik er wel eens van gehoord,’ zei Ron vaag. ‘Waar ligt die school? In welk land?’

‘Dat weet nou juist niemand,’ zei Hermelien, die haar wenkbrauwen optrok.

‘Eh — hoezo niet?’ vroeg Harry.

‘Omdat er van oudsher een hoop rivaliteit heerst tussen de toverscholen onderling. Klammfels en Beauxbatons houden hun locatie liever verborgen, zodat niemand hun geheimen kan stelen,’ zei Hermelien zakelijk.

‘Kom nou toch,’ zei Ron, die begon te lachen. ‘Klammfels moet ongeveer even groot zijn als Zweinstein. Hoe wou je zo’n joekel van een kasteel verborgen houden?’

‘Maar Zweinstein is ook verborgen,’ zei Hermelien verbaasd. ‘Dat weet iedereen… nou ja, iedereen die Een beknopte Geschiedenis van Zweinstein heeft gelezen.’

‘Alleen jij, dus,’ zei Ron. ‘Oke — hoe verberg je zo’n gigantisch kasteel als Zweinstein?’

‘Het is behekst,’ zei Hermelien. ‘Als een Dreuzel naar het kasteel kijkt, ziet hij alleen een afgebrokkelde oude ruïne met boven de poort een bordje met GEVAAR, GEEN TOEGANG, VALLEND GESTEENTE.’

‘Dus Klammfels lijkt in de ogen van buitenstaanders ook een bouwval?’

‘Misschien,’ zei Hermelien schouderophalend. ‘Of misschien is het voorzien van Dreuzelafstotende spreuken, net als het WK-stadion. En om te voorkomen dat buitenlandse tovenaars het vinden, hebben ze het vast Onleesbaar gemaakt…’

‘Pardon?’

‘Nou, je kunt een gebouw toch zo betoveren dat zelfs de beste kaartlezer het niet kan vinden?’

‘Eh… als jij dat zegt,’ zei Harry.

‘Maar volgens mij ligt Klammfels ergens in het hoge noorden,’ zei Hermelien peinzend. ‘Ergens waar het heel koud is, omdat bontmantels deel uitmaken van hun schooluniform.’

‘Ah, wat een mogelijkheden biedt dat,’ zei Ron dromerig. ‘Je zou Malfidus van een gletsjer kunnen duwen en zeggen dat het een ongeluk was… jammer dat z’n moeder zo dol op hem is…’

Het begon steeds harder te regenen naarmate de trein naar het noorden reed. Buiten was het aardedonker en de ramen waren zo beslagen dat tegen twaalven de lantaarns al ontstoken werden. Het lunchkarretje kwam door het gangpad aanrammelen en Harry kocht een grote stapel Ketelkoeken, om met de anderen te delen.

In de loop van de middag kwamen er verschillende vrienden langs, zoals Simon Filister, Daan Tomas en Marcel Lubbermans, een extreem vergeetachtige jongen met een rond gezicht. Marcel werd opgevoed door zijn grootmoeder, die geen gemakkelijke heks was. Simon had zijn Ierse rozet nog op, maar de betovering scheen langzaam weg te lekken; de rozet piepte nog steeds ‘Troy! Mullet! Moraw!’ maar met een heel zwak en uitgeput stemmetje. Na een halfuurtje werd Hermelien het eindeloze gepraat over Zwerkbal zat, sloeg Het Standaard Spreukenboek, Niveau 4 weer open en begon een Sommeerspreuk te leren.

Marcel luisterde afgunstig naar de anderen terwijl die het WK herbeleefden.

‘Oma wilde niet gaan,’ zei hij neerslachtig. ‘Ze vond de kaartjes te duur. Maar zo te horen was het fantastisch.’

‘Dat was het ook,’ zei Ron. ‘Moet je dit zien, Marcel…’

Hij rommelde in zijn hutkoffer die in het bagagerek lag en haalde het model van Viktor Kruml tevoorschijn.

‘Wauw!’ zei Marcel jaloers, toen Ron Kruml op zijn mollige hand zette.

‘We hebben hem ook in het echt van heel dichtbij gezien,’ zei Ron. ‘We zaten in de Topbox —’

‘Voor de eerste en laatste keer in je leven, Wemel.’

Draco Malfidus was in de deuropening verschenen. Achter hem stonden Korzel en Kwast, zijn enorme, hufterige maatjes, die gedurende de zomer minstens dertig centimeter gegroeid leken te zijn. Blijkbaar hadden ze het gesprek gehoord door de coupédeur, die Daan en Simon op een kier hadden laten staan.

‘Hadden we je uitgenodigd, Malfidus?’ zei Harry koeltjes.

‘Wemel… wat moet dit voorstellen?’ zei Malfidus en hij wees op de kooi van Koekeroekus. Een mouw van Rons galagewaad bungelde naast de kooi, heen en weer zwaaiend op het ritme van de trein, en het schimmelige kant van de manchetten viel zo wel heel erg op.

Ron wilde het gewaad gauw wegstoppen, maar Malfidus was hem te vlug af; hij greep de mouw en trok.

‘Moet je dat zien!’ zei Malfidus vol opwinding, terwijl hij Rons gewaad aan Korzel en Kwast liet zien. ‘Je was toch niet van plan om dit te dragen, Wemel? Ik bedoel — wanneer zal dit in de mode zijn geweest? Zo rond 1890…?’

‘Stort in bonken, Malfidus!’ zei Ron, die ongeveer dezelfde kleur had als het galagewaad dat hij uit de hand van Malfidus griste. Malfidus schaterde honend en Korzel en Kwast hinnikten dom.

‘En… was je van plan om je in te schrijven, Wemel? Wou je een poging doen om je familie eindelijk eens een beetje uit de anonimiteit te halen? Je kunt er trouwens ook een hoop geld mee verdienen… wie weet kun je een fatsoenlijk gewaad kopen als je wint…’

‘Waar heb je het over?’ snauwde Ron.

‘Ga je je inschrijven?’ herhaalde Malfidus. ‘Jij natuurlijk wel, Potter? Jij laat nooit een kans voorbijgaan om de grote tovenaar uit te hangen, hè?’

‘Leg uit waar je het over hebt of maak anders dat je wegkomt, Malfidus!’ zei Hermelien geïrriteerd boven Het Standaard Spreukenboek, Niveau 4 uit.

Er verscheen een glimlach vol leedvermaak op Malfidus’ bleke gezicht.

‘Je wilt toch niet zeggen dat jullie het nog niet weten?’ zei hij opgetogen. ‘Je hebt een vader en een broer op het Ministerie en je weet het niet eens, Wemel? Mijn God, mijn vader heeft het me tijden geleden al verteld… hij had het van Cornelis Droebel. Maar vader komt natuurlijk bij de top van het Ministerie over de vloer… misschien is jouw vader te laag in rang om het te mogen weten… ja, dat zal het zijn, Wemel… ze praten liever niet over belangrijke dingen als hij erbij is…’

Malfidus lachte opnieuw, wenkte Korzel en Kwast en vertrok.

Ron sprong overeind en smeet de glazen coupédeur zo hard dicht dat de ruit aan scherven sprong.

‘Ron!’ zei Hermelien verwijtend. Ze pakte haar toverstok, mompelde: ‘Reparo!’ en de scherven vlogen weer in de sponning en versmolten tot een ruit.

‘Die kwal…. altijd doen alsof hij alles weet en wij niks…’ gromde Ron. ‘Vader komt natuurlijk bij de top van het Ministerie over de vloer… mijn vader had al ik weet niet hoe vaak promotie kunnen maken… hij houdt van het werk dat hij nu doet…’

‘Ja, natuurlijk,’ zei Hermelien sussend. ‘Laat je niet opjutten door Malfidus, Ron.’

‘Opjutten! Door dat stuk verdriet! Dat zou hij wel willen!’ zei Ron, die een van de overgebleven Ketelkoeken pakte en tot kruimels kneep.

Ron bleef de rest van de reis in een rothumeur. Hij zei vrijwel niets terwijl ze hun schoolgewaden aantrokken en keek nog steeds nors toen de Zweinsteinexpres ten slotte vaart minderde en stopte op het pikdonkere stationnetje van Zweinsveld.

Toen de treindeuren opengingen, klonk het gerommel van donder. Hermelien wikkelde Knikkebeen in haar mantel en Ron liet zijn galagewaad over de kooi van Koekeroekus hangen terwijl ze met gebogen hoofd en half dichtgeknepen ogen de neergutsende regen instapten. Het goot nu zo verschrikkelijk dat het was alsof er constant emmers ijskoud water over hun hoofden werden uitgestort.

‘Hoi, Hagrid!’ schreeuwde Harry, toen hij een reusachtig silhouet zag aan het einde van het perron.

‘Alles kits, Harry?’ brulde Hagrid en hij zwaaide. ‘Ik zie je wel op ’t feest, als we dan nog niet verzopen zijn!’

De eerstejaars gingen volgens traditie hiervandaan verder per boot naar het kasteel, samen met Hagrid.

‘Jasses, ik zou met dit weer niet graag het meer over willen steken,’ zei Hermelien fervent, en ze rilde terwijl ze langzaam over het donkere perron schuifelden met de rest van de passagiers. Voor het stationnetje stonden wel honderd koetsen zonder paard te wachten. Harry, Ron, Hermelien en Marcel stapten dankbaar in een koets, de deur viel met een klik dicht en een paar tellen later reed de lange stoet rijtuigen hotsend en schokkend en met veel geratel en geplens over het lange pad naar Zweinstein.

Hoofdstuk 12

HET TOVERSCHOOL TOERNOOI

Knerpend passeerden de rijtuigen een poort die geflankeerd werd door beelden van gevleugelde everzwijnen en reden over een lange, gebogen oprijlaan, gevaarlijk wiegend in een wind die snel aanwakkerde tot stormkracht. Harry drukte zijn neus tegen het raampje en zag het kasteel van Zweinstein naderen. De vele ramen waren wazige lichtplekken in de dichte regenvlagen en het bliksemde toen hun koets stopte bij het stenen bordes dat naar de enorme eiken voordeuren leidde. De leerlingen die in de koets voor hen hadden gezeten holden haastig het bordes op; Harry, Ron, Hermelien en Marcel sprongen ook uit hun rijtuig en sprintten naar de deur. Ze keken pas op toen ze veilig in de grote, holle, met fakkels verlichte hal waren, met zijn schitterende marmeren trap.

‘Jemig,’ zei Ron, die zijn hoofd schudde en overal druppels rondstrooide, ‘als dat zo doorgaat, stroomt het meer dadelijk nog over. Ik ben klets-AAH!’

Een grote, rode, met water gevulde ballon was vanaf het plafond op Rons hoofd gevallen en uit elkaar gespat. Ron wankelde doorweekt en sputterend opzij en botste tegen Harry, net toen er een tweede waterbom naar beneden suisde die Hermelien op een haar na miste. Hij spatte aan Harry’s voeten uiteen en een grote golf koud water spoelde over zijn sportschoenen en sokken, iedereen gilde en krijste en duwde elkaar weg om uit de vuurlinie te komen. Toen Harry opkeek, zag hij zes a zeven meter hoger Foppe de klopgeest zweven, een klein mannetje met een hoed vol rinkelende belletjes en een oranje vlinderdas. Zijn grote, boosaardige gezicht vertoonde een grijns van opperste concentratie terwijl hij opnieuw mikte.

‘FOPPE!’ schreeuwde een woedende stem. ‘Foppe, kom ONMIDDELLIJK naar beneden!’

Professor Anderling, plaatsvervangend schoolhoofd en hoofd van Griffoendor, kwam de Grote Zaal uitsprinten; ze gleed uit op de natte vloer en greep Hermelien om haar nek om niet te vallen. ‘Oeps — sorry, juffrouw Griffel —’

‘Geeft niets, professor!’ zei Hermelien naar adem snakkend, en ze wreef over haar keel.

‘Foppe, je komt NU naar beneden!’ blafte professor Anderling, die haar punthoed rechtzette en woedend omhoogkeek door haar vierkante bril.

‘Ik doe niks!’ kakelde Foppe en hij smeet een waterbom naar een groepje vijfdejaarsstudentes, die gillend de Grote Zaal in vluchtten. ‘Ze zijn al klets, of niet soms? Kleine engerds! Joepieeee!’ Hij gooide een bom naar een stel tweedejaars die net binnen waren gekomen.

‘Ik roep het schoolhoofd!’ schreeuwde professor Anderling. ‘Ik waarschuw je nog een keer, Foppe —’

Foppe stak zijn tong uit, gooide zijn laatste waterbommen in de lucht en zoefde gniffelend en grinnikend weg over de marmeren trap.

‘Oke, doorlopen!’ commandeerde professor Anderling tegen de doorweekte leerlingen. ‘Iedereen mee naar de Grote Zaal! Vooruit!’

Glijdend en glibberend staken Harry, Ron en Hermelien de hal over en gingen door de dubbele deuren aan hun rechterkant de Grote Zaal binnen. Ron mompelde woedende verwensingen terwijl hij zijn drijfnatte haar uit zijn gezicht streek.

De Grote Zaal was even mooi als altijd en schitterend versierd voor het feestmaal waarmee het nieuwe schooljaar werd ingeluid. Gouden borden en bekers fonkelden in het licht van honderden en nog eens honderden kaarsen die boven de tafels in de lucht zweefden. De vier lange afdelingstafels waren afgeladen met druk pratende studenten en aan het uiteinde van de zaal zaten de docenten aan een kant van een vijfde tafel, haaks op die van de leerlingen. Hier was het een stuk warmer. Harry, Ron en Hermelien liepen langs de Zwadderaars, Ravenklauwen en Huffelpufs en gingen samen met de andere Griffoendors aan de andere kant van de zaal zitten, naast Haast Onthoofde Henk, het spook van Griffoendor. Henk, die parelwit en doorschijnend was, droeg zijn gebruikelijke wambuis, maar met een extra grote kanten kraag, die er niet alleen feestelijk uitzag, maar er ook voor zorgde dat zijn hoofd niet te veel wiebelde op zijn bijna doorgehakte hals.

‘Goedenavond,’ zei hij met een brede glimlach.

‘Vind je?’ zei Harry, die zijn sportschoenen uittrok en het water er uitgoot. ‘Ik hoop dat ze een beetje opschieten met het Sorteren. Ik val om van de honger.’

De Sorteerceremonie, waarbij de eerstejaars over de verschillende afdelingen werden verdeeld, vond altijd aan het begin van het nieuwe schooljaar plaats, maar door een ongelukkige samenloop van omstandigheden was Harry daar niet meer bij geweest sinds hij zelf Gesorteerd was. Hij verheugde zich erop.

Op dat moment riep een hoge, opgewonden stem ietsje verderop aan tafel: ‘Hoi, Harry!’

Het was Kasper Krauwel, een derdejaars die grote bewondering koesterde voor Harry.

‘Ha, die Kasper,’ zei Harry behoedzaam.

‘He Harry, zal ik je ‘ns wat vertellen? Zal ik je ‘ns wat vertellen, Harry? M’n broertje zit in ’t eerste jaar! M’n broertje Dennis!’

‘O — nou — mooi zo,’ zei Harry.

‘Hij is vreselijk opgewonden!’ zei Kasper, die zelf op en neer wipte op zijn stoel. ‘He, ik hoop echt dat hij ook bij Griffoendor komt! Wil je voor hem duimen, Harry?’

‘Eh — ja, natuurlijk,’ zei Harry. Hij wendde zich weer tot Ron, Hermelien en Haast Onthoofde Henk. ‘Broers en zussen komen toch meestal bij elkaar op de afdeling?’ zei hij. Dat idee baseerde hij op de Wemels, die alle zeven bij Griffoendor waren ingedeeld.

‘Niet per se,’ zei Hermelien. ‘De zus van Parvati Patil zit bij Ravenklauw en ze zijn nog wel een eeneiige tweeling. Dan zou je toch denken dat ze bij elkaar zouden komen, hè?’

Harry keek naar de Oppertafel, waar meer lege plaatsen schenen te zijn dan gewoonlijk. Hagrid was natuurlijk druk bezig het meer over te steken met de eerstejaars en professor Anderling hield vermoedelijk toezicht op het drogen van de vloer in de hal, maar er was nog een lege stoel en hij kon zich niet voorstellen wie er verder ontbrak.

‘Waar is de nieuwe leraar Verweer tegen de Zwarte Kunsten?’ zei Hermelien, die ook naar de leraartafel keek.

Ze hadden nog nooit een docent Verweer tegen de Zwarte Kunsten gehad die het langer dan drie semesters had volgehouden. Professor Lupos, die vorig jaar ontslag had genomen, was met afstand Harry’s favoriete leraar geweest. Hij liet zijn blik opnieuw langs de Oppertafel gaan, maar daar was beslist geen nieuw gezicht te bekennen.

‘Misschien konden ze niemand krijgen!’ zei Hermelien ongerust.

Harry bekeek de tafel nog eens extra zorgvuldig. Piepkleine professor Banning, hun leraar Bezweringen, zat op een grote stapel kussens naast professor Stronk, lerares Kruidenkunde, wier hoed scheef op haar warrige grijze haar stond. Ze praatte met professor Sinistra, die Astronomie gaf. Aan de andere kant van professor Sinistra zat een man met een tanige huid, kromme neus en vettig haar: Sneep, hun leraar Toverdranken en Harry’s minst geliefde persoon op heel Zweinstein. De afkeer die Harry voelde voor Sneep werd echter minstens geëvenaard door de haat die Sneep voor Harry koesterde, een haat die het afgelopen schooljaar zo mogelijk nog intenser was geworden, nadat Harry Sirius had helpen ontsnappen, vlak onder Sneeps overdreven grote neus — Sneep en Sirius waren vanaf hun eigen schooltijd altijd gezworen vijanden geweest.

Naast Sneep stond een lege stoel die vermoedelijk van professor Anderling was en daarnaast, precies in het midden van de tafel, zat professor Perkamentus, het schoolhoofd. Zijn lange, golvende, zilvergrijze haar en baard glansden in het kaarslicht en zijn schitterende donkergroene gewaad was met geborduurde sterren en manen versierd. Perkamentus liet zijn kin op de toppen van zijn lange, magere vingers rusten terwijl hij door zijn halfronde brilletje naar het plafond staarde, alsof hij in gedachten verzonken was. Harry keek ook naar het plafond, dat betoverd was, zodat het er altijd net zo uitzag als de hemel buiten. Hij had het nog nooit zo stormachtig meegemaakt. Zwarte en blauwpaarse wolken kolkten en maalden, en toen buiten opnieuw de donder rommelde, flikkerde er een gevorkte bliksemschicht over het plafond.

‘He, schiet een beetje op,’ kreunde Ron, die naast Harry zat. ‘Ik zou wel een hippogrief op kunnen.’

Hij had die woorden nauwelijks gezegd of de deuren van de Grote Zaal gingen open en er viel een stilte. Professor Anderling ging een lange rij eerstejaars voor naar het einde van de zaal. Harry, Ron en Hermelien waren dan misschien nat, de eerstejaars waren tien keer natter. Het leek alsof ze het meer waren overgezwommen in plaats van overgevaren. Rillend van de kou en de zenuwen schuifelden ze langs de Oppertafel en gingen in de rij staan tegenover de rest van de leerlingen. Als laatste kwam de allerkleinste van het stel binnen, een jochie met melkboerenhondenhaar, dat gewikkeld was in iets wat Harry herkende als Hagrids overjas van mollenvel. De jas was zo groot dat het leek of er een harige zwarte partytent om hem heen was geslagen en zijn kleine gezichtje, dat haast pijnlijk opgewonden was, kwam maar net boven de kraag uit. Toen hij samen met zijn doodsbenauwde medeleerlingen in de rij stond, zocht hij oogcontact met Kasper Krauwel, stak zijn duimen op en zei geluidloos: ‘Ik ben in het meer gevallen!’ Zo te zien vond hij dat schitterend.

Professor Anderling zette een krukje met drie poten voor de eerstejaars neer en legde daar een heel oude, vuile en verstelde tovenaarshoed op. De eerstejaars staarden naar de hoed en de andere leerlingen ook. Even was het stil en toen ging een scheur bij de rand open, als een soort mond en begon de hoed te zingen:

‘Wel duizend jaar of meer gelee,
Mijn stiksels waren Jong,
Leefden er vier magiërs; hun faam,
Gaat nog over ieders tong —
Uit het hoogland, dappere Griffoendor,
Schone Ravenklauw, uit het bos,
Goede Huffelpuf, uit het groene dal,
Sluwe Zwadderich, uit zompig mos.
Ze hadden een wens, een hoop, een droom,
Een plan vol vermetelheid:
Hun kennis delen met jong talent,
Zo werd Zweinstein werkelijkheid.
Door de stichters werden rap,
Vier afdelingen opgericht,
Want niet elk hechtte aan dezelfde deugd,
ook een even groot gewicht.
Wie door Griffoendor verkozen werd,
Viel op door leeuwenmoed;
Voor Ravenklauw was schranderheid,
Het allergrootste goed.
Bij Huffelpuf was noeste vlijt,
tot kern der zaak verheven —,
En bij machtswellustig Zwadderich,
Was ambitie ’t hoogste streven.
Eerst scheidden ze hun favorieten zelf,
Van de massa en dat ging best,
Maar wie wijst de uitverkorenen aan,
Nu van de stichters niets meer rest?
’t Was Griffoendor die het antwoord wist,
Hij zette me haastig van zijn kop,
De stichters schonken me hersenen,
En droegen aan mij de keuze op!
Dus zet me stevig op je hoofd,
Nog nimmer had ik het mis,
Ik zie in een oogwenk wat je denkt,
En roep wat je afdeling is!’

Er galmde een daverend applaus door de Grote Zaal toen de Sorteerhoed uitgezongen was.

‘Dat is niet het lied dat hij zong toen hij ons Sorteerde,’ zei Harry, die net zo hard klapte als de anderen.

‘Hij zingt elk jaar een ander,’ zei Ron. ‘Ik bedoel, je leidt als hoed niet echt een spannend leven, hè? Waarschijnlijk is hij het hele jaar bezig om zijn volgende lied te verzinnen.’

Professor Anderling rolde een groot vel perkament uit.

‘Als ik jullie naam roep, zetten jullie de Hoed op en nemen op het krukje plaats,’ verkondigde ze tegen de eerstejaars. ‘Zodra de Hoed jullie afdeling bekendmaakt, gaan jullie aan de desbetreffende tafel zitten.’

‘Aardveil, Sextus!’

Een jongen die van top tot teen trilde, liep naar de Sorteerhoed, zette hem op en ging op het krukje zitten.

‘Ravenklauw!’ riep de Hoed.

Sextus Aardveil deed de hoed af en begaf zich haastig naar de tafel van Ravenklauw, waar iedereen voor hem klapte. Harry ving een glimp op van Cho, de Zoeker van Ravenklauw, die Sextus Aardveil toejuichte terwijl hij plaatsnam, en even voelde Harry een vreemd verlangen om ook aan de tafel van Ravenklauw te gaan zitten.

‘Beulsvreugd, Melchior!’

‘Zwadderich!’

De tafel aan de andere kant van de zaal barstte in luid gejuich los; Harry zag Malfidus klappen toen Beulsvreugd bij de andere Zwadderaars ging zitten. Harry vroeg zich af of Beulsvreugd wist dat Zwadderich meer Duistere heksen en tovenaars had voortgebracht dan alle andere afdelingen bij elkaar en Fred en George floten Beulsvreugd uit toen hij naar zijn plaats liep.

‘Braafjens, Lena!’

‘Huffelpuf!’

‘Doedijns, Walter!’

‘Huffelpuf!’

Zo ging het een tijdje door, tot professor Anderling: ‘Krauwel, Dennis!’ riep.

Dennis Krauwel, de kleinste van het stel, struikelde over Hagrids jas van mollenvel en liep wankelend naar het krukje, net op het moment dat Hagrid zelf de zaal binnenschuifelde door een deur achter de Oppertafel. Hagrid was twee keer zo lang en minstens drie keer zo breed als een normaal mens en met zijn lange, wilde, verwarde zwarte haren en baard zag hij er een beetje angstaanjagend uit. Die indruk was misleidend, want Harry, Ron en Hermelien wisten dat Hagrid een echte goedzak was. Hij knipoogde tegen hen terwijl hij aan het eind van de leraartafel ging zitten en keek hoe Dennis Krauwel de Sorteerhoed opzette. De scheur bij de rand ging wijd open —

‘Griffoendor!’ schreeuwde de hoed.

Hagrid klapte samen met de Griffoendors toen Dennis Krauwel met een grijns van oor tot oor de hoed afzette, op het krukje legde en gauw naar zijn broer liep.

‘Ik ben in ’t meer gevallen, Kasper!’ riep hij schril terwijl hij op een lege plaats neerplofte. ‘Echt geweldig! En toen greep iets in ’t water me beet en zette me weer terug in de boot!’

‘Fantastisch!’ zei Kasper, al even opgewonden. ‘Ik denk dat dat de reuzeninktvis was, Dennis!’

‘Wauw!’ zei Dennis, alsof het de liefste wens van iedere jongen was om in een kolkend, tientallen meters diep meer te vallen en er weer uitgehesen te worden door een reusachtig watermonster.

‘Dennis! Dennis! Zie je die jongen daar? Met dat zwarte haar en die bril? Zie je hem? Weet je wie dat is, Dennis?’

Harry keek gauw de andere kant op en staarde aandachtig naar de Sorteerhoed, die bezig was om Emma Lepert in te delen.

Het Sorteren ging door; jongens en meisjes, van wie de een angstiger keek dan de ander, liepen een voor een naar het krukje en de rij werd langzaam korter terwijl professor Anderling de L’s afwerkte.

‘Hé, schiet ‘ns een beetje op,’ kreunde Ron, die over zijn maag wreef.

‘Kom, kom, Ron, de Sorteerceremonie is veel belangrijker dan het feestmaal,’ zei Haast Onthoofde Henk toen ‘Maansteen, Laura!’ een Huffelpuf werd.

‘Als je dood bent wel, ja,’ snauwde Ron.

‘Ik hoop dat de Griffoendors van dit jaar een beetje niveau hebben,’ zei Haast Onthoofde Henk, die klapte toen ‘Munter, Natalie!’

bij de Griffoendors werd ingedeeld. ‘We willen niet dat er een einde komt aan onze succesreeks, nietwaar?’

Griffoendor had drie jaar op rij het Afdelingskampioenschap gewonnen.

‘Sikkepit, Sijmen!’

‘Zwadderich!’

‘Vrolijk, Ellen!’

‘Ravenklauw!’

De Sorteerceremonie eindigde ten slotte met ‘Wapenaar, Vincent!’ (’Huffelpuf!’). Professor Anderling pakte de kruk en de hoed en bracht ze weer weg.

‘Dat werd tijd,’ zei Ron, die zijn mes en vork greep en verwachtingsvol naar zijn gouden bord keek.

Professor Perkamentus was opgestaan. Hij keek glimlachend naar de leerlingen en spreidde zijn armen uit in een welkomstgebaar.

‘Ik heb jullie maar twee woorden te zeggen,’ riep hij en zijn diepe stem galmde door de hele zaal. ‘Eet smakelijk.’

‘He hè, eindelijk!’ zeiden Harry en Ron, toen de lege schalen als bij toverslag gevuld werden.

Haast Onthoofde Henk keek treurig toe terwijl Harry, Ron en Hermelien grote borden volschepten.

‘Aaah, daz iz beder!’ zei Ron, met zijn mond vol aardappelpuree.

‘Jullie boffen dat het feestmaal hoe dan ook doorgaat,’ zei Haast Onthoofde Henk. ‘Eerder op de avond waren er problemen in de keukens.’

‘Hoezo? Wasser gebeurd?’ zei Harry, door een flinke hap biefstuk heen.

‘Foppe, uiteraard,’ zei Henk en hij schudde met zijn hoofd, dat gevaarlijk wiebelde. Hij schoof zijn kanten kraag iets hoger op. ‘De gebruikelijke trammelant. Hij wilde bij het feestmaal zijn — en dat is natuurlijk uitgesloten. Jullie weten hoe hij is: geen greintje beschaving. Zodra hij een bord met eten ziet, begint hij er mee te gooien. We hebben Spookberaad gehouden — de Dikke Monnik wilde hem nog een kans geven, maar daar stak de Bloederige Baron een stokje voor en dat was maar goed ook, als je het mij vraagt.’

De Bloederige Baron was de geest van Zwadderich, een uitgemergeld, zwijgzaam spook dat onder de zilverachtige bloedvlekken zat. Hij was de enige op Zweinstein voor wie Foppe echt ontzag had.

‘Ja, we dachten al dat Foppe ergens de pest over in had,’ zei Ron duister. ‘Wat heeft hij allemaal uitgespookt in de keukens?’

‘O, wat hij meestal doet,’ zei Haast Onthoofde Henk schouderophalend. ‘Voor chaos en ravage zorgen. Overal lagen potten en pannen. De hele vloer was drijfnat van de soep en de Huis-elfen wisten niet waar ze het zoeken moesten —’

Kleng. Hermelien had haar gouden beker omgestoten en een grote plas pompoensap breidde zich uit over het tafellaken. De oranje vlek op het witte damast was meer dan een halve meter groot, maar dat scheen Hermelien niet te merken.

‘Zijn er hier ook Huis-elfen?’ zei ze, terwijl ze Henk vol afschuw aanstaarde. ‘Op Zweinstein?’

‘Jazeker,’ zei Henk, die verbaasd was door haar reactie. ‘Het grootste aantal dat in dit land op een plaats bijeen is, dacht ik zelfs. Meer dan honderd.’

‘Maar ik heb er nog nooit eentje gezien!’ zei Hermelien.

‘Nou ja, overdag komen ze de keukens haast niet uit, hè?’ zei Haast Onthoofde Henk. ‘Alleen ’s nachts, om de boel schoon te maken… te zorgen dat de haardvuren niet uitgaan en zo… ik bedoel, je hoort ze ook niet te zien. Daar herken je een goede huis-elf aan, nietwaar? Dat je niet weet dat hij er is.’

Hermelien staarde hem met grote ogen aan.

‘Maar ze worden toch wel betaald?’ zei ze. ‘Ze krijgen toch wel vakantie? En — en ziektegeld en pensioen en dat soort dingen?’

Haast Onthoofde Henk moest zo hard lachen dat zijn kraag weggleed. Zijn hoofd viel af en bleef bungelen aan de paar centimeter spookachtige huid en spieren waarmee het nog vastzat aan zijn hals.

‘Vakantie en pensioen?’ zei hij, terwijl hij zijn hoofd weer op zijn schouders zette en opnieuw vastmaakte met zijn kraag. ‘Huis-elfen willen helemaal geen vakantie en pensioen!’

Hermelien keek naar haar nauwelijks aangeroerde eten, legde haar mes en vork neer en duwde het bord weg.

‘Kom nou, Hermelien,’ zei Ron, die Harry per ongeluk met kleine stukjes pastei besproeide. ‘Oeps — sorry, Harry —’ Hij slikte. ‘Die elfen krijgen heus niet opeens vakantie omdat jij weigert te eten!’

‘Slavenarbeid,’ zei Hermelien, zwaar door haar neus ademend. ‘Daar is deze maaltijd mee bereid. Slavenarbeid.’

En ze weigerde nog een hap te eten.

De regen roffelde nog steeds tegen de hoge, donkere ramen, die trilden toen er opnieuw een donderslag klonk. De bliksem flitste langs het stormachtige plafond en verlichtte de gouden borden. De resten van de hoofdmaaltijd verdwenen en werden onmiddellijk vervangen door toetjes.

‘Flensjes, Hermelien!’ zei Ron, die de geur opzettelijk in haar richting wuifde. ‘Kijk, rozijnenpudding! Chocoladetaart!’

Maar Hermelien wierp hem een blik toe die hem zo sterk aan professor Anderling deed denken dat Ron het maar opgaf.

Toen de toetjes ook verorberd waren en de laatste kruimeltjes van de borden waren weggesmolten, zodat ze weer brandschoon waren, stond Albus Perkamentus opnieuw op. Het geroezemoes in de zaal stierf vrijwel onmiddellijk weg, zodat alleen het gieren van de wind en het kletteren van de regen nog hoorbaar waren.

‘Wel!’ zei Perkamentus, die de leerlingen glimlachend aankeek. ‘Nu iedereen weer goed gevoed is,’ (’Hmf!’ zei Hermelien), ‘wil ik jullie graag opnieuw even om aandacht vragen want ik wil een paar mededelingen doen.

Meneer Vilder, de conciërge, heeft me verzocht om jullie op het hart te drukken dat de lijst van voorwerpen die binnen de kasteelmuren verboden zijn, dit jaar is uitgebreid met Jodelende Jojo’s, Fragmentatie-Frisbees en Blijvend-Beukende Boemerangs. Naar ik heb begrepen beslaat de volledige lijst zo’n vierhonderdzevenendertig voorwerpen en ligt hij ter inzage op het kantoortje van meneer Vilder, voor het geval iemand hem controleren wil.’

De mondhoeken van professor Perkamentus gingen even een beetje omhoog.

‘Ik zou er ook graag op willen wijzen dat het Bos op het schoolterrein verboden gebied is voor alle leerlingen, zoals het dorpje Zweinsveld dat is voor eerste- en tweedejaars. Het is tevens mijn onaangename plicht om jullie mede te delen dat het schoolkampioenschap Zwerkbal dit jaar niet gespeeld zal worden.’

‘Wat?’ riep Harry onthutst. Hij keek naar Fred en George, zijn medespelers uit het Zwerkbalteam. Die staarden Perkamentus aan en hun lippen bewogen geluidloos, maar blijkbaar waren ze te geschokt om een woord te kunnen uitbrengen.

Perkamentus vervolgde: ‘Dat is dankzij een gebeurtenis die in oktober van start zal gaan, het hele schooljaar zal duren en veel van de tijd en energie van de docenten in beslag zal nemen — maar ik weet zeker dat jullie het schitterend zullen vinden. Tot mijn grote genoegen kan ik aankondigen dat dit jaar op Zweinstein —’

Maar op dat moment klonk er een oorverdovende donderslag en vlogen de deuren van de Grote Zaal open.

Er stond een man in de deuropening, een man die op een lange staf leunde en in een zwarte reismantel gehuld was. Alle ogen in de Grote Zaal richtten zich op de vreemdeling, die plotseling fel verlicht werd door een gevorkte bliksemflits die over het plafond knetterde. De man liet de kap van zijn mantel zakken, schudde zijn lange, warrige, donkergrijze haar uit en liep langzaam naar de Oppertafel.

Om de andere pas galmde er een doffe bonk door de zaal. Toen hij bij het eind van de Oppertafel was, ging hij naar rechts en hinkte moeizaam naar Perkamentus. Opnieuw flitste de bliksem langs het plafond en Hermelien snakte naar adem.

De gelaatstrekken van de man werden heel even fel verlicht door de bliksem en Harry had nog nooit zo’n gezicht gezien. Het was alsof het uit verweerd hout was gesneden door iemand die er maar een heel vaag idee van had hoe een menselijk gezicht eruit hoorde te zien en die niet bepaald bedreven was in het hanteren van een beitel. Elke vierkante centimeter scheen onder de littekens te zitten. Zijn mond leek wel een diagonale snee en er ontbrak een groot stuk van zijn neus. Maar vooral zijn ogen maakten hem zo angstaanjagend.

Een oog was klein, donker en kraalachtig en het andere groot, zo rond als een muntstuk en fel, helderblauw. Dat blauwe oog was onophoudelijk in beweging, maar knipperde nooit. Het rolde omhoog, omlaag, van links naar rechts, volkomen onafhankelijk van het normale oog — en opeens keerde het zelfs helemaal om en keek de schedel van de man in, zodat ze alleen nog een witte bol zagen.

De vreemdeling kwam bij Perkamentus en stak een hand uit die net zo gehavend was als zijn gezicht. Perkamentus gaf hem een hand en mompelde iets wat Harry niet kon verstaan. Hij scheen iets aan de vreemdeling te vragen, die ernstig zijn hoofd schudde en zachtjes antwoord gaf. Perkamentus knikte en gebaarde dat de man de lege stoel aan zijn rechterkant moest nemen.

De vreemdeling ging zitten, schudde zijn lange grijze haar uit zijn gezicht, trok een bord met worstjes naar zich toe, bracht dat naar het restant van zijn neus en rook eraan. Vervolgens haalde hij een klein mes uit zijn zak, prikte daar een worst aan en begon te eten. Zijn normale oog keek naar de worst, maar het blauwe oog dwaalde rusteloos rond en bestudeerde de zaal en de leerlingen.

‘Mag ik onze nieuwe leraar Verweer tegen de Zwarte Kunsten voorstellen?’ zei Perkamentus, die monter de stilte verbrak. ‘Professor Dolleman.’

Het was gebruikelijk dat nieuwe docenten begroet werden met applaus, maar niet een leraar of leerling klapte, behalve Perkamentus en Hagrid. Die brachten hun handen wel op elkaar, maar het geluid galmde akelig door de doodstille zaal en ze hielden er vlug mee op. Verder was iedereen zo gebiologeerd door Dollemans bizarre uiterlijk dat ze hem alleen maar konden aanstaren.

‘Dolleman?’ mompelde Harry tegen Ron. ‘Dwaaloog Dolleman? Dezelfde die je vader vanochtend is gaan helpen?’

‘Moet wel,’ zei Ron zachtjes en vol ontzag.

‘Wat is er met hem gebeurd?’ fluisterde Hermelien. ‘Wat is er met z’n gezicht gebeurd?’

‘Geen idee,’ fluisterde Ron op zijn beurt en hij staarde gefascineerd naar Dolleman.

Die was blijkbaar absoluut niet onder de indruk van het niet bepaald hartelijke welkom. Hij negeerde de kan pompoensap die voor hem stond, stak zijn hand in zijn reismantel, haalde een heupflacon tevoorschijn en nam een lange teug. Toen hij zijn arm ophief om de flacon naar zijn mond te brengen, werd zijn mantel een paar centimeter opgetrokken en zag Harry onder tafel het uiteinde van een rijk bewerkt houten been, dat eindigde in een klauwpoot.

Perkamentus schraapte opnieuw zijn keel.

‘Zoals ik al zei,’ vervolgde hij, glimlachend naar de leerlingen die nog steeds geboeid naar Dwaaloog Dolleman staarden, ‘is ons de eer te beurt gevallen om de komende maanden gastheer te zijn van een buitengewoon opwindend evenement, dat al meer dan een eeuw lang niet heeft plaatsgevonden. Tot mijn grote genoegen kan ik jullie mededelen dat dit jaar het Toverschool Toernooi gehouden zal worden op Zweinstein.’

‘Dat moet een GRAP zijn!’ zei Fred Wemel luid.

De gespannen sfeer die sinds de binnenkomst van Dolleman had geheerst verdween op slag. Bijna iedereen lachte en Perkamentus grinnikte waarderend.

‘Dat is geen grap, meneer Wemel,’ zei hij. ‘Hoewel ik, nu u het zegt, van de zomer wel een hele goeie hoorde over een trol, een feeks en een kabouter die aan de bar zitten en —’

Professor Anderling schraapte luid haar keel.

‘Eh — maar misschien is dit niet echt het juiste moment… nee… ’ zei Perkamentus. ‘Waar was ik ook alweer? O ja, het Toverschool Toernooi… aangezien sommigen van jullie waarschijnlijk niet weten wat dat Toernooi inhoudt, hoop ik dat degenen die dat wel weten me zullen vergeven dat ik een korte uitleg geef. Denk rustig aan iets anders, zou ik zeggen.

Het Toverschool Toernooi werd zo’n zevenhonderd jaar geleden voor het eerst gehouden en was bedoeld als vriendschappelijke krachtmeting tussen de drie grootste Europese toverscholen — Zweinstein, Beauxbatons en Klammfels. Iedere school koos een vertegenwoordiger en die drie vertegenwoordigers namen het tegen elkaar op tijdens drie magische opdrachten. De scholen waren omstebeurt gastheer van het Toernooi, dat elke vijf jaar werd gehouden en iedereen was het erover eens dat het een uitstekende manier was om vriendschapsbanden op te bouwen tussen jonge heksen en tovenaars van verschillende nationaliteiten — tot het aantal dodelijke slachtoffers de pan uitrees en het Toernooi gestaakt werd.’

‘Dodelijke slachtoffers?’ fluisterde Hermelien geschrokken. Maar de meeste andere leerlingen schenen haar ongerustheid niet te delen; velen zaten opgewonden te fluisteren en ook Harry was eerder nieuwsgierig naar het Toernooi zelf dan bezorgd om diegenen die honderden jaren geleden waren omgekomen.

‘In de loop der eeuwen zijn er meerdere pogingen gedaan om het Toernooi nieuw leven in te blazen, maar met weinig succes,’ vervolgde Perkamentus. ‘Onze eigen Departementen van Internationale Magische Samenwerking en Magische Sport en Recreatie hebben echter besloten dat de tijd rijp is om weer een poging te wagen. Gedurende de zomer zijn we druk in de weer geweest om te garanderen dat er deze keer niemand in levensgevaar zal komen te verkeren.

In oktober zullen de hoofden van Beauxbatons en Klammfels arriveren met hun geselecteerde kandidaten en de uitverkiezing van de drie kampioenen vindt tijdens Halloween plaats. Een onpartijdige waarnemer beslist welke leerlingen waardig zijn om te mogen strijden om de Toverschool Trofee, de eer van hun school en duizend Galjoenen persoonlijk prijzengeld.’

‘Ik doe mee!’ siste Fred Wemel. Zijn gezicht glom van enthousiasme bij het vooruitzicht op zoveel roem en rijkdom, maar hij was niet de enige die zich al als kampioen van Zweinstein zag. Aan alle afdelingstafels staarden de aanwezigen gefascineerd naar Perkamentus en voerden fervente fluistergesprekken met de leerlingen naast hen. Toen nam Perkamentus opnieuw het woord en werd het weer stil in de zaal.

‘Ik weet dat iedereen staat te trappelen om ervoor te zorgen dat de Toverschoolbeker bij Zweinstein terechtkomt,’ zei hij, ‘maar desondanks hebben de hoofden van de deelnemende scholen, in overleg met het Ministerie van Toverkunst, besloten deze keer een leeftijdslimiet te stellen aan de deelnemers. Alleen leerlingen die oud genoeg zijn — en dat betekent zeventien jaar of ouder — komen voor inschrijving in aanmerking. Dat —’ zei Perkamentus met enige stemverheffing, want verscheidene aanwezigen hadden verontwaardigd geprotesteerd en Fred en George Wemel keken woedend — ‘is naar ons idee een noodzakelijke maatregel, aangezien de opdrachten tijdens het Toernooi, ondanks al onze voorzorgsmaatregelen nog steeds bijzonder moeilijk en gevaarlijk zullen zijn. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat leerlingen die nog niet in het zesde of zevende jaar zijn, die aan zouden kunnen. Ik zal er persoonlijk op toezien dat te jonge leerlingen, die van plan zijn onze neutrale waarnemer een poets te bakken, niet in hun snode opzet zullen slagen om Zweinsteins kampioen te worden.’ Zijn lichtblauwe ogen twinkelden vrolijk toen ze over de opstandige gezichten van Fred en George gleden. ‘Ik zou jullie daarom beleefd willen verzoeken geen kansloze inschrijvingen te doen als jullie nog geen zeventien zijn.

De afvaardigingen van Beauxbatons en Klammfels arriveren in oktober en zullen het grootste gedeelte van het jaar op onze school verblijven. Ik weet zeker dat jullie onze buitenlandse gasten met alle egards zullen behandelen en jullie volledige steun zullen geven aan de kampioen van Zweinstein, als hij of zij eenmaal gekozen is. En nu is het al laat en ik weet hoe belangrijk het is om alert en goed uitgeslapen te zijn als jullie morgenochtend met de lessen beginnen. Naar bed! Hoppa hoppa!’

Perkamentus ging zitten en begon met Dolleman te praten. Er klonk een hoop gekletter en geschraap toen de leerlingen opstonden en door de dubbele deuren naar buiten stroomden.

‘Dat kunnen ze niet maken!’ zei George Wemel, die niet samen met de anderen was meegelopen naar de deur, maar woedend naar Perkamentus keek. ‘In april worden we zeventien. Waarom krijgen wij geen kans?’

‘Mij houden ze niet tegen,’ zei Fred koppig, die eveneens naar de Oppertafel keek. ‘Die kampioenen mogen vast allerlei dingen doen waar je normaal nooit toestemming voor zou krijgen. En duizend Galjoenen aan prijzengeld!’

‘Ja,’ zei Ron, met een dromerige blik. ‘Ja, duizend Galjoenen…’

‘Kom op,’ zei Hermelien. ‘Als jullie nog lang blijven staan, zijn we dadelijk de enigen in de zaal.’

Harry, Ron, Hermelien, Fred en George gingen op weg naar de hal, terwijl Fred en George druk praatten over de eventuele manieren waarop Perkamentus zou kunnen voorkomen dat leerlingen die jonger waren dan zeventien zich voor het Toernooi zouden inschrijven.

‘Wie is de onpartijdige waarnemer die moet beslissen wie het wordt?’ vroeg Harry.

‘Geen idee,’ zei Fred, ‘maar die moeten we om de tuin zien te leiden. Misschien dat een paar druppeltjes Verouderingsdrank al voldoende zijn, George…’

‘Maar Perkamentus weet dat jullie te jong zijn,’ zei Ron.

‘Klopt, maar hij kiest de kampioen niet uit, hè?’ zei Fred scherpzinnig. ‘Zo te horen kiest die waarnemer de beste van elke school uit zodra hij weet wie zich ingeschreven heeft en dan doet het er niet meer toe hoe oud ze zijn. Perkamentus wil voorkomen dat wij onze namen opgeven.’

‘Maar er zijn dodelijke slachtoffers gevallen!’ zei Hermelien ongerust toen ze een deur doorgingen die verborgen was achter een wandtapijt en een andere, smallere trap opliepen.

‘Jawel,’ zei Fred luchtig, ‘maar dat was jaren geleden, of niet soms? Bovendien is er geen lol aan als het niet een beetje gevaarlijk is. He Ron, schrijf jij je ook in als we kunnen uitvogelen hoe we Perkamentus te slim af kunnen zijn?’

‘Wat vind je?’ vroeg Ron aan Harry. ‘Het zou wel cool zijn om mee te doen, hè? Maar ze zullen wel oudere leerlingen zoeken… ik weet niet of wij al genoeg geleerd hebben…’

‘Ik zeker niet,’ zei Marcel somber achter Fred en George. ‘Dat zou m’n oma vast graag willen, want ze zaagt me altijd maar door over het hooghouden van de familie-eer. Ik denk dat ik — oeps…’

Marcels voet was halverwege de trap dwars door een trede gezakt. Er waren veel van die valstriktrappen op Zweinstein en de meeste oudere leerlingen sprongen inmiddels automatisch over die trede heen, maar Marcel had een geheugen als een zeef. Harry en Ron pakten hem onder zijn armen en trokken hem weer omhoog, terwijl een harnas dat boven aan de trap stond, kletterde en rammelde en pieperig lachte.

‘Klep dicht!’ zei Ron en hij sloeg in het voorbijgaan het vizier van het harnas omlaag.

Ze klommen omhoog naar de ingang van de toren van Griffoendor, die verborgen was achter een groot portret van een dikke dame in een roze zijden jurk.

‘Wachtwoord?’ vroeg ze toen ze aan kwamen lopen.

‘Apekool,’ zei George. ‘Dat heb ik beneden van een klassenoudste gehoord.’

Het portret zwaaide opzij en er werd een gat in de muur zichtbaar, waar ze allemaal doorheen klommen. De ronde leerlingenkamer werd verwarmd door een knappend haardvuur en stond vol tafeltjes en lage, comfortabele fauteuils. Hermelien wierp een duistere blik op de vrolijk knetterende vlammen en Harry hoorde haar duidelijk ‘slavenarbeid’ mompelen, voor ze welterusten zei en verdween door de deur die naar de meisjesslaapzaal leidde.

Harry, Ron en Marcel liepen een laatste wenteltrap op naar hun eigen slaapzaal, die zich helemaal boven in de toren bevond. Tegen de muren stonden vijf hemelbedden met donkerrode gordijnen en aan het voeteneinde van elk bed stond de hutkoffer van de eigenaar. Daan en Simon lagen al in bed; Simon had zijn Ierse rozet op het hoofdeinde van zijn bed geprikt en Daan een poster van Viktor Kruml boven zijn nachtkastje, vlak naast zijn oude poster van het voetbalelftal van West Ham.

‘Achterlijk!’ zuchtte Ron hoofdschuddend bij het zien van de onbewegelijke voetballers.

Harry, Ron en Marcel trokken hun pyjama aan en klommen ook in bed. Iemand — ongetwijfeld een huis-elf — had beddenpannen tussen de lakens gedaan. Het was heel behaaglijk om lekker in bed te liggen en te luisteren hoe buiten de storm woedde.

‘Misschien schrijf ik me wel in,’ zei Ron slaperig in het donker. ‘Als Fred en George tenminste uitknobbelen… het Toernooi… je weet maar nooit, hè?’

‘Zal wel niet…’ Harry draaide zich om. In gedachten zag hij een reeks nieuwe, sensationele beelden… hij had de neutrale waarnemer wijsgemaakt dat hij zeventien was… hij was de kampioen van Zweinstein… hij stond op het grasveld voor het kasteel, met zijn armen triomfantelijk opgestoken, terwijl de hele school juichte en klapte… hij had de Toverschool Trofee veroverd… eigenlijk was alleen het gezicht van Cho duidelijk zichtbaar in de wazige mensenmassa, stralend van bewondering…

Harry grijnsde in zijn kussen, buitengewoon blij dat Ron niet kon zien wat hij zag.

Hoofdstuk 13

DWAALOOG DOLLEMAN

De volgende ochtend was de storm geluwd, hoewel het plafond van de Grote Zaal er nog steeds somber uitzag; dikke, loodgrijze wolken kolkten boven hun hoofden terwijl Harry, Ron en Hermelien tijdens het ontbijt hun nieuwe lesroosters bestudeerden. Een paar plaatsen verderop bespraken Fred, George en Leo Jordaan magische methoden om ouder te worden en zich het Toverschool Toernooi in te bluffen.

‘Vandaag is niet zo erg… we zijn de hele ochtend buiten,’ zei Ron, die zijn lesrooster bekeek en met zijn vinger langs de kolom voor maandag ging. ‘Kruidenkunde met de Huffelpufs en dan Verzorging van Fabeldieren… hé Getver, dat is nog steeds samen met de Zwadderaars…’

‘En vanmiddag een blokuur Waarzeggerij,’ kreunde Harry na een blik op zijn eigen rooster. Waarzeggerij was zijn minst favoriete vak, op Toverdranken na. Professor Zwamdrift voorspelde constant Harry’s naderende dood, wat buitengewoon irritant was.

‘Je had het moeten laten vallen, net als ik,’ zei Hermelien gedecideerd, terwijl ze een sneetje brood smeerde. ‘Dan had je een vak kunnen kiezen waar je tenminste iets aan hebt, zoals Voorspellend Rekenen.’

‘Ik zie dat je hongerstaking voorbij is,’ zei Ron, die keek hoe Hermelien een dikke laag jam op haar beboterde boterham deed.

‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat er betere manieren zijn om op te komen voor de rechten van de elf,’ zei Hermelien hooghartig.

‘Ja… en je verging ook van de honger,’ zei Ron grijnzend.

Plotseling klonk er een ruisend geluid en vlogen er wel honderd uilen door de open ramen naar binnen, om de ochtendpost te bezorgen. Harry keek onwillekeurig op, maar zag geen wit tussen al het bruin en grijs. De uilen cirkelden om de tafels en zochten de leerlingen aan wie hun brieven en pakjes geadresseerd waren. Een grote bosuil scheerde omlaag en gooide een pakje op de schoot van Marcel Lubbermans — Marcel vergat vrijwel altijd iets in te pakken. Aan de andere kant van de zaal was de oehoe van Draco Malfidus op zijn schouder geland en had hem de gebruikelijke voorraad gebak en snoep van thuis gebracht. Harry probeerde het holle gevoel van teleurstelling in zijn maag te negeren en concentreerde zich weer op zijn havermout. Was het mogelijk dat er iets met Hedwig was gebeurd en dat Sirius die brief nooit had gekregen?

Ook terwijl ze over het zompige pad door de moestuin liepen bleef hij piekeren, tot ze bij Kas Drie waren. Daar werden zijn gedachten afgeleid door professor Stronk, die haar leerlingen de lelijkste planten toonde die Harry ooit onder ogen had gehad. Het leken niet zozeer planten als wel reusachtige, dikke, zwarte slakken, die rechtop uit de grond staken. Elke plant pulseerde een beetje en zat onder de grote, glanzende zweren, die zo te zien gevuld waren met vloeistof.

‘Fisteldistels,’ zei professor Stronk afgemeten. ‘Ze moeten hoognodig uitgeknepen worden. Jullie verzamelen de pus —’

‘De wat?’ zei Simon Filister vol walging.

‘Pus, Filister, pus!’ zei professor Stronk. ‘Die is uiterst waardevol, dus mors er alsjeblieft niet mee. Jullie verzamelen de pus in deze flessen. Doe jullie handschoenen van drakenhuid aan, want onverdunde Fisteldistelpus heeft een rare uitwerking op de huid.’

Het uitknijpen van de Fisteldistels was ontzettend goor werk, maar ook merkwaardig bevredigend. Als er een zweer open knapte, gutste er een hoop dik, geelgroen vocht uit, dat sterk naar benzine rook. Ze vingen het op in flessen, zoals professor Stronk gezegd had en tegen het einde van de les hadden ze een paar liter verzameld.

‘Zo, dan is madame Plijster ook weer tevreden,’ zei professor Stronk, die een kurk in de laatste fles sloeg. ‘Fisteldistelpus is een uitstekende remedie tegen hardnekkige jeugdpuistjes. Dan hoeven leerlingen tenminste geen extreme maatregelen te nemen als ze van hun pukkels afwillen.’

‘Zoals die arme Herpine Zoster,’ zei Hannah Albedil van Huffelpuf zacht. ‘Die probeerde haar puistjes weg te vervloeken.’

‘Dom wicht,’ zei professor Stronk hoofdschuddend. ‘Maar goed, uiteindelijk wist madame Plijster haar neus terug te plaatsen.’

Vanuit het kasteel galmde een zware bel over het natte schoolterrein, ten teken dat de les was afgelopen. De klas splitste zich; de Huffelpufs klommen het stenen bordes op voor hun les Gedaanteverwisselingen en de Griffoendors gingen de andere kant op en liepen over het glooiende gazon naar Hagrids kleine houten huisje, dat zich aan de rand van het Verboden Bos bevond.

Hagrid stond voor zijn huisje en hield met een hand de halsband vast van Muil, zijn reusachtige zwarte wolfshond. Naast hem stonden verscheidene open kratten en Muil jankte zacht en trok aan zijn halsband, blijkbaar omdat hij de inhoud van de kratten nader wilde onderzoeken. Toen ze dichterbij kwamen hoorden ze een raar, ratelend geluid, afgewisseld met kleine explosies.

‘Morgen!’ zei Hagrid en hij grijnsde tegen Harry, Ron en Hermelien. ‘Nog effe wachten op die Zwadderaars, die willen dit geheid niet missen — Schroeistaartige Skreeften!’

‘Pardon?’ zei Ron.

Hagrid wees op de kratten.

‘Getver!’ piepte Belinda Broom, die terugdeinsde.

‘Getver’ was naar Harry’s mening het enige juiste woord voor de Schroeistaartige Skreeften. Ze leken wel wat op mismaakte, schaalloze krabben, afzichtelijk bleek en slijmerig. Op de merkwaardigste plaatsen staken er poten uit en de leerlingen konden nergens een kop ontdekken. Elke krat bevatte er een stuk of honderd, van zo’n vijftien centimeter lang, die over elkaar kropen en blind tegen de zijkanten van de kisten stootten. Ze verspreidden een doordringende geur van rotte vis. Om de zoveel tijd schoten er vonken uit het achterlijf van een Skreeft en vloog hij met een kleine peng een paar centimeter door de lucht.

‘Ze bennen pas uitgekomen,’ zei Hagrid trots, ‘dus kennen jullie ze zelf grootbrengen! Ken een leuk studieproject wezen!’

‘En waarom zouden we ze willen grootbrengen?’ zei een kille stem.

De Zwadderaars waren gearriveerd. Draco Malfidus was hun woordvoerder en Korzel en Kwast grinnikten waarderend om zijn opmerking.

Het was alsof Hagrid geen antwoord wist op die vraag.

‘Ik bedoel, waar zijn ze goed voor?’ vroeg Malfidus. ‘Wat hebben ze voor nut?’

Hagrid deed zijn mond open en dacht blijkbaar verwoed na; een paar tellen lang bleef het stil en toen zei hij bruusk: ‘Dat komt volgende les pas, Malfidus. Vandaag motten jullie ze alleen voeren. Jullie motten een paar dingetjes uitproberen — ik heb nog nooit eerder Skreeften gehad en ik weet niet wat ze vreten — maar ik heb miereneieren en kikkerlevertjes en schijfjes ringslang — kijk maar ’s wat ze lekker vinden.’

‘Eerst pus en nu dit!’ mompelde Simon.

Als ze niet zo op Hagrid gesteld waren geweest, hadden Harry, Ron en Hermelien geweigerd om handenvol snotterige kikkerlevertjes in de kisten te steken om de Schroeistaartige Skreeften aan het eten te krijgen. Harry had het knagende gevoel dat het allemaal volstrekt zinloos was, omdat de Skreeften geen bek schenen te hebben.

‘Au!’ schreeuwde Daan Tomas na een minuut of tien. ‘Hij heeft me verbrand!’

Hagrid liep haastig naar hem toe, met een bezorgd gezicht.

‘Plotseling spoot er vuur uit z’n achterste!’ zei Daan nijdig en hij liet Hagrid een schroeiplek op zijn hand zien.

‘Ja, dat ken wel ’s gebeuren als ze gas geven,’ zei Hagrid knikkend.

‘Getver!’ zei Belinda Broom opnieuw. ‘Getver, Hagrid, wat is dat voor puntig geval op die Skreeft?’

‘O ja, sommige hebben angels,’ zei Hagrid enthousiast (Belinda trok haar hand vliegensvlug terug uit de kist). ‘Volgens mijn zijn dat de mannetjes… de wijffies hebben een soortement zuignappen op hun buik… volgens mijn om bloed mee uit te zuigen.’

‘Nu begrijp ik pas waarom we ze in leven proberen te houden,’ zei Malfidus sarcastisch. ‘Wie wil er nou geen huisdier dat je in een klap kan verbranden, steken en bijten?’

‘Dat ze niet mooi zijn wil nog niet zeggen dat ze niet nuttig zijn!’ beet Hermelien hem toe. ‘Drakenbloed heeft ontzettend veel toverkracht, maar je zou geen draak als huisdier willen, of wel?’

Harry en Ron grijnsden naar Hagrid, die stiekem tegen hen glimlachte achter zijn warrige zwarte baard. Hagrid zou een draak als huisdier juist het einde hebben gevonden, zoals Harry, Ron en Hermelien maar al te goed wisten — tijdens hun eerste jaar op Zweinstein was hij korte tijd de trotse eigenaar geweest van Norbert, een ongelooflijk valse Noorse Bultrug. Hagrid was dol op monsters — hoe dodelijker hoe beter.

‘Nou, die Skreeften zijn tenminste klein,’ zei Ron, toen ze een uur later terugliepen naar het kasteel voor het middagmaal.

‘Nu wel, ja,’ zei Hermelien geërgerd, ‘maar zodra Hagrid heeft uitgeknobbeld wat ze eten, worden ze vast twee meter lang.’

‘Dat geeft toch niet als blijkt dat ze het geneesmiddel zijn tegen zeeziekte of zo?’ zei Ron met een besmuikte grijns.

‘Je weet best dat ik dat alleen maar zei om Malfidus een toontje lager te laten zingen,’ zei Hermelien. ‘Eerlijk gezegd denk ik dat hij groot gelijk heeft. We zouden die Skreeften beter meteen kunnen plattrappen voor ze ons te lijf gaan.’

Ze gingen aan de tafel van Griffoendor zitten en schepten lamskoteletjes en aardappels op. Hermelien begon zo snel te eten dat Harry en Ron haar verbouwereerd aanstaarden.

‘Eh — is dit soms de nieuwste actie voor de rechten van de elf?’ zei Ron. ‘Je misselijk eten in plaats van in hongerstaking gaan?’

‘Nee,’ zei Hermelien, met alle waardigheid die ze maar kon opbrengen met haar mond vol spruitjes. ‘Ik wil alleen maar gauw naar de bibliotheek.’

‘Wat?’ zei Ron vol ongeloof. ‘Hermelien — dit is onze eerste schooldag! We hebben nog niet eens huiswerk opgekregen!’

Hermelien haalde haar schouders op en bleef schrokken alsof ze al dagen niets gegeten had. Toen haar bord leeg was sprong ze overeind, zei: ‘Tot vanavond!’ en was in een oogwenk vertrokken.

Na de bel die het einde van de middagpauze aankondigde, gingen Harry en Ron op weg naar Waarzeggerij. Boven aan een smalle wenteltrap in de Noordertoren leidde een zilveren ladder naar een rond luik in het plafond en de ruimte waar professor Zwamdrift lesgaf.

Zodra ze hun hoofd door het luik staken, roken ze de vertrouwde, zoetige geur die altijd opsteeg uit het haardvuur. De gordijnen waren dicht, zoals gewoonlijk, en de ronde kamer baadde in het roodachtige licht van vele lampen, waar sjaals en doeken over gedrapeerd waren. Harry en Ron wurmden zich tussen de vele, reeds bezette gebloemde fauteuiltjes en poefs door en gingen aan hun vaste ronde tafeltje zitten.

‘Goedemiddag,’ zei de dromerige stem van professor Zwamdrift vlak achter Harry en hij schrok zich een ongeluk.

Professor Zwamdrift, een broodmagere vrouw met een enorme bril, waardoor haar ogen veel te groot leken voor haar gezicht, staarde Harry aan met de tragische gelaatsuitdrukking die ze speciaal voor hem scheen te bewaren. Haar gebruikelijke overdaad aan kralen, kettingen en armbanden glansde en glitterde in het licht van het haardvuur.

‘Je bent bezorgd, beste jongen,’ zei ze somber tegen Harry. ‘Mijn Innerlijke Oog ziet dwars door je dappere masker heen en ontwaart de gekwelde ziel die daarachter schuilgaat. En helaas moet ik zeggen dat je alle reden hebt om je zorgen te maken. Er liggen moeilijke tijden voor je in het verschiet… heel moeilijke tijden… ik ben bang dat de gebeurtenis die je vreest inderdaad zal plaatsvinden… en misschien eerder dan je denkt…’

Haar stem werd bijna een gefluister. Ron keek Harry aan en sloeg zijn ogen ten hemel, maar Harry vertrok geen spier. Professor Zwamdrift schreed langs hen heen en ging in een grote oorfauteuil bij de haard zitten, met haar gezicht naar de klas. Belinda Broom en Parvati Patil, die diep ontzag koesterden voor professor Zwamdrift, zaten op een poef vlak bij haar.

‘Beste leerlingen, het is tijd om de sterren in ogenschouw te nemen,’ zei professor Zwamdrift. ‘De bewegingen van de planeten en de mysterieuze voortekenen die ze alleen openbaren aan hen die de passen van hun hemelse dans doorgronden. Het lot der mensen kan afgelezen worden uit de stand van de planeten en hun onderlinge…’

Harry’s gedachten dwaalden al snel af. Hij werd altijd slaperig en duf van de zoetige rook van het haardvuur en de langdradige verhandelingen van professor Zwamdrift hadden hem nooit echt kunnen boeien — hoewel hij onwillekeurig moest denken aan wat ze zojuist gezegd had… ‘Ik een bang dat de gebeurtenis die je vreest inderdaad zal plaatsvinden…’

Maar Hermelien had gelijk, dacht Harry geïrriteerd. Professor Zwamdrift was een oude oplichtster. Hij was op dit moment helemaal nergens bang voor… behalve misschien dat Sirius was opgepakt… maar hoe zou professor Zwamdrift dat kunnen weten? Harry was al lang tot de conclusie gekomen dat haar vorm van helderziendheid voornamelijk bestond uit veel fortuinlijk giswerk en een mysterieuze en onheilspellende manier van doen.

Behalve natuurlijk die ene keer aan het eind van vorig schooljaar, toen ze die voorspelling had gedaan over Voldemort die zou herrijzen… en Perkamentus had zelf gezegd dat die trance waarschijnlijk echt was geweest toen Harry hem beschreven had…

‘Harry!’ mompelde Ron.

‘Wat?’

Harry keek om zich heen; bijna de hele klas staarde hem aan. Hij ging rechtop zitten; hij was bijna in slaap gesukkeld, bevangen door de warmte en in de ban van zijn gedachten.

‘Ik zei, beste jongen, dat je duidelijk geboren bent onder de kwaadaardige invloed van Saturnus,’ zei professor Zwamdrift. Ze klonk een beetje gepikeerd, waarschijnlijk omdat hij niet aan haar lippen had gehangen.

‘Geboren onder- wat? Sorry hoor,’ zei Harry.

‘Saturnus, beste jongen, de planeet Saturnus!’ zei professor Zwamdrift, nu duidelijk geïrriteerd omdat hij niet opgewonden raakte van dit nieuwtje. ‘Ik zei net dat Saturnus in ascendant moet zijn geweest op het moment van je geboorte… je donkere haar… je schriele postuur… het tragische verlies dat je zo jong al geleden hebt… ik durf met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te stellen dat je in de winter geboren bent.’

‘Nee,’ zei Harry. ‘In juli.’

Ron camoufleerde zijn lach gauw als een droge hoest.

Een halfuur later waren alle leerlingen voorzien van een ingewikkelde ronde kaart en deden ze pogingen om de posities aan te geven die de planeten hadden ingenomen toen ze geboren werden. Het was oersaai werk, waarbij veel tabellen geraadpleegd en hoeken berekend moesten worden.

‘Ik heb hier twee keer Neptunus staan,’ zei Harry na een tijdje en hij keek fronsend naar zijn perkament. ‘Dat kan toch niet kloppen?’

‘Aaaah,’ zei Ron, die de mystieke fluistertoon van professor Zwamdrift imiteerde, ‘als Neptunus tweemaal aan de hemel staat, is dat een teken dat er een bebrilde dwerg geboren gaat worden, beste jongen…’

Simon en Daan, die naast Harry en Ron zaten, grinnikten luid, maar niet luid genoeg om de opgewonden kreetjes van Belinda Broom te overstemmen. ‘O professor, kijk! Volgens mij heb ik hier een onbekend hemellichaam. Ooo, wat is dat voor hemellichaam, professor?’

‘Dat is de planeet Uranus,’ zei professor Zwamdrift, die naar haar kaart tuurde.

‘He Belinda, mag ik je hemelse lichaam ook eens zien?’ zei Ron.

Het was heel jammer dat professor Zwamdrift die opmerking hoorde en misschien was dat wel de reden dat ze hen zoveel huiswerk meegaf.

‘Een gedetailleerde analyse van de wijze waarop de planetaire bewegingen jullie deze maand zullen beïnvloeden, met verwijzingen naar jullie persoonlijke kaart,’ zei ze bruusk en ze klonk opeens lang niet meer zo dromerig en wazig en veel meer als professor Anderling. ‘Maandag inleveren en geen smoesjes!’

‘Misselijke ouwe zuurpruim!’ zei Ron verbitterd terwijl ze zich aansloten bij de drommen leerlingen die de trappen afliepen naar de Grote Zaal, voor het avondeten. ‘Daar zijn we mooi het hele weekend zoet mee…’

‘Lekker veel huiswerk?’ zei Hermelien opgewekt toen ze hen inhaalde. ‘Professor Vector heeft ons helemaal niets gegeven.’

‘Nou, een hoeraatje voor professor Vector,’ zei Ron sikkeneurig.

De hal stond vol met leerlingen die wachtten tot ze naar binnen konden om te eten. Ze hadden zich net achter in de rij aangesloten toen een luide stem riep:

‘Wemel! Hé, Wemel!’

Harry, Ron en Hermelien draaiden zich om. Malfidus, Korzel en Kwast stonden achter hen en keken heel erg zelfvoldaan.

‘Wat nou weer?’ zei Ron kortaf.

‘Je vader staat in de krant, Wemel!’ zei Malfidus. Hij zwaaide met de Ochtendprofeet en praatte heel hard, zodat iedereen in de hal hem kon verstaan. ‘Moet je horen!’

NIEUWE BLUNDERS OP MINISTERIE VAN TOVERKUNST

door onze speciale verslaggeefster Rita Pulpers

Het ziet ernaar uit dat de problemen op het Ministerie van Toverkunst nog niet voorbij zijn. Het Ministerie, dat onlangs al onder vuur kwam te liggen wegens de gebrekkige veiligheidsmaatregelen tijdens het WK Zwerkbal, heeft nog steeds geen verklaring voor de verdwijning van een van zijn heksen en werd gisteren opnieuw in verlegenheid gebracht door de capriolen van Arnold Wemel, van de Afdeling Misbruikpreventie van Dreuzelvoorwerpen.

Malfidus keek op. ‘Dat ze nog niet eens z’n naam goed gespeld hebben, hè Wemel? Je zou nog denken dat hij een volslagen nul was,’ kraaide hij. Iedereen in de hal luisterde nu. Malfidus streek de krant met een zwierig gebaar glad en vervolgde:

Arnold Wemel, die twee jaar geleden beschuldigd werd van het bezit van een vliegende auto, kwam gisteren in aanvaring met verscheidene Dreuzelwetshandhavers (’politiemensen’) naar aanleiding van een aantal hoogst agressieve vuilnisbakken. Blijkbaar was de heer Wemel de bekende ‘Dwaaloog’ Dolleman te hulp geschoten, de bejaarde ex-Schouwer van het Ministerie die met pensioen werd gestuurd toen hij geen onderscheid meer kon maken tussen een vriendelijke handdruk en een poging tot moord. Het zal dan ook niemand verbazen dat de heer Wemel, toen hij bij het zwaarbewaakte huis van Dolleman arriveerde, tot de conclusie kwam dat Dolleman voor de zoveelste keer vals alarm had geslagen. De heer Wemel was gedwongen om diverse geheugens te modificeren voor hij aan de politiemensen kon ontsnappen, maar weigerde in te gaan op vragen van de Ochtendprofeet, zoals waarom hij het Ministerie betrokken had bij zo’n onwaardige en potentieel genante confrontatie.

‘En er staat een foto bij, Wemel!’ zei Malfidus, die de krant omdraaide en omhooghield. ‘Een foto van je ouders voor hun huis — als je dat tenminste een huis kunt noemen! Je moeder mag trouwens wel eens een beetje afvallen, hè?’

Ron trilde van woede. Iedereen staarde hem aan.

‘Krijg de klere, Malfidus!’ zei Harry. ‘Kom mee, Ron…’

‘O ja, jij hebt van de zomer bij ze gelogeerd, hè Potter?’ sneerde Malfidus. ‘Zeg eens, is z’n moeder echt zo dik of ligt dat aan de foto?’

‘Ik heb laatst jouw moeder gezien, Malfidus,’ zei Harry — hij en Hermelien hadden Ron allebei bij de achterkant van zijn gewaad gegrepen, om te voorkomen dat hij Malfidus te lijf zou gaan. ‘Die smoel van haar, alsof ze poep onder haar neus heeft — kijkt ze altijd zo, of was dat alleen maar omdat jij erbij was?’

Het bleke gezicht van Malfidus werd een beetje roze.

‘Waag het niet om mijn moeder te beledigen, Potter.’

‘Hou je grote rotkop dan dicht!’ zei Harry, die zich omdraaide.

BENG!

Er werd gegild. Harry voelde iets witheets langs zijn wang schampen — hij stak vlug zijn hand in zijn gewaad om zijn toverstok te trekken, maar voor hij die zelfs maar had aangeraakt, hoorde hij een tweede keiharde BENG en een woedende brul die door de hal galmde.

‘DAT HAD JE GEDACHT, JOCHIE!’

Harry draaide zich vliegensvlug om. Professor Dolleman hinkte de marmeren trap af. Hij had zijn toverstok in zijn hand en hield die op een sneeuwwitte fret gericht, die trillend ineengedoken zat op de stenen plavuizen, precies op de plaats waar Malfidus had gestaan.

Er viel een doodsbange stilte in de hal. Niemand verroerde een vin, behalve Dolleman. Die draaide zich om en keek Harry aan — of in ieder geval met zijn normale oog; zijn andere oog keek achterom, zijn schedel in.

‘Heeft hij je geraakt?’ gromde Dolleman. Zijn stem was laag en schraperig.

‘Nee,’ zei Harry. ‘Hij miste net.’

‘BLIJF AF!’ schreeuwde Dolleman.

‘Waar, waar vanaf?’ zei Harry verbouwereerd.

‘Jij niet — hij!’ gromde Dolleman en hij gebaarde met zijn duim naar Korzel, die op het punt had gestaan om de witte fret op te pakken, maar abrupt verstijfd was. Blijkbaar had Dollemans dwalende oog magische eigenschappen en kon het dwars door zijn achterhoofd kijken.

Dolleman hinkte naar Korzel, Kwast en de fret, die angstig piepte en richting kerkers sprintte.

‘Vergeet het maar!’ brulde Dolleman. Hij wees opnieuw met zijn toverstok op de fret en die vloog drie meter de lucht in, smakte op de grond en stuitte weer omhoog.

‘Ik hou niet van gluiperds die toeslaan als hun tegenstander zich heeft omgedraaid,’ gromde Dolleman terwijl de fret hoger en hoger stuitte, piepend van pijn. ‘Smerige, laffe, achterbakse trucjes…’

De fret vloog door de lucht en zijn poten en staart maaiden wild in het rond.

‘Doe — dat — nooit — meer —’ zei Dolleman, die elk woord benadrukte door de fret op de stenen vloer te laten stuiteren.

‘Professor Dolleman!’ zei een geschokte stem.

Professor Anderling kwam de marmeren trap af, met haar armen vol boeken.

‘Hallo, Anderling,’ zei Dolleman kalm en hij liet de fret nog hoger stuiten.

‘Wat — wat doet u daar?’ vroeg professor Anderling en haar blik volgde de baan van de stuitende fret.

‘Iemand een lesje leren,’ zei Dolleman.

‘Een les — Dolleman, is dat een leerling?’ krijste professor Anderling, die haar boeken liet vallen.

‘Klopt,’ zei Dolleman.

‘Nee!’ riep professor Anderling, die de trap afrende en haar eigen toverstok greep; een tel later klonk er een harde klik en lag Draco Malfidus in een slappe hoop op de stenen vloer, met zijn sluike blonde haar in warrige pieken voor zijn nu knalroze gezicht. Met een van pijn vertrokken gelaat krabbelde hij overeind.

‘Dolleman, op Zweinstein gebruiken we Gedaanteverwisseling nooit als straf!’ zei professor Anderling zwakjes. ‘Dat heeft professor Perkamentus toch zeker wel verteld?’

‘Misschien heeft hij er iets over gezegd, ja,’ zei Dolleman, die nonchalant aan zijn kin krabde. ‘Maar ik dacht dat in dit geval de harde hand —’

‘We geven hier strafwerk, Dolleman! Of we lichten het afdelingshoofd van de overtreder in!’

‘Oké, dan doe ik dat,’ zei Dolleman, die Malfidus vol afkeer aanstaarde.

Malfidus, wiens ogen nog steeds traanden van pijn en vernedering, keek Dolleman boosaardig aan en mompelde iets waarvan alleen de woorden ‘m’n vader’ verstaanbaar waren.

‘O ja?’ zei Dolleman kalm en hij hinkte een paar passen naar Malfidus toe, zodat de doffe bonk van zijn houten been door de hal galmde. ‘Ik ken je vader nog van vroeger, jongen… zeg maar tegen hem dat Dolleman z’n zoontje heel goed in de gaten houdt… zeg maar dat ik dat gezegd heb… je afdelingshoofd is zeker Sneep, hè?’

‘Ja,’ zei Malfidus wrokkig.

‘Nog zo’n oude vriend,’ gromde Dolleman. ‘Ik verheugde me al op een praatje met Sneep. Vooruit, meekomen jij…’ Hij greep Malfidus bij zijn arm en sleepte hem mee naar de kerkers.

Professor Anderling keek hen even bezorgd na en zwaaide toen met haar toverstok naar haar gevallen boeken, die omhoog vlogen en weer in haar armen landden.

‘Zeg alsjeblieft niks tegen me,’ zei Ron tegen Harry en Hermelien, toen ze een paar minuten later aan de tafel van Griffoendor zaten en overal opgewonden gepraat werd over wat er zojuist was gebeurd.

‘Waarom niet?’ vroeg Hermelien verbaasd.

‘Omdat ik dat voor altijd in m’n geheugen wil prenten,’ zei Ron, met gesloten ogen en een extatisch gezicht. ‘Draco Malfidus, de wonderbaarlijke stuitende fret…’

Harry en Hermelien lachten en Hermelien begon stoofpot op hun borden te scheppen.

‘Hij had Malfidus anders wel blijvend letsel kunnen bezorgen,’ zei ze. ‘Eigenlijk was het goed dat professor Anderling tussenbeide kwam —’

‘Hermelien!’ zei Ron woedend en hij deed zijn ogen even open, ‘je verpest het mooiste moment van m’n leven!’

Hermelien maakte een ongeduldig geluidje en begon weer op topsnelheid te eten.

‘Je wilt toch niet zeggen dat je vanavond weer naar de bieb gaat?’ zei Harry.

‘Moet wel,’ zei Hermelien met volle mond. ‘Veel te doen.’

‘Maar je zei dat professor Vector —’

‘ ’t Is geen huiswerk,’ zei ze. Binnen vijf minuten had ze haar bord leeg en was ze weer vertrokken.

Ze was nog niet weg of haar plaats werd ingenomen door Fred Wemel. ‘Dolleman!’ zei hij. ‘Weet je hoe cool die is?’

‘Cooler dan cool,’ zei George, die tegenover Fred ging zitten.

‘Supercool,’ zei Leo Jordaan, de beste vriend van de tweeling, die zich op het plaatsje naast George liet neerzakken. ‘We hebben hem vanmiddag gehad,’ zei hij tegen Harry en Ron.

‘Hoe was het?’ vroeg Harry gretig.

Fred, George en Leo keken elkaar aan.

‘Zo’n les hebben we nog nooit gehad!’ zei Fred.

‘Hij weet het, jongen,’ zei Leo.

‘Wat weet hij?’ zei Ron, die zich vooroverboog.

‘Hoe het is om gewoon die toverstok te pakken en het te doen,’ zei George onder de indruk.

‘Wat te doen?’ vroeg Harry.

‘De Zwarte Kunsten bestrijden,’ zei Fred.

‘Hij heeft het allemaal meegemaakt,’ zei George.

‘Echt ranzig vet!’ zei Leo.

Ron pakte haastig zijn tas en zocht zijn lesrooster.

‘Wij hebben hem pas donderdag!’ zei hij teleurgesteld.

Hoofdstuk 14

DE ONVERGEEFLIJKE VLOEKEN

Twee dagen gingen voorbij zonder dat er veel bijzonders gebeurde, behalve misschien het feit dat Marcel tijdens Toverdrankles zijn zesde ketel liet smelten. Professor Sneep leek tijdens de vakantie nieuwe hoogten van wraakzucht en rancune bereikt te hebben en gaf Marcel strafwerk dat hem aan het randje van een zenuwinzinking bracht: hij moest een grote ton vol gehoornde padden villen en schoonmaken.

‘Je weet toch waarom Sneep zo’n pesthumeur heeft, hè?’ zei Ron tegen Harry, terwijl Hermelien Marcel een Schrobspreuk leerde om de kleine sliertjes paddendarm onder zijn nagels uit te kunnen krijgen.

‘Natuurlijk,’ zei Harry. ‘Dolleman.’

Zo’n beetje iedereen wist dat Sneep aasde op het baantje van leraar Verweer tegen de Zwarte Kunsten en dat dit al het vierde jaar op rij was dat hij ernaast greep. Sneep had hun vorige docenten Verweer tegen de Zwarte Kunsten niet kunnen uitstaan en had dat duidelijk laten merken — maar in het geval van Dwaaloog Dolleman was hij merkwaardig terughoudend en liet hij weinig openlijke vijandschap blijken. Als Harry hen zag als ze samen waren — tijdens het eten of als ze elkaar tegenkwamen op de gang — leek het zelfs alsof Sneep de blik van Dolleman probeerde te vermijden, zowel van zijn gewone als zijn magische oog.

‘Volgens mij is Sneep een beetje bang voor hem,’ zei Harry bedachtzaam.

‘Stel je voor dat Dolleman Sneep in een gehoornde pad verandert en hem door z’n hele kerker laat rondstuiten…’ zei Ron met een gelukzalige blik in zijn ogen.

De vierdejaars van Griffoendor keken zo uit naar Dollemans eerste les dat ze donderdag na het middageten te vroeg bij het lokaal waren en al bij de deur in de rij stonden toen de bel nog niet eens was gegaan.

De enige die ontbrak, was Hermelien, die maar net op tijd was voor de les.

‘Ik was in de —’

‘Bieb,’ maakte Harry haar zin af. ‘Kom op, snel, anders hebben we geen goede plaatsen.’

Ze gingen haastig op de drie stoelen tegenover het bureau van de leraar zitten, haalden hun exemplaren van De Zwarte Kunsten —, een Handboek ter Zelfbescherming tevoorschijn en wachtten ongewoon stilletjes af. Al gauw hoorden ze de karakteristieke, bonkende voetstappen van Dolleman op de gang. Toen hij binnenkwam zag hij er even merkwaardig en angstaanjagend uit als altijd en ze zagen zijn houten klauwpoot onder zijn gewaad uitsteken.

‘Doe die maar weg,’ gromde hij, terwijl hij naar zijn bureau kloste en ging zitten. ‘Die boeken. Die hebben jullie niet nodig.’

Ze stopten hun boeken weer in hun tas. Ron keek nu al opgewonden.

Dolleman pakte een lijst, schudde zijn lange, warrige grijze haar uit zijn verwrongen en gehavende gezicht en begon namen op te lezen. Zijn normale oog gleed langzaam en gestaag over de lijst, maar zijn magische oog dwaalde door de klas en keek elke leerling aan als hij of zij antwoord gaf.

‘Goed zo,’ zei hij, toen bleek dat iedereen present was. ‘Professor Lupos heeft me een brief geschreven over deze klas. Blijkbaar hebben jullie behoorlijk veel ervaring in het omgaan met Duistere wezens — als ik me niet vergis, hebben jullie Boemannen, Roodkopjes, Zompelaars, Wierlingen, Kappa’s en weerwolven gehad. Klopt dat?’

Er klonk een instemmend gemompel.

‘Maar jullie lopen achter — heel erg achter — op het gebied van vervloekingen,’ zei Dolleman. ‘Daarom ben ik hier, om jullie te leren wat tovenaars elkaar allemaal kunnen aandoen. Ik heb een jaar de tijd om jullie bij te brengen hoe jullie Duistere —’

‘Hoezo, blijft u dan niet?’ flapte Ron eruit.

Dollemans magische oog draaide in een flits om en staarde naar Ron, die plotseling heel benauwd keek, maar na een paar tellen glimlachte Dolleman — de eerste keer dat Harry hem dat had zien doen. Zijn met littekens overdekte gezicht zag er daardoor nog schever en verminkter uit, maar toch was het een verademing om te weten dat hij af en toe zoiets vriendelijks deed als glimlachen. Ron leek enorm opgelucht.

‘Jij bent de zoon van Arthur Wemel, hè?’ zei Dolleman. ‘Je vader heeft me een paar dagen geleden uit een heel lastig parket geholpen… ja, ik blijf maar een jaar. Als vriendendienst voor Perkamentus… een jaar en dan ga ik weer rustig van m’n pensioen genieten.’

Hij lachte ruw en klapte in zijn knoestige handen.

‘Oké — om met de deur in huis te vallen. Vervloekingen. Die zijn er in allerlei soorten en maten. Volgens het Ministerie van Toverkunst mag ik jullie eigenlijk alleen de verdedigingsvloeken leren en moet ik het daarbij laten. Ik mag jullie pas illegale Duistere vloeken tonen als jullie in je zesde jaar zijn. Jullie tere kinderzieltjes zouden dat anders niet aankunnen. Gelukkig heeft Perkamentus een hogere dunk van jullie. Hij denkt dat jullie er best tegen kunnen en ik zeg altijd: hoe eerder je weet waarmee je geconfronteerd kunt worden, hoe beter. Hoe moet je je verdedigen tegen iets wat je nooit gezien hebt? Als een tovenaar op het punt staat een illegale vloek uit te spreken, zegt hij heus niet vooraf wat hij gaat doen. Hij wacht niet netjes en beleefd tot jij klaar bent. Nee, ik wil dat jullie op alles voorbereid zijn. Ik wil dat jullie constant alert en waakzaam zijn. Ik wil dat u dat ding weglegt als ik aan het woord ben, juffrouw Broom.’

Belinda schrok zich een hoedje en werd vuurrood. Ze had Parvati onder tafel haar horoscoop laten zien, maar blijkbaar kon het magische oog van Dolleman niet alleen door zijn eigen achterhoofd kijken, maar ook door massief hout.

‘Goed… weet iemand welke vervloekingen het zwaarst gestraft worden onder de toverwetgeving?’

Enkele leerlingen staken aarzelend hun hand op, onder wie Ron en Hermelien. Dolleman wees op Ron, hoewel zijn magische oog nog steeds naar Belinda staarde.

‘Eh…’ zei Ron aarzelend, ‘m’n vader heeft me ooit verteld over… de Imperiusvloek of zoiets?’

‘Ja, natuurlijk,’ zei Dolleman goedkeurend. ‘Het is niet vreemd dat je vader die vloek kent. Het Ministerie heeft in een bepaalde periode heel veel last gehad van de Imperiusvloek.’

Dolleman kwam moeizaam overeind, schuifelde op zijn niet bij elkaar passende voeten naar een la in zijn bureau en haalde daar een glazen pot uit, waarin drie grote zwarte spinnen rondkrioelden. Harry voelde Ron, die naast hem zat, een beetje terugdeinzen — Ron haatte spinnen.

Dolleman stak zijn hand in de pot, ving een spin, zette hem op zijn handpalm en hield die omhoog, zodat iedereen hem kon zien.

Vervolgens wees hij met zijn toverstok op de spin en mompelde: ‘Imperio!’

De spin liet zich aan een dunne zijden draad van Dollemans hand glijden en begon heen en weer te zwaaien, alsof hij aan een trapeze hing. Hij strekte zijn poten stijf uit, deed een salto achterwaarts, verbrak de draad en landde op het bureau, waar hij radslagen begon te maken. Dolleman gebaarde met zijn toverstok en de spin ging op twee van zijn achterpoten staan en begon aan wat onmiskenbaar een tapdansje was.

Iedereen lachte — behalve Dolleman.

‘Dus dat vinden jullie grappig?’ gromde hij. ‘Zouden jullie het leuk vinden als ik dat met jullie deed?’

Het gelach stierf vrijwel onmiddellijk weg.

‘Totale beheersing,’ zei Dolleman kalm, terwijl de spin een balletje vormde en om en om begon te rollen. ‘Ik kan hem dwingen om zich uit het raam te gooien, zichzelf te verdrinken, bij iemand in zijn keel te springen…’

Ron huiverde onwillekeurig.

‘Jaren geleden waren een heleboel heksen en tovenaars onder invloed van de Imperiusvloek,’ zei Dolleman, en Harry wist dat hij de tijd bedoelde toen Voldemort aan de macht was geweest. ‘Het Ministerie heeft er een hele kluif aan gehad om uit te vissen wie nou gedwongen werd om iets te doen en wie het uit zijn of haar eigen vrije wil deed.

Je kunt je tegen de Imperiusvloek verzetten en dat zal ik jullie ook leren, maar daar heb je een sterk karakter voor nodig en dat heeft niet iedereen. Je kunt veel beter voorkomen dat die vloek over je wordt uitgesproken. WEES WAAKZAAM!’ blafte hij plotseling en iedereen schrok zich een ongeluk.

Dolleman pakte de spin, die nu salto’s maakte en gooide hem weer terug in het potje. ‘Weet iemand er nog een? Nog zo’n illegale vloek?’

Hermeliens hand schoot weer omhoog, maar tot Harry’s verbazing ook die van Marcel. De enige les waarbij Marcel wel eens zijn hand opstak was Kruidenkunde, dat verreweg zijn beste vak was. Marcel leek enigszins verbluft door zijn eigen durf.

‘Ja?’ zei Dolleman, wiens magische oog omrolde en naar Marcel staarde.

‘Je hebt ook — de Cruciatusvloek,’ zei Marcel met een heel klein maar duidelijk verstaanbaar stemmetje.

Dolleman keek Marcel aandachtig en met beide ogen aan.

‘Jij bent Lubbermans, hè?’ zei hij en zijn magische oog gleed omlaag om de lijst te controleren.

Marcel knikte zenuwachtig, maar Dolleman stelde verder geen vragen. Hij richtte zijn aandacht weer op de klas als geheel, haalde de tweede spin uit de pot en zette die op zijn bureau, waar hij roerloos bleef zitten. Blijkbaar was hij te bang om zich te bewegen.

‘De Cruciatusvloek,’ zei Dolleman. ‘Dan moet hij ietsje groter zijn, voor alle duidelijkheid.’ Hij wees met zijn toverstok op de spin en zei: ‘Engorgio!’

De spin zwol op tot het formaat van een forse tarantula. Ron probeerde zich niet langer groot te houden en schoof vlug zijn stoel achteruit, zo ver mogelijk bij Dollemans bureau vandaan.

Dolleman hief opnieuw zijn stok op, wees op de spin en mompelde: ‘Crucio!’

Onmiddellijk sloeg de spin zijn poten om zich heen; hij rolde op zijn rug en begon vreselijk te stuiptrekken en heen en weer te wiegen. Het bleef doodstil, maar Harry wist zeker dat als de spin geluid had kunnen maken hij het uitgegild zou hebben. Dolleman hield zijn stok op de spin gericht en die begon nog heftiger te stuiptrekken en te schokken —

‘Hou op!’ zei Hermelien schril.

Harry staarde haar aan. Ze keek niet naar de spin, maar naar Marcel en toen Harry haar blik volgde, zag hij dat Marcel zijn handen tot vuisten had gebald. Zijn knokkels waren wit en zijn ogen groot van afschuw.

Dolleman hief zijn toverstok op. De poten van de spin ontspanden zich, maar hij bleef wel stuiptrekken.

‘Reducio,’ mompelde Dolleman en de spin slonk tot zijn normale omvang. Dolleman deed hem weer in de pot.

‘Pijn,’ zei Dolleman zacht. ‘Je hebt geen duimschroeven of messen nodig om iemand te martelen als je de Cruciatusvloek kent… die is ook een tijdje heel populair geweest. Goed… weet verder nog iemand er eentje?’

Harry keek om zich heen. Aan de gezichten van de anderen te zien, vroegen ze zich allemaal af wat er met de laatste spin zou gebeuren. Hermeliens hand trilde een beetje toen ze hem voor de derde keer opstak.

‘Ja?’ zei Dolleman, die haar aankeek.

‘Avada Kedavra,’ fluisterde Hermelien.

Verscheidene leerlingen keken haar onbehaaglijk aan, onder wie Ron.

‘Aha,’ zei Dolleman en opnieuw vertrok zijn scheve mond tot een flauwe glimlach. ‘Ja, de laatste en ook de ergste. Avada Kedavra… de vloek des doods.’

Hij stak zijn hand weer in de pot en het was alsof de derde spin wist wat er komen ging, want hij rende over de bodem van de pot heen en weer, in een poging Dollemans vingers te ontwijken. Die wist hem toch te grijpen en zette hem op het bureau, maar de spin sprintte meteen angstig weg over het houten blad.

Dolleman hief zijn toverstok op en Harry had een onheilspellend voorgevoel.

‘Avada Kedavra!’ brulde Dolleman.

Ze zagen een oogverblindende groene lichtflits en hoorden een ruisend geluid, alsof een reusachtig, onzichtbaar iets zich door de lucht spoedde — en meteen rolde de spin om. Hij had geen schrammetje, maar was onmiskenbaar dood. Meerdere meisjes slaakten gesmoorde kreetjes; Ron deinsde abrupt achteruit en viel bijna van zijn stoel toen de dode spin op hem afgleed.

Dolleman veegde de spin op de grond.

‘Niet leuk,’ zei hij kalm. ‘Niet aangenaam. En er bestaat geen verdedigingsvloek. Je kunt het niet afweren. Voor zover bekend heeft slechts een persoon die vloek ooit overleefd en die zit hier tegenover me.’

Harry voelde dat hij rood werd toen de ogen van Dolleman (allebei) recht in de zijne keken. Hij wist dat de leerlingen hem ook aangaapten. Harry staarde naar het lege schoolbord, alsof er iets fascinerends op stond, maar in werkelijkheid zag hij helemaal niets…

Dus zo waren zijn ouders gestorven… net als die spin. Was er bij hen ook geen wondje of schrammetje te zien geweest? Hadden ze alleen die groene lichtflits gezien en het geruis van de naderende dood gehoord voor hun leven werd uitgedoofd?

Harry probeerde zich nu al drie jaar lang een voorstelling te maken van de dood van zijn ouders, sinds het moment waarop hij gehoord had dat ze vermoord waren, sinds het moment waarop hij erachter was gekomen wat er die fatale nacht precies gebeurd was: hoe Wormstaart de schuilplaats van zijn ouders had verraden aan Voldemort, die hen verrast had in hun huisje; hoe Voldemort eerst Harry’s vader had gedood, die nog geprobeerd had hem tegen te houden en tegen zijn vrouw had geschreeuwd dat ze moest vluchten met Harry… hoe Voldemort op Lily Potter was afgestapt en gezegd had dat ze opzij moest gaan, zodat hij Harry kon vermoorden… hoe ze hem gesmeekt had in plaats daarvan haar te doden en haar zoon was blijven beschermen met haar lichaam… en hoe Voldemort haar ook had vermoord, alvorens zijn toverstaf op Harry te richten…

Harry wist dat allemaal omdat hij vorig jaar de stemmen van zijn ouders had gehoord toen hij het tegen de Dementors had opgenomen — want dat was hun gruwelijke kracht: Dementors dwongen hun slachtoffers de allerergste gebeurtenissen uit hun bestaan te herbeleven, tot ze radeloos verdronken in hun eigen wanhoop…

Dolleman praatte weer, maar zijn stem leek van heel ver te komen. Met een enorme inspanning dwong Harry zich om terug te keren naar het heden en naar Dolleman te luisteren.

‘Avada Kedavra is een vloek waar een hoop toverkracht achter moet zitten — als jullie allemaal jullie toverstokken op mij zouden richten en die vloek zouden uitspreken, zou ik er waarschijnlijk niet eens een bloedneus aan overhouden. Maar dat doet er niet toe. Ik sta hier niet om jullie die vloek te leren.

Waarom laat ik jullie dit zien, als er toch geen verdedigingsvloek bestaat? Omdat jullie het moeten weten. Jullie moeten weten wat het ergste is dat er kan gebeuren. Jullie moeten zorgen dat je niet in een situatie verzeild raakt waarin je met dat ergste geconfronteerd wordt en daarom herhaal ik — WEES WAAKZAAM!’ De hele klas schrok opnieuw.

‘Goed… die drie vloeken — Avada Kedavra, Imperius en Cruciatus — staan ook wel bekend als de Onvergeeflijke Vloeken. Zo’n vloek uitspreken tegen een medemens, is voldoende om tot levenslang in Azkaban veroordeeld te worden. Dat is waar jullie mee te maken kunnen krijgen. Ik moet jullie leren je daar tegen te verdedigen. Jullie moeten voorbereid zijn. Jullie moeten gewapend zijn. Maar jullie moeten vooral altijd en overal waakzaam zijn! Pak jullie veer en schrijf op…’

Ze besteedden de rest van de les aan het maken van aantekeningen over de Onvergeeflijke Vloeken. Niemand zei iets tot de bel ging — maar toen Dolleman hen had laten gaan en ze op de gang stonden, begon iedereen tegelijk te praten. De meeste leerlingen spraken vol ontzag over de vervloekingen — ‘Zag je die spin stuiptrekken?’ ‘- en toen hij hem doodmaakte — zomaar ineens!’

Ze praatten over de les alsof het een soort spectaculaire show was geweest, dacht Harry, maar hij had het zelf niet echt amusant gevonden — en Hermelien blijkbaar ook niet.

‘Schiet op,’ zei ze gespannen tegen Harry en Ron.

‘Toch niet weer die stomme bieb?’ zei Ron.

‘Nee,’ zei Hermelien kortaf en ze wees naar een zijgang. ‘Marcel.’

Marcel stond in zijn eentje halverwege de gang en staarde naar de stenen muur, met dezelfde grote schrikogen als toen Dolleman de Cruciatusvloek had gedemonstreerd.

‘Marcel?’ zei Hermelien zacht.

Marcel keek om.

‘O, hallo,’ zei hij, met een veel hogere stem dan normaal. ‘Interessante les was dat, hè? Wat zou er te eten zijn? Ik — ik val om van de honger en jullie?’

‘Is alles goed met je, Marcel?’ zei Hermelien.

‘Ja, prima, prima,’ brabbelde Marcel, met diezelfde onnatuurlijk hoge stem. ‘Heel interessant eten — ik bedoel les — wat zou er te honger zijn?’

Ron keek Harry verbouwereerd aan.

‘Marcel, wat —’

Op dat moment klonk er een raar, bonkend geluid en toen ze zich omdraaiden, zagen ze dat professor Dolleman kwam aanhinken. Ze deden er alle vier het zwijgen toe en keken een beetje angstig hoe hij naderbij kwam, maar toen Dolleman iets zei, was dat op een veel zachtere en vriendelijkere gromtoon dan ze tot nog toe gehoord hadden.

‘Maak je maar geen zorgen, jochie,’ zei hij tegen Marcel. ‘Waarom kom je niet even mee naar m’n kantoortje? Vooruit… dan drinken we een kop thee…’

Marcel werd nog veel angstiger bij het vooruitzicht thee te moeten drinken met Dolleman. Hij verroerde zich niet en zei ook niets.

Dolleman richtte zijn magische oog op Harry. ‘Met jou alles goed, Potter?’

‘Ja,’ zei Harry haast uitdagend.

Dollemans blauwe oog trilde een beetje terwijl hij Harry aanstaarde.

Bruusk zei hij: ‘Je moet het weten. Het lijkt misschien wreed, maar ie moet het weten. Het heeft geen zin om de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn… nou… kom, Lubbermans, ik heb een paar boeken die je misschien interessant zult vinden.’

Marcel keek smekend naar Harry, Ron en Hermelien, maar die zeiden niets en dus was Marcel gedwongen zich te laten meeloodsen door Dolleman, die een knoestige hand op zijn schouder had gelegd.

‘Wat had dat te betekenen?’ zei Ron, die Dolleman en Marcel nakeek terwijl ze de hoek omgingen.

‘Geen idee,’ zei Hermelien bedachtzaam.

‘Maar wat een les, hè?’ zei Ron tegen Harry terwijl ze naar de Grote Zaal liepen. ‘Fred en George hadden groot gelijk, vind je ook niet? Die Dolleman weet echt van wanten. Zoals met dat Avada Kedavra, toen die spin gewoon doodging, in een klap kassie wijlen —’

Ron zweeg abrupt bij het zien van Harry’s gezicht en zei pas weer iets toen ze in de Grote Zaal waren en hij voorstelde dat ze die avond beter gelijk aan het huiswerk voor professor Zwamdrift konden beginnen, omdat ze daar uren zoet mee zouden zijn.

Hermelien mengde zich tijdens de maaltijd niet in het gesprek tussen Harry en Ron, maar werkte zo snel mogelijk haar eten naar binnen en ging gelijk weer naar de bibliotheek. Harry en Ron liepen terug naar de toren van Griffoendor en Harry, die tijdens het eten nergens anders aan had kunnen denken, begon nu zelf over de Onvergeeflijke Vloeken.

‘Zouden Dolleman en Perkamentus niet in de problemen komen met het Ministerie als ze daar wisten dat we die vervloekingen hebben gezien?’ vroeg Harry toen ze bijna bij de Dikke Dame waren.

‘Waarschijnlijk wel,’ zei Ron. ‘Maar Perkamentus doet de dingen altijd op zijn eigen manier, nietwaar? En volgens mij komt Dolleman al jarenlang constant in aanvaring met het Ministerie. Hij valt eerst aan en stelt dan pas vragen — zoals met die vuilnisbakken. Apekool!’

De Dikke Dame zwaaide weg voor de ingang en ze klommen de leerlingenkamer van Griffoendor in, waar het druk en rumoerig was.

‘Nou, zullen we dan maar met dat Waarzeggerijspul beginnen?’ zei Harry.

‘Als het per se moet,’ kreunde Ron.

Ze gingen naar de slaapzaal om hun boeken en kaarten te halen en troffen daar Marcel aan, die in zijn eentje op bed zat te lezen. Zo te zien was hij een stuk kalmer dan na de les van Dolleman, maar nog niet helemaal de oude. Zijn ogen waren nogal rood.

‘Alles goed, Marcel?’ vroeg Harry.

‘Ja, best,’ zei Marcel. ‘Bedankt. Ik zat net een boek te lezen dat professor Dolleman me geleend heeft…’

Hij liet het boek zien: Magische Mediterrane Waterplanten en hun Eigenschappen.

‘Blijkbaar heeft professor Stronk tegen Dolleman gezegd dat ik echt goed ben in Kruidenkunde,’ zei Marcel, met een vage ondertoon van trots in zijn stem die Harry zelden had gehoord. ‘Hij dacht dat ik dit boek misschien leuk zou vinden.’

Marcel laten weten wat professor Stronk had gezegd was een heel tactvolle manier om hem op te beuren, bedacht Harry, want Marcel kreeg uiterst zelden een compliment. Het was iets wat professor Lupos ook gedaan zou kunnen hebben.

Harry en Ron namen hun exemplaren van Ontwasem de Toekomst mee naar de leerlingenkamer, wisten een leeg tafeltje te vinden en begonnen aan hun voorspellingen voor de komende maand. Een uur later waren ze nog maar weinig opgeschoten, ook al was hun tafel bezaaid met stukken perkament vol berekeningen en symbolen en voelde Harry zich zo duf dat het leek alsof hij een uur lang de walm van professor Zwamdrifts haardvuur had opgesnoven.

‘Ik heb echt geen idee waar dit allemaal op slaat,’ zei hij, terwijl hij naar de lange lijsten met berekeningen staarde.

‘Weet je,’ zei Ron, wiens haar recht overeind stond omdat hij er zo vaak gefrustreerd met zijn vingers doorheen had gestreken, ‘ik geloof dat het tijd wordt voor onze oude Waarzeggerijtruc.’

‘Gewoon alles verzinnen, bedoel je?’

‘Precies,’ zei Ron, die de berg notities van tafel veegde, zijn veer in de inkt doopte en begon te schrijven.

‘Aanstaande maandag,’ zei hij druk schrijvend, ‘loop ik grote kans een lelijk hoestje op te lopen vanwege de ongunstige conjunctie van Mars en Jupiter.’ Hij keek Harry aan. ‘Je kent haar toch? Stop er genoeg ellende in en ze tuint er met open ogen in.’

‘Nou, oké,’ zei Harry, die zijn eerste pogingen verfrommelde en over de hoofden van een groepje druk kwebbelende eerstejaars in het haardvuur gooide. ‘Ik vind het best… op maandag loop ik kans op — eh — brandwonden.’

‘Dat klopt nog ook,’ zei Ron duister. ‘Maandag moeten we verder met die Skreeften. Oké, op dinsdag zal ik., eh…’

‘Een geliefd bezit kwijtraken,’ zei Harry, die Ontwasem de Toekomst doorbladerde om ideeën op te doen.

‘Da’s een goeie,’ zei Ron, die het vlug opschreef. ‘En dat komt door de stand van… eh… Mercurius. En zullen we zeggen dat jij ernstig teleurgesteld wordt door iemand van wie je dacht dat hij je vriend was?’

‘Ja… klinkt goed…’ zei Harry, die het opschreef. ‘En dat komt natuurlijk omdat…. omdat Venus in het twaalfde huis staat.’

‘En op woensdag krijg ik op m’n donder bij een vechtpartij.’

‘He jammer, ik wilde juist gaan knokken. Nou, goed, dan verlies ik een weddenschap.’

‘Ja, je had gewed dat ik die vechtpartij zou winnen…’

Ze bleven een uur lang voorspellingen verzinnen (die alsmaar tragischer afliepen), terwijl er steeds meer leerlingen naar bed gingen en de kamer leger en leger werd. Knikkebeen slenterde naar hen toe, sprong op een lege stoel en staarde Harry ondoorgrondelijk aan, net zoals Hermelien gedaan zou hebben als ze geweten had dat ze hun huiswerk niet goed maakten.

Toen Harry door de kamer staarde en een tegenslag probeerde te bedenken die hij nog niet gebruikt had, zag hij Fred en George bij de muur aan de overkant zitten. Ze hadden hun hoofden bij elkaar, hun ganzenveren in hun hand en schenen samen een stuk perkament te bestuderen. Het was heel ongewoon dat Fred en George zo stilletjes in een hoekje zaten; ze hielden juist van afleiding en waren graag het luidruchtige middelpunt van alle aandacht. De manier waarop ze over dat perkament gebogen zaten, had iets heimelijks en Harry moest denken aan de keer dat ze samen iets hadden zitten schrijven in Het Nest. Toen had hij gedacht dat het een nieuw bestelformulier was voor Tovertweelings Topfopshop, maar daar zag het nu niet naar uit; dan zouden ze de grap vast en zeker gedeeld hebben met Leo Jordaan. Harry vroeg zich af of het iets te maken had met de inschrijving voor het Toverschool Toernooi.

Terwijl Harry keek, schudde George zijn hoofd, streepte iets door met zijn veer en zei met een zachte stem, die desondanks duidelijk hoorbaar was in de vrijwel verlaten leerlingenkamer: ‘Nee — dan is het net of we hem beschuldigen. We moeten voorzichtig zijn…’

Op dat moment keek George op en zag hij Harry staren. Harry grijnsde en ging vlug verder met zijn voorspellingen — hij wilde niet dat George zou denken dat hij hun gesprekken afluisterde. Korte tijd later rolde de tweeling het perkament op, zei welterusten en ging naar bed.

Fred en George waren misschien tien minuten weg toen het portretgat openging en Hermelien naar binnen klauterde. In de ene hand had ze een stapel perkament en in de andere een doos die rammelde. Knikkebeen kwam spinnend op haar af en begon kopjes te geven.

‘Hallo,’ zei ze. ‘Ik ben net klaar!’

‘Ik ook!’ zei Ron triomfantelijk en hij gooide zijn ganzenveer neer.

Hermelien ging zitten, legde haar spullen op een lege fauteuil en trok Rons voorspellingen naar zich toe.

‘Er staat je niet echt een leuke maand te wachten, hè?’ zei ze sarcastisch terwijl Knikkebeen zich oprolde op haar schoot.

‘Nou, een gewaarschuwd mens telt voor twee,’ zei Ron geeuwend.

‘Volgens mij verdrink je twee keer,’ zei Hermelien.

‘O ja?’ zei Ron, die zijn voorspellingen bekeek. ‘Dan zeg ik wel dat ik een keer vertrapt word door een losgebroken hippogrief.’

‘Ligt het er niet erg dik bovenop dat jullie alles verzonnen hebben?’ zei Hermelien.

‘Hoe durf je!’ zei Ron, met gespeelde verontwaardiging. ‘We hebben zitten zwoegen als twee Huis-elfen!’

Hermelien trok haar wenkbrauwen op.

‘Dat is gewoon een bestaande uitdrukking,’ zei Ron haastig.

Harry legde zijn veer ook neer, nadat hij voorspeld had dat hij zou sterven door onthoofding.

‘Wat zit er in die doos?’ vroeg hij wijzend.

‘Grappig dat je dat vraagt,’ zei Hermelien, met een vuile blik op Ron. Ze haalde het deksel van de doos en liet de inhoud zien.

De doos bevatte zo’n vijftig badges, allemaal verschillend van kleur, maar met dezelfde letters: S.H.I.T.

‘Shit?’ zei Harry, die een badge pakte en hem bekeek. ‘Wat moet dat nou weer voorstellen?’

‘Niet shit,’ zei Hermelien ongeduldig. ‘S-H-I-T. Dat betekent Stichting Huis-elf, voor Inburgering en Tolerantie.’

‘Nooit van gehoord,’ zei Ron.

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Hermelien kordaat. ‘Ik heb hem pas opgericht.’

‘O ja?’ zei Ron lichtelijk verbaasd. ‘Hoeveel leden heb je al?’

‘Nou — als jullie meedoen — drie,’ zei Hermelien.

‘Dus jij denkt dat we graag willen rondlopen met badges met “shit” erop?’ zei Ron.

‘S-H-I-T!’ zei Hermelien opgewonden. ‘Eerst wilde ik het Stop de Schandalige Uitbuiting van Onze Magische Medewezens en Strijd voor Verbetering van hun Juridische Positie noemen, maar dat paste niet op de badges. Dat is nu de aanhef van ons manifest geworden.’

Ze duwde de anderen een dikke stapel perkament onder hun neus. ‘Ik heb onderzoek gedaan in de bieb. De slavernij van de huis-elf gaat al eeuwen terug. Ik kan gewoonweg niet geloven dat niemand er ooit iets aan gedaan heeft.’

‘Hermelien — kun je even luisteren?’ zei Ron luid. ‘Ze. Vinden. Het. Fijn. Ze vinden het fijn om slaaf te zijn!’

‘Op korte termijn,’ zei Hermelien, die deed alsof ze Ron niet gehoord had en nog harder praatte dan hij, ‘streven we naar een redelijk loon en behoorlijke arbeidsomstandigheden voor de huis-elf. Op langere termijn willen we de wet op het niet-gebruik van toverstokken veranderen en proberen om een elf op het Departement van Toezicht op Magische Wezens te krijgen, omdat ze schandalig ondervertegenwoordigd zijn.’

‘En hoe wou je dat aanpakken?’ vroeg Harry.

Ten eerste door leden te werven,’ zei Hermelien opgewekt. ‘Ik dacht aan twee Sikkels contributie — dan krijg je je badge — en met de opbrengst kunnen we onze foldercampagne bekostigen. Ron, jij bent penningmeester — boven staat een geldblikje. Harry — jij bent secretaris, dus misschien kun je meteen opschrijven wat ik zeg, als de notulen van onze eerste vergadering.’

Er viel een stilte terwijl Hermelien hen glimlachend aankeek en Harry niet goed wist of hij nou boos moest worden op Hermelien of moest lachen bij het zien van Rons gezicht. De stilte werd niet verbroken door Ron, die leek met stomheid geslagen, maar door een zacht tik, tik op het raam. Harry keek naar het venster aan de andere kant van de inmiddels verlaten leerlingenkamer en zag in het maanlicht een sneeuwwitte uil op het raamkozijn zitten.

‘Hedwig!’ riep hij en hij sprong op uit zijn stoel, rende naar het raam en gooide dat open.

Hedwig vloog naar binnen, zweefde door de kamer en landde op de tafel, boven op Harry’s voorspellingen.

‘Dat werd tijd!’ zei Harry, die haar haastig volgde.

‘Ze heeft antwoord!’ zei Ron opgewonden en hij wees op een groezelig stuk perkament dat aan Hedwigs poot gebonden was.

Harry maakte het perkament los, ging zitten en begon te lezen. Hedwig fladderde van de tafel op zijn knie en kraste zacht.

‘Wat staat erin?’ vroeg Hermelien ademloos.

De brief was heel kort en leek haastig neergekrabbeld. Harry las hem voor:

Harry —

Ik vlieg meteen naar het noorden. Dat nieuws over je litteken is het laatste van een reeks vreemde geruchten die ik gehoord heb. Als je opnieuw last hebt, ga dan meteen naar Perkamentus — ze zeggen dat hij Dwaaloog heeft overgehaald om tijdelijk les te geven en dat betekent dat hij in elk geval de voortekenen ziet, ook al is hij misschien de enige. Ik neem binnenkort contact met je op.

De groeten aan Ron en Hermelien. Wees alert, Harry.

Sirius

Harry keek naar Ron en Hermelien, die hem verbijsterd aanstaarden.

‘Vliegt hij naar het noorden?’ fluisterde Hermelien. ‘Komt hij terug?’

‘Wat voor voortekenen heeft Perkamentus gezien?’ zei Ron perplex. ‘Wat is er aan de hand, Harry?’

Want Harry had zichzelf zo’n klap op zijn voorhoofd gegeven dat Hedwig verschrikt opvloog van zijn schoot.

‘Ik had hem niet moeten schrijven!’ zei Harry woedend.

‘Waar heb je het over?’ zei Ron verbaasd.

‘Door die brief van mij denkt hij dat hij terug moet komen!’ zei Harry, die met zijn vuist op tafel beukte zodat Hedwig snel op de rugleuning van Rons stoel ging zitten en verontwaardigd kraste. ‘Terugkomen, omdat hij denkt dat ik in de problemen zit! Terwijl mij helemaal niets mankeert! En ik heb niks voor je!’ snauwde hij tegen Hedwig, die vol verwachting met haar snavel klikte. ‘Als je iets wilt eten, ga je maar naar de Uilenvleugel.’

Hedwig keek hem zwaar beledigd aan en vloog naar het open raam. In het voorbijgaan zwiepte ze Harry met haar uitgestrekte vleugel in zijn gezicht.

‘Harry…’ begon Hermelien sussend.

‘Ik ga naar bed,’ zei Harry kortaf. ‘Ik zie jullie morgenochtend wel.’

Boven, op de slaapzaal, trok hij zijn pyjama aan en stapte in zijn hemelbed, maar hij voelde zich absoluut niet moe.

Als Sirius terugkwam en gearresteerd werd, zou dat Harry’s schuld zijn. Waarom had hij niet gewoon zijn mond gehouden? Een klein pijnscheutje maar en daar had hij direct een drama van gemaakt… was hij maar zo verstandig geweest om het voor zich te houden…

Even later kwam Ron naar boven, maar Harry zei niets tegen hem. Hij bleef een hele tijd naar de donkere hemel van zijn bed staren. Het was doodstil op de slaapzaal en als hij niet zo in beslag was genomen door zijn eigen beslommeringen, zou hij beseft hebben dat het ontbreken van Marcels gebruikelijke gesnurk betekende dat hij niet de enige was die wakker lag.

Hoofdstuk 15

BEAUXBATONS EN KLAMMFELS

De volgende ochtend werd Harry wakker met een compleet uitgedacht plan in zijn hoofd, alsof zijn slapende brein de hele nacht actief was geweest. Hij stond op, kleedde zich aan in het vroege, bleke ochtendlicht, verliet de slaapzaal zonder Ron wakker te maken en ging naar de verlaten leerlingenkamer. Daar pakte hij een vel perkament van de tafel waar zijn huiswerk voor Waarzeggerij nog lag en schreef een brief:

Beste Sirius,

Volgens mij heb ik me gewoon verbeeld dat mijn litteken pijn deed. Ik sliep nog half toen ik mijn vorige brief schreef. Het heeft geen zin om terug te komen, want alles is hier oké. Maak je alsjeblieft geen zorgen, want mijn hoofd voelt volkomen normaal.

Harry

Hij klom door het portretgat, liep door het nog slapende kasteel (alleen gehinderd door Foppe, die halverwege een gang op de vierde verdieping een poging deed om een grote vaas op hem te laten vallen) en arriveerde ten slotte bij de Uilenvleugel, die zich boven in de Westertoren bevond.

De Uilenvleugel was een ronde stenen ruimte, waar het kil en tochtig was omdat er geen glas in de ramen zat. De vloer was bedekt met stro, uilenkeutels en de opgebraakte skeletjes van huis- en veldmuizen. Honderden en nog eens honderden uilen, van alle mogelijke soorten, zaten op stokken die oprezen tot aan het plafond. Bijna alle uilen sliepen, hoewel hier en daar een rond, geelbruin oog Harry verstoord aanstaarde. Hij zag Hedwig tussen een kerkuil en een bosuil zitten en liep haastig naar haar toe, glibberend over de met uitwerpselen bezaaide vloer.

Het duurde een tijdje voor hij Hedwig had overgehaald om wakker te worden en hem aan te kijken, want ze draaide zich steeds om op haar stok en keerde hem haar staart toe. Het was duidelijk dat ze nog altijd woedend was omdat Harry de avond tevoren zo ondankbaar was geweest. Pas toen Harry suggereerde dat ze misschien te moe was en dat hij Ron zou vragen of hij Koekeroekus mocht lenen, stak ze haar poot uit en mocht hij zijn brief daaraan vastbinden.

‘Zorg alsjeblieft dat je hem vindt,’ zei Harry, die haar rug streelde terwijl hij haar op zijn arm naar een van de gaten in de muur droeg. ‘Voor de Dementors dat doen.’

Ze beet hem even in zijn vinger, misschien harder dan ze anders gedaan zou hebben, maar kraste ook zacht en geruststellend. Toen spreidde ze haar vleugels en vloog weg, in het licht van de opkomende zon. Harry keek haar na met dat vertrouwde, holle gevoel in zijn maag. Hij was er zo van overtuigd geweest dat het antwoord van Sirius zijn zorgen zou verlichten in plaats van vergroten.

‘Dat was een leugen, Harry,’ bitste Hermelien tijdens het ontbijt, toen hij haar en Ron vertelde wat hij had gedaan. ‘Je hebt je helemaal niet verbeeld dat je litteken pijn deed en dat weet je best!’

‘Nou en?’ zei Harry. ‘Ik wil niet dat hij door mijn toedoen weer in Azkaban belandt.’

‘Hou erover op!’ zei Ron op scherpe toon tegen Hermelien, toen die haar mond opendeed om er tegenin te gaan en wonder boven wonder deed Hermelien er het zwijgen toe.

Harry probeerde zich tijdens de weken daarna niet al te veel zorgen te maken over Sirius. Hij inspecteerde iedere ochtend weliswaar gretig de uilen die de post kwamen bezorgen en ’s avonds laat, voor hij in slaap viel, werd hij steevast geplaagd door gruwelijke visioenen van Sirius die in een of ander duister steegje in het nauw was gedreven door Dementors, maar tussen die momenten in probeerde hij zo min mogelijk aan zijn peetvader te denken. Het was jammer dat er geen Zwerkbal was om zijn gedachten af te leiden; niets hielp zo goed tegen zorgen en beslommeringen als een lekkere, inspannende training. Daar stond tegenover dat hun lessen steeds moeilijker en veeleisender werden, vooral Verweer tegen de Zwarte Kunsten.

Tot hun verbazing kondigde professor Dolleman aan dat hij over iedere leerling de Imperiusvloek zou uitspreken, om de uitwerking ervan te demonstreren en om te zien of ze zich ertegen konden verzetten.

‘Maar- maar u zei zelf dat dat illegaal is, professor,’ zei Hermelien onzeker, toen Dolleman de tafeltjes met een zwaai van zijn toverstok aan de kant schoof, zodat er in het midden van het lokaal een flinke ruimte vrijkwam. ‘U zei dat — dat het gebruik tegen een medemens —’

‘Perkamentus wil dat ik jullie leer hoe het aanvoelt,’ zei Dolleman. Zijn magische oog richtte zich op Hermelien en staarde haar strak en luguber aan. ‘Als je liever door schade en schande wijs wordt — doordat iemand die vloek over je uitspreekt om je volledig in zijn macht te krijgen — dan vind ik het best. Je hoeft de rest van de les niet bij te wonen. Ga maar.’

Hij wees met een knoestige vinger naar de deur. Hermelien werd rood en mompelde dat het zo niet bedoeld was en dat ze wilde blijven. Harry en Ron keken elkaar grijnzend aan. Ze wisten dat Hermelien nog liever Fisteldistelpus zou drinken dan zo’n belangrijke les missen.

Dolleman riep de leerlingen een voor een naar voren en sprak de Imperiusvloek over hen uit. Harry keek toe hoe zijn klasgenoten onder invloed van die vloek de merkwaardigste dingen deden. Daan Tomas hinkelde drie keer door het lokaal terwijl hij het volkslied zong. Belinda Broom imiteerde een eekhoorn. Marcel liet een reeks verbluffende acrobatische toeren zien, die hij nooit gekund zou hebben als hij zichzelf was geweest. Niet een leerling scheen in staat te zijn om zich tegen de vloek te verzetten en ze werden pas weer de oude als Dolleman hem had opgeheven.

‘Potter,’ gromde Dolleman. ‘Jij bent.’

Harry liep naar het midden van het lokaal, naar de plek die Dolleman had leeggeruimd. Dolleman hief zijn toverstok op, wees daarmee op Harry en zei: ‘Imperio!

Het was fantastisch. Harry had het gevoel dat hij zweefde. Alle zorgen en gedachten waren uit zijn hoofd weggewist en er bleef alleen een vage, ondefinieerbare blijheid over. Ongelooflijk ontspannen bleef hij staan en hij was zich er slechts vaag van bewust dat iedereen naar hem keek.

En toen hoorde hij de stem van Dolleman. Het was alsof hij van heel ver kwam en ergens in een kamertje van zijn lege brein galmde: Spring op het bureau… spring op het bureau…

Gehoorzaam boog Harry zijn knieën en maakte aanstalten om te springen.

Spring op het bureau…

Maar waarom eigenlijk?

Er klonk nog een klein stemmetje in zijn achterhoofd. Eigenlijk stom om dat te doen, zei het stemmetje.

Spring op het bureau…

Bedankt, maar liever niet, zei het andere stemmetje iets vastbeslotener… nee, daar voel ik eigenlijk helemaal niets voor…

Springen! NU!

Opeens voelde Harry een stekende pijn. Hij had gesprongen, maar tegelijkertijd geprobeerd dat niet te doen en was keihard tegen het bureau geknald. Dat was omgevallen en naar de pijn in zijn benen te oordelen, had hij allebei zijn knieschijven gebroken.

‘Kijk, dat is beter!’ gromde de stem van Dolleman en plotseling verdween het lege, holle gevoel in Harry’s hoofd. Hij herinnerde zich precies wat er gebeurd was en de pijn in zijn knieën scheen twee keer zo erg te worden.

‘Kijk, daar mogen jullie een voorbeeld aan nemen… Potter heeft zich verzet! Hij heeft zich verzet en op een haar na gewonnen! Dat doen we nog een keer, Potter, en goed opletten jullie — kijk naar zijn ogen, daar, zie je het? — heel goed, Potter, echt heel goed! Ze zullen jou niet gauw in hun macht krijgen!’

‘Als je hem zo hoort praten, zou je denken dat we ieder moment aangevallen kunnen worden,’ mompelde Harry, toen hij een uur later moeizaam hobbelend het lokaal verliet (Dolleman had Harry vier keer achter elkaar zijn kunstje laten vertonen, tot hij de vloek volledig van zich af kon zetten).

‘Vertel mij wat,’ zei Ron, die om de andere stap een huppelpasje maakte. Hij had veel meer moeite gehad met de vloek dan Harry, ook al had Dolleman hem ervan verzekerd dat hij tegen etenstijd uitgewerkt zou zijn. ‘Over paranoïde gesproken…’ Ron keek even zenuwachtig over zijn schouder om te controleren of Dolleman werkelijk buiten gehoorsafstand was en vervolgde toen: ‘Geen wonder dat ze hem op het Ministerie liever kwijt dan rijk waren. Hoorde je hem tegen Simon zeggen wat hij met de heks heeft gedaan die op l april “boe!” in zijn oor riep? En wanneer moeten we in vredesnaam bestuderen hoe we ons tegen de Imperiusvloek kunnen verzetten? We komen nu al om in het werk.’

Alle vierdejaars hadden gemerkt dat ze dit jaar duidelijk meer huiswerk kregen. Professor Anderling legde uit waarom, toen de hele klas kreunde nadat ze een berg werk voor Gedaanteverwisselingen had opgegeven.

‘Jullie beginnen nu aan een uiterst belangrijke fase in jullie magische educatie!’ zei ze, terwijl haar ogen dreigend fonkelden achter haar vierkante bril. ‘Dadelijk gaan jullie op voor jullie S.L.IJ.M.B.A.L.len —’

‘Dat is pas in het vijfde jaar!’ zei Daan Tomas verontwaardigd.

‘Misschien, Tomas, maar jullie moeten nog heel veel leren voor het zover is! Juffrouw Griffel is de enige in deze klas die erin is geslaagd een egel in een behoorlijk speldenkussen te veranderen. Ik hoef je er hopelijk niet op te wijzen dat jouw speldenkussen zich nog steeds angstig oprolt als iemand ook maar met een speld in de buurt komt, Tomas!’

Hermelien, die opnieuw een beetje rood was geworden, deed haar best om niet al te zelfvoldaan te kijken.

Harry en Ron lachten zich dood toen professor Zwamdrift hun tijdens hun eerstvolgende les Waarzeggerij het hoogste cijfer gaf voor hun huiswerk. Ze las grote stukken van hun voorspellingen voor en complimenteerde hen omdat ze al die gruwelen zo moedig accepteerden — maar het lachen verging hun toen professor Zwamdrift vroeg of ze het volgende maand nog een keer wilden doen; het werd steeds moeilijker om voldoende catastrofes te verzinnen.

Ondertussen liet professor Kist, de geest die les gaf in Geschiedenis van de Toverkunst, hen wekelijks opstellen schrijven over de Koboldopstanden van de achttiende eeuw. Sneep dwong hen om onderzoek te doen naar tegengiffen en dat namen ze heel serieus, omdat hij had laten doorschemeren dat hij rond Kerstmis misschien een leerling zou vergiftigen om te kijken of hun tegengif werkte. Professor Banning wilde dat ze drie extra boeken lazen als voorbereiding op hun les Sommeerspreuken.

Zelfs Hagrid zorgde voor nog meer werk. De Schroeistaartige Skreeften groeiden als kool, zeker als je bedacht dat nog steeds niemand wist wat ze nou eigenlijk aten. Hagrid vond het prachtig en opperde dat de leerlingen misschien om de andere avond naar zijn huisje konden komen, om de Skreeften te observeren en aantekeningen te maken over hun buitengewone gedrag.

‘Dat verdom ik,’ zei Draco Malfidus botweg, toen Hagrid dat voorstelde met de air van een kerstman die een extra fraai cadeau uit zijn zak met speelgoed haalt. ‘Dank je feestelijk. Ik zie die smerige beesten tijdens de lessen al meer dan genoeg.’

Hagrids glimlach stierf weg.

‘Je doet wat je gezegd wordt,’ gromde hij, ‘of anders zal ik ’t voorbeeld van professor Dolleman ‘ns volgen… ik hoorde dat je een hartstikke goeie fret was, Malfidus.’

De Griffoendors schaterden en Malfidus werd rood van woede, maar blijkbaar was de herinnering aan Dollemans straf nog zo pijnlijk dat hij niets terug durfde te zeggen. Harry, Ron en Hermelien keerden na afloop van de les in een opperbest humeur terug naar het kasteel; het feit dat Malfidus door Hagrid op zijn nummer was gezet was extra bevredigend omdat Malfidus vorig jaar zijn uiterste best had gedaan om Hagrid te laten ontslaan.

Toen ze in de hal kwamen, konden ze niet verder omdat zich daar een hele menigte leerlingen verzameld had, rond een groot bord dat onder aan de marmeren trap was geplaatst.

Ron, de langste van de drie, ging op zijn tenen staan zodat hij over de hoofden van de mensen voor hen kon kijken. Hij las hardop voor wat er op het bord stond.

TOVERSCHOOL TOERNOOI

De afvaardigingen van Beauxbatons en Klammfels arriveren vrijdag 30 oktober om zes uur ’s avonds. De laatste les van die dag wordt met een halfuur ingekort –

‘Geweldig!’ zei Harry. ‘Vrijdag is Toverdranken onze laatste les! Dan heeft Sneep geen tijd om ons allemaal te vergiftigen!’

Nadat alle leerlingen hun tassen en boeken hebben teruggebracht naar hun slaapzaal, verzamelen ze zich voor het kasteel om onze gasten te begroeten, voorafgaand aan het Welkomstmaal.

‘Dat is al over een week!’ zei Ernst Marsman van Huffelpuf, die zich met glanzende ogen tussen de leerlingen door wurmde. ‘Zou Carlo het al weten? Ik denk dat ik het even ga zeggen…’

‘Carlo?’ zei Ron niet begrijpend terwijl Ernst vlug wegliep.

‘Kannewasser,’ zei Harry. ‘Hij zal zich wel willen inschrijven voor het Toernooi.’

‘Moet die idioot kampioen van Zweinstein worden?’ zei Ron, terwijl ze zich door de luidruchtige menigte een weg baanden naar de trap.

‘Hij is helemaal geen idioot. Je hebt alleen een hekel aan hem omdat hij Griffoendor heeft verslagen met Zwerkbal,’ zei Hermelien. ‘Ik heb gehoord dat hij een heel goede leerling is — en hij is klassenoudste!’

Ze zei het op een toon alsof dat laatste de doorslag gaf.

‘Je vindt hem alleen maar aardig omdat hij knap is!’ zei Ron schamper.

‘Pardon? Ik vind mensen niet alleen aardig omdat ze toevallig knap zijn!’ zei Hermelien verontwaardigd.

Ron stootte een scherp nephoestje uit dat verdacht veel klonk als ‘Smalhart!’

De verschijning van het bord in de hal liet de bewoners van het kasteel niet onberoerd. De hele week werd bijna nergens anders over gepraat: overal waar Harry kwam, ging het over het Toverschool Toernooi. Geruchten verspreidden zich net zo snel onder de leerlingen als besmettelijke bacteriën: geruchten over wie zou proberen om tot kampioen van Zweinstein gekozen te worden, wat het Toernooi precies inhield en waarin de leerlingen van Beauxbatons en Klammfels verschilden van die van Zweinstein.

Harry merkte dat het kasteel ook extra grondig werd schoongemaakt. Verscheidene groezelige portretten waren schoongeschrobd, tot ongenoegen van de personen op het doek, die duister mompelend onderuitgezakt in hun lijsten zaten en hun glimmende roze gezichten betastten. De harnassen blonken opeens en bewogen zonder te piepen en Argus Vilder, de conciërge, foeterde leerlingen die vergaten hun voeten te vegen zo verschrikkelijk uit dat twee eerstejaars hysterisch werden van schrik.

Ook andere stafleden maakten een nogal gespannen indruk.

‘Lubbermans, laat alsjeblieft niet in het bijzijn van iemand van Klammfels merken dat je niet eens tot een simpele Wisselspreuk in staat bent!’ blafte professor Anderling na een uitzonderlijk moeizame les, waarbij Marcel per ongeluk zijn eigen oren op een cactus had getransplanteerd.

Toen ze op de ochtend van 30 oktober naar beneden gingen om te ontbijten, zagen ze dat de Grote Zaal ’s nachts uitbundig versierd was. Aan de muren hingen reusachtige zijden banieren, die de verschillende afdelingen van Zweinstein symboliseerden — rood met een gouden leeuw voor Griffoendor, blauw met een bronzen adelaar voor Ravenklauw, geel met een zwarte das voor Huffelpuf en groen met een zilveren slang voor Zwadderich. Achter de Oppertafel hing de grootste banier van allemaal, met het wapen van Zweinstein, waarop leeuw, adelaar, das en slang verenigd waren rond een grote letter ‘Z’.

Harry, Ron en Hermelien zagen Fred en George aan de tafel van Griffoendor zitten. Opnieuw — en hoogst ongebruikelijk — zaten ze een eindje van de andere leerlingen af en praatten zachtjes met elkaar. Ron liep naar hen toe, met de anderen op zijn hielen.

‘Ja, echt waardeloos,’ zei George somber tegen Fred. ‘Maar als hij niet persoonlijk met ons wil praten, moeten we hem die brief toch maar sturen. Of we drukken hem gewoon in z’n hand. Hij kan ons moeilijk eeuwig blijven ontwijken.’

‘Wie probeert jullie te ontwijken?’ vroeg Ron, die naast hen ging zitten.

‘Deed jij dat maar,’ zei Fred, blijkbaar geïrriteerd omdat ze gestoord werden.

‘En wat is er zo waardeloos?’ vroeg Ron aan George.

‘Dat ons kleine broertje zo’n nieuwsgierig rotjoch is,’ zei George.

‘En, hebben jullie ideeën voor het Toverschool Toernooi?’ vroeg Harry. ‘Hebben jullie al uitgevogeld hoe jullie toch mee kunnen doen?’

‘Ik heb aan Anderling gevraagd hoe die kampioenen worden gekozen, maar ze liet niks los,’ zei George teleurgesteld. ‘Ze zei dat ik m’n mond moest houden en verdergaan met het transformeren van m’n wasbeer.’

‘Ik ben benieuwd wat die opdrachten inhouden,’ zei Ron peinzend. ‘Ik wed dat wij ze aan zouden kunnen, Harry. We hebben al eerder gevaarlijke dingen gedaan…’

‘Maar niet in het bijzijn van een jury,’ zei Fred. ‘Volgens Anderling krijgen de kampioenen meer of minder punten toegewezen, afhankelijk van hoe goed ze een opdracht volbracht hebben.’

‘Wie zit er in die jury?’ vroeg Harry.

‘Nou, in elk geval de hoofden van de deelnemende scholen,’ zei Hermelien en iedereen keek haar verbaasd aan, ‘omdat die alledrie gewond raakten tijdens het Toernooi van 1792, toen een basilisk die de kampioenen moesten vangen amok maakte.’

Ze zag iedereen kijken en zei met haar gebruikelijke air van ongeduld als weer eens bleek dat verder niemand dezelfde boeken had gelezen als zij: ‘Dat staat allemaal in Een Beknopte Beschrijving van Zweinstein. Al klopt die titel niet helemaal. Eigenlijk zou het “Een Gecensureerde Beknopte Beschrijving van Zweinstein” moeten heten. Of “Een Uiterst Bevooroordeelde en Selectieve Beschrijving van Zweinstein, Waarin de Onaangename Aspecten van de School Verdoezeld Zijn”.’

‘Waar heb je het in vredesnaam over?’ zei Ron, hoewel Harry wist wat er ging komen.

‘Huis-elfen!’ zei Hermelien luid en Harry’s vermoedens werden bevestigd. ‘Een Beknopte Beschrijving van Zweinstein is meer dan duizend pagina’s dik, maar nergens wordt met ook maar een woord gerept over het feit dat we medeplichtig zijn aan de onderdrukking van wel honderd slaven!’

Harry schudde zijn hoofd en concentreerde zich op zijn roereieren. Het gebrek aan enthousiasme van Ron en hem had Hermeliens voornemen om gerechtigheid te eisen voor de Huis-elfen er beslist niet minder op gemaakt. Ze hadden weliswaar allebei twee Sikkels neergeteld voor een S.H.I.T.-badge, maar alleen om Hermelien tevreden te stellen. Zo bekeken waren die Sikkels weggegooid geld geweest; Hermelien was er zo mogelijk nog fanatieker door geworden. Nadat Harry en Ron betaald hadden, zeurde ze constant dat ze hun badge moesten dragen en anderen moesten overhalen om dat ook te doen. Bovendien had ze de gewoonte gekregen om ’s avonds met een rammelend geldblikje door de leerlingenkamer van Griffoendor te gaan, iedereen in een hoek te drijven en dan het blikje onder hun neus te duwen.

‘Jullie beseffen hopelijk toch wel dat jullie bedden worden opgemaakt, jullie haardvuren worden aangestoken, jullie klaslokalen worden schoongemaakt en jullie eten wordt bereid door magische wezens die daar niet voor betaald krijgen en die in feite slaven zijn?’ zei ze fel.

Sommigen, zoals Marcel, betaalden gauw om van Hermeliens boze tirades af te zijn. Een paar leerlingen leken wel lichtelijk geïnteresseerd in wat ze te zeggen had, maar voelden er niets voor om een actievere rol te spelen bij de campagne. De meesten beschouwden de hele zaak als een grap.

Ron sloeg zijn ogen ten hemel en keek naar het plafond, waaraan een herfstig zonnetje straalde en Fred had plotseling grote aandacht voor zijn gebakken spek (de tweeling had geweigerd een S.H.I.T.-badge te kopen). George boog zich echter naar Hermelien toe.

‘Hoor eens, Hermelien, ben je zelf ooit in de keukens geweest?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Hermelien kortaf. ‘Ik denk niet dat ze graag hebben dat leerlingen —’

‘Nou, wij wel,’ viel George haar in de rede en hij wees op Fred. ‘Zo vaak, om eten te jatten. En we hebben die Huis-elfen gezien en ze zijn gelukkig! Ze vinden dat ze het mooiste baantje ter wereld hebben —’

‘Alleen omdat ze gehersenspoeld zijn en niet beter weten!’ begon Hermelien verhit, maar haar woorden werden overstemd door het geruis dat de binnenkomst van de postuilen aankondigde. Harry keek op en zag Hedwig naar hem toe vliegen. Hermelien deed er abrupt het zwijgen toe; Ron en zij keken ongerust toe terwijl Hedwig fladderend op Harry’s schouder landde, haar vleugels vouwde en vermoeid haar poot uitstak.

Harry maakte het antwoord van Sirius los en bood Hedwig zijn spekzwoerdjes aan, die ze dankbaar opat. Nadat hij eerst had vastgesteld dat Fred en George verdiept waren in een nieuwe discussie over het Toverschool Toernooi, las Harry de brief van Sirius fluisterend aan Ron en Hermelien voor.

Leuk geprobeerd, Harry.

Ik ben weer in het land, maar goed verscholen. Ik wil dat je me op de hoogte houdt van alles wat er op Zweinstein gebeurt. Gebruik niet steeds Hedwig, maar stuur steeds andere uilen en maak je over mij geen zorgen. Wees liever zelf voorzichtig en vergeet niet wat ik gezegd heb over je litteken.

Sirius

‘Waarom moet je andere uilen gebruiken?’ vroeg Ron zacht.

‘Hedwig valt te veel op,’ zei Hermelien meteen. ‘Ze springt in het oog. Een sneeuwuil die steeds terugkeert naar de plaats waar Sirius zich schuilhoudt… ik bedoel, het zijn geen inheemse vogels, hè?’

Harry rolde de brief op en stak die in zijn gewaad, terwijl hij zich afvroeg of hij zich nu minder zorgen maakte dan eerst of juist meer. Het feit dat Sirius was teruggekeerd zonder betrapt te worden was een goed teken en hij kon niet ontkennen dat de wetenschap dat Sirius in de buurt was geruststellend werkte; nu hoefde hij in elk geval niet meer zo lang op antwoord te wachten als hij hem schreef.

‘Bedankt, Hedwig,’ zei hij en hij streelde haar. Ze kraste slaperig, doopte haar snavel even in zijn beker sinaasappelsap en vloog toen weg. Het was duidelijk dat ze erg verlangde naar een lekker lang tukje in de Uilenvleugel.

Er heerste die dag een aangename, verwachtingsvolle sfeer. Niemand was echt met zijn hoofd bij de les, want iedereen was veel meer geïnteresseerd in de afvaardigingen van Beauxbatons en Klammfels die ’s avonds zouden arriveren; zelfs Toverdrankles was draaglijker dan gewoonlijk, omdat het een halfuur korter duurde. Toen de vervroegde bel ging, haastten Harry, Ron en Hermelien zich naar de toren van Griffoendor, deponeerden daar hun boeken en schooltassen, deden hun mantel aan en holden de trappen af naar de hal.

De afdelingshoofden lieten hun leerlingen rijen vormen.

‘Wemel, zet je hoed recht,’ blafte Professor Anderling tegen Ron. ‘Juffrouw Patil, haal dat belachelijke ding uit uw haar.’

Nijdig verwijderde Parvati een grote decoratieve vlinder van het puntje van haar vlecht.

‘Volg mij,’ zei professor Anderling. ‘Eerstejaars voorop… niet duwen…’

Ze liepen in ganzenpas het bordes af en vormden een rij voor het kasteel. Het was een kille, heldere avond; het schemerde al en een bleke, haast transparante maan glom boven het Verboden Bos. Harry, die tussen Ron en Hermelien stond, op de vierde rij, zag Dennis Krauwel letterlijk rillend van verwachting tussen de andere eerstejaars staan.

‘Bijna zes uur,’ zei Ron, die eerst op zijn horloge keek en toen naar de oprijlaan tuurde die naar de toegangspoort leidde. ‘Hoe zouden ze komen? Met de trein?’

‘Dat lijkt me sterk,’ zei Hermelien.

‘Hoe dan? Op bezemstelen?’ suggereerde Harry, die naar de sterrenhemel keek.

‘Dat denk ik niet… te ver…’

‘Per Viavia, dan?’ opperde Ron. ‘Of ze zouden kunnen Verschijnselen — misschien mag dat in hun land wel als je jonger bent dan zeventien.’

‘Je kunt niet Verschijnselen op het terrein van Zweinstein, Ron. Hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen?’ zei Hermelien ongeduldig.

Ze lieten hun blik opgewonden over het steeds donker wordende terrein gaan, maar er was niets te zien; alles was doodstil en precies zoals altijd. Harry begon het koud te krijgen. Hij wou dat ze een beetje opschoten… misschien hadden die buitenlandse studenten een dramatische entree in gedachten… hij herinnerde zich wat meneer Wemel op het kampeerterrein had gezegd, vlak voor de Zwerkbalfinale — ‘Het is ook altijd hetzelfde liedje — als we onder ons zijn, moeten we proberen elkaar de loef af te steken…’

Plotseling riep Perkamentus, die samen met de andere leraren op de achterste rij stond: ‘Aha! Daar komt de afvaardiging van Beauxbatons, als ik me niet vergis!’

‘Waar?’ zeiden een hoop leerlingen gretig en ze keken allemaal in verschillende richtingen.

‘Daar!’ schreeuwde een zesdejaars en hij wees naar de hemel boven het Verboden Bos.

Iets groots, veel groter dan een bezemsteel — of zelfs honderd bezemstelen bij elkaar — suisde door de donkerblauwe lucht op het kasteel af en werd gestaag groter.

‘Een draak!’ krijste een eerstejaars die volledig in paniek raakte.

‘Doe niet zo stom… het is een vliegend huis!’ zei Dennis Krauwel.

Dennis had het bijna goed… toen het reusachtige zwarte silhouet over de boomtoppen van het Verboden Bos scheerde en beschenen werd door het licht dat door de kasteelramen viel, zagen ze dat het een gigantische, kobaltblauwe koets was, zo groot als een fors huis, die werd voortgetrokken door twaalf gevleugelde, goudkleurige paarden die zo groot waren als olifanten.

De voorste drie rijen met leerlingen deinsden achteruit toen de voortsnellende koets verder en verder daalde en met enorme snelheid de landing inzette. Met een oorverdovende dreun, zodat Marcel van schrik achteruit sprong en de tenen van een vijfdejaars van Zwadderich plette, kwamen de hoeven van de paarden, die groter waren dan etensborden, op de grond neer. Een tel later landde het rijtuig, dat op en neer stuitte op zijn immense wielen terwijl de gouden paarden met hun enorme koppen zwaaiden en met hun grote, vurige rode ogen rolden.

Harry had nog net tijd om te zien dat de deur van de koets versierd was met een wapenschild (twee gekruiste gouden toverstokken, die allebei drie sterren uitstootten) en toen ging het portier open.

Een jongen in een lichtblauw gewaad sprong uit de koets, boog zich voorover, morrelde aan iets op de vloer van de koets en vouwde een gouden trapje uit. Hij deed snel en eerbiedig een stap achteruit en Harry zag dat er een glanzende zwarte schoen met hoge hak uit de koets werd gestoken, een schoen die het formaat had van een kindersleetje en die vrijwel onmiddellijk gevolgd werd door de grootste vrouw die hij ooit had gezien. De reden voor de omvang van de koets en de paarden werd meteen duidelijk en een paar leerlingen snakten naar adem.

Harry kende maar een persoon die net zo groot was als deze vrouw en dat was Hagrid; zo te zien ontliepen ze elkaar nauwelijks een centimeter. Desondanks — misschien omdat hij aan Hagrid gewend was — leek de omvang van de vrouw (die nu onder aan het trapje stond en naar de verzamelde leerlingen keek, die haar met grote ogen aanstaarden) veel onnatuurlijker. Toen ze het licht instapte dat door de open voordeuren scheen, zagen ze dat ze een knap gezicht had, met een olijfbruine huid, grote, zwarte, glanzende ogen en een vrij forse, kromme neus. Haar haar was naar achteren gekamd en vormde een glanzende knot in haar hals; ze was van top tot teen in zwart satijn gehuld en schitterende opalen fonkelden om haar hals en aan haar dikke vingers.

Perkamentus begon te klappen; de leerlingen volgden zijn voorbeeld en applaudisseerden ook en velen gingen op hun tenen staan om de vrouw beter te kunnen bekijken.

Haar gezicht ontspande zich tot een gracieuze glimlach en ze liep naar Perkamentus en stak een fonkelende hand uit. Perkamentus zelf was ook lang, maar hoefde desondanks nauwelijks te buigen om haar hand te kussen.

‘M’n beste madame Mallemour,’ zei hij. ‘Welkom op Zweinstein.’

‘Perc-a-mentous,’ zei madame Mallemour met een diepe stem. ‘Alles ies goed met je, ‘oop iek?’

‘Meer dan uitstekend, dank u,’ zei Perkamentus.

‘Mijn leerlingen,’ zei madame Mallemour, die met een van haar reusachtige handen achteloos naar de koets gebaarde.

Harry, wiens aandacht volledig in beslag was genomen door madame Mallemour, zag nu dat er een stuk of twaalf jongens en meisjes — die zo te zien allemaal rond de zeventien en achttien waren — uit de koets waren gestapt en nu achter madame Mallemour stonden. Ze rilden, wat niet zo vreemd was omdat hun gewaden van dunne zijde leken te zijn gemaakt en er niet een een mantel droeg. Een paar hadden sjaals en omslagdoeken om hun hoofd gedaan. Te oordelen naar het weinige dat Harry van hun gezichten kon onderscheiden (ze stonden in de enorme schaduw van madame Mallemour), staarden ze nogal weifelend omhoog naar Zweinstein.

‘Ies Karkarov er al?’ vroeg madame Mallemour.

‘Hij kan elk moment komen,’ zei Perkamentus. ‘Wilt u hier wachten om hem te begroeten of gaat u liever naar binnen om wat warmer te worden?’

‘Naar binnen, denk iek,’ zei madame Mallemour. ‘Maar de paarden —’

‘Onze leraar Verzorging van Fabeldieren zal zich graag over hen ontfermen zodra hij een klein probleempje heeft opgelost dat is veroorzaakt door enkele van de — eh — andere wezens die hij onder zijn hoede heeft,’ zei Perkamentus.

‘Skreeften,’ mompelde Ron grijnzend tegen Harry.

‘Mijn paarden moeten nogal — krachtieg aankepakt worden,’ zei madame Mallemour, die blijkbaar betwijfelde of zelfs de leraar Verzorging van Fabeldieren op Zweinstein dat wel zou aankunnen. ‘Ze zijn ‘eel sterk…’

‘Ik kan u verzekeren dat Hagrid geen moeite met ze zal hebben,’ zei Perkamentus glimlachend.

‘Goed dan,’ zei madame Mallemour met een lichte buiging. ‘En zou u tegen die ‘Agrid willen zeggen dat de paarden alleen de allerbeste maltwhisky drienken?’

‘Daar zal ik voor zorgen,’ zei Perkamentus, die ook boog.

‘Kom,’ zei madame Mallemour gebiedend tegen haar leerlingen en de studenten van Zweinstein gingen opzij, zodat de afvaardiging van Beauxbatons het bordes kon bereiken.

‘Hoe groot moeten de paarden van Klammfels dan wel niet zijn?’ zei Simon Filister tegen Harry en Ron, terwijl hij zich voor Belinda en Parvati langs boog.

‘Nou, als ze nog groter zijn, denk ik dat zelfs Hagrid ze niet aankan,’ zei Harry. ‘Als hij tenminste niet is opgevreten door z’n Skreeften. Ik vraag me af wat er met die beesten aan de hand is?’

‘Misschien zijn ze ontsnapt,’ zei Ron hoopvol.

‘Zeg dat alsjeblieft niet,’ zei Hermelien rillend. ‘Stel je voor dat die monsters vrij rondlopen op het terrein…’

Een beetje bibberend wachtten ze op het gezelschap van Klammfels. De meeste mensen tuurden hoopvol naar de hemel. Een paar minuten lang werd de stilte alleen verbroken door de reusachtige paarden van madame Mallemour, die snoven en met hun hoeven stampten, maar toen —

‘Hoor jij ook wat?’ vroeg Ron plotseling.

Harry luisterde; een merkwaardig, griezelig geluid kwam aandrijven vanuit het duister; een gedempt gerommel en geslurp, alsof een gigantische stofzuiger zich over een rivierbedding voortbewoog…

‘Het meer!’ schreeuwde Leo Jordaan. ‘Moet je het meer zien!’

Vanaf hun positie bij het bordes, boven aan de glooiende gazons die uitkeken over de rest van het terrein, hadden ze een goed zicht op het gladde zwarte oppervlak van het meer — alleen was dat oppervlak opeens niet glad meer. Diep in het meer roerde zich iets; enorme bellen stegen op, golven spoelden over de modderige oevers — en toen verscheen precies in het midden van het meer een grote draaikolk, alsof er een gigantische stop uit de bodem was getrokken…

Iets wat een lange zwarte paal leek, steeg langzaam op uit het hart van de draaikolk… en toen zag Harry touwen en tuig…

‘Het is een mast!’ zei hij tegen Ron en Hermelien.

Traag en indrukwekkend rees het schip uit het water op, glanzend in het maanlicht. Het leek merkwaardig ijl en skeletachtig, alsof het een gelicht wrak was en de doffe, wazige lichten die glimmerden achter de patrijspoorten waren net spookachtige ogen. Met een luid geklots kwam het schip ten slotte helemaal boven water uit, bleef even deinen en gleed toen naar de wal. Een paar tellen later hoorden ze de plons van een anker dat werd uitgegooid en de plof van een loopplank die werd neergelaten.

Er gingen mensen van boord; ze zagen hoe hun silhouetten de verlichte patrijspoorten passeerden. Het viel Harry op dat ze allemaal min of meer het postuur van Korzel en Kwast hadden… maar toen ze dichterbij kwamen, in het licht dat vanuit de hal over de gazons scheen, zag hij dat die vierkante bouw in werkelijkheid te wijten was aan het feit dat ze dikke mantels van een of ander harig, warrig bont droegen. De man die hen voorging naar het kasteel droeg een heel ander soort bont; glad en zilvergrijs, net als zijn haar.

‘Perkamentus!’ riep hij joviaal terwijl hij over het glooiende gazon naar het bordes liep. ‘Hoe maak je het, beste kerel, hoe maak je het?’

‘Uitmuntend, professor Karkarov, dank u,’ antwoordde Perkamentus.

Karkarov had een nogal vettige, zalvende stem; toen hij het licht bij de voordeuren instapte, zagen ze dat hij lang en mager was, net als Perkamentus, maar zijn witte haar was kort en zijn sikje (dat eindige in een kleine krul) kon zijn zwakke kin niet helemaal verbergen. Hij pakte de hand van Perkamentus met beide handen beet.

‘M’n geliefde Zweinstein,’ zei hij, terwijl hij omhoogkeek naar het kasteel en glimlachte; zijn tanden waren nogal geel en Harry zag dat zijn glimlach zich niet uitstrekte tot zijn ogen, die kil en berekenend waren. ‘Wat fantastisch om terug te zijn, echt fantastisch… Viktor, kom, vooruit, de warmte in… dat vind je toch niet erg, Perkamentus? Viktor heeft een lichte neusverkoudheid…’

Karkarov wenkte een van zijn leerlingen en toen die voorbijkwam, ving Harry een glimp op van een grote, kromme neus en dikke zwarte wenkbrauwen. Hij had de stomp die Ron hem tegen zijn arm gaf of de woorden die hij in zijn oor siste niet nodig om dat profiel te herkennen.

‘Harry — dat is Kruml!’

Hoofdstuk 16

DE VUURBEKER

Ik kan het gewoonweg niet geloven!’ zei Ron verbijsterd terwijl de leerlingen van Zweinstein in ganzenpas het bordes opliepen, achter het gezelschap van Klammfels aan. ‘Kruml, Harry! Viktor Kruml!’

‘Allemachtig, Ron, het is alleen maar een Zwerkbalspeler,’ zei Hermelien.

‘Alleen maar een Zwerkbalspeler?’ zei Ron, alsof hij zijn oren niet kon geloven. ‘Hermelien — Kruml is een van de allerbeste Zoekers ter wereld! Ik had geen idee dat hij nog op school zat!’

Toen ze met de andere leerlingen van Zweinstein door de hal liepen, op weg naar de Grote Zaal, zag Harry Leo Jordaan op en neer springen om een glimp te kunnen opvangen van Krumls achterhoofd. Meerdere zesdejaarsstudentes zochten al lopend verwoed in hun zakken — ‘O, niet te geloven! Ik heb niet een ganzenveer bij me.’ ‘Denk je dat hij m’n hoed zou willen signeren met lippenstift?’

‘Nou ja,’ zei Hermelien verheven, toen ze de meisjes passeerden die kibbelden om de lippenstift.

‘Ik vraag hem ook om een handtekening, als ik de kans krijg,’ zei Ron. ‘Je hebt toevallig toch geen veer bij je, Harry?’

‘Nee, die zitten allemaal boven in m’n schooltas,’ zei Harry.

Ze liepen naar de tafel van Griffoendor en gingen zitten, Ron tegenover de deur, omdat Kruml en zijn medeleerlingen daar nog steeds stonden te dralen. Blijkbaar wisten ze niet waar ze moesten gaan zitten. De leerlingen van Beauxbatons hadden aan de tafel van Ravenklauw plaatsgenomen en staarden met sombere gezichten door de Grote Zaal. Twee of drie hadden nog steeds sjaals en omslagdoeken om hun hoofd.

‘Zo koud is het nou ook weer niet,’ zei Hermelien geïrriteerd. ‘Waarom hebben ze geen mantels bij zich?’

‘Hierzo! Kom hier zitten!’ siste Ron. ‘Hierzo! Hermelien, schuif op, maak eens een beetje plaats —’

‘Wat?’

‘Te laat!’ zei Ron teleurgesteld.

Viktor Kruml en zijn medeleerlingen waren aan de tafel van Zwadderich gaan zitten. Harry zag dat Malfidus, Korzel en Kwast heel erg in hun sas waren en terwijl hij keek, boog Malfidus zich naar Kruml toe om met hem te praten.

‘Ja, Malfidus, slijm maar lekker!’ zei Ron schamper. ‘Ik wil wedden dat Kruml hem meteen doorheeft… hij wordt vast ziek van al die hielenlikkers… waar zouden ze slapen, Harry? We zouden kunnen vragen of ze bij ons op de slaapzaal willen komen… ik wil Kruml best m’n bed lenen, dan neem ik wel een stretcher of zo.’

Hermelien snoof.

‘Ze zien er heel wat opgewekter uit dan die lui van Beauxbatons,’ zei Harry.

De leerlingen van Klammfels deden hun dikke bontmantels uit en keken geïnteresseerd naar het donkere, met sterren bezaaide plafond; enkelen pakten de gouden borden en bekers op en bekeken ze, blijkbaar nogal onder de indruk.

Aan de Oppertafel schoof Vilder, de conciërge, extra stoelen bij. Ter ere van de gelegenheid droeg hij zijn schimmelige oude jacquet. Harry zag tot zijn verbazing dat Vilder vier extra stoelen neerzette, twee aan elke kant van Perkamentus.

‘Maar er zijn maar twee personen extra,’ zei Harry. ‘Waarom zet Vilder dan vier stoelen neer? Wie komen er nog meer?’

‘Watte?’ zei Ron vaag, nog steeds gretig naar Kruml starend.

Toen alle leerlingen aan hun afdelingstafels zaten, kwamen de docenten binnen, die achter elkaar naar de Oppertafel liepen. De rij werd gesloten door professor Perkamentus, professor Karkarov en madame Mallemour.

Zodra hun schoolhoofd verscheen, sprongen de leerlingen van Beauxbatons overeind. Een paar studenten van Zweinstein lachten, maar daar trokken de mensen van Beauxbatons zich niets van aan en ze gingen pas weer zitten toen madame Mallemour links van Perkamentus had plaatsgenomen. Perkamentus bleef echter staan en er viel een stilte in de Grote Zaal.

‘Goedenavond, dames, heren, spoken en — in het bijzonder — gasten,’ zei Perkamentus, die hartelijk glimlachte tegen de buitenlandse studenten. ‘Met groot genoegen heet ik u welkom op Zweinstein. Ik hoop en verwacht dat uw verblijf hier comfortabel en aangenaam zal zijn.’

Een van de meisjes van Beauxbatons, dat nog steeds een sjaal om haar hoofd had, lachte onmiskenbaar honend.

‘Niemand dwingt je om te blijven!’ fluisterde Hermelien gepikeerd.

‘Het Toernooi wordt na afloop van het feestmaal officieel geopend,’ zei Perkamentus. ‘Ik nodig iedereen uit om te eten, te drinken en zich thuis te voelen!’

Hij ging zitten en Harry zag dat Karkarov zich direct naar hem toeboog en een gesprek met hem aanknoopte.

De schalen op tafel vulden zich zoals gewoonlijk met voedsel en het was alsof de Huis-elfen in de keukens alle remmen hadden losgegooid; Harry zag een grotere verscheidenheid aan gerechten dan ooit tevoren, waaronder beslist diverse buitenlandse.

‘Wat is dat?’ zei Ron en hij wees op een grote terrine met een soort soep van vis en schelpdieren, die naast een enorme vleespastei stond.

‘Bouillabaisse,’ zei Hermelien.

‘Gezondheid!’ zei Ron.

‘Dat is Frans,’ zei Hermelien. ‘Ik heb het vorig jaar zomer gegeten, op vakantie. Het is heel lekker.’

‘Dat zal best,’ zei Ron, die een flink stuk bloedworst opschepte.

Om de een of andere reden leek de Grote Zaal veel voller dan gewoonlijk, ook al waren er hoogstens twintig extra leerlingen aanwezig; misschien kwam dat omdat hun verschillend gekleurde uniformen zo scherp afstaken tegen de zwarte gewaden van Zweinstein. Nu de leerlingen van Klammfels hun bontmantels hadden uitgedaan, bleek dat hun gewaden een diepe, bloedrode kleur hadden.

Pas twintig minuten na aanvang van het feestmaal kwam Hagrid de zaal binnenschuifelen door de deur achter de Oppertafel. Hij ging zo onopvallend mogelijk op zijn plaatsje aan het eind van de tafel zitten en zwaaide naar Harry, Ron en Hermelien met een hand die dik in het verband zat.

‘Alles goed met de Skreeften, Hagrid?’ riep Harry.

‘Ken niet beter,’ riep Hagrid vrolijk terug.

‘Dat wil ik best geloven,’ zei Ron zacht. ‘Volgens mij hebben ze eindelijk iets gevonden dat ze lekker vinden: Hagrids vingers.’

Op dat moment zei een stem: ‘Pardon, wilt u nog meer van le bouillabaisse?’

Het was het meisje van Beauxbatons dat gelachen had tijdens de toespraak van Perkamentus. Ze had eindelijk haar sjaal afgedaan en haar lange, weelderige, zilverblonde haar kwam bijna tot aan haar middel. Ze had grote, donkerblauwe ogen en een heel wit, regelmatig gebit.

Ron werd paars. Hij staarde haar aan en deed zijn mond open om iets te zeggen, maar stootte alleen een flauw, gorgelend geluidje uit.

‘Nee, neem maar mee,’ zei Harry, die de terrine naar het meisje toeschoof.

‘Jullie ‘ebben genoeg ge’ad?’

‘Ja,’ zei Ron ademloos. ‘Ja, het was heerlijk.’

Het meisje pakte de terrine en droeg hem voorzichtig naar de tafel van Ravenklauw. Ron staarde haar met grote ogen na, alsof hij nog nooit eerder een meisje had gezien. Harry begon te lachen en door dat geluid scheen Ron weer bij zijn positieven te komen.

‘Ze is een Glamorgana!’ zei hij schor tegen Harry.

‘Natuurlijk niet!’ zei Hermelien bits. ‘Jij bent de enige die haar zo stom aangaapt!’

Maar dat klopte niet helemaal. Toen het meisje terugliep naar haar tafel keken veel jongens haar na en sommige schenen tijdelijk met stomheid geslagen te zijn, net als Ron.

‘Dat is geen gewoon meisje, ik zweer het!’ zei Ron, die zich opzij boog zodat hij haar goed kon blijven zien. ‘Zo zie je ze niet op Zweinstein!’

‘Op Zweinstein zie je ook hele leuke,’ zei Harry zonder erbij na te denken. Cho Chang zat een paar plaatsjes van het meisje met het zilverachtige haar.

‘Als jullie je uitpuilende oogjes even kunnen losscheuren,’ zei Hermelien pinnig, ‘kunnen jullie zien wie er net zijn binnengekomen.’

Ze wees naar de Oppertafel, waar de laatste twee lege plaatsen waren bezet. Ludo Bazuyn zat nu aan de andere kant van professor Karkarov en meneer Krenck, de baas van Percy, naast madame Mallemour.

‘Wat doen die hier?’ vroeg Harry verbaasd.

‘Nou, zij hebben het Toverschool Toernooi georganiseerd,’ zei Hermelien. ‘Ze wilden er graag bij zijn als het van start gaat, denk ik.’

Toen de nagerechten arriveerden, zagen ze ook een aantal onbekende toetjes. Ron keek aandachtig naar een rare, bleke pudding en schoof hem toen zorgvuldig een paar centimeter naar rechts, zodat hij goed zichtbaar was vanaf de tafel van Ravenklauw, maar het meisje dat op een Glamorgana leek, had blijkbaar genoeg gegeten, want ze kwam hem niet halen.

Zodra de gouden borden waren schoongepoetst, stond Perkamentus opnieuw op. Er werd een aangenaam soort spanning voelbaar in de zaal en Harry voelde een lichte steek van opwinding terwijl hij zich afvroeg wat er nu zou gaan gebeuren. Een aantal plaatsen verderop bogen Fred en George zich over tafel en staarden Perkamentus in opperste concentratie aan.

‘Het moment is daar,’ zei Perkamentus, die glimlachend naar de zee van aandachtige gezichten keek. ‘Het Toverschool Toernooi staat op het punt te beginnen. Ik zou graag een korte uitleg willen geven voor we de kist binnenbrengen —’

‘De wat?’ mompelde Harry.

Ron haalde zijn schouders op.

‘- om de procedure die dit jaar gevolgd wordt duidelijk te maken. Maar laat ik eerst, ten behoeve van degenen die hen nog niet kennen, de heer Bartolomeus Krenck voorstellen, Hoofd van het Departement voor Internationale Magische Samenwerking’ — hier en daar klonk wat beleefd applaus — ‘en de heer Ludo Bazuyn, Hoofd van het Departement voor Magische Sport en Recreatie.’

Voor Bazuyn werd veel harder geklapt dan voor Krenck, misschien vanwege zijn faam als Drijver of misschien alleen omdat hij een veel beminnelijkere indruk maakte. Hij bedankte de leerlingen met een joviaal handgebaar voor hun applaus, maar Bartolomeus Krenck glimlachte of wuifde niet toen zijn naam werd genoemd. Harry, die zich hem herinnerde in zijn keurige pak tijdens het WK Zwerkbal, vond hem er vreemd uitzien in een tovenaarsgewaad. Zijn smalle snorretje en kaarsrechte scheiding vielen heel erg uit de toon naast de lange, zilvergrijze baard en haardos van Perkamentus.

‘De heren Bazuyn en Krenck zijn de afgelopen maanden dag en nacht in touw geweest om alles te organiseren voor het Toverschool Toernooi,’ vervolgde Perkamentus, ‘en ze zullen samen met professor Karkarov, madame Mallemour en mijzelf deel uitmaken van de jury die de prestaties van de kampioenen zal beoordelen.’

Toen het woord ‘kampioenen’ viel, schenen de leerlingen nog aandachtiger te luisteren.

Misschien merkte Perkamentus dat iedereen plotseling doodstil was, want hij glimlachte en zei: ‘De kist graag, meneer Vilder.’

Vilder, die onopvallend in een hoekje van de zaal had gestaan, liep naar Perkamentus met een grote houten kist die bezaaid was met edelstenen. De kist zag er heel oud uit en er steeg een opgewonden, nieuwsgierig gemompel op onder de leerlingen. Dennis Krauwel ging zelfs op zijn stoel staan, om het beter te kunnen zien, maar omdat hij zo klein was, kwam hij nauwelijks boven de anderen uit.

‘De instructies voor de opdrachten die de kampioenen dit jaar moeten vervullen zijn al onderzocht door de heren Krenck en Bazuyn,’ zei Perkamentus, terwijl Vilder de kist voorzichtig op tafel zette, ‘en ze hebben al het noodzakelijke geregeld voor de verschillende uitdagingen. Er zijn in totaal drie opdrachten, die verdeeld zullen worden over het schooljaar en die de kampioenen op vele verschillende manieren op de proef gaan stellen… zo zal hun magische bekwaamheid worden getest — hun durf — hun talent voor logisch denken — en uiteraard hun vermogen om het hoofd te bieden aan gevaar.’

Bij dat laatste woord viel er zo’n doodse stilte in de zaal dat het leek alsof niemand nog ademhaalde.

‘Zoals jullie weten, strijden drie kampioenen om de Trofee, een van elke school,’ vervolgde Perkamentus kalm. ‘De kampioenen krijgen punten toegekend, afhankelijk van hoe goed ze de opdrachten vervullen en de kampioen die na de derde opdracht het hoogste puntentotaal heeft, wint de Toverschool Trofee. De kampioenen worden aangewezen door een onpartijdige waarnemer… de Vuurbeker.’

Perkamentus pakte zijn toverstok en tikte driemaal op het deksel van de kist, die langzaam en krakend openging. Perkamentus stak zijn hand in de kist en haalde er een grote, ruw gesneden houten beker uit, die er doodnormaal uitgezien zou hebben als hij niet tot aan de rand gevuld was geweest met dansende, blauwwitte vlammen.

Perkamentus deed de kist weer dicht en zette de Beker zorgvuldig op het deksel, zodat iedereen in de zaal hem goed kon zien.

‘Wie zich wil aanmelden als kampioen, moet zijn of haar naam en school duidelijk op een stuk perkament schrijven en dat in de Beker doen,’ zei Perkamentus. ‘Aspirant-kampioenen hebben vierentwintig uur de tijd om hun namen in te dienen. Morgenavond, met Halloween, tovert de Beker de namen van de drie kandidaten tevoorschijn die het naar zijn oordeel verdienen hun school te vertegenwoordigen. Vanavond wordt de Beker in de hal geplaatst, waar iedereen die mee wil doen er gemakkelijk bij kan. Om te zorgen dat leerlingen die te jong zijn niet in de verleiding worden gebracht, zal ik een Leeftijdsgrens trekken rond de Beker. Wie jonger is dan zeventien kan die grens niet passeren.

Ten slotte wil ik jullie allemaal graag op het hart drukken dat deelname aan dit Toernooi niet iets is om lichtvaardig over te beslissen. Zodra een kampioen eenmaal is aangewezen door de Vuurbeker, is hij of zij verplicht het Toernooi uit te spelen. Wie zijn naam in de Beker doet, ondertekent in feite een bindend, magisch contract. Gekozen kampioenen kunnen zich niet meer bedenken, dus wees er alsjeblieft heel zeker van dat jullie voor de volle honderd procent bereid zijn om de strijd aan te gaan voor jullie je naam in de Beker doen. En nu lijkt het me bedtijd. Welterusten, allemaal.’

‘Een Leeftijdsgrens!’ zei Fred Wemel met fonkelende ogen toen ze op weg gingen naar de uitgang. ‘Nou, die moet je kunnen overschrijden met behulp van een Verouderingsdrank. Ja toch? En zodra je je naam eenmaal hebt opgegeven, zit je gebakken — die Beker weet heus niet of je nou wel zeventien bent of niet!’

‘Maar ik denk dat leerlingen van onder de zeventien gewoon geen kans maken,’ zei Hermelien. ‘We hebben nog niet genoeg geleerd…’

‘Jij misschien niet,’ zei George kortaf. ‘Hé Harry, jij probeert toch zeker ook om mee te doen?’

Harry dacht heel even aan de nadruk die Perkamentus had gelegd op het feit dat niemand van onder de zeventien zich moest inschrijven, maar toen zag hij dat fantastische beeld waarin hij de Toverschool Trofee won weer voor zich… hij vroeg zich af hoe boos Perkamentus zou zijn als iemand van onder de zeventien er toch in slaagde om die Leeftijdsgrens te overschrijden…

‘Waar is hij?’ zei Ron, die het gesprek niet gevolgd had, maar over de hoofden van de menigte heen probeerde te zien waar Kruml was gebleven. ‘Perkamentus heeft niet gezegd waar die lui van Klammfels slapen, hè?’

Maar die vraag werd vrijwel direct beantwoord; ze waren net ter hoogte van de tafel van Zwadderich en Karkarov liep haastig naar zijn leerlingen toe.

‘Vooruit, terug naar het schip,’ zei hij. ‘Viktor, hoe voel je je? Heb je genoeg gegeten? Moet ik vragen of ze in de keuken wat warme wijn voor je maken?’

Harry zag Kruml zijn hoofd schudden terwijl hij zijn bontmantel weer aandeed.

‘Ik zou ook best vat vijn lusten, professor,’ zei een van de andere jongens van Klammfels hoopvol.

‘Ik vroeg het niet aan jou, Kalkstov,’ snauwde Karkarov, wiens bezorgde, vaderlijke manier van doen als sneeuw voor de zon verdween. ‘Ik zie dat je hele gewaad weer onder de etensvlekken zit!

Walgelijk ventje —’

Karkarov draaide zich om en ging zijn pupillen voor naar de uitgang, waar hij op precies hetzelfde moment arriveerde als Harry, Ron en Hermelien. Harry bleef staan, om de anderen voor te laten gaan.

‘Bedankt,’ zei Karkarov, die Harry een achteloze blik toewierp.

En toen verstijfde Karkarov opeens. Hij draaide zijn hoofd om en staarde Harry aan alsof hij zijn ogen niet kon geloven. Achter hem waren de leerlingen van Klammfels ook blijven staan. De blik van Karkarov gleed langzaam over Harry’s gezicht omhoog naar zijn litteken. De leerlingen van Klammfels staarden Harry ook nieuwsgierig aan en uit zijn ooghoek zag hij dat er iets begon te dagen bij een paar mensen. De jongen met de etensvlekken op zijn gewaad stootte het meisje naast hem aan en wees openlijk op Harry’s voorhoofd.

‘Ja, dat is Harry Potter,’ gromde een stem achter hen.

Professor Karkarov keerde zich snel om. Dwaaloog Dolleman stond achter hen. Hij leunde zwaar op zijn staf en zijn magische oog staarde strak naar het schoolhoofd van Klammfels.

Karkarov werd lijkbleek en er verscheen een verschrikkelijke grimas van woede en angst op zijn gezicht.

‘Jij!’ zei hij en hij staarde Dolleman aan alsof hij niet kon geloven dat hij hem werkelijk zag.

‘Ja, ik,’ zei Dolleman grimmig. ‘En tenzij je iets tegen Potter wilt zeggen, kun je misschien beter doorlopen, Karkarov. Je blokkeert de uitgang.’

Dat klopte; de helft van de studenten stond nu achter in de zaal op hen te wachten en keek over Elkaars schouders, om te zien wat er aan de hand was.

Zonder nog een woord te zeggen beende Karkarov weg, met zijn leerlingen in zijn kielzog. Dolleman keek hem na, zijn magische oog op Karkarovs rug gericht en een uitdrukking van intense afkeer op zijn verminkte gelaat.

De volgende dag was het zaterdag en de meeste leerlingen ontbeten dan laat, maar Harry, Ron en Hermelien waren niet de enigen die veel vroeger opstonden dan in het weekend gebruikelijk was. Toen ze in de hal kwamen, liepen daar minstens twintig leerlingen rond die de Vuurbeker bekeken. Sommigen hadden een boterham in hun hand. De Beker stond in het midden van de hal, op het krukje waar normaal gesproken de Sorteerhoed op lag. Op de grond was een dunne gouden cirkel getrokken, op drie meter afstand van de Beker.

‘Heeft iemand z’n naam al opgegeven?’ vroeg Ron gretig aan een derdejaarsstudente.

‘Iedereen van Klammfels,’ antwoordde ze. ‘Maar van Zweinstein heb ik nog niemand gezien.’

‘Ik wed dat sommigen hun naam gisteravond al in de Beker hebben gedaan, toen wij op bed lagen,’ zei Harry. ‘Dat zou ik tenminste gedaan hebben… ik zou niet willen dat iedereen me zag. Stel je voor dat die Beker je naam gelijk weer uitspuwt?’

Harry hoorde iemand lachen en toen hij zich omdraaide, zag hij Fred, George en Leo Jordaan haastig de trap afkomen. Ze zagen er erg opgewonden uit.

‘Gebeurd!’ zei Fred op triomfantelijke fluistertoon tegen Harry, Ron en Hermelien. ‘Net ingenomen.’

‘Wat?’ zei Ron.

‘Die Verouderingsdrank, stommeling!’ zei Fred.

‘Een druppel per persoon,’ zei George, die vergenoegd in zijn handen wreef. ‘We hoeven maar een paar maandjes ouder te zijn.’

‘Als een van ons wint, delen we die duizend Galjoenen met z’n drieën,’ zei Leo met een brede grijns.

‘Ik betwijfel of het werkt,’ zei Hermelien waarschuwend. ‘Perkamentus heeft daar vast aan gedacht.’

Fred, George en Leo negeerden haar.

‘Klaar?’ zei Fred tegen de anderen, trillend van opwinding. ‘Oké — ik ga eerst —’

Harry keek gefascineerd toe terwijl Fred een stuk perkament uit zijn zak haalde met de woorden ‘Fred Wemel — Zweinstein’. Fred ging precies aan de cirkel staan en bleef daar even heen en weer wiegen op zijn tenen, als een duiker die op het punt staat om van de hoge te springen. Terwijl iedereen in de hal hem aanstaarde, haalde hij diep adem en stapte over de grens.

Een fractie van een seconde dacht Harry dat het gelukt was — en George dacht dat zeker, want die slaakte een kreet van triomf en sprong achter zijn broer aan — maar het volgende moment klonk er een luid geknetter en werd de tweeling als door een onzichtbare kogelstoter uit de gouden cirkel gesmeten. Ze landden pijnlijk op de kille stenen vloer, drie meter verderop, en als klap op de vuurpijl klonk er een ploppend geluid en waren ze plotseling voorzien van identieke, lange witte baarden.

Iedereen brulde van het lachen en zelfs Fred en George deden mee, zodra ze overeind waren gekrabbeld en Elkaars baard eens goed bekeken hadden.

‘Ik heb jullie gewaarschuwd,’ zei een diepe, vrolijke stem en toen ze omkeken, zagen ze professor Perkamentus de Grote Zaal uitkomen. Hij keek met twinkelende ogen naar Fred en George. ‘Ik stel voor dat jullie een bezoekje brengen aan madame Plijster. Die is al in de weer met juffrouw Fortuin van Ravenklauw en meneer Smulders van Huffelpuf, die beiden ook besloten hadden zich ietsje ouder voor te doen. Al moet ik zeggen dat hun baarden lang niet zo fraai zijn als die van jullie.’

Fred en George gingen naar de ziekenzaal, vergezeld door Leo, die het bijna in zijn broek deed van het lachen. Harry, Ron en Hermelien liepen nagrinnikend naar de Grote Zaal om te ontbijten.

De zaal was die ochtend heel anders versierd. Omdat het Halloween was, fladderde er een zwerm echte vleermuizen onder het betoverde plafond en uit alle hoeken staarden grijnzende, uit grote pompoenen gesneden gezichten hen aan. Harry ging naast Daan en Simon zitten, die bespraken welke leerlingen van Zweinstein die ouder waren dan zeventien misschien een poging zouden wagen.

‘Ze zeggen dat Warrel vroeg is opgestaan om z’n naam in de beker te doen,’ zei Daan tegen Harry. ‘Je weet wel, die vleesklomp van Zwadderich die op een gorilla lijkt.’

Harry, die Zwerkbal had gespeeld tegen Warrel, schudde vol afschuw zijn hoofd. ‘Een kampioen van Zwadderich? Dat nooit!’

‘En de Huffelpufs hebben het allemaal over Kannewasser,’ zei Simon laatdunkend. ‘Ik had niet gedacht dat hij dat knappe gezichtje van hem zou willen riskeren.’

‘Moet je luisteren!’ zei Hermelien plotseling.

Buiten in de hal hoorden ze gejuich. Ze draaiden zich om in hun stoelen en zagen Angelique Jansen de zaal binnenkomen. Ze grijnsde een beetje opgelaten. Angelique, een lang, zwart meisje die Jager was in het Zwerkbalteam van Griffoendor, ging naast Harry, Ron en Hermelien zitten en zei: ‘Nou, ik heb het gedaan! Ik heb m’n naam opgegeven!’

‘Dat meen je niet!’ zei Ron, onder de indruk.

‘Ben je dan al zeventien?’ vroeg Harry.

‘Ja, natuurlijk. Ze heeft toch geen baard, of wel?’ zei Ron.

‘Vorige week was ik jarig,’ zei Angelique.

‘Nou, ik ben blij dat iemand van Griffoendor meedoet,’ zei Hermelien. ‘Ik hoop dat jij het wordt, Angelique!’

‘Bedankt, Hermelien,’ zei Angelique glimlachend.

‘Ja, heel wat liever jij dan Babyface Kannewasser,’ zei Simon, zodat een stel Huffelpufs die net langskwamen hem woedend aankeken.

‘Wat gaan we vandaag doen?’ vroeg Ron aan Harry en Hermelien, toen ze na het ontbijt terugliepen naar de hal.

‘We zijn nog helemaal niet bij Hagrid langs geweest,’ zei Harry.

‘Goed idee,’ zei Ron. ‘Zolang hij maar niet vraagt of we een paar vingers willen voeren aan z’n Skreeften.’

Plotseling keek Hermelien vreselijk opgewonden.

‘Dat bedenk ik nu pas — ik heb Hagrid nog niet gevraagd of hij mee wil doen met S.H.I.T.!’ zei ze enthousiast. ‘Wacht even, dan ga ik gauw m’n badges halen.’

‘Ze wordt met de dag erger,’ zei Ron geïrriteerd toen Hermelien de marmeren trap oprende.

‘He Ron,’ zei Harry plotseling. ‘Daar heb je je vriendin…’

De leerlingen van Beauxbatons kwamen door de voordeur binnen, onder wie het Glamorgana-meisje. Degenen die rond de Vuurbeker stonden gingen opzij om hen door te laten en keken gretig toe.

Madame Mallemour kwam als laatste binnen en droeg haar leerlingen op om een rij te vormen. Een voor een stapten ze over de Leeftijdsgrens en lieten hun stukken perkament in de blauwwitte vlammen vallen. Steeds als er een nieuwe naam in het vuur viel, kleurde dat rood en spatten er vonken op.

‘Wat gebeurt er met degenen die niet gekozen worden?’ mompelde Ron tegen Harry, toen het Glamorgana-meisje haar stuk perkament in de Vuurbeker liet vallen. ‘Zouden ze teruggaan naar hun eigen school of hier blijven om naar het Toernooi te kijken?’

‘Geen idee,’ zei Harry. ‘Hier blijven, denk ik… Madame Mallemour blijft tenslotte ook, als jurylid.’

Toen alle leerlingen van Beauxbatons hun namen hadden opgegeven, ging madame Mallemour hen weer voor naar buiten.

‘Waar zouden zij slapen?’ zei Ron, die naar de voordeur liep en hen nakeek.

Op dat moment hoorden ze aan een rammelend geluid dat Hermelien was teruggekeerd met haar voorraad S.H.I.T.-badges.

‘Goed. Haast je een beetje,’ zei Ron en hij holde het bordes af, met zijn ogen vastgekleefd aan de rug van het Glamorgana-meisje, dat inmiddels al halverwege het gazon was, samen met madame Mallemour.

Toen ze bijna bij Hagrids huisje aan de rand van het Verboden Bos waren, werd de vraag waar de leerlingen van Beauxbatons sliepen opgelost. De gigantische kobaltblauwe koets waarmee ze gearriveerd waren, stond op zo’n tweehonderd meter van Hagrids voordeur en de leerlingen klommen net het rijtuig weer in. De reusachtige vliegende paarden die de koets hadden getrokken, graasden nu op een haastig omheind stuk wei naast het rijtuig.

Harry klopte op de deur van Hagrids huisje en ze hoorden het daverende geblaf van Muil.

‘Hè hè, eindelijk!’ zei Hagrid, toen hij de deur opengooide om te zien wie er geklopt had. ‘Ik dacht al dat jullie niet meer wisten waarzo of ik woonde!’

‘We hebben het vreselijk druk gehad, Hag-’ begon Hermelien, maar toen deed ze er abrupt het zwijgen toe en staarde Hagrid aan, met stomheid geslagen.

Hagrid droeg zijn beste (en afzichtelijke) harige bruine pak, plus een geel met oranje geruite das en alsof dat nog niet genoeg was, had hij schijnbaar geprobeerd zijn warrige haar in bedwang te krijgen met grote scheuten van iets wat wel motorolie leek. Zijn haar was nu in twee vettige bossen verdeeld, met een scheiding in het midden — misschien had hij geprobeerd om een paardenstaart te maken, net als Bill, maar gemerkt dat hij gewoon te veel haar had. Dat nieuwe kapsel stond hem absoluut niet. Hermelien staarde hem met grote ogen aan, maar besloot om er niets van te zeggen en vroeg: ‘Eh — waar zijn de Skreeften?’

‘Buiten, bij ’t pompoenveldje,’ zei Hagrid opgewekt. ‘Ze beginnen hartstikke groot te worden. Ik denk dat ze al bijna een meter zijn. ’t Enige probleempje is dat ze mekaar afmaken.’

‘Meen je dat?’ zei Hermelien met een strenge blik op Ron, die naar Hagrids merkwaardige kapsel staarde en net zijn mond had opengedaan om er iets van te zeggen.

‘Ja,’ zei Hagrid terneergeslagen. ‘Maar dat geeft verders niks, hoor. Ze zitten nu in aparte kissies. Ik heb d’r nog een stuk of twintig over.’

‘Nou, gelukkig maar,’ zei Ron, maar het sarcasme ontging Hagrid.

Hagrids huisje bestond uit een enkele kamer, met in de hoek een reusachtig bed met een lapjessprei. Een al even grote houten tafel en dito stoelen stonden voor het haardvuur, onder de vele gerookte hammen en dode vogels die aan het plafond hingen. Ze gingen aan tafel zitten terwijl Hagrid thee zette en het gesprek kwam al gauw op het Toverschool Toernooi. Hagrid scheen even opgewonden als zij.

‘Wacht maar,’ zei hij grijnzend. ‘Wacht maar. Jullie gaan dingen zien die jullie nog nooit eerders hebben gezien. De eerste opdracht… nee, dat ken ik eigenlijk niet zeggen.’

‘He, kom nou, Hagrid!’ drongen Harry, Ron en Hermelien aan, maar Hagrid schudde grijnzend zijn hoofd.

‘Ik wil de lol d’r niet afhalen voor jullie,’ zei Hagrid. ‘Maar ’t wordt spektakel, dat ken ik jullie verzekeren. Die kampioenen zullen d’r nog een zware dobber an hebben. Ik had nooit gedacht dat ik ooit nog ‘ns een Toverschool Toernooi zou meemaken.’

Ze bleven ten slotte bij Hagrid eten, ook al kregen ze niet echt veel naar binnen — Hagrid had iets gemaakt wat hij runderstoofpot noemde, maar nadat Hermelien in haar portie een grote vogelklauw was tegengekomen, verging haar, Harry en Ron de eetlust. Ze amuseerden zich echter door te proberen Hagrid over te halen om te vertellen wat de opdrachten tijdens het Toernooi waren, te gissen welke kandidaten de meeste kans maakten om tot kampioen gekozen te worden en zich af te vragen of Fred en George hun baard al kwijt zouden zijn.

Halverwege de middag begon het zachtjes te regenen; het was heel knus om bij het haardvuur te zitten, te luisteren naar het zachte getik van druppels op het raam en te kijken hoe Hagrid zijn sokken stopte en met Hermelien discussieerde over Huis-elfen — want hij weigerde ronduit om zich bij de S.H.I.T. aan te sluiten toen ze hem haar badges liet zien.

‘Daar zou je ze geeneens een plezier mee doen, Hermelien,’ zei hij ernstig, terwijl hij een dikke gele draad door een al even massieve benen naald stak. “t Leg nou eenmaal in hullie aard om voor mensen te zorgen. Dat vinden ze fijn, snappie? Ze zouden doodongelukkig wezen als je probeerde hun d’r werk af te pakken en ze zouden beledigd wezen als je probeerde ze betaald te laten krijgen.’

‘Maar Harry heeft Dobby vrijgemaakt en die was dolgelukkig!’ zei Hermelien. ‘En we hebben gehoord dat hij nu betaald wil worden!’

‘Ja, nou, bij elke soort vind je wel een paar rare snuiters. Ik wil niet zeggen dat d’r hier en daar geen elf is die niet vrij wil wezen, maar de meeste voelen d’r geen bal voor — nee, Hermelien, vergeet ’t maar.’

Hermelien stopte boos haar doos met badges weer in de zak van haar mantel.

Tegen half zes begon het donker te worden en besloten Harry, Ron en Hermelien om terug te keren naar het kasteel voor het Halloween-feestmaal — en, wat nog veel belangrijker was, de bekendmaking van de kampioenen.

‘Ik ga met jullie mee,’ zei Hagrid, die naald en garen weglegde. ‘Effe wachten.’

Hagrid stond op, liep naar de kast naast zijn bed en begon in een van de laden te rommelen. Ze besteedden er niet al te veel aandacht aan, tot er plotseling een vreselijke stank in hun neusgaten drong.

Hoestend vroeg Ron: ‘Wat stinkt daar zo, Hagrid?’

‘He?’ Hagrid draaide zich om, met een grote fles in zijn hand. ‘Vinden jullie ’t niet lekker ruiken?’

‘Is dat aftershave of zo?’ vroeg Hermelien een beetje gesmoord.

‘Eh — odeklonje,’ mompelde Hagrid, die rood werd. ‘Misschien is ’t een tikkie an de sterke kant,’ zei hij bruusk. ‘Wacht effe, dan spoel ik ’t een beetje af…’

Hij kloste naar buiten en ze zagen hoe hij zich krachtig waste bij de regenton naast het raam.

‘Eau de cologne?’ zei Hermelien verbijsterd. ‘Hagrid?’

‘En wat hebben dat haar en dat pak te betekenen?’ zei Harry zachtjes.

‘Moet je zien!’ zei Ron plotseling en hij wees uit het raam.

Hagrid was overeind gekomen en had zich omgedraaid. De blos die zonet op zijn wangen was verschenen, was niets vergeleken met de kleur die hij nu kreeg. Harry, Ron en Hermelien kwamen heel voorzichtig overeind, zodat Hagrid hen niet zou zien en zagen dat madame Mallemour en haar leerlingen net uit hun koets waren gestapt en ook op het punt stonden om naar het kasteel te gaan. Ze konden niet verstaan wat Hagrid zei, maar hij sprak met een dromerige, gefascineerde blik in zijn ogen met madame Mallemour. Harry had Hagrid maar een keer eerder zo gezien — als hij naar Norbert had gekeken, zijn babydraak.

‘Hij gaat samen met haar!’ zei Hermelien verontwaardigd. ‘Ik dacht dat hij op ons zou wachten?’

Zonder ook maar een keer achterom te kijken naar zijn huisje, liep Hagrid samen met madame Mallemour in de richting van het kasteel. De leerlingen van Beauxbatons volgden hen op een drafje, om hun enorme passen te kunnen bijhouden.

‘Hij vindt haar leuk!’ zei Ron ongelovig. ‘Nou, als er ooit een kind van komt, denk ik dat dat een soort wereldrecord wordt — ik wil wedden dat een baby van die twee ongeveer een ton weegt.’

Ze gingen naar buiten en deden de deur achter zich dicht. Het was verrassend koud en ze sloegen hun mantel dichter om zich heen terwijl ze over de glooiende gazons richting kasteel liepen.

‘O, kijk, daar heb je hen ook!’ fluisterde Hermelien.

Het gezelschap van Klammfels kwam aanwandelen vanuit de richting van het meer. Viktor Kruml liep naast Karkarov en de andere leerlingen van Klammfels kwamen in een lange, slordige rij achter hen aan. Ron staarde opgewonden naar Kruml, maar die keek niet om. Hij arriveerde vlak voor Harry, Ron en Hermelien bij de voordeur en ging naar binnen.

De Grote Zaal, die met kaarsen was verlicht, was bijna vol. De Vuurbeker was verplaatst en stond nu voor de nog lege stoel van Perkamentus op de Oppertafel. Fred en George — die weer gladgeschoren waren — schenen hun teleurstelling vrij goed verwerkt te hebben.

‘Ik hoop dat Angelique het wordt,’ zei Fred toen Harry, Ron en Hermelien gingen zitten.

‘Ik ook!’ zei Hermelien ademloos. ‘Nou, dat zullen we zo weten!’

Het Halloween-feestmaal scheen veel langer te duren dan normaal. Misschien omdat het hun tweede feestmaal in twee dagen was, had Harry niet zoveel trek in de vele buitenissige gerechten als gewoonlijk. Net als iedereen in de zaal, te oordelen naar de reikhalzende leerlingen, de ongeduldige gezichten, het gedraai en geschuif en het opstaan om te zien of Perkamentus al uitgegeten was, wilde Harry dat de borden zo snel mogelijk leeggegeten zouden worden en horen wie tot kampioen gekozen waren.

Uiteindelijk keerden de gouden borden in hun oorspronkelijke, smetteloze staat terug; het rumoer in de zaal nam even toe, maar stierf vrijwel meteen weer weg toen Perkamentus opstond. Professor Karkarov en madame Mallemour, die aan weerskanten van hem zaten, maakten een even gespannen en verwachtingsvolle indruk als iedereen. Ludo Bazuyn grijnsde en knipoogde tegen verscheidene leerlingen, maar meneer Krenck maakte een ongeïnteresseerde en zelfs haast verveelde indruk.

‘Nou, de Vuurbeker is bijna klaar om zijn beslissing te nemen,’ zei Perkamentus. ‘Ik schat dat hij nog een minuut nodig heeft. Als de namen van de kampioenen worden voorgelezen, zou ik hun willen verzoeken naar deze kant van de zaal te komen, langs de Oppertafel te lopen en naar het aangrenzende vertrek te gaan —’ hij gebaarde naar de deur achter de Oppertafel, ‘- waar ze hun eerste instructies zullen krijgen.’

Hij gaf een grote, zwierige zwaai met zijn toverstok; meteen gingen alle kaarsen uit, behalve die in de uitgesneden pompoenen, en werd het schemerig in de zaal. De Vuurbeker gloeide nu veel feller en het licht van de fonkelende, blauwwitte vlammen was haast pijnlijk. Iedereen wachtte gespannen af… sommige leerlingen keken om de paar tellen op hun horloge…

‘Het kan elk moment zover zijn,’ fluisterde Leo Jordaan, die twee plaatsen van Harry vandaan zat.

De vlammen in de beker werden plotseling weer rood. Er schoten vonken omhoog en even later laaide er een steekvlam op, waar een geblakerd stuk perkament uit dwarrelde. De hele zaal hield de adem in.

Perkamentus ving het stuk perkament en hield dat op een armlengte afstand, zodat hij het kon lezen in het licht van de vlammen, die weer blauwwit waren geworden.

‘De kampioen van Klammfels,’ las hij op krachtige, heldere toon voor, ‘is Viktor Kruml.’

‘Dat verbaast me niets!’ schreeuwde Ron toen er een storm van applaus en gejuich losbarstte in de zaal. Harry zag Viktor Kruml opstaan van de tafel van Zwadderich en naar Perkamentus sjokken; hij ging naar rechts, liep langs de Oppertafel en verdween door de deur naar de andere kamer.

‘Bravo, Viktor!’ brulde Karkarov zo luid dat iedereen hem kon horen, zelfs boven het applaus uit. ‘Ik wist wel dat je het in je had!’

Het applaus en gepraat stierven weg en iedereen richtte zijn aandacht weer op de Beker, die een paar tellen later opnieuw rood kleurde. Een tweede stuk perkament werd door de vlammen omhoog geworpen.

‘De kampioen van Beauxbatons,’ zei Perkamentus, ‘is Fleur Delacour!’

‘Dat is zij, Ron!’ riep Harry, toen het meisje dat zoveel weghad van een Glamorgana gracieus overeind kwam, haar zilverblonde haar uitschudde en tussen de tafels van Ravenklauw en Huffelpuf doorliep.

‘O, kijk, ze zijn allemaal teleurgesteld,’ riep Hermelien boven het lawaai uit en ze knikte naar de andere leerlingen van Beauxbatons. ‘Teleurgesteld’ was nogal zacht uitgedrukt, dacht Harry. Twee van de meisjes die niet waren gekozen, waren in tranen uitgebarsten en lagen nu snikkend met hun hoofd op hun armen.

Toen Fleur Delacour ook in de andere kamer verdwenen was, viel er opnieuw een stilte, maar nu eentje die zo tintelde van opwinding dat het haast tastbaar werd. De volgende kampioen was die van Zweinstein…

En de Vuurbeker werd opnieuw rood; vonken spatten omhoog en Perkamentus plukte het derde stuk perkament van het topje van de oplaaiende steekvlam.

‘De kampioen van Zweinstein,’ riep hij, ‘is Carlo Kannewasser!’

‘Nee!’ riep Ron, maar alleen Harry hoorde hem, zo groot was het tumult aan de tafel naast hen. Alle Huffelpufs waren overeind gesprongen en schreeuwden en stampten toen Carlo grijnzend langs hen heen liep en zich naar de kamer achter de Oppertafel begaf. Het applaus voor Carlo hield zo lang aan dat het een tijdje duurde voor Perkamentus zich verstaanbaar kon maken.

‘Uitstekend!’ riep Perkamentus opgewekt toen het rumoer eindelijk wegstierf. ‘Nou, we hebben onze drie kampioenen. Ik weet zeker dat ik er van op aan kan dat iedereen, ook de overgebleven leerlingen van Beauxbatons en Klammfels, hun kampioenen door dik en dun zullen steunen. Door jullie favoriet aan te moedigen, leveren jullie een echte bijdrage aan —’

Maar Perkamentus deed er plotseling het zwijgen toe en iedereen besefte waardoor hij was afgeleid.

Het vuur in de Beker was weer rood geworden. Er schoten vonken uit. Een lange steekvlam laaide op, die een vierde stuk perkament met zich meevoerde.

Werktuiglijk, zo leek het wel, stak het schoolhoofd zijn hand uit en pakte het perkamentje. Hij hield het op een armlengte afstand en staarde naar de naam die erop stond. Er volgde een lange stilte waarin Perkamentus naar het briefje staarde en iedereen in de zaal naar Perkamentus keek. En toen schraapte Perkamentus zijn keel en las hardop voor:

‘Harry Potter!’

Hoofdstuk 17

DE VIER KAMPIOENEN

Harry bleef verstijfd zitten, zich ervan bewust dat iedereen in de Grote Zaal naar hem keek. Hij was totaal overdonderd. Hij voelde zich versuft. Hij droomde vast. Hij had het niet goed gehoord.

Niemand klapte. Een soort gegons, als van een zwerm nijdige bijen, begon op te klinken in de zaal; sommige leerlingen waren gaan staan om Harry beter te kunnen zien.

Aan de Oppertafel liep professor Anderling langs Ludo Bazuyn en Karkarov naar professor Perkamentus en fluisterde iets in zijn oor. Perkamentus boog zich een beetje naar haar toe, met gefronst voorhoofd.

Harry keek naar Ron en Hermelien; achter hen zag hij dat iedereen aan de lange tafel van Griffoendor hem met open mond aanstaarde.

‘Ik heb m’n naam niet in die beker gedaan,’ zei Harry verbluft. ‘Dat weten jullie best.’

Ze staarden allebei net zo verbluft terug.

Aan de Oppertafel was professor Perkamentus weer overeind gekomen en knikte tegen professor Anderling.

‘Harry Potter!’ riep hij nogmaals. ‘Harry! Zou je hier willen komen?’

‘Vooruit,’ fluisterde Hermelien, die Harry een zetje gaf.

Harry stond op, ging op de zoom van zijn gewaad staan, struikelde bijna en liep het gangpad tussen de tafels van Griffoendor en Huffelpuf uit. Het leek enorm ver; het was alsof de Oppertafel maar niet dichterbij wilde komen en hij voelde dat honderden en nog eens honderden ogen hem aanstaarden, alsof elk oog een zoeklicht was. Het gegons werd steeds luider. Na wat wel een uur leek, stond hij eindelijk voor Perkamentus. Hij voelde de priemende blikken van de andere leraren.

‘Vooruit… naar binnen, Harry,’ zei Perkamentus. Hij glimlachte niet.

Harry liep langs de Oppertafel. Hagrid zat helemaal aan het eind, maar knipoogde of zwaaide niet en deed geen enkele poging om Harry te groeten zoals hij dat gewoonlijk deed. Hij staarde hem alleen maar aan, net als de anderen. Harry verliet de Grote Zaal door de deur achter de tafel en kwam in een kleinere kamer, die vol hing met schilderijen van heksen en tovenaars. In de haard tegenover hem brandde een knappend vuur.

De gezichten op de portretten keken hem allemaal aan toen hij binnenkwam. Hij zag hoe een bleek, verschrompeld heksje gauw haar eigen lijst verliet en overstapte in het schilderij van een tovenaar met een grote hangsnor. De heks begon iets in zijn oor te fluisteren.

Viktor Kruml, Carlo Kannewasser en Fleur Delacour stonden bij het haardvuur en zagen er merkwaardig indrukwekkend uit, zo afgetekend tegen de vlammen. Kruml stond een eindje van de andere twee en leunde somber peinzend en met opgetrokken schouders tegen de schoorsteenmantel. Carlo had zijn handen op zijn rug en staarde naar het vuur en Fleur Delacour keek om toen Harry binnenkwam en wierp haar lange, zilverachtige haar in haar nek.

‘Wat ies er?’ vroeg ze. ‘Moeten we terug naar de zaal?’

Ze dacht dat hij een boodschap kwam brengen. Harry wist niet hoe hij moest uitleggen wat er gebeurd was. Hij bleef staan en keek de drie andere kampioenen zwijgend aan. Opeens viel het hem op hoe lang ze waren.

Achter hem klonken haastige voetstappen en Ludo Bazuyn kwam binnen. Hij pakte Harry bij zijn arm en loodste hem mee naar de anderen.

‘Ongelooflijk!’ mompelde hij en kneep in Harry’s arm. ‘Echt ongelooflijk! Heren… dame,’ zei hij tegen de andere drie terwijl hij naar de haard liep, ‘mag ik u voorstellen aan — hoe bizar dat misschien ook klinkt — de vierde kampioen van het Toverschool Toernooi?’

Viktor Kruml rechtte zijn rug en bekeek Harry met een blik die nog norser was dan gewoonlijk. Carlo leek alleen maar verbouwereerd. Zijn blik ging van Bazuyn naar Harry en weer terug, alsof hij dacht dat hij Bazuyn verkeerd verstaan moest hebben. Fleur Delacour streek glimlachend het haar uit haar gezicht en zei: ‘Ja ja, ‘eel grappig, menier Bazuyn.’

‘Grappig?’ herhaalde Bazuyn verbaasd. ‘Nee, nee, het is geen grap! Harry’s naam is zojuist gekozen door de Vuurbeker!’

Kruml fronste zijn dikke wenkbrauwen en Carlo keek hen beleefd maar verbijsterd aan.

Fleur fronste ook haar voorhoofd. ‘Maar dat moet een vergiessing zijn,’ zei ze neerbuigend tegen Bazuyn.‘ ’ij Kan niet meedoen, ’ij ies te jong.’

‘Tja… het is verbazingwekkend,’ zei Bazuyn, die over zijn gladde kin wreef en Harry glimlachend aankeek. ‘Maar zoals jullie weten is de leeftijdslimiet pas dit jaar ingesteld, als extra veiligheidsmaatregel. En nu zijn naam uit de Beker is gekomen… ik denk niet dat hij er in dit stadium nog onderuit kan… het staat allemaal in de regels, je bent verplicht… nee, Harry zal er gewoon het beste van moeten —’

De deur ging weer open en er kwam een groepje mensen binnen: eerst professor Perkamentus, op de voet gevolgd door meneer Krenck, professor Karkarov, madame Mallemour, professor Anderling en professor Sneep. Voor professor Anderling de deur dichtdeed, hoorde Harry het opgewonden geroezemoes van de honderden leerlingen in de Grote Zaal.

‘Madame Mallemour!’ zei Fleur meteen en ze liep met grote passen naar haar schoolhoofd toe. ‘les ‘et waar dat dit kleine jochie ook meedoet?’

Naast al het verbijsterde ongeloof, voelde Harry opeens ook een steek van woede. Klein jochie?

Madame Mallemour had zich in haar volle, niet onaanzienlijke lengte opgericht. De kruin van haar knappe hoofd streek tegen de met kaarsen gevulde kroonluchter en haar reusachtige, in zwart satijn gehulde boezem zwol verontwaardigd op.

‘Wat ‘eeft diet te betekenen, Perc-a-mentous?’ zei ze hooghartig.

‘Ja, dat zou ik ook graag willen weten, Perkamentus,’ zei professor Karkarov. Hij glimlachte kil en zijn blauwe ogen waren net twee klompjes ijs. ‘Twee kampioenen voor Zweinstein? Ik kan me niet herinneren dat iemand me ooit verteld heeft dat de organiserende school recht heeft op twee vertegenwoordigers — of heb ik de regels niet zorgvuldig genoeg gelezen?’

Hij lachte kort en hatelijk.

‘C’est impossible,’ zei madame Mallemour, die een enorme hand vol schitterende opalen op Fleurs schouder legde. ‘Zwienstien mag geen twee kampioenen ‘ebben. Dat zou ‘eel onrechtvaardig zijn.’

‘We hadden de indruk dat je Leeftijdsgrens te jonge kandidaten van deelneming zou uitsluiten, Perkamentus,’ zei Karkarov, nog steeds met die staalharde glimlach, hoewel zijn ogen killer waren dan ooit. ‘Anders zouden we uiteraard ook een grotere selectie aan kandidaten hebben meegebracht.’

‘Het is allemaal de schuld van Potter, Karkarov,’ zei Sneep zacht. Zijn zwarte ogen fonkelden vol rancune. ‘Geef Perkamentus alsjeblieft niet de schuld van het feit dat Potter zich niets aantrekt van de regels. Vanaf zijn allereerste schooldag is hij ik weet niet hoe vaak over de schreef gegaan —’

‘Dank je, Severus,’ zei Perkamentus resoluut en Sneep deed er het zwijgen toe, hoewel zijn ogen boosaardig schitterden achter een gordijn van vettig zwart haar.

Professor Perkamentus liet zijn blik op Harry rusten, die Perkamentus recht aankeek en probeerde de uitdrukking in de ogen achter het halfronde brilletje te zien.

‘Heb jij je naam in de Vuurbeker gedaan, Harry?’ vroeg Perkamentus kalm.

‘Nee,’ zei Harry, die zich er maar al te goed van bewust was dat iedereen hem aanstaarde. In de schaduw maakte Sneep een zacht geluidje van ongeduld en ongeloof.

‘Heb je aan een oudere leerling gevraagd om je naam in de Vuurbeker te doen?’ vroeg Perkamentus, die Sneep negeerde.

‘Nee!’ zei Harry fel.

‘Ah, maar dat liegt ‘ij natuurlijk!’ riep madame Mallemour. Sneep schudde zijn hoofd, met schamper opgetrokken bovenlip.

‘Hij kan onmogelijk de Leeftijdsgrens gepasseerd zijn!’ zei professor Anderling op scherpe toon. ‘Ik dacht dat we het daar allemaal over eens waren!’

‘Perc-a-mentous moet een foutje ‘ebben gemaakt met die grens,’ zei madame Mallemour schouderophalend.

‘Dat is natuurlijk altijd mogelijk,’ zei Perkamentus beleefd.

‘Perkamentus, je weet best dat je geen fout hebt gemaakt!’ zei professor Anderling boos. ‘Wat een onzin allemaal! Harry kon die grens zelf onmogelijk overschrijden en als professor Perkamentus hem gelooft als hij zegt dat hij het niet aan een oudere leerling heeft gevraagd, vind ik dat wij daar niet aan horen te twijfelen!’

Ze keek woedend naar professor Sneep.

‘Meneer Krenck… meneer Bazuyn,’ zei Karkarov, wiens stem weer glad en zalvend was. ‘U bent onze — eh — objectieve waarnemers. U zult het toch met me eens zijn dat dit hoogst onregelmatig is?’

Bazuyn veegde zijn ronde, jongensachtige gezicht af met zijn zakdoek en keek naar Krenck, die buiten de lichtkring van de haard stond en wiens gelaat half verscholen ging in het donker. Hij zag er een tikkeltje griezelig uit, want door het schemerduister leek hij veel ouder en had zijn gezicht haast iets schedelachtigs, maar toen hij het woord nam, was zijn stem even bruusk en gedecideerd als altijd. ‘We moeten ons aan de regels houden en in de regels staat duidelijk dat degenen wier namen uit de Vuurbeker komen, verplicht zijn om aan het Toernooi deel te nemen.’

‘Nou, Barto kent de regels van achteren naar voren,’ zei Bazuyn met een brede glimlach naar Karkarov en madame Mallemour, alsof de zaak daarmee was afgedaan.

‘Ik sta erop dat ik de namen van mijn overige leerlingen opnieuw mag voordragen!’ zei Karkarov. Hij had zijn zalvende toontje en glimlach laten varen en zijn gezicht stond op onweer. ‘Zet de Vuurbeker opnieuw neer en dan doen we daar net zolang namen in tot elke school twee kampioenen heeft. Dat is de enige eerlijke oplossing, Perkamentus.’

‘Maar zo werkt het niet, Karkarov,’ zei Bazuyn. ‘De Vuurbeker is net uitgegaan — hij ontbrandt pas weer aan de vooravond van het volgende Toernooi —’

‘Waar Klammfels in geen geval aan zal deelnemen!’ schoot Karkarov uit zijn slof. ‘Na al onze vergaderingen en onderhandelingen en compromissen had ik niet verwacht dat er zoiets zou gebeuren! Eigenlijk zou ik het liefst direct vertrekken!’

‘Loze dreigementen, Karkarov,’ gromde een stem bij de deur. ‘Je kunt je kampioen niet in de steek laten en die is verplicht mee te doen. Ze moeten allemaal meedoen. Bindend magisch contract, zoals Perkamentus al zei. Komt dat even goed uit?’

Dolleman was de kamer binnengekomen. Hij hinkte naar de haard en om de andere stap klonk er een luide bonk.

‘Goed uit?’ zei Karkarov. ‘Ik ben bang dat ik je niet begrijp, Dolleman.’

Harry besefte dat hij smalend probeerde te doen, alsof de woorden van Dolleman het beluisteren nauwelijks waard waren, maar zijn handen verraadden hem; die hadden zich plotseling tot vuisten gebald.

‘O nee?’ zei Dolleman kalm. ‘Het is anders heel simpel, Karkarov. Iemand heeft die naam in de Beker gedaan in de wetenschap dat Potter zou moeten meedoen als de keuze op hem viel.’

‘Iemand die Zwienstien een dubbele kans op succes wilde geven!’ zei madame Mallemour.

‘Precies, madame,’ zei Karkarov met een kleine buiging. ‘Ik zal dan ook een klacht indienen bij het Ministerie van Toverkunst en het Internationaal Overlegorgaan van Heksenmeesters —’

‘Als iemand reden tot klagen heeft, is het Potter,’ gromde Dolleman. ‘Maar hem heb ik nog niet gehoord. Raar, hè?’

‘Waarom zou ‘ij reden tot klagen ‘ebben?’ riep Fleur Delacour stampvoetend. ‘IJ ‘eeft de kans om mee te doen, of niet? We ‘ebben allemaal wekenlang ge’oopt dat we gekozen zouden worden! De eer van onze scholen! Duizend Galjoenen aan prijzengeld — velen zouden daar graag ‘un leven voor willen geven!’

‘Misschien hoopt iemand dat Potter er inderdaad zijn leven voor zal geven,’ gromde Dolleman.

Er volgde een bijzonder gespannen stilte na die uitspraak.

Ludo Bazuyn, die een heel onrustige indruk maakte, wipte zenuwachtig op en neer en zei: ‘Dolleman, beste kerel… gaat dat niet een beetje ver?’

‘We weten allemaal dat professor Dolleman een ochtend als verspild beschouwt als hij voor het middageten niet minstens zes moordcomplotten heeft ontdekt!’ zei Karkarov luid. ‘Blijkbaar brengt hij diezelfde overdreven angst voor moordaanslagen nu over op zijn leerlingen. Een vreemde eigenschap voor een docent Verweer tegen de Zwarte Kunsten, Perkamentus, maar je zult ongetwijfeld je redenen hebben gehad.’

‘O, dus ik haal me dingen in m’n hoofd?’ snauwde Dolleman. ‘Ik verbeeld me maar wat? Het moet een volleerde heks of tovenaar geweest zijn die de naam van die jongen in de Beker heeft gedaan…’

‘Wat ‘ebben we daar voor bewijs voor?’ riep madame Mallemour en ze wierp haar enorme handen in de lucht.

‘Omdat de dader een zeer krachtig magisch voorwerp heeft weten te misleiden!’ zei Dolleman. ‘Alleen door middel van een uitzonderlijk sterke Waanzichtspreuk zou iemand de Vuurbeker kunnen wijsmaken dat er meer dan drie scholen deelnemen aan het Toernooi… ik neem aan dat ze Potter onder de naam van een vierde school hebben opgegeven, om er zeker van te zijn dat hij de enige was in die categorie…’

‘Je schijnt er nogal diep over te hebben nagedacht, Dolleman,’ zei Karkarov kil. ‘En het is inderdaad een ingenieuze theorie — hoewel ik laatst ook gehoord heb dat je een van je verjaardagscadeautjes aanzag voor het gecamoufleerde ei van een basilisk en dat je het al aan gruzelementen had geslagen voor je besefte dat het in werkelijkheid een tafelklok was. Je begrijpt misschien dat we je niet helemaal serieus nemen…’

‘Sommige mensen misbruiken onschuldige gelegenheden om er zelf hun voordeel mee te doen,’ zei Dolleman op dreigende toon. ‘En het is mijn taak om te denken zoals Duistere tovenaars doen, Karkarov — dat zou je maar al te goed moeten weten…’

‘Alastor!’ zei Perkamentus waarschuwend. Harry vroeg zich even af wie hij bedoelde, maar besefte toen dat ‘Dwaaloog’ moeilijk Dollemans echte voornaam kon zijn. Dolleman deed er het zwijgen toe, maar staarde tevreden naar Karkarov, die vuurrood geworden was.

‘We weten niet hoe deze situatie is ontstaan,’ zei Perkamentus, die zich tot de andere aanwezigen richtte, ‘maar het lijkt me dat we gedwongen zijn het te accepteren. Carlo en Harry zijn beiden uitverkoren om deel te nemen aan het Toernooi en zullen dat dan ook doen…’

‘Ah, maar Perc-a-mentous-’

‘M’n beste madame Mallemour, als u een redelijk alternatief weet, zal ik dat graag horen.’

Perkamentus wachtte even, maar madame Mallemour zei niets en staarde alleen nijdig voor zich uit. Ze was niet de enige: Sneep was zo te zien woedend en Karkarov furieus. Bazuyn, daarentegen, leek eerder opgewonden.

‘Nou, zullen we dan verder gaan?’ zei hij, terwijl hij in zijn handen wreef en glimlachend naar de anderen keek. ‘We moeten de kampioenen tenslotte instructies geven, nietwaar? Barto, aan jou de eer.’

Meneer Krenck leek wakker te schrikken uit een diepe mijmering.

‘Ja,’ zei hij. ‘De instructies, ja… de eerste opdracht…’

Hij ging in het licht van het haardvuur staan. Van dichtbij vond Harry hem er ongezond uitzien. Hij had donkere wallen onder zijn ogen en zijn gerimpelde huid leek dun en perkamentachtig, wat tijdens het WK Zwerkbal niet het geval geweest was.

‘De eerste opdracht is bedoeld om jullie moed te testen,’ zei hij tegen Harry, Carlo, Fleur en Kruml. ‘Daarom zeggen we niet wat die inhoudt. Als je met het onbekende wordt geconfronteerd is moed een belangrijke eigenschap voor een tovenaar… heel belangrijk…

De eerste opdracht vindt op vierentwintig november plaats, in aanwezigheid van de overige leerlingen en de jury. De kampioenen moeten de opdrachten voltooien zonder enige vorm van hulp van hun leraren. Als de eerste opdracht begint, zullen de kampioenen alleen gewapend zijn met hun toverstok. Pas als de eerste taak voltooid is, krijgen ze nadere informatie over de tweede taak. Wegens de veeleisende en tijdrovende aard van het Toernooi, zijn de kampioenen vrijgesteld van examens.’

Meneer Krenck wendde zich tot Perkamentus. ‘Dat is alles, nietwaar, Albus?’

‘Dat dacht ik wel,’ zei Perkamentus, die Krenck een beetje bezorgd aankeek. ‘Blijf je echt niet liever op Zweinstein slapen vanavond, Barto?’

‘Nee, Albus, ik moet terug naar het Ministerie,’ zei meneer Krenck. ‘We zitten midden in een heel drukke en lastige periode… ik heb die jonge Wezel de leiding gegeven tijdens mijn afwezigheid… Wezel is heel enthousiast… een beetje te enthousiast, als je het mij vraagt…’

‘Je wilt toch wel iets drinken voor je gaat?’ vroeg Perkamentus.

‘Kom, Barto, blijf toch lekker!’ zei Bazuyn vrolijk. ‘Op Zweinstein gebeurt het! Het is hier veel opwindender dan op kantoor!’

‘Nee, dank je, Ludo!’ zei Krenck, met een vleugje van zijn oude bruuskheid.

‘Professor Karkarov — madame Mallemour — een slaapmutsje?’ vroeg Perkamentus.

Maar madame Mallemour had haar arm al om de schouders van Fleur geslagen en nam haar vlug mee naar buiten. Harry hoorde hen rap in het Frans praten terwijl ze naar de Grote Zaal liepen. Karkarov wenkte Kruml en zij vertrokken ook, zij het in stilte.

‘Harry en Carlo, ik stel voor dat jullie naar jullie slaapzaal gaan,’ zei Perkamentus glimlachend. ‘Ongetwijfeld zitten heel Huffelpuf en Griffoendor te wachten om dit samen met jullie te vieren en het zou zonde zijn om hen te beroven van zo’n uitstekend excuus om veel herrie en rotzooi te maken.’

Harry keek naar Carlo. Die knikte en ze gingen samen naar buiten.

De Grote Zaal was inmiddels verlaten en de kaarsen waren bijna opgebrand. Het flakkerende licht gaf iets extra griezeligs aan de gerafelde grijnzen van de pompoenen.

‘Zo,’ zei Carlo met een flauwe glimlach. ‘Dus we spelen opnieuw tegen elkaar!’

‘Blijkbaar,’ zei Harry. Hij kon verder niets bedenken; het was een grote warboel in zijn hoofd, alsof zijn brein compleet overhoop was gehaald.

‘Nou… vertel eens…’ zei Carlo toen ze in de hal kwamen, die alleen nog verlicht werd door fakkels nu de Vuurbeker er niet meer stond. ‘Hoe heb je je naam in die Beker gekregen?’

‘Dat heb ik niet gedaan,’ zei Harry, die hem aanstaarde. ‘Ik heb hem er niet ingedaan. Het was waar wat ik zei.’

‘Aha… oké,’ zei Carlo. Harry merkte dat hij hem niet geloofde. ‘Nou… tot ziens dan maar.’

In plaats van de marmeren trap op te gaan, liep Carlo naar een deur aan de rechterkant. Harry luisterde even hoe hij een stenen trap afdaalde en liep toen zelf langzaam de marmeren treden op.

Zouden er mensen zijn die hem geloofden, behalve Ron en Hermelien, of zou iedereen denken dat hij inderdaad zichzelf voor het Toernooi had opgegeven? Maar hoe konden ze dat denken, terwijl hij het moest opnemen tegen opponenten die drie jaar langer magisch onderwijs hadden gehad dan hij — terwijl hij opdrachten moest vervullen die blijkbaar niet alleen uitermate gevaarlijk waren, maar die hij moest volbrengen in aanwezigheid van honderden mensen? Ja, natuurlijk had hij eraan gedacht… erover gefantaseerd… maar meer voor de lol, als een soort dagdroom… hij had nooit echt, nooit serieus overwogen om mee te doen…

Maar dat had iemand anders wel overwogen… iemand anders had gewild dat hij meedeed aan het Toernooi en had zijn naam opgegeven. Waarom? Om Harry een plezier te doen? Om de een of andere reden betwijfelde hij dat…

Om te zien hoe hij op zijn bek ging? Nou, die wens zou best eens in vervulling kunnen gaan…

Maar in de hoop dat het zijn dood zou worden? Was Dolleman z’n gewone gekke zelf? Was het niet mogelijk dat iemand Harry’s naam voor de grap in die beker had gedaan, om hem een poets te bakken? Was er werkelijk iemand die hem dood wilde hebben?

Die vraag kon Harry direct beantwoorden. Ja, er was inderdaad iemand die hem dood wilde hebben, iemand die dat al gewild had vanaf het moment dat Harry een jaar oud was… Voldemort. Maar hoe had Voldemort er in vredesnaam voor kunnen zorgen dat Harry’s naam in de Vuurbeker terechtkwam? Iedereen zei dat Voldemort ondergedoken was in een of ander ver, afgelegen land, eenzaam, zwak en machteloos…

Maar in die droom, vlak voor hij wakker geworden was van de pijn aan zijn litteken, was Voldemort niet alleen geweest… hij had met Wormstaart gepraat… ze waren bezig geweest om de moord op Harry te beramen…

Harry schrok toen hij merkte dat hij al bij de Dikke Dame was. Hij had nauwelijks beseft waar zijn voeten hem heen voerden en was ook verbaasd omdat ze niet alleen in haar lijst was. De bleke, verschrompelde heks die gauw naar het schilderij van haar buurman was overgesprongen toen hij zich beneden bij de andere kampioenen gevoegd had, zat nu heel zelfvoldaan naast de Dikke Dame. Ze moest op topsnelheid door alle schilderijen die op de zeven trappen hingen, zijn gesprint om eerder boven te zijn dan hij. Zowel de heks als de Dikke Dame keken hem heel belangstellend aan.

‘Wel, wel, wel,’ zei de Dikke Dame. ‘Wie hebben we daar? Ik heb het net van Beatrijs gehoord. Dus je bent tot kampioen van onze school gekozen?’

‘Apekool,’ zei Harry dof.

‘Geen sprake van!’ zei de bleke heks verontwaardigd.

‘Nee, nee, Bea, dat is het wachtwoord,’ zei de Dikke Dame sussend en ze zwaaide opzij aan haar scharnieren, zodat Harry de leerlingenkamer binnen kon gaan.

Harry werd haast omvergeblazen door een orkaan van geluid toen het portretgat openging. Voor hij het wist, werd hij door tientallen handen de leerlingenkamer ingesleurd en stond hij tegenover een voltallig Griffoendor. Iedereen juichte, applaudisseerde en floot.

‘Je had moeten zeggen dat je je ingeschreven had!’ schreeuwde Fred; hij leek zowel gepikeerd als diep onder de indruk.

‘Hoe is je dat gelukt zonder een baard te krijgen? Gewoon briljant!’ bulderde George.

‘Dat heb ik niet gedaan,’ zei Harry. ‘Ik weet niet hoe —’

Maar opeens werd hij omhelsd door Angelique. ‘Ook al heb ik het dan niet gehaald, het is in elk geval iemand van Griffoendor —’

‘Nu kun je Kannewasser die laatste Zwerkbalwedstrijd betaald zetten!’ krijste Katja Bel, een van de andere Jagers van Griffoendor.

‘We hebben genoeg eten, Harry. Neem ook wat —’

‘Ik heb geen honger, ik heb voldoende gehad tijdens het feestmaal —’

Maar niemand wilde horen dat hij geen trek had; niemand wilde horen dat hij zijn naam niet in de Vuurbeker had gedaan; niet een medeleerling scheen te merken dat hij absoluut niet in de stemming was om feest te vieren… Leo Jordaan had ergens een grote banier van Griffoendor opgeduikeld en wilde die met alle geweld om Harry’s hals knopen, als een soort mantel. Harry kon niet wegkomen; steeds als hij probeerde om naar de trap naar de slaapzalen te schuifelen, werd hij ingesloten door nieuwe hordes leerlingen die hem flessen Boterbier opdrongen of chips en pinda’s in zijn handen duwden… iedereen wilde weten hoe hij het gedaan had, hoe hij de Leeftijdsgrens van Perkamentus had weten te overschrijden en zijn naam in de Beker had gedaan…

‘Dat heb ik niet gedaan!’ zei hij keer op keer. ‘Ik heb geen idee hoe het gebeurd is.’

Maar hij had zich de moeite kunnen besparen; niemand luisterde.

‘Ik ben moe!’ brulde hij uiteindelijk, na bijna een halfuur. ‘Nee, echt, George — ik ga naar bed —’

Het allerliefst wilde hij Ron en Hermelien spreken, die tenminste voor een klein beetje gezond verstand zouden kunnen zorgen, maar ze schenen geen van beiden in de leerlingenkamer te zijn. Harry hield stug vol dat hij slaap had en door de broertjes Krauwel haast onder de voet te lopen toen ze hem onder aan de trap probeerden tegen te houden, wist hij iedereen ten slotte van zich af te schudden. Hij liep zo snel mogelijk de trap op naar zijn slaapzaal.

Tot zijn opluchting lag Ron op bed in de verder lege zaal. Hij had al zijn kleren nog aan en keek op toen Harry de deur achter zich dichtsmeet.

‘Waar was je?’ vroeg Harry.

‘O, hallo,’ zei Ron.

Hij grijnsde, maar op een hele rare, geforceerde manier. Harry besefte plotseling dat hij de vuurrode banier van Griffoendor nog om had. Hij probeerde hem gauw af te doen, maar Leo had hem heel strak vastgeknoopt. Ron bleef roerloos op bed liggen en keek hoe Harry worstelde met de knopen.

‘Nou,’ zei hij, toen Harry de banier eindelijk af had weten te krijgen en hem in een hoek gooide, ‘gefeliciteerd.’

‘Hoe bedoel je, gefeliciteerd?’ zei Harry, die Ron aanstaarde. Er was echt iets heel raars aan Rons glimlach; die had meer weg van een grimas.

‘Nou, verder is het niemand gelukt om de Leeftijdsgrens te passeren,’ zei Ron. ‘Zelfs Fred en George niet. Wat heb je gebruikt — je Onzichtbaarheidsmantel?’

‘Ook met de mantel was ik nooit over de grens gekomen,’ zei Harry langzaam.

‘O. Nou, goed,’ zei Ron. ‘Ik vond dat je het wel even had kunnen zeggen als je de mantel had gebruikt… want daar hadden we dan allebei onder kunnen schuilen. Ja toch? Maar je hebt dus een andere manier gevonden?’

‘Hoor eens,’ zei Harry, ‘ik heb m’n naam niet in de Vuurbeker gedaan. Dat moet iemand anders gedaan hebben.’

Ron trok zijn wenkbrauwen op. ‘Waarom zou iemand dat doen?’

‘Geen idee,’ zei Harry. Hij dacht dat het wel erg melodramatisch zou klinken als hij zei ‘om me te vermoorden’.

Ron trok zijn wenkbrauwen zo hoog op dat ze bijna verdwenen onder zijn haar.

‘Je kunt het mij rustig vertellen, hoor,’ zei hij. ‘Als de anderen het niet mogen weten, nou, prima, maar ik snap niet waarom je de moeite neemt om te liegen. Je bent toch niet in de problemen gekomen? Beatrijs, die vriendin van de Dikke Dame, heeft al verteld dat je mag meedoen van Perkamentus. Duizend Galjoenen aan prijzengeld, hè? En je hoeft ook geen examen te doen…’

‘Ik heb m’n naam niet in die Beker gedaan!’ zei Harry, die boos begon te worden.

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Ron, op dezelfde sceptische toon als Carlo. ‘Daarom zei je vanochtend natuurlijk dat jij het ’s nachts gedaan zou hebben, zodat niemand je zou zien… ik ben niet stom, hoor.’

‘Dat zou je niet zeggen als je je zo hoort praten!’ beet Harry hem toe.

‘O ja?’ zei Ron, maar nu zonder een greintje humor, geforceerd of niet. ‘Ik zou maar gauw gaan slapen als ik jou was, Harry. Je zult er morgen wel vroeg uit moeten. Ze zullen wel foto’s willen nemen voor in de krant.’

Hij trok de gordijnen rond zijn hemelbed met een ruk dicht. Harry bleef bij de deur staan en staarde naar het donkerrode fluweel, waarachter een van de weinige mensen schuilging van wie hij had gedacht dat ze hem zouden geloven.

Hoofdstuk 18

HET SCHOUWEN DER STOKKEN

Toen Harry zondag wakker werd, duurde het even voor hij zich herinnerde waarom hij zich zo ongelukkig en ellendig voelde, maar opeens keerden de herinneringen aan de vorige avond in een grote golf terug. Hij ging overeind zitten en gooide de gordijnen om zijn bed open. Hij was van plan met Ron te praten, Ron te dwingen hem te geloven — maar merkte dat Rons bed leeg was; hij was al naar beneden om te ontbijten.

Harry kleedde zich aan en liep de wenteltrap af naar de leerlingenkamer. Zodra hij binnenkwam, begonnen de leerlingen die al ontbeten hadden opnieuw te applaudisseren. Het vooruitzicht om naar de Grote Zaal te gaan en daar de andere Griffoendors te zien, die hem vast ook als een soort held zouden onthalen, was niet erg aanlokkelijk, maar anders moest hij boven blijven en zich in een hoek laten drijven door de broertjes Krauwel, die al opgewonden gebaarden dat hij bij hen moest komen zitten. Hij liep resoluut naar het portretgat, duwde het open, klom erdoor en stond oog in oog met Hermelien.

‘Hallo,’ zei ze en liet een stapeltje boterhammen zien dat ze verpakt had in een servetje. ‘Ik heb dit voor je meegebracht… wil je een eindje lopen?’

‘Goed idee,’ zei Harry dankbaar.

Ze gingen naar beneden, staken de hal over zonder hun hoofd even om de deur van de Grote Zaal te steken en liepen al gauw over het grasveld in de richting van het meer, waar het schip van Klammfels donker weerspiegeld werd in het water. Het was fris buiten en ze bleven lopen terwijl ze hun boterhammen aten en Harry aan Hermelien vertelde wat er gebeurd was nadat hij de vorige avond de tafel van Griffoendor had verlaten. Tot zijn immense opluchting geloofde Hermelien hem meteen.

‘Ja, natuurlijk wist ik dat je jezelf niet had opgegeven,’ zei ze, toen hij haar vertelde over de scene in de kamer naast de Grote Zaal. ‘Die uitdrukking op je gezicht toen Perkamentus je naam oplas! Maar de vraag is wie je dan wel heeft opgegeven. Dolleman heeft gelijk, Harry… ik denk niet dat een leerling dat had kunnen doen… die hadden de Vuurbeker nooit kunnen misleiden of langs die grens van Perkamentus kunnen —’

‘Heb je Ron toevallig gezien?’ viel Harry haar in de rede.

Hermelien aarzelde.

‘Eh… ja… tijdens het ontbijt,’ zei ze.

‘Denkt hij nog steeds dat ik me zelf heb opgegeven?’

‘Nou… nee, volgens mij niet… niet echt,’ zei Hermelien een tikkeltje opgelaten.

‘Wat betekent dat nou weer, niet echt?’

‘O, Harry, het ligt er toch duimendik bovenop?’ zei Hermelien vertwijfeld. ‘Hij is jaloers!’

‘Jaloers?’ zei Harry ongelovig. ‘Waar moet hij jaloers op zijn? Dat ik dadelijk in het bijzijn van de hele school voor paal sta?’

‘Hoor eens,’ zei Hermelien geduldig, ‘jij krijgt altijd alle aandacht, dat weet je best. Ja, ik weet dat dat jouw schuld niet is,’ voegde ze er vlug aan toe toen Harry woedend zijn mond opendeed. ‘Ik weet dat je daar niet om vraagt… maar — nou ja — Ron moet thuis tegen al die broers opboksen en jij bent z’n beste vriend en je bent hartstikke beroemd — als mensen jullie samen zien wordt hij altijd min of meer genegeerd en dat pikt hij en zegt er nooit iets van, maar dit was waarschijnlijk de laatste druppel…’

‘Nou, geweldig,’ zei Harry verbitterd. ‘Echt geweldig. Zeg maar uit mijn naam dat ik zo met hem zou willen ruilen. Zeg maar dat hij het allemaal mag hebben… al die mensen die naar m’n voorhoofd staren, overal waar ik kom…’

‘Ik zeg helemaal niks tegen hem,’ zei Hermelien kortaf. ‘Dat moet je zelf maar doen, dat is de enige manier om deze ruzie op te lossen.’

‘Ik vertik het om Ron achterna te lopen, alleen omdat hij zo kinderachtig doet!’ zei Harry zo luid dat een paar uilen die in een naburige boom zaten verschrikt opvlogen. ‘Misschien gelooft hij pas dat ik dit niet voor de lol doe als ik m’n nek gebroken heb of —’

‘Dat is niet grappig,’ zei Hermelien. ‘Dat is helemaal niet grappig.’ Ze leek erg ongerust. ‘Harry, ik heb erover nagedacht — je weet toch wat je moet doen, hè? Zodra we terug zijn in het kasteel?’

‘Ja, Ron een schop voor z’n —’

‘Sirius schrijven! Je moet hem laten weten wat er is gebeurd. Hij heeft je gevraagd hem op de hoogte te houden van wat zich op Zweinstein afspeelt… je zou haast zeggen dat hij iets dergelijks verwachtte. Ik heb perkament en een veer bij me —

‘Schei toch uit,’ zei Harry, die vlug controleerde of er iemand meeluisterde, maar het schoolterrein was uitgestorven. ‘Sirius is naar dit land teruggekomen omdat m’n litteken een beetje pijn deed. Als ik schrijf dat iemand me heeft ingeschreven voor het Toverschool Toernooi, stormt hij waarschijnlijk halsoverkop het kasteel binnen —’

‘Hij zou willen dat je hem dat liet weten,’ zei Hermelien streng. ‘Hij komt er sowieso achter —’

‘Hoe dan?’

‘Harry, dit blijft echt niet onder ons,’ zei Hermelien serieus. ‘Het toernooi is beroemd en jij bent beroemd. Het zou me heel erg verbazen als er niets in de Ochtendprofeet staat over je deelname… je wordt in zo’n beetje alle boeken over Jeweetwel vermeld… en Sirius zou het veel liever van jou zelf horen, dat weet ik zeker.’

‘Oké, oké, ik schrijf hem wel,’ zei Harry, die zijn laatste stukje brood in het meer gooide. Ze keken hoe het een paar tellen ronddobberde voor er een grote tentakel oprees uit het water die het meetrok naar beneden. Ze liepen terug naar het kasteel.

‘Wiens uil zal ik gebruiken?’ zei Harry terwijl ze het bordes opliepen. ‘Sirius zei dat ik niet steeds Hedwig moest sturen.’

‘Vraag aan Ron of je Koe —’

‘Ik vraag helemaal niks aan Ron,’ zei Harry kortaf.

‘Nou, neem dan een van de schooluilen, die mag iedereen gebruiken,’ zei Hermelien.

Ze gingen samen naar de Uilenvleugel. Hermelien gaf Harry een stuk perkament, een ganzenveer en een flesje inkt en slenterde langs de lange rijen stokken en bekeek al de verschillende uilen, terwijl Harry met zijn rug tegen de muur ging zitten en een briefje schreef.

Beste Sirius,

Je schreef dat ik je op de hoogte moest houden van wat er op Zweinstein gebeurt, vandaar deze brief. Ik weet niet of je het al gehoord hebt, maar het Toverschool Toernooi wordt dit jaar hier gehouden en op zaterdagavond werd ik als vierde kampioen aangewezen. Ik weet niet wie mijn naam in de Vuurbeker gedaan heelt, maar ik was het niet. De andere kampioen van Zweinstein is Carlo Kannewasser, van Huffelpuf.

Op dat punt hield hij op met schrijven en dacht na. Eigenlijk wilde hij iets zeggen over de zware zorgen die sinds gisteravond op zijn schouders drukten, maar hij wist niet hoe hij dat precies onder woorden moest brengen, dus doopte hij zijn veer weer in de inkt en schreef alleen:

Ik hoop dat alles goed gaat met jou en Scheurbek

Harry

‘Klaar,’ zei hij tegen Hermelien, terwijl hij opstond en het stro van zijn gewaad klopte. Toen hij dat zei, landde Hedwig fladderend op zijn schouder en stak haar poot uit.

‘Ik kan jou niet gebruiken,’ zei Harry, die keek waar de schooluilen zaten. ‘Ik moet een ander nemen…’

Hedwig kraste schel en vloog zo abrupt op dat haar klauwen in Harry’s schouder sneden. Ze hield haar rug naar Harry toegekeerd terwijl hij zijn brief aan de poot van een grote kerkuil bond. Toen de kerkuil was vertrokken, stak Harry zijn hand uit om Hedwig te strelen, maar ze klikte woedend met haar snavel en vloog naar de dakbalken, waar hij haar niet kon bereiken.

‘Eerst Ron en nu jij,’ zei Harry boos. ‘Het is niet mijn schuld.’

Als Harry gedacht had dat de situatie zou verbeteren zodra iedereen gewend was aan het idee dat hij kampioen was, werd hij de volgende dag uit de droom geholpen. Toen de lessen weer begonnen, kon hij de andere leerlingen niet meer vermijden — en die waren er duidelijk van overtuigd dat Harry zelf zijn naam had opgegeven. In tegenstelling tot de Griffoendors, waren ze daar niet van onder de indruk.

De Huffelpufs, die meestal goed met de Griffoendors konden opschieten, deden nu opmerkelijk koel. Een les Kruidenkunde was voldoende om dat duidelijk te maken. De Huffelpufs vonden blijkbaar dat Harry had geprobeerd hun kampioen van zijn glans te beroven; een gevoel dat nog versterkt werd door het feit dat Huffelpuf zelden een moment van glorie gekend had en Carlo een van de weinigen was die eerder daarvoor gezorgd had toen zijn team Griffoendor een keer verslagen had met Zwerkbal. Ernst Marsman en Joost Flets-Frimel, met wie Harry altijd goed had kunnen opschieten, zeiden nu geen woord tegen hem, hoewel ze aan hetzelfde tafeltje Trampolinetulpen zaten te verpotten, maar ze lachten wel hatelijk toen een van de Trampolinetulpen zich tussen Harry’s vingers doorwurmde en hem keihard in zijn gezicht raakte. Ron praatte ook niet met Harry.

Hermelien zat tussen hen in en hield een geforceerd gesprek op gang, maar hoewel ze haar allebei normaal antwoord gaven, meden ze elk oogcontact. Harry vond dat zelfs professor Stronk nogal afstandelijk tegen hem deed — maar ze was dan ook hoofd van Huffelpuf.

Onder normale omstandigheden zou hij zich hebben verheugd op een bezoek aan Hagrid, maar Verzorging van Fabeldieren betekende dat de Zwadderaars er ook zouden zijn — de eerste keer dat hij hen zou zien sinds hij tot kampioen was gekozen.

Het verbaasde hem niet dat Malfidus met zijn vertrouwde, schampere grijns bij Hagrids huisje arriveerde.

‘Ah, kijk wie we daar hebben — onze kampioen,’ zei hij tegen Korzel en Kwast zodra Harry hem kon horen. ‘Hebben jullie een stuk perkament? Ik zou hem maar gauw om zijn handtekening vragen, want ik betwijfel of hij nog lang onder ons zal zijn… de helft van alle Toverschoolkampioenen heeft het Toernooi niet overleefd. Hoe lang denk je dat je het vol kunt houden, Potter? Hoogstens tien minuten na het begin van de eerste opdracht, wil ik wedden.’

Korzel en Kwast lachten kruiperig, maar Malfidus moest het daarbij laten omdat Hagrid achter zijn huisje vandaan kwam met een torenhoge, wankele stapel kratten, die stuk voor stuk een enorme Schroeistaartige Skreeft bevatten. Tot afschuw van de klas legde Hagrid uit dat de Skreeften elkaar hadden afgemaakt vanwege een teveel aan opgekropte energie, een probleem dat opgelost kon worden door de Skreeften een riem om te doen en uit te laten. Het enige positieve van dat plan was dat Malfidus meteen nergens anders meer aandacht voor had.

‘Die krengen uitlaten?’ zei hij vol walging, terwijl hij met grote ogen naar de kisten keek. ‘En waar moeten we die riem omdoen? De angel, de schroeistaart of de bloedzuiger?’

‘Om d’r middel,’ zei Hagrid, die het voordeed. ‘Eh — misschien kennen jullie beter jullie handschoenen van drakenhuid aandoen, voor de zekerheid, zogezegd. Harry — ken je effe helpen met die joekel hier…’

In werkelijkheid wilde Hagrid even met Harry praten zonder dat de rest van de klas het kon horen.

Hij wachtte tot iedereen op pad was met zijn of haar Skreeft en zei toen heel ernstig tegen Harry: ‘Dus je doet mee, Harry? Aan ’t Toernooi? Je bent de kampioen van de school?’

‘Een van de kampioenen,’ verbeterde Harry hem.

Hagrids zwarte kooloogjes keken hem bezorgd aan van onder zijn grote, harige wenkbrauwen. ‘Hebbie geen idee wie je d’r ingeluisd heb, Harry?’

‘Dus jij gelooft dat ik het niet zelf heb gedaan?’ zei Harry, die zijn plotselinge dankbaarheid maar moeilijk kon verbergen toen hij dat hoorde.

Tuurlijk,’ gromde Hagrid. ‘Je zei dat je ’t niet gedaan heb en ik geloof je — en Perkamentus gelooft je ook.’

‘Ik wou dat ik wist wie het wel gedaan heeft,’ zei Harry verbitterd.

Ze keken uit over het gazon; de hele klas was nu her en der verspreid en in grote moeilijkheden. De Skreeften waren bijna een meter lang en niet langer schaalloos en kleurloos. Ze hadden inmiddels een dik, grijs, glanzend pantser en leken op een kruising tussen een reusachtige schorpioen en een uitgerekte krab — zij het nog steeds zonder herkenbare koppen of ogen. Ze waren oersterk en nauwelijks meer in de hand te houden.

‘Ze vinden ’t wel leuk, hè?’ zei Hagrid blij. Harry nam aan dat hij de Skreeften bedoelde, want zijn klasgenoten vonden het absoluut niet leuk; om de zoveel tijd klonk er een angstaanjagende beng op uit het achtereinde van een Skreeft en vloog het beest abrupt een paar meter naar voren. Meer dan een leerling werd op zijn buik voortgesleurd en deed wanhopige pogingen om overeind te krabbelen.

‘Ach, kweenie, Harry,’ verzuchtte Hagrid plotseling en hij keek hem opnieuw bezorgd aan. ‘Schoolkampioen… ’t is of alles ook altijd jou overkomt, hè?’

Harry gaf geen antwoord. Ja, het was inderdaad alsof alles altijd hem overkwam… dat was min of meer wat Hermelien had gezegd toen ze om het meer waren gewandeld en volgens haar was dat de reden waarom Ron niet meer met hem wilde praten.

De dagen daarna behoorden tot de ergste die Harry op Zweinstein had meegemaakt. De laatste keer dat hij zich zo rot had gevoeld was in zijn tweede jaar geweest, toen een groot deel van de school een paar maanden lang had geloofd dat hij enkele andere leerlingen had aangevallen. Maar toen had Ron hem tenminste nog gesteund. Hij dacht dat hij het gedrag van de rest niet zo erg gevonden zou hebben als Ron gewoon zijn vriend was geweest, maar hij vertikte het om Ron over te halen weer normaal tegen hem te doen als hij dat niet wilde. Desondanks voelde hij zich heel eenzaam, nu vrijwel iedereen duidelijk liet merken dat ze een hekel aan hem hadden.

De houding van de Huffelpufs was vervelend maar begrijpelijk; tenslotte hadden ze zelf een kampioen om te steunen. Van Zwadderich verwachtte hij alleen maar hatelijkheden en beledigingen — de Zwadderaars hadden altijd al de pest aan hem gehad. Hij had Griffoendor vaak geholpen om hen te verslaan, zowel met Zwerkbal als bij de strijd om de Afdelingsbeker. Maar hij had gehoopt dat de Ravenklauwen zo edelmoedig zouden zijn om hem net zo te steunen als Carlo. Daar vergiste hij zich in. De meeste Ravenklauwen dachten blijkbaar dat hij per se nog wat meer roem had willen vergaren door de Beker zo om de tuin te leiden dat die zijn naam accepteerde.

Daar kwam nog eens bij dat Carlo veel meer op een echte kampioen leek dan Harry. Hij was uitzonderlijk knap, met een rechte neus, donker haar en grijze ogen en het was moeilijk te zeggen wie de laatste tijd meer bewonderd werd, Carlo of Viktor Kruml. Harry zag dezelfde meisjes uit het zesde jaar die zo graag Krumls handtekening hadden willen hebben, tussen de middag aan Carlo vragen of hij hun schooltassen wilde signeren.

Ondertussen had hij nog steeds niets van Sirius gehoord, weigerde Hedwig zelfs maar bij hem in de buurt te komen, voorspelde professor Zwamdrift zijn naderende dood met nog meer zekerheid dan gewoonlijk en deed hij het zo slecht met Sommeerspreuken dat professor Banning hem extra huiswerk gaf — als enige, afgezien van Marcel.

‘Het is echt niet zo moeilijk, Harry,’ probeerde Hermelien hem gerust te stellen na de les van professor Banning — ze had een uur lang allerlei voorwerpen door het lokaal naar zich toe laten vliegen, alsof ze een soort bizarre magneet was voor bordenwissers, prullenbakken en Lunascopen. ‘Je concentreert je gewoon niet genoeg.’

‘Hoe zou dat nou komen?’ zei Harry duister toen Carlo Kannewasser voorbijkwam, omringd door een grote groep zwijmelende meisjes, die Harry aanstaarden alsof hij een extra grote Schroeistaartige Skreeft was. ‘Maar goed — vanmiddag kunnen we ons verheugen op een blokuur Toverdranken…’

Twee lessen Toverdranken achter elkaar was altijd al vreselijk geweest, maar de laatste tijd was het een regelrechte marteling geworden. Anderhalf uur opgesloten zitten in een kerker met Sneep en de Zwadderaars, die allemaal vastbesloten waren hem te laten boeten voor zijn euvele moed dat hij het gewaagd had kampioen te worden, was zo ongeveer de verschrikkelijkste straf die Harry zich kon indenken. Hij had vorige week vrijdag met moeite die les uitgezeten, terwijl Hermelien naast hem constant zachtjes: ‘Negeer ze, negeer ze, negeer ze,’ had gefluisterd en hij betwijfelde of het deze keer beter zou gaan.

Toen hij en Hermelien na het middageten bij de kerker van Sneep arriveerden, stonden de Zwadderaars buiten al te wachten. Ze hadden allemaal een grote badge op de borst van hun gewaad en even dacht Harry verbijsterd dat het S.H.I.T.-badges waren — tot hij overal dezelfde boodschap in felle rode letters zag oplichten in de schemerige onderaardse gang:

CARLO IS ZO — de ECHTE Kampioen van Zweinstein!

‘Vind je ze mooi, Potter?’ vroeg Malfidus toen Harry aan kwam lopen. ‘En dat is nog niet alles — kijk maar!’

Hij drukte op de badge op zijn borst en de tekst verdween en werd vervangen door een andere, in groene letters:

POTTER IS PRUT

De Zwadderaars brulden van het lachen. De anderen drukten ook op hun badges, tot de boodschap POTTER IS PRUT overal om Harry heen oplichtte. Hij voelde zijn nek en gezicht rood worden.

‘Ha ha, heel grappig,’ zei Hermelien sarcastisch tegen Patty Park en haar vriendinnen van Zwadderich, die het hardst lachten van allemaal. ‘Echt geestig.’

Ron leunde samen met Daan en Simon tegen de muur. Hij lachte niet, maar kwam ook niet voor Harry op.

‘Wil je er ook een, Griffel?’ zei Malfidus, die haar een badge toe stak. ‘Ik heb er zat. Maar raak alsjeblieft m’n hand niet aan. Ik heb ze net gewassen en ik wil niet dat zo’n Modderbloedje ze weer vuil maakt.’

Een deel van de opgekropte woede die Harry al dagenlang voelde scheen plotseling door een soort dam in zijn borst heen te breken. Voor hij het zelf goed en wel besefte, had hij zijn toverstok al getrokken. De leerlingen om hen heen stoven haastig opzij en trokken zich een eindje terug in de gang.

Harry!’ zei Hermelien waarschuwend.

Kom op, Potter,’ zei Malfidus zacht en hij trok zijn eigen toverstok. Dolleman is er nu niet om je te beschermen — doe het dan, als je het lef hebt —’

Een fractie van een seconde staarden ze elkaar aan en toen sloegen ze op precies hetzelfde moment toe.

‘Fuminculus!’ schreeuwde Harry.

‘Densaugeo!’ gilde Malfidus.

Er schoten lichtstralen uit hun toverstokken die elkaar raakten en onder een hoek weg ketsten — die van Harry raakte Kwast in zijn gezicht en die van Malfidus trof Hermelien. Kwast brulde het uit en greep naar zijn neus, die plotseling onder de grote, lelijke zweren zat. Hermelien jammerde en drukte haar handen tegen haar mond.

‘Hermelien!’ Ron liep haastig naar haar toe, om te zien wat haar mankeerde.

Harry draaide zich om en zag hoe Ron Hermeliens hand wegtrok van haar gezicht. Dat bood geen prettige aanblik. Hermeliens voortanden — die toch al groter waren dan gemiddeld — groeiden in een schrikbarend tempo; ze begon steeds meer op een bever te lijken terwijl haar tanden zich verder verlengden over haar onderlip, naar haar kin — ze voelde in paniek aan haar gebit en slaakte een kreet van schrik.

‘Wat is dat voor herrie?’ zei een zachte, dodelijke stem. Sneep was gearriveerd.

De Zwadderaars verdrongen zich om hun eigen versie van de gebeurtenissen te geven. Sneep wees met een lange gele vinger op Malfidus en zei: ‘Vertel.’

‘Potter ging me plotseling te lijf, professor —’

‘We gingen elkaar te lijf!’ riep Harry.

‘— en toen raakte hij Kwast — kijk maar —’

Sneep bekeek Kwast, wiens gezicht je eerder zou verwachten in een boek over giftige paddestoelen.

‘Ziekenzaal, Kwast,’ zei Sneep kalm.

‘Malfidus heeft Hermelien geraakt!’ zei Ron. ‘Kijk maar!’

Hij dwong Hermelien om haar tanden aan Sneep te laten zien — ze deed haar best om ze te verbergen achter haar handen, hoewel dat moeilijk was, omdat ze nu al tot op haar kraagje kwamen. Patty Park en de andere meisjes van Zwadderich lagen dubbel van het ingehouden gegiechel en wezen achter de rug van Sneep op Hermelien.

Sneep keek Hermelien kil aan en zei: ‘Ik zie geen verschil.’

Hermelien jammerde zachtjes; tranen sprongen in haar ogen en ze draaide zich om en holde de gang uit.

Het was misschien maar goed dat Harry en Ron allebei tegelijk tegen Sneep begonnen te schreeuwen; goed dat hun stemmen zo weergalmden in de stenen gang dat hij door de echo’s niet precies kon verstaan waar ze hem voor uitscholden. De essentie begreep hij echter wel.

‘Eens kijken,’ zei hij, op zijn zachtste en venijnigste toon. ‘Vijftig punten aftrek voor Griffoendor en strafwerk voor Potter en Wemel. En nu naar binnen, of jullie krijgen een week lang elke dag strafwerk.’

Harry’s oren suisden. Het was allemaal zo onrechtvaardig dat hij Sneep het liefst in duizend slijmerige stukjes had willen vervloeken. Hij beende langs Sneep heen, liep samen met Ron naar een tafel achter in de kerker en smeet zijn tas met een klap neer. Ron trilde ook van woede en even was het alsof alles weer normaal was, maar toen draaide Ron zich om en ging bij Daan en Simon zitten en bleef Harry alleen achter aan zijn tafeltje. Aan de andere kant van de kerker draaide Malfidus zich om en drukte grijnzend op zijn badge. POTTER IS PRUT, flitste door het lokaal.

Harry staarde naar Sneep terwijl de les begon en verbeeldde zich dat er vreselijke dingen met hem gebeurden… kende hij die Cruciatusvloek maar, dan lag Sneep nu plat op zijn rug, net als die spin, schokkend en stuiptrekkend…

‘Tegengiffen!’ zei Sneep, die de leerlingen aankeek met een onaangename fonkeling in zijn zwarte ogen. ‘Jullie horen je recepten nu klaar te hebben. Ik wil dat jullie ze heel zorgvuldig prepareren en dan kiezen we iemand om zo’n tegengif op uit te proberen…’

De blikken van Sneep en Harry kruisten elkaar en Harry wist wat komen ging. Sneep was van plan om hem te vergiftigen. In zijn verbeelding greep Harry zijn ketel, holde naar het bureau van Sneep en liet de ketel neerdalen op zijn vettige kop.

Harry’s gedachten werden verstoord toen er op de deur van de kerker werd geklopt.

Het was Kasper Krauwel; hij schuifelde naar binnen, grijnsde tegen Harry en liep naar het bureau van Sneep.

‘Ja?’ zei Sneep kortaf.

‘Ik kom Harry Potter halen, professor. Ze hebben gevraagd of hij boven wil komen.’

Sneep staarde Kasper aan langs zijn grote, kromme neus en Kaspers gretige glimlach stierf weg.

Potter heeft nog een uur Toverdranken,’ zei Sneep ijzig. ‘Hij komt Pas boven als de les is afgelopen.’

Kasper werd rood.

‘Maar — professor — meneer Bazuyn heeft naar hem gevraagd,’ zei hij zenuwachtig. ‘Alle kampioenen moeten komen, ik geloof dat ze foto’s willen maken…’

Harry had er alles voor willen geven om te voorkomen dat Kasper die laatste drie woorden zei. Hij wierp snel een blik op Ron, maar die staarde naar het plafond.

‘Goed, goed!’ snauwde Sneep. ‘Potter, laat je spullen hier. Ik wil dat je straks terugkomt om je tegengif uit te proberen.’

‘Eh — professor- hij moet z’n spullen meenemen,’ piepte Kasper. ‘Alle kampioenen —’

‘Goed, goed!’ zei Sneep. ‘Potter — pak je spullen en verdwijn uit m’n ogen!’

Harry hees zijn tas over zijn schouder, stond op en liep naar de deur. Toen hij langs de tafeltjes van de Zwadderaars kwam, zag hij overal POTTER IS PRUT oplichten.

‘Echt ongelooflijk, hè Harry?’ zei Kasper, die begon te praten zodra Harry de deur van de kerker achter zich dicht had gedaan. ‘Ja toch? Dat jij kampioen bent?’

‘Ja, echt ongelooflijk,’ zei Harry bedrukt terwijl ze de trap opliepen naar de hal. ‘Waar zijn die foto’s voor, Kasper?’

‘De Ochtendprofeet, volgens mij.’

‘Geweldig,’ zei Harry dof. ‘Net waar ik op zat te wachten. Nog meer publiciteit.’

‘Succes!’ zei Kasper toen ze er waren. Harry klopte en ging naar binnen.

Hij bevond zich in een vrij klein lokaal; de meeste tafeltjes waren naar achteren geschoven, zodat er in het midden een ruimte vrij was, maar voor het bord stonden drie tafeltjes naast elkaar, met een grote lap fluweel erover. Achter de met fluweel behangen tafeltjes stonden vijf stoelen en in een van die stoelen zat Ludo Bazuyn. Hij praatte met een onbekende heks in een fuchsiakleurig gewaad.

Viktor Kruml stond zoals gewoonlijk somber in een hoek en zei geen woord. Carlo en Fleur praatten met elkaar en Fleur leek gelukkiger dan Harry haar tot dusver had gezien; ze wierp steeds haar hoofd in haar nek, zodat haar lange, zilverachtige haar glinsterde. Een man met een bierbuik en een grote zwarte camera waar dunne rooksliertjes uit kwamen, keek vanuit zijn ooghoeken naar Fleur.

Plotseling zag Bazuyn Harry staan. Hij kwam haastig overeind en liep met grote passen naar hem toe. ‘Aha, daar is onze vierde kampioen! Kom verder, Harry, kom verder… maak je geen zorgen, het gaat alleen om een korte ceremonie, het Schouwen der Stokken. De rest van de jury komt zo.’

‘Het Schouwen der Stokken?’ herhaalde Harry nerveus.

‘Om te controleren of jullie toverstokken goed functioneren en er niets aan mankeert, begrijp je? Dat zijn de belangrijkste hulpmiddelen bij de opdrachten die jullie moeten verrichten,’ zei Bazuyn. ‘De expert is nog boven, met Perkamentus. En daarna worden er een paar foto’s gemaakt. Dit is Rita Pulpers,’ voegde hij eraan toe en hij gebaarde naar de heks in het fuchsia gewaad. ‘Ze schrijft een klein artikeltje over het Toernooi voor de Ochtendprofeet…’

‘Misschien ook weer niet zo klein, Ludo,’ zei Rita, die naar Harry keek.

Haar kapsel bestond uit weelderige, maar merkwaardig stijve krullen, die een vreemd contrast vormden met haar nogal grove gezicht en zware onderkaak. Ze droeg een met edelsteentjes bezette bril en de dikke vingers waarmee ze haar tas van krokodillenleer vasthield, eindigden in vuurrood gelakte nagels van wel vijf centimeter lang.

‘Zou ik voor de ceremonie misschien eerst even met Harry kunnen praten?’ zei ze tegen Bazuyn, hoewel ze Harry strak bleef aanstaren. ‘De jongste kampioen, snapt u… om wat extra kleur te geven aan het artikel?’

‘Ja, natuurlijk!’ riep Bazuyn. ‘Ik bedoel — als Harry tenminste geen bezwaar heeft?’

‘Eh —’ zei Harry.

‘Geweldig,’ zei Rita Pulpers en een tel later grepen haar vuurrode klauwen Harry’s arm verrassend krachtig beet en loodste ze hem mee naar buiten. Ze deed een deur naast het lokaal open.

‘Veel te rumoerig binnen,’ zei ze. ‘Eens kijken… o ja, dit is lekker knus.’

Het was een bezemkast. Harry staarde haar aan.

‘Kom maar, liefje — ja, zo — geweldig,’ zei Rita. Ze ging wankel op een omgekeerde emmer zitten, duwde Harry op een kartonnen doos en deed de deur dicht, zodat het aardedonker werd. ‘Eens kijken…’

Ze deed haar tas van krokodillenleer met een klik open en haalde daar een handvol kaarsen uit, die ze met een zwaai van haar toverstok aanstak en vervolgens in de lucht liet zweven, zodat ze konden zien wat ze deden.

Je vindt het toch niet erg als ik m’n Fantaciteer-Veer gebruik, Harry? Dan kan ik ongestoord met je praten…’

‘Uw wat?’ zei Harry.

Rita’s glimlach werd breder en Harry telde drie gouden tanden. Ze stak haar hand weer in haar tas en haalde een lange, gifgroene veer en een rol perkament tevoorschijn, die ze op een krat met Madame Reina’s Magische Multivlekkenverwijderaar legde. Ze stak de punt van de groene veer in haar mond, zoog er met schijnbaar genoegen aan en zette de veer rechtop op het perkament, waar hij lichtjes trillend bleef staan.

‘Test, test… mijn naam is Rita Pulpers, verslaggeefster van de Ochtendprofeet.’

Harry keek naar de veer. Zodra Rita haar mond opendeed, begon die te schrijven en vloog over het perkament.

De aantrekkelijke, blonde, drieënveertigjarige Rita Pulpers, wier vlijmscherpe veer al veel opgeblazen reputaties heeft doorgeprikt —

‘Prima,’ zei Rita en ze scheurde het bovenste stukje van de rol perkament, verfrommelde het en stopte het in haar tas. Ze boog zich naar Harry toe en zei: ‘En, Harry… waarom heb je besloten mee te doen aan het Toverschool Toernooi?’

‘Eh —’ zei Harry opnieuw, maar hij werd afgeleid door de veer. Hij had nog niets gezegd, maar toch pende die razendsnel een nieuwe zin neer:

Een lelijk litteken, aandenken uit een tragisch verleden, ontsiert het verder zo charmante gelaat van Harry Potter, wiens ogen —

‘Let niet op die veer, Harry,’ zei Rita Pulpers resoluut. Met tegenzin keek Harry weer naar haar. ‘Nogmaals — waarom heb je besloten deel te nemen aan het Toernooi?’

‘Dat heb ik niet besloten,’ zei Harry. ‘Ik weet niet hoe mijn naam in de Vuurbeker is gekomen. Ik heb hem er in elk geval niet ingestopt.’

Rita Pulpers trok een zwaar opgemaakte wenkbrauw op. ‘Kom nou toch, Harry. Je hoeft echt niet bang te zijn dat je in de problemen komt, hoor. We weten allemaal dat je je eigenlijk niet had moeten inschrijven, maar maak je geen zorgen. Onze lezers houden wel van een dwarsligger.’

‘Maar ik heb me niet ingeschreven,’ herhaalde Harry. ‘Ik weet niet wie —’

‘Hoe kijk je tegen de opdrachten aan?’ vroeg Rita. ‘Ben je opgewonden? Zenuwachtig?’

‘Ik heb er nog niet echt over nagedacht… zenuwachtig, denk ik,’ zei Harry. Hij had een onaangenaam, hol gevoel vanbinnen toen hij dat zei.

‘In het verleden zijn er kampioenen om het leven gekomen, hè?’ zei Rita Pulpers. ‘Heb je daar wel over nagedacht?’

‘Nou… ze zeggen dat het dit jaar een stuk veiliger zal zijn,’ zei Harry.

De veer zoefde heen en weer over het perkament alsof hij schaatste.

‘Uiteraard heb je al eerder oog in oog gestaan met de dood, nietwaar?’ zei Rita, die hem scherp aankeek. ‘Wat heeft dat voor invloed op je gehad?’

‘Eh —’ zei Harry opnieuw.

‘Denk je dat je er door dat trauma in je verleden extra op gebrand bent om jezelf te bewijzen? Om je reputatie waar te maken? Denk je dat je misschien de verleiding voelde om je in te schrijven voor het Toernooi omdat —’

‘Ik heb me niet zelf ingeschreven,’ zei Harry, die boos begon te worden.

‘Wat weet je nog van je ouders?’ zei Rita, die gewoon langs hem heen praatte.

‘Niets,’ zei Harry.

‘Hoe denk je dat ze zich zouden voelen als ze wisten dat je meedeed aan het Toernooi? Zouden ze trots zijn? Bezorgd? Boos?’

Harry begon nu echt kwaad te worden. Hoe moest hij in vredesnaam weten hoe zijn ouders zich zouden voelen als ze nog leefden? Hij merkte dat Rita Pulpers hem heel aandachtig bekeek. Hij fronste zijn voorhoofd en keek opzettelijk niet naar haar, maar naar de woorden die de veer net had opgeschreven.

De tranen springen in z’n opvallende groene ogen als ons gesprek op de ouders komt die hij nauwelijks gekend heeft.

Ik heb GEEN tranen in mijn ogen!’ riep Harry.

Voor Rita Pulpers iets kon zeggen, ging de deur van de kast plotseling open. Harry knipperde met zijn ogen in het felle licht. Daar stond Albus Perkamentus, die zag hoe ze samen in de bezemkast gepropt zaten.

‘Perkamentus!’ riep Rita, alsof ze dolblij was om hem te zien — maar Harry merkte dat haar veer en perkament plotseling niet meer op de doos met Multivlekkenverwijderaar lagen en dat Rita’s klauwachtige vingers haastig haar tas van krokodillenleer dicht klikten. ‘Hoe is het met je?’ zei ze. Ze stond op en stak haar grote, mannelijke hand uit. ‘Ik hoop dat je van de zomer m’n stuk hebt gelezen over die conferentie van het Internationaal Overlegorgaan van Heksenmeesters?’

‘Van een betoverende botheid!’ zei Perkamentus met twinkelende ogen. ‘Vooral zoals je me omschreef als een prehistorische ouwe gek. Echt heel subtiel.’

Rita Pulpers leek totaal niet uit het veld geslagen. ‘Ik wilde alleen duidelijk maken dat sommige van je ideeën een tikkeltje ouderwets zijn, Perkamentus en dat veel tovenaars uit de praktijk —’

‘Ik zou dolgraag de redenering achter die onbeschoftheid willen horen, Rita,’ zei Perkamentus met een hoffelijke buiging en een glimlach, ‘maar ik ben bang dat dat eventjes moet wachten. We willen beginnen met het Schouwen der Stokken en dat kan niet als een van de kampioenen zich in een bezemkast schuilhoudt.’

Harry, die dolblij was dat hij aan Rita Pulpers ontsnapt was, keerde gauw terug naar het lokaal. De andere kampioenen zaten bij de deur en hij nam haastig naast Carlo plaats en keek naar de met fluweel bedekte tafel, waar inmiddels vier van de vijf juryleden zaten — professor Karkarov, madame Mallemour, meneer Krenck en Ludo Bazuyn. Rita Pulpers ging in een hoekje zitten; Harry zag dat ze haar perkament weer uit haar tas haalde, uitspreidde op haar knie, aan de punt van haar Fantaciteer-Veer zoog en die opnieuw op het perkament zette.

‘Mag ik de heer Olivander voorstellen?’ zei Perkamentus tegen de kampioenen, nadat hij ook aan de jurytafel was gaan zitten. ‘Hij zal jullie toverstokken controleren, om er zeker van te zijn dat die in goede staat verkeren voor het Toernooi begint.’

Harry keek om en voelde een schok van verbazing toen hij een oude tovenaar met grote, bleke ogen stilletjes bij het raam zag staan. Harry had meneer Olivander meer dan drie jaar geleden al eerder ontmoet, op de Wegisweg — bij hem had Harry zijn eigen toverstok gekocht.

‘Mademoiselle Delacour, zoudt u als eerste naar voren willen komen?’ zei meneer Olivander, die naar de open ruimte in het midden van het lokaal liep.

Fleur Delacour schreed naar meneer Olivander toe en gaf hem haar toverstok.

‘Hmmm…’ zei hij.

Hij liet de staf ronddraaien tussen zijn lange vingers alsof het een majorettestokje was en er schoten roze en gouden vonken uit. Vervolgens hield hij de stok dicht bij zijn gezicht en bestudeerde hem nauwkeurig.

‘ja,’ zei hij zacht, ‘drieëntwintigeneenhalve centimeter… onbuigzaam… palissander… met als kern een… hemeltjelief…’

‘Een ‘oofd’aar van een Glamorgana,’ zei Fleur. ‘Een van mijn grootmoeders.’

Dus Fleur was inderdaad deels Glamorgana, dacht Harry, die zich inprentte dat hij dat tegen Ron moest zeggen… maar toen herinnerde hij zich dat Ron niet meer met hem praatte.

‘Ja,’ zei meneer Olivander. ‘Ja, zelf gebruik ik nooit Glamorgana-haar. In mijn ervaring levert dat nogal temperamentvolle toverstokken op… maar iedereen heeft zo zijn voorkeur en als u er tevreden mee bent…’

Meneer Olivander liet zijn vingers over de stok gaan en controleerde blijkbaar of er geen deukjes of krassen in zaten; toen mompelde hij: ‘Orchidea!’ en plotseling schoot er een bos bloemen uit de stok.

‘Prima, prima. Hij functioneert uitstekend,’ zei meneer Olivander, die de bloemen opraapte en samen met de stok aan Fleur gaf. ‘Nu u graag, meneer Kannewasser.’

Fleur liep soepel terug naar haar stoel en glimlachte tegen Carlo toen ze elkaar passeerden.

‘Aha, dat is er een van mij,’ zei meneer Olivander veel enthousiaster toen Carlo hem zijn stok overhandigde. ‘Ja, die kan ik me nog goed herinneren. Bevat een haar uit de staart van een uitzonderlijk fraaie eenhoornhengst… minstens een meter zeventig tot aan de schouder; hij spietste me bijna aan zijn hoorn nadat ik die haar had uitgetrokken. Tweeëndertig centimeter… essenhout… lekker buigzaam. Hij ziet er nog prima uit… verzorgt u hem goed?’

‘Ik heb hem gisteren nog gepoetst,’ zei Carlo grijnzend.

Harry keek naar zijn eigen stok, die onder de vingerafdrukken zat. Hij greep een stuk gewaad ter hoogte van zijn knie en probeerde hem stiekem op te wrijven, maar er schoten gouden vonken uit de Punt en Fleur Delacour keek hem heel neerbuigend aan, dus hield hij er gauw mee op.

Meneer Olivander liet met Carlo’s stok een stroom zilveren rookringen door de kamer spuiten, verkondigde dat hij tevreden was en zei: ‘Meneer Kruml, graag.’

Viktor Kruml sjokte met zijn platvoeten en gebogen schouders naar meneer Olivander, gaf hem zijn toverstok en keek fronsend toe, met zijn handen in de zakken van zijn gewaad.

‘Hmmm,’ zei meneer Olivander. ‘Dit is er eentje van de hand van Stavlov, of ik moet me heel erg vergissen. Een uitstekende toverstokmaker, hoewel het design nooit echt is wat ik… maar goed…’

Hij hield de stok vlak onder zijn neus, draaide hem aandachtig rond en bestudeerde hem minutieus.

‘Ja… haagbeuk en het hartenbloed van een draak?’ vroeg hij plotseling aan Kruml, die knikte. ‘Een stuk dikker dan de gemiddelde stok… absoluut onbuigzaam… zesentwintig centimeter… Avis!’

De staf van haagbeuk knalde als een geweer en er schoten kleine, kwetterende vogeltjes uit de punt, die door het open raam naar buiten vlogen, het waterige zonlicht in.

‘Prima,’ zei meneer Olivander, die Kruml zijn stok teruggaf. ‘En dat brengt ons bij… de heer Potter.’

Harry stond op, liep langs Kruml en gaf zijn stok aan meneer Olivander.

‘Aaah, ja,’ zei meneer Olivander en zijn bleke ogen glommen. ‘Ja, ja, ja, of ik me die nog herinner.’

Harry herinnerde het zich ook. Hij herinnerde het zich als de dag van gisteren…

Vier zomers geleden, op zijn elfde verjaardag, was hij samen met Hagrid naar de winkel van meneer Olivander gegaan om een toverstok te kopen. Meneer Olivander had hem de maat genomen en hem de ene stok na de andere laten uit proberen. Harry had het gevoel gehad dat hij met elke stok in de zaak had gezwaaid, tot hij er ten slotte eentje had gevonden die hem paste — deze, van hulst, zevenentwintig komma acht centimeter lang en met de staartveer van een feniks als kern. Meneer Olivander was stomverbaasd geweest dat juist die stok zo goed bij Harry gepast had. ‘Vreemd,’ had hij gemompeld, ‘… vreemd,’ en pas toen Harry had gevraagd wat er zo vreemd was, had meneer Olivander uitgelegd dat de feniksveer in Harry’s stok afkomstig was van dezelfde vogel die ook voor de kern van Voldemorts toverstok had gezorgd.

Harry had dat nooit aan iemand anders verteld. Hij was heel erg aan zijn toverstok gehecht en vond dat die niets aan de band met Voldemorts stok kon doen — net zoals hij er niets aan kon doen dat hij familie was van tante Petunia. Desondanks hoopte hij vurig dat meneer Olivander het niet tegen de overige aanwezigen zou zeggen.

Hij had het gevoel dat de Fantaciteer-Veer van Rita Pulpers anders wel eens zou kunnen ontploffen van opwinding.

Meneer Olivander bestudeerde Harry’s stok veel langer dan de andere. Uiteindelijk liet hij een fontein van wijn uit de punt spuiten en gaf hem terug aan Harry, met de mededeling dat hij nog steeds in topconditie was.

‘Iedereen bedankt,’ zei Perkamentus, die opstond van achter de jurytafel. ‘Jullie mogen nu teruggaan naar de lessen — maar die zijn toch bijna afgelopen, dus kunnen jullie misschien beter direct naar de Grote Zaal gaan voor het avondeten.’

Met het gevoel dat er voor het eerst die dag iets goeds gebeurd was, stond Harry op en wilde naar buiten gaan, maar de man met de zwarte camera sprong op en schraapte zijn keel.

‘Foto’s, Perkamentus, foto’s!’ riep Bazuyn opgewonden. ‘Al de juryleden en de kampioenen bij elkaar. Wat vind je, Rita?’

‘Eh — ja, laten we die eerst maar doen,’ zei Rita Pulpers, wier blik weer afdwaalde naar Harry. ‘En dan misschien wat foto’s van de afzonderlijke kampioenen.’

Het duurde een hele tijd voor de foto’s genomen waren. Madame Mallemour stelde iedereen letterlijk in de schaduw als ze opstond, en de fotograaf kon niet ver genoeg achteruit om haar helemaal in beeld te krijgen; uiteindelijk moest zij blijven zitten en gingen de anderen om haar heen staan. Karkarov draaide steeds zijn sikje rond zijn vinger, om er een extra zwierige krul aan te geven en Kruml, van wie Harry gedacht had dat hij aan dit soort toestanden gewend zou zijn, ging nors achteraan staan, zodat je hem bijna niet kon zien.

De fotograaf wilde Fleur het liefst op de voorgrond hebben, maar Rita Pulpers bemoeide zich er steeds mee en zette Harry dan weer vooraan. Daarna wilde ze ook met alle geweld dat er foto’s werden gemaakt van de kampioenen afzonderlijk, maar uiteindelijk zat het erop en mochten ze gaan.

Harry ging naar beneden om te eten. Hermelien was er niet — vermoedelijk was ze op de ziekenzaal, waar aan haar tanden werd gewerkt. Hij at helemaal in zijn eentje, aan het einde van de tafel en ging toen terug naar de toren van Griffoendor, terwijl hij dacht aan het extra huiswerk voor Sommeerspreuken dat hij nog moest maken. Op de slaapzaal liep hij Ron tegen het lijf.

‘Er is een uil voor je,’ zei Ron bruusk zodra Harry binnenkwam. Hij wees op Harry’s kussen, waar de kerkuil van school op hem zat te wachten.

‘O — oké,’ zei Harry.

‘En morgenavond moeten we ons strafwerk maken, in de kerker van Sneep,’ zei Ron, die meteen weer naar buiten ging, zonder Harry zelfs maar aan te kijken. Harry overwoog even om achter hem aan te gaan — hij wist niet of hij met hem wilde praten of hem een schop wilde geven, want beide mogelijkheden leken even aanlokkelijk- maar de verleiding om eerst het antwoord van Sirius te lezen was te groot. Harry liep naar de kerkuil, haalde de brief van diens poot en rolde hem uit.

Harry —

Ik kan in een brief niet alles schrijven wat ik zou willen, voor het geval de uil onderschept wordt — we moeten elkaar onder vier ogen spreken. Kun je op 22 november om een uur ’s nachts alleen bij de haard in de leerlingenkamer van Griffoendor zijn? Ik weet beter dan wie dan ook dat je heel goed voor jezelf kunt zorgen en zolang Perkamentus en Dolleman in de buurt zijn, denk ik niet dat iemand je iets kan aandoen, maar toch schijnt iemand dat van plan te zijn. Het moet heel riskant zijn geweest om je in te schrijven voor dat Toernooi, zeker onder de neus van Perkamentus. Wees op je hoede, Harry. Ik wil het nog steeds weten wanneer er iets ongewoons gebeurt. Stuur me zo snel mogelijk bericht over 22 november.

Sirius

Hoofdstuk 19

DE HONGAARSE HOORNSTAART

Het vooruitzicht om eindelijk met Sirius te kunnen praten was het enige dat Harry gedurende de twee weken daarna een beetje op de been hield, het enige lichtpuntje aan een horizon die er nog nooit zo donker had uitgezien. De ergste schok nadat hij tot kampioen was gekozen was weggezakt en pas nu werd hij echt bang voor wat hem te wachten stond. De eerste opdracht naderde met rasse schreden; hij had af en toe het gevoel dat het een gruwelijk monster was dat op hem loerde en hem een eindje verderop de weg versperde. Hij had nog nooit zo de zenuwen gehad. Het was erger dan voor welke Zwerkbalwedstrijd dan ook, zelfs de laatste tegen Zwadderich, toen het erom ging wie de cup zou winnen. Het kostte Harry de grootste moeite om hoe dan ook nog aan de toekomst te denken; hij had het gevoel alsof zijn hele leven naar die eerste opdracht had geleid en daar ook mee zou eindigen…

Hij wist weliswaar niet hoe Sirius hem zou kunnen helpen bij het verrichten van een nog onbekend staaltje moeilijke en gevaarlijke toverkunst in aanwezigheid van honderden mensen, maar alleen al de aanblik van een vriendelijk gezicht zou heel wat waard zijn. Harry schreef aan Sirius dat hij op de afgesproken tijd bij het haardvuur in de leerlingenkamer zou zitten en hij en Hermelien staken een hoop tijd in het bedenken van plannetjes om achterblijvers te dwingen de leerlingenkamer te verlaten. Als het echt niet anders kon, zouden ze een zak Mestbommen laten ontploffen, maar ze hoopten dat dat niet nodig zou zijn, want dan zou Vilder zijn naam ongetwijfeld eer aandoen en hen levend villen.

In de tussentijd werd het leven binnen de kasteelmuren steeds onaangenamer voor Harry. Rita Pulpers had haar artikel over het Toverschool Toernooi gepubliceerd en dat bleek niet zozeer een verslag van het toernooi te zijn, als wel een heel erg aangedikt levensverhaal van Harry. Een groot deel van de voorpagina werd in beslag genomen door een foto van Harry; het artikel (dat werd voortgezet op de pagina’s twee, zes en zeven) ging eigenlijk alleen maar over hem; de namen van de kampioenen van Beauxbatons en Klammfels waren verkeerd gespeld en werden terloops in de laatste alinea vermeld en Carlo’s naam kwam er al helemaal niet in voor.

Het artikel was tien dagen geleden verschenen en Harry kreeg nog steeds een wee gevoel van schaamte in zijn maag als hij eraan dacht. Rita Pulpers had hem een heleboel vreselijke uitspraken in de mond gelegd, uitspraken waarvan hij zich niet kon herinneren dat hij die ooit had gedaan, laat staan daar in die bezemkast.

‘Ik denk dat ik mijn kracht ontleen aan mijn ouders. Ik weet dat ze trots op me zouden zijn als ze me nu konden zien… ja, soms huil ik ’s nachts als ik aan ze denk, dat durf ik best toe te geven… ik weet gewoon dat niets me kan deren tijdens het Toernooi, omdat zij over me waken…’

Maar Rita Pulpers was nog een stap verdergegaan: ze had zijn ge-’eh’ niet alleen veranderd in lange, misselijkmakende zinnen, maar ze had ook andere mensen geïnterviewd.

Harry heeft op Zweinstein eindelijk liefde gevonden. Volgens zijn boezemvriend Kasper Krauwel is Harry vrijwel constant in het gezelschap van Hermelien Griffel, een beeldschoon meisje van Dreuzelouders die, net als Harry, een van de beste leerlingen van de school is.

Nadat het artikel was verschenen werd Harry door andere leerlingen — voornamelijk Zwadderaars — onophoudelijk om zijn oren geslagen met citaten en honende opmerkingen.

‘Wil je een zakdoek, Potter, voor het geval je in tranen uitbarst tijdens Gedaanteverwisselingen?’

‘Sinds wanneer ben jij een van de beste leerlingen, Potter? Of hebben jij en Lubbermans jullie eigen school?’

‘Hé Harry!’

‘Ja, je ziet het goed!’ schreeuwde Harry tot zijn eigen verbazing en hij draaide zich woedend om op de gang. Hij was het nu echt zat. ‘Ik heb net een lekker potje zitten janken om m’n dode moeder en daar wou ik nu graag mee verder gaan…’

‘Nee — ik wilde alleen — je hebt je veer laten vallen.’

Het was Cho. Harry voelde dat hij vuurrood werd.

‘O — ja — sorry,’ mompelde hij terwijl hij de veer opraapte.

‘En — veel succes dinsdag,’ zei ze. ‘Ik hoop echt dat je het goed doet.’

Waarna Harry zich ontzettend stom voelde.

Ook Hermelien kreeg een hoop hatelijke opmerkingen te verduren, maar zij reageerde zich niet af op onschuldige voorbijgangers; Harry had enorme bewondering voor de manier waarop ze de situatie aanpakte.

‘Beeldschoon? Zij?’ krijste Patty Park toen ze na de publicatie van Rita’s artikel Hermelien voor het eerst tegenkwam. ‘Vergeleken waarmee — een muskusrat?’

‘Gewoon negeren,’ zei Hermelien waardig en ze liep met opgeheven hoofd en grote passen langs de gniffelende meisjes van Zwadderich heen, alsof ze hen niet kon horen. ‘Gewoon negeren, Harry.’

Maar Harry kon het niet negeren. Ron had geen woord meer tegen hem gezegd nadat hij had verteld van Sneeps strafwerk. Harry had half en half gehoopt dat het weer goed zou komen toen ze twee uur lang rattenhersenen hadden moeten pekelen in de kerker van Sneep, maar juist die dag was Rita’s artikel verschenen en dat had Ron blijkbaar gesterkt in de overtuiging dat Harry werkelijk van alle aandacht genoot.

Hermelien was woest op zowel Ron als Harry; ze holde constant van de een naar de ander, in een poging hen weer aan het praten te krijgen, maar Harry hield zijn poot stijf: hij was pas bereid om met Ron te praten als die toegaf dat Harry zijn naam niet in de Vuurbeker had gedaan en zijn excuses maakte omdat hij Harry een leugenaar had genoemd.

‘Ik ben niet begonnen,’ zei Harry. ‘Het is zijn probleem.’

‘Je mist hem!’ zei Hermelien ongeduldig. ‘En ik weet dat hij jou mist —’

‘Hem missen?’ zei Harry. ‘Ik mis hem helemaal niet…’ Maar dat was gelogen. Harry was heel erg op Hermelien gesteld, maar ze was gewoon niet hetzelfde als Ron. Er werd veel minder gelachen en veel meer in de bieb rondgehangen als Hermelien je beste kameraad was. Harry had die Sommeerspreuken nog steeds niet onder de knie; het was alsof hij een soort mentale blokkade had en Hermelien verzekerde hem dat het zou helpen als hij zich in de theorie verdiepte, vandaar dat ze tussen de middag veel met hun neus in de boeken zaten.

Viktor Kruml was ook vaak in de bibliotheek te vinden en Harry vroeg zich af wat hij in zijn schild voerde. Studeerde hij of zocht hij dingen die hem zouden helpen bij de eerste opdracht? Hermelien klaagde vaak over de aanwezigheid van Kruml — niet omdat hij hen lastigviel, maar omdat er regelmatig groepjes giechelende meisjes stiekem naar hem stonden te kijken achter de boekenkasten en Hermelien werd afgeleid door hun gegniffel.

‘Hij is niet eens knap!’ mompelde ze en ze keek nijdig naar het scherpe profiel van Kruml. ‘Ze vinden hem alleen maar leuk omdat hij beroemd is! Ze zouden hem geen twee keer aankijken als hij niet zo goed was in die spastische schijnbeweging —’

‘Spatski-schijnbeweging,’ zei Harry met opeengeklemde kaken. Hij had een hekel aan verhaspelde Zwerkbaltermen, maar het deed hem veel meer pijn om aan het gezicht van Ron te denken, als die Hermelien over spastische schijnbewegingen had horen praten.

Het is een merkwaardig feit, maar als je ergens als een berg tegenop ziet en er alles voor zou willen geven om de tijd langzamer te laten gaan, heeft die juist de onaangename gewoonte om te versnellen. De dagen die restten tot de eerste opdracht leken voorbij te vliegen, alsof iemand de klok twee keer zo snel liet lopen. Harry werd geplaagd door een gevoel van nauwelijks onderdrukte paniek, dat hem even hardnekkig achtervolgde als die hatelijke opmerkingen over het artikel in de Ochtendprofeet.

Op de zaterdag voor de eerste opdracht mochten alle leerlingen uit het derde jaar of hoger het dorpje Zweinsveld bezoeken. Hermelien zei tegen Harry dat het goed voor hem zou zijn om even weg te zijn uit het kasteel en Harry liet zich gemakkelijk ompraten.

‘En Ron dan?’ zei hij. ‘Wil je niet met hem gaan?’

‘Nou… eh…’ Hermelien werd een beetje rood. ‘Ik dacht dat we misschien met hem zouden kunnen afspreken in de Drie Bezemstelen…’

‘Nee,’ zei Harry botweg.

‘O Harry, dit is echt idioot —’

‘Ik wil best gaan, maar Ron hoef ik niet te zien en ik doe m’n Onzichtbaarheidsmantel aan.’

‘Nou, vooruit…’ snauwde Hermelien, ‘maar ik vind het vreselijk om met je te praten als je die mantel draagt. Ik weet nooit of ik naar je kijk of niet.’

En dus trok Harry op de slaapzaal zijn mantel aan en ging samen met Hermelien op weg naar Zweinsveld.

Harry voelde zich heerlijk vrij in zijn mantel. Hij keek hoe andere leerlingen hen passeerden toen ze bij het dorp waren: de meesten droegen badges met CARLO IS ZO, maar eindelijk kreeg hij eens geen rotopmerkingen naar zijn hoofd geslingerd en niemand citeerde uit dat stomme artikel.

‘Nu kijken de mensen steeds naar mij,’ zei Hermelien knorrig toen ze een tijdje later het Zoetwarenhuis van Zacharinus uitkwamen en grote bonbons met crèmevulling liepen te eten. ‘Ze denken dat ik in mezelf praat.’

‘Beweeg dan niet zoveel met je lippen.’

‘Kom op, Harry, doe die mantel nou uit. Niemand valt je hier lastig.’

‘Denk je dat?’ zei Harry. ‘Kijk dan maar eens achterom.’

Rita Pulpers en haar vriend de fotograaf kwamen net de Drie Bezemstelen uit. Zachtjes pratend passeerden ze Hermelien zonder haar ook maar een blik waardig te keuren. Harry deinsde achteruit tot hij met zijn rug tegen de muur van Zacharinus stond, zodat Rita hem niet zou kunnen raken met haar tas van krokodillenleer.

Zodra ze uit het zicht waren zei Harry: ‘Ze logeert in het dorp. Ik wed dat ze naar de eerste opdracht komt kijken.’

Toen hij dat zei, klotste er een golf van withete paniek door zijn maag. Hij zei daar niets van; hij en Hermelien hadden het niet veel over de eerste opdracht gehad; hij had het gevoel dat ze daar niet over wilde nadenken.

‘Ze is weg,’ zei Hermelien, die dwars door Harry heen keek naar het einde van de Hoofdstraat. ‘Zullen we een Boterbiertje gaan drinken in de Drie Bezemstelen? Het is een beetje koud. En je hoeft niks tegen Ron te zeggen!’ voegde ze er geïrriteerd aan toe, zijn stilte correct uitleggend.

De Drie Bezemstelen zat vol, voornamelijk met leerlingen van Zweinstein die van hun vrije dag genoten, maar ook met allerlei magische wezens die Harry vrijwel nooit ergens anders zag. Zweinsveld was het enige puur magische dorp in het land en daardoor ook een soort toevluchtsoord voor wezens als feeksen, die zich niet zo goed konden vermommen als gewone tovenaars.

Het was moeilijk om je door een mensenmenigte heen te wurmen als je een Onzichtbaarheidsmantel droeg, want als je per ongeluk op iemands tenen ging staan, leidde dat tot lastige vragen. Harry schuifelde langzaam naar een tafeltje in de hoek terwijl Hermelien iets te drinken ging halen. Op weg naar het tafeltje zag Harry dat Ron bij Fred, George en Leo Jordaan zat. Harry weerstond de verleiding om Ron een dreun op zijn achterhoofd te geven, wist uiteindelijk het tafeltje te bereiken en ging zitten.

Even later kwam Hermelien terug en stopte een Boterbiertje onder zijn mantel.

‘Ik zit hier echt voor gek, zo helemaal in m’n eentje,’ mompelde ze. ‘Het is maar goed dat ik iets te doen heb meegenomen.’

Ze pakte een notitieboekje waarin ze het ledenbestand van S.H.I.T. bijhield. Harry zag dat de namen van Ron en hem boven aan de uiterst korte lijst stonden. Het leek lang geleden dat ze samen die voorspellingen hadden verzonnen en Hermelien plotseling was binnengekomen en hen tot secretaris en penningmeester had benoemd.

‘Weet je, misschien moet ik de mensen hier in het dorp ook interesseren voor de S.H.I.T.,’ zei Hermelien bedachtzaam en ze liet haar blik door de kroeg gaan.

‘Ja, die staan vast te trappelen,’ zei Harry. Hij nam een slok Boterbier onder zijn mantel. ‘Hermelien, wanneer schei je eens uit met dat S.H.I.T.-gedoe?’

‘Pas als Huis-elfen behoorlijk betaald worden en betere arbeidsomstandigheden hebben!’ siste ze. ‘Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het tijd wordt voor harde actie. Hoe zou je in de schoolkeukens kunnen komen?’

‘Geen idee. Vraag maar aan Fred of George,’ zei Harry.

Hermelien deed er peinzend het zwijgen toe terwijl Harry zijn Boterbier dronk en naar de mensen in de kroeg keek. Iedereen maakte een opgewekte en ontspannen indruk. Ernst Marsman en Hannah Albedil zaten aan een naburig tafeltje en ruilden de plaatjes die bij Chocokikkers zaten. Ze hadden allebei een CARLO IS ZO-badge op hun mantel. Vlak bij de deur zag hij Cho en een groepje vriendinnen van Ravenklauw. Cho droeg geen CARLO-badge, wat Harry een heel klein beetje opvrolijkte…

Wat zou hij er niet voor gegeven hebben om een van de leerlingen te zijn die daar zaten te lachen en te praten en die niets aan hun hoofd hadden, behalve hun huiswerk! Hij probeerde zich voor te stellen hoe het geweest zou zijn als de Vuurbeker zijn naam niet had uitgespuwd. Om te beginnen zou hij nu geen Onzichtbaarheidsmantel dragen en zou Ron gewoon naast hem zitten. Hermelien en zij zouden waarschijnlijk opgewonden proberen zich een voorstelling te maken van de levensgevaarlijke taak die de drie kampioenen dinsdag te wachten stond. Hij zou zich erop verheugen om toeschouwer te zijn bij die nog onbekende opdracht… hij zou Carlo net zo hard aanmoedigen als iedereen, veilig op de tribune…

Hij vroeg zich af hoe de andere kampioenen zich voelden. De laatste keren dat hij Carlo had gezien, was hij omringd geweest door bewonderaars en had hij een nerveuze, maar opgewonden indruk gemaakt. Van tijd tot tijd ving Harry op de gang een glimp op van Fleur Delacour, die net zo hautain en kalm was als altijd. En Kruml zat vrijwel continu in de bibliotheek, met zijn neus in de boeken.

Harry dacht aan Sirius en het strakke, gespannen gevoel in zijn keel leek een klein beetje af te nemen. Over iets meer dan twaalf uur zou hij hem zien, want vannacht hadden ze afgesproken in de leerlingenkamer — vooropgesteld dat er niets misging, zoals de laatste tijd vrijwel steeds gebeurde…

‘Kijk, daar heb je Hagrid!’ zei Hermelien.

Hagrids enorme, harige achterhoofd — godzijdank had hij geen scheiding in het midden meer — stak boven de rest van de menigte uit. Harry vroeg zich af waarom hij hem niet eerder had gezien, omdat Hagrid zo groot was, maar toen hij voorzichtig ging staan, zag hij dat Hagrid zich diep vooroverboog en met professor Dolleman praatte. Hagrid had zijn eigen, reusachtige kroes in zijn hand, maar Dolleman dronk uit zijn heupflacon. Madame Rosmerta, de knappe waardin, kon dat niet waarderen; ze keek Dolleman met een scheef oog aan toen ze de lege glazen ophaalde. Misschien beschouwde ze het gedrag van Dolleman als een belediging voor haar gloeiwijn, maar Harry wist beter. Tijdens hun laatste les Verweer tegen de Zwarte Kunsten had Dolleman gezegd dat hij altijd zijn eigen drank en voedsel bereidde, omdat Duistere tovenaars gemakkelijk een onbeheerde beker konden vergiftigen.

Terwijl Harry toekeek, stonden Hagrid en Dolleman op en maakten aanstalten om te vertrekken. Harry zwaaide, maar herinnerde zich toen dat Hagrid hem niet kon zien. Dolleman bleef echter staan en zijn magische oog staarde naar de hoek waar Harry zat. Hij gaf Hagrid een por in zijn zij (hij kon niet bij zijn schouder) en fluisterde iets tegen hem. Samen staken ze de gelagkamer over en liepen naar het tafeltje van Harry en Hermelien.

‘Ha die Hermelien!’ zei Hagrid luid.

‘Hallo,’ zei Hermelien glimlachend.

Dolleman hinkte om de tafel heen en boog zich voorover; Harry dacht eerst dat hij het S.H.I.T.-notitieboekje wilde lezen, maar plotseling mompelde hij: ‘Mooie mantel heb je daar, Potter.’

Harry staarde hem stomverbaasd aan. De grote hap uit Dollemans neus viel van zo dichtbij extra op. Dolleman grijnsde.

‘Kan uw oog — ik bedoel, kan u —’

‘Ja, ik kan door Onzichtbaarheidsmantels heen kijken,’ zei Dolleman zachtjes. ‘En dat is me soms goed van pas gekomen, laat ik je dat vertellen.’

Hagrid keek Harry ook met een brede grijns aan. Harry wist dat Hagrid hem niet kon zien, maar Dolleman had blijkbaar verteld dat hij daar zat.

Hagrid boog zich ook voorover, zogenaamd om Hermeliens S.H.I.T.-notitieboekje te lezen en fluisterde zo zacht dat alleen Harry hem kon verstaan: ‘Harry, kom vanavond om middernacht naar m’n huissie. Met die mantel aan.’

Hagrid kwam weer overeind, zei luid: ‘Leuk je gezien te hebben, Hermelien,’ knipoogde, en vertrok. Dolleman volgde hem.

‘Waarom wil hij dat ik om middernacht naar z’n huisje kom?’ zei Harry stomverbaasd.

‘Vroeg hij dat?’ zei Hermelien verrast. ‘Wat zou hij in z’n schild voeren? Ik weet niet of je wel moet gaan, Harry…’ Ze keek nerveus om zich heen en siste toen: ‘Straks ben je nog te laat voor je afspraak met Sirius.’

Het was waar dat hij zich zou moeten haasten om op tijd terug te zijn voor Sirius als hij om middernacht naar Hagrid ging; Hermelien stelde voor Hedwig naar Hagrid te sturen, om hem te laten weten dat hij niet kon komen — vooropgesteld dat Hedwig bereid zou zijn dat briefje te bezorgen — maar het leek Harry beter om vlug even te gaan kijken wat Hagrid wilde. Harry was nieuwsgierig; Hagrid had hem nog nooit gevraagd zo laat langs te komen.

Om half twaalf ’s avonds trok Harry, die zogenaamd vroeg naar bed was gegaan, zijn Onzichtbaarheidsmantel aan en sloop de trap af naar de leerlingenkamer. Die was nog behoorlijk vol. De broertjes Krauwel hadden een stapeltje CARLO IS ZO-badges te pakken gekregen en probeerden die zo te beheksen dat de tekst veranderde in HUP HARRY HUP, maar voorlopig waren de badges blijven steken bij POTTER IS PRUT. Harry sloop langs hen heen naar het portretgat en wachtte daar een minuut of wat, terwijl hij op zijn horloge keek. Toen deed Hermelien de Dikke Dame vanaf de gang open, zoals ze hadden afgesproken. Met een gefluisterd ‘Bedankt!’ glipte hij langs haar heen en ging op weg naar beneden.

Buiten was het aardedonker. Harry liep over het gazon naar Hagrids huisje, waar licht brandde. De enorme koets van Beauxbatons was ook verlicht; Harry hoorde madame Mallemour praten in het rijtuig toen hij op Hagrids voordeur klopte.

‘Ben jij dat, Harry?’ fluisterde Hagrid, die de deur opendeed en om zich heen keek.

‘Ja,’ zei Harry, die gauw naar binnen glipte en de mantel van zijn hoofd liet glijden. ‘Wat was er nou?’

‘Ik wou je iets laten zien,’ zei Hagrid.

Harry had de indruk dat Hagrid ergens vreselijk opgewonden over was. Hij had een bloem in zijn knoopsgat die veel op een uit zijn krachten gegroeide artisjok leek en hoewel hij zo te zien geen motorolie meer gebruikte voor zijn haar, had hij nog wel geprobeerd het te kammen — Harry zag overal afgebroken tanden van de kam in zijn haar zitten.

‘Wat wilde je me laten zien?’ vroeg Harry achterdochtig. Hij vroeg zich af of de Skreeften misschien eieren hadden gelegd of dat Hagrid weer een reusachtige driekoppige hond had gekocht van een vreemdeling in de kroeg.

‘Kom mee, zeg niks en blijf onder die mantel,’ zei Hagrid. ‘Ik laat Muil hier, die zou ’t maar niks vinden…’

‘Hoor eens, Hagrid, ik kan niet lang blijven… ik moet om een uur terug zijn in het kasteel —’

Maar Hagrid luisterde niet; hij deed de deur van zijn huisje open en liep met grote passen naar buiten. Harry volgde hem en zag tot zijn verbazing dat Hagrid hem voorging naar de koets van Beauxbatons.

‘Hagrid, wat —’

‘Ssst!’ zei Hagrid en hij klopte drie keer op de deur met de gekruiste gouden toverstokken.

Madame Mallemour deed open. Ze had een zijden omslagdoek om haar enorme schouders en glimlachte toen ze Hagrid zag. ‘Ah, ‘Agrid… is ‘et tijd?’

‘Bon-zwaar,’ zei Hagrid met een brede glimlach en hij gaf haar een hand terwijl ze het gouden trapje afdaalde.

Madame Mallemour deed de deur achter zich dicht. Hagrid bood haar zijn arm aan en ze liepen langs het omheinde stuk wei waar de reusachtige, gevleugelde paarden van Beauxbatons graasden. Harry, die er echt niets meer van begreep, moest hollen om hen bij te houden. Wilde Hagrid hem laten genieten van de aanblik van madame Mallemour? Maar die had hij al zo vaak kunnen bestuderen… je kon haar moeilijk over het hoofd zien…

Blijkbaar had Hagrid voor madame Mallemour dezelfde verrassing in petto als voor Harry, want na een tijdje zei ze flirterig: ‘Waar breng je me ‘een, ‘Agrid?’

‘Je vindt ’t vast prachtig,’ zei Hagrid kortaf, ‘ ’t Is ’t bekijken waard, geloof me. Alleen — je mag ’t tegen niemand zeggen, oke? Je mag ’t eigenlijk niet weten.’

‘Ja, natuurlijk,’ zei madame Mallemour, die met haar lange zwarte wimpers knipperde.

Ze liepen steeds verder en Harry raakte alsmaar geïrriteerder terwijl hij achter hen aan draafde en op zijn horloge keek. Hagrid was natuurlijk weer met een of ander idioot plannetje bezig, waardoor hij Sirius misschien zou mislopen. Als ze niet gauw op de plaats van bestemming waren, maakte hij gewoon rechtsomkeert en ging hij terug naar het kasteel. Dan mocht Hagrid samen met madame Mallemour van hun wandeling in het maanlicht genieten.

Maar toen ze zo ver langs de rand van het Verboden Bos hadden gelopen dat het kasteel en het meer niet langer te zien waren, hoorde Harry opeens iets. Verderop werd er geschreeuwd… en plotseling klonk er een oorverdovend gebrul…

Hagrid loodste madame Mallemour om een groepje bomen heen en bleef staan. Harry volgde hen — een fractie van een seconde dacht hij dat hij grote kampvuren zag, waar mensen omheen renden — en toen viel zijn mond open van verbazing.

Draken.

Vier volwassen, woeste, reusachtige draken bokten en steigerden op een stuk wei dat met dikke planken omheind was, brullend en sissend. Lange vuurpluimen laaiden uit hun opengesperde, van vlijmscherpe tanden voorziene muilen en hun koppen zwaaiden meer dan vijftien meter boven de grond heen en weer op hun uitgestrekte nekken. Harry zag een blauwgrijze draak met lange, puntige hoorns, die grauwde en hapte naar de tovenaars op de grond; een groene draak met gladde, glanzende schubben, die uit alle macht worstelde en stampvoette; een rode draak met een rare baard van dunne gouden stekels, die paddenstoelvormige vuurwolken uitbraakte en een gigantische zwarte draak, die reptielachtiger was dan de andere en zich het dichtst bij Harry bevond.

Minstens dertig tovenaars, zeven of acht per draak, deden hun best om de beesten in bedwang te houden en trokken aan kettingen die bevestigd waren aan dikke leren riemen om hun nek en poten. Harry staarde gebiologeerd naar de kop van de zwarte draak, hoog boven hem. Die had verticale pupillen, net als een kat en zijn ogen puilden uit van angst of woede… de draak stootte een afschuwelijk geluid uit, een jammerend, schril gekrijs…

‘Niet te dichtbij komen, Hagrid!’ schreeuwde een tovenaar bij de omheining, die uit alle macht aan een ketting trok. ‘Ze kunnen minstens zeven meter vuurspuwen! En ik heb die Hoornstaart wel dertien meter zien halen!’

‘Bennen ze niet prachtig?’ zei Hagrid zacht.

‘Het lukt niet!’ schreeuwde een andere tovenaar. ‘Lamstralen! Ik tel tot drie!’

Harry zag dat alle drakenoppassers hun toverstok trokken.

‘Paralitis!’ riepen ze in koor en de Lamstralen schoten als vuurpijlen omhoog door het duister en spatten in een regen van vonken uiteen op de geschubde huid van de draken —

Harry keek hoe de dichtstbijzijnde draak gevaarlijk wankelde op zijn achterpoten; zijn kaken waren opengesperd in een plotseling geluidloos gekrijs en uit zijn neusgaten laaiden geen vlammen meer, hoewel ze nog wel narookten — en toen kiepte hij langzaam om. Vele tonnen aan gespierd, geschubd drakenlijf kwamen met zo’n dreun op de grond dat Harry had kunnen zweren dat de bomen achter hem trilden.

De drakenoppassers lieten hun toverstok zakken en liepen naar hun gevelde beesten, die het formaat van kleine heuvels hadden. Haastig maakten ze de kettingen steviger vast en bevestigden die secuur aan lange ijzeren pennen, die ze met behulp van hun toverstok diep in de grond dreven.

‘Wil je wat beter kijken?’ vroeg Hagrid opgewonden aan madame Mallemour. Ze gingen pal aan de omheining staan en Harry volgde hen. De tovenaar die Hagrid had gewaarschuwd om niet te dichtbij te komen draaide zich om en Harry zag dat het Charlie Wemel was.

‘Alles oke, Hagrid?’ hijgde hij en hij liep naar de omheining om en praatje te maken. ‘Ik denk niet dat we nu nog last van ze zullen hebben — we hadden ze een Slaapdrank gegeven, zodat ze buiten westen waren tijdens het transport. We dachten dat het beter zou zijn als ze ergens wakker werden waar het donker en stil was, maar zoals je zag, waren ze niet blij, helemaal niet blij.

Wat zijn dat voor rassen, Charlie?’ zei Hagrid, die bijna met eerbied naar de zwarte draak staarde. De ogen van de draak waren een klein stukje open en Harry zag een smalle streep glanzend geel onder het gerimpelde zwarte ooglid.

‘Dit is een Hongaarse Hoornstaart,’ zei Charlie. ‘Dat daar, die kleinere, is een Gewone Groene Huisdraak uit Wales — die blauwgrijze is een Zweedse Stompsnuit — en die rode een Chinese Zenger.’

Charlie keek naar madame Mallemour, die langzaam langs de omheining liep en naar de verlamde draken keek.

‘Ik wist niet dat je haar ook mee zou nemen, Hagrid,’ zei Charlie fronsend. ‘De kampioenen mogen eigenlijk niet weten wat er gaat gebeuren en zij vertelt het vast aan die leerlinge van haar.’

‘Ik dacht gewoon dat ze ’t graag zou willen zien,’ zei Hagrid, die zijn schouders ophaalde en in vervoering naar de draken staarde.

‘Echt een romantisch afspraakje, Hagrid,’ zei Charlie hoofdschuddend.

‘Vier…’ zei Hagrid. ‘Dat is dus een per kampioen. Wat motten ze doen — met die draken vechten?’

‘Alleen proberen ze te slim af te zijn, volgens mij,’ zei Charlie. ‘Wij staan paraat als het misloopt, met Blusspreuken en zo. Ze wilden per se nestelende moeders, al heb ik geen idee waarom… maar ik zal je een ding zeggen: ik benijd degene die het tegen die Hoornstaart moet opnemen niet. Echt een venijnig rotbeest. Haar achterkant is net zo gevaarlijk als haar voorkant, kijk maar.’

Charlie wees op de staart van de draak en Harry zag dat er om de paar centimeter lange, bronskleurige punten uitstaken.

Op dat moment wankelden vijf van Charlie’s collega’s naar de Hoornstaart toe met een deken waarop een stapel reusachtige, granietkleurige eieren lag. Ze legden de eieren voorzichtig naast de Hoornstaart en Hagrid kreunde zacht van verlangen.

‘Ze zijn geteld, Hagrid,’ zei Charlie streng en toen: ‘Hoe is het met Harry?’

‘Prima,’ zei Hagrid, die naar de eieren staarde.

‘Ik hoop dat het nog steeds prima met hem gaat nadat hij het tegen deze beestjes heeft opgenomen,’ zei Charlie grimmig, terwijl hij naar het omheinde stuk grond keek waar de draken lagen. ‘Ik durfde gewoon niet tegen ma te zeggen wat de eerste opdracht inhield. Ze staat nu al stijf van de zenuwen…’ Charlie imiteerde de ongeruste stem van zijn moeder. ‘ “Hoe konden ze hem laten meedoen aan dat Toernooi! Hij is veel te jong! Ik dacht dat ze veilig waren, ik dacht dat er een leeftijdsgrens was gesteld!” Na dat artikel in de Ochtendprofeet was ze in tranen. “Hij huilt nog steeds om zijn ouders, de arme schat En dat heb ik nooit geweten!” ’

Harry had er genoeg van. Erop vertrouwend dat Hagrid hem niet zou missen met vier draken en madame Mallemour als afleiding, draaide hij zich stilletjes om en begon terug te lopen naar het kasteel.

Hij wist niet of hij blij moest zijn dat hij nu gezien had wat hem te wachten stond. Misschien was het zo beter. Nu had hij de eerste schok tenminste achter de rug. Als hij die draken dinsdag voor het eerst had gezien, zou hij waarschijnlijk in het bijzijn van de hele school van zijn stokje zijn gegaan… maar misschien gebeurde dat alsnog… Alleen gewapend met zijn toverstaf — die nu een miezerig staafje hout leek — moest hij het opnemen tegen een vijftien meter lange, geschubde, met hoorns en stekels overdekte, vuurspuwende draak. Een draak die hij te slim af moest zijn. Terwijl iedereen toekeek. Hoe?

Harry begon sneller te lopen; hij had minder dan een kwartier om terug te keren naar de leerlingenkamer van Griffoendor voor zijn afspraak met Sirius en hij kon zich niet herinneren dat hij ooit zo graag met iemand had willen praten. Plotseling, zonder enige waarschuwing, botste hij tegen iets massiefs op.

Harry smakte ruggelings op de grond en zijn bril viel bijna af. Hij sloeg gauw zijn mantel om zich heen en hoorde van heel dichtbij een stem zeggen: ‘Au! Wie is daar?’

Harry controleerde haastig of zijn mantel hem nog helemaal bedekte en bleef doodstil liggen, terwijl hij omhoog staarde naar het silhouet van de tovenaar tegen wie hij was opgebotst. Hij herkende dat sikje… het was Karkarov.

‘Wie is daar?’ herhaalde Karkarov wantrouwig en hij tuurde om zich heen. Harry bleef stil en roerloos liggen. Na een paar minuten besloot Karkarov blijkbaar dat hij tegen een beest was opgelopen; hij keek nog even op heuphoogte om zich heen, alsof hij verwachtte een hond te zien, maar sloop toen terug naar de beschutting van de bomen en schuifelde langzaam in de richting van de plek waar de draken lagen.

Heel voorzichtig stond Harry op en liep verder. Zo snel als hij kon en zonder al te veel geluid te maken, haastte hij zich in de richting van het kasteel.

Hij besefte maar al te goed wat Karkarov in zijn schild voerde. Hij zou stiekem zijn schip verlaten om erachter te komen wat de eerste opdracht was. Misschien had hij Hagrid en madame Mallemour samen in de richting van het Bos zien lopen — zelfs van een afstand kon je hen moeilijk over het hoofd zien… en nu hoefde Karkarov alleen maar het geluid van stemmen te volgen en zou hij, net als madame Mallemour, weten waarmee de kampioenen geconfronteerd zouden worden. Zoals het er nu naar uitzag, zou Carlo dinsdag de enige zijn die niet wist wat hem te wachten stond.

Harry was terug bij het kasteel. Hij glipte door de voordeur naar binnen en liep de marmeren trap op; hij was helemaal buiten adem, maar durfde het niet rustiger aan te doen… hij had minder dan vijf minuten om bij het haardvuur te komen…

‘Apekool!’ hijgde hij tegen de Dikke Dame, die zat te dutten in haar lijst voor het portretgat.

‘Als jij ’t zegt,’ mompelde ze slaperig, zonder haar ogen open te doen en het portret zwaaide opzij om hem door te laten. Harry klom naar binnen. De leerlingenkamer was uitgestorven en te oordelen naar het feit dat het er normaal rook, had Hermelien geen Mestbommen hoeven te laten ontploffen om hem en Sirius een onderonsje te garanderen.

Harry deed de Onzichtbaarheidsmantel af en ging in een stoel bij de haard zitten. Het was schemerdonker in de kamer; het enige licht kwam van het haardvuur. Op een tafeltje weerkaatsten de badges met CARLO IS ZO, die de broertjes Krauwel geprobeerd hadden te veranderen, het schijnsel van de vlammen. De tekst luidde nu POTTER IS PUUR PRUT. Harry keek weer naar het vuur en schrok zich een ongeluk.

Het hoofd van Sirius lag in de vlammen. Als Harry niet hetzelfde had meegemaakt met het hoofd van meneer Kannewasser bij de Wemels, zou hij zich echt doodgeschrokken zijn. In plaats daarvan glimlachte hij voor het eerst sinds dagen, stond vlug op, ging op zijn knieën bij de haard zitten en zei: ‘Sirius — hoe gaat het met je?’

Sirius zag er heel anders uit dan Harry zich herinnerde. De laatste keer dat hij hem gezien had, was zijn gezicht broodmager geweest, omringd door lange slierten verward, plakkerig haar — nu was zijn haar kort en schoon, zijn gezicht voller en zag hij er een stuk jonger uit. Hij leek veel meer op de foto die Harry van hem had en die op de bruiloft van Harry’s ouders was gemaakt.

‘Hoe het met mij gaat doet er niet toe; hoe gaat het met jou?’ vroeg Sirius ernstig.

‘Met mij? Nou —’ Heel even probeerde Harry om ‘goed’ te zeggen, maar hij kon het woord niet over zijn lippen krijgen. Voor hij zichzelf kon weerhouden, praatte hij plotseling meer dan hij in dagen gepraat had — over het feit dat niemand geloofde dat hij zich niet zelf voor het Toernooi had opgegeven, over de leugens die Rita Pulpers over hem had rondgestrooid in de Ochtendprofeet, over de hatelijkheden die hij naar zijn hoofd geslingerd kreeg op de gang — en over Ron, Ron die hem niet geloofde, Rons jaloezie…en nu heeft Hagrid me net laten zien wat de eerste opdracht inhoudt! Draken, Sirius! Ik kan het wel vergeten!’ besloot hij vertwijfeld.

Sirius keek hem bezorgd aan, met ogen waarin nog steeds de blik zichtbaar was die hij aan Azkaban had overgehouden — een doodse, gekwelde blik. Hij had Harry rustig laten uitpraten, zonder hem in de rede te vallen, maar nu zei hij: ‘Draken kunnen we wel aan, Harry. Daar kom ik zo op. Ik heb niet veel tijd… ik heb in het huis van een tovergezin ingebroken om hun haard te gebruiken, maar ze kunnen elk moment terugkomen. Er zijn dingen waar ik je voor moet waarschuwen.’

‘Wat?’ zei Harry en de moed zakte hem nog ietsje verder in de schoenen… Sirius kon toch moeilijk iets ergers dan draken in gedachten hebben?

‘Karkarov,’ zei Sirius. ‘Harry, Karkarov was vroeger een Dooddoener. Je weet toch wat Dooddoeners zijn, hè?’

‘Ja — hij — wat?’

‘Hij werd gepakt en heeft samen met mij in Azkaban gezeten, maar is later vrijgelaten. Ik durf er alles om te verwedden dat Perkamentus daarom dit jaar per se een Schouwer op Zweinstein wilde hebben — om Karkarov in de gaten te houden. Dolleman heeft Karkarov ontmaskerd en naar Azkaban gestuurd.’

‘Is Karkarov vrijgelaten?’ zei Harry langzaam — zijn hersens schenen er lang over te doen om het zoveelste schokkende nieuwtje in zich op te nemen. ‘Waarom hebben ze hem vrijgelaten?’

‘Hij heeft het op een akkoordje gegooid met het Ministerie van Toverkunst,’ zei Sirius bitter. ‘Hij besefte zogenaamd dat hij fout was geweest en noemde een hoop namen… hij heeft een heleboel andere mensen naar Azkaban gestuurd en ik kan je verzekeren dat hij daar niet populair is. En voor zover ik weet, heeft hij sinds zijn vrijlating elke leerling op die school van hem de Zwarte Kunsten geleerd, dus pas ook goed op voor de kampioen van Klammfels.’

‘Ja, oke,’ zei Harry langzaam. ‘Maar… wil je zeggen dat Karkarov mijn in naam in de Vuurbeker heeft gestopt? Als dat zo is, kan hij goed toneelspelen. Zo te zien was hij woedend dat ik meedeed. Hij probeerde er een stokje voor te steken.’

‘We weten dat hij goed kan toneelspelen,’ zei Sirius. ‘Tenslotte heeft hij het Ministerie overgehaald om hem vrij te laten. Ik heb ook regelmatig de Ochtendprofeet gelezen, Harry —’

‘Net als de rest van het land,’ zei Harry verbitterd.

‘- en als ik zo tussen de regels van dat artikel van Pulpers van vorige maand doorlees, lijkt het erop dat Dolleman de avond voor hij op Zweinstein zou beginnen is aangevallen. Ja, ik weet dat ze schreef dat het vals alarm was,’ zei Sirius haastig toen hij zag dat Harry zijn mond open wilde doen, ‘maar dat betwijfel ik eerlijk gezegd. Ik denk dat iemand probeerde te verhinderen dat hij naar Zweinstein zou gaan. Ik denk dat iemand besefte dat zijn taak een stuk lastiger zou worden met Dolleman in de buurt. Iemand die wist dat dit voorval niet al te serieus genomen zou worden. Dwaaloog heeft iets te vaak indringers gehoord, maar dat wil niet zeggen dat hij niet meer in staat is om echte boeven eruit te pikken. Dolleman was de beste Schouwer die het Ministerie ooit heeft gehad.’

‘Maar… wat wil je nou eigenlijk zeggen?’ vroeg Harry langzaam. ‘Dat Karkarov me wil vermoorden? Maar — waarom?’

Sirius aarzelde.

‘Ik heb een hoop vreemde dingen gehoord,’ zei hij ten slotte. ‘De Dooddoeners zijn de laatste tijd een stuk actiever dan normaal. Ze hebben zich tijdens het WK Zwerkbal openlijk vertoond. Iemand heeft het Duistere Teken opgeroepen… en bovendien — wist je dat er een heks van het Ministerie van Toverkunst vermist wordt?’

‘Berta Kriel?’ zei Harry.

‘Ja, precies… ze is verdwenen in Albanië en volgens de geruchten is Voldemort daar voor het laatst gesignaleerd… en ze heeft waarschijnlijk geweten dat het Toverschool Toernooi op Zweinstein zou worden gehouden…’

‘Ja, maar… het is toch niet waarschijnlijk dat ze regelrecht in de armen van Voldemort is gelopen?’ zei Harry.

‘Hoor eens, ik ken Berta Kriel,’ zei Sirius grimmig. ‘Ze zat ook op Zweinstein toen ik er was, een paar jaar hoger dan je vader en ik. En ze was een idiote. Vreselijk nieuwsgierig, met nog geen drie gram hersens. Dat is een gevaarlijke combinatie, Harry. Ik denk dat het heel eenvoudig geweest zal zijn om haar in de val te lokken.’

‘Dus… dus Voldemort weet misschien van het Toernooi?’ zei Harry. ‘Bedoel je dat? Denk je dat Karkarov door hem gestuurd is?’

‘Dat weet ik niet,’ zei Sirius langzaam. ‘Dat weet ik echt niet.

Karkarov lijkt me geen type om zomaar terug te keren naar Voldemort tenzij hij zeker wist dat Voldemort machtig genoeg was om hem te beschermen. Maar degene die je naam in de Beker heeft gestopt, deed dat met een reden en het Toernooi lijkt me een perfecte dekmantel om jou iets aan te doen en het op een ongeluk te laten lijken.’

‘Lijkt me een prima plannetje,’ zei Harry treurig. ‘Ze hoeven alleen maar rustig af te wachten tot de draken de klus geklaard hebben.’

‘Ja — wat de draken betreft,’ zei Sirius, die heel vlug begon te praten. ‘Er is een manier, Harry. Kom alsjeblieft niet in de verleiding om een Lamstraal te gebruiken — draken zijn te sterk en magisch om door een Lamstraal te worden uitgeschakeld. Je hebt minstens zes tovenaars tegelijk nodig om een draak te verdoven —’

‘Ja, weet ik. Dat heb ik net gezien,’ zei Harry.

‘Maar het kan ook in je eentje,’ zei Sirius. ‘Er is een manier en daar heb je geen moeilijke spreuk voor nodig. Je —’

Maar Harry stak waarschuwend zijn hand op en zijn hart ging plotseling als een gek tekeer. Hij hoorde voetstappen op de wenteltrap.

‘Weg,’ siste hij tegen Sirius. ‘Weg! Er komt iemand aan!’

Harry sprong haastig overeind en ging voor het vuur staan — als iemand het hoofd van Sirius zag binnen de muren van Zweinstein, zou dat tot een geweldig tumult leiden — het Ministerie zou erbij worden gehaald — en Harry zou ondervraagd worden over de verblijfplaats van Sirius —

Harry hoorde een zachte plop in het vuur en wist dat Sirius verdwenen was. Hij keek naar de onderste treden van de wenteltrap — wie had besloten om een uur ’s nachts een eindje te gaan wandelen en had daardoor verhinderd dat Sirius hem vertelde hoe je een draak te slim af kon zijn?

Het was Ron, in zijn kastanjebruine pyjama. Hij bleef staan toen hij Harry zag en keek om zich heen.

‘Met wie praatte je?’ vroeg hij.

‘Gaat jou dat iets aan?’ snauwde Harry. ‘Wat doe je hier zo laat?’

‘Ik vroeg me af waar je —’ Ron zweeg abrupt en haalde zijn schouders op. ‘Niks. Ik ga weer naar bed.’

Je wou gewoon lekker rondneuzen, hè?’ riep Harry. Hij wist dat Ron geen idee had wie hij had weggejaagd en dat hij het niet met opzet had gedaan, maar dat kon hem niets meer schelen — op dit moment haatte hij alles aan Ron, tot aan zijn blote enkels die onder zijn te korte pyjamabroek uitkwamen toe.

‘Sorry hoor!’ zei Ron, die rood werd van woede. ‘Ik had moeten weten dat je niet gestoord wilde worden! Ik ga weer, dan kun je je in alle rust voorbereiden op je volgende interview.’

Harry griste een van de badges met POTTER IS PUUR PRUT van tafel en smeet die uit alle macht naar Ron. Hij raakte hem op zijn voorhoofd en ketste weg.

‘Alsjeblieft!’ zei Harry. ‘Die kun je dinsdag dragen! Misschien hou je er zelfs een litteken aan over… dat zou je pas echt leuk vinden, hè?’

Hij liep met grote stappen naar de wenteltrap en verwachtte half en half dat Ron hem zou tegenhouden; hij zou het zelfs prettig hebben gevonden als Ron naar hem had uitgehaald, maar die stond daar alleen maar in zijn te kleine pyjama. Nadat Harry naar boven was gestormd bleef hij nog een hele tijd ziedend wakker liggen, maar hij hoorde Ron niet naar boven komen.

Hoofdstuk 20

DE EERSTE OPDRACHT

Nadat Harry zondagochtend was opgestaan kleedde hij zich zo gedachteloos aan dat het een tijdje duurde voor hij besefte dat hij zijn hoed aan zijn voet probeerde te doen in plaats van een van zijn sokken. Toen hij uiteindelijk zijn kleren om de juiste lichaamsdelen had weten te krijgen, ging hij op zoek naar Hermelien. Die zat in de Grote Zaal te ontbijten met Ginny, aan de tafel van Griffoendor, maar Harry had zo’n wee gevoel in zijn maag dat hij geen hap door zijn keel kon krijgen. Hij wachtte ongeduldig tot Hermelien haar laatste lepel havermout naar binnen had gewerkt en sleepte haar toen mee naar buiten, om opnieuw een eindje te gaan lopen. Terwijl ze een lange wandeling om het meer maakten, vertelde hij haar over de draken en over wat Sirius had gezegd.

Hermelien schrok van Sirius’ waarschuwing over Karkarov, maar vond toch de draken een nog dringender probleem.

‘Laten we eerst maar eens zorgen dat je dinsdagavond nog leeft,’ zei ze vertwijfeld. ‘Daarna maken we ons wel zorgen om Karkarov.’

Ze liepen drie keer om het meer, terwijl ze al die tijd een simpele spreuk probeerden te bedenken waarmee je een draak kon uitschakelen, maar er schoot hun absoluut niets te binnen, dus trokken ze zich terug in de bibliotheek. Harry haalde alle boeken over draken die hij maar kon vinden van de planken en ze werkten die stapel samen door.

‘Klauwknippen door toverkracht… wat te doen bij schubschimmel… Daar nebben we niks aan, dat is voor halvegaren zoals Hagrid, die een draak gezond willen houden.’

Het is uitermate moeilijk om draken te doden, dankzij de oeroude toverkracht waarmee hun dikke huid is doordrenkt en die alleen de aller-krachtigste spreuken kunnen doorboren… maar Sirius zei dat een eenvoudige spreuk voldoende was.’

Laten we dan een paar eenvoudige spreukenboeken proberen,’

zei Harry en hij legde Mannen die Te Veel van Draken Houden weg.

Hij kwam terug met een grote stapel spreukenboeken, legde die neer en begon ze door te bladeren, terwijl Hermelien naast hem aan een stuk door zat te fluisteren: ‘Er zijn natuurlijk Wisselspreuken… maar wat heb je daaraan? Tenzij je de tanden van de draak verwisselt voor dropjes of zo, om hem minder gevaarlijk te maken… het probleem is alleen dat bijna niets door de huid van een draak kan dringen, zoals in dat boek staat… ik zou zeggen, probeer Gedaanteverwisseling, maar met zo’n reusachtig beest lukt dat vast niet. Ik betwijfel of zelfs professor Anderling… of zou je die spreuk op jezelf moeten toepassen? Om je extra krachten te geven? Maar dat zijn helemaal geen eenvoudige spreuken. Ik bedoel, die hebben we nog nooit behandeld tijdens de les. Ik weet alleen dat ze bestaan omdat ik een paar oude S.L.IJ.M.B.A.L.-examens heb gemaakt om te oefenen…’

‘Hermelien,’ zei Harry met opeengeklemde kaken, ‘zou je alsjeblieft even je klep willen houden? Ik probeer me te concentreren.’

Maar toen Hermelien er het zwijgen toe deed, hoorde Harry alleen maar een dof gezoem in zijn hoofd, wat niet bepaald hielp als je je wilde concentreren. Hij staarde vertwijfeld naar de index van Simpele Spreuken voor Momenten van Haast en Heethoofdigheid: scalperen in een wip… maar draken hadden geen haar… peperadem… dat zou de vuurkracht van een draak juist vergroten… stekeltong… ja, daar zat hij echt op te wachten, dat dat beest er een extra wapen bij kreeg…

‘He nee, daar heb je hem weer! Waarom kan hij niet gewoon op dat stomme schip gaan lezen?’ zei Hermelien geïrriteerd toen Viktor Kruml kwam binnensjokken, nors naar Harry en Hermelien keek en in een hoekje ging zitten met een grote stapel boeken. ‘Kom, Harry, laten we teruggaan naar de leerlingenkamer… dadelijk komt die kirrende fanclub van hem…’

Net toen ze weggingen, sloop inderdaad een groepje meisjes de bibliotheek binnen. Eentje had een sjaal van Bulgarije om haar middel gebonden.

Harry deed die nacht vrijwel geen oog dicht. Op maandagochtend overwoog hij voor het eerst serieus om weg te lopen van Zweinstein, maar toen hij tijdens het ontbijt door de Grote Zaal keek en bedacht wat weglopen allemaal zou betekenen, wist hij dat hij dat nooit zou kunnen. Zweinstein was de enige plaats waar hij ooit gelukkig was geweest… nou ja, waarschijnlijk was hij ooit wel gelukkig geweest bij zijn ouders, maar dat kon hij zich niet herinneren.

Om de een of andere reden deed het besef hem goed dat hij liever op Zweinstein bleef om het op te nemen tegen een draak dan terug te gaan naar de Ligusterlaan en Dirk; hij werd er ietsje kalmer door. Met moeite werkte hij zijn spek naar binnen (zijn keel was kurkdroog) en toen hij en Hermelien weg wilden gaan, zag hij Carlo Kannewasser ook net opstaan van de tafel van Huffelpuf.

Carlo wist het nog steeds niet van de draken… de enige kampioen die niet op de hoogte was, als Harry’s vermoeden juist was dat Mallemour en Karkarov Fleur en Kruml inderdaad hadden ingelicht…

‘Ik zie je dadelijk wel in de kassen, Hermelien,’ zei Harry, die een besluit nam toen Carlo de Grote Zaal verliet. ‘Ga jij maar vast, ik kom zo.’

‘Je komt nog te laat, Harry, de bel kan ieder moment —’

‘Ik kom zo, oke?’

Tegen de tijd dat Harry onder aan de marmeren trap stond, was Carlo al boven. Hij was in gezelschap van een hele groep zesdejaars en Harry wilde niet met Carlo praten waar zijn vrienden bij waren; die hadden steeds geciteerd uit het artikel van Rita Pulpers als hij toevallig langskwam. Hij volgde Carlo op een afstandje en zag dat hij op weg was naar de gang van Bezweringen. Dat bracht Harry op een idee. Hij bleef staan, pakte zijn toverstok en mikte zorgvuldig.

‘Diffindo!’

De tas van Carlo scheurde open. Perkamenten, veren en boeken rolden op de grond en diverse flesjes inkt vielen aan scherven.

‘Nee, laat maar,’ zei Carlo geërgerd, toen zijn vrienden bukten om hem te helpen. ‘Ga maar vast en zeg tegen Banning dat ik eraan kom…’

Dat was precies waar Harry op had gehoopt. Hij stak zijn toverstok vlug weer terug in zijn gewaad, wachtte tot Carlo’s vrienden het lokaal binnen waren gegaan en liep haastig de gang uit, die nu verlaten was op Carlo en hem na.

‘Hallo,’ zei Carlo, die een met inktspetters besmeurd exemplaar van Gedaanteverwisseling voor Gevorderden opraapte. ‘M’n tas scheurde opeens… en hij was splinternieuw…’

Carlo,’ zei Harry, ‘de eerste opdracht is draken.’

‘Wat?’ zei Carlo, die opkeek.

Draken,’ zei Harry, vlug sprekend voor het geval professor Banning kijken waar Carlo bleef. ‘Ze hebben er vier, eentje per kampioen en we moeten langs ze zien te komen.’

Carlo staarde hem aan en Harry zag iets van de paniek die hij sinds zaterdagavond ook gevoeld had, oplichten in zijn grijze ogen.

‘Weet je dat zeker?’ vroeg Carlo zachtjes.

‘Honderd procent,’ zei Harry. ‘Ik heb ze zelf gezien.’

‘Hoe ben je erachter gekomen? We mogen niet weten…’

‘Doet er niet toe,’ zei Harry vlug — hij wist dat Hagrid in de problemen zou komen als hij de waarheid vertelde. ‘Maar ik ben niet de enige die het weet. Fleur en Kruml zijn vast ook op de hoogte — zowel Mallemour als Karkarov hebben de draken ook gezien.’

Carlo kwam overeind, zijn armen vol met door inkt bespetterde veren, boeken en vellen perkament. Zijn gescheurde tas bungelde aan zijn schouder. Hij staarde Harry verbaasd en haast achterdochtig aan.

‘Waarom vertel je mij dat?’ vroeg hij.

Harry wierp hem een blik vol ongeloof toe. Hij wist zeker dat Carlo dat niet gevraagd zou hebben als hij de draken zelf gezien had. Harry zou zelfs zijn ergste vijand niet onvoorbereid op die monsters hebben afgestuurd — nou, misschien met uitzondering van Malfidus of Sneep…

‘Anders zou het gewoon… niet eerlijk zijn,’ zei hij. ‘Nu weet iedereen het… maken we evenveel kans…’

Carlo keek hem nog steeds een beetje argwanend aan, toen Harry een vertrouwd, bonkend geluid hoorde. Hij draaide zich om en zag Dwaaloog Dolleman een naburig lokaal uitkomen.