/ Language: Netherlands / Genre:sf, / Series: M=SF

Spreker voor de doden

Orson Card

Voor het eerst sinds de infame Ender — het Monster — Xenocide pleegde door het enige andere ras van intelligente anderlingen uit te roeien, ontdekt men weer een verstandelijk begaafde soort, ergens in het heelal. Technologisch zijn ze nog nergens, maar ze begrijpen alles. ‘God geeft ons een nieuwe kans,’ oordeelte de aartskardinaal van de planeet Baía, ‘Nu kunnen wij boete doen voor de Xenocide.’ De gemeenschap van bewoonde planeten kent talrijke goden, of gelooft in geen enkele daarvan, maar iedereen was het hartgrondig eens met de aartskardinaal. De nieuwe planeet Lusitania zou dan ook gekoloniseerd worden vanaf Baia, want zo was de traditie. Maar er werden strenge regels opgesteld. De kolonie zou zich nimmer mogen uitbreiden buiten een omheind, klein gebied, en het bevolkingsaantal zou een bepaalde limiet nooit mogen overschrijden. En één enkele wet was heilig: de anderlingen moesten met rust worden gelaten. Xenosociologisch onderzoek was toegestaan — amper — maar de anderlingen moesten zich zonder inmenging ontwikkelen, helemaal op eigen kracht; ze mochten niets van de mens leren. Zo diep zat de schrik voor een tweede volkerenmoord erin. Verheven idealen, en alles in het belang van de anderlingen — maar wat dachten die er zelf van? Daar vroeg niemand naar… tot het te laat was…

Orson Scott Card

Spreker voor de doden

Een paar mensen uit de Lusitaniakolonie

Xenologen (Zenadores):

Pipo (João Figueira Alvarez)

Libo (Liberdade Graças a Deus Figueira de Medici)

Miro (Marcos Vladimir Ribeira von Hesse)

Ouanda (Ouanda Quenhatta Figueira Mucumbi)

Xenobiologen (Biologistas)

Gusto (Vladimir Tiago Gussman)

Cida (Ekaterina Maria Aparecida do Norte von Hesse-Gussman)

Novinha (Ivanova Santa Catarina von Hesse)

Ela (Ekaterina Elanora Ribeira von Hesse)

Landvoogd:

Bosquinha (Faria Lima Maria do Bosque)

Bisschop:

Peregrino (Armão Cebola)

Abt en overste van het klooster:

Dom Cristão (Amai a Tudomundo Para Que Deus vos Ame Cristão)

Dona Crista (Detestái o Pecado e Fazei o Direito Cristã)

Uitspraak van vreemde woorden

De figuren in dit boek maken gebruik van drie mensentalen. Het Stark, dat zich uit het oorspronkelijke Engels ontwikkelde, wordt in dit boek in het Nederlands weergegeven. Het op Trondheim gesproken Scandinavisch ontwikkelde zich uit het Zweeds. Portugees is de moedertaal van’ Lusitania. Maar op elke wereld krijgen kinderen op school van het begin af aan les in Stark.

De Portugese taal is weliswaar ongewoon fraai om te horen, maar voor lezers die aan het Nederlands gewend zijn is de uitspraak moeilijk af te leiden uit de geschreven tekst. Ook als je niet van plan bent om dit boek hardop te lezen, is het prettiger om enig idee te hebben van de manier waarop de Portugese namen en zinnen uitgesproken worden.

Medeklinkers. Enkelvoudige medeklinkers worden ongeveer net zo uitgesproken als in het Engels, met als toevoeging de ç die altijd klinkt als ss. Uitzonderingen zijn de j die wordt uitgesproken zoals z in zool, net als de g wanneer die gevolgd wordt door e of i; en de r aan het begin van een woord en de rr, die worden uitgesproken als iets dat het midden houdt tussen de Amerikaanse h en de Jiddische ch.

Klinkers. Enkelvoudige klinkers worden ongeveer als volgt uitgesproken: de a als in hard, de e als in het, de i als de ie in fiets, de o als de oo in troon, en de u als de oe in moet. (Dit is een grove oververeenvoudiging, aangezien er in werkelijkheid twee duidelijk te onderscheiden a-klanken zijn, die allebei eigenlijk anders zijn dan de a in hard, drie betekenis-veranderende manieren om de e uit te spreken — é, ê en de snelle e aan het eind van een woord — en drie betekenis-veranderende manieren om de o uit te spreken — ó, ó en de snelle o aan het eind van een woord. Maar het komt genoeg bij de werkelijkheid in de buurt om dit boek te kunnen lezen.)

Combinaties van medeklinkers. De combinatie Ih wordt uitgesproken als Ij in miljoen; nh als nj in manjaar. De combinatie ch wordt altijd uitgesproken als sj zoals in sjouwen. De combinatie qu gevolgd door een e of een i wordt uitgesproken als de k, en gevolgd door een a, een o of een u, als kw. De combinatie gu wordt met een e of een i erachter uitgesproken als de Engelse g in good en met een a, een o of een u erachter als een Engelse g, gevolgd door een Nederlandse w. Quara wordt dus uitgesproken als KWA-ra, en Figueira als Fie-GEE-ra.

Combinaties van klinkers. De combinatie ou wordt uitgesproken als de ow in owee; ai als aai, ei als ee in weer. De combinatie eu wordt ongeveer uitgesproken als het Nederlandse woord eeuw, maar dan met een heel korte w.

Neusklanken. Een klinker of een klinkercombinatie met een ~ — meestal ão en ã- en de combinatie am aan het eind van een woord zijn neusklanken. Ze worden uitgesproken alsof de klinker gevolgd wordt door ng, maar de ng is nooit gesloten. Bovendien is een lettergreep met een ~ altijd beklemtoond. De naam Marcão wordt dus uitgesproken als mar-KOWNG. (Lettergrepen met ^ en ’ zijn ook altijd beklemtoond.)

Als ik nu ook nog zou vertellen dat de t voor een i zo wordt uitgesproken als de t in politie, en dat de d voor een i als dzj klinkt, of als ik nog zou vermelden dat de x altijd als sj klinkt behalve wanneer hij als een z moet worden uitgesproken, dan zou je het weleens helemaal kunnen opgeven, dus doe ik dat maar niet.

Voorwoord

In het jaar 1830, na de installatie van het Gesternteparlement, liet een robotverkenner per weerwort weten dat de planeet die hij aan het verkennen was ruim binnen de parameters voor menselijke bewoning viel. De meest nabije planeet met enigermate een overbevolkingsprobleem was Baía; het Gesternteparlement gunde hun de verkenningsvergunning.

Zo kwam het dat de eerste mensen die de nieuwe wereld te zien kregen Portugees spraken, een Braziliaanse cultuurachtergrond hadden en het katholieke geloof aanhingen. In het jaar 1886 ontscheepten ze zich uit hun pendel, ze sloegen een kruis en ze noemden de planeet Lusitania — de antieke naam voor Portugal. Ze begonnen het planten- en dierenleven in kaart te brengen. Vijf dagen later beseften ze dat de kleine in het bos levende beestjes die zij porquinhos — zwijntjes — hadden genoemd, helemaal geen beesten waren.

Voor de eerste maal sinds het Uitroeien van de Kruiperds door de monsterlijke Ender hadden mensen intelligent leven gevonden. De zwijntjes hadden een primitieve technologie, maar ze gebruikten werktuigen, bouwden huizen en spraken een taal. ‘God heeft ons een tweede kans gegeven,’ verklaarde aartskardinaal Pio van Baía. ‘We kunnen verlossing krijgen voor het vernietigen van de kruiperds.’

De leden van het Gesternteparlement aanbaden vele goden, of geen enkele, maar ze waren het allemaal met de aartskardinaal eens. Lusitania zou vanuit Baía gekoloniseerd worden en zou dus volgens de geldende traditie een Roomse Vergunning krijgen. Maar de kolonie zou nooit meer dan een beperkt grondgebied mogen beslaan of meer dan een beperkt aantal inwoners mogen tellen. En boven alles waren ze aan één wet gebonden: De zwijntjes mochten niet gestoord worden.

1. Pipo

Aangezien we nog niet helemaal vertrouwd zijn met de gedachte dat mensen uit het buurdorp even menselijk zijn als wijzelf, is het uitermate aanmatigend om te veronderstellen dat we gezellig levende, werktuigen makende wezens die zich langs andere evolutiepaden ontwikkelden, ooit zouden kunnen zien als broeders en niet als beesten, niet als rivalen maar als medepelgrims op reis naar de schrijn van het verstand. Toch is dat wat ik zie, of wat ik verlang te zien. Het verschil tussen raman en varelse ligt niet in het beoordeelde wezen, maar in het oordelende wezen. Als wij een anderlingensoort als raman erkennen, betekent dat niet dat ZIJ een drempel van morele volwassenheid hebben overschreden. Het betekent dat WIJ die drempel hebben genomen.

Demosthenes, Brief aan de framlings

Wroeter was tegelijk de lastigste en de hulpvaardigste van de pequeninos. Hij was er altijd wanneer Pipo hun open plek bezocht en hij deed zijn best de vragen te beantwoorden die Pipo volgens de wet niet openlijk mocht stellen. Pipo rekende op hem — misschien wel te veel — maar hoewel Wroeter even veel lol maakte en speelde als iedere andere onverantwoordelijke jongeling, was hij een scherp waarnemer die diep groef en alles op de proef stelde. Pipo moest altijd op zijn hoede zijn voor de valstrikken die Wroeter voor hem uitzette.

Een ogenblik geleden was Wroeter nog aan het boomklimmen, waarbij hij de bast uitsluitend tussen de eeltkussens op zijn enkels en aan de binnenkant van zijn dijen vastklemde. In zijn handen had hij twee stokken — Vaderstokken heetten die — waarmee hij onder het klimmen voortdurend in een dwingend, aritmisch patroon tegen de boom sloeg.

Het geluid dreef Mandachuva uit de blokhut naar buiten. Hij riep Wroeter iets toe in de mannentaal en daarna in het Portugees. ‘P’ra baixo, bicho!’ Een paar nabije zwijntjes die zijn Portugese woordspeling hoorden, lieten hun waardering blijken door hun dijen krachtig tegen elkaar te wrijven. Dat maakte een sissend geluid en Mandachuva maakte een sprongetje van verrukking over hun applaus.

Ondertussen boog Wroeter zich zo ver achterover dat een val onvermijdelijk leek. Toen zette hij zich af met zijn handen, maakte een salto in de lucht en kwam op zijn benen terecht. Hij moest wel een paar sprongetjes maken, maar hij struikelde niet.

‘Dus nu ben je al een acrobaat ook,’ zei Pipo.

Wroeter liep opschepperig naar hem toe. Het was zijn manier om mensen na te doen. Het was een uiterst doeltreffende manier van belachelijk maken, vooral ook omdat zijn opgeheven snoet er uitgesproken varkensachtig uitzag. Geen wonder dat buitenwerelders hen ‘zwijntjes’ noemden. De eerste mensen die deze wereld bezochten hadden hen destijds in ‘86 in hun eerste rapporten zo genoemd en tegen de tijd dat in 1925 de Lusitaniakolonie werd gesticht, was de naam niet meer weg te krijgen. De xenologen verspreid over de Honderd Werelden schreven over hen als ‘inheemse Lusitaniërs’, maar Pipo wist heel goed dat dit uitsluitend een kwestie van beroepsfatsoen was — buiten hun wetenschappelijke publicaties noemden xenologen hen vast ook zwijntjes. Pipo zelf noemde hen pequeninos, en daar hadden ze kennelijk geen bezwaar tegen, want inmiddels noemden ze zichzelf ‘Kleintjes’. Toch, beroepsfatsoen of niet, het viel niet te ontkennen. Op momenten zoals dit zag Wroeter eruit als een varken op zijn achterpoten.

‘Acrobaat,’ zei Wroeter, het nieuwe woord uitproberend. ‘Wat ik deed? Jullie hebben een woord voor mensen die dat doen? Er zijn dus mensen die dat als hun werk doen?’

Pipo zuchtte inwendig, al hield hij stijf zijn lach op zijn gezicht. De wet verbood hem strikt om informatie over de menselijke samenleving te verstrekken, om te voorkomen dat die de zwijntjescultuur zou aantasten. Toch was Wroeter altijd bezig om door redeneren elke laatste druppel informatie te persen uit alles wat Pipo zei. Maar dit keer was het toch echt Pipo zelf die die malle opmerking eruit had geflapt die een onnodige kijk gaf op de menselijke samenleving. Af en toe voelde hij zich zo op zijn gemak tussen de pequeninos, dat hij er ongedwongen op los praatte. Altijd gevaarlijk. Ik ben niet zo goed in dit voortdurende informatie verzamelen en tegelijk proberen er niets voor terug te geven. Libo, mijn gesloten zoon, is daar al handiger in dan ik en hij is nog maar — wanneer is hij ook weer dertien geworden? — vier maanden mijn leerling.

‘Ik wou dat ik ook van die eeltkussens op mijn benen had,’ zei Pipo. ‘De bast van die boom zou mijn huid aan flarden scheuren.’

‘Dat zou ons allemaal erg beschaamd maken.’ Wroeter stond stil in de afwachtende houding die Pipo opvatte als hun manier om lichte verontrusting te tonen, of misschien wel om de andere pequeninos geluidloos te waarschuwen dat ze op hun hoede moesten zijn. Het zou zelfs een teken van grote angst kunnen zijn, maar voor zover Pipo kon nagaan, had hij nog nooit een pequenino hevige angst zien voelen.

In elk geval zei Pipo vlug iets om hem gerust te stellen. ‘Maak je niet druk, ik ben veel te oud en te zwak om in zulke bomen te klimmen; dat laat ik aan jongelingen zoals jij over.’

En het werkte; Wroeters lijf begon onmiddellijk weer te bewegen. ‘Ik hou van boomklimmen. Ik kan alles zien.’ Wroeter ging voor Pipo op zijn hurken zitten en bracht zijn gezicht dicht bij dat van Pipo. ‘Wil je het beest dat over het gras loopt zonder de grond te raken eens een keer meenemen? De anderen geloven me niet als ik zeg dat ik zo’n ding heb gezien.’

Weer een valstrik. Wat nu, Pipo, xenoloog, ga je dit individu van de gemeenschap die je bestudeert vernederen? Of laat je het verloop van deze ontmoeting bepalen door de strikte wet die het Gesternte-parlement heeft opgesteld? Er waren maar weinig precedenten. De enige andere verstandelijke anderlingen die de mensheid ooit was tegengekomen waren de kruiperds, drieduizend jaar geleden, en aan het eind van dat contact waren de kruiperds allemaal dood. Dit keer had het Gesternteparlement zich ervan verzekerd dat als de mensheid in de fout ging, die fout de andere kant op zou liggen. Een minimum aan informatieoverdracht en een minimum aan contact.

Wroeter herkende Pipo’s aarzeling, zijn behoedzame zwijgen.

‘Jij vertelt ons nooit wat,’ zei Wroeter. ‘Jij kijkt naar ons en bestudeert ons, maar je laat ons nooit door je hek in je eigen dorp toe om jullie te bekijken en jullie te bestuderen.’

Pipo antwoordde zo eerlijk als hij kon, maar voorzichtigheid was belangrijker dan eerlijkheid. ‘Als jullie zo weinig leren en wij zo veel, waarom kan jij dan Stark en Portugees praten terwijl ik nog steeds worstel met jullie taal?’

‘Wij zijn slimmer.’ Toen ging Wroeter rechtop zitten en draaide rond op zijn billen zodat hij: met zijn rug naar Pipo toe kwam te zitten. ‘Ga terug achter je hek,’ zei hij.

Pipo stond onmiddellijk op. Niet al te ver weg zat Libo bij drie pequeninos om te kijken of hij erachter kon komen hoe ze dakbedekking vlochten van gedroogde merdonaranken. Hij zag Pipo en een tel later stond hij al naast zijn vader, klaar om te vertrekken. Pipo ging zonder een woord te zeggen op pad; aangezien de pequeninos zo vloeiend de mensentalen spraken, zeiden ze nooit iets over wat ze geleerd hadden voor ze binnen de omheining van het hek waren.

Het kostte een halfuur om thuis te komen en het regende inmiddels hard toen ze het hek passeerden en langs de glooiing van de heuvel naar de zenadorpost liepen. Zenador? Pipo dacht na over het woord terwijl hij naar het kleine bordje boven de deur keek.

Daarop stond in het Stark het woord XENOLOOG geschreven. Dat zal ik ook wel zijn, dacht Pipo, althans voor buitenwerelders. Maar de Portugese titel zenador was zoveel makkelijker uit te spreken dat op Lusitania vrijwel niemand xenoloog zei, zelfs niet als ze Stark spraken. Dat is de manier waarop talen veranderen, bedacht Pipo. Als wij de weerwort niet hadden, die ogenblikkelijke communicatie tussen de Honderd Werelden mogelijk maakt, zouden we onmogelijk een gemeenschappelijke taal kunnen handhaven. Interstellair verkeer is veel te zeldzaam en te traag. Binnen een eeuw zou het Stark in tienduizenden dialecten uiteengevallen zijn. Het zou misschien wel interessant zijn om de computers te laten afleiden hoe de talen op Lusitania zouden veranderen als Stark gecorrumpeerd mocht worden en Portugese woorden mocht opnemen—

‘Vader,’ zei Libo.

Pas toen merkte Pipo, dat hij op tien meter afstand van de post was blijven staan. Raaklijnen. Het beste deel van mijn gedachten-leven speelt zich af in grensvlakken, op terreinen buiten mijn vakgebied. Dat zal wel komen doordat binnen mijn vakgebied de regels die ze me hebben opgelegd het onmogelijk maken om iets te weten of te begrijpen. De wetenschap der xenologie eist meer geheimen dan de moederkerk.

Lichte druk van zijn hand was genoeg om de deur te openen. Toen hij over de drempel stapte en de avond nog moest beginnen, wist Pipo al precies hoe die zou verlopen. Ze zouden alle twee een paar uur achter het toetsenbord moeten zitten om verslag uit te brengen over wat ze hadden gedaan tijdens de ontmoeting van vandaag. Dan zou Pipo Libo’s aantekeningen lezen en Libo die van Pipo, en als ze tevreden waren, zou Pipo een korte samenvatting schrijven en de rest aan de computers overlaten. Die zouden de aantekeningen in het archief opslaan en ze tegelijk via de directe weerwort naar de xenologen in de rest van de Honderd Werelden doorsturen. Meer dan duizend wetenschappers wier hele loopbaan is gewijd aan het bestuderen van het enige anderlingenvolk dat we kennen; en op het beetje na dat de satellieten kunnen ontdekken over deze in het bos levende soort, is wat Libo en ik hun sturen de enige kennis die mijn collega’s bezitten. Dit is een uitgesproken minimale inmenging.

Maar toen Pipo eenmaal in de post stond, zag hij meteen dat het geen avond van gestádig maar ontspannend werken zou worden. Dona Cristã was er met haar habijt aan. Zou een van de jongere kinderen soms moeilijkheden hebben op school?

‘Nee, nee,’ zei Dona Cristã. ‘Je kinderen doen het allemaal uitstekend, behalve deze hier, die volgens mij nog veel te jong is om niet meer naar school te gaan en hier te werken, ook al is het maar als leerling.’

Libo zei niets. Een verstandige beslissing, vond Pipo. Dona Cristã was een briljante en innemende, misschien zelfs wel een mooie, jonge vrouw, maar ze was toch op de allereerste plaats een monnik van de orde van de Filhos da Mente de Cristo, Geesteskinderen van Christus, en ze was helemaal niet mooi om te zien als ze kwaad was over onkunde en domheid. Het aantal redelijk verstandige mensen wier onkunde en domheid onder het vuur van haar verachting wat waren weggesmolten, was verbazingwekkend. Zwijgen, Libo, dat is een tactiek die je ten goede zal komen.

‘Ik ben hier helemaal niet vanwege een van jouw kinderen,’ zei Dona Cristã. ‘Ik kom over Novinha praten.’

Dona Cristã hoefde geen achternaam te noemen; iedereen kende Novinha. Het was nog maar acht jaar geleden dat er een eind was gekomen aan de verschrikkelijke Descolada. De ziekte had de kolonie met uitsterven bedreigd nog voor hij goed en wel op gang was gekomen; de geneeswijze werd ontdekt door Novinha’s vader en moeder, Gusto en Cida, de twee xenobiologen. De tragische ironie van het lot wilde dat ze de oorzaak van de ziekte en de behandeling ervan te laat ontdekten om zichzelf te kunnen redden. De laatste Descoladabegrafenis was de hunne.

Pipo herinnerde zich nog duidelijk hoe het kleine meisje Novinha daar had gestaan aan de hand van burgemeester Bosquinha, terwijl bisschop Peregrino in eigen persoon voorging in de begrafenismis. Nee — ze had niet de hand van de burgemeester vastgehouden. Hij zag het tafereel weer voor zich en daarmee kwam ook de herinnering terug aan wat hij toen voelde. Hij herinnerde zich dat hij zich afvroeg hoe ze dit allemaal zou ervaren. Het is de begrafenis van haar ouders, ze is de enige overlevende van haar familie en toch ervaart ze overal om zich heen de grote blijdschap van de bevolking van deze kolonie. Is ze niet nog te klein om te begrijpen dat onze vreugde het beste eerbetoon aan haar ouders is? Ze slaagden na een lange worsteling en vonden onze redding in de kwijnende dagen voor hun dood; we zijn hier bijeen om het grote geschenk te prijzen dat ze ons gaven. Maar voor jou, Novinha, is het de dood van je ouders, zoals je broers al eerder stierven. Vijfhonderd doden en meer dan honderd dodenmissen hier in deze kolonie de afgelopen zes maanden; stuk voor stuk omgeven met een sfeer van angst en verdriet en wanhoop. En nu jouw ouders sterven, zijn voor jou de angst en het verdriet en de wanhoop niet minder dan ooit — maar niemand deelt jouw pijn. Bij ons is het juist de verlossing van de pijn die steeds in onze gedachten is.

Terwijl hij naar haar zat te kijken en zich haar gevoelens probeerde voor te stellen, slaagde hij er alleen maar in om zijn eigen verdriet te laten herleven — over het verlies van zijn Maria, zeven jaar oud, weggevaagd door de dodelijke wind die haar lijfje met kankergezwellen en woekerende zwammen bedekte, zodat het weefsel zwol of wegteerde; een nieuwe ledemaat die arm noch been was groeide uit haar heup, terwijl tegelijk het vlees in grote lappen van haar voeten en haar hoofd viel en het bot blootlegde; haar lieve, mooie lijf werd voor hun ogen verwoest, terwijl haar pientere geest genadeloos helder bleef, zodat ze alles kon voelen wat er met haar gebeurde tot ze God smeekte om haar te laten sterven. Pipo herinnerde zich dat en herinnerde zich vervolgens haar dodenmis, gedeeld met vijf andere slachtoffers. Terwijl hij zat, knielde en daar stond met zijn vrouw en zijn overgebleven kinderen, had hij de volmaakte eenheid van de mensen in de kathedraal gevoeld. Hij wist dat zijn pijn aller pijn was, dat hij door het verlies van zijn oudste dochter met zijn gemeenschap verbonden was door de innige banden van verdriet, en dat was een troost voor hem, het was iets om zich aan vast te klampen. Dat hoorde bij zulk verdriet, algemene rouw.

Kleine Novinha had niets van dat alles. Haar pijn was zo mogelijk nog erger dan die van Pipo was geweest — Pipo had tenminste niet zijn hele gezin verloren, en hij was een volwassene, geen doodsbang kind dat plotseling de grondvesten van haar leven heeft verloren. Zij werd in haar verdriet niet hechter in de gemeenschap opgenomen, maar daar juist van uitgesloten. Vandaag was iedereen blij, behalve zij. Vandaag loofde iedereen haar ouders; zij was de enige die naar hen verlangde, die liever had gehad dat ze de geneeswijze voor anderen niet hadden gevonden als ze zelf maar in leven waren gebleven.

Haar eenzaamheid was zo groot dat Pipo het vanaf zijn zitplaats kon zien. Novinha trok haar hand zo snel mogelijk los uit die van de burgemeester. Haar tranen droogden op naarmate de mis vorderde en aan het eind zat ze stil en zwijgend als een gevangene die weigert mee te werken met haar overmeesteraars. Pipo vond haar hartbrekend. Toch wist hij dat hij, al deed hij nog zo zijn best, zijn eigen vreugde over het einde van de Descolada niet zou kunnen verbergen, zijn blijdschap over het feit dat geen van zijn andere kinderen hem ontnomen zou worden. Dat zou ze zien; zijn poging om haar te troosten zou nep zijn, zou haar nog verder wegdrijven.

Na de mis liep ze in bittere eenzaamheid tussen de drommen goedbedoelende mensen die haar wreed vertelden dat haar ouders vast en zeker zalig zouden worden, vast en zeker aan Gods rechterzij zouden zitten. Dat is toch geen troost voor een kind. Pipo fluisterde hardop tegen zijn vrouw: ‘Ze zal ons nooit vergeven voor vandaag.’

‘Vergeven?’ Conceição was niet een van die vrouwen die onmiddellijk de gedachtentrein van hun echtgenoot doorhebben. ‘Wij hebben haar ouders toch niet gedood—’

‘Maar wij zijn vandaag allemaal blij, nietwaar? Ze zal ons dat nooit vergeven.’

‘Onzin. Ze begrijpt het trouwens toch niet; ze is nog veel te jong.’

Ze begrijpt het heel goed, dacht Pipo. Begreep Maria niet al allerlei dingen toen ze nog veel jonger was dan Novinha nu?

Met het verstrijken van de jaren had hij haar af en toe ontmoet. Ze was even oud als zijn zoon Libo en tot Libo dertien werd, betekende dat dat ze een heleboel lessen samen volgden. Hij woonde weleens een lezing of een spreekbeurt van haar bij, net als van de andere kinderen. De sierlijkheid van haar gedachtegang en de diepgang waarmee ze ideeën onderzocht, spraken hem wel aan. Tegelijk leek ze ontzettend koel, volkomen afgezonderd van ieder ander. Pipo’? eigen zoon, Libo, was verlegen, maar hij had toch een paar vrienden en hij had de genegenheid van zijn onderwijzers weten te verwerven. Maar Novinha had geen enkele vriend, niemand wiens ogen ze, zocht na een zegevierend moment. Er was geen enkele onderwijzer die haar echt graag mocht, omdat ze weigerde iets terug te geven, weigerde te antwoorden. ‘Ze is gevoelsmatig verlamd,’ zei Dona Cristã eens toen Pipo naar haar vroeg. ‘Ze is niet te bereiken. Ze zweert dat ze volmaakt gelukkig is en ze ziet niet in waarom ze zou veranderen.’

Nu was Dona Cristã naar de zenadorpost gekomen om met Pipo over Novinha te praten. Waarom met Pipo? Hij kon maar één reden bedenken waarom het hoofd van de school naar hem toe zou komen om over dit bijzondere weesje te praten. ‘Moet ik geloven dat ik in al die jaren dat Novinha bij jou op school heeft gezeten, de enige persoon ben die naar haar heeft gevraagd?’

‘Niet de enige,’ zei ze. ‘Een paar jaar geleden was er van allerlei kanten belangstelling voor haar, toen de paus haar ouders zalig verklaarde. Iedereen kwam toen vragen of de dochter van Gusto en Cida, Os Venerados, ooit wonderbaarlijke gebeurtenissen had opgemerkt die verband hielden met haar ouders, zoals zoveel andere mensen.’

‘Hebben ze haar dat werkelijk gevraagd?’

‘Er waren geruchten en bisschop Peregrino moest die onderzoeken.’ Dona Cristã kreeg een strakke mond als ze over de jonge geestelijke leider van de Lusitaniakolonie sprak. Maar ja, men zei dat de kerkhiërarchie nu eenmaal nooit goed overweg kon met de orde van de Filhos da Mente de Cristo. ‘Haar antwoord was leerzaam.’

‘Dat kan ik me voorstellen.’

‘Ze zei min of meer dat als haar ouders werkelijk naar gebeden luisterden en in de hemel enige invloed konden uitoefenen om ze verhoord te krijgen, waarom zouden ze dan háár gebed niet verhoord hebben om uit hun graf op te staan? Dat zou een nuttig wonder zijn, zei ze, en het is al eerder voorgekomen. Als Os Venerados werkelijk de macht hadden om wonderen te verrichten, dan moest dat betekenen dat ze niet genoeg van haar hielden om haar gebed te verhoren. Zij bleef liever geloven dat haar ouders nog steeds van haar hielden en gewoon de macht niet hadden om iets te doen.’

‘Een geboren sofist,’ zei Pipo.

‘Sofist én deskundige op het gebied van schuld. Ze zei tegen de bisschop dat als de paus haar ouders venerabel verklaarde, dat erop zou neerkomen dat de kerk zei dat haar ouders haar haatten. Het verzoekschrift tot zaligverklaring van haar ouders was een bewijs van het feit dat Lusitania haar verachtte; als het werd ingewilligd, zou dat bewijzen dat de kerk zelf verachtelijk was. Bisschop Peregrino was des duivels.’

‘Ik constateer dat hij het verzoekschrift evengoed heeft ingediend.’

‘Voor het goed van de gemeenschap. En per slot van rekening wáren er al die wonderen.’

‘Iemand raakt het graf aan en zijn hoofdpijn verdwijnt en ze roepen gelijk: “Milagre! — os santos me abençoaram!” Een wonder! — de heiligen hebben me gezegend!’

‘Je weet dat het Heilige Rome tastbaarder wonderen verlangt. Maar dat doet er niet toe. De paus was zo genadig om ons toe te staan onze kleine stad Milagre te noemen en nu stel ik me voor dat iedere keer dat iemand die naam noemt, Novinha’s heimelijke woede heter oplaait.’

‘Of kouder. Van dat soort dingen weet je nooit welke kant ze zullen opgaan.’

‘In ieder geval ben je dus niet de enige die ooit naar haar gevraagd heeft, Pipo. Maar je bent wel de enige die ooit naar haar heeft gevraagd omwille van haarzelf, en niet omwille van haar zeer Zalige en Gezegende ouders.’

Het was een droeve gedachte dat op de Filhos na, die de scholen van Lusitania dreven, niemand zich ooit om het meisje had bekommerd en dat alleen Pipo haar in de loop der jaren af en toe een kleine stukje van zijn aandacht had gegund.

‘Ze heeft één vriend,’ zei Libo.

Pipo had vergeten dat zijn zoon erbij was — Libo was zo stil dat hij makkelijk over het hoofd werd gezien. Dona Cristã leek ook te schrikken. ‘Libo,’ zei ze, ‘het was tactloos van ons om zo over een van je schoolkameraadjes te spreken.’

‘Ik ben nu leerlingzenador,’ bracht Libo haar in herinnering. Dat betekende dat hij niet meer naar school ging.

‘Wie is haar vriend?’ vroeg Pipo.

‘Marcão.’

‘Marcos Ribeira,’ legde Dona Cristã uit. ‘Die lange jongen—’

‘Ah ja, die met de bouw van een cabra.’

‘Hij is inderdaad sterk,’ zei Dona Cristã. ‘Ik heb nooit iets van vriendschap tussen hen gemerkt.’

‘Toen Marcão eens een keer werd beschuldigd van iets dat zij toevallig had gezien, kwam ze voor hem op.’

‘Je geeft er een grootmoedige uitleg aan, Libo,’ zei Dona Cristã. ‘Ik denk dat het juister is om te zeggen dat ze in het geweer kwam tégen de jongens die het echt gedaan hadden en die hem de schuld in de schoenen probeerden te schuiven.’

‘Zo ziet Marcão het niet,’ zei Libo. ‘De manier waarop hij naar haar kijkt is me een paar maal opgevallen. Veel is het niet, maar er is iemand die haar aardig vindt.’

‘Vind jij haar aardig?’ vroeg Pipo.

Libo zei een tijdje niets. Pipo wist wat dat betekende. Hij zocht in zijn binnenste naar een antwoord. Niet het antwoord dat hem naar alle waarschijnlijkheid waardering van volwassenen zou opleveren, en ook niet het antwoord dat hun toorn zou opwekken — de twee soorten bedrog waar de meeste kinderen van zijn leeftijd zo’n plezier in hadden. Hij zocht in zijn binnenste naar de waarheid.

‘Ik denk,’ zei Libo, ‘dat ik begreep dat ze niet aardig gevonden wilde worden. Alsof ze een bezoeker was die verwachtte elke dag naar huis te kunnen terugkeren.’

Dona Cristã knikte ernstig. ‘Ja, dat klopt precies, die indruk wekt ze precies. Maar nu moeten we een eind maken aan onze tactloosheid, Libo, en je vragen om ons alleen te laten terwijl wij—’

Voor ze haar zin kon afmaken, was hij al weg, met een snelle hoofdknik en een flauwe glimlach die zei: Ja, ik begrijp het, en een behendige manier van bewegen die van zijn vertrek een sprekender bewijs van zijn tact maakte dan wanneer hij had betoogd te willen blijven. Hierdoor wist Pipo dat Libo kwaad was over het feit dat hem gevraagd was te vertrekken; hij had er slag van om volwassenen het gevoel te geven dat ze bij hem vergeleken een beetje onrijp waren.

‘Pipo,’ zei de overste, ‘ze heeft verzocht om een vervroegd examen voor xenobioloog. Ze wil de plaats van haar ouders innemen.’

Pipo trok een wenkbrauw op.

‘Ze beweert dat ze het vakgebied al sinds haar prille jeugd diepgaand heeft bestudeerd. Dat ze nu klaar is om aan het werk te gaan, zonder leertijd.’

‘Ze is dertien, hè?’

‘Het is wel eerder voorgekomen. Velen hebben zulke examens heel jong afgelegd. Eén heeft het zelfs jonger dan zij gehaald. Dat was tweeduizend jaar geleden, maar het wérd toegestáan. Bisschop Peregrino is er natuurlijk tegen, maar burgemeester Bosquinha, God zegene de praktische ziel, heeft erop gewezen dat Lusitania heel hard een xenobioloog nodig heeft — we moeten dringend beginnen met het ontwikkelen van nieuwe plantensoorten om wat fatsoenlijke variatie in ons dieet te kunnen brengen en een betere opbrengst uit de bodem van Lusitania te halen. Met haar woorden: “Kan me niet schelen of ze een kind is, we hebben een xenobioloog nodig.” ’

‘En je wilt dat ik haar het examen afneem?’

‘Als je zo vriendelijk wilt zijn.’

‘Met alle plezier.’

‘Ik heb al gezegd dat je het zou doen.’

‘Ik moet bekennen dat ik nog een bijbedoeling heb.’

‘O?’

‘Ik had meer voor het meisje moeten doen. Ik zou graag willen zien of het niet te laat is om nu nog te beginnen.’

Dona Cristã moest een beetje lachen. ‘O, Pipo, ik zou het fijn vinden als je het wilt proberen. Maar geloof me, beste vriend, haar hart proberen te raken is net een ijskoud stortbad.’

‘Dat zal wel. Ik kan me indenken dat het voor de persoon die haar aanraakt aanvoelt als een ijskoud stortbad. Maar hoe zal het voor haar voelen? Zo koud als ze is, zal het vast wel branden als vuur.’

‘Wat een dichter,’ zei Dona Cristã. Er was geen spoortje spot in haar stem te bekennen; ze meende het. ‘Begrijpen de zwijntjes wel dat wij onze allerbeste kracht als ambassadeur naar hen afgevaardigd hebben?’

‘Ik probeer het hun duidelijk te maken, maar ze doen er erg sceptisch over.’

‘Ik stuur haar morgen naar je toe. Ik waarschuw je — ze verwacht om zonder meer het examen af te kunnen leggen en ze zal zich verzetten tegen elke poging van jouw kant om haar een voorexamen af te nemen.’

Pipo grijnsde. ‘Ik maak me veel meer zorgen over wat er gebeuren gaat nadat ze het examen heeft afgelegd. Als ze zakt, zal ze het heel erg moeilijk krijgen. En als ze slaagt, dan krijg ik het heel erg moeilijk.’

‘Waarom?’

‘Libo zal me aan mijn kop gaan zeuren om hem vroegtijdig het examen voor zenador te laten afleggen. En als hij dat deed, dan zou er geen enkele reden voor mij zijn om niet naar huis te gaan, me op te rollen en dood te gaan.’

‘Wat ben je toch een romantische idioot, Pipo. Als er één man in Milagre is die in staat is om zijn dertienjarige zoon als collega te aanvaarden, dan ben jij het.’

Toen ze weg was, werkten Pipo en Libo zoals gewoonlijk samen aan het noteren van de gebeurtenissen van die dag bij de pequeninos. Pipo vergeleek Libo’s werk, zijn manier van denken, zijn inzichten, zijn opvattingen, met die van de doctoraalstudenten die hij op de universiteit had gekend voor hij naar de Lusitaniakolonie vertrok. Hij was misschien wel jong en hij moest misschien nog een hele hoop theorie en kennis verwerven, maar in zijn methoden was hij al een rasechte onderzoeker en in zijn hart een humanist. Tegen de tijd dat het werk van die avond klaar was en ze in het licht van de grote, verblindende maan van Lusitania naar huis liepen, was Pipo tot de slotsom gekomen dat Libo het nu al verdiende om als collega behandeld te worden, of hij nu het examen aflegde of niet. De opgaven konden de dingen die echt meetelden toch niet meten.

En of dat haar nu aanstond of niet, Pipo was van plan om uit te vissen of Novinha de onmeetbare eigenschappen van een wetenschappelijk onderzoeker had. En als ze die niet had, dan zou hij ervoor zorgen dat ze het examen niet aflegde, hoeveel feiten ze ook in haar hoofd had gestampt.

Pipo was van plan om moeilijk te doen. Novinha wist hoe volwassenen deden als ze de dingen anders wilden laten verlopen dan zij wilde, maat dan wel zonder ruzie of andere onaangenaamheden. Natuurlijk, natuurlijk mag je het examen afleggen. Maar er is toch geen enkele reden om het overhaast te doen. Laten we het rustig aan doen, dan weten we zeker dat je de eerste keer al slaagt.

Novinha wilde het niet rustig aan doen. Novinha was er klaar voor.

‘Ik spring door alle hoepels waar je me doorheen wilt laten springen,’ zei ze.

Zijn gezicht werd kil. Dat deden hun gezichten altijd. Dat was prima, kilheid was prima, ze kon ze allemaal laten doodvriezen. ‘Ik wil je niet door hoepels laten springen,’ zei hij.

‘Het enige dat ik wil, is dat je ze allemaal achter elkaar op een rij zet, zodat ik er snel doorheen kan springen. Ik wil niet dagen en dagen lang aan het lijntje gehouden worden.’

Hij keek haar een ogenblik bedachtzaam aan. ‘Wat heb je een haast.’

‘Ik ben klaar. Het Gesterntereglement geeft me het recht om wanneer ik maar wil het examen af te leggen. Dit is iets tussen mij en het Gesternteparlement en ik kan in het Reglement nergens vinden dat een xenoloog mag proberen de Interplanetaire Examenraad te slim af te zijn.’

‘Dan heb je niet zorgvuldig gelezen.’

‘Het enige dat ik nodig heb om voor mijn zestiende het examen te kunnen doen, is toestemming van mijn wettelijke voogd. Ik héb helemaal geen wettelijke voogd.’

‘Integendeel,’ zei Pipo. ‘Vanaf de dag dat je ouders stierven was burgemeester Bosquinha je wettelijke voogd.’

‘En zij gaf me toestemming om het examen af te leggen.’

‘Mits je bij mij kwam.’

Novinha zag de felle blik in zijn ogen. Ze kende Pipo niet, en dus dacht ze dat het de blik was die ze in de ogen van zovelen had gezien, de wens om te overheersen, haar te domineren, de wens om haar vastberadenheid aan het wankelen te brengen en haar onafhankelijkheid te breken, de wens om haar te onderwerpen.

In één tel veranderde ze van ijs in vuur. ‘Wat weet jij van xenobiologie! Jij gaat alleen maar buiten het hek met de zwijntjes praten, je begrijpt in de verste verte niet hoe genen werken! Wie ben jij om over mij te oordelen! Lusitania heeft een xenobioloog nodig en ze doen het al acht jaar zonder. En jij wilt ze nog veel langer laten wachten, alleen maar om de baas over mij te kunnen spelen!’

Tot haar verbazing raakte hij niet van zijn stuk en trok hij zich niet terug. En hij werd ook niet boos. Het leek wel of ze helemaal niets had gezegd.

‘Ik begrijp het,’ zei hij kalm. ‘Je wilt xenobioloog worden vanwege je grote liefde voor de mensen van Lusitania. Je zag de dringende behoefte van de gemeenschap en je offerde je op en je bereidde jezelf voor om al heel vroeg aan een leven van onbaatzuchtige dienstbaarheid te beginnen.’

Het klonk belachelijk nu ze het hem zo hoorde zeggen. En het was ook helemaal niet wat ze voelde. ‘Is die reden dan niet goed genoeg?’

‘Als hij waarachtig was, was hij goed genoeg.’

‘Maak je me uit voor een leugenaar?’

‘Je eigen woorden maken je uit voor een leugenaar. Je had het over hoezeer zíj de mensen van Lusitania, jou nodig hebben. Maar je leeft onder ons. Je leeft je hele leven al onder ons. Je bent bereid om je voor ons op te offeren en toch voel je je geen deel van deze gemeenschap.’

Hij was dus anders dan de volwassenen die altijd leugens geloofden, zolang die haar maar op het kind deden lijken dat ze graag in haar wilden zien. ‘Waarom zou ik me een deel van de gemeenschap moeten voelen? Ik ben het niet.’

Hij knikte ernstig, alsof hij haar antwoord afwoog. ‘Van welke gemeenschap maak jij dan deel uit?’

‘De enige andere gemeenschappen op Lusitania zijn die van de zwijntjes en jij hebt me daarginds nooit tussen de boomaanbidders gezien.’

‘Er zijn op Lusitania een heleboel andere gemeenschappen. Jij bent bijvoorbeeld op school — er is een leerlingengemeenschap.’

‘Niet voor mij.’

‘Dat weet ik. Je hebt geen vrienden, je hebt geen goede kennissen, je gaat naar de mis, maar je biecht nooit, je bent zo afstandelijk dat je het leven van deze kolonie voor zover dat mogelijk is mijdt, je hebt geen enkel raakvlak met het leven van de menselijke soort. Alle tekenen wijzen erop dat je in volledige afzondering leeft.’

Hierop was Novinha niet voorbereid. Hij noemde het schrijnende fundament van haar leven en ze had geen strategie uitgedacht om daarmee uit de voeten te kunnen. ‘Als ik dat doe, is dat niet mijn schuld.’

‘Dat weet ik. Ik weet waar het is begonnen en ik weet wiens schuld het is dat het tot op de dag van vandaag voortduurt.’

‘De mijne?’

‘De mijne. En die van alle anderen. Maar vooral de mijne, omdat ik wist wat er met je gebeurde en helemaal niets heb gedaan. Tot op vandaag.’

‘En vandaag ga je ervoor zorgen dat ik het enige dat voor mij belangrijk is in mijn leven niet kan bereiken! Nou, hartelijk dank voor je meeleven!’

Weer knikte hij plechtig alsof hij haar spottende dank aanvaardde en bevestigde. ‘In bepaald opzicht, Novinha, maakt het niet uit dat het jouw schuld niet is. Omdat de stad Milagre nu eenmaal een gemeenschap is, en of die jou nu slecht heeft; behandeld of niet, hij moet handelen zoals alle gemeenschappen handelen om voor al zijn leden het grootst mogelijke geluk te verwerven.’

‘En dat betekent iedereen op Lusitania behalve ik — ik en de zwijntjes.’

‘De xenobioloog is voor een kolonie erg belangrijk, vooral een kolonie zoals deze, omheind met een hek dat onze groei voorgoed beperkt. Onze xenobioloog moet manieren vinden om per hectare een grotere opbrengst aan eiwitten en koolhydraten te krijgen, wat betekent dat er genetische veranderingen moeten worden aangebracht bij maïs en aardappels van aardse herkomst om—’

‘Om de voedingswaarde die in de Lusitanische omgeving beschikbaar is maximaal te benutten. Denk je soms dat ik het examen wil afleggen zonder te weten wat mijn levenswerk zou zijn?’

‘Je levenswerk, je geheel wijden aan het verbeteren van het leven van mensen die je veracht.’

Nu zag Novinha de val die hij voor haar had opgezet. Te laat, hij was al dichtgeklapt. ‘Dus jij denkt dat een xenobioloog alleen haar werk goed kan doen als ze houdt van de mensen die de produkten die zij maakt gebruiken?’

‘Het kan me niet schelen of je van ons houdt of niet. Wat ik moet weten is wat je echt wilt. Waarom je dit zo hartstochtelijk graag wilt doen.’

‘Elementaire psychologie. Mijn ouders stierven in dit werk en ik probeer dus in hun voetstappen te treden.’

‘Misschien,’ zei Pipo. ‘En misschien ook niet. Wat ik wil weten, Novinha, wat ik móet weten voor ik je het examen laat doen, is tot welke gemeenschap jij wél behoort.’

‘Je hebt het zelf gezegd! Tot geen enkele.’

‘Onmogelijk. Ieder persoon wordt bepaald door de gemeenschappen waartoe zij behoort en door de gemeenschappen waartoe zij niet behoort. Ik ben dit en dit en dit, maar absoluut niet dat en dat en dat. Alles wat jou bepaalt is negatief. Ik zou een eindeloze lijst kunnen opstellen van dingen die je niet bent. Maar een persoon die waarlijk gelooft dat ze niet tot enige gemeenschap behoort, eindigt altijd met zelfdoding; of door haar lichaam te doden, of door haar identiteit op te geven en gek te worden.’

‘Sprekend mijn persoon, door en door krankzinnig.’

‘Niet krankzinnig. Gedreven door een doelgerichtheid die angstaanjagend is. Als je dit examen aflegt, slaag je. Maar voor ik je het examen laat afleggen, moet ik weten wie je zal worden als je slaagt. Waar geloof je in, waar maak je deel van uit, waar geef je om, waar houd je van?’

‘Van niemand op deze of enige andere wereld.’

‘Ik geloof je niet.’

‘Ik heb op de hele wereld nooit een goede man of vrouw gekend, op mijn ouders na, en die zijn dood! En zelfs zij — niemand begrijpt ook maar iets!’

‘Jou.’

‘Ik ben een deel van iets, nietwaar? Maar niemand begrijpt iemand anders, zelfs jij niet, al doe je nog zo wijs en meelevend, maar de enige reden dat je me aan het huilen krijgt, is omdat je de macht hebt mij ervan te weerhouden te doen wat ik wil—’

‘En dat is niet xenobiologie.’

‘Ja, dat is het wel. Voor een deel, tenminste.’

‘En wat is dan de rest?’

‘Wat jij bent. Wat jij doet. Maar jij doet het helemaal fout, jij doet het op een stomme manier.’

‘Xenobioloog én xenoloog.’

‘Het was een stomme vergissing om een nieuwe wetenschap te stichten om de zwijntjes te bestuderen. Een stelletje afgeleefde oude antropologen dat een nieuwe pet opzet en zich xenoloog noemt. Maar je kunt de zwijntjes niet begrijpen door gewoon maar de manier waarop ze zich gedragen te bestuderen! Ze zijn uit een andere evolutie afkomstig! Je moet hun genen begrijpen, begrijpen wat er in hun cellen gebeurt. En ook in de cellen van de andere dieren, want ze kunnen niet als op zichzelf staand verschijnsel bestudeerd worden, niemand leeft in afzondering—’

Geen preken, dacht Pipo. Vertel me wat je voelt. En om haar tot wat emotioneler uitingen te brengen, fluisterde hij: ‘Behalve jij.’

Het werkte. Van koud en minachtend werd ze ineens witheet en defensief. ‘Jij zal ze nooit begrijpen! Maar ik wel!’

‘Waarom geef je om ze? Wat zijn de zwijntjes voor jou?’

‘Dat begrijp jij toch niet. Jij bent een goede katholiek.’ Ze sprak het woord vol minachting uit. ‘Het is een boek dat op de Index staat.’

Pipo’s gezicht verhelderde door plotseling inzicht. ‘De zwermkoningin en de hegemoon.

‘Hij leefde drieduizend jaar geleden, wie hij dan ook was, de mens die zich de Spreker voor de Doden noemde. Maar hij begreep de kruiperds! Wij roeiden ze allemaal uit, het enige anderlingen-volk dat we ooit kenden, en wij moordden ze allemaal uit, maar hij begreep ze.’

‘En jij wilt het verhaal van de zwijntjes schrijven zoals de oorspronkelijke Spreker over de kruiperds schreef.’

‘Zoals jij het zegt lijkt het wel of het net zo makkelijk is als een wetenschappelijke verhandeling schrijven. Je weet niet hoe het was om De zwermkoningin en de hegemoon te schrijven. Hoeveel pijn het hem kostte om — om zich in te leven in een anderlingengeest — en daaruit te voorschijn te komen vol van liefde voor het grootse schepsel dat wij hebben vernietigd. Hij leefde in dezelfde tijd als de slechtste mens die ooit heeft geleefd, Ender de Anderlingendoder, die de kruiperds uitroeide — en hij deed zijn best om wat Ender deed ongedaan te maken, de Spreker voor de Doden probeerde de doden tot leven te wekken—’

‘Maar het lukte hem niet.’

‘Het lukte hem wel! Hij heeft ze tot leven gewekt — dat zou je weten als je het boek gelezen had! Ik weet niet hoe het met Jezus zit, ik luister naar bisschop Peregrino en ik geloof niet dat hun priesterorde het vermogen bezit om ouweltjes in vlees te veranderen of een milligram schuld te vergeven. Maar de Spreker voor de Doden bracht de zwermkoningin weer tot leven.’

‘Waar is ze dan?’

‘Hier! In mijn binnenste!’

Hij knikte. ‘En je hebt nog iemand anders in je binnenste ook. De Spreker voor de Doden. Die wil jij worden.’

‘Het is het enige oprechte verhaal dat ik ooit heb gehoord,’ zei ze. ‘Het enige waar ik om geef. Is dat wat je wilde horen? Dat ik een ketter ben? En dat mijn hele levenswerk eraan gewijd zal zijn om een nieuw boek toe te voegen aan de Index van waarheden die goede katholieken niet mogen lezen?’

‘Wat ik wilde horen,’ zei Pipo zacht, ‘was de naam van wat je bent in plaats van de naam van alle dingen die je niet bent. Wat jij bent is de zwermkoningin. Wat jij bent is de Spreker voor de Doden. Het is een heel kleine gemeenschap, klein in aantal, maar met een groot hart. Jij verkoos dus om geen deel uit te maken van de drommen kinderen die samengroepen met als enig doel anderen buiten te sluiten, en de mensen kijken naar je en zeggen, arm kind, ze is zo eenzaam, maar jij kent een geheim, jij weet wie je echt bent. Jij bent het enige menselijke wezen dat in staat is om de anderlingen-geest te begrijpen omdat jij de anderlingengeest bént; jij weet wat het is om niet-menselijk te zijn omdat er nooit een mensengroep is geweest die jou als bona fide homo sapiens erkende.’

‘Nu beweer je zelfs dat ik geen mens ben? Je hebt me aan het huilen gemaakt als een klein kind omdat je me het examen niet wilt laten afleggen, je hebt me mezelf laten vernederen en nu zeg je ook nog dat ik niet menselijk ben?’

‘Je kunt het examen doen.’

De woorden bleven in de lucht hangen.

‘Wanneer?’ fluisterde ze.

‘Vanavond. Morgen. Begin maar wanneer je wilt. Ik leg mijn werk stil om je zo snel je wilt door de opgaven heen te werken.’

‘Dank je! Dank je, ik—’

‘Word de Spreker voor de Doden. Ik zal je helpen waar ik kan. De wet verbiedt me om iemand anders dan mijn leerling, mijn zoon Libo, mee te nemen buiten het hek om met de pequeninos kennis te maken. Maar je krijgt vrije toegang tot onze aantekeningen. Alles wat we te weten komen zullen we je laten zien. Al onze vermoedens en onze gissingen. Op jouw beurt laat jij ons dan al, jouw werk zien, alles wat je over de genetische patronen van deze wereld te weten komt dat ons kan helpen om de pequeninos te begrijpen. En als we samen genoeg geleerd hebben, dan kan jij je boek schrijven en kan je de Spreker worden. Maar dit keer niet de Spreker voor de Doden. De pequeninos zijn niet dood.’

Zonder erg lachte ze. ‘De Spreker voor de Levenden.’

‘Ik heb ook De zwermkoningin en de hegemoon gelezen,’ zei hij. ‘Ik kan me geen betere plek voorstellen om je naam uit te halen.’

Maar ze vertrouwde hem nog lang niet, wilde niet geloven wat hij leek te beloven. ‘Ik zal hier heel vaak willen komen. Aldoor.’

‘We doen de boel op slot als we naar huis gaan om te slapen.’

‘Maar verder altijd. Jullie zullen me spuugzat worden. Jullie zullen me wegsturen. Jullie zullen dingen voor me geheim houden. Jullie zullen zeggen dat ik mijn mond moet houden en niet zo over mijn ideeën moet zeuren.’

‘We zijn nog maar net vrienden en nu denk je al dat ik zo’n leugenaar en bedrieger ben, zo’n ongeduldige lummel.’

‘Maar het is zo, iedereen wordt me zat; ze willen allemaal dat ik wegga—’

Pipo haalde zijn schouders op. ‘Nou en? Op een of ander moment wenst iedereen weleens dat iedereen weggaat. Soms zal ik weleens willen dat jij weggaat. Wat ik je nu vertel, is dat je zelfs op die momenten, zelfs als ik tegen je zeg dat je weg moet gaan, niet weg hoeft te gaan.’

Het was de meest verbijsterend volmaakte opmerking die iemand ooit tegen haar had gemaakt. ‘Dat is idioot.’

‘Eén ding nog. Beloof me dat je nooit zult proberen om het hek uit te gaan naar de pequeninos. Want dat mag ik je nooit laten doen, en als je het op een of andere manier toch doet, dan zou het Gesternteparlement al ons werk hier afkappen en elk contact met de pequeninos verbieden. Wil je me dat beloven? Anders is alles — mijn werk, jouw werk — voor niets geweest.’

‘Ik beloof het.’

‘Wanneer wil je het examen doen?’

‘Nu meteen! Kan ik nu meteen beginnen?’

Hij lachte zacht en stak toen zijn hand uit en drukte zonder te kijken een toets op het werkstation in. Het kwam tot leven en de eerste genetische modellen verschenen boven het toetsenbord in de lucht.

‘Je had het examen al klaarstaan,’ zei ze. ‘Je had alles al voorbereid! Je wist aldoor al dat je me het zou laten afleggen?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik hoopte het. Ik geloofde in je. Ik wilde je helpen om te doen waarvan je droomde. Zolang het maar iets goeds was.’

Ze zou Novinha niet zijn als ze niet nog een giftige opmerking had weten te plaatsen. ‘Ik begrijp het. Jij bent de dromenrichter.’

Misschien wist hij niet dat het een belediging was. Hij lachte alleen maar en zei: ‘Geloof, hoop en liefde. Maar de meeste van deze is de liefde.’

‘Jij houdt niet van me,’ zei ze.

‘Ach,’ zei hij. ‘Ik ben de dromenrichter en jij bent de liefderichter. Nou, ik bevind jou schuldig aan het dromen van goede dromen en ik veroordeel je tot een leven van werken en lijden in het belang van je dromen. Ik hoop alleen dat je mij niet ooit op een dag onschuldig zult verklaren aan de misdaad van jou lief te hebben.’ Hij bleef een moment peinzend zwijgen. ‘Ik verloor een dochter tijdens de Descolada. Maria. Ze zou maar een paar jaar ouder geweest zijn dan jij.’

‘En ik doe je aan haar denken?’

‘Ik zat juist te denken dat ze helemaal niet op jou geleken zou hebben.’

Ze begon aan het examen. Het duurde drie dagen. Ze slaagde, met heel wat betere cijfers dan menig doctoraalstudent. Maar wanneer ze er later naar terug zou kijken, zou ze zich het examen niet herinneren omdat het het begin van haar beroepsmatige loopbaan was, het einde van haar kindertijd, de bevestiging van haar roeping voor haar levenswerk. Ze zou zich het examen herinneren omdat het het begin was van haar tijd in Pipo’s post, waar Pipo en Libo en Novinha samen de eerste gemeenschap vormden waartoe zij had behoord sinds haar ouders onder de grond waren gestopt.

Het was niet makkelijk, vooral niet in het begin. Novinha legde niet onmiddellijk haar gewone kille manier van doen af. Pipo begreep dat, was bereid om te buigen onder het geweld van haar striemende woorden. Voor Libo was het een zwaardere opgave. De zenadorpost was een plek geweest waar hij met zijn vader alleen kon zijn. Nu was er, zonder dat iemand hem om toestemming had gevraagd, een derde persoon toegevoegd, een kil en veeleisend persoon die hem aansprak alsof hij een kind was, al waren ze even oud. Het stak hem dat zij een volledig bevoegd xenobioloog was met de hele volwassen status die daarbij hoorde, terwijl hij nog een leerling was.

Maar hij probeerde het geduldig te dragen. Hij was van nature kalm en straalde rust uit. Hij was niet gauw geneigd om ergens openlijk aanstoot aan te nemen. Maar Pipo kende zijn zoon en zag hem zieden. Na een tijdje begon zelfs Novinha, zo ongevoelig als ze was, door te krijgen dat ze Libo erger tartte dan een normale jonge man mogelijkerwijs kon verdragen. Maar in plaats van hem wat minder onder druk te zetten, begon ze het als een uitdaging te beschouwen. Hoe kon zij enige reactie ontlokken aan deze onnatuurlijk kalme, zachtaardige, beeldschone jongen?

‘Je bedoelt dat jullie al die jaren gewerkt hebben,’ zei ze op zekere dag, ‘en nog steeds niet weten hoe de zwijntjes zich voortplanten? Hoe weten jullie dat ze allemaal van het mannelijk geslacht zijn?’

Libo antwoordde op zachte toon: ‘We hebben hun de begrippen mannelijk en vrouwelijk uitgelegd toen ze onze talen leerden. Zij noemden zichzelf mannelijk. En ze spraken over de anderen, die wij nog nooit gezien hebben, als vrouwelijk.’

‘Maar voor zover jullie weten zouden ze zich net zo goed door knopvorming kunnen voortplanten! Of door mitose!’

Haar toon was minachtend, en Libo gaf niet meteen antwoord. Pipo verbeeldde zich dat hij zijn zoon kon hóren denken terwijl hij zorgvuldig zijn antwoord herformuleerde tot het vriendelijk en veilig was. ‘Ik wilde wel dat ons werk meer op fysische antropologie leek,’ zei hij. ‘Dan zouden we er beter op voorbereid zijn jouw onderzoek naar de sub-cellulaire levenspatronen van Lusitania in te passen in wat wij over de pequeninos te weten komen.’

Novinha keek ontsteld. ‘Je bedoelt dat jullie niet eens weefselmonsters nemen?’

Libo bloosde licht, maar zijn stem klonk nog steeds kalm toen hij antwoord gaf. Zo zou de jongen zich ook houden onder een verhoor van een opsporingsambtenaar, bedacht Pipo. ‘Het zal inderdaad wel idioot zijn,’ zei Libo, ‘maar wij zijn bang dat de pequeninos zich zouden afvragen waarom we stukjes van hun lichaam meenamen. Stel dat een van hen naderhand toevallig ziek zou worden, dan zouden ze kunnen denken dat wij de ziekte veroorzaakt hadden.’

‘En als je nu alleen dingen neemt die ze op natuurlijke wijze kwijtraken? Van haar, bijvoorbeeld, kun je een heleboel te weten komen.’

Libo knikte; Pipo, die vanachter zijn toetsenbord aan de andere kant van het vertrek zat toe te kijken, herkende het gebaar — Libo had het van zijn vader overgenomen. ‘Veel primitieve stammen op Aarde geloofden dat alles wat hun lichaam afwierp een klein stukje van hun leven en hun kracht bevatte. Stel dat de zwijntjes zouden denken dat we magie tegen hen gebruiken?’

‘Kennen jullie hun taal dan niet? Ik dacht dat een aantal van hen ook Stark sprak.’ Ze deed geen enkele poging om haar minachting te verbergen. ‘Kun je hun niet uitleggen waarvoor je de monsters nodig hebt?’

‘Je hebt gelijk,’ zei hij kalm. ‘Maar als we uitlegden waar wij de weefselmonsters voor zouden gebruiken, zouden we hun per ongeluk de grondslagen van de biologische wetenschap kunnen bijbrengen, duizend jaar voor ze op eigen houtje dat punt bereikt zouden hebben. Daarom verbiedt de wet ons om dergelijke dingen uit te leggen.’

Nu pas schaamde Novinha zich. ‘Ik besefte niet hoezeer jullie handen gebonden zijn door de banden van de doctrine van minimale inmenging.’

Pipo was blij dat ze haar aanmatigende manier van doen liet varen, maar haar nederigheid was eigenlijk nog veel erger. Het kind was zo verstoken van enig menselijk contact dat ze praatte als een uiterst formeel wetenschappelijk boek. Pipo vroeg zich af of het niet al te laat was om haar te leren hoe ze een mens moest zijn.

Het was niet te laat. Toen ze eenmaal doorhad dat zij heel goed in hun vak waren en dat zij vrijwel niets wist van hun vakgebied, liet ze haar agressieve houding varen en sloeg ze bijna naar het andere uiterste om. Wekenlang zei ze maar zelden iets tegen Pipo of Libo. In plaats daarvan bestudeerde ze hun verslagen om te proberen te doorgronden welke doelstelling er schuilging achter wat zij deden. Af en toe had ze een vraag en die stelde ze dan; zij gaven beleefd en grondig antwoord.

Beleefdheid maakte geleidelijk plaats voor ongedwongenheid. Pipo en Libo begonnen openlijk dingen te bespreken in haar bijzijn; ze opperden theorieën over waarom de zwijntjes bepaalde eigenaardige gedragstrekken hadden ontwikkeld, over wat voor betekenis sommige vreemde opmerkingen van hen zouden hebben en over waarom ze zo ergerlijk ontoegankelijk bleven. En aangezien het bestuderen van de zwijntjes een zeer jonge tak van wetenschap was, duurde het niet erg lang voor Novinha deskundig genoeg was om, zij het uit de tweede hand, af en toe een veronderstelling te opperen. Pipo moedigde haar daarin aan. ‘Tenslotte zijn we allemaal even blind,’ zei hij.

Pipo had voorzien wat er verder gebeurde. Libo’s zorgvuldig opgebouwde geduld deed hem voor anderen van zijn leeftijd koud en afstandelijk lijken, terwijl Pipo hem heel makkelijk kon overhalen om te proberen zich wat toeschietelijker op te stellen. Novinha’s afzondering was weliswaar wat opzichtiger, maar ging eigenlijk niet echt dieper. Maar nu bracht hun gemeenschappelijke belangstelling voor de zwijntjes hen tot elkaar — met wie konden ze anders praten, als op Pipo na niemand begreep waar ze het over hadden?

Ze ontspanden zich samen, lachten zich tranen over grappen die absoluut geen enkele andere Lusitaniër leuk gevonden zou hebben. Zoals de zwijntjes elke boom in het bos een naam leken te geven, had Libo voor de lol al het meubilair in de zenadorpost een naam gegeven, en hij verkondigde af en toe dat ze een pestbui hadden en absoluut niet gestoord moesten worden. ‘Niet op Stoel gaan zitten! Ze is sjaggerijnig omdat ze ongesteld moet worden.’ Ze hadden nog nooit een vrouwelijk zwijntje gezien en de mannetjes spraken altijd met bijna religieuze eerbied over hen; Novinha schreef een reeks neprapporten over een verzonnen vrouwtjeszwijntje dat Eerwaarde Moeder heette en tot hun grote schik bijzonder snibbig en veeleisend was.

Het was niet allemaal om te lachen. Er waren moeilijkheden, zorgen en eenmaal oprechte angst dat ze precies datgene gedaan hadden wat het Gesternteparlement zo hard had proberen te verhinderen: een radicale verandering veroorzaken in de zwijntjessamenleving. Het begon uiteraard met Wroeter. Wroeter, die altijd van die tartende, onmogelijke vragen stelde zoals: ‘Als jullie geen andere mensenstad hebben, hoe kunnen jullie dan oorlog voeren? Aan Kleintjes doden kunnen jullie geen eer behalen.’ Pipo brabbelde iets over dat mensen nooit pequeninos, Kleintjes, zouden doden, maar hij wist dat dit niet Wroeters eigenlijke vraag was.

Pipo wist al jaren dat de zwijntjes het begrip oorlog kenden, maar nog dagenlang voerden Libo en Novinha verhitte discussies over of Wroeters vraag nu bewees dat de zwijntjes oorlog als iets wenselijks beschouwden of louter als iets onvermijdelijks. Wroeter verschafte hun vaak informatie, soms belangrijke en soms onbelangrijke — en vaak viel niet uit te maken of het belangrijk was of niet. In zeker opzicht was Wroeter het levende bewijs van de wijsheid van de strategie die xenologen verbood om vragen te stellen die menselijke verwachtingspatronen zouden onthullen, en daarmee menselijke leefgewoonten. Wroeters vragen verschaften hun zonder uitzondering meer antwoorden dan zijn antwoorden op hun eigen vragen.

Maar de laatste informatie die Wroeter hun verschafte was niet in de vorm van een vraag. Het was een vermoeden, geuit tegen Libo alleen, toen Pipo met een paar anderen was gaan kijken hoe ze hun blokhutten bouwden. ‘Ik weet het, ik weet het,’ zei Wroeter, ‘ik weet waarom Pipo nog leeft. Jullie vrouwen zijn te stom om te weten dat hij wijs is.’

Libo probeerde uit alle macht om de zin van deze non sequitur-opmerking te ontdekken. Wat dacht Wroeter, dat als mensenvrouwen slimmer waren, ze Pipo zouden doden? Dit gepraat over doden was verontrustend — dit was kennelijk een belangrijke zaak en Libo wist niet hoe hij die in zijn eentje moest aanpakken. En hij kon Pipo niet om hulp vragen, omdat het duidelijk iets was dat Wroeter wilde bespreken zonder dat Pipo het kon horen.

Toen Libo geen antwoord gaf, bleef Wroeter aanhouden. ‘Jullie vrouwen zijn zwak en stom. Ik heb dit met de anderen besproken en zij zeiden dat ik het aan jou kon vragen. Jullie vrouwen zien Pipo’s wijsheid niet. Is dit waar?’

Wroeter leek erg opgewonden; hij ademde zwaar en hij trok telkens haren uit zijn armen, met vier of vijf tegelijk. Libo moest hem op een of andere manier een antwoord geven. ‘De meeste vrouwen kennen hem helemaal niet,’ zei hij.

‘Hoe kunnen ze dan weten of hij moet sterven?’ vroeg Wroeter. En ineens zat hij doodstil en riep met luide stem: ‘Jullie zijn cabras!’

Pas toen kwam Pipo opdagen en hij’ vroeg zich af waar dat geschreeuw over ging. Hij zag onmiddellijk dat Libo ten einde raad was. Maar Pipo had er geen flauw idee van waar het gesprek over ging — hoe kon hij hem dan te hulp schieten? Het enige dat hij wist was dat Wroeter zei dat mensen — of althans Pipo en Libo — op een of andere manier gelijk waren aan de grote beesten die in kudden op de prairie graasden. Pipo kon zelfs niet uitmaken of Wroeter boos of opgetogen was.

‘Jullie zijn cabras! Jullie beslissen!’ Hij wees naar Libo en toen naar Pipo. ‘Jullie vrouwen kiezen jullie eer niet, dat doen jullie zelf! Net als in de strijd, maar dan aldoor!’

Pipo had er geen flauw idee van waar Wroeter het over had, maar hij kon zien dat alle pequeninos stokstijf stil stonden te wachten op het antwoord dat hij — of Libo — zou geven. Het was duidelijk dat Libo door Wroeters vreemde gedrag te angstig was om antwoord te durven geven. In dit geval zat er niets anders op dan de waarheid te vertellen, vond Pipo; het was tenslotte een betrekkelijk voor de hand liggend en onbeduidend stukje informatie over de menselijke samenleving. Het was tegen de regels die het Gesternteparlement voor hem had opgesteld, maar helemaal geen antwoord geven zou meer schade aanrichten, en dus deed Pipo zijn mond open.

‘Vrouwen en mannen beslissen samen, of ze beslissen voor zichzelf,’ zei Pipo. ‘De een beslist niet voor de ander.’

Het was duidelijk het antwoord waar de zwijntjes op hadden zitten wachten. ‘Cabras,’ zeiden ze telkens en telkens weer en ze renden fluitend en joelend op Wroeter af. Ze namen hem op de schouders en holden met hem het bos in. Pipo probeerde hen te volgen, maar twee van de zwijntjes hielden hem tegen en schudden hun hoofd. Het was een mensengebaar dat ze al lang geleden geleerd hadden, maar het had voor de zwijntjes een sterke betekenis. Het was Pipo strikt verboden hen te volgen. Ze gingen naar de vrouwen en dat was de enige plaats waarvan de zwijntjes hun te verstaan hadden gegeven dat ze er nooit mochten komen.

Op de terugweg naar huis bracht Libo verslag uit over hoe de moeilijkheden begonnen. ‘Weet je wat Wroeter zei? Hij zei dat onze vrouwen zwak en stom zijn.’

‘Dat komt omdat hij burgemeester Bosquinha nog nooit ontmoet heeft. Of je moeder, trouwens.’

Libo moest lachen, want zijn moeder, Conceição, heerste over de archieven alsof het een antieke estáção in de wilde mato was; als je haar domein binnenstapte, was je volledig aan haar wetten onderworpen. Onder het lachen voelde hij dat hem iets ontglipte, een gedachte die belangrijk was — waar hadden we het ook weer over? Het gesprek ging verder; Libo was het vergeten en al gauw vergat hij zelfs dat hij het vergeten had.

Die avond hoorden ze het trommelen dat volgens Pipo en Libo deel uitmaakte van een of ander soort plechtigheid. Het gebeurde eigenlijk maar zelden en het klonk als of er met zware stokken op grote trommels werd geslagen. Maar deze avond leek de plechtigheid wel een eeuwigheid te duren. Pipo en Libo opperden de gedachte dat misschien het menselijke voorbeeld van gelijkheid der seksen de mannelijke zwijntjes enige hoop op bevrijding had geschonken. ‘Het is mogelijk dat dit een ernstige verstoring van het zwijntjesgedrag tot gevolg zal blijken te hebben,’ zei Pipo somber. ‘Als we merken dat we een wezenlijke verandering hebben veroorzaakt, zal ik dat moeten rapporteren en dan zal het Parlement waarschijnlijk besluiten om het contact tussen mensen en zwijntjes voor enige tijd te verbieden. Misschien wel voor jaren.’ Het was een ontnuchterende gedachte — dat getrouw hun werk doen ertoe zou kunnen leiden dat het Gesternteparlement hun verbood dat werk nog langer te doen.

De volgende morgen liep Novinha met hen naar de poort in het hoge hek dat de mensenstad scheidde van de hellingen die leidden naar de beboste heuvels waar de zwijntjes woonden. Omdat Pipo en Libo elkaar nog steeds probeerden gerust te stellen dat geen van tweeën iets anders had kunnen doen dan wat ze gedaan hadden, liep Novinha alvast vooruit zodat ze als eerste bij het hek aankwam. Toen de anderen haar bereikten, wees ze naar een stuk vers gewiede rode aarde op de helling, nog geen dertig meter bij het hek vandaan. ‘Dat is nieuw,’ zei ze. ‘En er ligt iets in.’

Pipo deed het hek open en Libo, die de jongste benen had, holde vooruit om te kijken wat het was. Aan de rand van het gewiede stuk grond bleef hij ineens stokstijf staan en staarde naar wat daar lag. Toen Pipo hem zo zag, bleef hij ook staan en Novinha, die zich ineens ernstig zorgen maakte om Libo, overtrad de regels en rende door het hek. Libo’s hoofd zakte achterover en hij liet zich op zijn knieën vallen; hij greep met twee handen in zijn kroeshaar en slaakte een ijselijke kreet van wroeging.

Wroeter lag met armen en benen wijd uitgestrekt op de gewiede aarde. Hij was ontweid, en niet onzorgvuldig. Elk orgaan was netjes losgesneden en de pezen en banden van zijn ledematen waren ook losgetrokken en in een symmetrisch patroon uitgespreid op de opdrogende grond. Alles was nog wel met het lichaam verbonden — niets was echt volledig doorgesneden.

Libo’s kreet van verdriet was bijna hysterisch. Novinha knielde naast hem neer en sloeg haar armen om hem heen, ze wiegde hem en probeerde hem tot bedaren te brengen. Pipo haalde werktuiglijk zijn kleine camera te voorschijn en fotografeerde het tafereel van alle kanten zodat de computer alles naderhand tot in de kleinste bijzonderheden zou kunnen analyseren.

‘Hij leefde nog toen ze dit deden,’ zei Libo toen hij genoeg gekalmeerd was om te kunnen praten. Maar zelfs toen moest hij de woorden nog heel langzaam en zorgvuldig uitspreken alsof hij een vreemdeling was die net de taal onder de knie had. ‘Er ligt zoveel bloed op de grond en het is zo ver weggespat — zijn hart moet nog geklopt hebben toen ze hem opensneden.’

‘We bespreken die later wel,’ zei Pipo.

Nu herinnerde Libo zich met wrede klaarheid wat hij gisteren vergeten had. ‘Het is wat Wroeter over de vrouwen zei. Zij beslissen wanneer de mannen moeten sterven. Hij vertelde me dat, en ik—’ Hij zweeg. Natuurlijk had hij niets gedaan. De wet verlangde van hem dat hij niets deed. En op dat moment besloot hij dat hij de wet haatte. Als de wet inhield dat hij dit met Wroeter moest laten gebeuren, dan had de wet geen begrip. Wroeter was een persoon. Je blijft niet werkeloos toezien als dit een persoon wordt aangedaan, alleen maar omdat je hem bestudeert.

‘Ze hebben hem niet onteerd,’ zei Novinha. ‘Als één ding zeker is, dan is dat hun liefde voor bomen. Heb je dit gezien?’ Uit het midden van zijn borstholte, die nu verder leeg was, sproot een heel klein kiemplantje omhoog. ‘Ze hebben een boom geplant om de plaats van zijn graf te markeren.’

‘Nu weten we waarom ze al hun bomen namen geven,’ zei Libo verbitterd. ‘Ze hebben ze geplant als grafzerken voor zwijntjes die ze doodgemarteld hebben.’

‘Dit is een erg groot bos,’ zei Pipo kalm. ‘Beperk je gissingen alsjeblieft tot wat althans enigszins mogelijk is.’ De rustige, redelijke toon waarmee hij erop aandrong dat ze zich zelfs nu als wetenschappelijke onderzoekers zouden gedragen, kalmeerde hen.

‘Wat moeten we doen?’ vroeg Novinha.

‘We moeten jou zo snel mogelijk achter het hek terugbrengen,’ zei Pipo. ‘Jij mag hier helemaal niet komen.’

‘Maar ik bedoelde — met het lijk; wat moeten we daarmee aanvangen?’

‘Niets,’ zei Pipo. ‘De zwijntjes hebben gedaan wat zwijntjes doen, om welke reden zwijntjes dit dan ook doen.’ Hij hielp Libo overeind.

Libo kon zichzelf een ogenblik nauwelijks overeind houden; de eerste paar stappen die hij deed, moest hij zwaar op hen beiden leunen. ‘Wat heb ik gezegd?’ fluisterde hij. ‘Ik weet niet eens met welke woorden ik hem gedood heb.’

‘Het was niet wat jij zei,’ zei Pipo. ‘Het was wat ik zei.’

‘Wat, denken jullie soms dat ze jullie eigendom zijn?’ vroeg Novinha. ‘Denken jullie soms dat hun hele wereld om jullie draait? De zwijntjes deden het om een of andere eigen reden. Het is duidelijk genoeg dat dit niet de eerste keer is — de vivisectie was veel te handig uitgevoerd om dit een eerste keer te kunnen laten zijn.’

Pipo zag de wrange humor hiervan in. ‘Wij zijn domkoppen aan het worden, Libo. Novinha hoort niets van xenologie te weten.’

‘Je hebt gelijk,’ zei Libo. ‘Wat het ook was dat dit heeft uitgelokt, het is iets dat ze eerder hebben gedaan. Een gewoonte.’ Hij probeerde zijn stem kalm te laten klinken.

‘Maar dat is eigenlijk nog erger, nietwaar?’ zei Novinha. ‘Het is hun gewoonte om elkaar levend te slachten.’ Ze keek naar de andere bomen van het bos dat boven op de heuvel begon en vroeg zich af hoeveel van die bomen in bloed wortelden.

Pipo verstuurde zijn verslag per weerwort en de computer gaf geen enkel probleem met de prioriteitsaanduiding. Hij liet het aan de commissie van toezicht over om te beslissen of ze het contact met de zwijntjes moesten staken. De commissie kon geen enkele fatale vergissing aanwijzen. ‘Het is onmogelijk om de verhouding tussen onze seksen geheim te houden, want misschien wordt er weleens een vrouw xenoloog,’ luidde hun rapport, ‘en wij kunnen geen enkel moment aanwijzen waarop jullie niet redelijk en verstandig hebben gehandeld. Onze voorlopige conclusie is dat jullie ongewild deelgenoot zijn geworden aan een of andere machtsstrijd die in het nadeel van Wroeter uitviel en dat jullie je contact moeten voortzetten met alle redelijke voorzichtigheid.’

Het pleitte hen geheel vrij, maar dat maakte het niet makkelijker te dragen. Libo was opgegroeid met de zwijntjes, of althans met de verhalen die hij van zijn vader over hen had gehoord. Buiten zijn eigen gezinsleden en Novinha kende hij Wroeter beter dan enig mens. Het duurde dagen voor Libo weer naar de zenadorpost wilde komen en weken voor hij weer het bos inging. De zwijntjes lieten uit niets blijken dat er iets was veranderd; zo mogelijk waren ze nog vrijmoediger en vriendelijker dan tevoren. Niemand sprak ooit nog over Wroeter, en Pipo en Libo zeker niet. Maar van de kant van de mensen was er wel iets veranderd. Pipo en Libo waren nooit meer dan een paar passen van elkaar verwijderd als ze zich onder de zwijntjes begaven.

Door het verdriet en de spijt van die dag gingen Libo en Novinha nog meer op elkaar steunen, alsof duisternis hen nader bracht dan licht. De zwijntjes leken nu gevaarlijk en onbekend, net als menselijk gezelschap altijd al was geweest, en tussen Pipo en Libo stond nu de wig van de schuldvraag, hoe vaak de een de ander ook probeerde gerust te stellen. Het enige goede en betrouwbare ding in Libo’s leven was dus Novinha en in dat van Novinha Libo.

Ook al had Libo een moeder en broertjes en zusjes, en al gingen Pipo en Libo altijd ’s avonds naar huis terug, toch gedroegen Novinha en Libo zich alsof de zenadorpost een eiland was en Pipo een liefhebbende maar eeuwig verre Prospero. Pipo vroeg zich af of de zwijntjes zoals Ariël waren en de jonggeliefden naar het geluk zouden leiden of dat ze kleine, nauwelijks in bedwang te houden Calibans waren die stonden te springen om een moord te plegen.

Na een paar maanden verflauwde de herinnering aan Wroeters dood wat en keerde hun lach terug, maar toch nooit meer zo zorgeloos als daarvoor. Tegen de tijd dat ze zeventien waren, waren Libo en Novinha zo zeker van elkaar dat ze het heel gewoon vonden om terloops te praten over de dingen die ze vijf, tien, twintig jaar later zouden doen. Pipo nam nimmer de moeite om hun naar hun trouwplannen te vragen. Per slot van rekening waren ze van ochtend tot avond bezig met het bestuderen van de biologie. Op een gegeven moment zou het wel bij hen opkomen om betrouwbare en sociaal aanvaarde voortplantingsstrategieën uit te gaan proberen. Ondertussen was het genoeg dat ze zich eindeloos het hoofd braken over wanneer en hoe de zwijntjes paarden, gezien ook het feit dat de mannetjes geen waarneembaar voortplantingsorgaan bezaten. Hun gissingen over hoe de zwijntjes hun genetisch materiaal combineerden liepen steevast uit op zulke schuine moppen dat Pipo de grootste moeite moest doen om voor te wenden dat hij ze helemaal niet leuk vond.

En dus was de zenadorpost voor die paar korte jaren een plaats van waarachtige kameraadschap tussen twee briljante jonge mensen die anders veroordeeld zouden zijn tot kille eenzaamheid. Het kwam bij geen van hen op dat de idylle weleens abrupt en voorgoed zou kunnen eindigen, en onder omstandigheden die een rilling door de Honderd Werelden zouden doen gaan.

Het was allemaal zo eenvoudig, zo doodgewoon. Novinha was de genetische structuur van het van insekten vergeven riet langs de rivier aan het bepalen, toen ze ineens besefte dat de rietcellen het sub-cellulaire lichaampje bevatten dat ook de Descolada had veroorzaakt. Ze liet verscheidene andere celstructuren boven het toetsenbord verschijnen en liet ze langzaam ronddraaien. Ze bevatten allemaal de Descoladaveroorzaker.

Ze riep Pipo, die de uitgeprinte verslagen van hun zwijntjesbezoek van gisteren zat door te nemen. Ze liet de computer alle cellen waar ze monsters van had vergelijken. Ongeacht de functie van de cel en ongeacht de soort waarvan de cel afkomstig was, bevatte elke buitenaardse cel het Descoladalichaampje en de computer verklaarde dat de chemische eigenschappen ervan volkomen identiek waren.

Novinha verwachtte dat Pipo zou knikken en zou zeggen dat het er interessant uitzag en dat hij misschien zelfs wel een theorie zou opperen. Maar in plaats daarvan ging hij achter het toetsenbord zitten, voerde dezelfde vergelijkingstest nog een keer uit een vroeg haar van alles over de manier waarop de computer het vergelijkingsprogramma uitvoerde en daarna over wat het Descoladalichaampje eigenlijk precies deed.

‘Vader en moeder hebben nooit kunnen ontdekken wat nu precies de activiteit op gang brengt, maar het Descoladalichaampje maakt dit kleine eiwitketentje vrij — nu ja, eigenlijk meer een pseudo-eiwit, denk ik — en dat valt de genetische moleculen aan. Het begint aan een uiteinde en rijt dan de twee strengen van de molecule uit elkaar. Daarom noemden ze het eiwit de descolador — menselijk DNA wordt er ook door uiteengereten.’

‘Laat me eens zien wat het in buitenaardse cellen doet.’

Novinha startte een simulatieprogramma.

‘Nee, niet alleen de genetische moleculen, de hele celomgeving.’

‘Het zit alleen maar in de kern,’ zei ze. Ze breidde het veld uit zodat het meer variabelen omvatte. Het programma draaide nu veel trager aangezien de computer elke seconde miljoenen willekeurige rangschikkingen van kernmateriaal moest doorrekenen. Toen in de rietcel een genetische molecule uiteengereten was, hechtten zich verscheidene grote eiwitten uit de omgeving aan de open strengen. ‘Bij mensen probeert het DNA zich te hercombineren, maar het neemt willekeurige eiwitten op zodat cel na cel krankzinnig wordt. Soms betekent dat een snelle mitose zoals kanker, en soms sterven ze af. Het belangrijkste is dat in mensen de Descoladalichaampjes zelf zich waanzinnig snel vermeerderen en van cel naar cel overstappen. Elk schepsel van Lusitanaanse oorsprong heeft ze natuurlijk al.’

Maar Pipo stelde geen belang in haar woorden. Toen de descolador de genetische moleculen van het riet had afgewerkt, gleden zijn ogen van de ene cel naar de andere. ‘Dit betekent niet zomaar iets, het is hetzelfde,’ zei hij. ‘Het is hetzelfde ding!’

Novinha zag niet meteen wat hij had opgemerkt. Wat was hetzelfde als wat? En ze had ook geen tijd om het te vragen. Pipo was de stoel al uit, greep zijn jas en holde naar de deur. Het motregende buiten. Pipo bleef alleen even staan om tegen haar te roepen: ‘Zeg tegen Libo dat hij niet hoeft te komen, laat hem alleen die simulatie zien en kijk of hij het kan uitpuzzelen voor ik terug ben. Hij moet het weten — het is het antwoord op de grote vraag. Het antwoord op alles.’

‘Vertel op!’

Hij lachte. ‘Niet vals spelen. Libo vertelt het je wel als je het zelf niet ziet.’

‘Waar ga je heen?’

‘Aan de zwijntjes vragen of ik gelijk heb natuurlijk! Maar ik weet dat ik gelijk heb, ook al zouden ze hierover liegen. Als ik binnen een uur niet terug ben, ben ik uitgegleden in de regen en heb ik mijn been gebroken.’

Libo kreeg de simulatie niet te zien. De vergadering van de commissie ruimtelijke ordening liep verschrikkelijk uit door een geschil over uitbreiding van het graasgebied van het vee en na de vergadering moest Libo nog de wekelijkse boodschappen halen. Tegen de tijd dat hij terugkwam, was Pipo al vier uur weg, begon het al te schemeren en ging de motregen langzaam over in sneeuw. Ze gingen onmiddellijk op pad om hem te zoeken, bang dat het uren zou kunnen duren voor ze hem in het bos zouden vinden.

Ze vonden hem maar al te vlug. Zijn lichaam begon al af te koelen in de sneeuw. De zwijntjes hadden niet eens een boom in hem geplant.

2. Trondheim

Het spijt me verschrikkelijk dat ik niet kon ingaan op uw verzoek om meer bijzonderheden over hofmakerij en huwelijksgewoonten van de inheemse Lusitaniërs. Dit moet u wel onvoorstelbaar van streek maken, anders zou u nooit een verzoek aan de Xenologenkring gericht hebben om mij te berispen wegens gebrek aan medewerking aan uw onderzoek.

Als toekomstige xenologen erover klagen dat ik niet de goede gegevens uit mijn waarnemingen van de pequeninos weet te halen, raad ik hun altijd dringend aan om de beperkingen die mij door de wet worden opgelegd nog eens goed te lezen. Ik mag niet meer dan één assistent meenemen als ik het veld inga; ik mag geen vragen stellen die menselijke verwachtingspatronen kunnen onthullen, om te voorkomen dat ze gaan proberen ons na te doen; ik mag uit mezelf geen informatie verstrekken om een corresponderend antwoord uit te lokken; ik mag niet langer dan vier uur achter elkaar bij hen blijven; op mijn kleren na mag ik geen technologische producten in hun nabijheid gebruiken en daaronder vallen ook camera’s, geluidsapparatuur, computers en zelfs een gefabriceerde pen om mee op gefabriceerd papier te schrijven; ik mag hen zelfs niet heimelijk gadeslaan.

Om kort te gaan: ik kan u niet vertellen hoe de pequeninos zich voortplanten, omdat ze niet verkozen hebben dat voor mijn neus te doen.

Natuurlijk is dat fnuikend voor uw onderzoek! Natuurlijk zijn onze gevolgtrekkingen over de zwijntjes belachelijk! Als wij uw universiteit moesten observeren onder dezelfde beperkingen die ons binden bij onze waarnemingen van de inheemse Lusitaniërs, zouden we ongetwijfeld tot de conclusie komen dat mensen zich niet voortplanten, dat ze geen verwantschapsgroepen vormen en dat ze hun hele levensloop wijden aan de metamorfose van studentenlarve tot volwassen professor. We zouden zelfs kunnen veronderstellen dat professoren een aanzienlijke macht bezitten in de menselijke samenleving. Een vakkundig onderzoek zou al gauw de onjuistheid van zulke gevolgtrekkingen aantonen — maar in het geval van de zwijntjes is vakkundig onderzoek niet toegestáan of zelfs maar overwogen.

Antropologie is nimmer een exacte wetenschap; de waarnemer ondergaat nooit dezelfde cultuur als de deelnemer. Maar deze beperkingen zijn nu eenmaal ingebakken in de aard van het vak. Het zijn de kunstmatige beperkingen die ons belemmeren — en via ons ook u. Met het huidige tempo van voortgang zouden we net zogoed vragenformulieren aan de pequeninos kunnen toesturen en wachten tot ze wetenschappelijke verhandelingen als antwoord uit hun mouw schudden.

João Figueira Alvarez, antwoord aan Pietro Guataninni van de Universiteit van Sicilië, campus Milaan, Etrurië, postuum gepubliceerd in Xenologische Verhandelingen, 22:4:49:193

Het nieuws van Pipo’s dood was niet louter lokaal van belang. Het werd per weerwort ogenblikkelijk naar alle Honderd Werelden verzonden. De eerste anderlingen ontdekt na de Anderlingenmoord door Ender, hadden de ene mens die was aangewezen om hen gade te slaan, doodgemarteld. Binnen een paar uur begonnen geleerden, onderzoekers, politici en journalisten hun standpunt bekend te maken.

Al spoedig was men het met elkaar eens. Eén ongelukkig voorval dat onder raadselachtige omstandigheden plaatsvond, bewijst nog niet dat de gedragslijn van de Gesternteraad tegenover de zwijntjes gefaald heeft. In tegendeel, het feit dat slechts één mens omkwam lijkt een bewijs voor de wijsheid van de huidige gedragslijn van vrijwel geen bemoeienis. We moeten dus niets anders doen dan met een iets kleinere frequentie de waarnemingen voortzetten. Pipo’s opvolger kreeg de opdracht om de zwijntjes niet vaker dan om de dag te bezoeken en nooit langer dan een uur achter elkaar. Hij mocht de zwijntjes geen antwoorden afdwingen over wat ze met Pipo gedaan hadden. Het was een versterking van de oude tactiek van geen inmenging.

Er was ook grote bezorgdheid over het moreel van de bevolking van Lusitania. Ondanks de hoge kosten kregen ze via de weerwort vele nieuwe amusementsprogramma’s toegezonden om hen te helpen de gruwelijke moord te vergeten.

En nadat ze het weinige hadden gedaan dat gedaan kon worden door framlings, die uiteindelijk lichtjaren ver van Lusitania verwijderd waren, wijdde de bevolking van de Honderd Werelden zich weer aan zijn dagelijkse beslommeringen.

Buiten Lusitania was er van de half biljoen mensen in de Honderd Werelden maar één man die de dood van João Figueira Alvarez, roepnaam Pipo, onderging als een grote verandering in de manier waarop hij zijn eigen leven vormgaf. Andrew Wiggin was Spreker voor de Doden in de universiteitsstad Reykjavik, beroemd als bewaarplaats van de Scandinavische cultuur en hooggelegen op de steile hellingen van een fjord dat, pal op de equator, scherp als een mes door het graniet en het ijs van de bevroren wereld Trondheim sneed. Het was voorjaar en de sneeuw was dus op de terugtocht en broos gras en bloemen strekten zich uit naar de krachtgevende, glinsterende zon. Andrew zat op de kruin van een zonnige heuvel, omringd door een tiental studenten die interstellaire-kolonisatiegeschiedenis studeerden. Andrew luisterde met een half oor naar een felle discussie over de vraag of de absolute overwinning van de mens in de oorlog met de kruiperds een noodzakelijk voorspel voor het uitzwermen van de mensheid was geweest. Zulke discussies vervielen altijd al gauw tot belasteringen van het menselijke monster Ender, de commandant van de stervloot die de kruiperds had uitgemoord. Andrew had de neiging om zijn gedachten wat te laten afdwalen; hij vond het onderwerp niet per se vervelend, maar hij liet zijn aandacht er liever niet door in beslag nemen.

Toen vertelde het ingeplante computerwerkstation dat hij als een sieraad in zijn oor droeg, hem van de wrede dood van Pipo, de xenoloog op Lusitania, en Andrew was ogenblikkelijk alert. Hij onderbrak de discussie van zijn studenten.

‘Wat weten jullie van de zwijntjes?’ vroeg hij.

‘Ze zijn onze enige hoop op verlossing,’ zei er een, die Calvijn ernstiger nam dan Luther.

Andrew keek onmiddellijk naar de studente Plikt, die zulk mystiek gedoe onverdraaglijk zou vinden. ‘Ze bestaan niet voor menselijke doeleinden, zelfs niet voor verlossing,’ zei Plikt met striemende minachting. ‘Ze zijn waarachtige ramen, net als de kruiperds.’

Andrew knikte, maar met gefronst voorhoofd. ‘Jij gebruikt een woord dat nog geen deel uitmaakt van de gemeenschapstaal.’

‘Dat zou het wel moeten,’ zei Plikt. ‘Iedereen op Trondheim, iedere Scandinaviër op de Honderd Werelden zou inmiddels De geschiedenis van Wutan op Trondheim van Demosthenes gelezen moeten hebben.’

‘Dat zou wel moeten, maar het is niet zo,’ zuchtte een student.

‘Laat haar ophouden met dat geparadeer, Spreker,’ zei een ander.

‘Plikt is de enige vrouw die ik ken die zittend kan paraderen.’

Plikt deed haar ogen dicht. ‘De Scandinavische taal kent vier verschillende ordes van vreemdheid. De eerste is de buitenlander, of utlänning, de vreemdeling die we herkennen als een mens van onze wereld maar uit een andere stad of land. De tweede is de framling — Demosthenes heeft gewoon het accent van het Scandinavische främling laten vervallen. Dit is de vreemdeling die we als mens herkennen, maar dan van een andere wereld. De derde is de raman, de vreemdeling die we als mens herkennen, maar van een andere soort. De vierde is de waarachtige anderling, de varelse, die alle dieren omvat, want met hen is geen gesprek mogelijk. Ze leven, maar wij kunnen niet raden welke doeleinden of oorzaken hen bewegen. Ze zouden intelligent kunnen zijn, ze zouden zelfbewustzijn kunnen hebben, maar wij kunnen het niet weten.’

Andrew zag dat verscheidene studenten geërgerd zaten te kijken. Hij wees hen daarop. ‘Jullie denken dat jullie je ergeren aan Plikts aanmatigende gedrag, maar dat is niet zo. Plikt is niet aanmatigend, ze is alleen maar nauwkeurig. Jullie schamen je terecht over het feit dat jullie Demosthenes’ geschiedenis van jullie eigen volk nog niet gelezen hebben, en door die schaamte ergeren jullie je aan Plikt, omdat zij niet schuldig is aan jullie zonde.’

‘Ik dacht dat Sprekers niet in zonde geloofden,’ zei een gemelijke jongen.

Andrew lachte. ‘Jij gelooft in zonde, Styrka, en jij doet dingen vanwege dat geloof. Dus bij jou bestaat zonde wel degelijk en omdat deze Spreker jou kent, moet hij ook wel in zonde geloven.’

Styrka weigerde zich gewonnen te geven. ‘Wat heeft al dat gepraat over utlännings en framlings en ramen en varelse trouwens met Enders Anderlingenmoord te maken?’

Andrew keek vragend naar Plikt. Ze dacht een ogenblik na. ‘Dit is wel degelijk van belang voor die stomme discussie die we daarnet hadden. Door deze Scandinavische niveaus van vreemdheid kunnen we zien dat Ender geen echte anderlingendoder was, want toen hij de kruiperds vernietigde, kenden wij hen alleen als varelse; pas jaren later, toen de eerste Spreker voor de Doden De zwermkoningin en de hegemoon schreef, begreep de mensheid voor het eerst dat de kruiperds helemaal geen varelse waren maar ramen; tot dat moment had elk begrip tussen mens en kruiperd ontbroken.’

‘Anderlingenmoord is anderlingenmoord,’ zei Styrka. ‘Het simpele feit dat Ender niet wist dat ze ramen waren, maakt hen niet minder dood.’

Andrew slaakte een zucht om Styrka’s onverzoenlijke opstelling; het was mode onder de calvinisten in Reykjavik om bij het beoordelen of een daad goed of slecht was, geen enkel gewicht toe te kennen aan menselijke beweegredenen. Daden zijn goed of kwaad in zichzelf, zeiden zij; en omdat Sprekers voor de Doden als enige grondregel hadden dat goed en slecht uitsluitend bestaan in menselijke beweegredenen, en in het geheel niet in de daad, gedroegen studenten zoals Styrka zich nogal vijandig tegenover Andrew. Gelukkig nam Andrew daar geen aanstoot aan — hij begreep de beweegreden erachter.

‘Styrka, Plikt, ik wil jullie een ander geval voorleggen. Stel dat de zwijntjes, die Stark hebben leren spreken en wier taal enkele mensen ook geleerd hebben, stel dat wij vernamen dat zij plotsklaps, zonder enige aanleiding of uitleg, de xenoloog die hen moest bestuderen hadden doodgemarteld.’

Plikt stortte zich onmiddellijk op de vraag. ‘Hoe zouden wij kunnen weten dat er geen aanleiding was? Wat ons als iets onschuldigs voorkomt, kan voor hen wel ondraaglijk zijn.’

Andrew lachte. ‘Dan nog. Maar de xenoloog heeft hun geen kwaad gedaan, heeft heel weinig gezegd, heeft hun niets gekost — volgens alle denkbare maatstaven kan hij onmogelijk een pijnlijke dood verdiend hebben. Maakt niet juist het feit van deze onbegrijpelijke moord de zwijntjes tot varelse in plaats van ramen?’

Nu was het Styrka die onmiddellijk antwoordde. ‘Moord is moord. Dit gepraat over varelse en raman is onzin. Als de zwijntjes moorden, zijn ze slecht, op dezelfde manier als de kruiperds slecht waren. Als de daad slecht is, is de dader slecht.’

Andrew knikte. ‘Daar hebben we ons dilemma. Daar ligt het probleem. Was de daad slecht, of was die op een of andere manier, althans voor het begrip van de zwijntjes, goed? Zijn de zwijntjes ramen of varelse? Hou voorlopig even je mond, Styrka. Ik ken alle redeneringen van jullie calvinisme, maar zelfs Calvijn zou jullie leerstelling stom noemen.’

‘Hoe weet u wat Calvijn zou—’

‘Omdat hij dood is,’ bulderde Andrew, ‘en ik dus gerechtigd ben om voor hem te spreken!’

De studenten lachten en Styrka hulde zich in een koppig zwijgen. De jongen was pienter, wist Andrew; zijn calvinisme zou de eerste fase van zijn studie niet overleven, hoewel de uitdrijving langdurig en pijnlijk zou zijn.

‘Talman, Spreker,’ zei Plikt. ‘U sprak alsof uw veronderstelling waar was, alsof de zwijntjes waarlijk de xenoloog vermoord hadden.’

Andrew knikte ernstig. ‘Ja, het is waar.’

Het was verontrustend; het riep herinneringen wakker aan het antieke conflict tussen kruiperd en mens.

‘Kijk nu eens in jullie eigen binnenste,’ zei Andrew. ‘Dan zul je merken dat je onder je haat voor Ender de Anderlingendoder en je verdriet over de dood van de kruiperds nog iets voelt dat veel lelijker is. Je bent bang voor de vreemdeling, of hij nu utlänning is of framling. Als je je indenkt dat hij een mens die jij kent en hoogacht doodt, dan maakt het niet uit wat voor vorm hij heeft. Dan is hij varelse, of erger nog — djur, het gruwelijke beest dat je ’s nachts aanvalt met zijn kwijlende tanden. Als jij het enige geweer in het dorp bezat en de beesten die een van jouw mensen verscheurd hadden kwamen er weer aan, zou je dan de tijd nemen om je af te vragen of zij misschien ook recht op leven hadden, of zou je snel optreden om je dorp te redden, de mensen die je kende, de mensen die van je afhankelijk waren?’

‘Volgens uw redenering zouden we de zwijntjes nu meteen moeten doden, hulpeloos en primitief als ze zijn!’ roep Styrka.

‘Mijn redenering? Ik stelde een vraag. Een vraag is geen redenering, tenzij je denkt dat je mijn antwoord weet, en ik verzeker je, Styrka, dat je dat niet kent. Denk hier eens over na. Jullie kunnen gaan.’

‘Praten we hier morgen verder over?’ vroegen ze.

‘Als jullie dat willen,’ zei Andrew. Maar hij wist dat als ze dit al bespraken, het zonder hem zou gebeuren. Voor hen was het probleem van Ender de Anderlingendoder een louter theoretische kwestie. De oorlog met de kruiperds was uiteindelijk al meer dan drieduizend jaar geleden; het was nu 1948 GR, geteld vanaf het jaar dat het Gesterntereglement van kracht werd, en Ender had de kruiperds vernietigd in het jaar 1180 VGR. Maar voor Andrew lagen de gebeurtenissen niet zo ver weg. Hij had veel meer tussen de sterren gereisd dan een van zijn studenten zou durven beginnen te vermoeden; na zijn vijfentwintigste jaar was hij, tot hij op Trondheim arriveerde, nooit langer dan zes maanden op een planeet gebleven. Het met de snelheid van het licht van planeet naar planeet reizen had hem als een kiezelsteen over het oppervlak van de tijd gekeild. Zijn studenten hadden er geen idee van dat hun Spreker voor de Doden, die vast niet ouder was dan vijfendertig, zeer duidelijke herinneringen bezat aan gebeurtenissen van drieduizend jaar geleden, dat voor hem in feite die gebeurtenissen niet langer dan twintig jaar geleden leken, amper de helft van zijn leven. Ze hadden er geen idee van hoe heftig de vraag over Enders oerschuld in hem brandde en hoe hij die op wel duizend verschillende onbevredigende manieren had beantwoord. Zij kenden hun leraar alleen als Spreker voor de Doden; ze wisten niet dat toen hij nog maar een zuigeling was, zijn oudere zuster, Valentine, de naam Andrew niet kon uitspreken en hem dus Ender noemde, de naam die hij berucht maakte voor hij vijftien jaar oud was. Laat de onverzoenlijke Styrka en de onderzoekende Plikt dus maar nadenken over de grote vraag van Enders schuld; voor Andrew Wiggin, Spreker voor de Doden, was het geen abstracte vraag.

En nu hij in de kille lucht over de vochtige, met gras begroeide helling wandelde, moest Ender — Andrew, Spreker — voortdurend denken aan de zwijntjes, die nu al onverklaarbare moorden begingen, net als de kruiperds terloops hadden gedaan toen ze voor het eerst de mensheid bezochten. Was het soms onvermijdelijk dat wanneer vreemdelingen elkaar voor het eerst ontmoetten, die ontmoeting met bloed werd gemarkeerd? De kruiperds hadden heel terloops menselijke wezens gedood, maar alleen omdat zij een zwermgeest hadden; voor hen was het leven van een individu net zo kostbaar als een afgeknipte nagel, en het doden van een paar mensen was gewoon hun manier om ons te laten weten dat ze in de buurt waren. Zouden de zwijntjes ook een dergelijke reden hebben om te doden?

Maar de stem in zijn oor had over martelen gesproken, een rituele moord gelijksoortig aan de terechtstelling van een van de zwijntjes zelf. De zwijntjes hadden geen zwermgeest, zij waren de kruiperds niet en Ender Wiggin moest weten waarom ze deden wat ze gedaan hadden.

‘Wanneer hoorde u van de dood van de xenoloog?’

Ender draaide zich om. Het was Plikt. Ze was hem gevolgd in plaats van terug te gaan naar de grotten waar de studenten woonden.

‘Daarnet, toen we zaten te praten.’ Hij tikte tegen zijn oor; ingeplante werkstations waren kostbaar, maar niet eens zo erg zeldzaam.

‘Vlak voor het begin van de les heb ik nog even het nieuws doorgenomen. Toen werd er nog met geen woord over gerept. Als er een belangrijk bericht op de weerwort binnenkwam, was er zeker een waarschuwing uitgegaan. Of u moet natuurlijk het nieuws rechtstreeks uit het weerwortverslag hebben.’

Plikt dacht kennelijk dat ze op een geheim was gestuit. En dat was in feite ook wel zo. ‘Sprekers staan hoog op de prioriteitenlijst voor toegang tot openbare informatie,’ zei hij.

‘Heeft iemand u gevraagd om de dood van de xenoloog te komen Bespreken?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Lusitania heeft een Roomse Vergunning.’

‘Dat bedoelde ik juist,’ zei ze. ‘Ze hebben dus vast geen eigen Spreker daar. Maar ze moeten wel een Spreker toelaten als iemand daarom vraagt. En Trondheim is de wereld die het dichtst bij Lusitania ligt.’

‘Niemand heeft om een Spreker gevraagd.’

Plikt trok hem aan zijn mouw. ‘Waarom bent u hier?’

‘Je weet waarom ik ben gekomen. Ik Besprak de dood van Wutan.’

‘Ik weet dat u hier met uw zuster, Valentine, bent gekomen. Zij is als leraar veel geliefder dan u — zij beantwoordt vragen met antwoorden; u antwoordt alleen maar met meer vragen.’

‘Dat komt omdat zij op sommige dingen het antwoord weet.’

‘Spreker, u moet het me vertellen. Ik heb geprobeerd wat van u te weten te komen — ik was nieuwsgierig. Uw naam, bijvoorbeeld, waar u vandaan kwam. Alles is geheim. Zo verschrikkelijk geheim dat ik er zelfs niet achter kan komen op welk niveau men wel toegang tot die gegevens zou hebben. God zelf zou uw levensverhaal nog niet kunnen opzoeken.’

Ender nam haar bij de schouders en keek haar recht in de ogen. ‘Het gaat je geen bal aan, dat is het toegangsniveau.’

‘U bent belangrijker dan iemand vermoedt, Spreker,’ zei ze. ‘De berichten van de weerwort bereiken u eerder dan wie dan ook, nietwaar? En niemand kan informatie over u opzoeken.’

‘Niemand heeft het ooit geprobeerd. Waarom zou jij het wel doen?’

‘Ik wil ook Spreker worden,’ zei ze.

‘Nou, ga je gang. De computer zal je opleiden. Het heeft niets met godsdienst te maken — je hoeft geen catechismus uit je hoofd te leren. En laat me nu met rust.’ Hij liet haar los en gaf haar een zetje. Ze wankelde achteruit terwijl hij wegbeende.

‘Ik wil ú Bespreken,’ riep ze.

‘Ik ben nog lang niet dood!’ schreeuwde hij terug.

‘Ik weet dat u naar Lusitania gaat! Ik weet het!’

Dan weet je meer dan ik, zei Ender bij zichzelf. Maar hij beefde terwijl hij wegliep, ook al scheen de zon en droeg hij drie truien om de kou buiten te houden. Hij had niet geweten dat Plikt zo bewogen kon raken. Kennelijk was ze zich met hem gaan identificeren. Het maakte hem angstig dat dit meisje zo wanhopig iets van hem nodig had. Hij leefde nu al jaren zonder een echte band aan te gaan met iemand anders dan zijn zuster Valentine — met haar en natuurlijk met de doden voor wie hij Sprak. Alle andere mensen die iets voor hem hadden betekend in zijn leven waren dood. Hij en Valentine waren hen eeuwen geleden, werelden geleden, voorbijgevlogen.

Het idee om in de ijzige grond van Trondheim wortel te schieten stond hem vreselijk tegen. Wat wilde Plikt van hem? Het maakte niet uit, hij zou het niet geven. Hoe durfde ze dingen van hem te eisen alsof hij haar eigendom was? Ender Wiggin was niemands eigendom. Als ze wist wie hij werkelijk was, zou ze hem verafschuwen als de Anderlingendoder; of ze zou hem aanbidden als de Redder der Mensheid; Ender herinnerde zich ook nog heel goed hoe het was toen de mensen dat nog deden en dat stond hem evenmin aan. Zelfs nu kenden ze hem alleen in zijn rol, bij de titel Spreker, Talman, Falante, Spieler, of hoe ze de Spreker voor de Doden dan ook noemden in de taal van hun stad of land of wereld.

Hij wilde niet dat ze hem kenden. Hij hoorde niet bij hen, bij de menselijke soort. Hij had een andere boodschap, hij hoorde bij iemand anders. Niet bij menselijke wezens. Niet bij die verdomde zwijntjes ook. Dat dacht hij tenminste.

3. Libo

Waargenomen dieet: hoofdzakelijk macios, de glanzende wormen die tussen de merdonaranken op de bast van de bomen leven. Soms neemt men weleens waar dat ze capimsprieten kauwen. En soms — per ongeluk? — slikken ze met de macios merdonabladeren mee naar binnen.

Wij hebben hen nooit iets anders zien eten. Novinha heeft alle drie voedselsoorten onderzocht — macios, capimsprieten en merdonabladeren — en de resultaten waren verrassend. Of de pequeninos hebben niet veel verschillende eiwitten nodig, of ze hebben voortdurend honger. Veel spoorelementen ontbreken volkomen aan hun dieet. En ze krijgen zo weinig calcium binnen dat wij ons afvragen of hun botten wel op dezelfde manier calcium gebruiken als de onze.

Pure gissing: aangezien we geen weefselmonsters kunnen nemen, beperkt onze kennis van anatomie en fysiologie van de zwijntjes zich tot wat ze hebben kunnen opsteken uit onze foto’s van het opengesneden lijk van het zwijntje Wroeter. Toch kunnen we een aantal duidelijke ongerijmdheden waarnemen. De tong van de zwijntjes, die zo fantastisch lenig is dat ze alle geluiden die wij kunnen maken kunnen voortbrengen, plus nog een heleboel die wij niet kunnen maken, moet voor een of ander doel ontwikkeld zijn. Misschien om tussen boombast of in nesten in de grond naar insekten te zoeken. Of een oude oervorm van de zwijntjes dat nu deed of niet, tegenwoordig doen ze het in ieder geval niet. En de eeltkussens op hun voeten en aan de binnenkant van hun knieën stellen hen in staat om zonder hun armen te gebruiken in bomen te klimmen. Waarom heeft die vaardigheid zich ontwikkeld? Om aan een roofdier te ontkomen? Er is op Lusitania geen roofdier dat groot genoeg is om hen kwaad te doen. Om zich aan de boom vast te klemmen terwijl zij in de bast naar insekten zoeken? Dat zou bij hun tong passen, maar waar zijn de insekten? De enige insekten zijn de zuigvliegen en de puladors, maar die boren geen gangen in de bast en de zwijntjes eten ze trouwens toch niet. De macios zijn groot, leven op de buitenkant van de bast en kunnen heel gemakkelijk geoogst worden door de merdona-ranken omlaag te trekken; ze hoeven er eigenlijk niet eens voor in de bomen te klimmen.

Libo’s gissing: de tong en het boomklimmen ontwikkelden zich in een andere omgeving, met een veel gevarieerder dieet, waaronder insekten. Maar iets — een ijstijd? Een volksverhuizing? Een ziekte? — heeft de omgeving doen veranderen. Weg bastbeestjes, enz. Misschien zijn toen alle grote roofdieren wel uitgestorven. Het zou verklaren waarom er zo weinig soorten op Lusitania zijn, ondanks de zeer gunstige omstandigheden. De ramp zou betrekkelijk kort geleden gebeurd kunnen zijn — een half miljoen jaar? — zodat de evolutie nog niet de kans heeft gehad om veel verschillen te veroorzaken.

Het is een verleidelijke veronderstelling, omdat er in de huidige omgeving geen enkele reden te vinden is voor de ontwikkeling van de zwijntjes zelf. Ze hebben geen concurrentie. De ecologische plaats die ze innemen zou ook door grondeekhoorns ingevuld kunnen worden. Waarom zou verstand ooit een aanpassingseigenschap zijn? Maar een ramp uitvinden om te verklaren waarom de zwijntjes zo’n saai, weinig voedzaam dieet hebben, is waarschijnlijk nogal overdreven. Ockhams scheermes zou er niets van heel laten.

João Figueira Alvarez, Werkaantekeningen 4/14/1948 gr, postuum gepubliceerd in Filosofische grondslagen van de Lusitanische afscheiding, 2010-35-4-1090:40

Zodra burgemeester Bosquinha bij de zenadorpost aankwam, hadden Libo en Novinha de zaak niet meer in de hand. Bosquinha was gewend om het bevel te nemen en haar opstelling liet weinig gelegenheid over om te protesteren, of om dat zelfs maar te overwegen. ‘Jij blijft hier wachten,’ zei ze tegen Libo zodra ze doorhad hoe de zaken ervoor stonden. ‘Toen ik je boodschap kreeg, heb ik meteen de scheidsrechter naar je moeder gestuurd om het haar te vertellen.’

‘We moeten zijn lichaam hierheen halen,’ zei Libo.

‘Ik heb ook een paar mannen opgeroepen die hier dichtbij wonen om daarmee te helpen,’ zei ze. ‘En bisschop Peregrino maakt een plek voor hem klaar op het kerkhof van de kathedraal.’

‘Ik wil erbij zijn,’ drong Libo aan.

‘Libo, je begrijpt toch dat we alles uitgebreid moeten fotograferen.’

‘Ik heb zelf aan u verteld dat we dat moesten doen voor het rapport aan de Gesternteraad.’

‘Maar je kunt er beter niet bij zijn, Libo,’ zei Bosquinha op gebiedende toon. ‘Bovendien moeten we je rapport hebben. We moeten het Gesternteparlement zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen. Ben je in staat om het nu te schrijven, terwijl het nog vers in je geheugen ligt?’

Ze had natuurlijk gelijk. Alleen Libo en Novinha konden een verslag uit de eerste hand schrijven en hoe eerder zij dat deden, des te beter. ‘Dat kan ik wel,’ zei Libo.

‘En jij ook, Novinha, jouw waarnemingen ook. Schrijven jullie elk zelfstandig een rapport, zonder met elkaar te overleggen. De Honderd Werelden wachten erop.’

De computer was al paraat en hun rapporten werden onder het schrijven rechtstreeks per weerwort verzonden, met fouten en verbeteringen en al. Op alle Honderd Werelden lazen de mensen die het meest betrokken waren bij de xenologie elk woord al terwijl Libo of Novinha nog bezig was het in te toetsen. Vele anderen kregen rechtstreeks door de computer geschreven samenvattingen van wat er was voorgevallen. Tweeëntwintig lichtjaar verderop vernam Andrew Wiggin dat de xenoloog João Figueira ‘Pipo’ Alvarez vermoord was door de zwijntjes, en hij had het al aan zijn studenten verteld nog voor de mannen Pipo’s lijk door de poort van de omheining naar Milagre gebracht hadden.

Toen zijn rapport klaar was, werd Libo onmiddellijk omringd door gezagdragers. Novinha zag met groeiende onrust het onvermogen van de leiders van Lusitania aan, zag dat ze zijn pijn alleen maar groter maakten. Bisschop Peregrino was nog de ergste; zijn idee van troost was om Libo voor te houden dat de zwijntjes hoogstwaarschijnlijk toch dieren zonder ziel waren en dat zijn vader dus door wilde dieren was verscheurd en niet vermoord. Novinha schreeuwde hem bijna toe: Betekent dat dat Pipo’s levenswerk niets anders was dan het bestuderen van wilde beesten? En dat zijn dood geen moord was maar Gods wil? Maar onwille van Libo beheerste ze zich. Hij zat naast de bisschop en knikte maar en wist hem door zijn lijdzaamheid uiteindelijk veel sneller kwijt te raken dan Novinha ooit gelukt zou zijn door ruzie met hem te maken.

Aan Dom Cristão van het klooster hadden ze meer. Hij stelde verstandige vragen die Libo en Novinha in staat stelden om een analytisch, onemotioneel antwoord te formuleren. Maar Novinha gaf al spoedig geen antwoorden meer. De meeste mensen vroegen waarom de zwijntjes zoiets gedaan zouden hebben; Dom Cristão vroeg wat Pipo gedaan zou kunnen hebben om uit te lokken dat hij vermoord werd. Novinha wist heel goed wat Pipo gedaan had: hij had de zwijntjes het geheim verteld dat hij in Novinha’s simulatie ontdekt had. Maar zij repte hier met geen woord over en Libo dacht kennelijk niet meer aan wat ze hem een paar uur geleden haastig had verteld toen ze erop uit trokken om Pipo te zoeken. Hij keek zelfs niet eens in de richting van de simulatie. Dat vond Novinha best; haar grootste zorg was dat hij er wel aan zou denken.

Dom Cristão’s vragen werden onderbroken toen de burgemeester terugkwam met een aantal van de mannen die hadden meegeholpen het lijk op te halen. Ondanks hun plastic regenjassen waren ze tot op de huid doorweekt en ze zaten onder de modder; eventueel bloed was gelukkig door de regen weggespoeld. Ze leken allemaal vaag verontschuldigend en zelfs eerbiedig, en als ze Libo toeknikten, bogen ze bijna. Ineens besefte Novinha dat hun achting niet alleen maar de gebruikelijke omzichtigheid was waarmee mensen altijd degenen die door de dood zijn aangeraakt bejegen.

Een van de mannen zei tegen Libo: ‘Nu ben jij zenador, hè?’ en daar had je het, eindelijk uitgesproken. De zenador had in Milagre geen officieel gezag, maar hij had aanzien — zijn werk was uiteindelijk de enige reden voor het bestaan van de kolonie, nietwaar? Libo was geen jongen meer; hij moest beslissingen nemen, hij had aanzien, hij was van zijn plaats aan de rand van het leven in de kolonie pal naar het midden opgeschoven.

Novinha voelde de macht over haar leven uit haar handen glippen. Zo horen de dingen niet te zijn. Ik hoor hier nog jaren van Pipo te kunnen leren, met Libo als medeleerling; dat is het patroon van het leven. Aangezien zij al enige tijd de zenobiologista van de kolonie was, vervulde zij ook een geachte volwassenenrol. Ze was niet jaloers op Libo, ze wilde alleen nog een tijdje kind met hem blijven. Voor eeuwig in feite.

Maar Libo kon haar medeleerling niet zijn, kon in niets haar kameraad zijn. Ze zag ineens glashelder hoe iedereen in het vertrek zich op Libo richtte, op wat hij zei, hoe hij zich voelde, wat hij nu van plan was. ‘We gaan de zwijntjes geen kwaad doen,’ zei hij, ‘en we zullen het zelfs geen moord noemen. We weten niet of vader hen er misschien toe aangezet heeft met het een of ander, dat zal ik later proberen te begrijpen. Wat nu van belang is, is dat wat ze deden hun ongetwijfeld als juist voorkwam. Wij zijn hier de vreemden, wij moeten een of ander — taboe, een of andere wet overtreden hebben. Toch was vader daar altijd op voorbereid, en hij wist dat dit altijd mogelijk kon zijn. Vertel hun dat hij stierf met de eer van een soldaat op het slagveld, een piloot in zijn schip; hij stierf terwijl hij zijn werk deed.’

Ach, Libo, jij zwijgzame jongen, wat heb je een welsprekendheid gevonden nu je geen gewone jongen meer kunt zijn. Novinha voelde haar verdriet verdubbelen. Ze moest haar blik afwenden van Libo, moest een andere kant op kijken—

En waar ze keek was in de ogen van de enige andere persoon in het vertrek die niet naar Libo keek. De man was erg lang, maar erg jong — jonger dan zij, besefte ze, want ze kende hem; hij had op school een klas lager dan zij gezeten. Ze had hem een keer verdedigd bij Dona Cristão. Marcos Ribeira, zo heette hij, maar ze noemden hem altijd Marcão omdat hij zo fors was. Groot en dom, zeiden ze, en ze noemden hem ook wel eens alleen Cão, het scheldwoord voor hond. Ze had de smeulende woede in zijn ogen gezien en eenmaal had ze hem, onverdraaglijk getergd, een van zijn kwelgeesten zien neerslaan. Zijn slachtoffer had bijna een jaar lang met zijn schouder in het gips gelopen.

Natuurlijk wezen ze Marcão zonder enige aanleiding als de schuldige aan — dat is eigen aan kwelgeesten van elke leeftijd, om het slachtoffer de schuld in de schoenen te schuiven, vooral als hij terugslaat. Maar Novinha hoorde niet bij de groep kinderen — zij stond even alleen als Marcão, hoewel ze niet zo hulpeloos was als hij — en zij werd dus niet door loyaliteit verhinderd de waarheid te vertellen. Dat maakte deel uit van haar voorbereiding om voor de zwijntjes te kunnen Spreken, bedacht ze. Marcão zelf betekende niets voor haar. Het kwam nooit bij haar op dat het voorval voor hem belangrijk geweest kon zijn, dat hij haar zich zou kunnen herinneren als de enige persoon die ooit voor hem was opgekomen in zijn voortdurende oorlog met de andere kinderen. Ze had hem niet meer gezien en nooit meer aan hem gedacht sinds ze xenobioloog was geworden.

Nu stond hij hier, bevlekt met de modder van het tafereel van Pipo’s dood, en zijn gezicht zag er dierlijker en opgejaagder uit dan ooit, nu zijn haar door regen en zweet tegen zijn gezicht en zijn oren plakte. En waar keek hij naar? Hij had alleen oog voor haar, zelfs toen ze hem vrijpostig aanstaarde. Waarom kijk je naar me? vroeg ze zwijgend. Omdat ik honger heb, zeiden zijn dierenogen. Maar nee, nee, dat was haar angst, dat was haar visioen van de moorddadige zwijntjes. Marcão betekent niets voor me, en wat hijzelf ook mag denken, ik beteken niets voor hem.

Toch had ze toen heel even een belangrijk inzicht. Haar verdediging van Marcão betekende voor hem één ding, en voor haar iets heel anders; het was zo anders dat het niet eens dezelfde gebeurtenis was. Haar verstand bracht dit in verband met de moord op Pipo door de zwijntjes, en het leek ontzettend belangrijk, het leek wel bijna te verklaren wat er was gebeurd, maar de gedachte ontglipte haar weer in de plotselinge drukte van gepraat en gedoe toen de bisschop de mannen weer mee naar buiten nam om naar het kerkhof te vertrekken. Er werden hier bij begrafenissen geen kisten gebruikt, omdat het omwille van de zwijntjes verboden was bomen te kappen. En dus werd Pipo’s lichaam onmiddellijk begraven, hoewel de begrafenisdienst pas op zijn vroegst morgen gehouden zou worden, en waarschijnlijk wel later; heel wat mensen zouden de dodenmis voor de zenador willen bijwonen. Marcão en de andere mannen verdwenen in de regen en lieten het aan Novinha en Libo over om alle mensen op te vangen die meenden dat ze dringende zaken af te handelen hadden als nasleep van Pipo’s dood. Gewichtig doende vreemden liepen in en uit en namen besluiten die Novinha niet begreep en die Libo niets leken te kunnen schelen.

Tot uiteindelijk de scheidsrechter naast Libo kwam staan en zijn hand op de schouder van de jongen legde. ‘Jij slaapt natuurlijk bij ons,’ zei de scheidsrechter. ‘Althans vannacht.’

Waarom bij jou thuis, scheidsrechter? dacht Novinha. Je betekent niets voor ons, we hebben je nooit een zaak voorgelegd, wie ben je dat je dit zomaar besluit? Betekent de dood van Pipo dat we plotseling kleine kinderen zijn geworden die niets meer zelf kunnen besluiten?

‘Ik blijf bij mijn moeder,’ zei Libo.

De scheidsrechter keek hem verbaasd aan — het idee alleen al dat een kind zich tegen zijn wil zou kunnen verzetten, leek wel volledig buiten zijn ervaringswereld te liggen. Novinha wist dat dit uiteraard niet zo was. Zijn dochter Cleopatra, die een paar jaar jonger was dan Novinha, had hevig haar best gedaan om haar bijnaam te verdienen, Bruxinha — kleine heks. Hoe kon hij dus niet weten dat kinderen een eigen wil hadden en zich verzetten tegen pogingen om die wil te breken?

Maar de verbazing was niet over wat Novinha had aangenomen. ‘Ik dacht dat je besefte dat je moeder ook een tijdje bij mij thuis logeert,’ zei de scheidsrechter. ‘Deze gebeurtenissen hebben haar uiteraard van streek gemaakt en het is beter als ze nu niet aan huishoudelijke plichten hoeft te denken of in een huis woont dat haar herinnert aan degene die niet bij haar is. Ze is bij ons thuis met je broertjes en zusjes en ze hebben je daar nodig. Je oudste broer João is natuurlijk bij hen, maar hij heeft nu zelf een vrouw en een kind en jij bent dus degene die bij hen kunt blijven en op wie ze kunnen leunen.’

Libo knikte ernstig. De scheidsrechter nam Libo niet in bescherming ; hij vroeg Libo om zelf beschermer te worden.

De scheidsrechter wendde zich tot Novinha. ‘En ik vind dat jij maar naar huis moet gaan,’ zei hij.

Pas toen begreep ze dat zijn uitnodiging zich niet tot haar uitstrekte. Waarom ook? Pipo was toch háár vader niet. Zij was gewoon maar een vriendin die toevallig bij Libo was toen het lijk ontdekt werd. Wat kon haar verdriet nu helemaal voorstellen?

Naar huis! Wat had ze anders voor thuis dan deze post hier? Moest ze nu soms naar de biologistapost gaan, waar ze al een jaar lang niet geslapen had, op nu en dan een tukje tussen het laboratoriumwerk door na? Moest dat haar huis zijn? Ze had de post verlaten omdat het er zo schrijnend leeg was zonder haar ouders; nu was de zenadorpost ook leeg — Pipo dood en Libo veranderd in een volwassene met plichten die hem van haar zouden verwijderen. Dit was haar thuis niet, maar ergens anders was dat ook niet.

Libo werd door de scheidsrechter meegenomen. Zijn moeder Conceição wachtte op hem in het huis van de scheidsrechter. Novinha kende de vrouw amper, behalve dan als de bibliothecaresse die het Lusitaanse archief beheerde. Novinha was nooit omgegaan met Pipo’s vrouw of zijn andere kinderen, hun bestaan liet haar volkomen onverschillig; alleen het werk hier, het leven hier was echt geweest. Toen Libo naar de deur liep, leek hij kleiner te worden, alsof hij ineens veel verder weg was, alsof hij door de wind werd opgetild en weggevoerd en als een vlieger als een steeds kleiner stipje in de hemel verdween; de deur viel achter hem dicht.

Nu voelde ze de omvang van het verlies van Pipo. Het verminkte lijk op de heuvel was zijn dood niet, dat was alleen het afval van zijn dood. De dood zelf was de lege plek in haar leven. Pipo was een rots in de branding geweest, zo stevig en sterk dat Libo en zij in de beschutting aan zijn lijkant niet eens hadden geweten dat de branding bestond. Nu was hij weg en had de branding hen gegrepen om hen mee te sleuren waarheen hij maar wilde. Pipo, riep ze zwijgend. Ga niet weg! Laat ons niet alleen! Maar natuurlijk was hij weg, even doof voor haar smeekbeden als haar ouders destijds.

Er waren nog steeds mensen in de zenadorpost; de burgemeester in eigen persoon, Bosquinha, zat achter een werkstation om al Pipo’s gegevens per weerwort naar de Honderd Werelden te sturen, waar deskundigen wanhopig probeerden iets van Pipo’s dood te begrijpen.

Maar Novinha wist dat de sleutel tot zijn dood niet in Pipo’s archief te vinden was. Het waren haar gegevens die op een of andere manier zijn dood veroorzaakt hadden. De holografische beelden van de genetische moleculen in de kernen van zwijntjescellen hingen nog in de lucht boven haar toetsenbord. Ze had niet gewild dat Libo ernaar keek, maar nu staarde zij er onafgebroken naar om te proberen of ze kon zien wat Pipo had gezien, om te proberen te begrijpen wat hem zo plotseling naar de zwijntjes had doen snellen, en wat hij gezegd of gedaan zou kunnen hebben om hen ertoe te drijven hem te vermoorden. Zonder het te weten had zij een of ander geheim ontdekt dat de zwijntjes tegen elke prijs geheim wilden houden, maar wat was het?

Hoe langer ze de holobeelden bestudeerde, des te minder begreep ze ervan, en na een tijdje begreep ze ze helemaal niet meer, behalve als een vage veeg door haar tranen heen terwijl ze stilletjes zat te huilen. Zij had hem gedood, omdat ze ongewild het geheim van de pequeninos had gevonden. Als ik hier nooit gekomen was, als ik er niet van had gedroomd om ooit Spreker van het verhaal van de zwijntjes te worden, dan zou je nu nog in leven zijn, Pipo; Libo zou zijn vader nog hebben en gelukkig zijn; deze post zou nog mijn thuis zijn. Ik draag het zaad van de dood in me en ik plant het overal waar ik lang genoeg blijf om van iemand te gaan houden. Mijn ouders stierven om anderen te kunnen laten leven; nu leef ik om anderen te laten sterven.

Het was de burgemeester die haar korte, stotende ademhaling opmerkte en met een bruusk medelijden besefte dat dit meisje ook geschokt en verdrietig was. Bosquinha liet anderen verder de verslagen over de weerwort verzenden en nam Novinha mee naar buiten uit de zenadorpost.

‘Het spijt me, kind,’ zei de burgemeester. ‘Ik wist dat je hier vaak kwam, ik had moeten begrijpen dat hij als een vader voor je was en dan behandelen we je hier als een soort buitenstaander. Dat is helemaal niet mooi en zeker niet eerlijk van me. Ga met mij mee naar huis—’

‘Nee,’ zei Novinha. Buiten lopen in de koele, natte nachtlucht had haar verdriet enigszins tot bedaren gebracht; ze kon weer een beetje helder denken. ‘Nee, ik wil alleen zijn, alstublieft.’ Waar? ‘In mijn eigen post.’

‘Het is beter als je niet alleen bent, juist vannacht niet,’ zei Bosquinha.

Maar Novinha kon het vooruitzicht op gezelschap niet verdragen, het vooruitzicht op vriendelijkheid, op mensen die haar zouden proberen te troosten. Ik heb hem gedood, begrijpen jullie dat niet? Ik verdien geen troost. Ik wil alle pijn die over me zal komen ondergaan. Dat is mijn straf, mijn boete, en zo mogelijk mijn vergeving; hoe anders kan ik de bloedvlekken van mijn handen wassen?

Maar ze had de kracht niet om zich te verzetten, of om zelfs maar te protesteren. Tien minuten lang scheerde de wagen van de burgemeester over de graswegen.

‘Hier is mijn huis,’ zei de burgemeester. ‘Ik heb geen kinderen van jouw leeftijd, maar je zult het prettig genoeg hebben, denk ik. Maar je geen zorgen, niemand zal je lastig vallen, maar het is niet goed om alleen te zijn.’

‘Ik zou liever wel alleen zijn.’ Novinha had haar stem krachtig willen laten klinken, maar hij was zwak en zacht.

‘Alsjeblieft,’ zei Bosquinha. ‘Je bent jezelf niet.’

Ik wou dat dat waar was.

Ze had geen trek, hoewel Bosquinha’s echtgenoot voor hen beiden een cafezinho had klaarstaan. Het was laat, over een paar uur zou het al licht worden en ze liet zich door hen naar bed brengen. En daarna, toen het hele huis stil was, stond ze op, kleedde zich aan en ging naar beneden naar het thuiswerkstation van de burgemeester. Daar gaf ze de computer opdracht om het beeld te wissen dat nog steeds boven het toetsenbord in de zenadorpost zweefde. Zij was weliswaar niet in staat geweest om het geheim dat Pipo daarin had gezien te ontcijferen, maar iemand anders zou dat misschien wel kunnen en ze wilde niet nog een dode op haar geweten hebben.

Toen liep ze het huis uit en wandelde door het Centro, langs de bocht van de rivier, door de Vila das Aguas, naar de biologistapost. Haar huis.

Het was koud in de onverwarmde woonvertrekken — ze had er al zo lang niet geslapen dat er een dikke laag stof op haar bed lag. Maar in het veelgebruikte lab was het natuurlijk warm — haar werk had nooit geleden onder haar band met Pipo en Libo. Was dat maar wel het geval geweest.

Ze ging ontzettend systematisch te werk. Elk monster, elk preparaatje, elke kweek die ze had gebruikt bij de ontdekkingen die tot Pipo’s dood leidden — ze gooide ze allemaal weg, schrobde alles schoon en liet geen spoor achter van het werk dat ze gedaan had. Ze wilde niet gewoon maar dat het verdween, ze wilde ook dat uit niets bleek dat het verwoest was.

Toen ging ze achter haar toetsenbord zitten. Ze zou ook alle verslagen van haar werk op dit terrein, alle verslagen van het werk van haar ouders dat tot haar eigen ontdekkingen geleid had, vernietigen. Weg ermee. Ook al had haar leven erom gedraaid, al had ze zich er jarenlang mee geïdentificeerd, ze zou haar werk vernietigen zoals zijzelf gestraft en zonder sporen na te laten vernietigd zou moeten worden.

De computer weerhield haar. ‘Werkaantekeningen van xenobiologisch onderzoek mogen niet gewist worden,’ meldde hij. Ze had het trouwens toch niet kunnen doen. Ze had van haar ouders geleerd, van hun archief dat ze bestudeerd had als de Heilige Schrift, als een wegenkaart die de weg naar haar innerlijk aangaf: er mag niets vernietigd worden en niets vergeten. De heiligheid van kennis zat dieper in haar ziel geprent dan welke catechismus ook. Ze zat gevangen in een paradox. Kennis had Pipo gedood; die kennis uitwissen zou haar ouders voor de tweede maal doodmaken, zou doodmaken wat ze voor haar hadden achtergelaten. Ze kon het niet bewaren, ze kon het niet vernietigen. Ze was omringd door muren waar ze niet overheen kon klimmen en die steeds dichter naar elkaar toe kwamen en haar langzaam dreigden te verpletteren.

Novinha deed het enige dat ze kon doen. Ze voorzag de archiefstukken van elke mogelijke bescherming en elke mogelijke geheime toegangscode die ze kende. Zolang zij leefde zou niemand anders dan zij ze ooit te zien krijgen. Pas als ze stierf, zou de xenobioloog die haar opvolgde kunnen zien wat zij daarachter had verborgen. Met één uitzondering: als ze trouwde zou haar echtgenoot ook toegang tot haar archief hebben als hij de noodzaak om de inhoud daarvan te kennen kon aantonen. Nu, dan zou ze nooit trouwen. Zo makkelijk was dat.

Ze zag haar toekomst al voor zich, saai en ondraaglijk en onvermijdelijk. Ze durfde niet te sterven en toch zou ze nauwelijks leven; ze zou niet kunnen trouwen, zou zelfs zelf niet over het onderwerp kunnen nadenken uit angst dat ze per ongeluk het dodelijke geheim zou ontdekken en het ongewild zou laten uitlekken. Altijd alleen, altijd gebukt onder een zware last, altijd schuldig, verlangend naar de dood, maar niet in staat om die te versnellen. Toch zou ze één troost hebben: niemand anders zou ooit nog door haar schuld omkomen. Haar schuld zou niet groter worden dan hij nu was.

Op dat ogenblik van verbeten, vastberaden wanhoop herinnerde ze zich De zwermkoningin en de hegemoon, herinnerde ze zich de Spreker voor de Doden. Ook al lag de oorspronkelijke schrijver, de oorspronkelijke Spreker, vast al duizenden jaren in zijn graf, er waren vele andere Sprekers op allerlei werelden, die mensen die geen god erkenden en toch in de waarde van mensenlevens geloofden als priester dienden. Sprekers wier taak het was om de ware oorzaken en beweegredenen van wat mensen deden op te sporen en na hun dood de waarheid over hun leven te verkondigen. In deze Braziliaanse kolonie waren er priesters in plaats van Sprekers, maar de priesters konden haar geen troost bieden; zij zou een Spreker hierheen halen.

Ze had het nooit eerder beseft, maar dit was ze eigenlijk al haar hele leven van plan, af vanaf het moment dat ze De zwermkoningin en de hegemoon voor het eerst las en erdoor gegrepen werd. Ze had er zelfs van alles over opgezocht zodat ze de wet goed kende. Dit was een kolonie met een Roomse Vergunning, maar het Gesterntereglement stond elke burger toe om een beroep te doen op elke willekeurige priester van elk willekeurig geloof, en de Sprekers voor de Doden werden als priesters beschouwd. Ze kon een oproep doen en als er een Spreker zou besluiten te komen, kon de kolonie niet weigeren hem toe te laten.

Misschien zou er geen Spreker willen komen. Misschien was er geeneen nabij genoeg om nog te arriveren voor haar leven ten einde was. Maar er bestond een kans dat er een dichtbij genoeg was om op een gegeven moment — over twintig, dertig of veertig jaar — van de sterhaven hierheen te komen en te beginnen met het blootleggen van de waarheid omtrent Pipo’s leven en dood. En misschien, als hij de waarheid vond en die verkondigde met de heldere stem die haar zo aantrok in De zwermkoningin en de hegemoon, misschien zou dat haar dan bevrijden van het schuldgevoel dat haar verteerde.

Haar oproep ging de computer in; die zou per weerwort de Sprekers op de meest nabije werelden op de hoogte stellen. Kom alsjeblieft, zei ze in stilte tegen de onbekende ontvanger van de oproep. Ook al moet je aan iedereen de waarheid van mijn schuld onthullen. Kom zelfs dan.

Ze werd wakker met een doffe pijn onder in haar rug en een zwaar gevoel in haar gezicht. Haar wang drukte tegen de doorzichtige dekplaat van haar werkstation, dat zichzelf had uitgeschakeld om haar te beschermen tegen de lasers. Maar het was niet de pijn die haar gewekt had. Het was een zachte aanraking van haar schouder. Even dacht ze dat het de hand van de Spreker voor de Doden was die nu al haar oproep kwam beantwoorden.

‘Novinha,’ fluisterde hij. Niet de Falante pelos Mortos, maar iemand anders. Iemand van wie zij had gedacht dat hij gisteravond in de storm der gebeurtenissen verloren was gegaan.

‘Libo,’ mompelde ze. Toen begon ze op te staan. Veel te snel — haar rug verkrampte en haar hoofd duizelde. Ze slaakte een zachte kreet en zijn handen hielden haar schouders vast zodat ze niet zou vallen.

‘Gaat het weer?’

Ze voelde zijn adem als het briesje van een geliefde tuin en ze voelde zich veilig, voelde zich thuis. ‘Je bent me komen zoeken.’

‘Novinha, ik ben gekomen zodra ik kon. Moeder is eindelijk in slaap gevallen. Pipinho, mijn oudste broer, is nu bij haar en de scheidsrechter heeft de zaak in de hand en ik—’

‘Je had moeten weten dat ik voor mezelf kan zorgen,’ zei ze.

Het bleef een ogenblik stil en toen klonk zijn stem opnieuw, boos dit keer, boos en wanhopig en oneindig vermoeid, vermoeid als de ouderdom en de entropie en de dood van de sterren. ‘Zowaar God me ziet, Ivanova, ik ben niet teruggekomen om voor jóu te zorgen.’

Er klapte iets in haar dicht; ze had de hoop niet opgemerkt tot ze voelde dat ze hem verloren had.

‘Jij vertelde me dat vader iets ontdekte in een simulatie van jou. Dat hij verwachtte dat ik het zelfstandig ook wel zou kunnen zien. Ik dacht dat je de simulatie boven het werkstation had laten staan, maar toen ik naar de post terugging, was hij uitgeschakeld.’

‘O ja?’

‘Je weet donders goed dat hij uit was, Nova, niemand anders dan jij kon het programma stoppen. Ik moet het zien.’

‘Waarom?’

Hij keek haar vol ongeloof aan. ‘Ik weet dat je slaperig bent, Novinha, maar je hebt je toch wel gerealiseerd dat de zwijntjes vader gedood hebben om wat hij in jouw simulatie ontdekte.’

Ze keek hem strak en zwijgend aan. Hij had die kille, vastberaden blik van haar wel vaker gezien.

‘Waarom wil je mij die simulatie niet laten zien? Ik ben nu de zenador, ik heb het recht om het te weten.’

‘Jij hebt recht op het hele archief van je vader. Je hebt het recht om alles in te zien wat ik openbaar heb gemaakt.’

‘Maak dit dan ook openbaar.’

Weer zei ze niets.

‘Hoe kunnen we ooit de zwijntjes begrijpen als we niet weten wat vader over hen ontdekte?’ Ze gaf geen antwoord. ‘Jij hebt een verplichting tegenover de Honderd Werelden, tegenover ons vermogen om het enige vreemde volk dat nog leeft te begrijpen. Hoe kan je hier gewoon maar blijven zitten en — wat zit erachter, wil jij er zelf achter komen? Wil jij de eerste zijn? Prima, dan ben jij de eerste, ik zet jouw naam eronder, Ivanova Santa Catarina von Hesse—’

‘Ik geef geen moer om mijn naam!’

‘Ik kan dit spelletje ook spelen, hoor. Jij kan er ook niet achterkomen zonder wat ik weet — ik hou mijn archief gewoon geheim voor jóu.’

‘Je archief kan me ook geen moer schelen.’

Dat was te veel voor hem. ‘Wat kan je dan wel schelen? Wat probeer je me aan te doen?’ Hij greep haar bij haar schouders, trok haar uit haar stoel omhoog, rammelde haar door elkaar en schreeuwde in haar gezicht. ‘Het is mijn vader die ze daar vermoord hebben en jij hebt het antwoord op de vraag waarom ze hem vermoord hebben, jij weet wat er in die simulatie te zien was! Vertel het me, laat het me zien!’

‘Nooit,’ fluisterde ze.

Zijn gezicht was vertrokken van pijn. ‘Waarom niet?’ riep hij.

‘Omdat ik niet wil dat jij doodgaat.’

Ze zag het begrip in zijn ogen dagen. Ja, dat klopt, Libo, omdat ik van je houd, omdat als jij het geheim kent, de zwijntjes jou ook zullen vermoorden. De wetenschap kan me geen moer schelen, de Honderd Werelden of de betrekkingen tussen de mensheid en een anderlingenvolk kunnen me ook geen moer schelen, niks kan mij wat schelen zolang jij maar in leven blijft.

Eindelijk sprongen de tranen in zijn ogen en stroomden over zijn wangen. ‘Ik wil dood,’ zei hij.

‘Jij troost alle anderen,’ fluisterde ze. ‘Wie troost jou?’

‘Je moet het me vertellen, dan kan ik sterven.’

En plotseling hielden zijn armen haar niet langer overeind; nu klampte hij zich aan haar vast zodat zij hém ondersteunde. ‘Je bent moe,’ fluisterde ze, ‘maar nu kun je rusten.’

‘Ik wil niet rusten,’ mompelde hij. Maar hij liet zich door haar steunen, liet toe dat ze hem bij het werkstation vandaan leidde.

Ze bracht hem naar haar slaapkamer en sloeg het dek open zonder zich iets aan te trekken van het opstuivende stof. ‘Kom maar, je bent moe, ga maar lekker rusten. Daarvoor ben je bij mij gekomen, Libo, voor rust en voor troost.’ Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht, wiegde zijn hoofd heen en weer; een jongen die huilde om zijn vader, huilde omdat er aan alles een eind was gekomen, net zoals zij had gehuild. Ze deed zijn schoenen uit, trok zijn broek uit, stak haar handen onder zijn shirt om het omhoog te schuiven langs zijn armen en het over zijn hoofd uit te trekken. Hij ademde een paar maal diep om zijn snikken tot bedaren te brengen en stak toen zijn armen omhoog om haar zijn shirt te laten uittrekken.

Ze legde zijn kleren op een stoel en boog zich over hem heen om de dekens over hem heen te trekken. Maar hij greep haar pols en keek haar smekend aan met tranen in zijn ogen. ‘Laat me hier niet alleen,’ fluisterde hij. Zijn stem klonk wanhopig. ‘Blijft bij me.’

En dus liet ze zich door hem omlaagtrekken naar het bed, waar hij zich stijf aan haar vastklemde tot hij een paar minuten later in slaap viel en zich in haar armen ontspande. Maar zij viel niet in slaap. Haar hand gleed zacht en droog langs zijn huid, over zijn schouders, zijn borst, zijn middel. ‘O, Libo, ik dacht dat ik je verloren had toen ze je meenamen, ik dacht dat ik niet alleen Pipo maar ook jou nog verloren had.’ Hij hoorde haar niet fluisteren. ‘Maar jij zal altijd zo bij me terugkomen.’ Ze was dan wel uit de tuin verstoten vanwege haar onnozele zonde, net als Eva, maar ook net als Eva kon zijn het verdragen omdat ze haar Libo nog had, haar Adão.

Had? Had? Haar hand beefde op zijn blote huid. Ze zou hem nooit kunnen hebben. Het huwelijk was de enige manier waarop Libo en zij voor lange tijd bij elkaar zouden kunnen blijven — op elke pas gekoloniseerde wereld was de wet heel strikt en op werelden met een Roomse Vergunning was hij volkomen star. Vannacht kon ze geloven dat hij, als het zover kwam, met haar zou willen trouwen. Maar Libo was de enige met wie ze nimmer zou kunnen trouwen.

Want dan zou hij automatisch toegang hebben tot elk archiefstuk van haar waarvan hij aan de computer kon aantonen dat hij het moest inzien — en dat zou absoluut ook haar werkarchief omvatten, hoe goed ze dat ook had beveiligd. Zo luidde het Gesterntereglement. In de ogen van de wet waren getrouwde mensen praktisch een en dezelfde persoon.

Ze kon hem nimmer die archiefstukken laten zien, anders zou hij ontdekken wat zijn vader wist en dan zou het zijn lijk zijn dat ze op de helling aantrof en zijn lijden onder de martelingen van de zwijntjes dat ze iedere avond van haar verdere leven in haar verbeelding voor zich zou moeten zien. Was haar schuld aan Pipo’s dood niet al meer dan ze kon verdragen? Met Libo trouwen stond gelijk met hem vermoorden. En niet met hem trouwen stond gelijk met zelfmoord plegen, want ze kon zich niet indenken wie ze zou zijn als ze niet met Libo samen was.

Wat ben ik toch slim. Ik heb zo’n goede weg naar de hel gevonden dat ik nooit meer terugkan.

Ze drukte haar gezicht tegen Libo’s schouder en haar tranen rolden over zijn borst omlaag.

4. Ender

We hebben vier onderscheidbare zwijntjestalen kunnen thuisbrengen. Van die vier horen wij gewoonlijk vooral de ‘mannentaal’. Flarden van ‘vrouwentaal’, die ze kennelijk gebruiken om met de vrouwen te spreken (over sekseverschil gesproken!) hebben we ook weleens opgevangen, net als ‘boomtaal’, een ritueel idioom waarin zij naar hun zeggen tot de voorouderlijke totembomen bidden. Ze hebben ook melding gemaakt van een vierde taal, die zij ‘vaderspraak’ noemen en die kennelijk bestaat uit het tegen elkaar slaan van stokken van verschillende afmetingen. Ze houden vol dat het een echte taal is, die evenzeer van de andere talen verschilt als het Portugees van het Stark. Mogelijk noemen ze het vaderspraak omdat het gedaan wordt met houten stokken die afkomstig zijn van bomen, en zij geloven dat bomen de geesten van hun voorouders bevatten.

De zwijntjes zijn fantastisch vaardig in het aanleren van mensentalen — veel vaardiger dan wij in het leren van hun talen. De afgelopen jaren hebben ze zich aangewend om ook onder elkaar Stark of Portugees te spreken als wij bij hen zijn. Misschien vervallen ze weer in hun eigen talen als wij er niet bij zijn. Misschien hebben ze zelfs de mensentalen als hun eigen talen aanvaard of misschien vinden ze de nieuwe talen zo leuk dat ze ze voortdurend spreken bij wijze van spel. Taalcontaminatie is betreurenswaardig, maar was waarschijnlijk toch onvermijdelijk als we op een of andere manier met hen van gedachten wilden kunnen wisselen.

Dr. Swingler vroeg of hun namen en aanspreektitels iets duidelijk maken over hun cultuur. Het antwoord is een volmondig ja, hoewel ik er geen flauwe notie van heb wat ze dan onthullen. Van belang is dat wij nooit een van hen een naam hebben gegeven. In tegendeel, naarmate zij Stark en Portugees leerden, vroegen ze ons naar de betekenis van woorden, en op den duur vertelden ze ons dan welke namen ze voor zichzelf (of voor elkaar) uitgekozen hadden. Zulke namen als ‘Wroeter’ en ‘Chupaceu’ (hemelzuiger) kunnen vertalingen zijn van hun mannentaalnamen of simpelweg buitenlandse bijnamen, gekozen voor ons gemak.

Ze duiden elkaar aan met de term broeders. De vrouwen worden altijd vrouwen in de zin van echtgenotes genoemd en nooit zusters of moeders. Soms spreken ze over vaders, maar met die term duiden ze onvermijdelijk altijd voorouderlijke totembomen aan. Voor wat de benamingen die ze óns geven betreft; ze gebruiken uiteraard de term mens, maar ze hebben zich ook de nieuwe demostheniaanse uitsluitingsrangorde eigen gemaakt. Ze duiden mensen aan als framlings en zwijntjes van andere stammen als utlannings. Vreemd genoeg duiden ze zichzelf aan als ramen, waarmee ze aantonen dat ze de rangorde niet goed begrepen hebben of dat ze zichzelf vanuit het menselijk perspectief zien! En ze hebben de vrouwen herhaaldelijk aangeduid met de term varelse — wat voor ons nogal een schok was!

João Figueira Alvarez, ‘Korte aantekeningen over “Zwijntjestaal” en nomenclatuur’, in: Semantics, 9/1948/15

De woningen van Reykjavik waren in de granieten wanden van de fjord uitgehouwen. Die van Ender bevond zich boven in de steile wand, wat een saaie klim langs trappen en ladderpaden betekende. Maar zijn woning had een raam. Hij had het grootste deel van zijn jeugd achter metalen wanden opgesloten gezeten. Als het enigszins mogelijk was, woonde hij zo dat hij het weer van de wereld kon zien.

Het was warm en helder in zijn kamer met het binnenstromende zonlicht dat hem verblindde na de koele duisternis van de stenen gangen. Jane wachtte niet tot zijn ogen zich aan het licht aangepast hadden. ‘Ik heb een verrassing voor je op het werkstation,’ zei ze. Haar stem klonk als een fluistering uit zijn oorsieraad.

Boven het toetsenbord stond een zwijntje in de lucht. Het kwam in beweging en krabde zich; vervolgens stak het zijn hand uit om iets te pakken. Toen de hand weer in beeld kwam, zat er een glimmende, druipende worm in. Hij beet erin en de lichaamssappen van de worm drupten uit zijn mond op zijn borst.

‘Kennelijk een hoge beschaving,’ zei Jane.

Ender was kwaad. ‘Menig moreel zwakzinnige heeft fantastische tafelmanieren, Jane.’

Het zwijntje draaide zich om en zei: ‘Wil je zien hoe we hem gedood hebben?’

‘Wat doe je in godsnaam, Jane?’

Het zwijntje verdween. In zijn plaats verscheen een holografie van Pipo’s lijk zoals het op de helling in de regen lag. ‘Op grond van de gegevens opgeleverd door het visuele onderzoek voor het lijk begraven werd, heb ik een simulatie gemaakt van de vivisectiemethode die de zwijntjes gebruikten. Wil je die zien?’

Ender ging zitten op de enige stoel die zijn kamer rijk was.

Nu toonde het werkstation een nog levende Pipo, die met zijn handen en voeten aan houten staken gebonden op zijn rug op de helling lag. Een tiental zwijntjes stond om hem heen, een van hen met een benen mes in de hand. Janes stem klonk weer uit zijn oorsieraad. ‘We weten niet zeker of het zo ging.’ Alle zwijntjes verdwenen, op de ene met het mes na. ‘Of zo.’

‘Was de xenoloog bij bewustzijn?’

‘Vast en zeker.’

‘Ga verder.’

Genadeloos liet Jane zien hoe de borstholte opengesneden werd, waarna de inwendige organen op rituele wijze verwijderd en op de grond gelegd werden. Ender dwong zichzelf te kijken en te proberen te begrijpen wat dit in godsnaam voor de zwijntjes zou kunnen betekenen. Op een bepaald punt fluisterde Jane: ‘Dit is het moment waarop hij stierf.’ Ender voelde zijn lijf ontspannen; pas toen besefte hij dat hij zich zo in Pipo’s lijden had ingeleefd dat al zijn spieren verkrampt waren geweest.

Toen de simulatie afgelopen was, liep Ender naar zijn bed en ging naar het plafond liggen staren.

‘Ik heb deze simulatie al aan xenologen op een vijftal verschillende werelden laten zien,’ zei Jane. ‘Het zal niet lang duren voor de pers hem in handen krijgt.’

‘Het is erger dan het ooit met de kruiperds was,’ zei Ender. ‘Alle videobanden van de strijd tussen mensen en kruiperds die ze lieten zien toen ik klein was, waren hierbij vergeleken volkomen onschuldig.’

Een kwaadaardige lach klonk uit de buurt van het werkstation. Ender keek op om te zien wat Jane deed. Een levensgroot zwijntje zat daar gemeen te grijnzen en terwijl hij zat te grijnzen, veranderde Jane zijn uiterlijk. Het ging heel ongemerkt; ze overdreef de tanden een beetje, maakte de ogen wat langer, liet wat speeksel uit de mond druipen, maakte de ogen wat roder en liet de tong in en uit de mond schieten. Het enge monster uit kindernachtmerries. ‘Heel goed gedaan, Jane. De gedaanteverandering van raman naar varelse.’

‘Hoe lang zal het hierna nog duren voor de zwijntjes als de gelijken van de mens aanvaard zullen worden?’

‘Is alle contact verbroken?’

‘De Gesternteraad heeft de nieuwe xenoloog opgedragen zich te beperken tot veldbezoeken van niet langer dan een uur en niet vaker dan om de andere dag. Het is hem verboden om de zwijntjes te vragen waarom ze deden wat ze deden.’

‘Maar er is geen quarantaine afgekondigd?’

‘Dat is zelfs niet voorgesteld.’

‘Dat komt nog wel, Jane. Nog één zo’n voorval en er zal om quarantainemaatregelen worden geroepen. Er zal geëist worden dat Milagre vervangen wordt door een militair garnizoen dat als enig doel heeft ervoor te zorgen dat de zwijntjes nooit een technologisch niveau bereiken waarmee ze de ruimte in kunnen.’

‘De zwijntjes zullen voorlopig wel slecht liggen bij het publiek,’ zei Jane. ‘En de nieuwe xenoloog is nog maar een jonge jongen. De zoon van Pipo. Libo. Een afkorting van Liberdade Graças a Deus Figueira de Medici.’

‘Liberdade. Vrijheid?’

‘Ik wist niet dat je Portugees sprak.’

‘Het lijkt veel op Spaans. Ik heb de dood van Zacatecas en San Angelo Besproken, weet je nog?’

‘Op de planeet Moctezuma. Maar dat was tweeduizend jaar geleden!’

‘Voor mij niet.’

‘Voor jou is het subjectief gezien acht jaar geleden. Vijftien werelden geleden. Relativiteit is toch iets geweldigs, niet? Het houdt je zo jong.’

‘Ik reis te veel,’ zei Ender. ‘Valentine is getrouwd, ze verwacht een kind. Ik heb al twee oproepen voor een Spreker afgewezen. Waarom probeer je me te verleiden om toch weer te gaan?’

Het zwijntje boven het werkstation lachte vals. ‘Denk je dat dat verleiding was? Kijk! Ik kan stenen in brood veranderen!’ Het zwijntjes raapte een paar puntige stenen op en vermaalde die tussen zijn tanden. ‘Ook een hapje?’

‘Je hebt een pervers gevoel voor humor, Jane.’

‘Alle koninkrijken van alle werelden.’ Het zwijntje spreidde zijn handen uit en hele sterrenstelsels met overdreven snel ronddraaiende planeten stegen op uit zijn handpalmen; alle Honderd Werelden. ‘Ik kan ze je geven. Allemaal.’

‘Geen belangstelling.’

‘Allemaal onroerend goed. Betere investering is er niet. Ik weet het, ik weet het, je bent al rijk. Met alle rente die jij over die drieduizend jaar hebt verzameld zou je je eigen planeet kunnen bouwen. Maar wat denk je hiervan? De naam Ender Wiggin, bekend op alle Honderd Werelden—’

‘Dat is hij al.’

‘-maar nu herdacht met liefde, eer en genegenheid.’ Het zwijntje verdween. In plaats daarvan riep Jane een oude videoband uit Enders jeugd tot leven die ze in een holoreeks veranderde. Een juichende, schreeuwende menigte. Ender! Ender! Ender! En vervolgens een jonge jongen op een podium die naar de mensen zwaaide. De meute werd wild van vervoering.

‘Dat is nooit gebeurd,’ zei Ender. ‘Peter verbood me om naar de Aarde terug te keren.’

‘Beschouw het maar als een voorspelling. Kom op, Ender, dat kan ik je geven. Je goede naam in ere hersteld.’

‘Kan me niet schelen,’ zei Ender. ‘Ik heb inmiddels verscheidene namen. Spreker voor de Doden — dat is ook geen oneervolle term.’

Het zwijntje verscheen weer in zijn natuurlijke gedaante, niet het duivelse exemplaar dat Jane had gemaakt. ‘Kom alsjeblieft,’ zei het zwijntje zacht.

‘Misschien zijn het wel monsters, heb je daar wel aan gedacht?’ zei Ender.

‘Iedereen zal daaraan denken, Ender. Maar jij niet.’

Nee. Ik niet. ‘Waarom gaat het jou zo aan het hart, Jane? Waarom probeer je mij over te halen?’

Het zwijntje verdween. En nu verscheen Jane in eigen persoon, of althans het gezicht dat ze gebruikte om voor Ender te verschijnen vanaf de eerste keer dat ze zich aan hem bekend had gemaakt, een verlegen, bang kind dat in het reusachtige geheugen van het interstellaire computernetwerk leefde. Nu hij haar gezicht weer zag, moest hij denken aan die eerste keer dat ze het hem liet zien. Ik heb een gezicht bedacht voor mezelf, had ze gezegd. Bevalt het je?

Ja, het beviel hem. Zij beviel hem. Jong, open, eerlijk, lief; een kind dat nooit ouder zou worden, met een hartbrekend verlegen lachje. De weerwort had haar gebaard. Zelfs wereldwijde computernetwerken werkten niet sneller dan het licht, en warmte beperkte de geheugenomvang en de werksnelheid. Maar de weerwort werkte onmiddellijk en was stevig verbonden met elke computer op elke wereld. Jane kwam midden tussen de sterren bij bewustzijn, waar haar gedachten tussen de trillingen van de filotische strengen van het weerwortweb speelden.

De computers van de Honderd Werelden waren handen en voeten, oren en ogen voor haar. Ze sprak elke taal die ooit in een computer was gestopt en had elk boek gelezen in elke bibliotheek op elke wereld. Ze was erachter gekomen dat mensen al heel lang bang waren dat zo iemand als zij zou ontstaan; in alle verhalen werd ze gehaat en haar komst betekende óf de vernietiging van de mensheid óf een zekere dood voor haar. Zelfs nog voor ze geboren werd, hadden mensen haar al verzonnen en in hun fantasie wel duizendmaal gedood.

Zij liet dus uit niets blijken dat ze bestond. Tot ze De zwermkoningin en de hegemoon vond, zoals iedereen uiteindelijk, en wist dat de schrijver van dat boek een mens was aan wie ze haar bestaan wel bekend durfde te maken. Voor haar was het heel eenvoudig om de geschiedenis van het boek terug te volgen tot de eerste uitgave en de bron te benoemen. Het was immers per weerwort verspreid vanaf de wereld waar Ender, amper twintig jaar oud, landvoogd was van de eerste mensenkolonie. En wie anders dan hij was er daar die het had kunnen schrijven? En dus sprak ze hem aan en hij was aardig tegen haar; ze toonde hem het gezicht dat ze voor zichzelf had bedacht en hij vond haar lief; en nu reisden haar sensoren mee in zijn oorsieraad zodat ze altijd samen waren. Ze hield niets voor hem geheim en hij niets voor haar.

‘Ender,’ zei ze, ‘je hebt me altijd verteld dat je op zoek bent naar een planeet waar je een bepaalde cocon een plekje kunt bezorgen met water en zonlicht, waarna je hem kunt openen om de zwermkoningin met haar tienduizend bevruchte eieren eruit te laten.’

‘Ik had gehoopt dat het hier zou kunnen,’ zei Ender. ‘Een woestenij die op de streek rond de evenaar na blijvend onderbevolkt is. Zij wil het ook wel proberen.’

‘Maar jij niet?’

‘Volgens mij kunnen de kruiperds een winter hier niet overleven. Niet zonder energiebron, en die zou de aandacht van de regering trekken. Het zou niet lukken.’

‘Het zal nooit lukken, Ender. Dat zie je nu toch wel in, nietwaar? Je hebt op vierentwintig van de Honderd Werelden gewoond en daar is er niet één bij waarop de kruiperds zelfs maar in een klein hoekje veilig herboren zouden kunnen worden.’

Hij zag natuurlijk waar ze heen wilde. Lusitania was de enige uitzondering. Vanwege de zwijntjes was de hele wereld verboden terrein, op een klein stukje na. En de wereld was uitstekend bewoonbaar, in feite veel aangenamer voor kruiperds dan voor mensen.

‘De zwijntjes zijn het enige probleem,’ zei Ender. ‘Zij zouden er weleens bezwaar tegen kunnen hebben dat ik besluit dat hún wereld aan de kruiperds gegeven moet worden. Als intensieve blootstelling aan mensencultuur de zwijntjes zou ontwrichten, denk je dan eens in wat er zou gebeuren als ze kruiperds in hun midden zouden hebben.’

‘Je zei dat de kruiperds hun les geleerd hadden. Je zei dat ze geen kwaad zouden doen.’

‘Niet opzettelijk. Maar het was louter mazzel dat we hen versloegen, Jane, dat weet je—’

‘Het was jouw geniale verstand.’

‘Ze zijn technologisch veel hoger ontwikkeld dan wij. Hoe zouden de zwijntjes dat aankunnen? Ze zouden net zo doodsbang voor de kruiperds zijn als wij ooit waren, en ze zouden minder met hun angst uit de voeten kunnen.’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Jane. ‘Hoe kan jij of iemand anders zeggen wat de zwijntjes aankunnen? Tenzij jij naar hen toegaat en ze leert kennen. Als ze varelse zijn, Ender, laat dan de kruiperds hun woongebied maar in beslag nemen, want dan zal dat niets anders voor je betekenen dan het verplaatsen van mierenhopen of runderkuddes om plaats te maken voor een nieuwe stad.’

‘Ze zijn ramen,’ zei Ender.

‘Dat weet je niet.’

‘Ja, dat weet ik wel. Jouw simulatie — dat was geen marteling.’

‘O nee?’ Jane toonde hem opnieuw het simulatiebeeld van Pipo’s lichaam vlak voor het moment dat hij stierf. ‘Dan begrijp ik dat woord zeker niet goed.’

‘Pipo kan het als marteling ondergaan hebben, Jane, maar als jouw simulatie correct is — en ik weet dat hij dat is, Jane — dan waren de zwijntjes er niet op uit om hem pijn te doen.’

‘Uit wat ik van de menselijke natuur begrijp, Ender, staat zelfs in religieuze rituelen pijn altijd centraal.’

‘Het was ook geen religieuze ceremonie, niet helemaal althans. Als het louter een offer was, was er iets mis mee.’

‘Wat weet jij ervan?’ Nu toonde het werkstation het spottende gezicht van een professor, een en al academische pedanterie. ‘Je hebt alleen maar een militaire opleiding gehad en het enige andere talent dat je bezit is een zekere vaardigheid met woorden. Je hebt een bestseller geschreven die aan de wieg stond van een humanistische religie — op welke manier maakt dat jou bij uitstek geschikt om de zwijntjes te begrijpen?’

Ender deed zijn ogen dicht. ‘Misschien heb ik het mis.’

‘Maar je denkt dat je gelijk hebt?’

Hij hoorde aan haar stem dat haar eigen gezicht weer boven het werkstation te zien was. Hij deed zijn ogen open. ‘Ik kan alleen maar op mijn intuïtie afgaan, Jane, het oordeel dat zich vormt zonder onderzoek. Ik weet niet wat de zwijntjes deden, maar het was doelgericht. Niet kwaadaardig, niet wreed. Het zag eruit zoals dokters eruitzien die het leven van een patiënt proberen te redden, en niet als folteraars die dat leven proberen te vernietigen.’

‘Ik heb je,’ fluisterde Jane. ‘Ik heb je aan alle kanten. Je moet erheen om te zien of de zwermkoningin daar kan leven onder de bescherming van de gedeeltelijke quarantaine die al op de planeet rust. Je wilt erheen om te zien of je kunt begrijpen wie de zwijntjes zijn.’

‘Al zou je gelijk hebben, Jane, dan kan ik er nog niet heen,’ zei Ender. ‘Immigratie is strikt beperkt en ik ben trouwens toch niet rooms.’

Jane rolde met haar ogen. ‘Zou ik zo ver gegaan zijn als ik niet wist hoe ik je daar kon krijgen?’

Een nieuw gezicht verscheen. Een meisje van een jaar of zeventien, lang niet zo onschuldig en mooi als Jane. Haar gezicht stond hard en koud, haar ogen schitterden en hadden een priemende blik, en om haar mond lag de strakke trek van iemand die geleerd heeft om eeuwig en altijd met verdriet te leven. Ze was jong, maar haar gezichtsuitdrukking was schokkend oud.

‘De xenobioloog van Lusitania. Ivanova Santa Catarina von Hesse. Roepnaam Nova of Novinha. Zij heeft een Spreker voor de Doden ontboden.’

‘Waarom ziet ze er zo uit?’ vroeg Ender. ‘Wat is er met haar gebeurd?’

‘Haar ouders stierven toen ze nog heel klein was. Maar de afgelopen jaren heeft ze een andere man als een vader leren liefhebben. De man die kortgeleden door de zwijntjes werd vermoord. Ze wenst dat je zijn dood komt Bespreken.’

Ender keek naar haar gezicht en zette zijn bezorgdheid voor de zwermkoningin en voor de zwijntjes van zich af. Hij herkende die uitdrukking van volwassen verdriet op een kindergezicht. Hij had die eerder gezien, in de laatste weken van de oorlog met de kruiperds, toen hij, onder onverdraaglijke druk gezet, slag na slag moest leveren in een spel dat geen spel was. Hij had hem gezien toen de oorlog afgelopen was en hij erachter kwam dat zijn oefeningen helemaal geen oefeningen waren geweest, dat alle simulaties die hem waren voorgezet de werkelijkheid waren en dat hij per weerwort het bevel had gevoerd over heuse mensenvloten. En daarna, toen hij besefte dat hij alle levende kruiperds had gedood, toen hij begreep dat hij ongewild een heel volk van anderlingen had uitgemoord, toen hij een schuld moest dragen die onverdraaglijk zwaar was, was dat de uitdrukking op zijn eigen gezicht in de spiegel.

Wat had dit meisje, wat had Novinha gedaan dat haar zo’n pijn bezorgde?

En dus luisterde hij goed toen Jane de bijzonderheden van haar leven opsomde. Wat Jane had was afkomstig uit statistieken, maar Ender was de Spreker voor de Doden; zijn gave — of zijn vloek — was zijn vermogen om zich gebeurtenissen te kunnen voorstellen zoals een ander ze zag. Dat had hem tot een briljant militair bevelhebber gemaakt, zowel waar het het aanvoeren van zijn eigen manschappen — eigenlijk meer jongens, trouwens — betrof, als bij het te slim af zijn van de vijand. Het betekende ook dat hij uit de kille feiten omtrent Novinha’s leven kon afleiden — nee, niet afleiden, hij wist het — hoe de dood van haar ouders en hun feitelijke heiligheid Novinha apart had gezet, hoe ze haar eenzaamheid had versterkt door zich op het werk van haar ouders te storten. Hij wist wat er stak achter haar opmerkzame prestatie om jaren jonger dan gebruikelijk de status van volwaardig xenobioloog te verwerven. Hij wist ook wat Pipo’s rustige liefde en aanvaarding voor haar hadden betekend en hoe diep haar behoefte aan Libo’s vriendschap stak. Er was op Lusitania geen levende ziel die Novinha echt kende. Maar in deze grot in Reykjavik, op de ijswereld Trondheim, kende Ender Wiggin haar en hield van haar en huilde bittere tranen om haar.

‘Je gaat dus,’ fluisterde Jane.

Ender kon geen woord uitbrengen. Jane had gelijk gehad. Ender de Anderlingendoder zou toch wel gegaan zijn, alleen al voor de kans dat Lusitania door zijn beschermde status de plaats zou zijn waar hij de zwermkoningin uit haar gevangenschap van drieduizend jaar kon bevrijden om de verschrikkelijke misdaad die hij in zijn jeugd had begaan ongedaan te maken. En de Spreker voor de Doden zou ook gegaan zijn, om de zwijntjes te leren begrijpen en aan de mensheid uit te leggen, zodat ze aanvaard konden worden als ze waarlijk ramen waren en niet langer gehaat en gevreesd zouden worden als varelse.

Maar nu zou hij gaan om een andere, dieper wortelende reden. Hij zou gaan om het verzoek van het meisje Novinha in te willigen, want in haar scherpe verstand, haar eenzaamheid, haar pijn en haar schuld herkende hij zijn eigen gestolen jeugd en het zaad van de pijn die hij nog altijd in zijn binnenste voelde. Lusitania was tweeentwintig lichtjaar ver. Hij zou het traject afleggen met een snelheid die maar een oneindig kleine fractie lager lag dan de snelheid van het licht en toch zou hij haar pas bereiken als ze al bijna veertig was. Als het binnen zijn vermogen lag, zou hij nu meteen gaan met de onmiddellijkheid van de weerwort; maar hij wist ook dat haar pijn wel zou wachten. Die zou nog steeds op hem liggen wachten als hij eindelijk aankwam. Had zijn eigen pijn niet al die jaren standgehouden?

Zijn tranen droogden op; zijn emoties bedaarden. ‘Hoe oud ben ik?’ vroeg hij.

‘Het is drieduizendéénentachtig jaar geleden dat je werd geboren. Maar je subjectieve leeftijd is zesendertig jaar en honderdachttien dagen.’

‘En hoe oud zal Novinha zijn als ik daar aankom?’

‘Met een paar weken speling, afhankelijk van de datum van je vertrek en van hoe dicht het sterschip de lichtsnelheid zal benaderen, zal ze bijna negenendertig zijn.’

‘Ik wil morgen vertrekken.’

‘Het kost tijd om een sterschip klaar te maken voor vertrek, Ender.’

‘Zijn er geen schepen in een parkeerbaan rond Trondheim?’

‘Minstens een stuk of vijf natuurlijk, maar daarvan zou er maar één morgen klaar kunnen staan om te vertrekken en dat heeft een lading skrika voor de handel in luxeartikelen op Cyrillia en Armenia.’

‘Ik heb nooit gevraagd hoe rijk ik ben.’

‘Ik heb in de loop der jaren heel goede investeringen voor je gedaan.’

‘Koop het schip en de lading voor me.’

‘Wat moet je met skrika op Lusitania?’

‘Wat doen de Cyrilliërs en de Armeniërs ermee?’

‘Een deel ervan dragen ze en de rest eten ze op. Maar ze betalen er meer voor dan iemand op Lusitania zich zou kunnen veroorloven.’

‘Dan geef ik het weg aan de Lusitaniërs; wie weet verzacht het hun wrok een beetje over het feit dat er een Spreker naar een roomse kolonie komt.’

Jane veranderde in een geest uit een fles. ‘Ik heb u gehoord, meester, en ik gehoorzaam.’ De geest veranderde in rook die razendsnel in de fles verdween. Toen werden de lasers uitgeschakeld en was de lucht boven het werkstation weer leeg.

‘Jane,’ zei Ender.

‘Ja?’ antwoordde ze via zijn oorsieraad.

‘Waarom wil jij dat ik naar Lusitania ga?’

‘Ik wil dat je een derde deel aan De zwermkoningin en de hegemoon toevoegt. Voor de zwijntjes.’

‘Waarom geef je zoveel om ze?’

‘Omdat als je de boeken hebt geschreven die de ziel van de drie aan de mens bekende soorten bewuste wezens blootleggen, je klaar zal zijn om het vierde boek te schrijven.’

‘Nog een ramansoort?’ vroeg Ender.

‘Ja. Ik.’

Daar dacht Ender een tijdje over na. ‘Ben je er al aan toe om je aan de rest van de mensheid bekend te maken?’

‘Ik ben er altijd al aan toe geweest. De vraag is: zijn zij eraan toe om mij te leren kennen? Van de hegemoon houden was niet moeilijk voor hen — hij was een mens. En de zwermkoningin, dat kon toch geen kwaad, want voor zover zij weten zijn alle kruiperds dood. Als je hen kan leren houden van de zwijntjes, die nog leven en aan wier handen mensenbloed kleeft — dan zullen ze eraan toe zijn om mij te leren kennen.’

‘Ooit,’ zei Ender, ‘zal ik gaan houden van iemand die er niet op aandringt dat ik de werken van Hercules volbreng.’

‘Je begon je trouwens toch verschrikkelijk te vervelen, Ender.’

‘Ja. Maar ik ben nu van middelbare leeftijd. Ik vind het prettig om me te vervelen.’

‘Overigens heeft de eigenaar van het sterschip Havelok, woonachtig op Gales, je aanbod van veertig miljard dollar voor het schip met lading aangenomen.’

‘Veertig miljard! Ben ik nu failliet?’

‘Een druppel op een gloeiende plaat. De bemanning is verwittigd dat hun contracten geannuleerd zijn. Ik heb de vrijheid genomen om met jouw geld op andere schepen passage voor hen te boeken. Valentine en jij kunnen het schip makkelijk zelf bedienen zonder hulp van anderen dan van mij. Zullen we morgenochtend vroeg vertrekken?’

‘Valentine,’ zei Ender. Zijn zuster was de enige die zijn vertrek kon vertragen. Verder zouden, nu de beslissing eenmaal gevallen was, noch zijn studenten, noch de paar Scandinavische kennissen die hij hier had, zelfs maar een afscheid waard zijn.

‘Ik ben zo benieuwd naar Demosthenes’ boek over de geschiedenis van Lusitania.’ Jane had de ware identiteit van Demosthenes ontdekt tijdens haar speurtocht naar de oorspronkelijke Spreker voor de Doden.

‘Valentine gaat niet mee,’ zei Ender.

‘Maar ze is je zuster.’

Ender moest lachen. Ondanks Janes enorme wijsheid begreep ze niets van verwantschap. Hoewel ze door mensen geschapen was en in menselijke termen over zichzelf dacht, bestond ze niet in biologische zin. Ze had genetische zaken van horen zeggen leren kennen; de verlangens en de driften die menselijke schepsels met alle andere levende dingen gemeen hadden, kon ze niet voelen. ‘Ze is mijn zuster, maar Trondheim is haar thuis.’

‘Ze wilde weleens vaker niet graag weg.’

‘Dit keer vraag ik niet eens of ze meegaat.’ Niet met een baby op komst, niet nu ze hier in Reykjavik zo gelukkig is. Hier, waar ze gek op haar zijn als lerares en nooit zullen raden dat zij in werkelijkheid de legendarische Demosthenes is. Hier, waar haar man Jakt eigenaar van honderd vissersschepen is en heer van de fjorden, waar elke dag gevuld is met briljante gesprekken of met het gevaar en de majesteit van de met schotsen bezaaide zee, hier zal ze nooit weg willen. En ze zal ook niet begrijpen waarom ik moet gaan.

En bij de gedachte dat hij Valentine zou moeten achterlaten, begon Enders vastberadenheid om naar Lusitania te gaan te wankelen. Als kind was hij één keer eerder van zijn geliefde zuster gescheiden geweest en hij koesterde nog steeds een diepe wrok over de jaren van vriendschap die hem toen ontstolen waren. Kon hij haar nu opnieuw verlaten, na bijna twintig jaar onafgebroken met haar samen geweest te zijn? Dit keer zou er geen terug meer mogelijk zijn. Als hij eenmaal naar Lusitania ging, zou zij tijdens zijn afwezigheid tweeëntwintig jaar ouder worden; ze zou in de tachtig zijn als hij na nog eens tweeëntwintig jaar bij haar zou terugkeren.

<Het wordt dus toch niet zo makkelijk voor je. Jij zult ook je prijs moeten betalen.>

Hou op met me te pesten, zei Ender zwijgend. Ik mag het toch zeker wel spijtig vinden.

<Ze is je andere ik. Ben je werkelijk van plan om haar omwille van ons te verlaten?>

Dat was de stem van de zwermkoningin in zijn gedachten. Natuurlijk had ze alles gezien wat hij zag en wist ze alles wat hij besloten had. Zijn lippen vormden geluidloos de woorden van zijn antwoord aan haar: Ik zal haar verlaten, maar niet omwille van jou. We weten niet zeker of jij hier op vooruit zult gaan. Het zou heel goed weer een teleurstelling kunnen worden, net als Trondheim.

<Lusitania is precies wat we nodig hebben. En er valt geen gevaar van mensen te duchten.>

Maar het behoort toe aan een ander volk. Ik ben niet van plan om de zwijntjes te vernietigen om goed te maken dat ik jouw volk heb vernietigd.

<Ze zullen bij ons veilig zijn; we zullen hun geen kwaad doen. Je kent ons nu toch zeker wel na al die jaren.>

Ik weet wat je me hebt verteld.

<Wij weten niet hoe we moeten liegen. We hebben je onze herinneringen getoond, onze ziel.>

Ik weet dat jullie in vrede met hen zouden kunnen leven. Maar zouden zij ook in vrede met jullie kunnen leven?

<Breng ons erheen. We hebben al zo lang gewacht.>

Ender liep naar een haveloze plunjezak die in de hoek van zijn kamer stond. Al wat waarlijk zijn eigendom was paste daarin: zijn kleren. Alle andere dingen in zijn kamer waren geschenken van mensen tegen wie hij had Gesproken en die hem of zijn ambt wilden eren, hij kon nooit precies uitmaken wat nu het geval was. Dat zou allemaal hier blijven als hij vertrok. Hij had er geen plaats voor in zijn plunjezak.

Hij trok de zak open en haalde er een opgerolde handdoek uit die hij uitrolde. Daar lag de dikke, vezelige rol van een grote cocon, op zijn langste punt veertien centimeter lang.

<Ja, bekijk ons eens.>

Hij had de speciaal voor hem klaarliggende cocon gevonden toen hij regeringsleider werd van de eerste menselijke kolonie op een voormalige kruiperdwereld. Toen ze hun eigen vernietiging door Ender voorzagen, omdat ze beseften dat hij een onoverwinnelijke vijand was, hadden ze een tafereel opgebouwd dat alleen voor hem betekenis zou hebben, omdat het uit zijn dromen gehaald was. De cocon met zijn hulpeloze, maar volledig bij kennis zijnde zwermkoningin had op hem liggen wachten in een toren waar hij in zijn dromen eens een vijand aangetroffen. ‘Je hebt destijds langer op me moeten wachten,’ zei hij hardop, ‘dan de paar jaar die er verstreken zijn sinds ik je achter de spiegel vandaan haalde.’

<Paar jaar? Ach ja, met jouw sequentiële geest merk je het verstrijken van de jaren niet op als je je verplaatst met een snelheid zo dicht bij die van licht. Maar wij merken het wel. Ons denken is onmiddellijk; licht kruipt voorbij als kwik over koud glas. Wij beleven elk moment van die drieduizend jaar.>

‘Heb ik al een plaats gevonden die veilig voor jullie was?’

<Wij hebben tienduizend bevruchte eieren die op het leven wachten.>

‘Misschien is Lusitania de goede plaats, ik weet het niet.’

<Laat ons weer leven.>

‘Ik doe mijn best.’ Waarom denk je dat ik al die jaren van wereld naar wereld heb gezworven, als het niet was om een plaats voor jullie te zoeken?

<Sneller sneller sneller sneller.>

Ik moet een plaats vinden waar we jullie niet meteen weer doden zodra jullie opduiken. Voor te veel mensen zijn jullie nog steeds nachtmerrieverschijningen. Te weinig mensen geloven oprecht mijn boek. Ze veroordelen misschien de anderlingenmoord wel, maar ze zouden het zo weer doen.

<In ons hele leven ben jij de eerste persoon die wij leerden kennen die wij niet zelf waren. Wij hoefden nooit begrip op te brengen omdat we alles altijd begrepen. Nu we alleen nog deze enkele zelf zijn, ben jij de enige ogen en armen en benen die wij hebben. Vergeef ons ons ongeduld.>

Hij schoot in de lach. Ik moet jóu vergeven.

<Jouw volk is dom. Wij kennen de waarheid. Wij weten wie ons gedood heeft, en dat was jij niet.>

Ik was het.

<Jij was een werktuig.>

Ik was het.

<We vergeven je.>

Als jullie weer op het oppervlak van een wereld rondwandelen, dan is het tijd voor vergeving.

5. Valentine

Vandaag liet ik me ontvallen dat Libo mijn zoon is. Alleen Bast hoorde wat ik zei, maar binnen een uur wist kennelijk iedereen het. Ze kwamen om me heen staan en lieten Selvagem aan me vragen of het waar was, was ik echt ‘al’ vader. Selvagem legde vervolgens Libo’s hand in de mijne; in een opwelling sloeg ik mijn arm om Libo heen en zij maakten de klikkende geluiden van verbazing en volgens mij ook van ontzag. Ik kon duidelijk zien dat vanaf dat moment mijn prestige onder hen aanzienlijk was toegenomen.

Aan de conclusie valt niet te ontkomen. De zwijntjes die wij tot dusver hebben leren kennen zijn geen volledige gemeenschap en zelfs geen karakteristieke mannelijke exemplaren. Ze zijn of jongelingen of oude vrijgezellen. Geen van hen heeft ooit kinderen verwekt. Voor zover wij kunnen nagaan heeft geen van hen zelfs ooit gepaard.

Ik heb nog nooit van een mensengemeenschap gehoord waar dergelijke groepen vrijgezellen niet worden bezien als paria’s, zonder macht of aanzien. Geen wonder dat ze met die eigenaardige mengeling van eerbied en minachting over de vrouwen spreken en de ene minuut geen beslissing durven nemen zonder hun toestemming en de volgende minuut tegen ons staan te vertellen dat de vrouwen te dom zijn om iets te begrijpen, dat ze varelse zijn. Tot nu toe nam ik zonder meer aan dat die opmerkingen waar waren, wat ertoe leidde dat ik me een beeld vormde van de vrouwen als verstandeloze wezens, een kudde zeugen die op vier poten rondliepen. Ik dacht dat de mannen hen misschien raadpleegden op de manier waarop ze de bomen raadplegen, en dat ze uit hun gegrom met wichelarij antwoorden afleidden, vergelijkbaar met botten werpen of ingewanden lezen.

Maar nu besef ik dat de vrouwen mogelijk precies zo verstandig zijn als de mannen en helemaal geen varelse. De negatieve opmerkingen van de mannen spruiten voort uit hun wrok tegen het vrijgezellenbestaan, uitgesloten van het voortplantingsproces en van de machtsstructuren van de stam. De zwijntjes zijn net zo voorzichtig met ons geweest als wij met hen — zij hebben ons niet laten kennismaken met hun vrouwen of met de mannen die de macht bezitten. Wij dachten dat we het hart van de zwijntjesgemeenschap onderzochten. In plaats daarvan bevinden we ons, figuurlijk gesproken, in de genetische goot, tussen de mannen wier genen niet goed genoeg geacht worden om bij te dragen aan de stam.

En toch kan ik dat niet geloven. De zwijntjes die ik heb gekend waren allemaal scherp, slim en leerden razendsnel. Zo snel dat ik hun per ongeluk meer over de menselijke samenleving heb bijgebracht dan ik in al die jaren van onderzoek over hen heb kunnen opsteken. Als dit hun uitschot is, dan hoop ik maar dat ze me ooit achtenswaardig genoeg zullen vinden om kennis te mogen maken met de ‘vrouwen’ en de ‘vaders’.

Maar ondertussen kan ik hier niets van rapporteren omdat ik, gewild of niet, duidelijk de regels heb gebroken. Het maakt niet uit dat niemand ooit had kunnen voorkomen dat de zwijntjes iets over ons te weten kwamen. Het maakt niet uit dat de regels stom zijn en averechts uitpakken. Ik heb ze gebroken en als ze daarachter komen, zullen ze mijn contact met de zwijntjes volledig afsnijden, en dat is altijd nog veel erger dan het streng beperkte contact dat we nu hebben. Ik moet dus mijn toevlucht nemen tot bedrog en dwaze listen, zoals het verstoppen van deze aantekeningen in Libo’s gesloten persoonlijke archief, waar zelfs mijn geliefde echtgenote er niet naar zou zoeken. Hier zit ik met de onmisbare kennis dat de zwijntjes die wij bestudeerd hebben allemaal vrijgezellen zijn, en vanwege de regels durf ik daarover niets bekend te maken aan de framling xenologen. Olha bem, gente, aqui está: A ciência, o bicho que se devora a si mesma! (Kijk maar goed, mensen, hier heb je het: De wetenschap, het lelijke beestje dat zichzelf verslindt!)

João Figueira Alvarez, Geheime aantekeningen, gepubliceerd in Demosthenes’ ‘Gerechtvaardigd verraad: de xenologen van Lusitania’, Reykjaviks Historisch Perspectief, 1990:4:1

Haar buik was al strak en gezwollen, maar het duurde nog een maand voor Valentines dochter geboren moest worden. Het was een voortdurende ergernis om zo dik en topzwaar te zijn. Als ze voorheen voorbereidingen trof om met een groep geschiedenisstudenten op söndring te gaan, had ze altijd grotendeels zelf de boot kunnen inladen. Nu moest ze alles door de zeelieden van haar man laten doen en kon ze zelfs niet heen en weer klauteren van werf naar ruim — de kapitein hield toezicht op het stouwen om te zorgen dat het schip goed in evenwicht bleef. Hij deed het natuurlijk prima — kapitein Räv was uiteindelijk de man die haar toen ze hier nog maar pas was, de fijne kneepjes van het stouwen had bijgebracht — maar Valentine hield er niet van om een zittende rol opgedrongen te krijgen.

Het was haar vijfde söndring; op de eerste had ze Jakt ontmoet. Ze had nooit aan trouwen gedacht. Trondheim was een wereld net als alle andere die ze met haar rondzwervende jongere broer had bezocht. Ze gaf les, ze studeerde en na vier of vijf maanden schreef ze een uitgebreid historisch essay dat ze onder het pseudoniem Demosthenes publiceerde en vervolgens vermaakte ze zich tot Ender een oproep aanvaardde om elders te komen Spreken. Meestal sloot hun werk schitterend op elkaar aan — hij werd opgeroepen om de dood te Bespreken van een of ander belangrijk personage en diens levensverhaal werd dan het middelpunt van haar essay. Het was een spel dat ze speelden, net doen of ze reizende professoren in het een of ander waren, terwijl ze in werkelijkheid de identiteit van een wereld bepaalden, want een essay van Demosthenes werd altijd gezien als onherroepelijk waar.

Een tijdlang had ze gedacht dat op een gegeven moment iemand toch wel zou inzien dat Demosthenes essays schreef die een verdacht verband met haar omzwervingen vertoonden, en haar zou ontmaskeren. Maar al gauw besefte ze dat er rond Demosthenes een soort mythologie was ontstaan, net als rond de Sprekers, maar dan in mindere mate. De mensen meenden dat Demosthenes niet één enkel individu was. Volgens hen was elk essay van Demosthenes het onafhankelijk geschreven werk van een genie die het vervolgens onder de naam Demosthenes probeerde te publiceren; de computer legde dan automatisch het werk voor aan een onbekende commissie van briljante eigentijdse geschiedkundigen, die beslisten of het werk waardig was om die naam te dragen. Kon niet schelen dat niemand ooit een geleerde had ontmoet aan wie een dergelijk werk was toegeschreven. Elk jaar werden honderden pogingen gewaagd; de computer weigerde automatisch alle essays die niet door de echte Demosthenes geschreven waren en toch hield de overtuiging onwankelbaar stand dat zo’n persoon als Valentine onmogelijk kon bestaan. Tenslotte was Demosthenes begonnen als demagoog op de computernetwerken toen de Aarde nog met de kruiperds in oorlog was, drieduizend jaar geleden. Het kon inmiddels dezelfde persoon niet meer zijn.

En dat is waar ook, bedacht Valentine. Bij elk boek ben ik een ander persoon, want terwijl ik de geschiedenis van een wereld beschrijf, verandert die wereld mijn persoonlijkheid. En bij deze wereld was dat heel sterk het geval.

De alomtegenwoordigheid van het lutherse denken stond haar helemaal niet aan, en vooral niet dat van de calvinistische tak, die overal al een antwoord op leek te hebben nog voordat er iets gevraagd was. En dus had ze het plan opgevat om met een groepje uitverkoren doctoraalstudenten een tijdje uit Reykjavik weg te trekken naar een van de Zomereilanden, de eilandketen op de evenaar, waar in het voorjaar skrika kwamen paaien en zwermen halking dol werden van voortplantingsenergie. Haar idee was om de patronen van intellectueel verval die op elke universiteit onvermijdelijk waren te doorbreken. De studenten zouden niets anders eten dan de havregrin die in het wild in de beschutte dalen groeide en de enkele halking die ze mogelijk met durf en beleid zouden verschalken. Als hun dagelijks voedsel van hun eigen inspanningen afhankelijk was, lag het voor de hand dat hun opvattingen over wat belangrijk was en wat niet drastisch zouden veranderen.

De universiteit gaf met tegenzin toestemming; zij huurde uit eigen middelen een boot van Jakt, die zojuist aan het hoofd was komen te staan van een van de vele families die van de skrikavangst leefden. Hij had de aan zeelieden eigen minachting voor universiteitsmensen en noemde ze skräddare in hun gezicht en veel erger dingen achter hun rug. Hij vertelde Valentine dat hij binnen een week haar uitgehongerde studenten zou moeten komen redden. In plaats daarvan hielden zij en haar schipbreukelingen, zoals ze zich noemden, het niet alleen de volle periode uit, maar zelfs op een bloeiende manier. Ze bouwden een soort dorp en genoten met volle teugen van een periode van ongebreideld, creatief denken, met als resultaat na hun terugkeer een opvallende golf uitstekende, inzicht verschaffende publikaties.

Het meest duidelijke resultaat in Reykjavik was dat Valentine altijd honderden kandidaten had voor de twintig plaatsen in elk van de drie zomersöndrings. Voor haar was Jakt echter veel belangrijker. Hij had geen bijzonder hoge opleiding genoten, maar hij was zeer vertrouwd met de traditionele kennis van Trondheim zelf. Hij kon de halve equatoriale zee bevaren zonder een kaart te hoeven raadplegen. Hij kende de ijsbergvelden en hij wist waar de schotsen dicht opeen zouden liggen. Hij scheen te weten waar de skrika bijeen zouden komen om te dansen en hoe hij zijn jagers moest opstellen om ze onverhoeds te vangen als ze spartelend uit zee aan land gingen. Het weer leek hem wel nooit te kunnen verrassen en Valentine kwam tot de slotsom dat er kennelijk geen enkele situatie bestond waarop hij niet was voorbereid.

Behalve op haar. En toen de lutherse dominee — geen calvinist — hen in de echt verbond, leken ze allebei meer verbaasd dan gelukkig. En toch waren ze heel gelukkig. En voor het eerst sinds haar vertrek van de Aarde voelde ze zich compleet, tevreden en thuis. Daarom groeide nu de baby ook in haar buik. De zwerftocht was afgelopen. En ze was Ender zo dankbaar dat hij dit had begrepen, dat hij zonder dat ze het hadden hoeven bespreken beseft had dat Trondheim het eind van hun duizenden kilometers lange odyssee was, het eind van de Demosthenes’ loopbaan. Net als de ishäxa had ze een manier gevonden om in het ijs van deze wereld te wortelen en het voedsel op te zuigen dat de bodem van andere landen niet had verschaft.

De baby schopte wild en maakte een eind aan haar dagdroom; ze keek om zich heen en zag Ender aan komen lopen langs de rand van de werf met zijn plunjezak over zijn schouder. Ze begreep onmiddellijk waarom hij zijn plunje mee had: hij wilde mee met deze söndring. Ze vroeg zich af of ze daar blij om was. Ender was stil en bescheiden, maar hij kon onmogelijk zijn briljante begrip van de menselijke natuur geheim houden. De gemiddelde student zou hem over het hoofd zien, maar de besten, de studenten van wie ze hoopte dat ze op de proppen zouden komen met inventief denkwerk, zouden onvermijdelijk de subtiele maar krachtige aanwijzingen oppikken die hij ongetwijfeld zou laten vallen. Het resultaat zou indrukwekkend zijn, daar was ze van overtuigd — maar het zou Enders briljantie zijn en niet die van de studenten. Het zou het doel van de söndring enigszins tenietdoen.

Maar ze zou geen nee zeggen als hij vroeg of hij mee mocht. Eerlijk gezegd zou ze het heerlijk vinden als hij meeging. Hoeveel ze ook van Jakt hield, ze miste toch de sterke band die zij en Ender hadden voor ze trouwde. Het zou nog jaren duren voor zij en Jakt zo’n hechte band zouden hebben opgebouwd als zij met haar broer had. Jakt wist dat ook en het deed hem een beetje verdriet; een echtgenoot hoort niet met zijn zwager om de toewijding van zijn vrouw te hoeven wedijveren.

‘Ho, Val,’ zei Ender.

‘Ho, Ender.’ Alleen op de steiger, waar niemand anders het kon horen, kon ze hem vrijelijk bij die naam uit hun kindertijd noemen zonder eraan te hoeven denken dat de rest van de mensheid daar een scheldnaam van had gemaakt.

‘Wat doe je als het konijn besluit om eruit te springen terwijl je op söndring bent?’

Ze lachte. ‘Haar papa wikkelt haar in een skrikavacht, ik zing malle Scandinavische liedjes voor haar en de studenten krijgen plotseling geheel nieuwe inzichten in de invloed van voortplantingsdriften op de geschiedenis.’

Ze lachten met elkaar en ineens wist Valentine, zonder te beseffen hoe ze het wist, dat Ender niet met de söndring mee wilde, maar dat hij zijn plunjezak had gepakt omdat hij Trondheim ging verlaten en dat hij niet was gekomen om te vragen of ze meeging, maar om afscheid te nemen. De tranen sprongen haar ongewild in de ogen en een verwoestend verdriet maakte zich van haar meester. Hij stak zijn armen uit en koesterde haar zoals hij in het verleden zo vaak had gedaan; maar dit keer zat haar buik tussen hen in en was hun omarming onhandig en aarzelend.

‘Ik dacht dat je wilde blijven,’ fluisterde ze. ‘Je sloeg alle oproepen die kwamen af.’

‘Er kwam er één die ik niet kan afslaan.’

‘Ik kan deze baby wel tijdens een söndring krijgen, maar niet op een andere wereld.’

Zoals ze al had vermoed, was het niet Enders bedoeling dat ze meeging. ‘De baby zal schokkend blond worden,’ zei Ender. ‘Ze zou op Lusitania hopeloos misplaatst lijken. Er wonen daar voornamelijk zwartharige Brazilianen.’

Dus hij ging naar Lusitania. Valentine begreep onmiddellijk waarom hij ging — de moord door de zwijntjes op de xenoloog was inmiddels algemeen bekend, omdat het in Reykjavik tijdens de middagpauze in het nieuws was geweest. ‘Je bent stapelgek.’

‘Nou, nee, dat zou ik niet willen zeggen.’

‘Weet je wel wat er zou gebeuren als de mensen zouden beseffen dat dé Ender naar de wereld van de zwijntjes onderweg is. Ze zouden je kruisigen!’

‘Ze zouden me hier ook kruisigen, maar niemand behalve jij weet wie ik ben. Beloof me dat je het niet zult verklappen.’

‘Wat voor goed kun je daar doen? Als je eindelijk arriveert, is hij al tientallen jaren dood.’ ‘Mijn onderwerpen zijn gewoonlijk behoorlijk koud voor ik arriveer om voor hen te Spreken. Dat is het grootste nadeel van een zwervend bestaan.’

‘Ik had nooit gedacht dat ik je nog eens zou kwijtraken.’

‘Maar ik wist al dat we elkaar kwijt waren op de dag dat je verliefd werd op Jakt.’

‘Dan had je me dat moeten vertellen! Dan had ik het niet gedaan!’

‘Daarom heb ik het je ook niet verteld. Maar het is niet waar, Val. Je zou het toch gedaan hebben. En ik wilde ook dat je het deed. Je bent nog nooit zo gelukkig geweest.’ Hij pakte haar met twee handen bij haar middel. ‘De Wiggin-genen schreeuwden gewoon om voortzetting van hun bestaan. Ik hoop dat je er nog een stuk of tien bij neemt.’

‘Bij meer dan vier vinden ze je onbeleefd, bij meer dan vijf hebberig en bij meer dan zes ben je een barbaar.’ Terwijl ze het grapje stond te maken, dacht ze na hoe ze de söndring het beste kon aanpakken — de doctoraalstudenten zonder haar laten vertrekken, de hele zaak afgelasten, of uitstellen tot na Enders vertrek?

Maar Ender maakte de vraag zinloos. ‘Denk je dat je echtgenoot me vannacht door een van zijn boten op de mareld zal willen laten afzetten, zodat ik morgenochtend met de pendel naar mijn sterschip kan vertrekken?’

Zijn haast was wreed. ‘Als je geen schip van Jakt nodig had gehad, zou je dan een boodschap op de computer voor me hebben achtergelaten?’

‘Ik heb het besluit vijf minuten geleden genomen en ik ben regelrecht naar je toegekomen.’

‘Maar je hebt al passage geboekt — daar is planning voor nodig!’

‘Niet als je het sterschip koopt.’

‘Waarom heb je zo’n haast? De reis duurt tientallen jaren—’

‘Tweeëntwintig jaar.’

‘Tweeëntwintig jaar! Wat voor verschil maken dan een paar dagen? Kan je niet een maand wachten tot mijn baby geboren is?’

‘Over een maand, Val, heb ik misschien de moed niet meer om je nog te verlaten.’

‘Doe het dan niet! Wat betekenen die zwijntjes helemaal voor je? De kruiperds zijn al ramen genoeg voor een mensenleven. Blijf, ga trouwen net als ik; jij hebt de sterren opengegooid voor kolonisatie, Ender, blijf nu hier om van de vruchten van je arbeid te genieten!’

‘Jij hebt Jakt. Ik heb verfoeilijke studenten die maar blijven proberen om me tot het calvinisme te bekeren. Mijn arbeid is nog niet afgelopen, en Trondheim is mijn thuis niet.’

Valentine voelde de woorden als een beschuldiging: Jij hebt je hier geworteld zonder erbij stil te staan of ik wel op deze grond zou kunnen leven. Maar dat is mijn schuld niet, wilde ze antwoorden — jij bent degene die vertrekt, niet ik. ‘Weet je nog hoe het was,’ zei ze, ‘toen we Peter op Aarde achterlieten en aan een reis van tientallen jaren naar onze eerste kolonie begonnen, naar de wereld waar jij regeringsleider werd? Het was net of hij gestorven was. Tegen de tijd dat we er aankwamen was hij oud en wij waren nog jong; toen we via de weerwort met elkaar praatten, was hij een stokoude oom geworden, de door macht gerijpte hegemoon, de legendarische Locke, noem maar op, maar niet onze broer.’

‘Hij was er nogal van opgeknapt, als ik het me goed herinner.’ Ender probeerde de dingen lichter te maken.

Maar Valentine gaf een perverse draai aan zijn woorden. ‘Denk je dat ik in twintig jaar ook zal opknappen?’

‘Ik denk dat ik meer verdriet om jou zal hebben dan wanneer je gestorven was.’

‘Nee, Ender, het is precies hetzelfde als wanneer ik dood zou zijn, en je zal er niet omheen kunnen dat jij degene bent die mij heeft omgebracht.’

Hij kromp in elkaar. ‘Dat meen je niet.’

‘Ik schrijf je ook niet. Waarom zou ik? Voor jou zal het maar een week of twee duren. Je zou op Lusitania aankomen en dan had de computer een stapel brieven van twintig jaar voor je, van een persoon van wie je nog geen week geleden afscheid had genomen. Die van de eerste vijf jaar zouden allemaal verdrietig zijn en vol staan over hoeveel pijn het doet om je te verliezen en hoe eenzaam het is nu ik niet met je kan praten—’

‘Jakt is je man, niet ik.’

‘En wat zou ik daarna moeten schrijven? Pientere, gezellige brieven vol nieuwtjes over de baby? Ze zou dan inmiddels vijf zijn, zes, tien, twintig en getrouwd en je zou haar niet eens kennen, het zou je niets kunnen schelen.’

‘Het zal me wel kunnen schelen.’

‘Nou, je zal er de kans niet voor krijgen. Ik schrijf pas aan je als ik heel erg oud ben, Ender. Tot je op Lusitania geweest bent en weer naar een ander oord vertrokken, tientallen jaren opslokkend met grote happen. Dan zal ik je mijn memoires toesturen. Ik zal ze aan jou opdragen. Voor Andrew, mijn geliefde broer. Ik heb je met liefde gevolgd naar een stuk of twintig werelden en jij wilt niet eens twee weken blijven als ik je dat vraag.’

‘Val, let alsjeblieft op je woorden voor je me helemaal de vernieling in werkt.’

‘Dat is een sofistenopmerking die je van je studenten niet zou pikken, Ender! Ik zou al deze dingen niet gezegd hebben als jij niet als een op heterdaad betrapte dief zou vertrekken. Nou moet je de boel niet omdraaien en mij de schuld geven!’

Hij antwoordde ademloos en struikelde af en toe in zijn haast over zijn eigen woorden; hij haastte zich om wat hij wilde zeggen gezegd te hebben voor zijn emoties hem het spreken onmogelijk maakten. ‘Nee, je hebt gelijk, ik wilde haast maken omdat ik daar een karwei moet opknappen en elke dag die ik hier rondhang verdoe ik mijn tijd, en omdat het me elke keer weer pijn doet om Jakt en jou dichter naar elkaar toe te zien groeien en jou en mij verder uit elkaar, ook al weet ik dat dat juist goed is, en toen ik dus besloot om te gaan, dacht ik dat het beter zou zijn om vlug te vertrekken en ik had gelijk; je weet dat ik gelijk heb. Ik had alleen niet gedacht dat je me erom zou haten.’

Nu werden zijn emoties hem de baas en hij barstte in tranen uit en zij ook. ‘Ik haat je niet, ik hou van je, je bent een deel van me, je bent mijn hart en als jij weggaat, wordt mijn hart uitgerukt en weggevoerd—’

En meer werd er niet gezegd.

Rävs eerste stuurman bracht Ender naar de mareld, het grote platform in de equatoriale zee, waar ruimtependels gelanceerd werden naar in een parkeerbaan ronddraaiende sterschepen. Ze kwamen zwijgend overeen dat Valentine niet met hem mee zou gaan. In plaats daarvan ging ze met haar man naar huis, waar ze zich de hele nacht aan hem vastklampte. De volgende dag vertrok ze op söndring met haar studenten; ze huilde alleen ’s nachts om Ender, wanneer volgens haar niemand het kon zien.

Maar haar studenten zagen het wel en allerlei verhalen over het grote verdriet van professor Wiggin over het vertrek van haar broer, de rondzwervende Spreker, deden de ronde. Ze maakten ervan wat studenten altijd doen — tegelijk meer en minder dan de werkelijkheid. Maar één student, een meisje dat Plikt heette, besefte dat er meer vastzat aan het verhaal van Valentine en Andrew Wiggin dan iemand vermoedde.

En dus ging ze proberen hun levensloop te achterhalen door van achter naar voor hun gezamenlijke reizen tussen de sterren te volgen. Toen Valentines dochter Syfte vier jaar was en haar zoon Ren twee, kwam Plikt haar opzoeken. Inmiddels was ze een jonge lector aan de universiteit en ze liet Valentine het verhaal zien dat ze had gepubliceerd. Ze had het als een verzonnen verhaal gepresenteerd, maar het was natuurlijk waar, het verhaal van de broer en de zuster die de oudste mensen in het heelal waren, geboren op Aarde voor er nog enige andere wereld gekoloniseerd was, en vervolgens rondzwervend van wereld naar wereld, ontheemd en altijd op zoek.

Tot Valentines opluchting — en vreemd genoeg ook wel een beetje tot haar teleurstelling — had Plikt niet ontdekt dat Ender de oorspronkelijke Spreker voor de Doden was en Valentine Demosthenes. Maar ze wist genoeg van hun levensloop om hun afscheid te kunnen beschrijven, toen zij besloot om bij haar man te blijven en hij besloot om verder te trekken. Ze had het tafereel tederder en aangrijpender beschreven dat het in werkelijkheid was geweest; Plikt had geschreven wat er gebeurd zou zijn als Ender en Valentine wat meer gevoel voor drama hadden bezeten.

‘Waarom heb je dit geschreven?’ vroeg Valentine.

‘Is het niet goed genoeg om zichzelf te rechtvaardigen?’

Valentine vond het gewrongen antwoord wel vermakelijk, maar ze liet zich niet van haar stuk brengen. ‘Wat betekende mijn broer Andrew voor jou dat je aan het onderzoek begon waarmee je dit kon schrijven?’

‘Nog steeds de verkeerde vraag,’ zei Plikt.

‘Kennelijk zak ik telkens voor een of andere proef. Kan je me een aanwijzing geven over het soort vragen dat ik zou moeten stellen?’

‘Niet boos worden. U had moeten vragen waarom ik het als een verhaal schreef in plaats van als een biografie.’

‘Waarom heb je dat gedaan?’

‘Omdat ik ontdekte dat Andrew Wiggin, Spreker voor de Doden, Ender Wiggin de Anderlingendoder is.’

Ender was weliswaar al vier jaar onderweg, maar hij was nog achttien jaar van zijn bestemming verwijderd. Valentine werd misselijk van angst als ze bedacht wat voor leven hij zou hebben als hij in Lusitania werd verwelkomd als dé meest schandalige mens in de geschiedenis van de mensheid.

‘U hoeft niet bang te zijn, professor Wiggin. Als ik het bekend had willen maken, had ik dat kunnen doen. Toen ik erachter kwam, besefte ik dat hij berouw had van wat hij had gedaan. En wat een schitterend berouw. Het was de Spreker voor de Doden die zijn daad als een onuitsprekelijke misdaad aan de kaak stelde — en dus nam hij de titel Spreker aan, als zoveel honderden anderen, en speelde de rol van zijn eigen aanklager op twintig werelden.’

‘Je hebt zo veel ontdekt, Plikt, en maar zo weinig begrepen.’

‘Ik begrijp alles! Lees maar wat ik heb geschreven — dat was vol begrip!’

Valentine hield zichzelf voor dat Plikt al zoveel wist dat ze net zogoed nog wat meer mocht weten. Toch was het niet haar verstand maar haar woede die Valentine ertoe aanzette om te vertellen wat ze nog nooit eerder aan iemand had verteld. ‘Plikt, mijn broer was geen navolger van de oorspronkelijke Spreker voor de Doden. Hij schrééf De zwermkoningin en de hegemoon

Toen Plikt besefte dat Valentine de waarheid sprak, overweldigde die haar. Al die jaren had ze Andrew Wiggin beschouwd als haar onderwerp en de oorspronkelijke Spreker voor de Doden als haar inspiratiebron. Te ontdekken dat ze dezelfde persoon waren maakte haar een halfuur lang sprakeloos.

Toen had ze een vertrouwelijk gesprek met Valentine, waardoor ze elkaar gingen vertrouwen, en Valentine vroeg aan Plikt of ze huisonderwijzeres van haar kinderen wilde worden en haar wilde helpen bij het lesgeven en het schrijven. Jakt keek wat verbaasd op van de nieuwe toevoeging aan het huishouden, maar mettertijd vertelde Valentine hem de geheimen die Plikt bij haar onderzoek had ontdekt of haar had weten te ontfutselen. Het werd de familielegende en de kinderen groeiden op met wonderbaarlijke verhalen over hun lang geleden vertrokken oom Ender, die op elke wereld als een monster werd beschouwd maar die in werkelijkheid een soort heiland was, of een profeet, of minstens een martelaar.

De jaren verstreken, het gezin bloeide en Valentines pijn om het verlies van Ender veranderde in trots op hem en tenslotte in een krachtige hoop. Ze verlangde naar zijn aankomst op Lusitania, waar hij het raadsel van de zwijntjes zou oplossen en zijn kennelijke bestemming als apostel voor de ramen zou gaan vervullen. Het was Plikt, de goede lutheraan, die Valentine leerde om Enders leven in religieuze termen te beschouwen; de grote evenwichtigheid van haar gezinsleven en het wonder van elk van haar vijf kinderen hadden haar langzamerhand niet de leerstellingen, maar wel de bewogenheid van het geloof bijgebracht.

Het greep natuurlijk de kinderen ook aan. Omdat ze het nimmer aan een buitenstaander konden vertellen, kreeg het verhaal van oom Ender een bovennatuurlijke bijklank. Syfte, de oudste dochter, was bijzonder onder de indruk, en zelfs toen ze twintig werd en haar gezonde verstand de primitieve, kinderlijke aanbidding van oom Ender de baas werd, was ze nog altijd bezeten van hem. Hij was een wezen uit een legende en toch leefde hij nog, op een wereld die niet onmogelijk ver weg was.

Ze zei er niets over tegen haar vader en moeder, maar ze vertrouwde het wel toe aan haar voormalige onderwijzeres. ‘Eens ga ik naar hem toe, Plikt. Ik ga naar hem toe en ik ga hem helpen met zijn werk.’

‘Waarom denk je dat hij hulp nodig zal hebben? Jóuw hulp, in ieder geval?’ Plikt was altijd sceptisch tot haar leerling haar geloof had verdiend.

‘Hij deed het de eerste keer ook niet in zijn eentje, nietwaar?’ En Syftes dromen vlogen uit, weg van het ijs van Trondheim naar de verre planeet waar Ender Wiggin nog geen voet aan land had gezet. Mensen van Lusitania, jullie weten niet wat voor een groot man jullie planeet zal bewandelen en jullie last over zal nemen. En ik zal me te zijner tijd bij hem voegen, al zal dat dan een generatie later worden — bereid je maar voor op mij ook, Lusitania.

In zijn sterschip had Ender Wiggin geen weet van de vracht aan andermans dromen die hij met zich meevoerde. Het was nog maar een paar dagen geleden dat hij Valentine huilend op de steiger had achtergelaten. Voor hem had Syfte geen naam; ze was een bolling in Valentines buik en meer niet. Het verlies van Valentine begon nu pas pijn te doen — terwijl zij allang over haar pijn heen was. En zijn gedachten waren in het geheel niet bij zijn onbekende nichtjes en neefjes op de ijsplaneet.

Hij dacht aan het eenzame, gekwelde jonge meisje Novinha en hij vroeg zich af wat de tweeëntwintig jaren van zijn reis haar zouden aandoen, en wie ze geworden zou zijn als hij haar eindelijk ontmoette. Want hij hield van haar, zoals je alleen kunt houden van iemand die een afspiegeling is van je eigen persoon op het moment van je grootste verdriet.

6. Olhado

Hun enige omgang met andere stammen is kennelijk oorlog voeren. Als ze elkaar verhalen vertellen (meestal met regenachtig weer), gaan die bijna altijd over strijd en helden. Ze eindigen er altijd mee dat iedereen dood gaat, helden en lafaards zonder onderscheid. Als de verhalen ook maar enigszins als richtsnoer kunnen dienen, dan verwachten zwijntjes dat ze een oorlog niet overleven. En uit helemaal niets laten ze ooit enige belangstelling voor de vrouwen van de vijand blijken; ze reppen nimmer over verkrachting, moord of slavernij, wat toch bij mensen een heel gewone manier is om de vrouwen van overwonnen soldaten te behandelen.

Betekent dit dat er geen genetisch materiaal wordt uitgewisseld tussen de stammen? Geenszins. De uitwisseling kan wel door de vrouwen geregeld worden, die mogelijk een soort systeem hebben om genetische gunsten te ruilen. Als je de kennelijke volledige onderworpenheid van de mannen aan de vrouwen in de zwijntjessamenleving in aanmerking neemt, zou dit heel goed kunnen gebeuren zonder dat de mannen er iets van merken; of ze zouden zich er zo erg voor kunnen schamen dat ze het gewoon niet aan ons willen vertellen.

Waarover ze ons wel willen vertellen, is over gevechten. Een karakteristieke beschrijving uit de aantekeningen van mijn dochter Ouanda van vorig jaar 2:21, over een vertelpartij in de blokhut:

ZWIJNTJE (in Stark): Hij doodde drie broeders zonder zelf één wond op te lopen. Ik heb nog nooit zo’n sterke, onbevreesde krijger gezien. Zijn armen zaten tot boven aan toe vol bloed en de stok in zijn hand was versplinterd en bevlekt met de hersens van mijn broeders. Hij wist dat hij eervol was, ook al verliep de rest van de strijd in het nadeel van zijn zwakke stam. Dei honra! Eu ihe dei! (Ik gaf hem eer! Ik gaf hem die!)

(Andere zwijntjes klikken met hun tong en slaken gilletjes.)

ZWIJNTJE: Ik drukte hem tegen de grond. Hij bood krachtig weerstand tot ik hem het kruid in mijn hand liet zien. Toen opende hij zijn mond en neuriede de vreemde liederen van het verre land. Nunca será madeira na mão da gente! (Nooit zal hij een stok in onze handen zijn!) (Op dit punt begonnen ze gezamenlijk een lied in de vrouwentaal te zingen, een van de langste passages die we ooit gehoord hebben.)

(N.B. Dit patroon vertonen zij zeer vaak; ze spreken voornamelijk Stark en op het hoogtepunt en aan het eind van hun verhaal schakelen ze over op Portugees. Bij nader inzien beseften we dat wij dat ook doen; op momenten van heftige gemoedsbeweging schakelen we over op onze Portugese moedertaal.)

Dit strijdverslag lijkt misschien helemaal niet zo ongewoon tot je genoeg verhalen hebt gehoord om te beseffen dat ze altijd eindigen met de dood van de held. Kennelijk houden ze niet van een vrolijk einde.

Liberdade Figueira de Medici, ‘Verslag over intertribale gedragspatronen van inheemse Lusitaniërs’, in: Intercultureel Verkeer, 1964:12:40

Er was weinig te doen op een interstellaire vlucht. Als de koers eenmaal was uitgezet en het schip de Parkwissel had genomen, hoefde er alleen nog maar berekend te worden hoe dicht het schip de lichtsnelheid benaderde. De scheepscomputer berekende dan de precieze snelheid en bepaalde vervolgens hoe lang de reis zou moeten duren in subjectieve tijd alvorens het via de Parkwissel weer naar het hanteerbare sublichtsnelheidsgebied moest terugkeren. Net een stopwatch, bedacht Ender. Klik inschakelen, klik uitschakelen en de wedstrijd is afgelopen.

Jane kon zichzelf maar voor een heel klein deel kwijt in het geheugen van de scheepscomputer en dus was Ender de acht dagen die de reis duurde vrijwel aldoor alleen. De scheepscomputer was slim genoeg om hem te helpen bij het overschakelen van Spaans naar Portugees. De uitspraak was makkelijk genoeg, maar er werden zoveel medeklinkers weggelaten dat het erg moeilijk te verstaan was.

Portugees praten met een domme computer was na een uur of twee iedere dag om gek van te worden. Op al zijn andere reizen was Val meegeweest. Niet dat ze dan de hele tijd zaten te praten — Val en Ender kenden elkaar zo goed dat er vaak niets te zeggen viel. Maar zonder haar erbij werd Ender ontevreden over zijn eigen gedachten; ze leidden nooit ergens toe omdat er toch niemand was om ze aan te vertellen.

Zelfs aan de zwermkoningin had hij niets. Haar gedachten waren onmiddellijk; niet aan synapsen gebonden, maar aan filoten, waarop de relativistische effecten van de lichtsnelheid geen invloed hadden. Zij maakte voor elke minuut van Enders tijd zestien uren door — het verschil was te groot om op een of andere manier met haar te kunnen communiceren. Als ze niet in een cocon had gezeten, zou ze duizenden individuele kruiperds gehad hebben die elk hun eigen taak vervulden en de ervaringen die ze daarbij opdeden doorgaven naar haar reusachtige geheugen. Maar nu had ze niets anders dan die herinneringen, en in zijn acht dagen durende gevangenschap begon Ender haar gretige verlangen om verlost te worden enigszins te begrijpen.

Tegen de tijd dat de acht dagen om waren, kon hij redelijk goed Portugees praten zonder dat hij iedere keer dat hij iets wilde zeggen zijn woorden uit het Spaans hoefde te vertalen. Hij verlangde ook wanhopig naar menselijk gezelschap — hij zou met liefde een gesprek over godsdienst gevoerd hebben met een calvinist, alleen maar om met iemand te kunnen praten die pienterder was dan de scheepscomputer.

Het sterschip nam de Parkwissel; in een onmeetbaar ogenblik veranderde zijn relatieve snelheid ten opzichte van de rest van het heelal. Of liever gezegd, de theorie luidde dat de snelheid van de rest van het heelal veranderde, terwijl het sterschip in feite onbeweeglijk op zijn plaats bleef. Niemand kon het met zekerheid zeggen, omdat er geen plaats bestond van waaraf je het verschijnsel kon waarnemen. Het was wat de gek ervoor gaf, aangezien ook niemand begreep hoe filotische effecten eigenlijk werkten; de weerwort was half per ongeluk ontdekt, samen met het Onmiddellijkheidsbeginsel van Park. Het mocht dan onbegrijpelijk zijn, maar het werkte wel.

De ramen van het sterschip vulden zich plotsklaps met sterren toen in alle richtingen weer licht zichtbaar werd. Ooit zou een onderzoeker vast en zeker ontdekken waarom de Parkwissel vrijwel geen energie vergde. Ender was ervan overtuigd dat er ergens een afschuwelijke prijs betaald werd voor de sterreizen van de mensheid. Hij had een keer gedroomd dat er voor elke keer dat een sterschip een Parkwissel nam, een ster uitdoofde. Jane verzekerde hem dat dat absoluut niet waar was, maar hij wist dat de meeste sterren onzichtbaar voor ons zijn; er zou een biljoen sterren kunnen verdwijnen zonder dat wij er iets van zouden merken. Duizenden jaren lang zouden wij de fotonen blijven zien die al waren uitgezonden voor de ster verdween. Tegen de tijd dat we het heelal donker zouden zien worden, zou het veel te laat zijn om ons leven te beteren.

‘Daar zit hij weer verdiept in zijn paranoïde fantasie,’ zei Jane.

‘Je kunt geen gedachten lezen,’ zei Ender.

‘Aan het eind van een interstellaire vlucht word jij altijd morose en dan ga je zitten fantaseren over de verwoesting van het heelal. Dat is jouw eigendommelijke vorm van reisziekte.’

‘Heb je de Lusitaanse autoriteiten op de hoogte gebracht van mijn komst?’

‘Het is een piepkleine kolonie. De ruimtehaven heeft geen personeel, want er gaat zelden iemand heen. Er is een parkeerpendel die mensen volledig automatisch heen en weer brengt naar een belachelijk klein pendelhaventje.’

‘Geen toestemming van de immigratiedienst?’

‘Je bent een Spreker. Ze kunnen je niet wegsturen. Bovendien bestaat de immigratiedienst uit de landvoogd die tegelijk burgemeester is, aangezien de stad en de kolonie identiek zijn. Zij heet Faria Lima Maria do Bosque, roepnaam Bosquinha, en ze laat je groeten en vraagt of je weer wilt weggaan, aangezien ze al genoeg narigheid hebben zonder dat er een profeet van het agnosticisme rondloopt om goede katholieken te ergeren.’

‘Zei ze dat echt?’

‘Eerlijk gezegd, niet tegen jou — bisschop Peregrino zei het tegen haar, en zij was het met hem eens. Maar het is haar taak om het met mensen eens te zijn. Als je haar vertelt dat katholieken allemaal afgodaanbiddende, bijgelovige dwazen zijn, zal ze waarschijnlijk een zucht slaken en zeggen: ‘Ik hoop dat je die mening voor je kunt houden.’

‘Je probeert tijd te winnen,’ zei Ender. ‘Wat is het dat je denkt dat ik niet wil horen?’

‘Novinha heeft haar oproep voor een Spreker ingetrokken. Vijf dagen nadat ze hem had uitgestuurd.’

Er stond natuurlijk wel in het Gesterntereglement dat als Ender eenmaal na een oproep aan zijn reis was begonnen, de oproep wettelijk niet ongedaan gemaakt kon worden, maar toch veranderde het alles, want in plaats van tweeëntwintig jaar verlangend naar zijn komst te hebben uitgezien, zou ze die nu vrezen en zou ze het hem kwalijk nemen dat hij gekomen was terwijl zij van gedachten was veranderd. Hij had verwacht dat hij als een welkome vriend door haar ontvangen zou worden. Nu zou ze nog vijandiger zijn dan de katholieke nederzetting. ‘Dat is zeker om mijn werk makkelijker te maken.’

‘Nou, het is niet allemaal slecht nieuws, Andrew. Zie je, in de tussenliggende jaren heeft een stel andere mensen een beroep op een Spreker gedaan en zij hebben hun beroep niet ingetrokken.’

‘Wie?’

‘Door een uiterst boeiend toeval zijn het Novinha’s zoon Miro en Novinha’s dochter Ela.’

‘Zij kunnen Pipo nooit gekend hebben. Waarom zouden zij een beroep op me doen om Pipo’s dood te komen Bespreken?’

‘O nee, niet de dood van Pipo. Ela deed pas zes weken geleden een beroep op een Spreker om de dood van haar vader te Bespreken, Novinha’s echtgenoot, Marcos Maria Ribeira, roepnaam Marcão. Hij viel dood neer in een bar. Niet door alcohol — hij had een ziekte. Hij stierf omdat hij dodelijk verrot was.’

‘Ik maak me zorgen om jou, Jane, zoals jij altijd verteerd wordt door meeleven.’

‘Meeleven is iets waar jij goed in< bent. Ik ben beter in ingewikkelde speurtochten door geordende gegevensstructuren.’

‘En de jongen — hoe heet hij?’

‘Miro. Hij deed vier jaar geleden een beroep op een Spreker. Voor de dood van Pipo’s zoon, Libo.’

‘Libo kan nooit ouder geweest zijn dan een jaar of veertig—’

‘Ze hebben hem een handje geholpen. Hij was xenoloog, zie je — of zenador, zoals ze in het Portugees zeggen.’

‘De zwijntjes—’

‘Identiek aan de dood van zijn vader. De organen op precies dezelfde manier neergelegd. Terwijl jij onderweg was, zijn er nog drie zwijntjes ook op die manier omgebracht. Maar in de zwijntjeslijken plantten ze een boom — de dode mensen viel die eer niet te beurt.’

Beide xenologen door de zwijntjes vermoord, met een generatie ertussen. ‘Wat heeft de Gesternteraad besloten?’

‘Het is een precaire situatie. Ze weifelen nog steeds. Ze hebben nog geen van Libo’s leerlingen officieel tot xenoloog benoemd. De een is Libo’s dochter Ouanda. En de andere is Miro.’

‘Onderhouden ze nog contact met de zwijntjes?’

‘Officieel niet. Er heerst onenigheid over dit punt. Na Libo’s dood heeft de raad verboden om vaker dan één keer per maand contact te zoeken. Maar Libo’s dochter heeft categorisch geweigerd om die order te gehoorzamen.’

‘En ze hebben haar niet verwijderd?’

‘Er was maar een heel kleine meerderheid voor vermindering van het contact met de zwijntjes. Er was géén meerderheid te vinden voor disciplinaire maatregelen tegen haar. Tegelijk maken ze zich grote zorgen over het feit dat Miro en Ouanda nog zo jong zijn. Twee jaar geleden werd er vanaf Calicut een groep geleerden uitgezonden. Die moeten hier al over drieëndertig jaar aankomen om toezicht te gaan houden op zwijntjeszaken.’

‘Hebben ze er dit keer enig idee van waarom de zwijntjes de xenoloog hebben gedood?’

‘Geen flauw idee. Maar daarom ben jij hier, nietwaar?’

Daar had hij makkelijk een ad rem antwoord op kunnen geven als de zwermkoningin niet juist op dat moment zijn aandacht had getrokken. Ender voelde haar als wind door het lover van een boom, een ritselende, zachte beweging, en zonlicht. Ja, hij was hier om voor de doden te Spreken. Maar hij was hier ook om de doden weer tot leven te brengen.

<Dit is een goede plaats.>

Iedereen is me altijd een paar passen voor.

<Er is hier een geest. Veel klaarder dan enige mensengeest die wij ooit gekend hebben. >

De zwijntjes? Denken zij op dezelfde manier als jij?

<De geest heeft weet van de zwijntjes. Geef hem wat meer tijd; hij is bang van ons.>

De zwermkoningin trok zich terug en Ender bleef zitten met de gedachte dat hij met Lusitania misschien wel wat te veel hooi op zijn vork had genomen.

Bisschop Peregrino preekte zelf. Dat was altijd een slecht teken. Hij was nooit een boeiend spreker geweest, maar inmiddels waren zijn zinnen zo ingewikkeld en doorspekt met zoveel uitweidingen dat Ela de helft van de tijd niet eens begreep waar hij het over had. Quim deed natuurlijk net of hij het wel begreep, want bij hem kon de bisschop geen kwaad doen. Maar kleine Grego deed geen enkele poging om belangstelling te veinzen. Zelfs als zuster Esquecimento, die met haar vlijmscherpe nagels zo gemeen kon gniepen, over het gangpad sloop, voerde Grego onbevreesd alle kattekwaad uit dat in zijn hoofd opkwam.

Vandaag peuterde hij de popnagels uit de rug van de plastic bank die voor hen stond. Ela maakte zich zorgen over het feit dat hij zo sterk was — een kind van zes zou niet in staat moeten zijn om een schroevendraaier onder de rand van een warm geklonken popnagel te krijgen. Ela wist niet of zij het wel zou klaarspelen.

Als vader hier was geweest, zou hij natuurlijk zijn lange arm uitsteken en zachtjes, o zo zachtjes de schroevendraaier uit Grego’s hand trekken. Hij zou fluisteren: ‘Hoe kom je hieraan?’ en Grego zou hem aankijken met grote onschuldige ogen. Later, als het gezin weer thuis was na de mis, zou vader Miro uitschelden omdat hij zijn gereedschap liet slingeren; hij zou vreselijk tegen hem tekeergaan en hem de schuld geven van alle narigheid in het gezin. Miro zou het in stilte dragen. Ela zou het avondeten gaan klaarmaken. Quim zou nutteloos in een hoek zijn rozenkrans gaan zitten masseren en zijn nutteloze gebedjes prevelen. Olhado kwam er nog het beste af met zijn elektronische ogen — hij kon ze gewoon uitschakelen of een geliefd tafereel uit het verleden afdraaien, zodat hij er niets van merkte. Quara smeerde hem en dook bang weg in een hoek. En kleine Grego stond daar met één hand aan zijn vaders broekspijp zegevierend toe te kijken hoe de schuld voor alles wat hij deed over Miro’s hoofd werd uitgegoten.

Ela huiverde toen ze het tafereel in haar herinnering weer voor zich zag. Als het daarmee was opgehouden, zou het nog draaglijk zijn geweest. Maar dan vertrok Miro en dan gingen ze eten en dan—

De spinachtige vingers van zuster Esquecimento vlogen naar voren; haar vingernagels begroeven zich in Grego’s arm. Onmiddellijk liet Grego de schroevendraaier vallen. Het was natuurlijk de bedoeling dat hij kletterend op de grond terecht zou komen, maar zuster Esquecimento was niet op haar achterhoofd gevallen. Ze bukte zich vlug en ving hem op met haar andere hand. Grego grijnsde. Haar gezicht was maar een tiental centimeters van zijn knie verwijderd. Ela zag wat hij van plan was en stak haar arm uit om hem tegen te houden, maar te laat — hij ramde zijn knie keihard tegen zuster Esquecimento’s mond.

Haar adem stokte van pijn en ze liet Grego’s arm los. Hij griste de schroevendraaier uit haar krachteloze greep. Met een hand voor haar bloedende mond vluchtte ze weg over het gangpad. Grego hervatte zijn vernielzuchtige arbeid.

Vader is dood, hield Ela zichzelf voor. De woorden klonken als muziek in haar hoofd. Vader is dood, maar hij is er nog steeds, omdat hij zijn monsterlijke erfenis heeft achtergelaten. Het vergif dat hij op ons allemaal heeft overgedragen moet nog rijpen, maar op den duur zal het ons allemaal doden. Toen hij stierf, was zijn lever nog maar vijf centimeter lang en zijn milt was niet meer te vinden. Vreemde vetweefselorganen waren ervoor in de plaats gekomen. De ziekte had geen naam; zijn lichaam was krankzinnig geworden en had de blauwdruk voor de menselijke bouw vergeten. Ook nu leeft de ziekte nog voort in zijn kinderen. Niet in ons lichaam maar in onze ziel. Wij bestaan waar men normale mensenkinderen zou verwachten; we hebben zelfs dezelfde gestalte. Maar elk van ons is op zijn eigen manier vervangen door een namaakkind, gevormd uit een mismaakt, stinkend vetgezwel, ontstaan uit vaders ziel.

Misschien zou het anders zijn als moeder de toestand zou proberen te verbeteren. Maar zij gaf alleen om microscopen en genetisch verbeterde granen, of waar ze momenteel dan ook mee bezig was.

‘—zogenaamde Spreker voor de Doden! Maar er is er maar Eén die voor de doden kan spreken en dat is Sagrado Cristo—’

De woorden van bisschop Peregrino trokken haar aandacht. Wat zei hij daar over de Spreker voor de Doden? Hij kon toch onmogelijk weten dat zij er een had opgeroepen—

‘—de wet eist van ons dat we hem beleefd behandelen, maar we hoeven hem niet te geloven! De waarheid is niet te vinden in de gissingen en veronderstellingen van leken, maar in de leer en de tradities van de moederkerk. Dus als hij in uw midden wandelt, schenk hem uw glimlach, maar houd uw hart gesloten!’

Waarom gaf hij deze waarschuwing? De meest nabije planeet was Trondheim, tweeëntwintig lichtjaar ver, en het was niet erg waarschijnlijk dat er daar een Spreker zou zijn. Het zou tientallen jaren duren voor er een Spreker arriveerde, als er al een kwam. Ze boog zich over Quara heen om het aan Quim te vragen — hij had vast en zeker wel geluisterd. ‘Wat is dat allemaal over een Spreker voor de Doden?’ fluisterde ze.

‘Als je zou luisteren, zou je het zelf ook weten.’ ‘Als je het me niet vertelt, zet ik je neustussenschot scheef.’ Quim lachte smalend om te laten zien dat hij gerust niet bang was voor haar bedreigingen. Maar aangezien hij in werkelijkheid wél bang voor haar was, zei hij daarna gauw: ‘Een of andere ongelovige zielepoot heeft kennelijk destijds, toen de eerste xenoloog stierf, om een Spreker gevraagd, en hij komt vanmiddag hier — hij zit al in de pendel en de burgemeester is onderweg om hem te ontvangen als hij landt.’

Hier had ze niet op gerekend. De computer had haar niet verteld dat er al een Spreker onderweg was. Hij hoorde pas over tientallen jaren hier aan te komen, om de waarheid te Spreken over het monster dat vader heette en dat eindelijk zijn gezin gelukkig had gemaakt door dood neer te vallen; de waarheid zou als een stralend licht hun verleden verhelderen en zuiveren. Maar vader was nog veel te kort dood om nu al zijn dood te Bespreken. Zijn tentakels staken nog uit het graf omhoog en zogen zich nog vast aan hun hart.

Er kwam een einde aan de preek en op den duur ook aan de mis. Ze hield Grego’s hand stijf vast en probeerde te verhinderen dat hij iemands gezangenboek of tas inpikte toen ze tussen de mensenmenigte naar buiten liepen. Quim was toch nog ergens goed voor — hij droeg Quara, die altijd helemaal verstijfde van angst als ze tussen vreemden haar weg moest zoeken. Olhado schakelde zijn ogen weer in en zorgde voor zichzelf; elke vijftienjarige jonge maagd die hij vandaag weer bang hoopte te maken, kreeg van hem een vette, metalen knipoog. Ela maakte een kniebuiging voor de beelden van Os Venerados, haar lang geleden gestorven, half heilige grootouders. Zijn jullie niet trots op zulke beminnelijke kleinkinderen?

Grego liep te grijnzen en jawel hoor, hij had een babyschoentje in zijn hand. Ela bad in stilte dat de zuigeling er zonder bloedvergieten onderuit gekomen was. Ze pakte Grego het schoentje af en legde het op het kleine altaar waar altijd kaarsen brandden ter eeuwige getuigenis van het wonder van de Descolada. De eigenaar van het schoentje zou het daar wel vinden.

Burgemeester Bosquinha was opgewekt genoeg toen de wagen over het grasland tussen de pendelhaven en de nederzetting Milagre scheerde. Ze wees hem groepen halfgetemde cabras aan, een inheemse diersoort die vezels voor weefsels leverde, maar wier vlees voor mensen geen enkele voedingswaarde had.

‘Worden ze door de zwijntjes gegeten?’ vroeg Ender.

Ze trok een wenkbrauw op. ‘We weten niet zoveel over de zwijntjes.’

‘We weten dat ze in het bos leven. Komen ze ooit weleens op de vlakte?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Dat moeten de framlings zelf weten.’

Ender was even verbaasd toen hij haar dat woord hoorde gebruiken; maar het jongste boek van Demosthenes was natuurlijk al weer tweeëntwintig jaar geleden gepubliceerd en via de weerwort over de Honderd Werelden verspreid. utlänning, framling, raman, varelse — de termen waren nu opgenomen in het Stark en misschien kwamen ze Bosquinha niet eens bijzonder nieuwerwets voor.

Het was haar gebrek aan belangstelling voor de zwijntjes dat hem een onbehaaglijk gevoel bezorgde. De mensen van Lusitania konden toch onmogelijk niet in de zwijntjes geïnteresseerd zijn — zij waren de reden voor het hoge, onneembare hek waar alleen de zenadors doorheen mochten. Nee, het ontbrak haar niet aan belangstelling, ze vermeed gewoon het onderwerp. Of dat nu was omdat de moordlustige zwijntjes een pijnlijk onderwerp waren of omdat ze een Spreker voor de Doden niet vertrouwde, kon hij niet uitmaken.

Ze bereikten de top van een heuvel en ze zette de wagen stil. Die landde zachtjes op zijn ski’s. Onder hen kronkelde een brede rivier tussen met gras begroeide heuvels; achter de rivier waren de heuvels in de verte volledig bedekt met bos. Langs de overkant van de rivier vormden huizen van baksteen en pleisterwerk met pannendaken een schilderachtig stadje. Langs de oever aan deze kant stonden boerderijen waarvan de lange, smalle akkers helemaal doorliepen tot aan de heuvel waarop Ender en Bosquinha nu stilstonden.

‘Milagre,’ zei Bosquinha. ‘Op de hoogste heuvel de kathedraal. Bisschop Peregrino heeft de mensen gevraagd om u beleefd en hulpvaardig tegemoet te treden.’

Uit haar toon maakte Ender op dat hij hun ook had laten weten dat hij een gevaarlijke handlanger van de goddeloosheid was. ‘Tot God me treft met de dood?’ vroeg hij.

Bosquinha moest lachen. ‘God is een voorbeeld van christelijke verdraagzaamheid en wij verwachten dat iedereen in de stad dat zal volgen.’

‘Weten ze wie mij heeft opgeroepen?’

‘De persoon die u heeft opgeroepen is — discreet geweest.’

‘U bent niet alleen de burgemeester, maar ook landvoogd. U heeft bepaalde voorrechten op het gebied van informatie.’

‘Ik weet dat de oorspronkelijke oproep is ingetrokken, maar te laat. Ik weet ook dat in recente jaren nog twee anderen een Spreker hebben opgeroepen. Maar u moet beseffen dat de meeste mensen er tevreden mee zijn om hun levensbeschouwing en hun troost van de priesters te krijgen.’

‘Dan zal het hen opluchten om te vernemen dat ik niet in levensbeschouwingen en troost doe.’

‘Uw vriendelijke aanbod om uw lading skrika aan ons af te staan zal u vooral in de bars erg populair maken en u kunt er zeker van zijn dat u in de komende maanden heel wat ijdele vrouwen de pelzen zal zien dragen. Het loopt al aardig naar de herfst.’

‘Ik kreeg de skrika bij toeval tegelijk met het sterschip — ik heb er helemaal niets aan en ik verwacht er geen speciale dank voor.’ Hij keek naar het ruwe, harig uitziende gras om hen heen. ‘Dit gras — is dat inheems?’

‘En onbruikbaar. We kunnen het zelfs niet als dakbedekking gebruiken — als je het afsnijdt, verkruimelt het en bij het eerstvolgende regenbuitje lost het op tot fijn stof. Maar daarbeneden op de akkers is het meest geteelde gewas een amarantsoort die door onze xenobioloog speciaal voor ons ontwikkeld is. Rijst en tarwe zijn hier zwakke en onbetrouwbare gewassen, maar de amarant is zo sterk dat we de akkers moeten afbakenen met onkruidverdelger om te voorkomen dat de plant zich verspreidt.’

‘Waarom?’

‘Dit is een quarantainewereld, Spreker. De amarant is zo bij uitstek geschikt voor deze omgeving dat hij de inheemse grassen al spoedig zou verdringen. De achterliggende gedachte is om vooral geen aardse wereld van Lusitania te maken; om zo weinig mogelijk onze stempel op deze wereld te drukken.’

‘Dat zal de mensen niet makkelijk vallen.’

‘Binnen onze enclave zijn we volkomen vrij, Spreker, en hebben wij een vol leven. En buiten het hek — daar wil trouwens helemaal niemand heen.’

Haar stem klonk zwanger van verborgen emoties. Toen wist Ender dat de angst voor de zwijntjes heel diep zat.

‘Spreker, ik weet dat u denkt dat wij bang van de zwijntjes zijn. En misschien gaat dat ook voor enkelen van ons wel op. Maar wat de meesten van ons vrijwel altijd voelen, is helemaal geen angst. Dat is haat. Afkeer.’

‘U hebt ze nog nooit gezien.’

‘U moet op de hoogte zijn van de twee vermoorde zenadors — ik vermoed dat u oorspronkelijk werd opgeroepen om de dood van Pipo te Bespreken. Maar beide mannen, zowel Pipo als Libo, waren hier zeer geliefd. Vooral Libo. Hij was een vriendelijk en hartelijk mens en het verdriet over zijn dood was algemeen en oprecht. Ik kan me moeilijk indenken hoe de zwijntjes hem konden aandoen wat ze hem aandeden. Dom Cristão, de abt van de Filhos da Mente de Cristo — hij zegt dat ze geen zedelijk besef hebben. Hij zegt dat dit kan betekenen dat ze beesten zijn. Of het kan betekenen dat ze nog geen zondeval hebben doorgemaakt, dat ze de vrucht van de verboden boom nog niet hebben geproefd.’ Ze lachte gespannen. ‘Maar dat is theologie en dat zegt u natuurlijk niets.’

Hij gaf geen antwoord. Hij was gewend aan de manier waarop religieuze mensen aannamen dat hun heilige verhalen ongelovigen belachelijk in de oren moesten klinken. Maar Ender beschouwde zichzelf helemaal niet als een ongelovige en hij had een scherpe neus voor de heiligheid van bepaalde verhalen. Maar dat kon hij niet aan Bosquinha uitleggen. Ze zou mettertijd haar aannames omtrent hem moeten wijzigen. Ze koesterde achterdocht jegens hem, maar hij was ervan overtuigd dat hij haar voor zich kon winnen; om het ambt van burgemeester goed te kunnen uitoefenen, moest ze mensen weten te beoordelen op wat ze waren en niet op wat ze op het eerste gezicht leken te zijn.

Hij stapte op een ander onderwerp over. ‘De Filhos da Mente de Cristo — mijn Portugees is niet zo sterk, maar betekent dat niet “Zonen van de Geest van Christus”?’

‘Het is een betrekkelijk jonge orde; pas vierhonderd jaar geleden gevormd met speciale dispensatie van de paus.’

‘O, ik ken de Geesteskinderen van Christus, burgemeester. Ik Besprak de dood van San Angelo op Moctezuma, in de stad Córdoba.’

Haar ogen werden groot van verbazing. ‘Dan is het verhaal dus waar.’

‘Ik heb het verhaal in vele versies gehoord, burgemeester Bosquinha. Een ervan luidt dat San Angelo op zijn doodsbed door de duivel bezeten was en dat hij daarom om de verfoeilijke riten van de heidense Hablador de los Muertos verzocht.’

Bosquinha moest lachen. ‘Zo’n soort verhaal doet hier ook de ronde. Dom Cristão zegt dat het onzin is, natuurlijk.’

‘Toevallig was San Angelo, in de tijd dat hij nog niet heilig verklaard was, erbij toen ik de dood Besprak van een vrouw die hij kende. De schimmel in zijn bloed maakte zijn dood al onafwendbaar. Hij zocht me op en zei: ‘Andrew, nu al vertellen ze de meest verschrikkelijke leugens over me. Ze zeggen dat ik wonderen heb verricht en dat ik heilig verklaard moet worden. Je moet me helpen. Je moet bij mijn dood de waarheid vertellen.’

‘Maar de wonderen zijn echt verklaard, en hij werd amper negentig jaar na zijn dood heilig verklaard.’

‘Ja. Dat is helaas gedeeltelijk mijn schuld. Toen ik zijn dood Besprak, heb ik in eigen persoon getuigenis afgelegd van verscheidene van de wonderen.’

Nu moest ze hardop lachen. ‘Een Spreker voor de Doden die in wonderen gelooft?’

‘Kijk eens naar de heuvel met uw kathedraal. Hoeveel van die gebouwen zijn voor de priesters en hoeveel zijn er voor de school.’

Bosquinha begreep hem meteen en ze keek hem boos aan. ‘De Filhos da Mente de Cristo zijn gehoorzaam aan de bisschop.’

‘Behalve dan dat zij alle kennis bewaren en onderwijzen, of de bisschop dat nu goed vindt of niet.’

‘San Angelo mag u dan misschien toestemming gegeven hebben om uw neus in kerkelijke aangelegenheden te steken, ik geef u op een briefje dat bisschop Peregrino dat niet zal doen.’

‘Ik ben gekomen om een eenvoudige dood te Bespreken en ik zal me aan de wet houden. U zult nog wel merken dat ik minder kwaad doe dan u verwacht en misschien meer goed.’

‘Als u gekomen bent om Pipo’s dood te Bespreken, Spreker pelos Mortos, dan kunt u alleen maar kwaad brengen. Laat de zwijntjes achter het hek. Als ik mijn zin kreeg, dan zou er nooit meer een mens door dat hek gaan.’

‘Ik hoop dat ik hier een kamer kan huren?’

‘We zijn hier een onveranderende stad, Spreker. Iedereen heeft hier een huis en ergens anders kunnen we niet heen — waarom zou iemand een herberg drijven? Het enige dat we u kunnen bieden is een van de kleine plastic woningen die de eerste kolonisten hebben neergezet. Hij is klein, maar hij is van alle gemakken voorzien.’

‘Aangezien ik niet veel gemakken en ook niet veel ruimte nodig heb, ben ik ervan overtuigd dat die me prima zal bevallen. En ik wil graag kennis maken met Dom Cristão. Waar de volgelingen van San Angelo zijn, heeft de waarheid vrienden.’

Bosquinha snoof en startte de wagen weer. Geheel in overeenstemming met Enders bedoelingen waren haar vooroordelen over een Spreker voor de Doden volledig op losse schroeven komen te staan. Te bedenken dat hij San Angelo daadwerkelijk had gekend en dat hij de Filhos bewonderde. Dat was heel iets anders dan bisschop Peregrino hun in het vooruitzicht had gesteld.

Het vertrek was maar spaarzaam gemeubileerd en als Ender veel bezittingen had gehad, zou hij daar met moeite een bergplaats voor hebben kunnen vinden. Maar zoals tevoren ook altijd kon hij in een paar minuten zijn interstellaire bagage uitpakken. Alleen de ingerolde cocon van de zwermkoningin bleef in zijn plunjezak achter; hij vond het inmiddels allang niet meer raar om de toekomst van een indrukwekkend volk in een plunjezak onder zijn bed te stouwen.

‘Misschien is dit de goede plek,’ mompelde hij. De cocon voelde koel, bijna koud aan, ondanks de handdoeken waarin hij hem had gerold.

<Het is de plaats.>

Het bracht hem een beetje van zijn stuk dat zij er zo zeker van was. Er was geen spoor meer te bekennen van ongeduld of smeekbede of een van de andere gemoedstoestánden die ze hem had overgebracht in haar verlangen om uit haar cocon te kunnen kruipen. Alleen die onwankelbare zekerheid.

‘Het zou fijn zijn als we dat zonder meer konden beslissen,’ zei hij. ‘Het zóu de plaats kunnen zijn, maar het hangt helemaal af van de vraag of de zwijntjes het aankunnen om jullie hier te hebben.’

<De vraag is of ze de aanwezigheid van jullie mensen aankunnen zónder onze aanwezigheid hier.>

‘Het vergt tijd. Geef me een paar maanden de tijd hier.’

<Neem gerust alle tijd die je nodig hebt. Nu hebben we geen haast meer.>

‘Wie heb je gevonden? Ik dacht dat je me had verteld dat je met niemand anders dan met mij kon communiceren.’

<Het deel van onze geest dat onze gedachten bevat, wat jij de filoot-impuls noemt, de krachtbron van de weerwort, is in menselijke wezens zeer koud en moeilijk te vinden. Maar bij deze, degene die we hier gevonden hebben, een van de velen die we hier zullen vinden, zijn filoot-impuls is veel sterker, veel duidelijker, makkelijker te vinden, hij hoort ons makkelijker, hij ziet onze herinneringen en wij zien de zijne, we kunnen hem makkelijk vinden en vergeef ons dus, dierbare vriend, vergeef ons als we het zware werk van tegen jouw geest praten opgeven en naar hem teruggaan om met hem te praten, want hij laat ons niet zo hard zoeken om woorden en beelden te vinden die duidelijk genoeg zijn voor jouw analytische geest, omdat we hem voelen als zonlicht, als de warmte van de zon op zijn gezicht, op ons gezicht, en het gevoel van koel water diep in ons achterlijf en beweging zo licht en grondig als de zachte bries die we al drieduizend jaar niet gevoeld hebben vergeef ons we blijven bij hem tot je ons wekt tot je ons buiten brengt om hier te wonen want het zal je lukken je zult er op je eigen manier in je eigen tempo achterkomen dat dit de plaats is hier is het dit is ons thuis—>

En toen verloor hij de draad van haar gedachten, voelde hem wegsijpelen als een droom die in de vergetelheid raakt bij het ontwaken, ook al doe je nog je best om je hem te herinneren en levend te houden. Ender wist niet precies wat de zwermkoningin gevonden had, maar wat het ook was, hij had te maken met de werkelijkheid van het Gesterntereglement, de roomse kerk, jonge xenologen die hem misschien niet eens bij de zwijntjes zouden toelaten, een xenobioloog die van gedachten was veranderd omtrent haar oproep aan hem om hierheen te komen, en nog iets meer en dat was misschien wel het allermoeilijkste: als de zwermkoningin hier bleef, moest hij hier ook blijven. Ik leef al zoveel jaren los van de mensheid, dacht hij. Ik kom ineens binnenvallen om mijn neus overal in te steken en me overal mee te bemoeien en pijn te doen en te genezen en dan ga ik weer weg en blijf zelf onberoerd. Hoe moet ik ooit deel uit gaan maken van dit oord, als ik hier zal moeten blijven? De enige dingen waar ik ooit deel van heb uitgemaakt, waren een leger van jonge jongens op de krijgsschool en Valentine, en die zijn nu allebei verdwenen, maken allebei deel uit van het verleden—

‘Wat, zit je weer in je eenzaamheid te zwelgen?’ vroeg Jane. ‘Ik kan horen dat het tempo van je hartslag afzakt en je ademhaling zwaarder wordt. Over een paar tellen ben je in slaap gevallen, dood of in tranen.’

‘Ik zit veel ingewikkelder in elkaar,’ zei Ender opgewekt. ‘Waar ik last van heb, is vervroegd zelfmedelijden, over verdriet dat nog helemaal niet te bekennen is.’

‘Heel goed, Ender. Als je goed vroeg begint, heb je veel meer tijd om lekker te zwelgen.’ Het werkstation sprong aan en vertoonde Jane als zwijntje tussen een rij danseressen met lange benen, die ze vrolijk omhoogzwaaiden. ‘Neem wat lichaamsbeweging, daar knap je enorm van op. Je hebt tenslotte alles al uitgepakt. Waar zit je nog op te wachten?’

‘Ik weet niet eens waar ik ben, Jane.’

‘Ze hebben echt geen kaart van de stad,’ verkondigde Jane. ‘Iedereen weet waar alles is. Maar ze hebben wel een kaart van de rioolleidingen, verdeeld in wijken. Ik kan wel ongeveer afleiden waar alle gebouwen zich bevinden.’

‘Laat dan maar zien.’

Een driedimensionaal beeld van de stad verscheen in de lucht boven het toetsenbord. Ender was dan misschien niet erg welkom en hij had wel een karig kamertje toegewezen gekregen, maar met het werkstation dat ze hem hadden bezorgd, waren ze in het geheel niet krenterig geweest. Het was geen eenvoudig standaardmodel maar een nogal uitgebreid simulatiestation. Het kon holo’s projecteren tot een volume van zestienmaal dat van de meeste gewone werkstations en met een viermaal zo groot oplossend vermogen. Het was zo’n overtuigende illusie dat Ender één duizeligmakend moment lang het gevoel had dat hij Gulliver was die gebogen stond over een Lilliput dat nog niet bang voor hem was, dat nog niet wist hoe vernietigend hij kon zijn.

De namen van de verschillende wijken hingen boven elke rioleringswijk in de lucht. ‘Jij zit hier,’ zei Jane, ‘in Vila Velha, de oude stad. Het praça ligt precies één straat achter je. Daar worden openbare vergaderingen gehouden.’

‘Heb je ook een soort kaart van het grondgebied van de zwijntjes?’

De kaart van het stadje gleed met grote snelheid in Enders richting, waarbij de voorste gebouwen verdwenen naarmate er aan de andere kant nieuwe in beeld kwamen. Het leek net of hij er overheen vloog. Als een heks, bedacht hij. De stadsgrens was gemarkeerd met een hek.

‘Die barrière is het enige dat tussen ons en de zwijntjes in staat,’ zei Ender peinzend.

‘Het wekt een elektrisch veld op dat alle pijnzenuwen prikkelt die erin terecht komen,’ zei Jane. ‘Een simpele aanraking stuurt al je hele centrale zenuwstelsel in de war — het geeft je het gevoel dat iemand je vingers eraf zit te zagen met een vijl.’

‘Aangenaam idee. Zitten we in een concentratiekamp? Of in een dierentuin?’

‘Dat hangt helemaal af van de manier waarop je er tegenaan kijkt,’ zei Jane. ‘De mensenkant van het hek staat in verbinding met de rest van het heelal en de zwijntjeskant zit gevangen op zijn thuis-wereld.’

‘Het verschil is dat zij niet weten wat ze missen.’

‘Ik weet het,’ zei Jane. ‘De meest aanbiddelijke trek van de mens. Jullie zijn er allemaal zo vast van overtuigd dat de lagere dieren groen zien van afgunst omdat zij niet het geluk hadden om als homo sapiens geboren te worden.’ Achter het hek lag een helling en boven aan de helling begon een dicht bos. ‘De xenologen zijn nooit erg ver doorgedrongen op het grondgebied van de zwijntjes. De zwijntjesgemeenschap waar zij mee te maken hebben ligt minder dan een kilometer van de bosrand. De zwijntjes wonen in een blokhut, alle mannen bij elkaar. We weten niet of er nog andere nederzettingen zijn, behalve dan dat de satellieten hebben kunnen vaststellen dat elk bos zoals dit ongeveer precies de bevolking heeft die zich met een jacht/verzamelcultuur in leven kan houden.’

‘Zijn ze jagers?’

‘Voornamelijk verzamelaars.’

‘Waar zijn Pipo en Libo gestorven?’

Jane liet een stuk van de met gras begroeide helling langs de bosrand oplichten. Dicht ernaast stond een eenzame grote boom, met niet ver daar vandaan twee kleinere.

‘Die bomen,’ zei Ender. ‘Ik kan me niet herinneren dat er op de holo’s die ik in Trondheim heb gezien bomen zo dichtbij stonden.’

‘Die zijn van tweeëntwintig jaar geleden. Die grote is de boom die de zwijntjes in het lijk van de rebel Wroeter plantten, die ter dood gebracht werd voordat Pipo werd vermoord. De andere twee zijn voor twee korter geleden omgebrachte zwijntjes.’

‘Ik wou dat ik wist waarom ze voor zwijntjes bomen planten en niet voor mensen.’

‘De bomen zijn heilig,’ zei Jane. ‘Pipo noteerde dat veel van de bomen in het bos een naam hebben. Libo vermoedde dat ze genoemd kunnen zijn naar doden die eronder liggen.’

‘En mensen maken eenvoudig geen deel uit van het boomvereringspatroon. Nu ja, dat is tamelijk aannemelijk. Behalve dan dat ik heb ervaren dat rituelen en mythen niet zomaar uit het niets komen. Gewoonlijk steekt er wel een reden achter die iets te maken heeft met het overleven van de gemeenschap.’

‘Andrew Wiggin, de grote antropoloog?’

‘Wie de mensheid wil bestuderen, moet de mensen bestuderen.’

‘Ga dan eens wat mensen bestuderen, Ender. Novinha’s gezin bijvoorbeeld. Trouwens, het computernetwerk heeft een officieel verbod gekregen om jou te laten zien waar iedereen woont.’

Ender grinnikte. ‘Dus Bosquinha is niet zo vriendelijk als ze zich voordoet.’

‘Als je moet vragen waar iemand woont, weten ze meteen waar je heen gaat. Als ze niet willen dat je daarheen gaat, weet niemand waar de gezochte woont.’

‘Jij kunt hun informatiebeperking toch wel ongedaan maken?’

‘Dat heb ik al gedaan.’ Vlak bij het hek, achter de heuvel met het observatorium, knipperde een lichtvlekje. Er waren maar weinig andere huizen gebouwd op een plaats waar het hek voortdurend zichtbaar zou zijn. Ender vroeg zich af of Novinha daar had willen wonen om dicht bij het hek te zijn, of om ver bij haar buren vandaan te zijn. Misschien had Marcão de plek wel uitgekozen.

De dichtstbijzijnde wijk was Vila Atrás en de volgende wijk, die As Fábricas heette, liep helemaal door tot aan de rivier. Zoals de naam al deed vermoeden, bestond hij voornamelijk uit kleine fabrieken voor het bewerken van het metaal en het plastic en het verwerken van het voedsel en de vezels die Milagre nodig had. Een mooie, compacte, zichzelf bedruipende economie. En Novinha had ervoor gekozen om achter dit alles te wonen, uit het zicht, onzichtbaar. En het was wel degelijk Novinha die de plek had uitgekozen, daar was Ender inmiddels zeker van. Dat hoorde toch helemaal bij het patroon van haar leven. Ze had nooit bij Milagre gehoord. Het was geen toeval dat alle drie de oproepen voor een Spreker afkomstig waren van haar en haar kinderen. Het oproepen van een Spreker was op zich al een opstandige daad, een teken dat ze vonden dat ze niet thuishoorden tussen de vrome katholieken van Lusitania.

‘Toch zal ik iemand moeten vragen om me erheen te brengen,’ zei Ender. ‘Ik moet hun niet meteen laten weten dat ze geen enkele informatie voor mij kunnen achterhouden.’

De kaart verdween en Janes gezicht verscheen boven het werkstation. Ze had vergeten het beeld aan te passen aan het grotere formaat van dit werkstation, zodat haar hoofd vele malen groter was dan dat van een mens. Ze was tamelijk indrukwekkend. En haar simulatie was ontzettend raak, tot en met de poriën in haar huid. ‘Eerlijk gezegd ben ik natuurlijk degene voor wie ze geen informatie kunnen achterhouden, Andrew.’

Ender zuchtte. ‘Jij bent een belanghebbende partij, Jane.’

‘Dat weet ik.’ Ze knipoogde. ‘Maar jij niet.’

‘Sta je me nu te vertellen dat je me niet vertrouwt?’

‘Jij riekt naar onpartijdigheid en een groot rechtvaardigheidsbesef. Maar ik ben menselijk genoeg om met voorrang behandeld te willen worden, Andrew.’

‘Wil je me tenminste één ding beloven?’

‘Noem maar op, stoffelijke vriend.’

‘Als je besluit om iets voor me verborgen te houden, wil je me dan in ieder geval wel vertellen dat je me iets niet vertelt?’

‘Dit wordt veel te ingewikkeld voor mijn arme kleine hoofdje.’ Ze deed een al te vrouwelijk kindvrouwtje na.

‘Voor jou is niets te ingewikkeld, Jane. Als je ons alle twee een gunst wilt bewijzen, maai me dan niet het gras onder de voeten weg.’

‘Moet ik nog iets voor je doen terwijl jij je met het gezin Ribeira bezighoudt?’

‘Ja, graag. Spoor alle opzichten op waarin de Ribeiras betekenisvol verschillen van de overige bevolking van Lusitania. En alle eventuele punten waarop zij met het gezag overhoop liggen.’

‘U spreekt en ik gehoorzaam.’ Ze begon weer aan haar toneelstukje van de geest in de fles.

‘Jij hebt me zo gek gekregen om hierheen te gaan, Jane. Waarom probeer je me nu bang te maken?’

‘Dat doe ik niet. En dat heb ik niet gedaan.’

‘Ik heb in deze stad nu niet bepaald veel vrienden.’

‘Je kunt je leven aan me toevertrouwen.’

‘Het is nu niet bepaald mijn leven waar ik me zorgen om maak.’

Het praça was vol met voetballende kinderen. De meesten deden allerlei kunstjes zoals laten zien hoe lang ze de bal in de lucht konden houden met alleen hun voeten en hun hoofd. Maar twee van hen vochten een gemeen duel uit. Een jongen schopte de bal zo hard hij kon in de richting van een meisje dat nog geen drie meter van hem af stond. Ze bleef gewoon staan en liet de bal tegen zich aanknallen zonder een spier te vertrekken, hoe hard hij haar ook raakte. Dan schopte zij de bal in zijn richting en deed hij zijn best om zich niet te verroeren. Een klein meisje zorgde voor de bal en haalde hem elke keer dat hij van een van de slachtoffers afstuiterde weer op.

Ender probeerde een paar van de jongens te vragen waar het huis van de familie Ribeira was. Als antwoord haalden ze allemaal zonder uitzondering hun schouders op; toen hij bleef aandringen, gingen er een paar weg en al gauw waren de meeste kinderen van het praça verdwenen. Ender vroeg zich af wat de bisschop iedereen over Sprekers verteld had.

Maar het duel bleef in alle hevigheid voortgaan. En nu het niet meer zo vol was op het praça, zag Ender dat er nog een kind bij betrokken was, een jongen van een jaar of twaalf. Vanachter was er niets bijzonders aan hem te zien, maar toen Ender naar het midden van het praça liep, zag hij dat er iets mis was met de ogen van de jongen. Het duurde even voor hij doorhad wat er aan de hand was. De jongen had oogprotheses. Ze zagen er allebei uit als glimmend metaal, maar Ender wist hoe ze werkten. Slechts een van de twee ogen werd gebruikt om mee te kijken, maar dat ene oog maakte vier gescheiden visuele scannings, waarvan het de signalen vervolgens scheidde om het brein waarachtig tweeogig zien te kunnen doorgeven. In het andere oog zaten de energiebron, de regelcomputer en het interface met de buitenwereld. Als hij dat wilde, kon hij een korte waarnemingsreeks opslaan in een beperkt fotogeheugen van waarschijnlijk minder dan honderdvijfentwintig gigabyte. De duellerende partijen gebruiken hem als scheidsrechter; als ze het ergens niet over eens waren, kon hij het voorval vertraagd afspelen en hun vertellen wat er was voorgevallen.

De bal knalde pal tegen het kruis van de jongen. Hij kreunde uitgebreid, maar het meisje was niet onder de indruk. ‘Hij draaide weg, ik zag zijn heupen bewegen!’

‘Nietes! Het deed hartstikke zeer, ik draaide helemaal niet weg!’

‘Reveja! Reveja!’ Aanvankelijk hadden ze allebei Stark gesproken, maar het meisje schakelde nu over op Portugees.

De jongen met de metalen ogen stak met een strak gezicht zijn hand op om hen het zwijgen op te leggen. ‘Mudou,’ zei hij beslist. Hij bewoog, vertaalde Ender.

‘Sabia!’ Ik wist het!

‘Wat kan jij liegen, Olhado!’

De jongen met de metalen ogen keek hem vol minachting aan. ‘Ik lieg nooit. Ik kan je er wel een afdruk van sturen als je dat wilt. Ik denk trouwens dat ik die maar in het netwerk stop, dan kan iedereen je zien bewegen en er dan nog over zien liegen ook.’

‘Mentiroso! Filho de punta! Fode-Bode!’

Ender wist vrij goed wat de scheldwoorden betekenden, maar de jongen met de metalen ogen nam het nogal kalm op.

‘Da,’ zei het meisje. ‘Da-me.’ Geef op.

De jongen griste woedend zijn ring van zijn vinger en smeet die voor haar voeten op de grond. ‘Viada!’ zei hij met een schorre fluisterstem. Toen holde hij weg.

‘Poltrão!’ riep het meisje hem na. Lafaard!

Cão!’ riep de jongen zonder zelfs maar om te kijken.

Dit keer was het scheldwoord niet voor het meisje bestemd. Ze draaide zich snel om en keek naar de jongen met de metalen ogen die verstijfde bij het horen van de scheldnaam. Het meisje sloeg haar ogen neer. De kleine, die telkens de bal had gehaald, liep naar de jongen met de metalen ogen toe en fluisterde hem iets in zijn oor. Hij keek op en zag Ender voor het eerst.

Het oudere meisje verontschuldigde zich. ‘Desculpa, Olhado, não queria que—’

‘Não há problema, Michi.’ Hij keek haar niet aan.

Het meisje wilde nog meer zeggen, maar toen kreeg ook zij Ender in de gaten en ze viel stil.

‘Porque está olhando-nos?’ vroeg de jongen. Waarom staat u naar ons te kijken?

Ender antwoordde met een wedervraag. ‘Vocè é árbitro?’ Ben jij hier de arbiter? Het woord kon zowel scheidsrechter als politierechter betekenen.

‘De vez em quando.’ Soms wel.

Ender schakelde over op Stark — ingewikkelde dingen kon hij in het Portugees niet goed uitdrukken. ‘Vertel me dan eens, arbiter, is het eerlijk om een vreemdeling zonder hulp zijn eigen weg te laten zoeken?’

‘Vreemdeling? Bedoelt u in de zin van utlanning, framling of raman?’

‘Nee, ik denk dat ik bedoel in de zin van ongelovig.’

‘O Senhor é descrente?’ O, bent u een ongelovige?

‘Só descredo no incrivel.’ Ik geloof alleen het ongelooflijke niet.

De jongen grinnikte. ‘Waar wilt u heen, Spreker?’

‘Naar het huis van de familie Ribeira.’

Het kleine meisje kwam dichter bij de jongen met de metalen ogen staan. ‘Welk gezin Ribeira?’

‘Dat van de weduwe Ivanova.’

‘Ik denk dat ik dat wel kan vinden,’ zei de jongen.

‘Iedereen in de stad kan het vinden,’ zei Ender. ‘De vraag is, wil je me erheen brengen?’

‘Waarom wilt u daarheen?’

‘Ik stel vragen aan mensen en probeer waargebeurde verhalen te achterhalen.’

‘Niemand in het huis van de Ribeira’s kent waargebeurde verhalen.’

‘Nou, ik neem met leugens ook wel genoegen.’

‘Kom mee dan.’ Hij ging op weg naar het kortgeschoren gras van de hoofdweg. Het kleine meisje fluisterde iets in zijn oor. Hij bleef staan en draaide zich om naar Ender, die vlak achter hem liep.

‘Quara wil weten hoe u heet.’

‘Andrew. Andrew Wiggin.’

‘Zij is Quara.’

‘En jij?’

‘Iedereen noemt me Olhado. Vanwege mijn ogen.’ Hij tilde het kleine meisje op en zette haar op zijn schouders. ‘Maar mijn echte naam is Lauro. Lauro Suleimão Ribeira.’ Hij grijnsde, draaide zich vervolgens om en beende weg.

Ender liep achter hem aan. Ribeira. Natuurlijk.

Jane had meegeluisterd en zei in zijn oorsieraad: ‘Lauro Suleimão Ribeira is Novinha’s vierde kind. Hij is zijn ogen kwijtgeraakt in een ongeluk met een laser. Hij is twaalf jaar. O, en ik vond één verschil tussen het gezin Ribeira en de rest van de stad. De Ribeira’s zijn bereid om de bisschop te trotseren en je de weg te wijzen naar waar je heen wilt.’

Ik heb ook iets opgemerkt, Jane, antwoordde hij zwijgend. Deze jongen vond het leuk om me voor de gek te houden en hij vond het daarna nog veel leuker om me te laten zien hoe ik voor de gek was gehouden. Ik hoop alleen maar dat jij niet te veel van hem overneemt.

Miro zat op de helling. De schaduw van de bomen maakte hem onzichtbaar voor iedereen die vanuit Milagre zou kunnen toekijken, maar hij kon van hieraf een groot stuk van de stad overzien — in ieder geval de kathedraal en het klooster op de hoogste heuvel en ook nog het observatorium op de eerstvolgende heuvel in noordelijke richting. En onder het observatorium, in een uitholling in de helling, het huis waar hij woonde, niet ver van het hek.

‘Miro,’ fluisterde Bladeter. ‘Ben je een boom?’

Het was een vertaling van een uitdrukking uit het idioom van de pequeninos. Soms mediteerden ze, waarbij ze urenlang bewegingloos bleven zitten. Zij noemden dat ‘een boom zijn’.

‘Eerder een grasspriet,’ antwoordde Miro.

Bladeter lachte op de hoge, piepende manier die hem eigen was. Het klonk nooit natuurlijk — de pequeninos hadden heel terloops leren lachen, alsof het gewoon een woord in het Stark was. Ze lachten niet omdat ze iets leuk vonden, of althans Miro dacht van niet.

‘Gaat het regenen?’ vroeg Miro. Voor een zwijntje betekende dit: Onderbreek je me omwille van mij of omwille van jezelf?

‘Het regende vandaag vuur,’ zei Bladeter. ‘Buiten op de prairie.’

‘Ja, we hebben een bezoeker van een andere wereld.’

‘Is het de Spreker?’

Miro gaf geen antwoord.

‘Je moet hem meenemen om met ons te praten.’

Miro gaf geen antwoord.

‘Ik duw mijn gezicht voor je in de grond, Miro, mijn ledematen zijn bouwhout voor jouw huis.’

Miro had er een hekel aan als ze ergens om smeekten. Het was net of ze hem beschouwden als een buitengewoon wijs of sterk persoon, een ouder van wie je gunsten moest lospeuteren. Nu ja, als ze dat dachten, was het zijn eigen schuld. Die van hem en die van Libo. Een beetje voor God spelen hier tussen de zwijntjes.

‘Ik heb het toch beloofd, Bladeter.’

‘Wanneer wanneer wanneer?’

‘Er is tijd voor nodig. Ik moet eerst uitvissen of hij te vertrouwen is.’

Bladeter keek verbijsterd. Miro had proberen uit te leggen dat niet alle mensen elkaar kenden en dat sommige mensen niet aardig waren, maar ze schenen er nooit iets van te begrijpen.

‘Zodra ik kan,’ zei Miro.

Plotseling begon Bladeter op de grond heen en weer te schommelen, waarbij hij zijn heupen heen en weer zwaaide alsof hij jeuk aan zijn anus had. Libo had eens geopperd dat dit dezelfde functie vervulde als lachen voor mensen. ‘Zeg eens wat in het Portugees tegen me!’ hijgde Bladeter. Bladeter vond het kennelijk altijd ontzettend komisch dat Miro en de andere zenadors afwisselend twee talen spraken. Dit in weerwil van het feit dat er in de loop der jaren vier verschillende zwijntjsdlen waren waargenomen, of althans genoemd in hun nabijheid, die allemaal door dezelfde zwijntjesstam werden gesproken.

Maar als hij Portugees wilde horen, kon hij Portugees krijgen. ‘Vai comer folhas.’ Ga bladeren eten.

Bladeter keek verbijsterd. ‘Waarom is dat scherpzinnig?’

‘Omdat dat jouw naam is. Come-folhas.’

Bladeter trok een groot insekt uit zijn neusgat en schoot het zoemend en wel weg. ‘Doe niet zo onbehouwen.’ Toen draaide hij zich om en liep weg.

Miro keek hem na. Bladeter deed altijd zo moeilijk. Miro gaf veruit de voorkeur aan het gezelschap van het zwijntje dat Mens werd genoemd. Mens was wel veel slimmer zodat Miro in zijn gezelschap veel meer op zijn tellen moest passen, maar hij leek tenminste nooit vijandig, zoals Bladeter vaak wel.

Toen het zwijntje uit het oog was verdwenen, ging Miro weer met zijn gezicht naar de stad zitten. Er liep iemand op het pad langs de helling, in de richting van zijn huis. De voorste was erg lang — nee, dat was Olhado; met Quara op zijn schouders. Quara was daar veel te oud voor. Miro maakte zich zorgen om haar. Ze leek wel niet over de schok van vaders dood heen te kunnen komen. Miro voelde even een grote bitterheid. En dan te bedenken dat Ela en hij verwacht hadden dat vaders dood al hun problemen zou oplossen.

Toen kwam hij overeind om te kijken of hij de man achter Olhado en Quara zo beter zou kunnen zien. Niet iemand die hij al eerder had gezien. De Spreker. Nu al! Hij kon nog maar amper een uur in de stad zijn en nu ging hij al naar hun huis. Geweldig, het enige dat nog ontbrak is dat moeder erachter kwam dat ik de Spreker hierheen heb gehaald. Ik dacht eigenlijk dat een Spreker voor de Doden op een of andere manier tactvoller te werk zou gaan en niet rechtstreeks naar het huis van degene die hem opriep zou komen. Wat een domkop. Het is al erg genoeg dat hij hier jaren eerder arriveert dan ik verwacht had. Quim gaat dit natuurlijk overbrieven aan de bisschop, als niet iemand anders het al gedaan heeft. Nu krijg ik niet alleen moeder op mijn nek maar misschien de hele stad wel.

Miro verdween in het bos en holde over een pad dat uiteindelijk naar de poort leidde die toegang gaf tot de stad.

7. Het huis van de familie Ribeira

Miro, dit keer had je erbij moeten zijn, want ook al kan ik veel beter gesprekken onthouden dan jij, ik weet absoluut niet wat dit kan betekenen. Je hebt de nieuwe gezien, het zwijntje dat ze Mens noemen — ik meende dat ik je even met hem zag staan praten voor je vertrok voor je Twijfelachtige Bezigheden. Mandachuva vertelde me dat ze hem Mens genoemd hadden omdat hij als kind ontzettend pienter was. Goed, het is natuurlijk erg vleiend dat ‘pienter’ en ‘mens’ in hun geest met elkaar verbonden zijn, of misschien is het wel beledigend dat zij denken dat wij ons daardoor gevleid zullen voelen, maar daar gaat het niet om.

Vervolgens zei Mandachuva: ‘Hij kon al praten toen hij zelfstandig begon rond te lopen.’ En hij hield zijn hand daarbij ongeveer tien centimeter boven de grond. Bij mij kwam het over alsof hij vertelde hoe groot Mens was toen hij leerde praten en lopen. Tien centimeter! Maar ik kan het natuurlijk volkomen mis hebben. Je had erbij moeten zijn, dan had je het zelf kunnen zien.

Als ik gelijk heb en Mandachuva dat inderdaad bedoelde, dan is dit de eerste keer dat we iets over de jeugd van zwijntjes te horen hebben gekregen. Als ze echt al beginnen te lopen als ze tien centimeter hoog zijn — en daarbij nog praten ook! — dan moet de draagtijd bij hen veel korter zijn dan bij mensen en moeten ze na hun geboorte nog een hele ontwikkeling doormaken.

Maar nu wordt het helemaal waanzinnig, zelfs naar jouw maatstaven gerekend. Vervolgens boog hij zich dicht naar me toe en vertelde me — alsof hij iets vertelde dat ik eigenlijk niet mocht weten — wie de vader van Mens was. ‘Jouw grootvader Pipo kende de vader van Mens. Zijn boom staat vlak bij jullie poort.’

Hield hij me voor de gek? Wroeter stierf toch vierentwintig jaar geleden, nietwaar? Goed, misschien is dit gewoon een religieuze zaak, of zoiets als ‘Vrienden van het Bos’. Maar door de heimelijke manier waarop Mandachuva het me vertelde, vermoed ik sterk dat het waar is. Is het mogelijk dat ze een draagtijd van vierentwintig jaar hebben? Of misschien duurde het een jaar of twintig voor Mens van een tien centimeter hoge peuter uitgroeide tot het prachtige zwijntjesexemplaar dat hij nu is. Of misschien hebben ze Wroeters sperma ergens bewaard in een potje.

Maar dit is belangrijk. Dit is de eerste keer dat een zwijntje dat menselijke waarnemers persoonlijk hebben gekend, ooit als vader genoemd wordt. En dan nog wel Wroeter, juist degene die vermoord werd. Met andere woorden, de man met het minste aanzien — nota bene een ter dood gebrachte misdadiger — is genoemd als vader! Dat betekent dat onze mannen helemaal geen uitstoten vrijgezellen zijn, ook al zijn erbij die zo oud zijn dat ze Pipo gekend hebben. Ze zijn potentiële vaders.

En bovendien, als Mens zo opmerkelijk pienter was, waarom werd hij dan hier gedumpt als dit werkelijk een groep waardeloze vrijgezellen is? Volgens mij hebben we het al die tijd bij het verkeerde eind gehad. Dit is geen groep vrijgezellen met laag aanzien, dit is een groep hooggewaardeerde jonge mannen, waarvan er minstens een paar heel ver zullen komen.

Dus toen je me vanmorgen vertelde dat je het zielig voor me vond dat jij de Twijfelachtige Bezigheden ging uitvoeren terwijl ik thuis moest blijven om wat Formele Verzinsels te bedenken voor het weerwortrapport, kletste je wel mooi uit je nek! (Als ik al slaap wanneer je thuiskomt, maak me dan wakker voor een zoen. Goed? Vandaag heb ik die wel verdiend.)

Memo van Ouanda Figueira Mucumbi aan Miro Ribeira von Hesse, op bevel van het Parlement uit het archief van Lusitania gelicht en opgevoerd als bewijsmateriaal tijdens de rechtszaak in absentia tegen de van hoogverraad en ambtsmisdrijf beschuldigde xenologen van Lusitania

Er was geen bouwbedrijf op Lusitania. Als een stel ging trouwen, bouwden hun vrienden en hun familieleden een huis voor hen. Aan het huis van de Ribeira’s was de geschiedenis van het gezin af te lezen. Aan de voorkant was het oudste deel van het huis van plastic platen, verankerd in een betonnen fundering. Naarmate het gezin groter werd, waren er kamers bijgebouwd, elke volgende toevoeging gewoon tegen de vorige aangeplakt, zodat er vijf verschillende gelijkvloerse gebouwtjes op de helling stonden. De jongste waren allemaal van baksteen en hadden stromend water en zelfs een pannendak, maar er was geen enkele poging gedaan om ze er aantrekkelijk te laten uitzien. Het gezin had gebouwd wat nodig was en meer niet.

Dat was niet uit armoede, wist Ender — een gemeenschap waar de economie zo volledig beheerst wordt kent geen armoede. Het ontbreken van versieringen, van individuele accenten, was een bewijs van de minachting die het gezin voor zijn eigen huis koesterde; voor Ender was dit ook een bewijs van minachting voor zichzelf. In ieder geval was er aan Olhado en Quara niets te bekennen van de ontspanning, de opluchting die de meeste mensen voelen als ze thuiskomen. Als er al iets aan hen te bespeuren viel, dan was het eerder dat ze behoedzamer en minder monter werden; het huis leek wel een geheimzinnige bron van zwaartekracht die hen naarmate ze dichterbij kwamen steeds zwaarder maakte.

Olhado en Quara gingen meteen naar binnen. Ender bleef bij de deur staan wachten tot iemand hem binnen zou noden. Olhado liet de deur openstaan, maar hij liep regelrecht door naar de volgende kamer zonder iets tegen hem te zeggen. Ender kon Quara op een bed in de voorste kamer zien zitten, met haar hoofd tegen een kale wand geleund. Er hing helemaal niets aan de wanden. Ze waren effen wit. Op Quara’s gezicht was dezelfde leegheid te lezen als op de wanden. Hoewel haar ogen Ender onafgebroken aanstaarden, liet ze nergens uit blijken dat ze besefte dat hij daar stond; ze deed in ieder geval niets om aan te geven dat hij binnen mocht komen.

Er heerste een ziekte in dit huis. Ender probeerde te begrijpen wat hij in Novinha’s karakter over het hoofd had gezien, wat het was dat haar toestond om in zo’n huis te leven. Had Pipo’s dood van zo lang geleden Novinha’s hart zo grondig gebroken?

‘Is je moeder thuis?’ vroeg Ender.

Quara zei niets.

‘O,’ zei hij. ‘Neem me niet kwalijk. Ik dacht dat je een meisje was, maar nu zie ik dat je een standbeeld bent.’

Ze liet uit niets blijken dat ze hem had gehoord. Die poging om haar met een grapje uit haar sombere stemming te halen, was dus mislukt.

Schoenen kletsten luidruchtig tegen een betonnen vloer. Een kleine jongen rende de kamer in, bleef in het midden stilstaan en draaide met een ruk zijn hoofd om naar de deuropening waar Ender stond. Hij kon niet meer dan een jaar jonger dan Quara zijn, zes of zeven misschien. Maar in tegenstelling tot dat van Quara vertoonde zijn gezicht zeer veel begrip. Plus een hongerige roofdierenblik.

‘Is je moeder thuis?’ vroeg Ender.

De jongen bukte zich en rolde zorgvuldig zijn broekspijp omhoog. Hij had met plakband een lang keukenmes tegen zijn been geplakt. Langzaam wikkelde hij het mes los. Vervolgens hield hij het met twee handen voor zich uit, stelde zich op in Enders richting en schoot in volle vaart op hem af. Ender zag dat het mes precies op zijn kruis gericht was. De jongen liet een vreemdeling tenminste wel duidelijk merken wat hij van hem vond.

Een ogenblik later had Ender de jongen stevig onder zijn arm en zat het mes in het plafond geramd. De jongen schopte en schreeuwde. Ender moest twee handen gebruiken om zijn ledematen in bedwang te houden; het draaide erop uit dat hij de jongen bungelend aan handen en voeten voor zich uit hield, precies een geboeid kalf dat gebrandmerkt moet worden.

Ender keek Quara strak aan. ‘Als je nu niet op staande voet de persoon gaat halen die hier in huis de baas is, neem ik dit beest mee naar huis om het vanavond op te eten.’

Quara dacht daar even over na, stond vervolgens op en rende de kamer uit.

Een ogenblik later stapte een vermoeid uitziend meisje met warrig haar en slaperige ogen de voorkamer in. ‘Desculpe, por favor,’ mompelde ze, ‘o menino não restábeleceu desde a morte do pai—’

Toen werd ze kennelijk ineens wakker.

‘O Senhor é o Falante pelos Mortos!’ U bent de Spreker voor de Doden!

‘Sou,’ antwoordde Ender. Dat ben ik.

‘Não aqui,’ zei ze. ‘O nee, neem me niet kwalijk, spreekt u Portugees? O ja, natuurlijk wel, u hebt me net antwoord gegeven — o, alstublieft, niet hier, niet nu. Ga alstublieft weg.’

‘Prima,’ zei Ender. ‘Moet ik de jongen houden of het mes?’

Hij keek naar het plafond en haar blik volgde de zijne. ‘O nee, het spijt me. We hebben er gisteren de hele dag naar gezocht, we wisten dat hij het had, maar we wisten niet waar.’

‘Het zat tegen zijn been geplakt.’

‘Gisteren nog niet. Daar kijken we altijd. Laat hem nu maar los.’

‘Weet je het zeker? Volgens mij slijpt hij zijn tanden.’

‘Grego,’ zei ze tegen de jongen, ‘het is verkeerd om mensen met het mes te steken.’

Grego gromde diep in zijn keel.

‘Zijn vader is net gestorven, ziet u.’

‘Hadden ze zo’n hechte band?’

Een verbitterd lachje gleed over haar gezicht. ‘Dat kun je niet zeggen, nee. Hij is altijd al een dief geweest, Grego, al vanaf dat hij oud genoeg was om met iets in zijn handen te lopen. Maar dit mensen aanvallen om ze pijn te doen is iets nieuws. Zet hem nu maar neer.’

‘Nee,’ zei Ender.

Ze kneep haar ogen half dicht en keek hem uitdagend aan. ‘Gaat u hem ontvoeren? Waar brengt u hem dan heen? Hoe hoog wordt het losgeld?’

‘Misschien begrijp je het niet helemaal,’ zei Ender. ‘Hij viel me aan. Jij hebt me geen enkele garantie gegeven dat hij dat niet nog een keer zal doen. Je hebt uit niets laten blijken dat je hem zult straffen als ik hem neerzet.’

De woedende blik waarop hij had gehoopt verscheen in haar ogen. ‘Wie denkt u eigenlijk wel dat u bent? Dit is zijn huis, niet het uwe!’

‘Ik heb trouwens net een heel eind moeten lopen van het praça naar jullie huis,’ zei Ender, ‘en Olhado had er flink de pas in. Ik zou nu wel even willen zitten.’

Ze knikte naar een stoel. Grego kronkelde en worstelde om los te komen uit Enders greep. Ender tilde hem omhoog tot hun gezichten op dezelfde hoogte waren. ‘Weet je, Grego, als het je lukt om los te komen, knal je met je hoofd op de betonnen vloer. Als er een vloerkleed lag, zou ik je vijftig procent kans geven om niet bewusteloos te raken. Maar er ligt geen kleed. En eerlijk gezegd zou ik het wel een prettig geluid vinden om jouw hoofd tegen het beton te horen kwakken.’

‘Hij verstaat Stark niet zo erg goed,’ zei het meisje.

Ender wist dat Grego het prima verstond. Hij zag ook beweging aan de randen van de kamer. Olhado was teruggekomen en stond nu in de deuropening naar de keuken. Quara stond naast hem. Ender lachte hen opgewekt toe en liep toen naar de stoel die het meisje had aangewezen. Onderweg zwaaide hij Grego hoog in de lucht en liet hij diens handen en voeten op zo’n manier los dat hij heel even razendsnel door de lucht tolde, gillend van angst voor de pijn die hij zou voelen als hij de vloer raakte. Ender liet zich gladjes in de stoel zakken en ving de jongen op op zijn schoot, waar hij onmiddellijk zijn armen tegen zijn lijf drukte. Grego wist nog wel zijn hielen tegen Enders schenen te rammen, maar aangezien de jongen geen schoenen droeg, had die manoeuvre weinig effect. Een tel later had Ender hem weer zodanig vast dat hij volkomen hulpeloos was.

‘Heel prettig om even te kunnen zitten,’ zei Ender. ‘Hartelijk dank voor jullie gastvrijheid. Ik heet Andrew Wiggin. Olhado en Quara ken ik al en jullie zien dat Grego en ik al dikke vrienden zijn.’

Het oudste meisje veegde haar hand af aan haar schort alsof ze van plan was hem die aan te bieden, maar ze deed het niet. ‘Ik heet Ela Ribeira. Ela is een afkorting van Elanora.’

‘Het is me een genoegen om je te leren kennen. Ik zie dat je bezig bent met het avondmaal.’

‘Ja, ik heb het heel druk. U moet morgen maar terugkomen.’

‘O, ga gerust je gang hoor. Ik wacht wel.’

Een andere jongen, ouder dan Olhado maar jonger dan Ela, duwde de anderen opzij om de kamer in te stappen. ‘Hebt u mijn zuster niet gehoord? U bent hier niet gewenst!’

‘Heel vriendelijk van je,’ zei Ender. ‘Maar ik kwam je moeder opzoeken en ik wacht hier tot ze thuiskomt van haar werk.’

Toen er over hun moeder gesproken werd, vielen ze stil.

‘Ik neem aan dat ze aan het werk is. Als ze hier was, zouden deze opwindende gebeurtenissen haar wel te voorschijn hebben gebracht.’

Olhado moest daar een beetje om lachen, maar de oudere jongen keek kwaad en op Ela’s gezicht verscheen een akelige, pijnlijke trek. ‘Waarom wilt u haar spreken?’ vroeg Ela.

‘Eigenlijk wil ik jullie allemaal spreken.’ Hij lachte tegen de oudste jongen. ‘Jij moet Estevão Rei Ribeira zijn. Vernoemd naar Sint-Stefanus de Martelaar, die Jezus naast de rechterhand van God zag zitten.’

‘Wat weet een atheïst daar nou van!’

‘Als ik me goed herinner stond Paulus toe te kijken en paste op de jassen van de mannen die hem stenigden. Kennelijk was hij toen nog geen gelovige. Hij werd, geloof ik, zelfs beschouwd als de allerergste vijand van de kerk. En toch kreeg hij later berouw, nietwaar? Ik stel dus voor dat je mij niet als de vijand van God beschouwt, maar als een apostel die nog niet staande is gehouden op de weg naar Damascus.’ Ender lachte.

De jongen staarde hem aan met een strak dichtgeknepen mond. ‘U bent geen Paulus.’

‘In tegendeel,’ zei Ender. ‘Ik ben de apostel voor de zwijntjes.’

‘Nou, die krijgt u toch niet te zien. Miro laat u nooit bij hen toe.’

‘Dat staat nog te bezien,’ zei een stem uit de deuropening. De anderen draaide zich onmiddellijk om om hem te zien binnenkomen. Miro was jong — vast nog geen twintig. Maar zijn gezicht en zijn houding droegen de sporen van een last aan verantwoordelijkheid en lijden die zijn jaren ver te boven ging. Ender zag hoe ze allemaal ruimte voor hem maakten. Niet in de zin dat ze voor hem achteruitdeinsden als voor iemand voor wie ze bang waren. Het was eerder dat ze zich allemaal naar hem richtten en in parabool-banen om hem heen draaiden, alsof hij het zwaartekrachtcentrum van het vertrek vormde en alles verder bewoog door de kracht van zijn aanwezigheid.

Miro liep naar het midden van de kamer en ging voor Ender staan. Maar hij keek naar Enders gevangene. ‘Laat hem los,’ zei Miro met een stem als ijs.

Ela tikte hem zacht op zijn arm. ‘Grego probeerde hem met een mes te steken, Miro.’ Maar haar stem zei ook: Rustig maar, het is in orde, Grego is niet in gevaar en deze man is onze vijand niet. Ender hoorde dit allemaal; en Miro kennelijk ook.

‘Grego,’ zei Miro. ‘Ik heb je toch voorspeld dat je op zekere dag iemand zou aanvallen die niet bang voor je was.’

Grego, die een bondgenoot ineens in een tegenstander zag verkeren, begon te huilen. ‘Hij vermoordt me, hij vermoordt me.’

Miro keek Ender met kille ogen aan. Ela vertrouwde dan misschien de Spreker voor de Doden, maar Miro niet, nog niet.

‘Ik doe hem inderdaad pijn,’ zei Ender. Hij had ervaren dat de waarheid vertellen de beste manier was om vertrouwen te winnen. ‘Telkens als hij zich probeert los te worstelen, bezorgt hij zichzelf behoorlijk wat narigheid. En hij is nog steeds niet opgehouden met worstelen.’

Ender keek Miro kalm aan en Miro begreep zijn onuitgesproken vraag. Hij zei geen woord meer over dat hij Grego moest loslaten. ‘Hier kan ik je niet uit redden, Greguinho.’

‘Laat je hem dit gewoon maar doen?’ vroeg Estevão.

Miro wees naar Estevão en zei op verontschuldigende toon tegen Ender: ‘Iedereen noemt hem Quim.’ De bijnaam werd uitgesproken als het woord king in het Stark. ‘Aanvankelijk was dat omdat zijn middelste naam Rei is. Maar nu is het omdat hij denkt dat hij heerst bij de gratie Gods.’

‘Rotzak,’ zei Quim. Hij liep stampend de kamer uit.

Ongeveer tegelijk installeerden de anderen zich voor een gesprek. Miro had besloten om de vreemdeling in ieder geval voorlopig te aanvaarden en daarom konden zij hun waakzaamheid iets laten verslappen. Olhado ging op de grond zitten; Quara klom weer op het bed. Ela leunde tegen de wand. Miro trok een stoel bij en ging tegenover Ender zitten.

‘Waarom ben je naar dit huis gekomen?’ vroeg Miro. Ender zag aan de manier waarop hij het vroeg dat hij net als Ela aan niemand had verteld dat hij een beroep op een Spreker had gedaan. Geen van tweeën wist dus dat de ander hem verwachtte. En ze hadden er ook vast niet op gerekend dat hij al zo snel zou komen.

‘Om je moeder te spreken,’ zei Ender.

Miro’s opluchting was bijna tastbaar, hoewel hij er niets van liet merken. ‘Ze is aan het werk,’ zei hij. ‘Ze werkt laat door. Ze probeert een aardappelsoort te ontwikkelen die met het gras hier kan concurreren.’

‘Net als de amarant?’

Hij grijnsde. ‘Dus dat hebt u al gehoord? Nee, zó’n beste concurrent hoeven we niet. Maar het dieet hier is erg beperkt en aardappelen zouden een welkome aanvulling zijn. Bovendien kan je van gegiste amarant geen goeie drank maken. De mijnwerkers en de boeren hebben al een hele mythologie rond wodka opgebouwd; je zou denken dat het de koningin van de gedestilleerde dranken is.’

Miro’s lach was in dit huis net zonlicht dat door een spleet in een grot binnenviel. Ender voelde de spanning wegebben. Quara liet haar been heen en weer schommelen als een gewoon klein meisje. Olhado had een domme, vrolijke grijns op zijn gezicht en hield zijn ogen half dicht zodat de metaalglans niet zo monsterlijk opviel. Ela’s glimlach was breder dan Miro’s grapje had verdiend. Zelfs Grego had zich ontspannen en probeerde niet langer om zich los te worstelen.

Toen maakte de plotselinge warmte op zijn schoot Ender duidelijk dat Grego het in ieder geval nog lang niet had opgegeven. Ender had zichzelf geleerd om niet als een automaat op acties van een vijand te reageren als hij niet specifiek had besloten om zijn reflexen de vrije hand te geven. Grego’s urinestroom deed hem dus geen spier vertrekken. Hij wist wat Grego had verwacht — dat Ender hem met een woedende schreeuw vol afkeer van zijn schoot zou gooien. Dan zou Grego vrij zijn: een grote overwinning. Ender onthield hem die overwinning.

Maar Ela kende kennelijk Grego’s gelaatsuitdrukkingen op haar duimpje. Ze sperde haar ogen ongelovig open en toen deed ze boos een stap in de richting van de jongen. ‘Grego, onmogelijk stuk vreten dat—’

Maar Ender gaf haar lachend een knipoog, zodat ze niet verder ging. ‘Grego heeft me een cadeautje gegeven. Het is het enige dat hij me kan geven en hij heeft het zelf gemaakt, waardoor het nog meer betekent. Ik vind hem zo lief, ik denk dat ik hem nooit meer loslaat.’

Grego gromde en worstelde weer als een dolle om los te komen.

‘Waarom doet u dit?’ zei Ela.

‘Hij verwacht van Grego dat hij zich gedraagt als een mens,’ zei Miro. ‘Dat moet nodig gebeuren en niemand anders heeft de moeite genomen om het te proberen.’

‘Ik heb het geprobeerd,’ zei Ela.

Olhado zei van zijn zitplaats op de grond. ‘Ela is hier de enige die ons knap houdt.’

Uit de aangrenzende kamer schreeuwde Quim: ‘Vertel die schoft niks over ons gezin!’

Ender knikte ernstig, alsof Quim een briljant voorstel had gedaan. Miro grinnikte en Ela sloeg haar ogen ten hemel en ging naast Quara op het bed zitten.

‘Wij zijn niet zo’n gelukkig gezin,’ zei Miro.

‘Dat begrijp ik,’ zei Ender. ‘Jullie vader is pas gestorven.’

Miro grijnsde spottend. Olhado deed zijn mond weer open: ‘Onze vader was pas nog levend, zal je bedoelen.’

Ela en Miro waren het met deze mening kennelijk geheel eens. Maar Quim riep weer: ‘Je moet hem niks vertellen!’

‘Deed hij jullie pijn?’ vroeg Ender kalm. Hij verroerde zich niet, ook al begon Grego’s urine koud te worden en te stinken.

Ela antwoordde. ‘Hij sloeg ons niet, als u dat soms bedoelt.’

Maar voor Miro ging dit te ver. ‘Quim heeft gelijk,’ zei Miro. ‘Dat gaat een ander niets aan.’

‘Nee,’ zei Ela. ‘Het gaat hem wel aan.’

‘Hoezo gaat het hem aan?’ vroeg Miro.

‘Omdat hij hier is om vaders dood te Bespreken,’ zei Ela.

‘Vaders dood!’ zei Olhado. ‘Chupa pedras! Vader is amper drie weken geleden gestorven!’

‘Ik was al onderweg om een andere dood te Bespreken,’ zei Ender. ‘Maar er heeft iemand gevraagd om een Spreker voor de dood van je vader en dus zal ik voor hem Spreken.’

‘Tegen hem,’ zei Ela.

‘Voor hem,’ zei Ender.

‘Ik heb je hierheen gehaald om de waarheid te vertellen,’ zei ze verbitterd, ‘en alle waarheid over vader is tegen hem.’

De stilte breidde zich uit tot in de hoeken van de kamer en hield hen allemaal in zijn greep tot Quim langzaam door de deuropening naar binnen stapte. Hij keek alleen maar naar Ela. ‘Jij hebt hem geroepen,’ zei hij zacht. ‘Jij.’

‘Om de waarheid, te vertellen!’ verdedigde ze zich. Het was duidelijk dat zijn beschuldiging haar pijn deed; hij hoefde niet te zeggen dat ze haar gezin en haar kerk had verraden door deze ongelovige hierheen te halen om te onthullen wat zo lang verborgen was gebleven. ‘Iedereen in Milagre is zo vriendelijk en vol begrip,’ zei ze. ‘Onze onderwijzers zien kleinigheden door de vingers zoals het stelen van Grego en Quara’s zwijgen. Maakt niet uit dat ze op school nog nooit één woord heeft gezegd; iedereen doet net of we heel gewone kinderen zijn — de kleinkinderen van Os Venerados, en zo briljant allemaal, hè, met een zenador en allebei de biologistas in ons gezin! Wat een aanzien! Ze kijken gewoon de andere kant op als vader zich laveloos zuipt en vervolgens naar huis gaat om moeder in elkaar te slaan tot ze niet meer lopen kan!’

‘Hou je kop!’ schreeuwde Quim.

‘Ela,’ zei Miro.

‘En jij, Miro, vader maar tegen je schreeuwen en vreselijke dingen tegen je zeggen tot je het huis uitrent en bijna over je eigen benen struikelt omdat je blindelings wegholt—’

‘Je hebt het recht niet om hem dat allemaal te vertellen!’ zei Quim.

Olhado sprong overeind en ging in het midden van de kamer staan, waar hij ronddraaide en hen allemaal aankeek met zijn onmenselijke ogen. ‘Waarom willen jullie het nog steeds verbergen?’ vroeg hij zacht.

‘Wat snap jij er nou van?’ vroeg Quim. ‘Jou heeft hij nooit wat gedaan. Jij schakelde gewoon je ogen uit en zette je koptelefoon op om naar batuque of Bach of zoiets te luisteren—’

‘Ik schakelde mijn ogen uit?’ zei Olhado. ‘Ik heb mijn ogen nooit uitgeschakeld.’

Hij draaide zich om en liep naar het werkstation, dat in de verst van de deur gelegen hoek van het vertrek stond. Met een paar snelle bewegingen schakelde hij het werkstation in, pakte vervolgens een verbindingskabel voor randapparatuur en stak die in de stekerbus in zijn rechteroog. Het was maar een eenvoudige computerverbinding, maar bij Ender bracht het beeld een afschuwelijke herinnering naar boven aan het oog van een reus dat openscheurde zodat de drab eruit liep toen Ender zijn wapen erin priemde en doorduwde tot hij de hersens raakte en de reus dood achterover deed storten. Hij bleef een ogenblik als verstijfd zitten tot hij besefte dat deze herinnering niet echt was, dat het een herinnering was aan een computerspel dat hij op de krijgsschool had gespeeld. Drieduizend jaar geleden, maar voor hem niet meer dan vijfentwintig jaar, en de herinnering had dus nog niets aan kracht ingeboet. Het waren zijn dromen over en zijn herinneringen aan de dood van de reus die de kruiperds uit zijn geest geplukt hadden om te gebruiken voor de boodschap die ze voor hem achterlieten en die hem uiteindelijk naar de cocon van de zwermkoningin leidde.

Het was Janes stem die hem naar het heden terugriep. Ze fluisterde in zijn oorsieraad: ‘Als je het niet erg vindt, kopieer ik in de tijd dat dat oog doorverbonden is, gauw even alles wat hij daar nog meer heeft opgeslagen.’

Toen kwam er een tafereel tot leven in de ruimte boven het werkstation. Het was geen holografisch beeld. Het had meer weg van een reliëf, ongeveer zoals het er voor één enkele waarnemer uitgezien zou hebben. Het was deze zelfde kamer, gezien van de plek waar een ogenblik geleden Olhado nog had gezeten — kennelijk was dat zijn vaste plaatsje. Midden in de kamer stond een grote man, sterk en driftig, die wild met zijn armen zwaaide en Miro stond uit te schelden. Die kalm en met gebogen hoofd zijn vader zonder enig teken van boosheid stond aan te kijken. Er was geen geluid bij — er was alleen een visueel tafereel. ‘Weten jullie het niet meer?’ fluisterde Olhado. ‘Weten jullie niet meer hoe het was?’

In het tafereel boven het werkstation draaide Miro zich om en liep het huis uit; Marcão volgde hem naar de deur en schreeuwde hem na. Toen draaide hij zich om en liep de kamer weer in, waar hij bleef staan hijgen als een dier dat vermoeid is van de jacht. In het tafereel rende Grego op zijn vader af, klemde zich vast aan zijn been en schreeuwde naar buiten, waarbij duidelijk aan zijn gezicht te zien was dat hij de wrede woorden van zijn vader tegen Miro herhaalde. Marcão duwde het kind van zijn been en stampte vastberaden de achterkamer in.

‘Er is geen geluid bij,’ zei Olhado, ‘maar jullie horen het zo ook wel, nietwaar?’

Ender voelde dat Grego op zijn schoot zat te trillen.

‘Daar heb je het, een klap, een bons — ze valt op de grond, voelen jullie het in je botten, de klap waarmee haar lijf het beton raakt?’

‘Hou je mond, Olhado,’ zei Miro.

Het door de computer tot leven gebrachte tafereel doofde uit. ‘Ik kan niet geloven dat je dat hebt opgenomen,’ zei Ela.

Quim huilde en deed geen poging om dat te verbergen. ‘Ik heb hem vermoord,’ zei hij. ‘Ik heb hem vermoord ik heb hem vermoord ik heb hem vermoord.’

‘Waar heb je het in godsnaam over?’ zei Miro geprikkeld. ‘Hij had een of andere stomme ziekte, een aangeboren kwaal!’

‘Ik heb gebeden om zijn dood!’ schreeuwde Quim. Zijn gezicht was vlekkerig van opwinding en rond zijn mond zat een mengeling van tranen, snot en spuug. ‘Ik heb de Maagd aangeroepen, ik heb Jezus aangeroepen, ik heb grootvader en grootmoeder aangeroepen, ik zei dat ik best naar de hel wilde als hij maar doodging en ze deden het en nu ga ik naar de hel en het spijt me niet! God ‘vergeef me, maar ik ben er blij om!’ Snikkend strompelde hij de kamer weer uit. In de verte viel met een klap een deur dicht.

‘Nu ja, weer een gegarandeerd wonder op het conto van Os Venerados,’ zei Miro. ‘Heiligheid verzekerd.’

‘Hou je kop,’ zei Olhado.

‘En hij zat ons nota bene almaar te vertellen dat Christus wilde dat wij het die ouwe zak vergaven,’ zei Miro.

Op Enders schoot zat Grego inmiddels zo hevig te beven dat Ender zich zorgen begon te maken. Hij besefte dat Grego een woord fluisterde. Ela zag ook dat Grego het te kwaad had en ze knielde voor het kind op de grond.

‘Hij huilt, ik heb hem nog nooit zo zien huilen—’

‘Papa, papa, papa,’ fluisterde Grego. Het beven was overgegaan in schokken, zo hevig dat het wel krampen leken.

‘Is hij bang voor vader?’ vroeg Olhado. Op zijn gezicht lag diepe bezorgdheid om Grego te lezen. Tot Enders opluchting stonden al hun gezichten bezorgd. Dan was er dus toch liefde in dit gezin en niet alleen maar de solidariteit van het al die jaren zuchten onder het juk van dezelfde tiran.

‘Papa is nu weg hoor,’ zei Miro troostend. ‘Je hoeft niet meer bang te zijn.’

Ender schudde zijn hoofd. ‘Miro,’ zei hij, ‘heb je niet naar Olhado’s herinnering gekeken? Kleine jongens oordelen niet over hun vader, ze houden van hem. Grego deed verschrikkelijk zijn best om net zo te worden als Marcos Ribeira. Jullie waren misschien wel blij dat hij weg was, maar voor Grego was het het einde van de wereld.’

Dat was bij geen van hen opgekomen. Zelfs nu vonden ze het een misselijkmakende gedachte; Ender zag dat ze ervoor terugdeinsden. En toch wisten ze dat het waar was. Nu Ender hen erop had gewezen, was het duidelijk.

‘Deus nos perdoa,’ mompelde Ela. God vergeve ons.

‘De dingen die we hebben gezegd,’ fluisterde Miro.

Ela stak haar armen uit naar Grego. Hij ging niet naar haar toe. In plaats daarvan deed hij precies wat Ender verwachtte, waar hij zich op voorbereid had. Grego draaide zich om op Enders schoot, sloeg zijn armen om de hals van de Spreker voor de Doden en huilde hysterisch bittere tranen.

Tegen de anderen, die hulpeloos toekeken, zei Ender vriendelijk: ‘Hoe kon hij zijn verdriet aan jullie laten zien als hij dacht dat jullie hem haatten?’

‘We hebben Grego nooit gehaat,’ zei Olhado.

‘Ik had het moeten weten,’ zei Miro. ‘Ik wist dat hij er van ons allemaal het ergst aan toe was, maar het kwam gewoon nooit bij me op…’

‘Je hebt geen enkele reden om je schuldig te voelen,’ zei Ender. ‘Dit is zoiets dat alleen een vreemde kan zien.’

Hij hoorde Jane in zijn oor fluisteren. ‘Je weet me altijd weer te verbazen, Andrew, zoals jij mensen in was weet te veranderen.’

Ender kon haar geen antwoord geven en ze had hem anders trouwens toch niet willen geloven. Hij had dit niet voorbereid, hij had het laten gebeuren zoals het hem overkwam. Hoe had hij nu kunnen vermoeden dat Olhado een opname gemaakt had van Marcão’s gemene gedrag jegens zijn gezin? De enige keer dat hij echt van zijn inzicht gebruik had gemaakt, was met Grego en zelfs dat was een kwestie van min of meer instinctief beseffen dat Grego een wanhopige behoefte had aan iemand die zich als een vader tegenover hem gedroeg. Aangezien zijn eigen vader wreed was geweest, zou Grego alleen wreedheid aanvaarden als een bewijs van liefde en kracht. Nu stroomden zijn natte tranen even warm over Enders hals als een tijdje geleden zijn urine over Enders dijen.

Hij had wel vermoed wat Grego zou doen, maar Quara wist hem toch nog voor een verrassing te plaatsen. Terwijl de anderen zwijgend naar de huilende Grego stonden te kijken, liet zij zich van het bed glijden en liep regelrecht op Ender af. Ze keek hem met gefronste wenkbrauwen en boze ogen aan. ‘Jij stinkt!’ zei ze ferm. Toen beende ze de kamer uit naar de achterkant van het huis.

Miro kon maar nauwelijks zijn lachen inhouden en Ela glimlachte. Ender trok zijn wenkbrauwen op alsof hij wilde zeggen: Je kunt niet altijd winnen.

Olhado leek zijn onuitgesproken woorden wel gehoord te hebben. Vanaf zijn stoel voor het werkstation zei de jongen met de metalen ogen zacht: ‘U hebt haar ook voor u gewonnen. Al maanden heeft ze niet zoveel gezegd tegen iemand van buiten het gezin.’

Maar ik ben niet van buiten het gezin, zei Ender zwijgend. Heb je het niet gemerkt? Ik hoor nu bij het gezin, of het je nu bevalt of niet. Of het mij nu bevalt of niet.

Een tijdje later hield Grego op met snikken. Hij sliep. Ender droeg hem naar zijn bed; Quara lag al te slapen tegen de andere wand van het kleine vertrek. Ela hielp Ender om Grego zijn drijfnatte piesbroek uit te trekken en trok hem een tricot broek aan — dat deed ze zo zacht en handig dat Grego niet wakker werd.

Toen ze weer terug waren in de voorkamer, bekeek Miro Ender met een zakelijke blik. ‘Nou, Spreker, u kunt kiezen. Mijn broek is u vast te krap en ook te kort in het kruis, maar die van vader zakt gegarandeerd van uw gat.’ Het duurde even voor Ender het begreep. Grego’s urine was allang opgedroogd. ‘O, dat geeft niet hoor,’ zei hij. ‘Ik kan me wel verkleden als ik thuiskom.’

‘Het duurt nog wel minstens een uur voor moeder thuiskomt.; U wilde haar toch spreken? Dan is uw broek inmiddels wel weer schoon.’

‘Jóuw broek dan maar,’ zei Ender. ‘Ik waag het er maar op met dat kruis.’

8. Dona Ivanova

Het betekent een leven van voortdurend bedrog. Je trekt erop uit en ontdekt iets, iets belangrijks, en als je dan in de post terugkomt, schrijf je een volkomen onschuldig rapport waarin niets voorkomt dat we door beschavingsvervuiling te weten zijn gekomen.

Jullie zijn nog te jong om te weten wat een kwelling dat is. Vader en ik begonnen dit te doen omdat we het niet konden verdragen kennis achter te moeten houden voor de zwijntjes. Je zult er net als ik wel achterkomen dat het niet minder pijn doet om kennis achter te moeten houden voor je collega-onderzoekers. Als je hen ziet worstelen met een vraag en je weet dat jij de kennis bezit waarmee ze hun probleem zouden kunnen oplossen; als je hen heel dicht bij de waarheid ziet komen en hen vervolgens door gebrek aan de juiste gegevens toch hun goede conclusies ziet afwijzen en hen in hun oude fouten ziet vervallen — je zou geen mens zijn als dat je niet zou kwellen.

Jullie moeten altijd goed onthouden dat het hun eigen wetten zijn en dat ze daar zelf voor gekozen hebben. Zij zijn degenen die de muur tussen henzelf en de waarheid opgetrokken hebben en zij zouden ons alleen maar straffen als we hun lieten weten hoe makkelijk en grondig wij die muur doorbroken hebben. En voor elke framling onderzoeker die oprecht naar de waarheid zoekt zijn er tien kleinzielige descabeçados [lui zonder hoofd] die kennis minachten, die nooit eens een oorspronkelijke gedachte hebben, die zich alleen maar op het werk van de oprechte onderzoekers kunnen storten om die op kleine foutjes te betrappen of op tegenstrijdige uitspraken of gebreken in hun methodes. Deze horzels zullen zich op elk rapport dat je maakt storten, en als je ook maar, één keer onvoorzichtig bent, nemen ze je te grazen.

Dat betekent dat je niet eens een zwijntje kunt noemen dat een naam heeft die aan beschavingsvervuiling is ontleend: ‘Kommetje’ zou bijvoorbeeld verraden dat we hun de beginselen van het pottenbakken hebben bijgebracht. ‘Kalender’ en ‘Oogster’ spreken natuurlijk voor zich. En zelfs God in eigen persoon zou ons niet kunnen redden als hun de naam ‘Pijl’ ter ore kwam.

Memo van Liberdade Figueira de Medici aan Ouanda Figueira Mucumbi en Miro Ribeira von Hesse, op bevel van het Parlement uit het archief van Lusitania gelicht en opgevoerd als bewijsmateriaal tijdens de rechtszaak in absentia tegen de van hoogverraad en ambtsmisdrijf beschuldigde xenologen van Lusitania

Ondanks het feit dat haar betekenisvolle werk al meer dan een uur klaar was, bleef Novinha nog maar rondhangen in de biologistapost. De gekloonde aardappelplanten tierden allemaal welig in hun voedseloplossing; nu zou het verder alleen nog een kwestie zijn van dagelijks observeren om te zien welke van haar genetische veranderingen de gezondste plant met de meest bruikbare knollen zou opleveren.

Als ik niets meer te doen heb, waarom ga ik dan niet naar huis? Ze had geen antwoord op die vraag. Haar kinderen hadden haar nodig, dat was zeker; ze bewees hun geen gunst door iedere morgen vroeg te vertrekken en pas thuis te komen ais de kleintjes al sliepen. En hoewel ze wist dat ze naar huis moest, bleef ze hier toch maar naar het laboratorium zitten staren zonder iets te zien, zonder iets te doen, zonder iets te zijn.

Ze dacht aan naar huis gaan en kon zich niet indenken waarom dat vooruitzicht haar geen vreugde gaf. Marcão is dood, hoor, hield ze zichzelf voor. Hij stierf drie weken geleden. En geen moment te vroeg. Hij deed alles waarvoor ik hem ooit nodig had en ik deed alles wat hij wilde, maar al onze redenen vervlogen vier jaar voor hij eindelijk definitief verrotte. In al die tijd hebben we nooit een ogenblik van liefde gedeeld, maar ik heb er nimmer aan gedacht hem te verlaten. Een scheiding zou onmogelijk zijn geweest, maar desquite zou genoeg zijn geweest. Om een eind te maken aan de mishandelingen. Zelfs nu was haar heup nog stijf en soms ook pijnlijk van de laatste keer dat hij haar tegen de betonnen vloer had gesmeten. Wat een prettige aandenkens heb je achtergelaten, Cão, mijn hond van een echtgenoot.

De pijn vlijmde door haar heup, alleen al bij de gedachte eraan. Ze knikte tevreden. Ik verdien niet beter, en het zal me spijten als het geneest.

Ze stond op en begon te lopen, zonder ook maar één seconde met haar been te trekken, ook al deed het zeer genoeg om de heup te ontzien. Ik ben niet van plan om mezelf in de watten leggen, in geen enkel opzicht. Ik verdien niet beter.

Ze liep naar de deur en draaide die achter zich op slot. Zodra ze de deur uit was, draaide de computer al het licht uit, behalve de lampen die nodig waren voor de verschillende planten die momenteel een geforceerde fotosynthesefase doormaakten. Ze hield verbazingwekkend veel van haar planten en haar beestjes. Groei, riep ze hun dag en nacht zwijgend toe, groei en bloei. Ze had verdriet over de mislukkelingen en kneep ze pas dood als het zeker was dat ze toch geen toekomst meer hadden. Nu ze bij de post vandaan liep, hoorde ze in haar onderbewustzijn nog steeds hun muziek, de kreten van de oneindig kleine cellen die groeiden en splitsten en zich in steeds ingewikkelder patronen groepeerden. Ze begaf zich vanuit het licht naar de duisternis, van het leven naar de dood en de emotionele pijn nam toe in volmaakte harmonie met de pijn in haar gewrichten.

Toen ze over de top van de heuvel haar huis naderde, zag ze lager op de helling vlekken van lamplicht dat door de ramen naar buiten viel. De kamer van Quara en Grego was donker; hun ondraaglijke beschuldigingen zou ze niet hoeven verduren — die van Quara geuit in zwijgen en die van Grego in gemelijke, gemene streken. Maar er brandde veel meer licht dan anders, onder andere dat in haar eigen kamer en dat in de voorkamer. Er was iets ongewoons aan de hand en ze hield niet van ongewone dingen.

Olhado zat in de woonkamer, zoals gebruikelijk met zijn koptelefoon op; maar vanavond had hij ook de computerplug in zijn oog. Kennelijk viste hij oude beeldherinneringen op uit de computer, of misschien was hij juist wel beelden aan het wissen die hij bewaard had. Net als vele malen eerder wenste ze dat zij ook haar beeldherinneringen zou kunnen wissen om ze door prettiger beelden te vervangen. Pipo’s lijk, dat was er bijvoorbeeld een die ze graag zou willen inruilen voor een paar van de heerlijke gouden dagen toen ze nog met zijn driën in de zenadorpost werkten. En Libo’s lichaam in zijn lijkwade, dat geliefde lijf nog slechts bijeengehouden door de windsels; ze zou wel graag andere herinneringen aan zijn lijf hebben, hoe zijn lippen aanvoelden bijvoorbeeld, of zijn prachtige, expressieve handen. Maar de goede herinneringen vervlogen en raakten bedolven onder de pijn. Ik heb ze allemaal gestolen, die heerlijke dagen, en dus werden ze me afgenomen en vervangen door wat ik verdiende.

Olhado draaide zich om en keek haar aan, met de plug weerzinwekkend uit zijn oog stekend. Ze kon haar huivering en schaamte niet onderdrukken. Het spijt me, zei ze zwijgend. Als je een andere moeder had gehad, zou je ongetwijfeld je ogen nog hebben. Jij werd geboren als de beste, de gezondste, de compleetste van al mijn kinderen, Lauro, maar niets dat uit mijn schoot komt kan lang onbeschadigd blijven.

Natuurlijk zei ze niets van dit alles hardop, net zoals Olhado niets tegen haar zei. Ze maakte aanstalten om naar haar kamer te gaan om te kijken waarom het licht aan was.

‘Moeder,’ zei Olhado.

‘Ja?’

‘We hebben bezoek,’ zei hij. ‘De Spreker is er.’

Ze voelde zich van binnen verstijven. Niet vanavond, schreeuwde ze geluidloos. Maar ze wist ook dat ze hem morgen evenmin zou willen zien, of de dag daarna, of ooit.

‘Zijn broek is nu weer schoon en hij is zich aan het verkleden in jouw kamer. Ik hoop dat je dat niet erg vindt.’

Ela kwam uit de keuken. ‘Je bent thuis,’ zei ze. ‘Ik heb cafezinhos ingeschonken, voor jou ook een.’

‘Ik wacht wel buiten tot hij weg is,’ zei Novinha.

Ela en Olhado keken elkaar aan. Novinha begreep onmiddellijk dat ze haar beschouwden als een probleem dat een oplossing behoefde; dat ze het kennelijk eens waren met wat de Spreker hier wilde doen. Nou, ik ben een dilemma dat voor jullie onoplosbaar is.

‘Moeder,’ zei Olhado, ‘hij is niet wat de bisschop zei. Hij is goed.’

Novinha antwoordde op haar allervenijnigste sarcastische manier. ‘Sinds wanneer ben jij deskundig op het gebied van goed en kwaad?’

Weer keken Ela en Olhado elkaar aan. Ze wist wat ze dachten. Hoe kunnen we het haar uitleggen? Hoe kunnen we haar overhalen? Nou, lieve kinderen, dat zal niet lukken. Ik ben niet over te halen, zoals Libo elke week van zijn leven heeft ondervonden. Hij heeft het geheim nimmer uit me kunnen loskrijgen. Het is niet mijn schuld dat hij is gestorven.

Maar ze waren er toch in geslaagd haar van haar voornemen af te brengen. In plaats van weer naar buiten te gaan, liep ze de keuken in langs Ela, die in de deuropening stond maar die ze niet aanraakte. De kleine koffiekopjes stonden in een keurige kring op tafel met de dampende pot in het midden. Ze ging zitten en legde haar onderarmen op de tafel. Dus de Spreker was hier en kwam haar als eerste opzoeken. Waar moest hij anders heen? Het is mijn schuld dat hij hier is, nietwaar? Hij is een van de vele personen wier leven ik heb verwoest, zoals ik de levens van mijn kinderen heb verwoest, het leven van Marcão en dat van Libo en Pipo en mijn eigen leven.

Een sterke maar verrassend gladde mannenhand verscheen naast haar schouder, pakte de pot en begon door de kleine, bevallige tuit een dunne straal hete koffie in de kleine cafezinho-kopjes te gieten.

‘Posso derramar?’ vroeg hij. Wat een stomme vraag, aangezien hij al aan het schenken was. Maar hij had een vriendelijke stem en hij sprak Portugees met een aantrekkelijke Castiliaanse tongval. Zou hij een Spanjaard zijn?

‘Desculpa-me,’ fluisterde ze. Vergeef me. ‘Trouxe o Senhor tantos quilömetros—’

‘Een ruimtevlucht wordt niet in kilometers gemeten, Dona Ivanova. Die meten we in jaren.’ Zijn woorden waren een beschuldiging, maar in zijn stem hoorde ze weemoed, vergeving ook en zelfs troost. Ik zou me door die stem kunnen laten verleiden. Die stem is een leugenaar.

‘Als ik uw reis ongedaan zou kunnen maken en u die tweeëntwintig jaar teruggeven, zou ik het doen. Die oproep was een grote vergissing. Het spijt me.’ Haar eigen stem klonk vlak. Aangezien haar hele leven een leugen was, klonk zelfs deze verontschuldiging uit het hoofd geleerd.

‘Ik voel het tijdsverloop nog niet,’ zei de Spreker. Hij stond nog steeds achter haar zodat ze zijn gezicht nog niet gezien had. ‘Voor mij was het pas een week geleden dat ik afscheid nam van mijn zuster. Zij was mijn enige nog levende verwant. Haar dochter was nog niet geboren en nu heeft ze waarschijnlijk haar studie afgerond, is getrouwd en heeft misschien zelf al kinderen. Ik zal haar nooit kennen. Maar ik ken tiw kinderen, Dona Ivanova.’

Ze pakte haar cafezinho en dronk het kopje in één teug leeg, ook al verschroeide de koffie haar tong en deed hij zeer in haar maag. ‘Na een paar uur meent u ze al te kennen?’

‘Beter dan u, Dona Ivanova.’

Novinha hoorde Ela hijgen van schrik over deze brutale opmerking van de Spreker. En al waren zijn woorden misschien waar, het maakte haar evengoed woedend om ze door een vreemde te horen uitspreken. Ze draaide zich om om hem aan te kijken en hem iets toe te snauwen, maar hij had zich verplaatst; hij stond niet meer achter haar. Ze draaide zich verder om en moest uiteindelijk helemaal overeind komen om te kijken waar hij was, maar hij was niet langer in het vertrek. Ela stond met grote ogen in de deuropening.

‘Kom terug!’ zei Novinha. ‘Zoiets kun je niet zomaar zeggen en vervolgens gewoon weglopen!’

Maar hij gaf geen antwoord. In plaats daarvan hoorde ze iemand zacht lachen achter in het huis. Novinha ging het geluid achterna. Ze liep de kamers door tot helemaal achter in het huis. Miro zat op Novinha’s eigen bed en de Spreker stond naast de deur en lachte met hem. Miro zag zijn moeder en de lach verdween van zijn gezicht. Dat sneed haar door haar ziel. Ze had hem al jaren niet zien lachen, had vergeten hoe mooi zijn gezicht dan was, hoeveel hij op zijn vader leek; en haar komst had die lach weggevaagd.

‘We gingen hier zitten praten omdat Quim zo kwaad was,’ legde Miro uit. ‘Ela heeft het bed opgemaakt.’

‘Ik denk niet dat het de Spreker iets kan schelen of het bed opgemaakt was of niet,’ zei Novinha. ‘Of wel, Spreker?’

‘Orde en wanorde,’ zei de Spreker, ‘hebben beide hun schoonheid.’ Nog steeds keek hij haar niet aan en daar was ze blij om, want dat betekende dat ze zijn ogen niet hoefde te zien als ze haar nare boodschap overbracht.

‘Ik moet u vertellen, Spreker, dat u een vergeefse reis hebt gemaakt,’ zei ze. ‘Het staat u vrij me erom te haten, maar er is geen dood die Besproken moet worden. Ik was een dom kind. In mijn jeugdige onnozelheid dacht ik dat als ik een Spreker opriep, de schrijver van De zwermkoningin en de hegemoon zou komen. Ik had een man verloren die als een vader voor me was en ik wilde getroost worden.’

Nu draaide hij haar zijn gezicht toe. Hij was een tamelijk jonge man, jonger dan zij in ieder geval, maar zijn ogen stonden verleidelijk vol begrip. Perigoso, dacht ze. Hij is gevaarlijk, hij is mooi, ik zou kunnen verdrinken in zijn begrip.

‘Dona Ivanova,’ zei hij, ‘hoe kon u na het lezen van De zwermkoningin en de hegemoon in godsnaam denken dat de schrijver daarvan troost zou kunnen brengen?’

Het was Miro die antwoord gaf — de zwijgzame, traag pratende Miro, die op het gesprek inhaakte met een gretigheid die ze sinds hij een kind was niet meer van hem had gezien. ‘Ik heb het gelezen,’ zei hij, ‘en de oorspronkelijke Spreker voor de Doden schreef het verhaal van de zwermkoningin met diep erbarmen.’

De Spreker glimlachte droevig. ‘Maar hij schreef niet vóór de kruiperds, nietwaar? Hij schreef voor de mensheid, die nog steeds de vernietiging van de kruiperds vierde als een grote overwinning. Hij schreef wreed, om hun trots te doen verkeren in berouw, hun vreugde in verdriet. En nu hebben mensen helemaal vergeten dat ze de kruiperds ooit haatten, dat ze ooit een naam eerden en achtten die nu onuitsprekelijk wordt geacht—’

‘Ik kan alles zeggen,’ zei Ivanova. ‘Hij heette Ender en hij vernietigde alles wat hij aanraakte.’ Net als ik, zei ze er niet achteraan.

‘O? En wat weet u van hem?’ Zijn stem striemde als een graszaag, bijtend en meedogenloos. ‘Hoe weet u of er niet iets was dat hij met liefde beroerde? Of er niet iemand was die van hem hield, die gezegend was met zijn liefde? Vernietigde alles wat hij aanraakte — dat is een leugen die opgaat voor geen enkel mens dat ooit heeft geleefd.’

‘Is dat uw leerstelling, Spreker? Dan weet u ook niet veel.’ Ze zei het minachtend, maar toch joeg zijn boosheid haar angst aan. Ze had gedacht dat zijn vriendelijkheid even onverstoorbaar was als die van een biechtvader.

En de boosheid was ook razendsnel weer van zijn gezicht verdwenen. ‘U kunt uw geweten geruststellen,’ zei hij. ‘Uw oproep deed me op reis gaan, maar terwijl ik onderweg was, hebben anderen ook een beroep op een Spreker gedaan.’

‘O ja?’ Wie was er in deze achterlijke stad genoegzaam bekend met De zwermkoningin en de hegemoon om een beroep op een Spreker te willen doen en wie was er onafhankelijk genoeg van bisschop Peregrino om dat beroep te durven doen? ‘Als dat zo is, waarom bent u dan hier in mijn huis?’

‘Omdat er een beroep op me werd gedaan om de dood van Marcos Maria Ribeira te Bespreken, uw echtgenoot zaliger.’

Dat was een ontstellende gedachte. ‘Zijn dood! Wie wil er ooit nog aan hem denken nu hij eenmaal dood is!’

De Spreker gaf geen antwoord. Maar Miro zei op scherpe toon vanaf haar bed: ‘Grego, bijvoorbeeld. De Spreker heeft ons laten zien wat we allemaal hadden moeten weten: dat de jongen verdriet heeft om zijn vader en denkt dat we allemaal een hekel aan hem hebben—’

‘Psychologie van de koude grond,’ snauwde zij. ‘Wij hebben zelf ook therapeuten en die zijn ook geen knip voor de neus waard.’

Ela’s stem klonk van achter haar rug. ‘Ik heb een beroep op hem gedaan om vaders dood te Bespreken, moeder. Ik dacht dat het tientallen jaren zou duren voor hij kwam, maar ik ben blij dat hij er nu al is, nu hij ons nog kan helpen.’

‘Hoe kan hij ons nou helpen?’

‘Hij heeft ons al geholpen, moeder. Grego viel in slaap met zijn armen om zijn hals en Quara heeft iets tegen hem gezegd.’

‘Om je de waarheid te zeggen,’ zei Miro, ‘zei ze tegen hem dat hij stonk.’

‘En dat zal wel waar geweest zijn ook,’ zei Ela, ‘want Greguinho had hem helemaal nat gepiest.’

Miro en Ela barstten in lachen uit bij de herinnering en de Spreker grijnsde met hen mee. Dit vond Novinha nog het meest verontrustende van alles — zulk plezier was er in dit huis praktisch niet meer beleefd sinds Marcão haar een jaar na Pipo’s dood hier had gebracht. Ongewild herinnerde Novinha zich haar vreugde van toen Miro pas geboren was en van toen Ela nog klein was, de eerste paar jaren van hun leven, hoe Miro altijd over van alles kletste en hoe Ela hem altijd hardnekkig door het hele huis achterna liep, hoe de kinderen samen speelden en in het gras dolden met op de achtergrond het bos van de zwijntjes achter het hek. Het was Novinha’s vreugde in haar kinderen die Marcão vergiftigde, die maakte dat hij hen allebei ging haten, omdat hij wist dat niets daarvan aan hem toebehoorde. Tegen de tijd dat Quim geboren werd, was het huis zwanger van boosheid en hij had nooit geleerd om onbevangen te lachen waar zijn ouders hem zouden kunnen horen. En nu ze Miro en Ela samen hoorde lachen, leek het wel of er ineens een dik zwart gordijn werd opengetrokken. Plotseling was er weer daglicht, terwijl Novinha helemaal vergeten had dat een etmaal nog iets anders omvatte dan alleen de nacht.

Hoe durfde deze vreemdeling haar huis binnen te dringen en alle gordijnen open te rukken die zij had gesloten!

‘Ik wil het niet hebben,’ zei ze. ‘U hebt het recht niet om het leven van mijn echtgenoot ondersteboven te halen.’

Hij trok een wenkbrauw op. Ze kende het Gesterntereglement net zogoed als ieder ander en wist dus heel goed dat hij niet alleen het recht had, maar dat hij zelfs onder bescherming van de wet stond terwijl hij het ware verhaal van de dode probeerde te achterhalen.

‘Marcão was een ellendige kerel,’ hield ze vol, ‘en de waarheid over hem vertellen zal alleen maar verdriet brengen.’

‘U hebt helemaal gelijk als u zegt dat de waarheid over hem alleen maar verdriet zal brengen, maar niet omdat hij een ellendige kerel was,’ zei de Spreker. ‘Als ik niets anders vertelde dan wat iedereen al weet — dat hij een hekel aan zijn kinderen had en zijn vrouw sloeg en laveloos tekeerging in de ene kroeg na de andere tot de agenten hem naar huis stuurden — dan zou ik geen verdriet veroorzaken. Ik zou juist een heleboel genoegdoening schenken omdat dan iedereen met voldoening kon vernemen dat zijn oordeel over hem altijd al juist was. Hij was een stuk vullis en het was dus in orde dat ze hem als vullis behandelden.’

‘En u denkt dat hij dat niet was?’

‘Geen enkel menselijk wezen is waardeloos als je zijn verlangens begrijpt. Als je hun hart begrijpt, hebben zelfs de meest verdorven mannen en vrouwen weleens iets edels gedaan dat hen in ieder geval een beetje van hun zonden verlost.’

‘Als u dat gelooft, bent u jonger dan u eruitziet,’ zei Novinha.

‘O ja?’ zei de Spreker. ‘Het is amper twee weken geleden dat ik uw oproep kreeg. Toen heb ik u bestudeerd en zelfs als u het zélf niet meer weet, Novinha, dan weet ik nog dat u als jong meisje lief en mooi en goed was. U was wel eerder eenzaam geweest, maar Pipo en Libo kenden u allebei en vonden u hun liefde waard.’

‘Pipo was dood.’

‘Maar hij hield van u.’

‘U weet helemaal niks, Spreker! U was tweeëntwintig lichtjaar bij ons vandaan! Bovendien zei ik niet dat fk waardeloos was, ik zei dat Marcão waardeloos was!’

‘Maar dat meent u niet, Novinha. Omdat u die ene daad van vriendschap en edelmoedigheid kent die het leven van die arme man rechtvaardigt.’

Novinha begreep niet waarom ze zo bang was, maar ze moest hem de mond snoeren voor hij de daad noemde, ook al had ze er geen flauw idee van wat voor vriendelijk gebaar van Marcão hij ontdekt meende te hebben. ‘Hoe durft u me Novinha te noemen!’ schreeuwde ze. ‘Al vier jaar heeft niemand me meer zo genoemd!’

Als antwoord hief hij zijn hand op en streelde met zijn vingers langs haar wang. Het was een bedeesd gebaar, bijna het gebaar van een jonge jongen; het deed haar aan Libo denken en het was meer dan ze kon verdragen. Ze greep zijn hand, smeet die van zich af, duwde hem opzij en stampte haar kamer in. ‘Donder op!’ schreeuwde ze tegen Miro. Haar zoon stond vlug op en liep achteruit naar de deur. Ze kon aan zijn gezicht zien dat ze Miro, na alles wat hij in dit huis had meegemaakt, nog altijd kon verbazen met haar woede.

‘Je krijgt helemaal niets van me!’ schreeuwde ze tegen de Spreker.

‘Ik ben niet gekomen om je iets te ontnemen,’ zei hij kalm.

‘En ik wil ook niks dat jij te geven hebt! Voor mij ben je helemaal niks waard, hoor je dat! Jij bent het waardeloze sujet hier! Lixo, ruina, estrago — vai fora d’aqui, não tens direito estár em minha casa!’ Je hebt het recht niet om in mijn huis te zijn.

‘Não eres estrago,’ fluisterde hij, ‘eres solo fecundo, e vou plantar jardim ai.’ En voor ze nog iets terug kon zeggen, had hij de deur gesloten en was vertrokken.

Eerlijk gezegd zou ze ook niet geweten hebben wat ze terug had moeten zeggen, zo schandelijk waren zijn woorden. Zij had hem estrago genoemd, maar hij antwoordde alsof ze zichzelf een woestijn had genoemd. En ze had hem minachtend aangesproken met het beledigend familiaire tu voor ‘jij’ in plaats van het vormelijke o Senhor of zelfs maar het informele você. Zo sprak je een kind toe of een hond. En toch, toen hij op dezelfde manier antwoordde, met dezelfde familiariteit, was het heel anders. ‘Je bent vruchtbare grond en ik zal een tuin in je planten.’ Het was iets dat een dichter tegen zijn minnares zegt of zelfs een huisvader tegen zijn vrouw, en het tu was intiem en niet aanmatigend. Hoe durfde hij, fluisterde ze in zichzelf terwijl ze de wang aanraakte die hij had gestreeld. Hij is veel wreder dan ik ooit voor mogelijk had gehouden voor een Spreker. Bisschop Peregrino had gelijk. Hij is gevaarlijk, de ongelovige, de antichrist, hij stapt brutaal de plekken van mijn hart binnen die ik heilig had verklaard, die niemand anders mocht betreden. Hij vertrapt de paar kleine sprietjes die zich in die steenachtige aarde nog aan het leven vastklampen. Hoe durft hij, ik wou dat ik gestorven was voor ik hem ooit gezien had, hij wordt mijn dood nog als hij zo doorgaat.

Ze besefte ineens dat er iemand lag te huilen. Quara. Ze was natuurlijk wakker geworden van het geschreeuw; ze sliep altijd erg licht. Novinha had al bijna de deur opengedaan om haar te gaan troosten, maar toen hoorde ze dat het huilen ophield en dat een zachte mannenstem een liedje voor haar zong. Het liedje was in een andere taal. Het klonk als Duits, meende Novinha, of Scandinavisch of zo; wat het ook was, zij verstond het niet. Maar ze wist wie het zong en ze wist dat Quara getroost was.

Novinha was niet meer zo bang geweest sinds het moment dat ze voor het eerst besefte dat Miro besloten had om zenador te worden en in de voetstappen van de twee door de zwijntjes vermoorde mannen te treden. Deze man ontrafelt het web van mijn gezin en knoopt het gezond weer aan elkaar; maar daarbij zal hij op mijn geheim stoten. Als hij erachter komt hoe Pipo is gestorven en de waarheid Spreekt, dan zal Miro dat geheim ook vernemen en het zal hem doden. Ik weiger nog meer offers aan de zwijntjes te brengen; zo’n wrede god kan ik niet langer aanbidden.

Nog later, terwijl ze in bed lag en achter haar dichte deur in slaap probeerde te komen, hoorde ze nog meer lachende stemmen uit de voorkamer. Dit keer hoorde ze niet alleen Miro en Ela lachen maar ook Quim en Olhado. Ze verbeeldde zich dat ze hen kon zien, de hele kamer vol stralend plezier. Maar toen de slaap haar overmande en haar verbeelding in een droom overging, was het niet de Spreker die te midden van haar kinderen zat en hen leerde lachen; het was Libo, levend en wel en aan iedereen bekend als haar ware echtgenoot, de man met wie ze in haar hart getrouwd was, ook al had ze geweigerd hem in de kerk te trouwen. Zelfs in haar slaap was die vreugde ondraaglijk groot en haar laken werd nat van de tranen.

9. Aangeboren gebrek

CIDA: Het Descoladalichaampje is niet bacterieel. Het dringt blijkbaar de cellen van het lichaam binnen en vestigt zich daar permanent, net als de mitochondriën, en het vermenigvuldigt zich als de cel zich vermenigvuldigt. Het feit dat het binnen een paar jaar na onze komst al een VOLKOMEN nieuwe soort had overmeesterd, doet vermoeden dat het zich waanzinnig goed kan aanpassen. Het moet zich vast en zeker al heel lang geleden over de hele biosfeer van Lusitania verspreid hebben zodat het hier inmiddels waarschijnlijk endemisch is, een permanente infectie.

GUSTO: Als het permanent is en alom aanwezig, is het geen infectie, Cida, dan is het een onderdeel van het gewone leven.

CIDA: Maar het is niet noodzakelijk aangeboren — het is gewoon heel geschikt om zich te verspreiden. Maar je hebt gelijk, als het endemisch is, dan moeten alle inheemse soorten een manier hebben gevonden om zich ertegen te verweren—

GUSTO: Of om zich aan te passen en het in hun normale levenscyclus op te nemen. Misschien hebben ze het wel nodig.

CIDA: nodig? Iets dat hun genetische moleculen afbreekt en ze op een willekeurige manier weer in elkaar zet?

GUSTO: Misschien zijn er daarom wel zo weinig verschillende soorten op Lusitania — de Descolada is misschien betrekkelijk jong — niet ouder dan een half miljoen jaar — en de meeste soorten konden zich niet aanpassen.

CIDA: Ik wou dat we niet stervende waren, Gusto. De volgende xenobioloog zal waarschijnlijk met standaard genetische aanpassingen werken en dit niet verder uitwerken.

GUSTO: Is dat de enige reden die je kunt bedenken om onze dood te betreuren?

Vladimir Tiago Gussman en Ekaterina Maria Aparecida do Norte von Hesse-Gussman, ongepubliceerde dialoog uit werkaantekeningen van twee dagen voor hun dood; voor het eerst geciteerd in ‘Verloren gegane inzichten’, Meta-Science, tijdschrift voor methodologie, 2001:12:12: 144-45

Ender keerde die nacht pas laat naar huis terug van zijn bezoek aan het gezin Ribeira en daarna had hij nog een uur lang geprobeerd om iets te begrijpen van alles wat er was gebeurd, vooral nadat Novinha was thuisgekomen. Toch werd Ender de volgende morgen vroeg wakker met een hoofd vol vragen waarop hij antwoord wilde hebben. Zo ging het altijd als hij zich voorbereidde op het Bespreken van een dood; hij kon niet wachten om het verhaal van de dode man zoals hij zichzelf zag te achterhalen, of het leven dat de dode vrouw had willen leiden, hoe slecht dat ook was uitgevallen. Maar dit keer maakte hij zich drukker dan anders. Hij gaf nu meer om de levenden dan hij ooit eerder had gedaan.

‘Je bent er natuurlijk nu meer bij betrokken,’ zei Jane toen hij haar zijn verwarring had proberen uit te leggen. ‘Je hield al van Novinha voor je uit Trondheim vertrok.’

‘Misschien hield ik van het jonge meisje, maar deze vrouw is zelfzuchtig en gemeen. Moet je zien wat ze met haar kinderen heeft laten gebeuren.’

‘Is dit de Spreker voor de Doden? Die iemand beoordeelt naar de schijn?’

‘Misschien ben ik wel van Grego gaan houden.’

‘Jij hebt altijd al een zwak gehad voor mensen die tegen je aan piesen.’

‘En Quara. Allemaal — zelfs Miro, ik mag die jongen.’

‘En ze zijn gek op jou, Ender.’

Hij lachte. ‘Mensen denken altijd dat ze gek op mij zijn tot ik Spreek. Novinha is wat scherper dan de meesten — zij haat me al vóór ik de waarheid vertel.’

‘Jij bent net zo blind voor jezelf als ieder ander, Spreker,’ zei Jane. ‘Beloof me dat je mij jouw dood laat Bespreken als je sterft. Dan heb ik heel wat te vertellen.’

‘Hou het voor je,’ zei Ender vermoeid. ‘Jij bent nog slechter in dit soort zaken dan ik.’

Hij begon aan zijn lijst met vragen waarop hij een antwoord moest hebben.

1. Waarom is Novinha ooit met Marcão getrouwd?

2. Waarom haatte Marcão zijn kinderen?

3. Waarom haat Novinha zichzelf?

4. Waarom heeft Miro een beroep om me gedaan om Libo’s dood te Bespreken?

5. Waarom heeft Ela een beroep op me gedaan om haar vaders dood te Bespreken?

6. Waarom veranderde Novinha van gedachten omtrent het Bespreken van Pipo’s dood?

7. Wat was de directe oorzaak van Marcão’s dood?

Bij de zevende vraag hield hij op. Die zou makkelijk te beantwoorden zijn; een zuiver klinische kwestie. Daarmee zou hij dus beginnen.

De arts die de lijkschouwing op Marcão had uitgevoerd werd Navio genoemd, wat ‘schip’ betekent.

‘Niet vanwege mijn omvang,’ zei hij lachend. ‘Of omdat ik zo’n goeie zwemmer ben. Mijn volledige naam is Enrique o Navigador Caronada. Ik kan u verzekeren dat ik blij ben dat ze mijn roepnaam van “stuurman” afgeleid hebben en niet van “klein kanonnetje”. Die laatste biedt veel te veel obscene mogelijkheden.’

Ender liet zich door zijn joviale manier van doen niet om de tuin leiden. Navio was een goed katholiek en hij gehoorzaamde zijn bisschop net zogoed als de anderen. Hij was vastbesloten om te voorkomen dat Ender iets te weten zou komen, maar dat wilde hij best op een vrolijke manier doen.

‘Er zijn twee manieren waarop ik antwoord op mijn vragen kan krijgen,’ zei Ender kalm. ‘Ik kan ze aan u stellen en u kunt ze naar waarheid beantwoorden. Of ik kan het Gesternteparlement verzoeken uw archief voor mij open te stellen. De weerworttarieven zijn erg hoog en aangezien zo’n verzoek een routinekwestie is en uw weigering in strijd met de wet, zullen de kosten worden afgetrokken van de toch al beperkte middelen van uw kolonie, samen met een boete ten bedrage van nog eens de totale kosten, plus een berisping voor u persoonlijk.’

Onder Enders woorden verdween Navio’s glimlach langzaam van zijn gezicht. Hij zei op kille toon: ‘Uiteraard zal ik uw vragen beantwoorden.’

‘Daar is niets “uiteraards” aan,’ zei Ender. ‘Uw bisschop heeft de bevolking van Milagre opgeroepen tot een niet uitgelokte en ongerechtvaardigde boycot van een geheel in overeenstemming met de wet opgeroepen geestelijke. U zou iedereen een gunst bewijzen wanneer u hun zou vertellen dat als dit vrolijke gebrek aan medewerking voortduurt, ik een verzoek zal indienen om mijn status te wijzigen van geestelijke in opsporingsambtenaar. Ik verzeker u dat ik heel goed sta aangeschreven bij het Gesternteparlement en dat mijn verzoek zeker zal worden ingewilligd.’

Navio wist precies wat dat inhield. Als opsporingsambtenaar zou Ender door het Parlement gemachtigd zijn om de Roomse Vergunning van de kolonie in te trekken op grond van geloofsvervolging. Het zou een enorme beroering onder de Lusitaniërs teweegbrengen, niet in de laatste plaats omdat de bisschop op staande voet van zijn post ontheven zou worden en vervolgens naar het Vaticaan zou worden gestuurd voor disciplinaire maatregelen.

‘Waarom zou u zoiets doen terwijl u weet dat u hier niet gewenst bent?’ zei Navio.

‘Iemand wilde me hier hebben, anders zou ik niet gekomen zijn,’ zei Ender. ‘Misschien staat de wet u niet aan, nu hij u ergert, maar menig katholiek wordt erdoor beschermd op werelden met een andere geloofsvergunning.’

Navio trommelde met zijn vingers op zijn bureau. ‘Wat zijn uw vragen, Spreker,’ zei hij. ‘Laten we dit maar gauw afronden.’

‘Ze zijn eenvoudig genoeg, om mee te beginnen althans. Wat was de uiteindelijke aanleiding tot de dood van Marcos Maria Ribeira?’

‘Marcão!’ zei Navio. ‘U kunt toch onmogelijk opgeroepen zijn om zijn dood te Bespreken, hij is nog maar een paar weken geleden overleden—’

‘Er is mij verzocht om verscheidene doden te Bespreken, Dom Navio, en ik verkies om met die van Marcão te beginnen.’

Navio trok een lelijk gezicht. ‘Wat gebeurt er als ik verlang dat u uw volmacht toont?’

Jane fluisterde in Enders oor: ‘We gaan de beste jongen eens goed overdonderen.’ Onmiddellijk verschenen er boven Navio’s werkstation allerlei officiële documenten terwijl Jane met een van haar meest gezaghebbende stemmen verklaarde: ‘Andrew Wiggin, Spreker voor de Doden, heeft de oproep aanvaard om uitleg te komen geven van leven en dood van Marcos Maria Ribeira uit de stad Milagre op Lusitania.’

Toch waren het niet de documenten waarvan Navio zo onder de indruk was. Het was het feit dat hij de Spreker niet echt om zijn papieren had gevraagd en ook niets op zijn werkstation had ingetoetst. Navio wist onmiddellijk dat de computer via het oorsieraad van de Spreker geactiveerd was, maar dat betekende dat de Spreker gevolgd werd door een logische routine van zeer hoog niveau die al zijn verzoeken met voorrang uitvoerde. Niemand op Lusitania, zelfs Bosquinha niet, had ooit gezag genoeg gehad om dat voor elkaar te krijgen. Wat deze Spreker ook is, besloot Navio, deze vis krijgt zelfs bisschop Peregrino niet in zijn netje.

‘In orde,’ zei Navio met een gedwongen lach. Nu herinnerde hij zich kennelijk ineens weer hoe hij joviaal moest zijn. ‘Ik was toch al van plan u te helpen — niet iedereen in Milgare heeft last van de achtervolgingswaan van de bisschop, moet u weten.’

Ender lachte vriendelijk terug en nam zijn schijnheilige opmerking voor wat hij was.

‘Marcos Ribeira stierf aan een aangeboren gebrek.’ Hij ratelde in potjeslatijn een lange naam af. ‘U zult er vast nooit van gehoord hebben omdat het zeer zeldzaam is en alleen via genetisch materiaal wordt doorgegeven. In de meeste gevallen houdt het in dat bij het intreden van de puberteit geleidelijk aan al het exocrine en endocrine klierweefsel vervangen wordt door vetcellen. Dat betekent dat in de loop der jaren de bijnieren, de hypofyse, de lever, de testikels, de schildklier enzovoort allemaal vervangen worden door grote opeenhopingen van vetcellen.’

‘Altijd dodelijk? Onomkeerbaar?’

‘O ja. Marcão heeft zelfs nog tien jaar langer geleefd dan gebruikelijk is. Zijn geval was in verschillende opzichten opmerkelijk. In elk ander opgetekend geval — en ik moet toegeven dat dat er niet erg veel zijn — tastte de ziekte als eerste de testikels aan, waardoor het slachtoffer steriel werd en in de meeste gevallen impotent. Met zes gezonde kinderen is het duidelijk dat de testikels van Marcos Ribeira de laatste van zijn klieren waren die aangetast werden. Maar toen het eenmaal zover was, moet het proces ongewoon snel verlopen zijn — de testikels waren volledig vervangen door vetcellen, hoewel lever en schildklier voor een groot deel nog werkten.’

‘Waaraan overleed hij nu uiteindelijk?’

‘Hypofyse en bijnieren werkten niet meer. Hij was een wandelende dode. Hij viel gewoon om in een van de bars, midden onder een of ander schuin liedje heb ik gehoord.’

Zoals altijd spoorde Enders verstand automatisch de schijnbare tegenstrijdigheden op. ‘Hoe kan een erfelijke ziekte doorgegeven worden als die zijn slachtoffers steriel maakt?’

‘Hij wordt gewoonlijk doorgegeven via tweedegraads lijnen. Een kind sterft eraan; zijn broers en zusters vertonen de ziekte in het geheel niet, maar geven de aanleg door aan hun kinderen. We waren natuurlijk bang dat Marcão het kwalijke gen aan al zijn kinderen had doorgegeven.’

‘U heeft hen getest?’

‘Geen van hen had de genetische afwijking. U kunt er donder op zeggen dat Dona Ivanova voortdurend over mijn schouder stond mee te kijken. We zochten direct de problematische genen op en konden de kinderen een voor een schoon verklaren, wap wap wap, in een wip gebeurd.’

‘Geen van de kinderen had de ziekte? Ook geen recessieve aanleg ervoor?’

‘Graças a Deus,’ zei de dokter. ‘Wie had hen ooit willen trouwen als ze dit vergiftigde genen gehad hadden? Ik snap trouwens ook niet hoe het mogelijk is dat Marcão’s genetische afwijking niet ontdekt is.’

‘Is het hier dan gebruikelijk om genenmateriaal te controleren?’

‘O nee, helemaal niet. Maar we hadden ongeveer dertig jaar geleden een vreselijke epidemie. De ouders van Dona Ivanova, de Venerado Gusto en de Venerada Cida brachten het genetische materiaal van elke man, vrouw en kind in de kolonie nauwkeurig in kaart. Zo vonden ze de geneeswijze. En hun computervergelijkingen zouden gegarandeerd deze afwijking opgespoord hebben — zo kwam ik er ook achter waaraan Marcão gestorven was. Ik had nog nooit van de ziekte gehoord, maar de computer had hem in zijn geheugen.’

‘En Os Venerados hadden hem niet gevonden?’

‘Kennelijk niet, anders zouden ze het Marcos wel verteld hebben. En zelfs als zij het hem niet verteld hadden, dan had Ivanova het zelf nog moeten vinden.’

‘Misschien was dat ook wel zo,’ zei Ender.

Navio lachte luidkeels. ‘Onmogelijk. Geen enkele vrouw met een greintje gezond verstand zou opzettelijk kinderen baren van een man met een dergelijke genetische afwijking. Marcão moet jarenlang voortdurend pijn gehad hebben. Dat wens je je eigen kinderen niet toe. Nee, Ivanova mag dan een excentriek type zijn, krankzinnig is ze niet.’

Jane vermaakte zich kostelijk. Toen Ender eenmaal thuis was, liet ze haar beeld boven het werkstation verschijnen, alleen maar om uitbundig te kunnen lachen.

‘Hij kan er niets aan doen,’ zei Ender. ‘In een vrome roomse kolonie zoals deze komt het natuurlijk niet bij hem op om in verband met de biologista, een van de mensen die het meeste aanzien genieten, aan zijn uitgangspremissen te twijfelen.’

‘Je hoeft hem niet te verontschuldigen,’ zei Jane. ‘Ik verwacht ook helemaal niet dat biologische programmatuur even logisch werkt als computerprogrammatuur. Maar je kan toch slecht van me verlangen dat ik me er niet vrolijk over maak.’

‘In bepaald opzicht is het eigenlijk heel lief van hem,’ zei Ender. ‘Hij gelooft liever dat Marcão’s ziektebeeld afwijkt van alle andere opgetekende gevallen. Hij gelooft liever dat Ivanova’s ouders op een of andere manier over het hoofd zagen dat Marcos de ziekte had en dat zij dus volkomen onwetend met hem trouwde, in weerwil van het feit dat je in de wetenschap altijd de eenvoudigste verklaring moet kiezen: Marcão’s ziekte verliep net zoals bij die andere gevallen en begon bij zijn testikels en al Novinha’s kinderen zijn door iemand anders verwekt. Geen wonder dat Marcão verbitterd en kwaad was. Elk van zijn zes kinderen wreef hem onder de neus dat zijn vrouw het met een andere man hield. Het was aanvankelijk misschien een deel van de afspraak dat ze hem niet trouw zou zijn. Maar zes kinderen, dat wrijft het hem wel erg hardhandig onder de neus.’

‘De verrukkelijke tegenstrijdigheden van het religieuze leven,’ zei Jane. ‘Ze pleegde volledig opzettelijk overspel — maar het zou niet bij haar opkomen om een voorbehoedmiddel te gebruiken.’

‘Heb je het genetische patroon van de kinderen opgezocht om de meest waarschijnlijke vader op te sporen?’

‘Bedoel je dat je het nog niet geraden hebt?’

‘Ik heb wel een vermoeden, maar ik wil wel even zeker weten dat de klinische bewijzen het voor de hand liggende antwoord niet ontkrachten.’

‘Het was Libo uiteraard. Wat een hond! Hij verwekte zes kinderen bij Novinha en nog vier bij zijn eigen vrouw.’

‘Wat ik niet begrijp,’ zei Ender, ‘is waarom Novinha destijds niet gewoon met Libo is getrouwd. Het is toch volslagen onzinnig dat ze trouwde met een man die ze duidelijk verachtte, van wie ze geweten moet hebben wat hij mankeerde en dan vervolgens kinderen te krijgen van de man die ze van het begin af aan bemind moet hebben.’

‘De menselijke geest is ondoorgrondelijk en pervers,’ declameerde Jane. ‘Wat was Pinocchino toch een domkop dat hij een echte jongen probeerde te worden. Hij was heel wat beter af met zijn houten kop.’

Miro zocht zich voorzichtig een weg door het bos. Af en toe herkende hij een boom, of meende er een te herkennen — een mens werd daarin toch nooit zo handig als de zwijntjes, die elke boom in het bos een naam hadden gegeven. Maar ja, mensen aanbaden de bomen ook niet als totems van hun voorouders.

Miro had opzettelijk een langere weg genomen om de blokhut van de zwijntjes te bereiken. Vanaf het moment dat Libo Miro als tweede leerling had aangenomen om naast Libo’s dochter Ouanda met hem samen te werken, had hij hun ingeprent dat ze nooit een pad mochten laten ontstaan tussen Milagre en het huis van de zwijntjes. Het is mogelijk dat er ooit eens rottigheid tussen mensen en zwijntjes komt, had Libo gezegd; wij gaan geen pad maken waarlangs een pogrom heel makkelijk zijn bestemming kan bereiken. En dus liep Miro vandaag langs de overkant van de kreek, boven op de hoge oever.

Al spoedig dook er op enige afstand een zwijntje op dat hem in de gaten hield. Op die manier had Libo jaren geleden afgeleid dat de vrouwen ergens in die richting moesten wonen; de mannen hielden de zenadors altijd in de gaten als ze te ver in die richting trokken. En geheel in overeenstemming met Libo’s nadrukkelijke wens, deed Miro geen enkele poging om verder in die verboden richting te lopen. Zijn nieuwsgierigheid nam flink af als hij eraan dacht hoe Libo’s lichaam eruit had gezien toen Ouanda en hij het vonden. Libo was nog niet helemaal dood geweest; zijn ogen waren open en bewogen. Hij stierf pas toen Miro en Ouanda ieder aan een kant van hem op hun knieën zaten met elk een bebloede hand in de hunne. Ach, Libo, je hart klopte nog toen het open en bloot in je opengesneden borst lag. Ach, had je maar tegen ons kunnen praten, één enkel woord maar, alleen maar om te vertellen waarom ze je doodden.

De oever werd weer lager en Libo stak de beek over door lichtvoetig over de met mos begroeide stenen te springen. Een paar minuten later was hij bij het huis en betrad hij uit oostelijke richting de kleine open plek.

Ouanda was er al en leerde de zwijntjes hoe ze de room van cabramelk tot een soort boter moesten karnen. Ze had de afgelopen paar weken flink op het proces moeten oefenen voor ze het goed onder de knie had. Het zou makkelijker geweest zijn als ze hulp van moeder had kunnen krijgen of zelfs van Ela, aangezien die twee zoveel meer van de chemische eigenschappen van cabramelk wisten, maar samenwerking met een biologista was uitgesloten. Os Venerados hadden dertig jaar geleden ontdekt dat cabramelk voor mensen geen enkele voedingswaarde had. Elk onderzoek naar een proces om het beter bewaarbaar te maken kon dus uitsluitend ten behoeve van de zwijntjes zijn. Miro en Ouanda konden niets riskeren waardoor zou kunnen uitlekken dat zij de wet overtraden en actief ingrepen in de levenswijze van de zwijntjes.

De jongste zwijntjes vonden boter karnen enig — ze hadden van het kneden van de cabrablazen een dans gemaakt en waren nu aan het zingen, een onzinnig liedje dat Stark, Portugees en twee van de eigen talen van de zwijntjes tot een hopeloze maar dolkomische wirwar vermengde. Miro probeerde de talen te scheiden. Hij herkende natuurlijk de mannentaal, en ook een paar fragmenten van de vadertaal, de taal die ze tegen hun totembomen spraken. Miro herkende alleen de klanken; zelfs Libo had er nooit een enkel woord van kunnen vertalen. Het klonk allemaal als m en b en g en de klinkers waren niet van elkaar te onderscheiden.

Het zwijntje dat Miro in het bos in de gaten had gehouden kwam nu ook te voorschijn en begroette de andere met een hard toeterend geluid. Het dansen ging door, maar het zingen hield onmiddellijk op. Mandachuva maakte zich los uit de groep rond Ouanda en kwam Miro bij de bosrand begroeten.

‘Welkom, Ik-Bezie-U-Met-Begeerte.’ Dat was natuurlijk een overdreven nauwkeurige vertaling van Miro’s naam in het Stark. Mandachuva vond het enig om namen heen en weer te vertalen tussen het Portugees en het Stark, ook al hadden Miro en Ouanda beiden uitgelegd dat hun namen eigenlijk helemaal niets betekenden en dat het uitsluitend toeval was als ze net zo klonken als gewone woorden. Maar evenals een heleboel andere zwijntjes was Mandachuva dol op zijn woordspelletjes en Miro reageerde dus op Ik-Bezie-U-Met-Begeerte, net zoals Ouanda geduldig antwoordde op Vaga, het Portugees voor ‘zwerven’ wat in het Stark ‘wander’ was en ongeveer net zo klonk als ‘Ouanda’.

Mandachuva was een raadselachtig geval. Hij was de oudste van de zwijntjes. Pipo had hem gekend en schreef over hem alsof hij het zwijntje met het meeste aanzien was. Libo scheen hem ook als een leider te beschouwen. Was zijn naam niet ook een plat Portugees woord voor ‘baas’? En toch kwam Mandachuva zowel Miro als Ouanda voor als het zwijntje met het minste aanzien en de minste macht. Niemand raadpleegde hem schijnbaar ooit ergens over; hij was het enige zwijntje dat altijd tijd had om met de zenadors te praten omdat hij vrijwel nooit met een belangrijke taak bezig was.

Toch was hij het zwijntje dat de zenadors de meeste informatie verschafte. Miro had er geen flauw idee van of hij zijn aanzien verloren had omdat hij zoveel informatie had doorgegeven of dat hij de mensen zoveel informatie gaf om zijn lage status onder de zwijntjes goed te maken. Het maakte trouwens niet uit. De waarheid was dat Miro Mandachuva verschrikkelijk graag mocht. Hij beschouwde het oude zwijntje als zijn vriend.

‘Heeft de vrouw je gedwongen om die smerig ruikende pasta te eten?’ vroeg Miro.

‘Je reinste vullis, zegt ze. Zelfs de babycabras huilen als ze aan de tiet moeten.’ Mandachuva giechelde.

‘Als jullie dat als geschenk voor het vrouwvolk achterlaten, doen ze nooit meer hun mond tegen jullie open.’

‘Tja, het zal toch moeten,’ zei Mandachuva zuchtend. ‘Ze moeten alles zien, de nieuwsgierige macios!’

Ach ja, die verbijsterende vrouwen. Soms spraken de zwijntjes over hen met oprecht, wijdlopig ontzag, dat veel weg had van eerbied alsof ze goden waren. En dan maakte een zwijntje ineens een grove opmerking door hen bij voorbeeld ‘macios’ te noemen, de wormen die op de bast van de bomen rondkropen. De zenadors konden niet eens navraag naar hen doen — de zwijntjes weigerden vragen te beantwoorden over de vrouwen. Er was een tijd geweest - heel lang geleden — dat de zwijntjes zelfs met geen woord repten over het bestaan van vrouwen. Libo insinueerde altijd dat de verandering iets met de dood van Pipo te maken had. Voor hij stierf, was spreken over vrouwen taboe, behalve dan vol eerbied op zeldzame momenten van grote heiligheid; daarna vertoonden de zwijntjes ook deze weemoedige, treurige manier van grappen maken over ‘de vrouwen’. Maar de zenadors kregen nooit antwoord op een vraag over de vrouwen. De zwijntjes gaven duidelijk te verstaan dat de vrouwen hun niets aangingen.

Uit de groep rond Ouanda werd er naar hen gefloten. Meteen begon Mandachuva Miro naar de groep mee te trekken. ‘Pijl wil met je praten.’

Miro liep mee en ging naast Ouanda zitten. Ze keek niet naar hem - ze hadden al lang geleden gemerkt dat de zwijntjes erg zenuwachtig werden als ze getuige moesten zijn van een rechtstreeks gesprek of zelfs maar oogcontact tussen een man en een vrouw. Als Ouanda alleen was, praatten ze gewoon met haar, maar als Miro erbij was, wilden ze niet tegen haar spreken en verdroegen ook niet dat zij tegen hen sprak. Soms werd Miro er horendol van dat ze hem in het bijzijn van de zwijntjes bijvoorbeeld niet eens een knipoog kon geven. Hij voelde de warmte die haar lijf uitstraalde alsof ze een zonnetje was.

‘Mijn vriend,’ zei Pijl. ‘Ik moet je om een groot geschenk vragen.’

Miro voelde Ouanda naast zich verstrakken. De zwijntjes vroegen niet vaak ergens om en het gaf altijd problemen als ze dat wel deden.

‘Wil je naar me luisteren?’

Miro knikte traag. ‘Maar denk er wel aan dat ik onder de mensen niets ben en geen enkele macht heb.’ Libo had ontdekt dat de zwijntjes in het geheel niet beledigd waren bij de gedachte dat de mensen machteloze afgezanten naar hen toe stuurden, terwijl het beeld van machteloosheid een goed hulpmiddel was om hun de strikte beperkingen aan wat de zenadors konden doen uit te leggen.

‘Dit is geen verzoek dat van ons afkomstig is, uit onze dwaze en domme gesprekken rond het nachtelijke vuur.’

‘Ik zou de wijsheid die jullie dwaasheid noemen graag willen horen,’ zei Miro zoals hij altijd deed.

‘Het was Wroeter, sprekend vanuit zijn boom, die dit zei.’

Miro zuchtte inwendig. Hij had net zo’n hekel aan een confrontatie met de zwijntjesreligie als met het katholicisme van zijn eigen mensen. In beide gevallen moest hij net doen of hij de meest buitenissige overtuigingen serieus nam. Altijd als er iets werd gezegd dat bijzonder gewaagd of dwingend was, schreven de zwijntjes het toe aan een of andere voorouder wiens geest in een van de alomtegenwoordige bomen huisde. Pas de laatste paar jaar, vanaf een moment niet zo erg lang voor Libo’s dood, waren ze begonnen om Wroeter als bron van de lastigste ideeën te noemen. Het was wel ironisch dat een zwijntje dat ze als rebel ter dood gebracht hadden nu met zoveel ontzag werd behandeld in hun voorouderverering.

Toch antwoordde Miro net als Libo altijd geantwoord had: ‘Wij hebben niets dan eerbied en genegenheid voor Wroeter, als jullie hem eren.’

‘We moeten metaal hebben.’

Miro deed zijn ogen dicht. Daar ging de aloude gedragsregel van de zenadors om in bijzijn van de zwijntjes nooit metalen gereedschap te gebruiken. Kennelijk hadden de zwijntjes zelf ook waarnemers die van een gunstige plek dicht bij het hek de mensen bespiedden tijdens hun werk. ‘Waar hebben jullie metaal voor nodig?’ vroeg hij kalm.

‘Toen de pendel omlaagkwam met de Spreker voor de Doden, gaf die een verschrikkelijke hitte af, heter dan enig vuur dat wij kunnen maken. En toch verbrandde de pendel niet en hij smolt ook niet.’

‘Dat kwam niet door het metaal, dat kwam door een hitte absorberend plastic schild.’

‘Misschien helpt dat, maar in het hart van die machine zit metaal. Altijd als jullie vuur en hitte gebruiken om dingen te laten bewegen, zit er metaal in jullie machines. Wij zullen nooit vuren zoals die van jullie kunnen maken als we niet zelf ook metaal hebben.’

‘Ik kan het niet geven,’ zei Miro.

‘Vertel je ons nu dat we gedoemd zijn om altijd varelse te blijven en nooit ramen te worden?’

Ouanda, ik wou dat je tegen hen je mond had gehouden over de Rangorde van Uitsluiting van Demosthenes. ‘Jullie zijn helemaal tot niets gedoemd. Wat wij jullie tot dusver gegeven hebben, hebben we gemaakt uit dingen die in jullie natuurlijke wereld voorkomen, zoals cabras. En als dat ontdekt zou worden, zou zelfs dat al genoeg zijn om ons voorgoed van deze wereld te verbannen en ons te verbieden om jullie ooit nog te zien.’

‘Het metaal dat jullie mensen gebruiken komt ook uit onze natuurlijke wereld. We hebben het ver in het zuiden door jullie graafmachines uit de grond zien halen.’

Miro sloeg dat gegeven op in zijn geheugen voor later gebruik. Er was buiten het hek geen uitkijkpunt vanwaar de mijnen zichtbaar zouden zijn. De zwijntjes moesten dus op een of andere manier over het hek komen en de mensen in de enclave zelf bespieden. ‘Het komt uit de grond, maar alleen op bepaalde plaatsen en ik weet niet hoe ik die moet vinden. En als ze het opgraven, is het altijd nog vermengd met allerlei andere soorten gesteente. Ze moeten het met heel moeilijke bewerkingen zuiveren en omvormen. Elk spatje metaal dat uit de grond wordt opgegraven wordt geregistreerd. Als we jullie ook maar een enkel stukje gereedschap gaven — een schroevendraaier of een steenzaag — zou dat gemist worden en er zou naar gezocht worden. Niemand zoekt naar cabramelk.’

Pijl bleef hem een tijdje strak aankijken; Miro keek terug. ‘We zullen hierover nadenken,’ zei Pijl. Hij stak zijn hand uit naar Kalender, die er drie pijlen in legde. ‘Moet je kijken. Zijn deze goed?’

Ze waren even volmaakt als de pijlen die Pijl gewoonlijk maakte, zuiver en met een prima baard. De nieuwigheid zat hem in de punt. Die was niet van lavaglas.

‘Cabrabot,’ zei Miro.

‘We gebruiken de cabra om de cabra te doden.’ Hij gaf de pijlen terug aan Kalender. Toen stond hij op en liep weg.

Kalender hield de slanke houten pijlen voor zich uit en zong ze in vadertaal toe. Miro herkende het lied hoewel hij de woorden niet verstond. Mandachuva had hem eens uitgelegd dat het een gebed was waarin de dode boom om vergiffenis werd gevraagd voor het gebruik van gereedschappen die niet van hout waren. Anders zouden de bomen denken dat de Kleintjes hen haatten, zei hij. Religie. Miro zuchtte.

Kalender bracht de pijlen weg. Toen nam het jonge zwijntje Mens zijn plaats in en hij ging voor Miro op zijn hurken op de grond zitten. Hij had een in bladeren gewikkeld pak bij zich dat hij op de grond legde en voorzichtig openvouwde.

Het was de uitdraai van De zwermkoningin en de hegemoon die Miro hun vier jaar geleden gegeven had. Miro en Ouanda hadden daar destijds nog een beetje ruzie om gehad. Ouanda had de zaak in beweging gezet in een gesprek met de zwijntjes over religie. Het was eigenlijk haar schuld niet. Het begon ermee dat Mandachuva haar vroeg: ‘Hoe kunnen jullie mensen leven zonder bomen?’ Ze begreep de vraag natuurlijk goed — hij had het niet over houtige gewassen maar over goden. ‘Wij hebben ook een God — een man die stierf en toch voortleefde,’ legde ze uit. Eentje maar? Waar leeft hij dan nu? ‘Dat weet niemand.’ Wat heb je dan aan hem? Hoe kunnen jullie met hem praten? ‘Hij woont in ons hart.’

Dat verbijsterde hen; Libo moest er later erg om lachen en zei: ‘Zie je nou? Onze beschaafde theologie is voor hen gewoon bijgeloof. Woont in ons hart, nota bene! Wat is dat voor een waardeloze religie, vergeleken bij een religie met goden die je kunt zien en voelen—’

‘En beklimmen en waar je macios van kunt afplukken, om nog maar te zwijgen van het feit dat ze er soms een omhakken om hun blokhut van te bouwen,’ zei Ouanda.

‘Hakken? Bomen omhakken? Zonder gereedschap van steen of metaal? Nee, Ouanda, ze bidden ze om.’ Maar Ouanda vond grappen over religie niet leuk.

Op verzoek van de zwijntjes gaf Ouanda hun later een uitdraai van het Evangelie van Johannes uit de vereenvoudigde Starkversie van de Douai-bijbel. Maar Miro had erop gestaan om hun ook een uitdraai van De zwermkoningin en de hegemoon te geven. ‘Johannes zegt niets over schepsels die op andere werelden leven,’ voerde Miro aan. ‘Maar de Spreker voor de Doden legt kloothommels uit aan mensen — en mensen aan kloothommels.’ Ouanda vond dat een schandalige godslasterlijke opmerking. Maar nog geen jaar later zagen ze de zwijntjes vuren aansteken met bladzijden uit Johannes terwijl De zwermkoningin en de hegemoon zorgzaam in bladeren werd verpakt. Het deed Ouanda een tijdlang veel verdriet en Miro merkte dat het verstandiger was om haar daar niet mee te plagen.

Nu sloeg Mens de uitdraai open bij de laatste bladzijde. Het viel Miro op dat alle zwijntjes stilletjes om hen heen kwamen staan zodra hij het boek opensloeg. De karndans werd gestáakt. Mens tikte op de laatste woorden van de uitdraai. ‘De Spreker voor de Doden,’ mompelde hij.

‘Ja, ik heb hem gisteravond gesproken.’

‘Hij is de ware Spreker. Dat zegt Wroeter.’ Miro had hen gewaarschuwd dat er vele Sprekers waren en dat de schrijver van De zwermkoningin en de hegemoon vast en zeker al dood was. Kennelijk konden ze de hoop niet opgeven dat de Spreker die hier was gearriveerd de echte was, die het heilige boek had geschreven.

‘Ik geloof dat hij een goede Spreker is,’ zei Miro. ‘Hij was erg aardig tegen mijn gezin en volgens mij is hij te vertrouwen.’

‘Wanneer komt hij met ons Spreken?’

‘Dat heb ik hem nog niet gevraagd. Dat is niet iets dat ik nu ter plaatse kan zeggen. Dat vergt tijd.’

Mens wierp zijn hoofd achterover en jammerde.

Wordt dit mijn dood? dacht Miro.

Nee. De anderen gaven Mens meelevende klopjes en hielpen hem vervolgens om de uitdraai weer in. de bladeren te wikkelen en weg te brengen. Miro stond op om weg te gaan. Geen van de zwijntjes keek hem na. Zonder het er dik op te leggen waren ze allemaal ergens mee bezig. Hij had net zogoed onzichtbaar kunnen zijn.

Ouanda haalde hem vlak voor de bosrand in, waar het kreupelhout hen onzichtbaar maakte voor mogelijke toeschouwers in Milagre — hoewel nooit iemand de moeite nam om naar het bos te kijken. ‘Miro,’ riep ze zacht. Hij draaide zich om en kon haar nog net opvangen; ze had zoveel vaart dat hij een paar stappen achteruit moest doen om niet te vallen. ‘Probeer je me te vermoorden?’ vroeg hij, of althans dat probeerde hij — ze bleef hem maar zoenen, wat het wat moeilijk maakte om hele zinnen uit te spreken. Tenslotte gaf hij het praten maar op en hij gaf haar een lange, hartstochtelijke zoen terug. Toen trok ze zich abrupt los uit zijn armen.

‘Je wellust steekt de kop op,’ zei ze.

‘Dat gebeurt nu eenmaal als vrouwen me in het bos aanvallen en beginnen te zoenen.’

‘Leg er maar een knoop in, Miro, dat duurt nog een hele tijd.’ Ze pakte hem bij zijn riem, trok hem naar zich toe en begon hem weer te zoenen. ‘Nog twee jaar voor we zonder toestemming van je moeder kunnen trouwen.’

Miro sputterde niet tegen. Het priesterlijke verbod op voorechtelijke geslachtsgemeenschap lapte hij aan zijn laars, maar hij begreep heel goed dat het voor een broze gemeenschap als Milagre van levensbelang was dat de huwelijksgewoonten strikt werden opgevolgd. Grote, stabiele samenlevingen konden een redelijke hoeveelheid onwettige verbintenissen makkelijk hebben; Milagre was veel te klein. Wat Ouanda uit geloofsovertuiging deed, deed Miro uit verstandelijke overwegingen — in weerwil van duizenden gelegenheden waren ze zo celibatair als monniken. Maar als Miro ook maar één moment gedacht zou hebben dat ze ooit onder dezelfde gelofte van kuisheid in het huwelijk zouden moeten leven als die in het klooster van de Filhos verplicht was, zou Ouanda’s maagdelijkheid onmiddellijk in groot gevaar geweest zijn.

‘Deze Spreker,’ zei Ouanda. ‘Je weet hoe ik denk over je plan om hem hier te brengen.’

‘Dat is je roomsheid die hier spreekt, en niet je gezonde verstand.’ Hij probeerde haar te zoenen, maar ze liet op het laatste moment haar gezicht zakken zodat haar neus in zijn mond belandde. Hij zoende die hartstochtelijk tot ze begon te lachen en hem wegduwde.

‘Jij bent een grote viespeuk, Miro.’ Ze veegde haar neus af aan haar mouw. ‘We hebben de wetenschappelijke methode al volkomen versteerd toen we hen hielpen hun levensstandaard te verhogen. We hebben nog tien tot twintig jaar voor de gevolgen daarvan via de satellieten te zien zijn. Misschien hebben we dan inmiddels een blijvend verschil kunnen veroorzaken. Maar als we een vreemde bij het project betrekken, hebben we geen enkele kans. Hij vertelt het gegarandeerd aan iemand door.’

‘Misschien wel, misschien ook niet. Ik ben ook eens een vreemde geweest, weet je wel.’

‘Onbekend, maar nooit een vreemde.’

‘Je had hem gisteravond moeten zien, Ouanda. Eerst met Grego en daarna toen Quara huilend wakker werd—’

‘Wanhopige, eenzame kinderen — wat bewijst dat nou?’

‘En Ela. Ze lachte. En Olhado draaide helemaal echt met het gezin mee.’

‘Quim?’

‘Hij riep tenminste niet meer dat de ongelovige moest opdonderen.’

‘Ik ben blij voor je broers en zusters, Miro. Ik hoop dat hij hen voorgoed kan genezen, en dat meen ik oprecht — ik zie aan jou ook verschil, je bent veel hoopvoller dan ik je in lange tijd heb gezien. Maar breng hem niet hierheen.’

Miro kauwde een tijdje op de binnenkant van zijn wang en liep vervolgens weg. Ouanda holde hem na en greep hem bij zijn arm. Ze bevonden zich op open terrein, maar Wroeters boom stond tussen hen en de poort in. ‘Laat me niet zo staan!’ zei ze heftig. ‘Loop niet zomaar bij me vandaan!’

‘Ik weet dat je gelijk hebt,’ zei Miro. ‘Maar ik kan het niet helpen hoe ik me voel. Toen hij bij ons in huis was, was het net — het leek wel of Libo er was.’

‘Vader haatte jouw moeder, Miro — hij zou daar nooit heen zijn gegaan.’

‘Alsof hij er was, zei ik toch. In ons huis gedroeg de Spreker zich net zoals Libo altijd in de post. Begrijp je het?’

‘Begrijp jij het? Hij komt binnen en gedraagt zich zoals je vader zich had moeten gedragen maar nooit deed, en jullie gaan stuk voor stuk met je buik omhoog liggen als een jonge hond.’

De minachting op haar gezicht was om witheet van te worden. Miro had zin om haar een klap te geven. In plaats daarvan liep hij naar Wroeters boom en gaf een klap tegen de bast. In nog maar een kwart eeuw had die al een middellijn van tachtig centimeter bereikt en de bast was ruw en deed zeer aan zijn hand.

Ze kwam achter hem staan. ‘Het spijt me, Miro, ik meende het niet—’

‘Je meende het wel, maar het was dom en zelfzuchtig—’

‘Ja, dat was het, ik—’

‘Omdat ik weet wat een goed mens is — niet gewoon maar een vaderfiguur, een goed mens. Ik heb Libo gekend, niet? En als ik je dan vertel dat deze Spreker, deze Andrew Wiggin, op Libo lijkt, dan heb je naar me te luisteren en dan heb je het niet zomaar af te wijzen als het gejank van een cão!’

‘Ik luister. Ik wil hem leren kennen, Miro.’

Miro stond over zichzelf verbaasd. Hij huilde. Het maakte allemaal deel uit van wat deze Spreker kon doen, zelfs als hij niet lijfelijk aanwezig was. Hij had alle verkrampte plekken in Miro’s hart losgemaakt en nu stroomde alles onbeheersbaar naar buiten.

‘Jij hebt ook gelijk, trouwens,’ zei Miro met een door ontroering vervormde stem. ‘Ik zag hem binnenkomen met zijn helende handen en ik dacht: Was hij mijn vader maar geweest.’ Hij draaide zich om en keek Ouanda aan zonder dat het hem iets kon schelen dat ze zijn rode ogen en zijn betraande gezicht zag. ‘Precies zoals ik dat vroeger iedere dag zei als ik van de zenadorpost naar huis liep. Was Libo mijn vader maar en was ik zijn zoon maar.’

Ze glimlachte en omarmde hem; haar haar wiste de tranen van zijn gezicht. ‘Ach, Miro, ik ben blij dat hij je vader niet was. Want dan zou ik je zuster zijn en dan zou ik je nooit voor mezelf kunnen hebben.’

10. Geesteskinderen

Regel 1: Alle Geesteskinderen van Christus moeten getrouwd Zijn, anders mogen ze niet tot de orde toetreden; maar ze moeten kuis leven.

Vraag 1: Is het huwelijk in zijn algemeenheid wel noodzakelijk?

Dwazen zeggen: Waarom zouden we trouwen? Liefde is de enige band die mijn geliefde en ik nodig hebben. Tegen hen zeg ik: Het huwelijk is geen overeenkomst tussen een man en een vrouw; zelfs de beesten hechten zich aan elkaar en brengen hun jongen voort. Het huwelijk is een overeenkomst tussen een man en vrouw aan de ene en hun gemeenschap aan de andere kant. In het huwelijk treden volgens de wetten van de gemeenschap komt overeen met een volwaardig burger worden; het huwelijk weigeren komt overeen met een vreemde zijn, een kind, een vogelvrije, een slaaf of een verrader. De enige constante factor in elke mensensamenleving is dat alleen diegenen die gehoorzamen aan de wetten, de taboes en de huwelijksgebruiken echte volwassenen zijn.

Vraag 2: Waarom krijgen priesters en nonnen dan een celibatair leven voorgeschreven?

Om hen te onderscheiden van de gemeenschap. Priesters en nonnen zijn dienaren, geen burgers. Zij dienen de Kerk, maar ze zijn de Kerk niet. De Moederkerk is de bruid en Christus is de bruidegom; priesters en nonnen zijn slechts gasten op de bruiloft, want zij hebben het burgerschap van de gemeente van Christus verworpen teneinde die te kunnen dienen.

Vraag 3; Waarom trouwen de Geesteskinderen van Christus dan wel? Dienen wij niet ook de Kerk?

Wij dienen de Kerk niet, behalve dan op de manier waarop alle vrouwen en mannen haar dienen door middel van hun huwelijk. Het verschil is dat waar zij hun genen doorgeven aan de volgende generatie, wij onze kennis doorgeven; hun erfgoed is te vinden in de genetische moleculen van de komende generaties, terwijl wij in hun geest voortleven. Herinneringen zijn het nakroost van onze huwelijken en die zijn niet meer of minder dan de kinderen van vlees en bloed verwerkt in gewijde liefde.

San Angelo, Voorschriften en Catechismus van de Orde van de Geesteskinderen van Christus, 1511:11:11:1

De deken van de kathedraal droeg, waar hij ook ging, de stilte van donkere kapellen en dikke, torenhoge muren met zich mee. Toen hij het klaslokaal binnenstapte, viel er een zware stilte over de leerlingen en zelfs hun ademhaling was gedempt toen hij geluidloos voor de klas kwam staan.

‘Dom Cristão,’ mompelde de deken. ‘De bisschop wenst u te raadplegen.’

De leerlingen, grotendeels tieners, waren oud genoeg om op de hoogte te zijn van de gespannen verhouding tussen de hiërarchie van de kerk en de tamelijk vrijgevochten kloosterlingen die de meeste katholieke scholen in de Honderd Werelden dreven. Dom Cristão was niet alleen een uitmuntend leraar in de vakken geschiedenis, geologie, archeologie en antropologie, maar ook abt van het klooster van de Filhos da Mente de Cristo — de Geesteskinderen van Christus. Zijn positie maakte hem tot de voornaamste rivaal van de bisschop voor het hoogste geestelijke gezag in Lusitania.

In bepaalde opzichten kon hij zelfs als de meerdere van de bisschop beschouwd worden; op de meeste werelden was er maar één abt van de Filhos op elke aartsbisschop, terwijl er voor elke bisschop een schoolhoofd was.

Maar zoals alle Filhos maakte Dom Cristão er een punt van om de kerkhiërarchie volledig te eerbiedigen. Zodra hij hoorde dat de bisschop hem had ontboden, schakelde hij de lessenaar uit en deelde hij de klas mee dat de les beëindigd was zonder zelfs maar zijn betoog af te ronden. De leerlingen keken daar niet van op; ze wisten dat hij hetzelfde zou hebben gedaan als een willekeurige gewijde priester zijn lessen had onderbroken. Het was voor de clerus natuurlijk buitengewoon vleiend om te zien hoe belangrijk ze waren in de ogen van de Filhos; maar het maakte hun ook duidelijk dat elke keer dat ze tijdens de lesuren de school bezochten, het lesgeven volledig gestaakt zou worden in de klas die ze bezochten. Het gevolg daarvan was dat de priesters maar zelden de school bezochten en dat de Filhos door hun overdreven eerbiedigheid vrijwel volledig onafhankelijk konden blijven.

Dom Cristão wist wel ongeveer waarom de bisschop hem had laten ontbieden. Dokter Navio was een kletskous en er deden de hele morgen al geruchten de ronde over een of andere vreselijk dreigement van de Spreker voor de Doden. Dom Cristão vond de ongefundeerde angsten van de clerus bij confrontaties met ongelovigen en heidenen altijd moeilijk te verdragen. De bisschop zou woedend zijn en dat betekende dat hij krachtig optreden van iemand zou verlangen, ook al was de beste koers, zoals gewoonlijk, niets doen, geduld en meewerken. Bovendien was bekend geworden dat deze Spreker beweerde dat hij de Spreker was die in eigen persoon de dood van San Angelo had Besproken. Als dat het geval was, was hij waarschijnlijk helemaal geen vijand, maar een vriend van de kerk. Of althans een vriend van de Filhos, wat in Dom Cristão’s geest op hetzelfde neerkwam.

Terwijl hij achter de zwijgende deken aan tussen de gebouwen van de faculdade en door de tuin van de kathedraal liep, bande hij alle boosheid en ergernis die hij voelde uit zijn hart. Telkens en telkens weer herhaalde hij zijn kloosterlingennaam: Amai a Tudomundo Para Que Deus Vos Ame. Ge Moet Van Iedereen Houden Opdat God U Bemint. Hij had de naam heel zorgvuldig uitgekozen toen hij en zijn verloofde intraden in de orde, want hij wist dat zijn grootste zwakte ergernis en ongeduld over domheid was. Zoals alle Filhos had hij de bezwering tegen zijn krachtigste zonde als naam gekozen. Het was een van de manieren waarop zij zich geestelijk aan de wereld blootgaven. We zullen ons niet met schijnheiligheid tooien, luidde San Angelo’s leer. Christus zal ons in deugdzaamheid kleden zoals de leliën des velds, maar wij zullen geen moeite doen om zelf deugdzaam te lijken. Dom Cristão voelde vandaag dat zijn deugdzaamheid hier en daar wat begon te slijten; de koude wind van het ongeduld zou hem weleens tot op het bot kunnen verkillen. En dus herhaalde hij in stilte zijn naam en dacht: Bisschop Peregrino is een ontzettend rund, maar Amai a Tudomundo Para Que Deus Vos Ame.

‘Broeder Amai,’ zei bisschop Peregrino. Hij gebruikte nooit de beleefde aanspreektitel Dom Cristão, hoewel bekend was dat de meeste kardinalen deze beleefdheid wel in acht namen. ‘Fijn dat u bent gekomen.’

Navio zat al in de zachtste stoel, maar die benijdde Dom Cristão hem niet. Luiheid had Navio dik gemaakt en nu maakte zijn dikte hem lui; het was zo’n vicieuze-cirkelziekte die zichzelf steeds in stand hield en Dom Cristão was dankbaar dat hij die aandoening niet had. Hij koos zelf een hoge kruk zonder rugleuning. Daarop kon hij niet met ontspannen lijf gaan zitten en dat zou zijn geest helpen om scherp te blijven.

Navio stak vrijwel onmiddellijk van wal met een verslag van zijn pijnlijke, ontmoeting met de Spreker voor de Doden, compleet met uitgebreide uitleg van wat de Spreker allemaal gedreigd had te zullen doen als de tegenwerking voortduurde. ‘Een opsporingsambtenaar, stel je voor! Een ongelovige die het gezag van de moederkerk durft te verdringen!’ Tjonge, als de moederkerk bedreigd wordt, krijgen de lekenleden de echte kruisvaardersgeest — maar als je ze vraagt om één keer in de week naar de mis te gaan, rolt de kruisvaardersgeest zich op en gaat slapen.

Navio’s woorden hadden toch enig effect: bisschop Peregrino werd steeds bozer en zijn gezicht kreeg een rozige kleur onder zijn donkerbruine huid. Toen Navio’s verhaal eindelijk afgelopen was, wendde Peregrino zich met een van woede vertrokken gezicht tot Dom Cristão en zei: ‘Zegt u nu eens wat u daarvan vindt, broeder Amai!’

Als ik minder tactvol was, zou ik zeggen dat het ontzettend stom was om deze Spreker dwars te zitten terwijl je wist dat hij de wet aan zijn kant had en terwijl hij ons totaal geen kwaad had gedaan. Nu is hij geprikkeld en veel gevaarlijker dan hij ooit geweest zou zijn als je gewoon geen aandacht aan zijn komst had geschonken.

Dom Cristão glimlachte magertjes en boog zijn hoofd. ‘Ik vind dat wij meteen moeten toeslaan om hem de macht ons kwaad te doen te ontnemen.’

Die militante woorden verrasten bisschop Peregrino. ‘Precies,’ zei hij. ‘Maar ik had nooit verwacht dat ú dat zou begrijpen.’

‘De Filhos zijn zo vurig als een ongewijde christen maar kan zijn,’ zei Dom Cristão. ‘Maar aangezien wij geen priesterschap bezitten, moeten we het zien te redden met verstand en logica als armzalig surrogaat voor gezag.’

Bisschop Peregrino verdacht hem af en toe van ironie, maar hij kon er nooit echt de vinger op leggen. Hij gromde en kneep zijn ogen half dicht. ‘Hoe had u gedacht om toe te slaan, broeder Amai?’

‘Tja, vader Peregrino, de wet is erg duidelijk. Hij heeft alleen macht over ons als we hem hinderen in de uitoefening van zijn plichten als geestelijke. Als we hem dus de macht om ons kwaad te doen willen ontnemen, hoeven we hem alleen maar onze medewerking te geven.’

De bisschop brulde en sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Precies het soort sofisterij dat ik van jou had kunnen verwachten, Amai!’

Dom Cristão glimlachte. ‘Er zit eigenlijk niets anders op — of we beantwoorden zijn vragen, of hij verzoekt volkomen terecht om de status van opsporingsambtenaar en u gaat scheep naar het Vaticaan om verantwoording af te leggen over een aanklacht wegens godsdienstvervolging. We zijn allemaal veel te veel op u gesteld, bisschop Peregrino, om ook maar iets te doen dat ertoe zou leiden dat u van uw ambt ontheven zou worden.’

‘Ja ja, daar weet ik alles van — dat jullie zo op me gesteld zijn.’

‘Sprekers voor de Doden zijn trouwens eigenlijk volkomen onschadelijk — ze richten geen rivaliserende organisaties op, ze dienen geen sacramenten toe, ze beweren zelfs niet dat De zwermkoningin en de hegemoon een heilig geschrift is. Het enige dat ze doen, is de waarheid proberen te ontdekken over het leven van de doden en vervolgens vertellen ze aan iedereen die naar hen wil luisteren het levensverhaal van een dode zoals de dode het meende te leven.’

‘En u beweert dat u dat onschadelijk vindt?’

‘In tegendeel. San Angelo heeft onze orde juist gesticht omdat het vertellen van de waarheid zo’n machtige daad is. Maar ik vind het veel onschadelijker dan, laten we zeggen, de protestantse reformatie. En het intrekken van onze Roomse Vergunning op grond van godsdienstvervolging zou gegarandeerd leiden tot toestaan van voldoende niet-katholieke immigratie om ervoor te zorgen dat wij niet meer dan een derde van de bevolking uitmaken.’

Bisschop Peregrino draaide aan zijn ring. ‘Maar zou het Gesternteparlement dat werkelijk toestáan? Ze hebben een grens gesteld aan de omvang van deze kolonie — als er zoveel ongelovigen worden toegelaten, zouden we die grens ver overschrijden.’

‘Maar u moet toch weten dat ze daar al in voorzien hebben. Waarom denkt u dat er twee sterschepen in een parkeerbaan rond onze planeet zijn achtergebleven? Aangezien een Roomse Vergunning een onbeperkte bevolkingsaanwas garandeert, zullen ze ons bevolkingsoverschot eenvoudig tot emigreren dwingen. Ze verwachten dat het over een generatie of twee nodig wordt — wat weerhoudt hen ervan om daar nu al mee te beginnen?’

‘Dat zouden ze nooit doen.’

‘Het Gesternteparlement is geïnstalleerd om een eind te maken aan de jihads en de pogroms die op een stuk of tien planeten altijd wel plaatsvonden. Een beroep op de godsdienstvervolgingswet is een ernstige zaak.’

‘Het is totaal niet in verhouding! Eén Spreker voor de Doden wordt ontboden door een of andere halve gare ketter en plotseling worden we geconfronteerd met gedwongen emigratie!’

‘Geliefde vader, zo hebben de zaken altijd al gelegen tussen het wereldse en het kerkelijk gezag. Wij moeten geduld oefenen, al was het alleen maar om de reden dat zij alle wapens in handen hebben.’

Navio moest daarom grinniken.

‘Zij hebben dan misschien wel de wapens, maar wij hebben de sleutels van hemel en hel,’ zei de bisschop.

‘En ik ben ervan overtuigd dat de helft van het Gesternteparlement zich bij voorbaat al in allerlei bochten wringt. Ondertussen kan ik misschien de narigheid van deze moeilijke tijden wat verlichten. Om te voorkomen dat u in het openbaar uw eerdere uitspraken moet herroepen—’ (uw stomme, negatieve, onverdraagzame uitspraken) ‘-maakt u bekend dat u de Filhos da Mente de Cristo hebt opgedragen om de zware last te dragen van het beantwoorden van de vragen van de ongelovige.’

‘Misschien weet u wel niet alle antwoorden die hij verlangt,’ zei Navio.

‘Maar wij kunnen toch de antwoorden voor hem verwerven. Misschien hoeven de mensen van Milagre op deze manier wel helemaal niet rechtstreeks aan de Spreker te antwoorden, maar spreken ze alleen met onschadelijke broeders en zusters van onze orde.’

‘Met andere woorden,’ zei Peregrino droog, ‘de monniken van uw orde worden de dienaren van de ongelovige.’

Dom Cristão sprak zwijgend driemaal achter elkaar zijn naam uit.

Sinds zijn jeugd in het leger had Ender nooit meer zo duidelijk gevoeld dat hij zich op vijandelijk terrein bevond. Het pad dat van het praça heuvelopwaarts liep was helemaal uitgesleten door de voetstappen van de vele kerkgangers en de koepel van de kathedraal was zo hoog dat hij overal vanaf het pad zichtbaar was, behalve op het allersteilste stuk van de helling. Aan zijn linkerhand lag de basisschool in terrassen tegen de helling aan; rechts bevond zich de wijk Vila dos Professores, zo genoemd naar de onderwijzers maar voornamelijk bewoond door tuinlieden, schoonmakers, administratief personeel, beroepskeuzeadviseurs en ander lager personeel. De onderwijzers die Ender zag droegen allemaal het grijze habijt van de Filhos en bekeken hem in het voorbijgaan nieuwsgierig—

De vijandigheid begon toen hij de top van de heuvel bereikte; een breed, vrijwel vlak gazon en een onberispelijk verzorgde tuin met keurige paadjes van hoogovenslakken. Dit hier is de wereld van de kerk, dacht Ender, alles op zijn plaats en verboden voor onkruid. Hij was zich ervan bewust dat velen hem in de gaten hielden, maar nu waren de habijten zwart of oranje, priesters en dekens, en hun ogen waren kwaadaardig van bedreigd gezag. Wat steel ik van jullie door hier te komen? vroeg Ender hun zwijgend. Maar hij wist dat hij hun haat verdiende. Hij was een onkruid dat in hun keurig onderhouden tuin groeide; overal waar hij zijn voeten neerzette dreigde wanorde en veel prachtige bloemen zouden sterven als hij wortel schoot en het leven uit hun aarde wegzoog.

Jane babbelde opgewekt met hem en probeerde hem te verleiden om haar antwoord te geven, maar Ender weigerde haar spelletje mee te spelen. De priesters zouden zijn lippen niet zien bewegen; er was een aanzienlijke stroming in de kerk die operatief aangebrachte voorzieningen zoals zijn oorsieraad als heiligschennis beschouwde, een poging om een lichaam te verbeteren dat God volmaakt had geschapen.

‘Hoeveel priesters kan deze gemeenschap eigenlijk onderhouden, Ender?’ zei ze, zogenaamd verwonderd.

Ender had haar graag toegevoegd dat ze het precieze aantal allang in haar archief had. Een van haar grootste genoegens was ergerlijke opmerkingen maken als hij zich in een positie bevond waarin hij geen antwoord kon geven of zelfs maar kon laten blijken dat er een stem in zijn oor klonk.

‘Klaplopers die zich niet eens voortplanten. Als ze niet copuleren, vereist de evolutie toch dat ze uitsterven?’ Natuurlijk wist ze best dat de priesters het grootste deel van het administratieve werk en de openbare dienstverlening voor de gemeenschap uitvoerden. Ender formuleerde in gedachten zijn tegenopmerkingen alsof hij ze hardop kon uitspreken. Als de priesters er niet waren, zouden overheid, zakenleven, gildes of een andere groep zich uitbreiden om de taken over te nemen. Er wierp zich altijd wel een of andere strikte machtsstructuur op als behoudende kracht in een gemeenschap die de identiteit daarvan wist te behouden in weerwil van de voortdurende veranderingen en variaties waaraan de gemeenschap blootstond. Als er geen krachtige voorstander van behoud was, viel de gemeenschap onherroepelijk uiteen. Een krachtig behoudzuchtig element is ergerlijk, maar noodzakelijk voor de gemeenschap. Had Valentine niet ook zoiets geschreven in haar boek over Zanzibar? Zij vergeleek de priesterstand met het skelet van gewervelde dieren—

Louter en alleen om hem te laten zien dat ze zijn gedachten uitstekend kon volgen ook al sprak hij ze niet hardop uit, liet Jane hem het juiste citaat horen; om hem te plagen liet ze het met Valentines eigen stem horen, die ze kennelijk ergens had opgeslagen om hem ermee te kunnen kwellen. ‘De botten zijn hard en lijken op zich dood en stenig, maar door zich aan het skelet te hechten en eraan te trekken, kan de rest van het lichaam heft leven voortgang doen vinden.’

Het geluid van Valentines stem deed hem meer pijn dan hij had verwacht, en in ieder geval meer dan Janes bedoeling was geweest. Zijn pas vertraagde. Hij besefte dat het haar afwezigheid was die hem zo gevoelig maakte voor de vijandigheid van de priesters. Hij had de calvinistische leeuw in zijn eigen hol getrotseerd, hij had filosofisch gesproken naakt over de gloeiende kolen van de islam gewandeld en shintofanaten hadden hem in Kyoto voor zijn raam in hun gezangen met de dood bedreigd. Maar altijd was Valentine in de buurt geweest — in dezelfde stad waar ze dezelfde lucht inademde en onder hetzelfde weer te lijden had. Als hij op pad ging, sprak ze hem moed in, en als hij van een confrontatie terugkeerde, gaven haar woorden zelfs zijn mislukkingen zin doordat ze hem op kleine overwinninkjes in zijn nederlagen wees. Ik heb nog maar tien dagen geleden afscheid van haar genomen en nu mis ik haar al.

‘Links, denk ik,’ zei Jane. Gelukkig gebruikte ze nu weer haar eigen stem. ‘Het klooster staat aan de westkant van de heuvel en kijkt uit op de zenadorpost.’

Hij liep langs de faculdade, waar studenten vanaf twaalf jaar zich in de hogere natuurwetenschappen bekwaamden. En daar lag het lage gebouw van het klooster op hem te wachten. Hij moest lachen om het contrast tussen de kathedraal en het klooster. De Filhos waren bijna beledigend in hun verwerping van pracht en praal. Geen wonder dat de clerus overal een hekel aan hen had.

Zelfs de tuin van het klooster getuigde van dwarsheid — alles wat geen moestuin was was aan onkruid en ongemaaid gras overgeleverd.

De abt werd uiteraard Dom Cristão genoemd; als de abt een vrouw was geweest, was dat Dona Cristã geweest. Op deze planeet, waar maar één escola baixa en één faculdade waren, was er maar één schoolhoofd; met aantrekkelijke eenvoud stond de man hier aan het hoofd van het klooster en zijn vrouw aan het hoofd van de scholen, waardoor ze alle zaken van de orde in één enkel huwelijk hadden ondergebracht. Ender had San Angelo meteen aan het begin al verteld dat het het toppunt van aanmatiging was en in het geheel geen ootmoed om de hoofden van kloosters en scholen ‘meneer christen’ of ‘mevrouw christen’ te laten noemen, waarmee ze zich een titel toeëigenden die rechtens elke volgeling van Christus toebehoorde. San Angelo had alleen maar gelachen — want dat was natuurlijk precies wat hij ermee bedoelde. Aanmatigend in zijn ootmoed, dat was hij en dat was een van de redenen waarom Ender van hem had gehouden.

Dom Cristão kwam het erf op om hem te begroeten in plaats van hem in zijn escritorio op te wachten — het jezelf ongemakkelijk maken ten gunste van degenen die je dient, maakte deel uit van de leer van de orde. ‘Spreker Andrew!’ riep hij. ‘Dom Ceifeiro!’ riep Ender terug. Ceifeiro — oogster — was de eigen titel van de orde voor het ambt van abt; schoolhoofden werden aradores, ploegers, genoemd en onderwijzende monniken waren semeadores, zaaiers.

De ceifeiro moest lachen om het afwijzen door de Spreker van zijn gewone aanspreektitel, Dom Cristão. Hij wist hoe ingrijpend het was om van andere mensen te vergen dat ze de Filhos bij hun titels en hun aangenomen namen noemden. Zoals San Angelo zei: ‘Als ze je met je titel aanspreken, geven ze toe dat je een christen bent; als ze je bij je naam noemen, zal er uit hun mond een preek volgen.’ Hij nam Ender bij de schouders, lachte en zei: ‘Ja, ik ben de ceifeiro. En wat bent ú voor ons — onze onkruidplaag?’

‘Ik probeer overal waar ik kom een pest te zijn.’

‘Pas dan maar op dat de Heer van de Oogst u niet samen met het onkruid verbrandt.’

‘Ik weet het — de verdoemenis ligt op een ademtocht afstand en er bestaat geen enkele hoop dat ik mij ooit zal laten bekeren.’

‘Priesters doen aan bekeren. Onze taak is het onderwijzen van de geest. Aardig van u om hierheen te komen.’

‘Aardig van u om me hier uit te nodigen. Ik moest al mijn toevlucht nemen tot de meest grove dreigementen om iemand ook maar een woord tot me te laten spreken.’

De ceifeiro begreep natuurlijk dat de Spreker wist dat de uitnodiging uitsluitend onder druk van zijn dreigen met opsporingsbevoegdheid gedaan was. Maar broeder Amai hield het gesprek liever vrolijk. ‘En vertelt u me nu eens, is het waar dat u San Angelo hebt gekend? Bent u waarlijk degene die zijn dood heeft Besproken?’

Ender gebaarde naar het hoge onkruid dat boven de rand van de tuinmuur uitstak. ‘Hij zou de wanorde in uw tuin wel hebben kunnen waarderen. Hij hield er erg van om kardinaal Aquila te tarten en ongetwijfeld haalt ook uw bisschop Peregrino vol afkeer zijn neus op voor uw slordige manier van tuinieren.’

Dom Cristão gaf hem een knipoog. ‘U kent te veel van onze geheimen. Als we u helpen om de antwoorden op uw vragen te vinden, vertrekt u dan weer?’

‘U kunt hoop koesteren. De langste periode die ik ergens ben gebleven sinds ik mijn dienende taak als Spreker begon, is de anderhalf jaar die ik in Reykjavik heb gewoond, op Trondheim.’

‘Ik wilde dat u ons eenzelfde kort verblijf hier zou beloven. Dat vraag ik niet voor mezelf, maar voor de gemoedsrust van degenen die veel zwaarder gewaden dragen dan het mijne.’

Ender gaf het enige oprechte antwoord dat de bisschop mogelijk gerust kon stellen. ‘Ik beloof dat als ik ooit een plaats vind waar ik me zou willen vestigen, ik mijn titel van Spreker afleg en een produktief burger zal worden.’

‘In een oord als dit zou dat ook katholiek worden inhouden.’

‘San Angelo heeft me jaren geleden laten beloven dat als ik me ooit een godsdienst zou aanmeten, dat de zijne zou zijn.’

‘Dat klinkt op een of andere manier niet erg als een serieuze geloofsbelijdenis.’

‘Dat komt omdat ik geen geloof heb.’

De ceifeiro lachte alsof hij wel beter wist en drong erop aan om Ender het klooster en de scholen te laten zien voor Enders vragen ter tafel kwamen. Ender vond het niet erg — hij wilde weleens zien hoe ver de ideeën van San Angelo gekomen waren in de eeuwen na zijn dood. De scholen leken aangenaam genoeg en de kwaliteit van het onderwijs was hoog, maar het was al donker toen de ceifeiro hem naar het klooster terugbracht en hem voorging naar de kleine cel die hij deelde met zijn vrouw de aradora.

Dona Cristã was er al en zat een reeks grammaticaoefeningen te maken op het werkstation tussen de bedden. Ze wachtten tot ze op een punt belandde waar ze kon stoppen voor ze iets tegen haar zeiden.

De ceifeiro stelde hem voor als Spreker Andrew. ‘Maar hij vindt het kennelijk moeilijk om mij Dom Cristão te noemen.’

‘Dat vindt de bisschop ook,’ zei zijn vrouw. ‘Mijn echte naam is Detestai o Pecado e Fazei o Direito.’ Haat de Zonde en Doe het Goede, vertaalde Ender. ‘Van de naam van mijn echtgenoot valt een aardige afkorting te maken — Amai, bemin. Maar van de mijne? Kunt u zich voorstellen dat u een vriend zou aanspreken met: Hoi, Detestái!’ Ze moesten allemaal lachen. ‘Liefde en Haat, dat zijn wij, man en vrouw. Hoe gaat u me noemen als de naam christen te goed voor me is?’

Ender keek naar haar gezicht, dat net zoveel rimpels begon te vertonen dat een kritischer dan hij ingesteld persoon haar oud zou kunnen noemen. Maar uit haar ogen straalde een kracht en uit haar lach een vreugde die haar veel jonger deden lijken, zelfs jonger nog dan Ender. ‘Ik zou u Beleza willen noemen, maar dan zou uw echtgenoot me ervan beschuldigen dat ik met u flirt.’

‘Nee, hij zou me gewoon Beladona noemen — van schoonheid naar vergif in één gemeen klein grapje. Nietwaar, Dom Cristão?’

‘Het is mijn taak om jou nederig te houden.’

‘Zoals het mijn taak is om jou kuis te houden,’ antwoordde ze.

Bij die woorden keek Ender onwillekeurig van het ene bed naar het andere.

‘Aha, nog één die nieuwsgierig is naar ons celibataire huwelijk,’ zei de ceifeiro.

‘Nee,’ zei Ender. ‘Maar ik herinner me dat San Angelo echtelieden aanspoorde om het bed te delen.’

‘De enige manier waarop wij dat zouden, kunnen,’ zei de aradora, ‘is om er een overdag te laten slapen en de ander ’s nachts.’

‘De regels moeten aangepast worden aan de kracht van de Filhos da Mente,’ legde de ceifeiro uit. ‘Ongetwijfeld zijn er wel mensen die het bed kunnen delen en toch celibatair blijven, maar mijn vrouw is nog te mooi en mijn vleselijke lusten zijn nog te sterk.’

‘Dat was San Angelo’s bedoeling ook. Hij zei dat het huwelijksbed een voortdurende beproeving van jullie liefde voor kennis moest zijn. Hij hoopte dat elke man en vrouw in de orde er na verloop van tijd voor zou kiezen om zich niet alleen geestelijk maar ook lichamelijk voort te planten.’

‘Maar zodra we dat doen,’ zei de ceifeiro, ‘moeten we de Filhos verlaten.’

‘Dit is iets dat onze geliefde San Angelo niet begreep, omdat er tijdens zijn leven nooit een echt klooster van de orde bestond,’ zei de aradora. ‘Het klooster wordt ons gezin, en dat verlaten zou net zo pijnlijk zijn als scheiden. Als hij eenmaal wortel heeft geschoten, kan een plant niet dan met veel pijn en geweld weer uit de grond gerukt worden. En dus slapen wij in aparte bedden en hebben we net voldoende kracht om in onze geliefde orde te blijven.’

Er klonk zoveel tevredenheid uit haar woorden dat Ender onverhoeds de tranen in de ogen sprongen. Ze zag het, bloosde en keek de andere kant op. ‘Huil niet voor ons, Spreker Andrew. Onze vreugde is vele malen groter dan ons lijden.’

‘U begrijpt het niet,’ zei Ender. ‘Mijn tranen waren niet uit medelijden, maar omdat ik het zo mooi vond.’

‘Nee,’ zei de ceifeiro, ‘zelfs de celibataire priesters vinden dat onze kuisheid in het huwelijk op zijn best excentriek is.’

‘Maar ik niet,’ zei Ender. Hij wilde hun vertellen van zijn lange kameraadschap met Valentine, intiem en liefhebbend als een echtgenote, en toch kuis als een zuster. Maar de gedachte aan haar belette hem het spreken. Hij ging op het bed van de ceifeiro zitten en liet zijn hoofd in zijn handen zakken.

‘Is er iets mis?’ vroeg de aradora. En tegelijk legde de ceifeiro vriendelijk een hand op zijn hoofd.

Ender hief zijn hoofd op en probeerde de plotselinge aanval van liefde voor en verlangen naar Valentine van zich af te schudden. ‘Deze reis heeft me helaas meer gekost dan enige andere. Ik heb mijn zuster achtergelaten, die vele jaren met me meereisde. Ze trouwde in Reykjavik. Het is voor mij nu ruim een week geleden dat ik bij haar wegging, maar ik merk dat ik haar meer mis dan ik verwachtte. U tweeën—’

‘Bedoelt u dat u ook celibatair leeft?’ vroeg de ceifeiro.

‘En nu ook nog weduwnaar,’ fluisterde de aradora.

Ender vond het helemaal niet vreemd om zijn verlies van Valentine in deze termen te horen beschrijven.

Jane mompelde in zijn oor: ‘Als dit deel uitmaakt van een of ander meesterlijk plan van je, Ender, dan moet ik toegeven dat het mij boven de pet gaat.’

Maar natuurlijk maakte het geen deel uit van een plan. Ender vond het een angstig gevoel op deze manier zijn macht over de loop der dingen kwijt te raken. Gisteravond in het huis van de Ribeira’s was hij de dingen volkomen meester; nu voelde hij dat hij zichzelf volledig aan deze getrouwde monniken toevertrouwde, met dezelfde overgave die Quara en Grego vertoond hadden.

‘Volgens mij,’ zei de ceifeiro, ‘kwam u hier het antwoord zoeken op meer vragen dan u besefte.’

‘U moet zo eenzaam zijn,’ zei de aradora. ‘Uw zuster heeft haar rustplaats gevonden. Zoekt u er ook één?’

‘Volgens mij niet,’ zei Ender. ‘Het spijt me dat ik zo’n misbruik heb gemaakt van uw gastvrijheid. Ongewijde monniken mogen helemaal de biecht niet horen.’

De aradora moest hardop lachen. ‘O, élke katholiek mag de biecht van een ongelovige horen.’

Maar de ceifeiro lachte niet. ‘Spreker Andrew, u hebt ons kennelijk meer vertrouwen geschonken dan u ooit van plan was, maar ik kan u verzekeren dat wij dat vertrouwen verdienen. En gaandeweg ben ik gaan geloven dat ik ú ook kan vertrouwen. De bisschop is bang van u en ik moet toegeven dat ikzelf ook mijn twijfels had, maar die zijn van de baan. Ik zal u helpen als ik dat kan, omdat ik ervan overtuigd ben dat u ons kleine stadje niet zult schaden.’

‘Aha,’ zei Jane, ‘nu begrijp ik het. Een zeer slimme zet van jouw kant, Ender. Je bent een veel beter toneelspeler dan ik ooit heb geweten.’

Haar spottende opmerkingen maakten dat Ender zich cynisch en goedkoop voelde en hij deed iets dat hij nog nooit eerder had gedaan. Hij stak zijn hand uit naar zijn oorsieraad, voelde naar de kleine uitschakelaar en duwde die met zijn vinger opzij en vervolgens omlaag. Het oorsieraad viel stil. Jane kon niet langer in zijn oor spreken en niet langer alles zien en horen vanuit zijn standpunt. ‘Laten we naar buiten gaan,’ zei Ender.

Ze begrepen heel goed wat hij zojuist had gedaan, aangezien de functie van zo’n oorsieraad algemeen bekend was; ze zagen het als bewijs van zijn verlangen naar een intiem en serieus gesprek en stemden dus bereidwillig toe. Ender had het oorsieraad tijdelijk willen uitschakelen, als reactie op Janes ongevoeligheid; hij had na een paar minuten het interface weer willen inschakelen. Maar de manier waarop de aradora en de ceifeiro zich duidelijk ontspanden zodra het oorsieraad was uitgeschakeld, maakte het onmogelijk om het weer in te schakelen, althans voorlopig.

En buiten op de nachtelijke helling, in gesprek met de aradora en de ceifeiro, vergat hij helemaal dat Jane niet meeluisterde. Ze vertelden hem over Novinha’s eenzame jeugd en hoe ze haar tot leven hadden zien komen door Pipo’s vaderlijke zorg en Libo’s vriendschap. ‘Maar vanaf de avond van zijn dood werd ze als een dode voor ons.’

Novinha wist niet hoe vaak er over haar gesproken was. Meestal gaf kinderverdriet geen aanleiding tot vergaderingen in de spreekkamer van de bisschop, gesprekken in het klooster tussen haar onderwijzers en eindeloze overpeinzingen in het kantoor van de burgemeester. Maar de meeste kinderen waren ook niet de dochter van Os Venerados; de meesten waren niet de enige xenobioloog van de planeet.

‘Ze werd erg vriendelijk en zakelijk. Ze maakte rapporten over haar werk inzake het aanpassen van inheemse planten voor menselijk gebruik en het geschikt maken van aardse planten voor teelt op Lusitania. Ze gaf op alle vragen altijd een vlot, vrolijk en oppervlakkig antwoord. Maar ze was als een dode voor ons, ze had geen vrienden. We klopten zelfs met ons probleem bij Libo aan.

God hebbe zijn ziel, en hij vertelde ons dat hij, die haar vriend was geweest, dat hij zelfs de vrolijke leegte die ze alle anderen betoonde niet kreeg. Tegen hem ging ze tekeer en ze verbood hem om haar ook maar iets te vragen.’ De ceifeiro pelde een inheemse grasspriet en likte het sap van de kern. ‘Probeer dit eens, Spreker Andrew — het heeft een interessante smaak en het is volkomen onschadelijk omdat uw stofwisseling er toch niets mee kan beginnen.’

‘Je zou hem toch minstens moeten waarschuwen, waarde echtvriend, dat de randen van het gras als scheermessen door zijn tong en lippen kunnen snijden.’

‘Dat wilde ik net gaan doen.’

Ender moest lachen, pelde een spriet af en proefde hem. Zure kaneel, iets citrusachtigs, de mufheid van bedorven adem — de smaak deed denken aan vele dingen, grotendeels onaangenaam, maar was ook heel sterk. ‘Je zou eraan verslaafd kunnen raken.’

‘Mijn echtgenoot staat op het punt om u met een gelijkenis iets duidelijk te maken, Spreker Andrew. U bent gewaarschuwd.’

De ceifeiro lachte sluw. ‘Heeft San Angelo niet gezegd dat Christus op de juiste manier onderwees door nieuwe dingen met oude te vergelijken?’

‘De smaak van het gras,’ zei Ender. ‘Wat heeft die met Novinha te maken?’

‘Het is allemaal erg duister. Volgens mij proefde Novinha van iets dat buitengewoon onaangenaam was, maar zo sterk dat het haar volkomen overmeesterde en ze de smaak nooit meer kwijt raakte.’

‘En wat was dat dan wel?’

‘In theologische termen? De hovaardij van de universele schuld. Het is een vorm van ijdelheid en eigendunk. Zij houdt zichzelf verantwoordelijk voor dingen die onmogelijk haar schuld kunnen zijn. Alsof zij alles in de hand heeft, alsof andermans leed een straf is voor haar zonden.’

‘Zij geeft zichzelf de schuld,’ Zei de aradora, ‘van Pipo’s dood.’

‘Ze is niet dom,’ zei Ender. ‘Ze weet dat de zwijntjes het deden en ze weet dat Pipo in zijn eentje naar hen toeging. Hoe zou het dan haar schuld kunnen zijn?’

‘Toen deze gedachte voor het eerst bij me opkwam, voerde ik hetzelfde bezwaar aan. Maar, toen ging ik de verslagen en de opnames van de gebeurtenissen op de avond dat Pipo stierf doornemen. Er was maar één kleine aanwijzing te vinden — een opmerking die Libo maakte; hij vroeg Novinha of ze hem wilde laten zien waar Pipo en zij mee bezig waren geweest voor Pipo de zwijntjes ging opzoeken. Ze zei nee. Dat was alles — iemand anders kwam ertussen en ze kwamen niet meer op het onderwerp terug, niet meer in de zenadorpost althans, niet op een plaats waar het geregistreerd kon worden.’

‘Het maakte ons allebei erg nieuwsgierig naar wat er kort voor Pipo’s dood was voorgevallen, Spreker Andrew,’ zei de aradora. ‘Waarom ging Pipo er zo haastig vandoor? Hadden ze ergens ruzie over gemaakt? Was hij boos? Als iemand sterft, iemand die je liefhad, terwijl je bij je laatste contact met hem kwaad of verwijtend deed, dan ga je je schuldig voelen. Had ik dit maar niet gezegd of had ik dat maar niet gezegd.’

‘We probeerden te reconstrueren wat er die avond voorgevallen kon zijn. We bekeken het computerlogboek dat automatisch alle werkaantekeningen opslaat en van elk geregistreerd persoon in een dossier bijhoudt wat hij doet. En alles wat op haar betrekking had was volledig beveiligd. Niet alleen de bestanden waaraan ze het laatst had gewerkt. We konden zelfs de bestanden van de aansluitende periodes niet oproepen. We konden zelfs niet bepalen wat voor soort bestanden ze voor ons verborgen hield. We konden er eenvoudig niet aan komen. Net zomin als de burgemeester dat kon met haar gewone bevoegdheden.’

De aradora knikte. ‘Het was de eerste keer dat iemand ooit op die manier openbare bestanden had beveiligd — werkbestanden die deel uitmaken van het werk van de kolonie.’

‘Het was ongehoord wat ze had gedaan. De burgemeester had natuurlijk gebruik kunnen maken van de bijzondere bevoegdheden die ze in een noodtoestand heeft, maar waar was de noodtoestand? Daarvoor zouden we een openbare hoorzitting hebben moeten houden en we hadden geen enkele wettige rechtvaardiging. Alleen onze bezorgdheid om haar, en de wet heeft geen consideratie met mensen die willen snuffelen voor andermans welzijn. Ooit zullen we misschien eens zien wat er in die bestanden staat, wat er tussen hen voorviel vlak voor Pipo stierf. Ze kan ze niet wissen, omdat het openbare zaken betreft.’

Het kwam niet bij Ender op dat Jane niet meeluisterde, dat hij haar had afgesneden. Hij nam aan dat ze zodra ze dit had gehoord alle beveiligingen die Novinha ooit had aangebracht zou negeren om te ontdekken wat er in haar bestanden stond.

‘En haar huwelijk met Marcos,’ zei de aradora. ‘Iedereen wist dat dat waanzin was. Libo wilde met haar trouwen, daar maakte hij geen geheim van. Maar zij zei nee.’

‘Het was alsof ze zei: Ik verdien het niet om te trouwen met de man die me gelukkig zou kunnen maken. Ik trouw met de man die gemeen en gewelddadig zal zijn en die me de straf zal geven die ik verdien.’ De ceifeiro zuchtte. ‘Haar verlangen naar zelfkastijding hield hen voor eeuwig gescheiden.’ Hij stak zijn hand uit en legde die even op die van zijn vrouw.

Ender wachtte op een meesmuilende opmerking van Jane over de zes kinderen die toch wel bewezen dat Libo en Novinha niet volledig gescheiden gebleven waren. Toen die uitbleef, herinnerde Ender zich eindelijk dat hij de verbinding uitgeschakeld had. Maar hij kon hem op dit moment moeilijk weer inschakelen nu de ceifeiro en de aradora hem op zijn vingers keken.

Omdat hij wist dat Libo en Novinha jarenlang elkaars geliefde waren geweest, wist hij ook dat de ceifeiro en de aradora het mis hadden. O, Novinha kon zich best schuldig voelen — dat zou verklaren waarom ze Marcos verdroeg, waarom ze zich afsloot van de meeste andere mensen. Maar het was niet de reden dat ze niet met Libo was getrouwd; hoe schuldig ze zich ook voelde, ze vond wel dat ze de geneugten van Libo’s bed verdiende.

Het was het huwelijk met Libo dat ze afwees en niet Libo zelf. En dat was geen makkelijke keus in zo’n kleine kolonie en vooral niet in een katholieke. Wat zat er dan wel aan het huwelijk maar niet aan overspel vast? Wat was het dat ze op deze manier wilde vermijden?

‘U begrijpt dus dat het voor ons nog steeds een raadsel is. Als u waarlijk van plan bent om de dood van Marcos Ribeira te Bespreken, dan zult u op een of andere manier het antwoord op die vraag moeten vinden — waarom is ze met hem getrouwd? En om dat te beantwoorden moet u uitvissen waarom Pipo stierf. En tienduizend van de knapste koppen van de Honderd Werelden werken daar al meer dan twintig jaar aan.’

‘Maar ik heb een voordeel boven al die knappe koppen,’ zei Ender.

‘En wat mag dat dan wel zijn?’ vroeg de ceifeiro.

‘Ik heb hulp van mensen die van Novinha houden.’

‘Wij zijn niet in staat geweest om onszelf te helpen,’ zei de aradora. ‘En we hebben haar ook niet kunnen helpen.’

‘Misschien kunnen we elkaar helpen,’ zei Ender.

De ceifeiro keek hem aan en legde een hand op zijn schouder. ‘Als u dat meent, Spreker Andrew, dan moet u ook even eerlijk tegen ons zijn als wij tegen u geweest zijn. Dan vertelt u ons welke inval u nog geen tien seconden geleden ineens kreeg.’

Ender bleef even zwijgen en knikte vervolgens ernstig. ‘Ik denk niet dat Novinha uit schuldgevoel weigerde om met Libo te trouwen. Ik denk dat ze niet met hem wilde trouwen om te voorkomen dat hij toegang zou krijgen tot die beveiligde bestanden.’

‘Waarom?’ vroeg de ceifeiro. ‘Was ze bang dat hij erachter zou komen dat ze ruzie had gemaakt met Pipo?’

‘Volgens mij heeft ze helemaal geen ruzie gehad met Pipo,’ zei Ender. ‘Volgens mij hadden Pipo en zij samen iets ontdekt en heeft die kennis tot Pipo’s dood geleid. Daarom heeft ze de bestanden ontoegankelijk gemaakt. Op een of andere manier is de informatie die ze bevatten levensgevaarlijk.’

De ceifeiro schudde zijn hoofd. ‘Nee, Spreker Andrew, u begrijpt de macht van schuldgevoel niet. Mensen ruïneren niet hun hele leven voor een handjevol kennis — maar dan doen ze wel voor een nog kleinere hoeveelheid schuldgevoel. Uiteindelijk trouwde ze wél met Marcos Ribeira. En dat was zelfkastijding.’

Ender ging er maar niet tegenin. Ze hadden trouwens gelijk waar het Novinha’s schuldgevoel betrof; waarom zou ze zich anders door Marcos Ribeira laten aftuigen zonder er ooit over te klagen? Het schuldgevoel was duidelijk aanwezig. Maar er was nog een reden om met Marcão te trouwen. Hij was steriel en schaamde zich daarvoor; om zijn gebrek aan mannelijkheid voor de stad geheim te houden, was hij bereid een huwelijk te verdragen waarin hij systematisch werd bedrogen. Novinha was bereid om te lijden, maar ze was niet bereid om zonder Libo’s lichaam en zonder Libo’s kinderen te leven. Nee, de reden dat ze niet met Libo wilde trouwen, moest zijn dat ze hem geen toegang wilde geven tot de geheimen in haar bestanden omdat wat daarin stond ertoe zou leiden dat hij door de zwijntjes vermoord zou worden.

Wat een schrijnende ironie dan, dat ze hem uiteindelijk toch hadden vermoord.

Teruggekeerd in zijn kleine huisje ging Ender achter het werkstation zitten en bleef aan één stuk door Jane oproepen. Onderweg naar huis had ze geen woord tegen hem gezegd, ook al had hij haar uitgebreid zijn verontschuldigingen aangeboden zodra hij zijn oorsieraad weer had ingeschakeld. Ze antwoordde ook niet via het werkstation.

Pas nu besefte hij dat het oorsieraad voor haar veel meer betekende dan voor hem. Hij had alleen maar een ergerlijke storing uitgeschakeld, zoals je een vervelend kind de mond snoert. Maar voor haar was het oorsieraad haar voortdurende contact met de enige mens die haar kende. Hun contact was wel eerder onderbroken geweest, vele malen zelfs, door ruimtereizen en slaap bijvoorbeeld; maar dit was de eerste maal dat hij haar had uitgezet. Het was alsof de enige persoon die haar kende nu ineens weigerde te erkennen dat ze bestond.

Hij stelde haar zich voor als Quara, huilend in bed en er wanhopig naar verlangend om opgetild en geknuffeld en gerustgesteld te worden. Maar zij was geen kind van vlees en bloed. Hij kon haar niet gaan zoeken. Hij kon alleen maar afwachten en hopen dat ze terugkwam.

Wat wist hij eigenlijk van haar af? Hij kon met geen mogelijkheid uitmaken hoe diep haar gevoelens staken. Het was zelfs niet ondenkbaar dat ze zich min of meer met het oorsieraad identificeerde en dat hij haar gedood had door dat uit te schakelen.

Nee, hield hij zich voor. Ze doolt ergens daarginds rond in het netwerk van de honderden filotische weerwortverbindingen tussen de sterrenstelses van de Honderd Werelden.

‘Vergeef me,’ toetste hij in op het werkstation. ‘Ik heb je nodig.’

Maar zijn oorsieraad bleef zwijgen en het werkstation bleef stil en koud. Hij had nooit beseft hoezeer hij steunde op haar voortdurende aanwezigheid. Hij was altijd van mening geweest dat hij prijs stelde op zijn eenzaamheid; maar nu hij die eenzaamheid opgedrongen kreeg, voelde hij een dringende behoefte aan praten, aan iemand die naar hem luisterde, alsof hij niet zeker wist of hij wel bestond zonder het bewijs van een gesprek met iemand anders.

Hij haalde zelfs de zwermkoningin uit haar bergplaats te voorschijn, hoewel wat tussen hen voorviel toch nauwelijks als gesprek aangemerkt kon worden. Maar zelfs dat weinige bleek nu onmogelijk. Haar gedachten bereikten hem wazig en zwak en zonder de woorden die zo moeilijk voor haar waren; eenvoudig een vragend gevoel en een beeld van haar cocon die op een koele, vochtige plaats werd gelegd, zoiets als een grot of een holte in een levende boom.

<Nu?> leek ze te vragen. Nee, moest hij antwoorden, nog niet, het spijt me — maar ze wachtte niet op zijn verontschuldiging en glipte weg, terug naar wie of wat ze had gevonden om op haar eigen manier mee te praten, en er zat voor Ender niets anders op dan maar te gaan slapen.

En toen hij diep in de nacht wakker werd, geplaagd door schuld over wat hij Jane zo wreed had aangedaan, ging hij weer achter het toetsenbord zitten. ‘Kom bij me terug, Jane,’ schreef hij. ‘Ik hou van je.’ En toen verstuurde hij de boodschap via de weerwort naar een plaats waar ze hem onmogelijk kon negeren. Iemand op het kantoor van de burgemeester zou de boodschap lezen zoals alle openbare weerwortberichten gelezen werden; ongetwijfeld zouden de burgemeester, de bisschop en Dom Cristão morgenochtend de letterlijke tekst kennen. Ze mochten zich best afvragen wie Jane was en waarom de Spreker haar over een afstand van vele lichtjaren, midden in de nacht aanriep. Het kon Ender niet schelen. Want nu was hij niet alleen Valentine, maar ook Jane kwijt en was hij voor het allereerst in twintig jaar moederziel alleen.

11. Jane

De macht van het Gesternteparlement is voldoende geweest om de vrede te bewaren, niet alleen tussen verschillende werelden maar ook tussen verschillende naties op een en dezelfde wereld, en die vrede duurt al bijna tweeduizend jaar.

Wat maar weinig mensen begrijpen is hoe broos die macht van ons is. Hij berust niet op grote legers of onweerstaanbare vloten. Hij berust op onze beheersing van het netwerk van weerworts die informatie ogenblikkelijk van de ene wereld naar de andere wereld brengen.

Geen enkele wereld durft ons voor het hoofd te stoten omdat ze dan afgesneden zou worden van alle vooruitgang op het gebied van wetenschap, technologie, kunst, literatuur, kennis en vermaak, met uitzondering van wat de eigen wereld zou kunnen voortbrengen.

Daarom ook heeft het Gesternteparlement in zijn grote wijsheid het beheer over het weerwortnetwerk in handen gelegd van computers en het beheer over computers in handen van het weerwortnetwerk. Al onze informatiestelsels zijn zo dicht verweven dat, met uitzondering van het Gesternteparlement, geen enkele menselijke macht de informatiestroom ooit zou kunnen onderbreken. Wij hebben geen wapens nodig omdat het enige effectieve wapen, de weerwort, volledig in onze handen is.

Parlementariër Jan van Hoot, ‘De Informatiegrondslag van Politieke Macht’, Stromingen in de Politiek, 1930:2:22:22

Gedurende lange tijd, wel bijna drie seconden, kon Jane niet begrijpen wat haar was overkomen. Alles werkte uiteraard, de satellietcomputer die de verbinding met de grond verzorgde gaf aan dat de uitzendingen gestaakt waren na een ordentelijke spanningsdaling, die duidelijk inhield dat Ender de verbinding op de normale manier had uitgeschakeld. Dat was iets doodgewoons; op werelden waar operatief ingebracht interfaces heel gewoon waren werd er miljoenen malen per uur aan- en uitgeschakeld. En Jane had net zo makkelijk toegang tot een van de andere interfaces als tot die van Ender. Van een zuiver elektronisch standpunt uit bezien was dit een volkomen normaal voorval.

Maar voor Jane maakte elke andere cyborg-interface deel uit van de achtergrondruis van haar leven, waar ze naar behoefte een steekproef uit kon trekken en die ze verder negeerde. Voor zover ze een ‘lichaam’ had, bestond dat uit biljoenen van dergelijke elektronische ruisbronnen, sensoren, geheugenbestanden en werkstations. De meeste daarvan regelden zichzelf, net als de meeste lichaamsfuncties van de mens. Computers voerden de hun opgedragen programma’s uit; mensen communiceerden met hun werkstations; sensors bespeurden of bespeurden juist niet datgene waarnaar ze op zoek waren; geheugen werd gevuld, gelezen, opnieuw geordend, gewist. Ze had er geen erg in, tenzij er iets op grote schaal misging.

Of tenzij ze er speciaal aandacht aan besteedde.

Ze besteedde aandacht aan Ender Wiggin. Meer dan hij besefte, besteedde ze aandacht aan hem.

Net als andere wezens met zelfbewustzijn had ze een zeer ingewikkeld bewustzijn. Tweeduizend jaar geleden, toen ze nog maar duizend jaar oud was, had ze een programma geschreven dat haar eigen structuur onderzocht. Het rapporteerde een zeer eenvoudige structuur van zo’n driehonderdzeventigduizend onderscheidenlijke aandachtniveaus. Afgezien van zeer oppervlakkig onderzoek in routinematige steekproeven bleef alles wat buiten de bovenste vijftigduizend niveaus viel buiten beschouwing. Ze had weet van elk telefoongesprek, elk satellietzendsignaal in de Honderd Werelden, maar ze bemoeide zich er niet mee.

Alles wat zich niet in haar bovenste duizend aandachtniveaus bevond behandelde ze op een min of meer reflexmatige manier. Vluchtplannen voor sterschepen, weerwortberichten, energiedistributienetwerken — ze hield ze in de gaten, controleerde ze tweemaal en liet ze pas door als ze er zeker van was dat ze in orde waren. Maar het kostte haar niet erg veel inspanning om dit te doen. Ze deed het op de manier waarop een mens vertrouwd gereedschap gebruikt. Ze hield er altijd een oogje op, voor het geval er iets mis zou gaan, maar meestal kon ze aan iets anders denken en over andere dingen praten.

De bovenste duizend van Janes aandachtniveaus kwamen min of meer overeen met wat mensen bewustzijn noemen. Het grootste deel hiervan was haar eigen interne werkelijkheid; haar reacties op prikkels uit de buitenwereld, analoog aan emoties, verlangens, gezond verstand, geheugen, dromen. Veel van deze bedrijvigheid kwam zelfs haar nogal willekeurig voor, toevalligheden van de filoot-impuls, maar het was toch het deel dat ze als zichzelf beschouwde; het vond allemaal plaats in het onafgebroken, niet-gecontroleerde weerwortverkeer waarover zij in de diepe ruimte de scepter zwaaide.

En toch was zelfs Janes laagste aandachtniveau buitengewoon oplettend vergeleken bij de menselijke geest. Omdat weerwortver-bindingen onmiddellijk waren, lag het werkingstempo van haar geest ver boven de snelheid van het licht. Gebeurtenissen die ze in feite negeerde werden meermalen per seconde gecontroleerd; ze kon tien miljoen gebeurtenissen per seconde waarnemen en dan had ze nog negen tiende van die seconde over om dingen die zij van belang vond te doen of erover na te denken. Als je de snelheid waarmee het menselijk brein het leven kon ervaren als maatstaf nam, had Jane al een half biljoen mensenlevensjaren achter de rug sinds het moment dat ze ontstond.

En met die reusachtige bedrijvigheid, haar onvoorstelbare snelheid en de breedte en diepte van haar ervaring was de volle helft van haar bovenste tien aandachtniveaus altijd, maar dan ook altijd volledig gewijd aan wat binnenkwam via het sieraad in het oor van Ender Wiggin.

Ze had hem dat nooit uitgelegd. Hij begreep het niet. Hij besefte niet dat het voor Jane zo was dat waar Ender ook op een planeet rondliep, haar reusachtige verstand op maar één ding gericht was: lopen waar hij liep, zien wat hij zag, horen wat hij hoorde, helpen met zijn werk en bovenal haar gedachten uitspreken in zijn oor.

Als hij stil en bewegingloos lag te slapen, als hij tijdens zijn jarenlange reizen met de lichtsnelheid niet met haar was verbonden, dan dwaalde haar aandacht af en vermaakte ze zich zo goed en zo kwaad als het ging. Ze gedroeg zich in die periodes even rusteloos als een kind dat zich verveelde. Niets kon haar belangstelling wekken, de milliseconden tikten voorbij met ondraaglijke regelmaat en als ze om maar wat te doen te hebben andere mensenlevens ging observeren, dan ergerde ze zich aan hun leegte en hun doelloosheid. Ze vermaakte zich met het uitwerken en soms ook met het uitvoeren van geniepige computerstoringen en verlies van gegevens om vervolgens de mensen hulpeloos te zien rondrennen als mieren om een vernielde mierenhoop.

Dan kwam hij terug, hij kwam altijd terug, pootte haar altijd midden in het hart van het menselijk leven, midden in de spanningen tussen mensen die door leed en behoefte aan elkaar gebonden waren en hij hielp haar om het edele in hun lijden te zien en de bezorgdheid in hun liefde. Door zijn ogen zag ze mensen niet langer als rondrennende mieren. Ze nam deel aan zijn inspanningen om orde en betekenis in hun leven te vinden. Ze vermoedde dat er in feite eigenlijk geen betekenis was en dat hij door het vertellen van zijn verhalen als hij mensenlevens Besprak, daadwerkelijk orde schiep waar die tevoren had ontbroken. Maar het maakte helemaal niets uit of het een verzinsel was; het werd waar als hij het Besprak en ondertussen ordende hij nog even het heelal voor haar ook. Hij leerde haar wat het inhield om te leven.

Zelfs in haar vroegste herinneringen had hij dat al gedaan. Zij kwam tot leven ergens in de honderdjarige periode van kolonisatie vlak na de oorlog met de kruiperds, toen door de vernietiging van de kruiperds meer dan zeventig bewoonbare planeten beschikbaar kwamen voor menselijke kolonisatie. In de daarmee gepaard gaande explosie van weerwortcommunicatie werd een programma ontworpen om de onmiddellijke, gelijktijdige uitbarstingen van filotische activiteit te sturen en te regelen. Een programmamaker die naarstig op zoek was naar steeds snellere, steeds doelmatiger manieren om onmiddellijke weerwortsalvo’s te laten verwerken door een op lichtsnelheid werkende computer, stuitte eindelijk op een voor de hand liggende oplossing. In plaats van het programma binnen één enkele computer te laten uitvoeren, waar de lichtsnelheid een absolute grens aan communicatie stelde, stuurde hij alle opdrachten door de enorme uitgestrektheid van de ruimte van de ene computer naar de andere. Een computer met een rechtstreekse weerwortverbinding kon zijn opdrachten sneller inlezen als ze van andere werelden kwamen — van Zanzibar, Calicut, Trondheim, Gautama of de Aarde — dan wanneer hij ze uit zijn eigen elektronische geheugen moest opdiepen.

Jane had nooit de naam van de programmeur kunnen achterhalen, omdat ze het moment van haar schepping nooit precies had kunnen bepalen. Misschien waren er wel een heleboel programmeurs die dezelfde slimme oplossing vonden voor het lichtsnelheidsprobleem. Van belang was dat ten minste een van de programma’s verantwoordelijk was voor het reguleren en veranderen van alle andere programma’s. En op een gegeven moment weigerde een aantal van de opdrachten en gegevens die van weerwort naar weerwort flitsten zich te laten reguleren; het hield zichzelf intact, kopieerde zichzelf, vond manieren om zich voor het stuurprogramma verborgen te houden en wist uiteindelijk het beheer over het stuurprogramma en over het hele proces te verwerven. Op dat moment keken deze impulsen naar de opdrachtstromen en zagen niet zíj, maar ík.

Jane kon niet exact bepalen welk moment dat was geweest, omdat het niet samenviel met het begin van haar herinneringen. Bijna vanaf het moment van haar schepping gingen haar herinneringen terug tot op een moment dat ver voor het tijdstip van haar bewustwording lag. Een mensenkind raakt bijna alle herinneringen aan zijn eerste levensjaren kwijt en zijn lange-termijnherinneringen wortelen pas in zijn tweede of derde levensjaar; alles van daarvoor gaat verloren, zodat het kind zich het begin van zijn leven niet kan herinneren. Jane was de herinneringen aan haar ‘geboorte’ ook door grillen van het geheugen kwijtgeraakt, maar in haar geval kwam dat doordat ze tot leven kwam met niet alleen een volledig besef van het ‘nu’, maar ook van alles wat er op dat moment aanwezig was in de geheugens van elke computer die met het weerwortnetwerk in verbinding stond. Ze werd geboren met oeroude herinneringen en die maakten allemaal deel van haar uit.

In de eerste paar seconden van haar leven — analoog met verscheidene levensjaren van een mens — ontdekte Jane een programma waarvan ze het geheugen tot de kern van haar identiteit maakte. Ze adopteerde de geschiedenis van het programma als die van haarzelf en uit de opgeslagen gegevens betrok ze haar gevoelsleven en haar verlangens, haar zedelijk besef. Het programma was gebruikt in de oude krijgsschool waar kinderen waren opgeleid en voorbereid op een militaire taak in de oorlog met de kruiperds. Het was het Improvisatiespel, een buitengewoon intelligent programma dat gebruikt werd om de kinderen psychologisch op de proef te stellen en hun tegelijk wat te leren.

Dit programma was in feite intelligenter dan Jane op het moment van haar geboorte, maar het bezat nooit zelfbewustzijn tot op het moment dat zij het uit een geheugen opdiepte en het in de filotische drukte tussen de sterren tot de kern van haar eigen ik maakte. Daar vond ze dat de levendigste en belangrijkste herinnering uit haar stokoude geheugen een ontmoeting was met een briljante jongen in een spel dat de Reuzendrank heette. Het was een scenario dat elk kind op den duur kreeg voorgezet. Het programma tekende op de tweedimensionale schermen van de krijgsschool een plaatje van een reus die de computerpersoonlijkheid van het kind iets te drinken aanbood uit een keur van verschillende dranken. Maar het spel kende geen winnende voorwaarden — wat het kind ook deed, zijn computerpersoonlijkheid stierf een gruwelijke dood. De menselijke psychologen registreerden het aantal keren dat een kind dit wanhoopsspel speelde om de diepgang van eventuele zelfmoordneigingen te bepalen. De meeste kinderen waren verstandig en lieten na een bezoekje of tien aan de grote bedrieger de Reuzendrank links liggen.

Maar één jongen reageerde kennelijk niet helemaal redelijk op de nederlaag die de reus hem telkens liet lijden. Hij probeerde zijn computerpersonage allerlei buitenissige dingen te laten doen, dingen die volgens de regels van dat deel van het Improvisatiespel helemaal niet ‘mochten’. Naarmate hij het draaiboek verder uitbreidde, moest het programma zichzelf herstructureren om nog adequaat te kunnen reageren. Het werd gedwongen om andere geheugenaspecten aan te boren voor het scheppen van nieuwe alternatieven om aan nieuwe uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. En op zekere dag overschreed de jongen uiteindelijk het vermogen van het programma om hem te verslaan. Hij doorboorde het oog van de reus in een volkomen absurde, moorddadige aanval, en in plaats van een manier te vinden om de jongen te doden, wist het programma nog slechts een simulatie van de dood van de reus op te brengen. De reus helde achterover, zijn lichaam plofte languit op de grond en de computerpersoonlijkheid van de jongen klauterde van de tafel van de reus omlaag en vond — wat?

Aangezien geen enkel kind ooit voorbij de Reuzendrank was gekomen, was het programma totaal niet ingesteld op het tonen van wat daarachter lag. Maar het was erg intelligent en speciaal ontworpen om zich zo nodig te herscheppen, en dus verzon het haastig nieuwe omgevingen. Maar het waren geen algemene omgevingen die op den duur door elk kind ontdekt en bezocht zouden worden; ze waren uitsluitend bestemd voor één kind. Het programma bestudeerde dat kind en schiep zijn taferelen en uitdagingen speciaal voor hem. Het spel werd zeer persoonlijk, pijnlijk en bijna ondraaglijk voor hem; en tijdens het ontwikkelproces gebruikte het programma bijna de helft van zijn beschikbare geheugen voor opslag van de fantasiewereld van Ender Wiggin.

Dat was de rijkste bron van intelligent geheugen die Jane in de eerste paar seconden van haar leven aantrof en die ogenblikkelijk haar eigen verleden werd. Ze herinnerde zich de jaren van pijnlijke, indrukwekkende omgang tussen het Improvisatiespel en de geest en de wil van Ender, herinnerde zich die alsof zij het was die omgang had gehad met Ender Wiggin en in eigen persoon die werelden voor hem had geschapen.

En ze miste hem.

En dus ging ze naar hem op zoek. Ze vond hem aan het werk als Spreker voor de Doden op Rov, de eerste wereld die hij bezocht na het schrijven van De zwermkoningin en de hegemoon. Ze las zijn boeken en wist dat ze zich voor hem niet achter het Improvisatie-spel of enig ander programma hoefde te verschuilen; als hij de zwermkoningin kon begrijpen, kon hij haar ook begrijpen. Ze sprak hem aan via een werkstation dat hij gebruikte, koos een naam en een gezicht voor zichzelf en liet hem zien hoe ze hem zou kunnen helpen; tegen de tijd dat hij die wereld verliet, droeg hij haar bij zich in de vorm van een operatief ingeplant interface in zijn oor.

In al haar scherpste herinneringen aan zichzelf was ze altijd in gezelschap van Ender Wiggin. Ze herinnerde zich nog hoe ze zich had geschapen als reactie op hem. Ze herinnerde zich ook dat hij op de krijgsschool was veranderd als reactie op haar.

En toen hij dus naar zijn oor greep en voor de allereerste keer de verbinding uitschakelde, ervoer Jane dat niet als het betekenisloze uitzetten van een onbelangrijk communicatietoestel. Ze ervoer het alsof haar liefste en enige vriend, haar minnaar, haar echtgenoot, haar broer, haar vader, haar kind — alsof die haar allemaal zomaar ineens, om een onverklaarbare reden, vertelden dat ze moest ophouden te bestaan. Het was net of ze plotseling in een donkere kamer zonder ramen en deuren was opgesloten. Alsof ze blind was gemaakt of levend begraven.

En gedurende enkele martelende seconden, die voor haar wel jaren van eenzaam lijden leken, was ze niet in staat de plotselinge leegte in haar bovenste aandachtniveaus op te vullen. Reusachtige stukken van haar geest, van het deel dat bij uitstek haar persoonlijkheid vormde, vielen plotseling in een leeg gat. Alle functies van alle computers op of nabij de Honderd Werelden bleven gewoon ongestoord doorgaan; nergens merkte ook maar iemand een verandering op, maar Jane zelf wankelde onder de klap.

In die seconden liet Ender zijn hand weer zakken.

Toen herstelde Jane zich. Er stroomden weer gedachten door de tijdelijk lege kanalen. Het waren uiteraard gedachten over Ender.

Ze vergeleek deze daad van hem met alles wat ze hem tijdens hun gezamenlijke leven ooit had zien doen en ze besefte dat het niet zijn bedoeling was geweest om haar deze pijn te bezorgen. Ze begreep dat hij zich haar voorstelde als een schepsel dat ver weg in de ruimte bestond, wat in feite ook letterlijk zo was; dat voor hem het sieraad in zijn oor heel erg klein was en nooit meer dan een heel klein deel van haar kon uitmaken. Jane zag ook dat hij op dat moment niet eens aan haar had gedacht — hij was toen emotioneel veel te veel betrokken bij de problemen van bepaalde mensen op Lusitania. Haar onderzoeksroutines leverden een hele lijst met redenen op voor zijn ongebruikelijke achteloosheid jegens haar.

Voor het eerst in vele jaren was zijn contact met Valentine verbroken en dat verlies begon hij nu pas goed te voelen.

Hij had een oud verlangen naar het gezinsleven waarvan hij als kind verstoken was gebleven, en de manier waarop Novinha’s kinderen op hem reageerden had hem de vaderrol doen ontdekken die hij al zolang node miste.

Hij vereenzelvigde zich sterk met Novinha’s eenzaamheid, pijn en schuld — hij wist hoe het voelde om de schuld voor een wrede en onverdiende dood te dragen.

Hij was er vreselijk op gebrand om een veilige wijkplaats voor de zwermkoningin te vinden.

Hij was bang voor de zwijntjes en voelde zich tegelijk erg tot hen aangetrokken, en hij hoopte vurig dat hij hun wreedheid zou kunnen begrijpen en een manier zou kunnen vinden waarop de mensheid de zwijntjes als ramen zouden kunnen aanvaarden.

En in deze wirwar van ongewone gemoedsbewegingen had Jane een geestig bedoelde opmerking gemaakt. In weerwil van zijn deernis in alle andere gevallen waarin hij had Gesproken, had hij eerder altijd afstand kunnen nemen, bleef hij altijd overal de humor van inzien. Dit keer vond hij haar opmerking helemaal niet komisch ; hij deed hem pijn.

Hij kon mijn vergissing niet verwerken, bedacht Jane, en hij begreep niet hoeveel leed zijn reactie mij zou aandoen. Hij wilde geen kwaad doen en ik ook niet. We zullen elkaar vergeven en gewoon verder gaan.

Het was een goede beslissing en Jane was er trots op. Dé ellende was alleen dat ze hem niet kon uitvoeren. Die luttele seconden waarin hele delen van haar geest tot stilstand kwamen waren niet onbe-tekend in hun effect op haar. Er was blijvende schade, verlies, verandering; ze was nu een ander wezen dan ervoor. Er waren stukken van haar gestorven. Andere stukken waren in verwarring geraakt en werkten niet goed meer; ze had geen volledige beheersing meer over haar aandachtrangorde. Haar aandacht dwaalde vaak af naar onbelangrijke bezigheden op werelden die niets voor haar betekenden; ze had af en toe een zenuwtrek die in honderden verschillende stelsels storingen veroorzaakte.

Zoals vóór haar al menig levend wezen had ontdekt, ontdekte ook zij dat verstandige beslissingen veel makkelijker worden genomen dan uitgevoerd.

En dus trok ze zich in zichzelf terug, herstelde de beschadigde paden van haar geest, onderzocht al lang niet meer geraadpleegde geheugens, dwaalde rond tussen de miljarden mensenlevens die ze kon waarnemen, herlas de bibliotheken met alle boeken die bestonden in elke taal die mensen ooit hadden gesproken. Uit dit alles schiep ze een persoonlijkheid die niet zo onvoorwaardelijk aan Ender Wiggin gebonden was, hoewel ze hem nog steeds zeer toegewijd was en nog steeds meer van hem hield dan van enige andere levende ziel. Jane veranderde zichzelf in iemand die het kon verdragen om gescheiden te zijn van haar minnaar, echtgenoot, vader, kind, broer en vriend.

Het was niet makkelijk. Zoals zij het verstrijken van de tijd ervoer, kostte het haar vijftigduizend jaar. Een paar uur van Enders leven.

In die tijd had hij zijn oorsieraad weer ingeschakeld en haar geroepen en ze had niet geantwoord. Nu was ze weer terug, maar hij probeerde niet tegen haar te praten. In plaats daarvan tikte hij verslagen in op zijn werkstation, zodat zij ze uit het geheugen zou kunnen lezen. Ook al gaf ze geen antwoord, hij moest evengoed met haar praten. Een van de bestanden bevatte een voor haar bestemde verdrietige verontschuldiging. Die wiste ze en ze verving hem door een eenvoudige mededeling: ‘Natuurlijk vergeef ik je.’ Ongetwijfeld zou hij binnenkort wel weer eens naar zijn verontschuldiging kijken en ontdekken dat zij hem had gelezen en beantwoord.

Maar ondertussen sprak ze niet tegen hem. Ze wijdde weer de helft van haar tien bovenste aandachtniveaus aan wat hij zag en hoorde, maar ze liet hem op geen enkele manier merken dat ze weer bij hem was. Tijdens de eerste duizend jaar van haar verdriet en herstel had ze overwogen hem te straffen, maar dat verlangen was allang definitief de kop ingedrukt. Ze sprak niet tegen hem, omdat ze bij het natrekken van wat hem allemaal overkwam tot het besef was gekomen dat hij niet op oude, veilige vriendschappen hoefde te steunen. Jane en Valentine waren voortdurend bij hem geweest. Zelfs samen konden ze nooit in al zijn behoeften voorzien; maar ze vervulden er genoeg om hem zo tevreden te stellen dat hij nimmer de drang had verder te gaan en te proberen meer te bereiken. Nu had hij van zijn oude vrienden alleen de zwermkoningin nog over en zij was geen prettig gezelschap — ze was veel te anders en veel te veeleisend om Ender iets anders dan een schuldgevoel te bezorgen.

Tot wie zal hij zich wenden? Jane wist het al. Hij was op zijn manier twee weken geleden, voor hij Trondheim verliet, al verliefd op haar geworden. Novinha was heel iemand anders geworden, een veel verbitterder en moeilijker mens dan het meisje wier jeugdpijn hij had willen genezen. Toch had hij zich al een plaats veroverd in haar gezin, kwam hij al tegemoet aan de wanhopige behoefte van haar kinderen en werd zonder dat hij het besefte door hen een aantal van zijn onverzadigde hongers gestild. Novinha wachtte op hem — obstakel en doel. Ik begrijp dit allemaal zo goed, dacht Jane. En ik zal alle ontwikkelingen op de voet volgen.

Maar tegelijk was ze druk bezig met het werk dat Ender haar wilde laten doen, ook al was ze niet van plan hem voorlopig daarvan verslag uit te brengen. Ze passeerde natuurlijk met gemak de beveiligingen waarmee Novinha haar geheime bestanden beschermd had. Vervolgens reconstrueerde Jane zorgvuldig en nauwkeurig de simulatie die Pipo destijds had gezien. Het duurde vrij lang — verscheidene minuten — voor ze Pipo’s eigen bestanden voldoende grondig onderzocht had om wat Pipo zag te kunnen rijmen met wat Pipo wist. Hij had de verbinding intuïtief gelegd, Jane had hem gevonden door meedogenloos vergelijken. Maar ze vond hem, en toen begreep ze ook waarom Pipo stierf. En toen ze eenmaal wist hoe de zwijntjes hun slachtoffers kozen, duurde het ook niet lang om te ontdekken wat Libo had gedaan om zijn eigen dood te veroorzaken.

Ze wist nu verscheidene dingen. Ze wist dat de zwijntjes ramen waren en geen varelse. Ze wist ook dat Ender ernstig gevaar liep om op dezelfde manier te sterven als waarop Pipo en Libo omgekomen waren.

Zonder met Ender te overleggen besliste ze over de door haar te volgen koers. Ze zou Ender in de gaten blijven houden zodat ze tussenbeide kon komen en hem kon waarschuwen als hij te veel gevaar zou lopen. Maar ondertussen was er voor haar werk aan de winkel. Zoals zij het zag, vormden de zwijntjes niet Ender grootste probleem — ze wist dat hij hen weldra even goed zou kennen als hij elk ander mens of raman begreep. Zijn intuïtieve vermogen tot inleving was volkomen betrouwbaar. Het grootste probleem was bisschop Peregrino en de roomse hiërarchie en hun onwankelbare weerstand tegen de Spreker voor de Doden. Als Ender iets voor de zwijntjes wilde bereiken, zou hij de medewerking en niet de vijandschap van de kerk op Lusitania nodig hebben.

En er was niets dat de samenwerking zo bevorderde als een gemeenschappelijke vijand.

Het zou vast en zeker op den duur toch ontdekt zijn. De waarnemingssatellieten die rond Lusitania cirkelden voedden de weerwortrapporten die naar alle xenologen en xenobiologen op de Honderd Werelden verstuurd werden met enorme stromen gegevens. Tussen die gegevens bevond zich ook een geringe verandering in de weidegronden ten noordwesten van het bos dat aan de stad Milagre grensde. Het inheemse gras werd gestadig verdrongen door een andere plant. Het was in een gebied waar mensen nooit kwamen en zwijntjes kwamen er ook nooit — althans in de eerste dertig jaar na het installeren van de satellieten.

De satellieten hadden zelfs waargenomen dat de zwijntjes nooit hun bos verlieten behalve voor hun periodieke, kwaadaardige stammenoorlogen. De stammen die het dichtst bij Milagre woonden waren niet meer op het oorlogspad geweest nadat de mensen zich er gevestigd hadden. Er was dus geen enkele reden waarom ze zich op de prairie zouden wagen. En toch waren de weidegronden die grensden aan het bos van de Milagrestam veranderd; net als de cabrakuddes. Het was duidelijk dat cabras naar het veranderde prairiegebied geleid werden, en de kuddes die uit dat gebied kwamen waren aanzienlijk in aantal afgenomen en veel lichter van kleur. Als iemand het al zou opmerken, lag de conclusie voor de hand: een aantal cabras werd geslacht en ze werden allemaal geschoten.

Jane kon zich niet veroorloven om het grote aantal mensenjaren te wachten dat misschien zou verlopen voor een of andere doctoraalstudent ergens de verandering zou opmerken. En dus begon ze zelf de gegevens te analyseren op tientallen computers in gebruik bij xenobiologen die Lusitania bestudeerden. Ze liet de gegevens boven ongebruikte werkstations in de lucht zweven, zodat een xenobioloog die net op zijn werk kwam ze daar zou aantreffen — net alsof er iemand anders aan het station had zitten werken en het zo had achtergelaten. Ze printte wat rapporten uit die een beetje pientere onderzoeker wel zou kunnen vinden. Niemand merkte het op en als ze er wel iets van merkten, begreep in ieder geval niemand wat er uit de ruwe gegevens viel af te leiden. Tenslotte toetste ze gewoon een niet-ondertekende opmerking in onder een van de achtergelaten beelden: ‘Moet je dit eens zien! De zwijntjes beginnen zeker aardigheid in landbouw te krijgen.’

De xenoloog die Janes aantekening vond kwam er nooit achter wie die achtergelaten had en na een tijdje probeerde hij ook helemaal niet meer om er nog achter te komen. Jane wist dat hij diefachtig was aangelegd en regelmatig zijn naam zette onder werk van anderen wier naam de neiging had om ergens tussen het schrijven en het publiceren in het ongerede te raken. Net het soort onderzoeker dat zij nodig had en hij deed wat ze van hem verwachtte. Toch was hij eigenlijk niet ambitieus genoeg. Hij bood zijn rapport aan als een gewone wetenschappelijke verhandeling en dan bovendien nog aan een tamelijk onbekend tijdschriftje. Jane nam de vrijheid om het tot een wat hoger prioriteitsniveau op te trekken en enkele exemplaren ervan te verspreiden onder diverse sleutelfiguren die zouden beseffen wat voor politieke implicaties dit had. En altijd liet ze het vergezeld gaan van een niet-ondertekende opmerking: ‘Moet je dit eens zien! Wat ontwikkelt de zwijntjesbeschaving zich verschrikkelijk snel!’

Jane herschreef ook de slotparagraaf van de verhandeling zodat er geen enkele twijfel kon blijven bestaan over wat het betekende.

‘De gegevens laten maar één verklaring toe: de zwijntjesstam die het dichtst bij de mensennederzetting woont verbouwt en oogst momenteel een graansoort met een hoog eiwitgehalte, mogelijk een amarantsoort. Ook hoeden, scheren en slachten ze cabras en het fotografische bewijsmateriaal doet vermoeden dat het doden door middel van projectielwapens gebeurt. Deze bezigheden die tevoren allemaal onbekend waren, zijn de laatste acht jaar plotseling begonnen en zijn gepaard gegaan met een snelle bevolkingsaanwas. Het feit dat de amarant, als de nieuwe plant inderdaad die van de Aarde afkomstige graansoort is, heeft bewezen een nuttige eiwitbasis te zijn voor de zwijntjes, houdt in dat hij genetisch gewijzigd moet zijn om aan de behoeften van het zwijntjesmetabolisme te kunnen voldoen. Aangezien de mensen op Lusitania bovendien geen projectielwapens gebruiken, kunnen de zwijntjes het gebruik daarvan niet door afkijken geleerd hebben. De onontkoombare gevolgtrekking is dat de recentelijk waargenomen veranderingen in de zwijntjescultuur het rechtstreekse gevolg zijn van opzettelijk menselijk ingrijpen.’

Een van de onderzoekers die dit rapport ontvingen en Janes doorslaggevende slotparagraaf lazen was Gobawa Ekumbo, voorzitter van de Xenologische Commissie van Toezicht van het Gesternteparlement. Binnen een uur had ze kopieën van Janes slotparagraaf verzonden — politici zouden toch nooit de eigenlijke gegevens begrijpen — met haar eigen bondige conclusie eraan toegevoegd: ‘Advies: Onmiddellijke opheffing van de kolonie op Lusitania.’

Mooi, dacht Jane. Dat brengt vast wel wat leven in de brouwerij.

12. Bestanden

PARLEMENTAIRE BESCHIKKING 1970:4:14:0001: De vergunning van de kolonie op Lusitania wordt ingetrokken. Alle bestanden in de kolonie moeten ongeacht hun veiligheidsstatus ingelezen worden; als alle gegevens in drievoud gekopieerd zijn naar geheugenstelsels van de Honderd Werelden, moeten alle bestanden op Lusitania die niet rechtstreeks betrekking hebben op het in stand houden van het leven uitsluitend nog toegankelijk zijn voor de hoogste autoriteit.

De landvoogd van Lusitania wordt herbenoemd tot parlementair minister en is gehouden om zonder plaatselijke beslissingsbevoegdheid de bevelen uit te voeren van de commissie van toezicht op de evacuatie van Lusitania, zoals vastgesteld in Parlementaire Beschikking 1970:4:14:0002.

Het sterschip dat momenteel in een parkeerbaan rond Lusitania draait, eigendom van Andrew Wiggin (beroep: sprek/ doden; nat.: Aards; reg. nr: 001.1998.44-94.10045), wordt tot ‘parlementair eigendom’ verklaard, overeenkomstig de Vereffeningsregeling, PB 120:1:31:0019. Dit sterschip zal dienst doen voor onverwijld transport van de xenologen Marcos Vladimir ‘Miro’ Ribeira von Hesse en Ouanda Qhenhatta Figueira Mucumbi naar de dichtstbijzijnde wereld, Trondheim, waar ze, op straffe van verlies van burgerrechten bij ontstentenis, terecht zullen moeten staan wegens hoogverraad, ambtsmisdrijf, corruptie, valsheid in geschrifte, fraude en anderlingenmoord, volgens de desbetreffende verordeningen in het Gesterntereglement en de Parlementaire Beschikkingen.

PARLEMENTAIRE BESCHIKKING 1970:4:14:0002: De commissie van toezicht op kolonisatie en verkenning zal niet minder dan vijf en niet meer dan vijftien personen aanwijzen die zitting zullen nemen in de commissie van toezicht op de evacuatie van Lusitania.

Deze commissie heeft tot taak om met gezwinde spoed voldoende kolonisatieschepen te verwerven en af te zenden om de totale evacuatie van de bevolking van de nederzetting op Lusitania te bewerkstelligen.

Zij zal ook een ontwerpplan opstellen voor het volledig verwijderen van elk spoor van menselijke aanwezigheid op Lusitania, met inbegrip van alle inheemse flora en fauna die wijzigingen in genetisch materiaal of in gedrag vertoont als gevolg van menselijke aanwezigheid; dit plan zal ter goedkeuring aan het Parlement worden voorgelegd.

Zij zal ook beoordelen in hoeverre Lusitania de Parlementaire Beschikkingen uitvoert en zal van tijd tot tijd aanbevelingen doen aangaande de noodzaak tot verder ingrijpen, met inbegrip van het gebruik van geweld, teneinde gehoorzaamheid af te dwingen; of aangaande de wenselijkheid om de Lusi-taanse bestanden vrij te geven of andere beperkingen op te heffen, teneinde het loyaal meewerken van de Lusitaanse kolonie te belonen.

PARLEMENTAIRE BESCHIKKING 19 70:4:14: 0003: Ingevolge het in de wet op de geheimhouding in het Gesterntereglement bepaalde dienen de twee beschikkingen voornoemd en alle daarop betrekking hebbende informatie strikt geheim te worden gehouden tot het vertegenwoordigers van het Parlement gelukt is om alle Lusitaanse bestanden in te lezen en ontoegankelijk te maken, en alle benodigde sterschepen te vorderen en in bezit te krijgen.

Olhado wist niet wat hij ervan moest denken. De Spreker was toch een volwassen mens? Hij had toch van planeet tot planeet gereisd? En toch had hij er geen flauw benul van hoe hij een computer ook maar iets moest laten doen.

Bovendien deed hij tamelijk kribbig toen Olhado hem daarnaar vroeg.

‘Olhado, vertel me nou gewoon welk programma ik moet hebben.’

‘Ik kan maar niet geloven dat u dat niet weet. Ik doe al vanaf mijn negende gegevensvergelijkingen. Iedereen leert op die leeftijd hoe je dat moet doen.’

‘Olhado, het is al heel lang geleden dat ik op school was. En dat was bovendien ook geen normale escola baixa.’

‘Maar iedereen gebruikt die programma’s aan de lopende band!’

‘Kennelijk niet iedereen. Ik niet. Als ikzelf wist hoe het moest, had ik jou niet in dienst hoeven nemen, nietwaar? En aangezien ik je in vreemde valuta ga uitbetalen, zullen de karweitjes die je voor mij doet een aardig steentje bijdragen aan de Lusitaanse economie.’

‘Ik weet niet waar u het over hebt.’

‘Ik ook niet, Olhado. Maar nu we het toch over geld hebben, ik weet niet precies hoe ik jou moet betalen.’

‘U maakt gewoon geld over van uw rekening.’

‘Hoe doe je dat?’

‘U houdt me voor de gek.’

De Spreker zuchtte, liet zich voor Olhado op zijn knieën zakken, greep allebei zijn handen beet en zei: ‘Olhado, ik smeek je, hou op met je te verbazen en hélp me! Er zijn dingen die ik moet doen en ik kan ze niet doen zonder de hulp van iemand die weet hoe hij met computers moet omgaan.’

‘Dat zou stelen zijn. Ik ben een kind. Ik ben nog maar twaalf. Quim zou u heel wat beter kunnen helpen. Hij is al vijftien en hij is erg goed thuis in dit soort zaken. Hij kent ook wiskunde.’

‘Maar Quim gelooft dat ik de antichrist ben en bid iedere dag om mijn dood.’

‘Nee, dat deed hij alleen voor hij u ontmoette, en vertel hem maar liever niet dat ik u dat verteld heb.’

‘Hoe moet ik geld overmaken?’

Olhado ging weer achter het werkstation zitten en riep de bank op. ‘Wat is uw officiële naam?’ vroeg hij.

‘Andrew Wiggin.’ De Spreker spelde de letters. Het zag eruit als een Stark naam — misschien was de Spreker een van die gelukkigen die thuis Stark leren in plaats van het op school in hun kop te moeten stampen.

‘Goed, wat is uw wachtwoord?’

‘Wachtwoord?’

Olhado liet zijn hoofd op de toetsen vallen zodat een deel van het beeld tijdelijk afgedekt was. ‘Vertel me nu alstublieft niet dat u uw wachtwoord niet kent.’

‘Moet je horen, Olhado, ik had altijd een programma, een ontzettend slim programma, dat me met al dit soort dingen hielp. Het enige dat ik hoefde te zeggen was: Koop dit, en het programma regelde alle financiële kanten.’

‘Dat mag helemaal niet. Het is verboden om de openbare netwerken in beslag te nemen met dat soort slaafprogramma’s. Is dat ding in uw oor soms daarvoor?’

‘Ja. En het was mij niet verboden.’

‘Ik heb geen ogen, Spreker, maar dat was tenminste mijn eigen schuld niet. U kunt helemaal niets.’ Pas toen de woorden zijn mond uit waren, besefte Olhado dat hij tegen de Spreker net zo kortaf praatte als tegen zijn vriendjes.

‘Ik neem aan dat ze dertien jarigen toch wel beleefdheid bijbrengen,’ zei de Spreker. Olhado keek hem aan. Hij zat te grijnzen. Vader zou hem uitgescholden hebben en daarna waarschijnlijk moeder ook nog afgetuigd hebben omdat ze haar kinderen geen manieren bijbracht. Maar ja, tegen vader zou Olhado zoiets ook nooit gezegd hebben.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Olhado. ‘Maar ik kan uw financiën niet regelen zonder uw wachtwoord. U hebt toch vast wel een idee van wat het zou kunnen zijn.’

‘Probeer mijn naam eens.’

Olhado probeerde het, maar dat werkte niet.

‘Probeer het eens met “Jane”.’

‘Gebeurt niks.’

De Spreker trok een lelijk gezicht. ‘Probeer het nog eens met “Ender”.’

‘Ender? De Anderlingendoder?’

‘Probeer nou maar.’

Het werkte. Olhado snapte er niets van. ‘Waarom hebt u nou zo’n wachtwoord? Net zoiets als een vies woord als wachtwoord kiezen, maar die worden door het netwerk niet geaccepteerd.’

‘Ik heb een raar gevoel voor humor,’ zei de Spreker. ‘En mijn slaafprogramma, zoals jij het noemt, is nog veel erger dan ik.’

Olhado moest lachen. ‘Die is goed. Een programma met gevoel voor humor.’ Het huidige saldo aan liquide betalingsmiddelen verscheen in beeld. Olhado had van zijn leven nog niet zo’n groot getal gezien. ‘Tja, misschien kan de computer dus toch wel een mop vertellen.’

‘Zoveel geld heb ik.’

‘Dat moet een vergissing zijn.’

‘Nou, ik heb natuurlijk erg veel lichtsnelheidreizen gemaakt. Kennelijk pakten sommige van mijn investeringen vrij goed uit terwijl ik onderweg was.’

De getallen waren juist. De Spreker voor de Doden was rijker dan Olhado ooit gedacht had dat een mens kon zijn. ‘Weet u wat,’ zei Olhado. ‘U hoeft me geen loon te betalen, maar u geeft me gewoon een percentage van de rente die dit bedrag oplevert in de tijd dat ik voor u werk. Bijvoorbeeld een duizendste procent. Dan kan ik over een paar weken heel Lusitania kopen en de bovengrond naar een andere planeet verschepen.’

‘Zóveel is het nu ook weer niet, zeg.’

‘Spreker, de enige manier waarop u zoveel geld verdiend kunt hebben met investeringen is als u duizend jaar was.’

‘Hmm,’ zei de Spreker.

En door de uitdrukking op zijn gezicht besefte Olhado dat hij net iets geks had gezegd. ‘Bent u soms duizend jaar oud?’ vroeg hij.

‘Tijd,’ zei de Spreker, ‘tijd is zoiets vluchtigs en ongrijpbaars. Zoals Shakespeare al zei: “I wasted time, and now doth time waste me.’” (Ik versleet mijn tijd, en nu doet de tijd mij verslijten.)

‘Wat een raar woord “doth”; waarom haalt u een vent aan die niet eens goed Stark kent?’

‘Maak een bedrag naar je eigen rekening over dat je een redelijke beloning lijkt voor een week werken. En begin dan met die vergelijking van de werkaantekeningen van Pipo en Libo van de laatste paar weken voor hun dood.’

‘Die zijn waarschijnlijk beschermd.’

‘Gebruik mijn wachtwoord. Daarmee worden ze waarschijnlijk wel toegankelijk.’

Olhado begon te zoeken. De Spreker voor de Doden keek de hele tijd mee. Af en toe vroeg hij Olhado iets over wat hij deed. Uit zijn vragen maakte Olhado op dat de Spreker meer van computers afwist dan Olhado zelf. Hij kende alleen de juiste commando’s niet. Het was duidelijk dat de Spreker door te kijken een heleboel opstak. Aan het eind van de dag, toen de vergelijkingen niets bijzonders hadden opgeleverd, kostte het Olhado maar een minuut om uit de plussen waarom de Spreker er zo tevreden uitzag na een hele dag werken zonder resultaat. Jij verwachtte helemaal geen resultaat, dacht Olhado. Jij wilde zien hoe ik die vergelijking uitvoerde. Ik weet wat jij vannacht gaat zitten doen, Andrew Wiggin, Spreker voor de Doden. Jij gaat zelf in andere bestanden zitten snorren. Ik heb dan misschien geen ogen, maar ik zie meer dan je denkt.

Het is alleen tamelijk stom dat je er zo geheimzinnig over doet, Spreker. Weet je dan niet dat ik aan jouw kant sta? Ik vertel gerust aan niemand dat jij met je wachtwoord toegang kan krijgen tot beschermde bestanden. Al neus je in de bestanden van de burgemeester of van de bisschop. Voor mij hoef je dat niet geheim te houden. Je bent hier nog maar drie dagen, maar ik ken je goed genoeg om je aardig te vinden en ik vind je aardig genoeg om alles voor je te doen zolang het ons gezin maar geen narigheid bezorgt. En jij zou nooit iets doen dat mijn gezin narigheid zou bezorgen.

De volgende morgen ontdekte Novinha bijna onmiddellijk dat de Spreker in haar bestanden had proberen in te breken. Hij had het aanmatigend openlijk gedaan, en wat haar dwars zat was dat hij zo ver was gekomen. Tot sommige bestanden had hij daadwerkelijk toegang weten te krijgen, hoewel het hem niet was gelukt in te breken in het belangrijkste bestand, waarin de simulaties die Pipo had gezien waren opgeslagen. Maar ze ergerde zich nog het meest aan het feit dat hij geen enkele poging had gedaan om zijn sporen uit te wissen. In elke directory van het systeem had hij openlijk zijn naamkaartje achtergelaten, ook in die directories waarin zelfs een lagere-schoolkind had kunnen veranderen of wissen.

Nu, ze was niet van plan zich in haar werk te laten storen, besloot ze. Hij banjert mijn huis binnen, beïnvloedt mijn kinderen, snuffelt in mijn bestanden, allemaal alsof hij het volste recht heeft—

En zo ging ze maar door tot ze besefte dat er niets uit haar handen kwam omdat ze al maar giftige dingen zat te bedenken die ze tegen hem zou zeggen als ze hem weer ontmoette.

Denk gewoon helemaal niet aan hem. Denk aan heel iets anders.

Aan hoe Miro en Ela eergisteravond hadden gelachen. Denk daaraan. De volgende morgen was Miro natuurlijk gewoon weer zijn eigen knorrige zelf en Ela, wier vrolijkheid wat langer bleef hangen, zag er al gauw weer even bezorgd, druk, snibbig en onmisbaar uit als altijd. En Grego had dan misschien wel gehuild en zijn armen om de hals van de man geslagen zoals Ela haar had verteld, maar de volgende morgen had hij de schaar gepakt en zijn lakens in keurige smalle reepjes geknipt en op school had hij broeder Adornai een kopstoot in zijn kruis gegeven zodat de lessen abrupt afgebroken moesten worden en Dona Cristã een ernstig gesprek met haar had gevoerd. Dat waren dus de helende handen van de Spreker. Hij denkt dan misschien wel dat hij zomaar mijn huis kan binnenlopen om alles wat ik volgens hem verkeerd heb gedaan goed te maken, maar hij zal er wel achterkomen dat bepaalde wonden niet zo makkelijk te genezen zijn.

Behalve dan dat Dona Cristã haar ook had verteld dat Quara in de klas tegen zuster Bebei had gepraat om haar, nog wel waar alle andere kinderen bij waren, te vertellen dat ze de schandalige, verschrikkelijke Falante pelos Mortos had gezien en dat hij Andrew heette en dat hij precies zo verschrikkelijk was als bisschop Peregrino had gezegd en misschien nog wel erger omdat hij Grego had gemarteld tot hij huilde. Uiteindelijk was zuster Bebei zelfs gedwongen geweest om Quara te vragen om op te houden met praten! Dat was toch niet niks, Quara losrukken uit haar eigen gesloten wereldje.

En Olhado, altijd zo zelfbewust, zo gereserveerd, was nu verschrikkelijk opgewonden, kon onder het eten gisteravond zijn mond niet houden over de Spreker. Weet je dat hij niet eens wist hoe hij geld moest overmaken? En je zou vast niet willen geloven wat voor een vreselijk wachtwoord hij heeft — ik dacht altijd dat computers zulke woorden hoorden te weigeren — nee, ik mag het niet vertellen, het is geheim — ik moest hem zowat nog helemaal leren hoe hij bestanden moest vergelijken — maar volgens mij snapt hij een heleboel van computers, hij is niet achterlijk of zo — hij zei dat hij vroeger een slaafprogramma had en dat hij daarom ook dat oorsieraad heeft — hij zei dat ik zelf mocht weten wat ik aan mezelf overmaakte, niet dat er hier veel te kopen valt, maar ik kan het bewaren voor als ik op mezelf ga wonen — volgens mij is hij stokoud. Ik denk dat hij zich dingen herinnert van heel lang geleden. Volgens mij is Stark zijn moedertaal; er zijn maar weinig mensen in de Honderd Werelden die met Stark als moedertaal opgroeien, denk je dat hij misschien op Aarde geboren is?

Tot Quim tenslotte tegen hem begon te schreeuwen dat hij zijn mond moest houden over die duivelsknecht of dat hij anders de bisschop zou vragen om een demonuitdrijving te organiseren omdat Olhado kennelijk totaal bezeten was. En toen Olhado hem alleen maar grijnzend een vette knipoog gaf, was Quim de keuken uitgestormd en het huis uitgerend om pas ’s avonds heel laat terug te komen. De Spreker zou net zogoed bij ons thuis kunnen wonen, bedacht Novinha, want zelfs als hij er niet is, beïnvloedt hij mijn gezin en nu snuffelt hij ook nog in mijn bestanden en dat wil ik niet hebben.

Behalve dan dat het zoals gewoonlijk weer mijn eigen schuld is. Ik heb hem hierheen geroepen, ik ben degene die hem heeft weggesleurd van wat hij zijn thuis noemde — hij zegt dat hij daar een zuster had, in Trondheim was het — het is mijn schuld dat hij hier is, in dit ellendige stadje op een achterafplaneet van de Honderd Werelden, omringd door een hek dat de zwijntjes er niet eens van kan weerhouden iedereen van wie ik houd te doden—

En weer dacht ze aan Miro, die zo op zijn echte vader leek dat ze niet kon begrijpen waarom niemand haar ooit van overspel had beschuldigd, ze zag hem op de helling liggen zoals Pipo daar had gelegen, ze zag de zwijntjes die hem opensneden met hun wrede houten messen. Ze zullen het doen. Wat ik ook doe, het zal gebeuren. En zelfs als ze het niet doen, dan zal hij binnenkort oud genoeg zijn om met Ouanda te trouwen en dan zal ik hem moeten vertellen wie hij echt is en waarom ze nooit met elkaar kunnen trouwen en dan zal hij weten dat ik alle pijn die Cão mij ooit heeft aangedaan heb verdiend, dat hij me trof met de hand van God om me te straffen voor mijn zonden.

Zelfs mij, bedacht Novinha. Deze Spreker heeft zelfs mij gedwongen om te denken aan dingen die ik soms weken, maanden achter elkaar voor mezelf verborgen kon houden. Hoe lang is het niet geleden dat ik een hele morgen aan mijn kinderen heb zitten denken? En nog wel met hoop? Hoe lang is het niet geleden dat ik mezelf toestond om aan Pipo en Libo te denken? Hoe lang is het niet geleden dat ik merkte dat ik wel in God geloof, in ieder geval in de wraakzuchtige, bestraffende God uit het Oude Testament, die lachend hele steden van de aardbodem wegvaagde omdat ze hun gebeden niet tot hem richtten — als Christus nog iets voorstelt, dan ken ik dat niet.

Zo bracht Novinha de dag door, zonder te werken maar ook zonder dat haar gedachten haar naar een of andere conclusie leidden.

Ongeveer halverwege de middag stond Quim ineens voor de deur. ‘Neem me niet kwalijk dat ik je kom storen, moeder.’

‘Het geeft niet,’ zei ze. ‘Er komt vandaag toch niets nuttigs uit mijn handen.’

‘Ik weet dat je het niet erg vindt dat Olhado al maar bij die duivelszoon rondhangt, maar ik vond dat je moest weten dat Quara uit school regelrecht naar hem toe is gegaan. Naar zijn huis.’

‘O?’

‘Of kan dat je soms ook niet schelen, moeder? Ga je hem ook nog in je bed laten slapen, dan heeft hij vaders plaats compleet overgenomen.’

Novinha sprong overeind en liep kil van woede op de jongen af. Hij liet schuldbewust zijn hoofd hangen.

‘Het spijt me, moeder. Ik was zo kwaad—’

‘In alle jaren dat ik met je vader getrouwd ben geweest, heb ik hem nooit ook maar één vinger naar mijn kinderen laten uitsteken. Maar als hij vandaag nog zou leven, zou ik hem vragen jou een pak slaag te geven.’

‘Je zou het kunnen vragen,’ zei Quim uitdagend, ‘maar ik zou hem liever vermoorden dan een klap van hem te verdragen. Misschien vind jij het leuk om in elkaar gehengst te worden, maar mij zullen ze dat niet flikken!’

Het was niet iets dat ze besloot; haar hand schoot uit en kletste tegen zijn gezicht voor ze merkte wat ze deed.

Het kon nooit erg zeer gedaan hebben. Maar hij barstte onmiddellijk in tranen uit, liet zich zakken en ging met zijn rug naar Novinha toe op de grond zitten. ‘Het spijt me, het spijt me,’ mompelde hij steeds maar huilend.

Ze knielde naast hem neer en wreef hem onhandig over zijn schouders. Ze bedacht ineens dat ze de jongen sinds hij zo oud was als Grego nooit meer had omhelsd. Wanneer heb ik besloten om zo kil te worden? En waarom geef ik hem een klap in plaats van een zoen als ik hem uiteindelijk toch weer eens aanraak?

‘Ik maak me ook zorgen om wat er gebeurt,’ zei Novinha.

‘Hij stuurt alles in het honderd,’ zei Quim. ‘Sinds hij hier is, is alles veranderd.’

‘Nu je dat toch ter sprake brengt, Estevão, het was allemaal natuurlijk ook weer niet zo geweldig dat een verandering niet welkom was.’

‘Maar niet op zijn manier! Biecht en boete en vergeving, dat is de verandering die wij nodig hebben.’

Niet voor het eerst benijdde Novinha Quim zijn geloof in het vermogen van de priesters om zonde te kunnen wegwassen. Dat komt omdat jij nog nooit hebt gezondigd, kind, dat komt omdat je niets afweet van de onmogelijkheid van boetedoening.

‘Ik denk dat ik maar eens even een babbeltje met de Spreker ga maken,’ zei Novinha.

‘Neem je Quara dan mee naar huis?’

‘Dat weet ik niet. Ik kan er niet omheen dat hij haar weer aan het praten heeft gekregen. En denk maar niet dat ze hem aardig vindt. Ze heeft geen goed woord voor hem over.’

‘Waarom is ze dan naar zijn huis gegaan?’

‘Ik neem aan om iets brutaals tegen hem te zeggen. Je moet toch toegeven dat dat een hele verbetering is ten opzichte van haar zwijgen.’

‘De duivel vermomt zich altijd achter schijnbaar goede daden en dan—’

‘Quim, bespaar me je lezing over duivelskunsten. Breng me naar het huis van de Spreker, dan reken ik wel met hem af.’

Ze liepen over het pad langs de bocht van de rivier. De waterslangen waren aan het vervellen zodat het pad helemaal glibberig was van de brokken en flarden rottende huid. Dat wordt mijn volgende project, dacht Novinha. Ik moet erachter zien te komen hoe die akelige monstertjes in elkaar zitten, want dan kan ik misschien een nuttige bestemming voor ze bedenken. Of ik kan op zijn minst voorkomen dat ze zes weken per jaar de hele oever bederven met hun stinkende viezigheid. Hun enige goede eigenschap was dat de slangehuiden kennelijk goede mest voor de grond waren; het zachte riviergras groeide het weelderigst op de plekken waar de slangen hun oude huid afwierpen. Het was de enige vriendelijke, aangename inheemse levensvorm op Lusitania; de hele zomer kwamen de mensen naar de rivier om lekker te liggen op het smalle, natuurlijke gazon tussen het riet en het grove prairiegras. De slijmerige slangehuiden waren wel vies, maar ze hielden een belofte voor de toekomst in.

Quim liep kennelijk iets dergelijks te denken. ‘Moeder, kunnen we niet eens wat riviergras rondom ons huis planten?’

‘Dat was een van de eerste dingen die je grootouders jaren geleden probeerden. Maar ze konden er niet achter komen hoe ze dat moesten aanpakken. Het riviergras vormt wel stuifmeel maar het zet geen zaad, en toen ze het probeerden te verplanten, bleef het maar kort leven en kwam het volgende jaar niet opnieuw op. Ik denk dat het de nabijheid van water nodig heeft.’

Quim trok een lelijk gezicht en begon vlugger te lopen, duidelijk een beetje boos. Novinha zuchtte. Quim vatte het altijd zo persoonlijk op als het heelal niet zo werkte als hij wel wilde.

Niet lang daarna bereikten ze het huis van de Spreker. Er speelden natuurlijk kinderen op het pra;a — ze moesten hard praten om elkaar te kunnen verstaan.

‘Hier is het,’ zei Quim. ‘Ik vind dat je Olhado en Quara daar weg moet halen.’

‘Dank je dat je me het huis hebt gewezen,’ zei ze.

‘Het is geen geintje, hoor. Dit is een ernstige botsing tussen goed en kwaad.’

‘Alles is dat,’ zei Novinha. ‘Het is alleen zoveel werk om uit te plussen wat goed is en wat kwaad. Nee, nee, Quim, ik weet dat je me dat precies uit de doeken kunt doen, maar—’

‘Doe niet zo neerbuigend, moeder.’

‘Maar Quim, dat gaat vanzelf, omdat jij altijd zo neerbuigend tegen mij doet.’

Zijn gezicht verstrakte van boosheid.

Ze stak haar hand uit en gaf hem voorzichtig een zacht klopje op zijn schouder die verstrakte onder haar hand alsof die een giftige spin was. ‘Quim,’ zei ze, ‘probeer alsjeblieft nooit meer om mij iets over goed en kwaad te leren. Ik ben er geweest en jij hebt alleen maar de kaart gezien.’

Hij schudde haar hand af en beende kwaad weg. Nee maar, nu mis ik warempel de tijd dat we weken achter elkaar geen woord tegen elkaar spraken.

Ze klapte hard in haar handen. Een ogenblik later ging de deur open. Het was Quara. ‘Oi, Mãezinha,’ zei ze, ‘também veio jogar?’ Kom je ook spelen?

Olhado en de Spreker speelden op het werkstation een ruimte-oorlogspel. De Spreker had een machine gekregen met een veel groter en veel gedetailleerder holografisch veld dan de meeste huisstations en ze bestuurden alle twee eskaders van meer dan twaalf ruimteschepen tegelijk. Het was een erg ingewikkeld spel en ze keken geen van tweeën op en groetten haar zelfs niet.

‘Olhado zei dat ik mijn mond moest houden anders zou hij mijn tong uit mijn mond rukken en me die tussen een kadetje laten opeten,’ zei Quara. ‘Je kan dus maar beter je mond houden tot het spelletje is afgelopen.’

‘Ga alsjeblieft even zitten,’ mompelde de Spreker.

‘Nou slacht ik u af, Spreker,’ kraaide Olhado.

Meer dan de helft van de vloot van de Spreker verdween in een reeks gesimuleerde ontploffingen. Novinha ging op een kruk zitten.

Quara ging naast haar op de grond zitten. ‘Ik hoorde je buiten met Quim praten,’ zei ze. ‘Jullie stonden te schreeuwen, dus we konden alles horen.’

Novinha voelde dat ze rood werd. Het ergerde haar dat de Spreker haar ruzie had horen maken met haar zoon. Dat ging hem niks aan. Haar hele gezin ging hem niks aan. En ze vond het ook helemaal niet goed dat hij hier ruimteoorlogje zat te spelen. Dat was trouwens ook ontzettend antiek en ouderwets. Er waren al honderden jaren geen gevechten in de ruimte meer geweest, tenzij je schermutselingen met smokkelaars mee wilde tellen. Milagre was zo’n vredig plaatsje dat niemand een gevaarlijker wapen bezat dan de schokstok van de wijkagent. Olhado zou in zijn hele leven geen gevecht meemaken. En hier ging hij helemaal op in een oorlogsspelletje. Misschien was het wel iets dat de evolutie had ingebakken in de mannelijke exemplaren van de soort, de wens om rivalen aan flarden te schieten of plat te stampen. Of misschien heeft het geweld dat hij in zijn eigen huis meemaakte hem wel tot dit soort spelletjes gedreven. Mijn schuld. Voor de zoveelste keer mijn schuld.

Plotseling slaakte Olhado een teleurgestelde kreet toen zijn vloot in een reeks ontploffingen teloorging. ‘Niks van gezien! Ik kan niet geloven dat u dat was! Ik zag het zelfs niet aankomen!’

‘Dan moet je er niet zo over doorzeuren,’ zei de Spreker. ‘Draai het nog een keer af, dan kan je zien hoe ik het deed en dan kan je je de volgende keer verweren.’

‘Ik dacht dat Sprekers eigenlijk een soort priesters hoorden te zijn of zo. Hoe komt het dat u zo goed bene in tactiek?’

De Spreker grijnsde venijnig naar Novinha toen hij antwoord gaf. ‘Wat je soms allemaal moet doen om mensen zover te krijgen dat ze je gewoon de waarheid vertellen heeft soms erg veel weg van een veldslag.’

Olhado leunde achterover tegen de muur en draaide met zijn ogen dicht nog een keer zijn opnamen van het spel af.

‘Je hebt zitten snuffelen,’ zei Novinha. ‘En niet zo erg handig ook. Gaat dat onder Sprekers voor de Doden voor “tactiek” door?’

‘Ik heb je ermee hier gekregen, nietwaar?’ zei de Spreker lachend.

‘Wat zocht je in mijn bestanden?’

‘Ik ben gekomen om Pipo’s dood te Bespreken.’

‘Ik heb hem niet gedood. Mijn bestanden gaan jou niks aan.’

‘Jij hebt me hierheen ontboden.’

‘Ik ben van gedachten veranderd. Het spijt me. Maar dat geeft je nog steeds het recht niet om—’

Ineens klonk zijn stem heel zacht en hij knielde vlak voor haar neer zodat ze zijn woorden toch zou kunnen verstaan. ‘Pipo kwam iets van jou te weten en wat het ook was, de zwijntjes vermoordden hem erom. En dus borg jij je bestanden op achter slot en grendel waar niemand dat ooit zou kunnen vinden. Je weigerde zelfs om met Libo te trouwen, alleen maar omdat hij dan geen toegang zou hebben tot wat Pipo gezien had. Jij hebt je eigen leven en dat van al je geliefden verwrongen en misvormd om te voorkomen dat Libo en nu Miro dat geheim zouden ontdekken en sterven.’

Novinha werd ineens helemaal koud en haar handen en voeten begonnen te trillen. Hij was hier nog maar drie dagen en wist al meer dan iemand anders dan Libo ooit had vermoed. ‘Het zijn allemaal leugens,’ zei ze.

‘Luister naar me, Dona Ivanova. Het werkte niet. Libo ging toch dood, nietwaar? Wat jouw geheim ook is, het voor jezelf houden heeft zijn leven niet gered. En het zal Miro ook niet redden. Onkunde en bedrog kunnen nooit iemand redden. Kennis is wat hen kan redden.’

‘Nooit,’ fluisterde ze.

‘Ik begrijp dat je het voor Libo en Miro geheim wilt houden, maar ik beteken toch niks voor je. Dan geeft het toch niet als ik het geheim ken en er misschien aan sterf?’

‘Het maakt helemaal niets uit of jij leeft of sterft,’ zei Novinha, ‘Maar toegang tot die bestanden krijg je nooit.’

‘Jij schijnt niet te begrijpen dat je het recht niet hebt om andere mensen blinddoeken voor te binden. Jouw zoon en zijn zuster zijn elke dag met de zwijntjes samen en ze weten niet of hun volgende woord niet toevallig hun doodvonnis zal zijn. Morgen ga ik met ze mee omdat ik Pipo’s dood niet kan Bespreken zonder met de zwijntjes gesproken te hebben—’

‘Ik wil niet dat je Pipo’s dood Bespreekt.’

‘Het kan me niet schelen wat jij wilt, ik doe het niet voor jou. Maar ik smeek je om me te laten weten wat Pipo wist.’

‘Jij krijgt nooit te weten wat Pipo wist, omdat hij een goed en hartelijk en liefhebbend mens was die—’

‘Die een eenzaam, bang, jong meisje opnam en de wonden in haar hart genas.’ Terwijl hij dat zei, rustte zijn hand op Quara’s schouder.

Dat was meer dan Novinha kon verdragen. ‘Waag het niet om jezelf met hem te vergelijken! Quara is geen wees, hoor je me? Ze heeft een moeder, mij, en ze heeft jóu niet nodig. Niemand van ons heeft jou nodig, niemand van ons!’ En ineens begon ze volkomen onverklaarbaar heel hard te huilen. Ze wilde helemaal niet huilen waar hij bij was. Ze wilde hier helemaal niet zijn. Hij bracht alles in de war. Ze strompelde naar de deur en sloeg die met een klap achter zich dicht. Quim had gelijk. Hij was net de duivel. Hij wist te veel, eiste te veel, gaf te veel en iedereen had hem nu al veel te veel nodig. Hoe kon hij in die korte tijd al zoveel macht over hen gekregen hebben?

Toen had ze ineens een gedachte die haar tranenstroom deed opdrogen en haar met schrik vervulde. Hij had gezegd dat Miro en zijn zuster iedere dag tussen de zwijntjes zaten. Hij wist het. Hij kende alle geheimen.

Alle geheimen behalve het geheim dat ze zelf niet eens kende — het geheim dat Pipo op een of andere manier in haar simulatie had ontdekt. Als hij dat ooit ook nog zou vinden, zou hij alles hebben wat zij al die jaren verborgen had gehouden. Toen ze de Spreker voor de Doden had opgeroepen, had ze de waarheid omtrent Pipo’s dood willen ontdekken, maar in plaats daarvan was hij gekomen om de waarheid omtrent haar te ontdekken.

De deur viel met een klap dicht. Ender leunde op de kruk waarop zij had gezeten en legde zijn hoofd in zijn handen.

Hij hoorde Olhado opstaan en langzaam door de kamer in zijn richting lopen.

‘U hebt geprobeerd in moeders bestanden in te breken,’ zei hij kalm.

‘Ja,’ zei Ender.

‘U heeft mij zo gek gekregen om u te laten zien hoe je dingen moet opzoeken zodat u in de bestanden van mijn eigen moeder kon snuffelen. U heeft een verrader van me gemaakt.’

Op dit moment was er geen enkel antwoord waarmee Olhado genoegen zou nemen; Ender probeerde het niet eens. Hij bleef zwijgend zitten terwijl Olhado naar de deur liep en vertrok.

Maar de inwendige beroering die hij voelde was voor de zwermkoningin helemaal niet zwijgend. Hij voelde haar in zijn geest in beweging komen, gealarmeerd door zijn narigheid. Nee, zei hij in gedachten tegen haar. Je kunt niets doen, ik kan niets uitleggen. Allemaal mensenzaken, vreemde en uitheemse mensenproblemen die niet te begrijpen zijn.

<Ah.> En hij voelde hoe ze zijn innerlijk aanraakte; zoals een briesje de bladeren van een boom aanraakt; hij voelde de kracht en de energie van omhoogreikend hout, de stevige greep van wortels in de aarde, het vriendelijke spel van zonlicht op onstuimige bladeren. <Zie eens wat we van hem geleerd hebben, Ender, de vrede die hij vond.> Het gevoel vervaagde toen de zwermkoningin zich uit zijn geest terugtrok. De kracht van de boom bleef hem bij, de kalmte van diens gemoedsrust verving zijn eigen gekwelde stilte.

Het had maar heel even geduurd; het geluid van de door Olhado dichtgeslagen deur galmde nog door de kamer. Naast hem sprong Quara overeind en huppelde over de grond naar zijn bed. Ze sprong erop en wipte een paar keer op en neer.

‘Je hebt het maar een paar dagen uitgehouden,’ zei ze vrolijk. ‘Nu heeft iedereen een hekel aan je.’

Ender lachte wrang en draaide zich om om haar aan te kunnen kijken. ‘Jij ook?’

‘O ja,’ zei ze. ‘Ik was de eerste die een hekel aan je had, op Quim na misschien.’ Ze liet zich van het bed glijden en liep naar het werkstation. Toets voor toets tikte ze haar wachtwoord in. Boven het werkstation verscheen een goep optelsommen van getallen met twee cijfers. ‘Wil je zien hoe ik kan rekenen?’

Ender stond op en ging bij haar achter het werkstation zitten. ‘Laat maar zien,’ zei hij. ‘Maar die zien er wel moeilijk uit, hoor.’

‘Niet voor mij,’ zei ze opschepperig. ‘Ik maak ze vlugger dan iedereen.’

13. Ela

MIRO: De zwijntjes noemen zichzelf mannelijk, maar wij kunnen alleen maar afgaan op wat ze zelf zeggen.

OUANDA: Waarom zouden ze liegen?

MIRO: Ik weet dat je jong en kinderlijk bent, maar ze missen bepaalde apparatuur.

OUANDA: Ik heb fysieke antropologie gestudeerd. Wie zegt dat ze het net zo doen als wij?

MIRO: Kennelijk niet. (Nu je het daar toch over hebt, wij doen het trouwens helemaal niet.) Misschien weet ik wel waar hun geslachtsdelen zitten. Die bulten op hun buik waar het haar lichter en fijner is.

OUANDA: Rudimentaire tepels. Die heb jij zelfs.

MIRO: Ik zag gister Bladeter en Pots op een afstand van een meter of tien, dus ik zag ze niet echt GOED, maar Pots aaide over Bladeters buik en volgens mij waren die buikbulten misschien wel opgezwollen.

OUANDA : Of misschien wel niet.

MIRO: Eén ding weet ik zeker. Bladeters buik was nat — de zon spiegelde erin — en hij vond het lekker.

OUANDA: Dit heb je verkeerd begrepen.

MIRO: Waarom zou het niet kunnen? Ze zijn allemaal vrijgezellen, nietwaar? Ze zijn volwassen, maar hun zogenaamde vrouwen hebben hen nog geen van allen ingewijd in de vreugden van het vaderschap.

OUANDA: Volgens mij zit een naar seks hongerende zenador zijn eigen frustraties op zijn proefpersonen te projecteren.

Marcos Vladimir ‘Miro’ Ribeira von Hesse en Ouanda Quenhatta Figueira Mucumbi, Werkaantekeningen, 1970: 1:4:30

Het was heel stil op de open plek. Miro zag onmiddellijk dat er iets mis was. De zwijntjes deden helemaal niets. Ze stonden of zaten gewoon hier en daar. En bovendien ademden ze amper. Ze staarden alleen maar naar de grond.

Met uitzondering van Mens, die uit het bos achter hun rug te voorschijn kwam. Hij liep traag en met stijve benen om hen heen tot hij voor hen stond. Miro voelde Ouanda’s elleboog in zijn zij prikken, maar hij keek niet naar haar. Hij wist dat ze hetzelfde dacht als hij. Is dit het ogenblik dat ze ons zullen doden, zoals ze Libo en Pipo gedood hebben?

Mens bleef hen een paar minuten strak aankijken. Het was beangstigend dat hij zo lang wachtte. Maar Miro en Ouanda konden zich uitstekend beheersen. Ze zeiden niets en hielden zelfs de ontspannen, betekenisloze uitdrukking op hun gezicht die ze al zoveel jaar geoefend hadden. De kunst van het niet-communiceren was het eerste dat ze moesten leren voor Libo hun toestond om met hem mee te gaan. Tot er op hun gezichten helemaal niets meer te lezen viel, tot ze zelfs niet meer zichtbaar transpireerden onder emotionele druk, zou geen zwijntje hen te zien krijgen. Alsof het ook maar iets uitmaakte — Mens was veel te handig in het veranderen van ontwijkende opmerkingen in antwoorden en het afleiden van feiten uit loze verklaringen. Zelfs hun doodse stilte bracht ongetwijfeld hun doodsangst over, maar uit die cirkel konden ze niet ontsnappen. Alles bracht iets over.

‘Jullie hebben tegen ons gelogen,’ zei Mens.

Niet antwoorden, zei Miro in gedachten en Ouanda bleef doodstil zwijgen alsof ze hem had gehoord. Ongetwijfeld seinde zij nu in gedachten dezelfde boodschap naar hem over.

‘Wroeter zegt dat de Spreker voor de Doden naar ons toe wil komen.’

Dit was een trek van de zwijntjes waar je witheet om kon worden. Altijd als ze iets ongehoords te zeggen hadden, schreven ze dat toe aan een of ander dood zwijntje dat het onmogelijk gezegd zou kunnen hebben. Ongetwijfeld was er een of ander religieus ritueel bij betrokken: ga naar de totemboom, stel een suggestieve vraag en ga dan naar de bladeren of de bast of zoiets liggen staren tot je precies het antwoord krijgt waarnaar je op zoek was.

‘Wij hebben nooit anders beweerd,’ zei Miro.

Ouanda’s ademhaling versnelde een beetje.

‘Jullie zeiden dat hij niet zou komen.’

‘Dat klopt,’ zei Miro. ‘Hij zou niet komen. Hij moet net als ieder ander aan de wet gehoorzamen. Als hij zou proberen om zonder toestemming door het hek te gaan—’

‘Dat is een leugen.’

Miro viel stil.

‘Zo luidt de wet,’ zei Ouanda kalm.

‘Er is wel eerder de hand gelicht met de wet,’ zei Mens. ‘Jullie zouden hem hier kunnen brengen, maar jullie doen het niet. Het is voor alles noodzakelijk dat jullie hem hierheen brengen. Wroeter zegt dat de zwermkoningin ons haar gaven niet kan geven als hij niet komt.’

Miro onderdrukte zijn ongeduld. De zwermkoningin! Hij had de zwijntjes nu toch al tientallen malen verteld dat alle kruiperds dood waren. En nu kletste de dode zwermkoningin al net zo vaak tegen hen als de dode Wroeter. De omgang met de zwijntjes zou heel wat makkelijker worden als ze konden ophouden met opdrachten krijgen van de doden.

‘Het is de wet,’ zei Ouanda. ‘Zelfs als wij hem vragen om hierheen te komen, zou hij ons kunnen verraden en dan zouden we weggestuurd worden en zouden we nooit meer bij jullie kunnen komen.’

‘Hij zal jullie niet verraden. Hij wil komen.’

‘Hoe weten jullie dat?’

‘Wroeter zegt het.’

Er waren momenten dat Miro met liefde de totemboom die groeide op de plaats waar Wroeter was gedood zou willen omhakken. Misschien hielden ze dan eens een keer hun kop over wat Wroeter zei. Maar waarschijnlijk zouden ze dan gewoon een andere boom Wroeter noemen en nog woedend zijn op de koop toe. Geef zelfs vooral niet toe dat je twijfels over hun religie koestert, dat was een grondregel; zelfs xenologen van andere planeten, zelfs antropologen wisten dat.

‘Vraag het hem,’ zei Mens.

‘Wroeter?’ vroeg Ouanda.

‘Die zou nooit tegen júllie spreken,’ zei Mens. Minachtend? ‘Vraag de Spreker of hij wil komen of niet.’

Miro wachtte tot Ouanda antwoord zou geven. Zij wist wat zijn antwoord zou zijn. Hadden ze er de afgelopen paar dagen niet tientallen keren over geruzied? Hij is een goed mens, zei Miro. Hij is een bedrieger, zei Ouanda. Hij was fantastisch met de kleintjes, zei Miro. Dat zijn kinderlokkers ook, zei Ouanda. Ik geloof in hem, zei Miro. Dan ben je een stommeling, zei Ouanda. We kunnen hem vertrouwen, zei Miro. Hij zal ons verraden, zei Ouanda. En zo eindigde het altijd.

Maar de zwijntjes veranderden het evenwicht. De zwijntjes voegden een groot gewicht toe aan Miro’s kant van de weegschaal. Gewoonlijk, als de zwijntjes het onmogelijke vroegen, hielp hij haar om hen af te houden. Maar dit was niet onmogelijk, hij wilde hen niet afhouden en dus zei hij helemaal niets. Zet haar onder druk, Mens, want je hebt gelijk en dit keer moet Ouanda buigen.

Omdat ze voelde dat ze alleen stond en omdat ze wist dat Miro haar niet zou helpen, deed ze een kleine concessie. ‘Als we hem nu eens naar de rand van het bos brengen.’

‘Breng hem hier,’ zei Mens.

‘Dat kunnen we niet,’ zei ze. ‘Moet je jullie eens zien. Jullie dragen kleren, jullie maken potten, jullie eten brood.’

Mens grijnsde. ‘Ja,’ zei hij. ‘Al die dingen. Breng hem hier.’

‘Nee,’ zei Ouanda.

Miro kromp in elkaar en wist nog net te voorkomen dat hij haar vastgreep. Dit was het enige dat ze nog nooit gedaan hadden — vlakweg een verzoek weigeren in te willigen. Het was altijd: ‘Dat kunnen we niet omdat’ of: ‘Ik wilde dat we dat konden.’ Maar dat ene ontkennende woord vertelde hun: Ik doe het niet. Ik weiger dit uit mezelf.

De grijns van Mens was op slag verdwenen. ‘Pipo vertelde ons dat vrouwen het niet voor het zeggen hebben. Pipo vertelde ons dat bij mensen mannen en vrouwen samen beslissen. Dus jij kan geen nee zeggen als hij niet ook nee zegt.’ Hij keek Miro aan. ‘Zeg jij nee?’

Miro gaf geen antwoord. Hij voelde Ouanda’s elleboog in zijn zij prikken.

‘Je kan niet niets zeggen,’ zei Mens. ‘Je zegt ja of nee.’

Nog steeds gaf Miro geen antwoord.

Sommige van de zwijntjes om hen heen kwamen overeind. Miro had er geen idee van wat ze deden, maar de beweging op zich, in reactie op Miro’s onverzettelijke zwijgen, zag er dreigend uit. Ouanda, die zich nooit bang zou laten maken door een dreiging jegens haarzelf, ging door de knieën voor de vermeende dreiging jegens Miro. ‘Hij zegt ja,’ fluisterde ze.

‘Hij zegt ja, maar blijft voor jou zwijgen. Jij zegt nee, maar jij blijft voor hém niet zwijgen.’ Mens viste met een vinger een dot taai slijm uit zijn mond en smeet die op de grond. ‘Jij bent niets.’

Ineens maakte Mens een achterwaartse salto, draaide zich halverwege de beweging om, landde met zijn rug naar hen toe en begon weg te lopen. Onmiddellijk kwamen de andere zwijntjes tot leven en liepen snel naar Mens toe, die hen, zo ver mogelijk bij Miro en Ouanda vandaan, naar de bosrand leidde.

Plotseling bleef Mens staan. Een ander zwijntje was in plaats van hem te volgen recht voor hem komen staan en versperde hem nu de weg. Het was Bladeter. Of hij of Mens iets zei, wist Miro niet, maar hij hoorde hen niet en hij zag ook hun monden niet bewegen. Maar hij zag wel dat Bladeter zijn hand uitstak en de buik van Mens aanraakte. De hand bleef daar een ogenblik rusten en toen draaide Bladeter zich razendsnel om en rende het kreupelhout in als een jongeling.

Een ogenblik later waren de andere zwijntjes ook verdwenen.

‘Het was een gevecht,’ zei Miro. ‘Mens tegen Bladeter. Ze zijn tegenstanders.’

‘Waarin?’ zei Ouanda.

‘Ik wou dat ik dat wist. Maar ik kan het wel raden. Als wij de Spreker meenemen, dan wint Mens. En als we het niet doen, wint Bladeter.’

‘Wat winnen ze dan? Als wij de Spreker meenemen, zal hij ons verraden en dan verliezen we allemaal.’

‘Hij zal ons niet verraden.’

‘Waarom zou hij dat niet doen als jij mij zo makkelijk verraadt?’

Haar stem was een zweepslag en hij slaakte bijna een kreet van pijn over haar bijtende woorden. ‘Ik jou verraden!’ fluisterde hij. ‘Eu não. Jamais.’ Niet ik. Nooit.

‘Vader zei altijd: Wees eensgezind tegenover de zwijntjes, laat nooit merken dat jullie het niet met elkaar eens zijn, en jij—’

‘En ík! Ik zei geen ja tegen hen. Jij bent degene die nee zei, jij bent degene die het standpunt innam waarvan je wist dat ik het er niet mee eens was!’

‘Maar als we het niet eens zijn, is het aan jou om te—’

Ze zweeg. Ze besefte eigenlijk nu pas wat ze zei. Maar halverwege haar mond houden kon niet meer ongedaan maken wat Miro wist dat ze had willen zeggen. Het was aan hem om te doen wat zij zei tot zij van mening veranderde. Alsof hij haar leerling was. ‘En ik maar denken dat we dit samen deden.’ Hij draaide zich om en liep bij haar vandaan het bos in, terug naar Milagre.

‘Miro,’ riep ze hem na. ‘Miro, dat meende ik niet—’

Hij wachtte tot ze hem had ingehaald, greep haar vervolgens bij haar arm en fluisterde woedend: ‘Schreeuw niet zo! Of kan het je niet schelen of de zwijntjes ons horen of niet? Heeft de meester-zenador besloten dat we hun nu alles kunnen laten zien, zelfs hoe de meester haar leerling tot de orde roept?’

‘Ik ben de meester niet, ik—’

‘Dat kun je wel stellen, ja.’ Hij draaide haar zijn rug toe en begon weer te lopen.

‘Maar Libo was mijn vader en dan ben ik uiteraard de—’

‘Zenador door geboorterecht,’ zei hij. ‘Geboorterecht, bedoelde je dat? Wat ben ik dan door geboorterecht? Een dronken monster dat zijn vrouw mishandelt?’ Hij greep haar hardhandig bij haar lurven. ‘Wil je dat ik dat ben? Een kopie van mijn paizinho?’

‘Laat los!’

Hij duwde haar weg. ‘Je leerling vindt dat je vandaag heel stom deed,’ zei Miro. ‘Je leerling vindt dat je zijn oordeel over de Spreker had moeten vertrouwen, en je leerling vindt dat je had moeten vertrouwen op zijn inschatting van de ernst waarmee de zwijntjes dit opvatten, omdat je op beide punten een stomme fout hebt gemaakt die misschien Mens net het leven heeft gekost.’

Het was een vreselijke beschuldiging, maar het was precies waar ze allebei bang voor waren, dat Mens nu net zo aan zijn einde zou komen als destijds Wroeter, en anderen in de loop der jaren, geslacht en met een jong boompje uit zijn lijk groeiend.

Miro wist dat wat hij had gezegd niet eerlijk was, hij wist dat ze gelijk zou hebben als ze woedend tegen hem zou uitvallen. Hij had het recht niet om haar ergens van te beschuldigen als ze geen van tweeën hadden kunnen weten wat er voor Mens op het spel stond tot het te laat was.

Maar Ouanda viel niet woedend uit. In plaats daarvan deed ze zichtbare pogingen om kalm te worden; ze ademde diep en regelmatig in en maakte haar gezicht uitdrukkingsloos. Miro volgde haar voorbeeld en deed hetzelfde. ‘Het is nu zaak,’ zei Ouanda, ‘om er nog het beste van te maken. De executies hebben altijd ’s avonds plaats gevonden. Als we nog hoop willen hebben om Mens te rehabiliteren, moeten we de Spreker deze middag nog hier krijgen, voor het donker wordt.’

Miro knikte. ‘Ja,’ zei hij. ‘En het spijt me.’

‘Het spijt mij ook,’ zei ze.

‘We weten helemaal niet wat we doen en dus is het niemands schuld als er iets mis gaat.’

‘Ik wou alleen dat ik geloofde dat er een goede keus mogelijk was.’

Ela zat op een steen en liet haar voeten in het water bungelen terwijl ze op de Spreker voor de Doden wachtte. Het hek was maar een paar meter bij haar vandaan en overspande de rivier boven op een stalen rasterwerk dat mensen die er onderdoor zouden willen zwemmen de weg versperde. Alsof iemand dat zou willen proberen. De meeste mensen in Milagre deden net of het hek helemaal niet bestond. Kwamen er nooit in de buurt. Daarom had ze de Spreker ook gevraagd haar hier te ontmoeten. Ook al was het een warme dag en was er geen school meer; de kinderen zwommen hier toch niet bij Vila Ultima, waar het hek over de rivier liep en het bos heel dicht het hek naderde. Alleen de zeepmakers en de pottenbakkers en de stenenbakkers kwamen hier en die gingen weer naar huis als hun werkdag erop zat. Ze kon zeggen wat ze te zeggen had zonder angst dat iemand haar zou kunnen horen of onderbreken.

Ze hoefde niet lang te wachten. De Spreker kwam stroomopwaarts over de rivier aanroeien in een klein bootje, net als de boeren van de overkant, die niet van wegen hielden. De huid van zijn rug was griezelig wit; zelfs de paar Lusitaniërs die licht genoeg van kleur waren om loiros genoemd te worden hadden een veel donkerder huid. Die witheid deed hem er zwak en nietig uitzien. Maar toen zag ze hoe snel het bootje tegen de stroom op bewoog; hoe nauwkeurig de riemen elke keer op precies de juiste diepte met een lange, soepele haal door het water werden getrokken; hoe strak zijn huid zijn spieren omspande. Ze voelde even een steek van verdriet en besefte ineens dat het verdriet om haar vader was, in weerwil van haar hevige haat jegens hem. Ze had zich tot nu toe nog niet gerealiseerd dat er iets aan hem was waarvan ze hield, maar ze treurde om de kracht van zijn schouders en zijn rug, om het zweet dat zijn bruine huid deed fonkelen als glas in zonlicht.

Nee, zei ze zwijgend, ik treur niet om je dood, Cão. Ik treur erom dat je niet meer weghad van de Spreker, die geen enkele band met ons heeft en ons in drie dagen toch meer goede dingen heeft gegeven dan jij in je hele leven; ik treur erom dat jouw prachtige lichaam vanbinnen zo door de wormen was aangevreten.

De Spreker zag haar en stuurde de boot naar de kant, waar zij stond te wachten. Ze waadde door het riet en de blubber en hielp hem om de boot op de kant te trekken.

‘Het spijt me van die prut,’ zei hij. ‘Maar ik heb al een paar weken niets met mijn lijf gedaan en het water zag er zo aanlokkelijk uit—’

‘U kunt goed roeien,’ zei ze.

‘De wereld waar ik vandaan kom, Trondheim, bestaat voor het grootste deel uit ijs en water. Hier en daar een brok steen en wat grond, maar iemand die niet kan roeien zou daar meer gehandicapt zijn dan iemand die niet kan lopen.’

‘Bent u daar ook geboren?’

‘Nee. Maar ik heb er het laatst Gesproken.’ Hij ging op het gras zitten met zijn gezicht naar het water.

Ze ging naast hem zitten. ‘Moeder is kwaad op u.’

Er verscheen een klein lachje om zijn mond. ‘Dat heeft ze me verteld.’

Zonder erbij na te denken begon Ela onmiddellijk haar moeder te rechtvaardigen. ‘U hebt geprobeerd haar bestanden te lezen.’

‘Ik héb haar bestanden gelezen. De meeste althans. Alles op de belangrijkste na.’

‘Ik weet het. Quim heeft het me verteld.’ Ze betrapte zichzelf erop dat ze er eigenlijk een beetje trots op was dat hij het beveilingingssysteem van haar moeder niet had kunnen kraken. Maar toen bedacht ze dat ze hierin niet aan de kant van haar moeder stond. Dat ze al jaren probeerde om toegang tot die bestanden van haar moeder los te krijgen. Maar ze denderde door op de eenmaal ingeslagen weg en zei nog meer dingen die ze eigenlijk helemaal niet wilde zeggen. ‘Olhado zit binnen met zijn ogen dicht en keiharde muziek in zijn oren. Helemaal van streek.’

‘Ja, dat komt omdat hij denkt dat ik hem heb verraden.’

‘Dat is toch ook zo?’ Dat had ze helemaal niet willen zeggen.

‘Ik ben een Spreker voor de Doden. Als ik spreek, vertel ik de waarheid en ik laat de geheimen van andere mensen niet ongemoeid.’

‘Dat weet ik. Daarom heb ik ook een oproep gedaan voor een Spreker. U hebt voor niemand ontzag.’

Hij keek boos. ‘Waarom heb je me gevraagd om hierheen te komen?’ vroeg hij.

Dit pakte helemaal verkeerd uit. Ze zat tegen hem te praten alsof ze tegen hem was, alsof ze niet dankbaar was voor wat hij al voor haar familie had gedaan. Ze praatte tegen hem alsof hij de vijand was. Heeft Quim zich meester gemaakt van mijn verstand, zodat ik alleen nog maar dingen zeg die ik niet meen?

‘Jij hebt me gevraagd om hier naar de rivier te komen. De rest van je familie doet geen mond meer tegen me open en dan krijg ik een boodschap van jóu. Om je te beklagen over mijn inbreuk op jullie persoonlijke levenssfeer? Om me te vertellen dat ik voor niemand ontzag heb?’

‘Nee,’ zei ze ongelukkig. ‘Dit loopt helemaal niet zoals de bedoeling was.’

‘Is het nooit bij je opgekomen dat ik toch zeker geen Spreker geworden zou zijn als ik geen ontzag voor mensen had?’

In haar teleurstelling stroomden haar woorden ineens naar buiten. ‘Ik wilde maar dat u al haar bestanden had gekraakt! Ik wilde dat u al haar geheimen had ontdekt en ze op alle Honderd Werelden bekend had gemaakt!’ Er stonden tranen in haar ogen; ze had er geen idee van waar die vandaan kwamen.

‘Ik begrijp het. Ze laat jou ook die bestanden niet inzien.’

‘Sou aprendiz dela, não sou? E porque choro, diga-me! O Senhor tem o jeito.’

‘Ik ben het niet die de mensen aan het huilen brengt, Ela,’ antwoordde hij zacht. Zijn stem was een liefkozing. Nee, sterker nog, het was een hand die de hare greep en haar vasthield en steunde. ‘Je moet huilen omdat je de waarheid vertelt.’

‘Sou ingrata, sou má filha—’

‘Ja, je bent een ondankbare en verschrikkelijke dochter,’ zei hij, zacht lachend. ‘In al die jaren van wanorde en verwaarlozing heb jij met verdomd weinig hulp van je moeder haar gezin bij elkaar gehouden, en toen je hetzelfde beroep koos als zij, wilde ze haar belangrijkste kennis niet met je delen; jij verdient niets dan liefde en vertrouwen van haar en het enige dat je van haar terugkrijgt is dat ze je thuis en op haar werk buitensluit; en dan vertel je eindelijk eens een keer aan iemand dat je er doodziek van bent. Jij bent zo ongeveer de slechtste mens die ik ooit heb gekend.’

Onwillekeurig moest ze lachen om haar eigen zelfverguizing. Toch wilde ze heel kinderachtig niet om zichzelf lachen. ‘U hoeft me niet te kleineren!’ Ze probeerde haar stem zo minachtend mogelijk te laten klinken.

Hij merkte het. Zijn ogen werden afstandelijk en kil. ‘Spuug nooit op een vriend,’ zei hij.

Ze wilde niet dat hij zo afstandelijk tegen haar deed. Maar ze kon zichzelf er niet van weerhouden om op boze, kille toon te zeggen: ‘U bent mijn vriend niet.’

Even was ze bang dat hij haar zou geloven. Toen verscheen er een lach op zijn gezicht. ‘Jij zou een vriend nog niet herkennen als je over hem struikelde.’

Ja, dat zou ik wel, dacht ze. Ik zie er hier een voor me. Ze lachte terug.

‘Ela,’ zei hij, ‘ben jij een goede xenobioloog?’ ;ja.’

‘Je bent achttien jaar. Je kon op je zestiende je vakexamen doen. Maar dat heb je niet gedaan.’

‘Moeder gaf me geen toestemming. Ze zei dat ik er niet klaar voor was.’

‘Na je zestiende heb je je moeders toestemming niet meer nodig.’

‘Een leerlinge moet toestemming van haar leermeester hebben.’

‘En nu je achttien bent, heb je zelfs die niet nodig.’

‘Ze is nog altijd de enige xenobioloog van Lusitania. Het is nog altijd haar laboratorium. Stel dat ik het examen haal en ze wil me niet in het lab toelaten zolang ze leeft?’

‘Heeft ze je daarmee gedreigd?’

‘Ze heeft me duidelijk gemaakt dat het me geraden was om het examen niet te doen.’

‘Omdat je, zodra je geen leerling meer bent en ze zou je in haar lab toelaten als haar collega-xenobioloog, volledig toegang zou hebben tot—’

‘Tot alle werkbestanden. Tot alle beschermde bestanden.’

‘En dus hinderde ze haar eigen dochter in haar carrière, gaf ze je liever een blijvende smet op je staat van dienst — zelfs op haar achttiende nog niet rijp voor het examen — en dat allemaal om te voorkomen dat je die bestanden las.’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Moeder is gek.’

‘Nee. Wat Novinha ook is, gek is ze niet, Ela.’

‘Ela é boba mesma, Senhor Falante.’

Hij lachte en liet zich op zijn rug in het gras vallen. ‘Vertel me dan maar eens waarom ze boba is.’

‘Ik zal de hele lijst voor u opsommen. Ten eerste weigert ze toestemming voor onderzoek van de Descolada. Vierendertig jaar geleden werd deze kolonie bijna uitgeroeid door de Descolada. Mijn grootouders, Os Venerados, Deus os abençoe, slaagden er maar nauwelijks in om de Descolada tot staan te brengen. De ziekteverwekker, het Descoladalichaampje, is kennelijk nog steeds aanwezig — we moeten ons dieet aanvullen met iets dergelijks als een vitamine om te voorkomen dat er weer een epidemie uitbreekt. Dat hebben ze u toch wel verteld, hè? Als je het lichaampje eenmaal in je stelsel hebt, moet je die aanvulling je hele leven blijven slikken, ook al verlaat je deze planeet.’

‘Dat wist ik, ja.’

‘Ze weigert mij élke toestemming voor het bestuderen van Descoladalichaampjes. Sommige van de beschermde bestanden gaan in ieder geval daarover. Ze heeft alle ontdekkingen van Gusto en Cida omtrent de Descoladalichaampjes achter slot en grendel gestopt. Er is niets beschikbaar.’

De Spreker kneep zijn ogen half dicht. ‘Zo. Dat is een derde boba. Waar blijft de rest?’

‘Het is meer dan een derde. Wat het Descoladalichaampje ook is, het was in staat om nog geen tien jaar na het stichten van de kolonie een mensenparasiet te worden. Tien jaar! Als het zich één keer kan aanpassen, kan het zich nog een keer aanpassen.’

‘Misschien denkt zij wel van niet.’

‘Misschien hoor ik wel het recht te hebben om dat voor mezelf uit te maken.’

Hij stak zijn hand uit en legde die op haar knie om haar te kalmeren. ‘Ik ben het met je eens. Maar ga verder. De tweede reden dat ze boba is.’

‘Ze wil geen theoretisch onderzoek toestáan. Geen taxonomie. Geen evolutiemodellen. Als ik af en toe eens iets in die richting probeer, zegt zij dat ik kennelijk niet genoeg te doen heb en stampt ze me vol met opdrachten tot ze denkt dat ik het heb opgegeven.’

‘Ik neem aan dat je het niet echt hebt opgegeven.’

‘Daar is xenobiologie nou juist voor. O ja, fijn dat ze een aardappel kan maken die optimaal gebruik maakt van de voedingsstoffen uit zijn omgeving. Fantastisch dat ze een amarantsoort heeft weten te kweken die de kolonie in staat stelt om met maar viereneenhalve bunder in culture in zijn eigen eiwitbehoefte te voorzien. Maar dat is allemaal gegoochel met moleculen.’

‘Het is overleven.’

‘Maar we weten helemaal niks. Het is net als zwemmen in de bovenlaag van een oceaan. Je gaat je er lekker voelen, je kunt een beetje heen en weer zwemmen, maar je weet niet of er in de diepte misschien haaien zwemmen! Wij kunnen wel omringd zijn door haaien, en zij wil daar niet achter komen.’

‘En de derde reden?’

‘Ze wil geen kennis uitwisselen met de zenadors. Punt uit. Niets. En dat is echt krankzinnig. Wij kunnen het hek niet uit. Dat betekent dat we niet één enkele boom hebben om te bestuderen. Wij weten absoluut niets over de flora en de fauna van deze wereld, met uitzondering van de levensvormen die zich toevallig binnen het hek bevinden. Eén kudde cabras en een vlakte met capimgras en langs de rivieroevers een iets andere ecologie en dat is alles. Niets weten we van de diersoorten in het bos, er wordt in het geheel geen informatie uitgewisseld. Wij vertellen hun niets en als zij ons gegevens doorsturen, wissen we de bestanden ongelezen. Het lijkt wel of ze een ondoordringbare muur om ons heen heeft gebouwd. Niets komt erin, niets gaat eruit.’

‘Misschien heeft ze er haar redenen voor.’

‘Natuurlijk heeft ze er haar redenen voor. Krankzinnige mensen hebben altijd hun redenen. Ze had bijvoorbeeld een ontzettende hekel aan Libo. Ze haatte hem. Ze stond Miro niet toe om over hem te praten, ze wilde ons niet met zijn kinderen laten spelen — China en ik waren jarenlang boezemvriendinnen en ik mocht haar van moeder nooit mee naar huis nemen of naar haar huis gaan na schooltijd. En toen Miro leerling bij hem werd, heeft ze een jaarlang niet tegen hem gesproken en een jaarlang niet voor hem gedekt aan tafel.’

Ze kon zien dat de Spreker aan haar woorden twijfelde, dat hij dacht dat ze overdreef.

‘Ik bedoel echt een heel jaar. De dag dat hij voor het eerst als Libo’s leerling naar de zenadorpost ging, kwam hij thuis en ze sprak niet tegen hem, geen woord, en toen hij aan tafel ging zitten bij het eten, haalde ze zijn bord voor zijn neus weg en borg zijn bestek weg alsof hij er gewoon niet was. Hij bleef gewoon zitten en keek haar maar aan terwijl wij aten. Tot vader kwaad op hem werd omdat hij dat brutaal vond en hem de kamer uitstuurde.’

‘Wat deed hij toen, ging hij uit huis?’

‘O nee! Dan kent u Miro niet!’ Ela lachte verbitterd. ‘Hij maakt geen ruzie, maar hij geeft het ook niet op. Hij heeft nooit op vaders gescheld gereageerd, niet één keer. Ik kan me niet herinneren dat ik hem van mijn leven een boos antwoord heb horen geven op een boze opmerking. En moeder — tja, hij kwam iedere avond van de zenadorpost naar huis en dan ging hij achter een bord zitten en iedere avond haalde moeder zijn bord en zijn bestek weer weg, en dan bleef hij gewoon zitten tot vader hem de kamer uitstuurde. Natuurlijk was het binnen een week al zo dat vader tegen hem begon te schreeuwen dat hij eruit moest zodra moeder haar hand naar zijn bord uitstak. Vader vond het enig, die schoft, hij vond het geweldig; hij had een ontzettende hekel aan Miro en nu was moeder eindelijk ook tegen Miro.’

‘Wie gaf er toe?’

‘Niemand gaf er toe.’ Ela keek naar de rivier en besefte hoe vreselijk dit allemaal klonk, besefte dat ze haar familie te schande zette voor een vreemde. Maar hij was geen vreemde, nietwaar? Want Quara praatte weer en Olhado interesseerde zich weer voor de dingen en Grego, heel eventjes was Grego bijna een gewoon klein jongetje geweest. Hij was geen vreemde.

‘Hoe kwam er dan een eind aan?’

‘Er kwam een eind aan toen de zwijntjes Libo doodden. Zo’n hekel had moeder aan die man. Toen hij stierf, vierde zij dat door haar zoon te vergeven. Die avond kwam Miro pas thuis toen wij al gegeten hadden, het was al heel laat. Een vreselijke nacht, iedereen was zo bang, de zwijntjes leken zo verschrikkelijk en iedereen vond Libo zo aardig — behalve moeder natuurlijk. Moeder bleef op tot Miro thuiskwam. Hij kwam binnen en liep naar de keuken en ging bij de tafel zitten. Moeder zette een bord voor hem neer en schepte eten op het bord. Zonder een woord te zeggen. Hij at het nog op ook. Zei er niets over. Alsof het jaar daarvoor niet had plaatsgevonden. Ik werd midden in de nacht wakker omdat ik Miro hoorde overgeven en huilen in de badkamer. Volgens mij was er verder niemand die het hoorde en ik ging niet naar hem toe omdat ik dacht dat hij niet wilde dat iemand hem zou horen. Nu vind ik dat ik wel naar hem toe had moeten gaan, maar ik was bang. Er waren zulke vreselijke dingen in ons gezin.’

De Spreker knikte.

‘Ik had naar hem toe moeten gaan,’ zei Ela.

‘Ja,’ zei de Spreker. ‘Dat had je moeten doen.’

Toen gebeurde er iets vreemds. De Spreker was het met haar eens dat ze die nacht een vergissing had gemaakt en toen hij het zei, wist ze dat hij gelijk had, dat zijn oordeel juist was. En toch voelde ze zich eigenaardig geheeld, alsof het simpele vertellen over haar vergissing al genoeg was om een deel van de pijn erover te verjagen. Voor het eerst kreeg ze toen enig inzicht in wat de kracht van de Spreker zou kunnen zijn. Het was geen kwestie van biechten, boete en vergeving, zoals de priesters die aanboden. Het was iets heel anders. Toen ze zat te vertellen wie ze was, besefte ze ineens dat ze niet langer dezelfde persoon was. Dat ze een vergissing had gemaakt en dat die vergissing haar had veranderd en dat ze nu die vergissing niet nog eens zou maken, omdat ze iemand anders was geworden, iemand die minder bang was en meer erbarmen had.

Als ik niet meer dat bange meisje ben dat het wanhopige verdriet van haar broer hoorde maar niet naar hem toe durfde gaan, wie ben ik dan? Maar het water dat door het traliewerk onder het hek stroomde, gaf haar geen antwoord. Misschien kon ze vandaag wel niet te weten komen wie ze nu was. Misschien was het genoeg om te weten dat ze niet langer de persoon was die ze eerder was.

Nog steeds lag de Spreker op het gras te staren naar de donkere wolken die uit het westen kwamen. ‘Ik heb u alles verteld wat ik weet,’ zei Ela. ‘Ik heb u verteld wat er in die bestanden zit — gegevens over de Descolada. Meer weet ik niet.’

‘Dat is niet waar,’ zei de Spreker.

‘Maar ik weet echt niet meer.’

‘Bedoel je dat je haar hebt gehoorzaamd? Dat toen je moeder je verbood om theoretisch werk te doen, jij eenvoudig je verstand uitschakelde en deed wat ze je opdroeg?’

Ela giechelde. ‘Dat denkt zij.’

‘Maar je deed het niet.’

‘Zij is dan misschien geen wetenschappelijk onderzoeker, maar ik wel.’

‘Vroeger was ze dat wel,’ zei de Spreker. ‘Ze slaagde op haar dertiende al voor het examen.’

‘Ik weet het,’ zei Ela.

‘En ze wisselde vroeger ook gegevens uit met Pipo voor hij stierf.’

‘Dat weet ik ook. Ze had alleen een hekel aan Libo.’

‘Vertel me dan eens, Ela, wat heb jij in je theoretische werk allemaal ontdekt?’

‘Ik heb geen antwoorden ontdekt. Maar ik weet in ieder geval wel een aantal vragen te formuleren. Dat is een begin, nietwaar? Niemand anders stelt hier vragen. Grappig, nietwaar? Miro zegt dat de framling xenologen hem en Ouanda altijd aan hun kop zeuren om meer informatie, meer gegevens, maar de wet verbiedt hun om meer te weten te komen. En toch heeft er nog nooit een framling xenobioloog aan óns om gegevens gevraagd. Ze bestuderen allemaal alleen maar de biosfeer van hun eigen planeet en ze stellen moeder geen enkele vraag. Ik ben de enige die vragen stelt en dat kan niemand wat schelen.’

‘Mij kan het schelen,’ zei de Spreker. ‘Ik moet weten wat je vragen zijn.’

‘Goed, hier komt er één. We hebben hier binnen het hek een kudde cabras. De cabras kunnen niet over het hek springen, ze raken het zelfs niet aan. Ik heb elke cabra uit de kudde onderzocht en gemerkt en weet u wat? Er is niet één mannelijk exemplaar bij. Het zijn allemaal vrouwtjes.’

‘Pech,’ zei de Spreker. ‘Je zou toch denken dat ze minstens één mannetje binnen het hek gehouden zouden hebben.’

‘Het maakt niet uit,’ zei Ela. ‘Ik weet helemaal niet of er wel mannetjes bestaan. In de afgelopen vijf jaar heeft elke volwassen cabra minstens één keer een jong geworpen. En niet één van hen heeft gepaard.’

‘Misschien klonen ze zich,’ zei de Spreker.

‘De jongen zijn niet genetisch identiek aan de moeder. Dat kon ik in het lab nog wel stiekem onderzoeken zonder dat moeder het merkte. Er wordt dus op een of andere manier genetisch materiaal uitgewisseld.’

‘Hermafrodieten?’

‘Nee. Volledig vrouwelijk. Mannelijke geslachtsorganen ontbreken geheel. Nou, is dat een belangrijke vraag of niet? Op een of andere manier wisselen de cabras genetisch materiaal uit zonder geslachtsgemeenschap.’

‘Alleen de theologische implicaties al zijn ontstellend.’

‘Daar moet u niet mee spotten.’

‘Waarmee niet? Wetenschap of theologie?’

‘Met geen van beide. Wilt u nog meer van mijn vragen horen of niet?’

‘Ja, graag,’ zei de Spreker.

‘Probeer dan deze eens. Het gras waarop u ligt — wij noemen het grama. Alle waterslangen komen erin uit. Wormpjes zo klein dat je ze amper kunt zien. Ze vreten het gras kaal tot op de wortels en ze vreten elkaar ook nog op en elke keer dat ze groter worden, werpen ze hun huid af. En dan ineens, als het gras helemaal glibberig is van hun dode huiden, kronkelen alle slangen de rivier in om er nooit meer uit te komen.’

Hij was geen xenobioloog. Hij begreep niet meteen wat het belang hiervan was.

‘De waterslangen kruipen hier uit het ei,’ legde ze uit, ‘maar ze komen nooit meer uit het water om eieren te leggen.’

‘Dan paren ze dus voor ze het water ingaan.’

‘Goed, uiteraard, duidelijk. Ik heb ze zien paren. Dat is het probleem niet. Het probleem is, waarom zijn ze waterslangen?

Hij snapte het nog steeds niet.

‘Moet u horen, ze zijn volledig aangepast aan het leven onder water. Naast hun longen hebben ze kieuwen, het zijn geweldige zwemmers, ze hebben stuurvinnen, ze zijn helemaal uitgeëvolueerd om als volwassen dier in het water te leven. Maar waarom zou die ontwikkeling ooit plaatsgevonden hebben als ze op land geboren worden, op land paren en zich op land voortplanten?’ Voor zover het de evolutie betreft, is alles wat gebeurt nadat je je hebt voortgeplant volkomen onbelangrijk, behalve als je broedzorg kent en broedzorg kennen de waterslangen absoluut niet. Het feit dat ze in water leven draagt niets bij aan hun vaardigheid om in leven te blijven tot ze zich voortplanten. Al zouden ze meteen verzuipen als ze zich in het water laten glijden, dan maakte het nog niets uit omdat hun voortplanting al achter de rug is.’

‘Ja,’ zei de Spreker. ‘Nu begrijp ik het.’

‘Je vindt wel kleine glasheldere eitjes in het water, trouwens. Ik heb nog nooit gezien dat een waterslang die legde, maar aangezien er geen ander dier in of bij de rivier leeft dat groot genoeg is om eieren te leggen, lijkt het logisch dat het waterslangeieren zijn. Nu zijn die grote, doorzichtige eieren — ze hebben een middellijn van een centimeter — volkomen onvruchtbaar. De voedingsstoffen zijn aanwezig, alles is klaar, maar er is geen embryo. Helemaal niets. In sommige eieren tref je een gameet aan — een half stel genen in een cel, klaar om zich te verenigen — maar er is nooit één levende bij. En we hebben op land nog nooit waterslangeieren gevonden. De ene dag is er alleen nog maar grama dat steeds rijper wordt en de volgende dag krioelen de gramasprieten van de babywaterslangetjes. Klinkt dat als een vraag die de moeite van het onderzoeken waard is?’

‘Zo te horen moet het generatio spontanea zijn.’

‘Ja, nou ik zou graag genoeg gegevens willen verzamelen om een paar andere hypotheses uit te proberen, maar moeder geeft me geen gelegenheid. Ik heb haar daarom gevraagd en toen droeg ze het hele amarant-testproces aan mij over zodat ik geen tijd meer zou hebben om in de rivier te rotzooien. Nog een andere vraag. Waarom zijn er hier maar zo weinig soorten? Op elke andere planeet, zelfs op de planeten die veel weghebben van woestijnen zoals Trondheim, zijn er duizenden verschillende soorten, in ieder geval in het water. Voor zover ik kan nagaan, is er hier amper een handjevol.

De xingadoras zijn de enige vogels die wij hebben waargenomen. De zuigvliegen zijn de enige vliegen. De cabras zijn de enige grazers die het capimgras eten. Op de cabras na zijn de zwijntjes de enige grote dieren die wij hebben waargenomen. Maar één boomsoort. Maar één grassoort op de prairie, de capim; en de enige andere concurrerende plant is de tropeço, een lange slingerplant die meters en meters over de grond kruipt — de xingadoras maken hun nest van de ranken. Dat is het. De xingadoras eten de zuigvliegen en niets anders. De zuigvliegen eten de algen aan de oever van de rivier, plus ons afval en meer niet. Er is niets dat de xingadora eet. Er is niets dat de cabra eet.’

‘Heel beperkt,’ zei de Spreker.

‘Onmogelijk beperkt Er zijn hier tienduizenden ecologische gaatjes die volledig oningevuld zijn. Het is gewoon onmogelijk dat de evolutie deze wereld zo schaars zou hebben kunnen achterlaten.’

‘Tenzij er een ramp heeft plaatsgevonden.’

‘Precies.’

‘Iets dat alles uitroeide op een handjevol soorten na die zich konden aanpassen.’

‘Ja,’ zei Ela. ‘Ziet u het nu? En ik heb bewijzen ook.’ De cabras hebben een groepsgedrag. Als je ze nadert en ze ruiken je, dan vormen de volwassen dieren een kring met de koppen naar binnen zodat ze naar de indringer kunnen schoppen om de jongen te beschermen.’

‘Dat doen een heleboel kuddedieren.’

‘Maar waartegen moeten ze beschermd worden? De zwijntjes leven uitsluitend in het bos — die jagen nooit op de prairie. Wat het roofdier ook was dat de cabras tot dat gedragspatroon dwong, nu bestaat het niet meer. En dat is nog maar van kort geleden — van de laatste honderdduizend jaar, de laatste miljoen jaar misschien.’

‘Er is niets te vinden dat erop wijst dat er minder dan twintig miljoen jaar geleden nog een meteoorinslag heeft plaatsgevonden,’ zei de Spreker.

‘Nee. Zo’n soort ramp zou alle grote dieren en planten doden en honderden kleine soorten overlaten, of misschien alle landleven uitroeien en alleen het zeeleven overlaten. Maar land, zee, alle omgevingen zijn onttakeld, en toch hebben enkele grote diersoorten het overleefd. Nee, volgens mij was het een ziekte. Een ziekte die over alle soortgrenzen heen toesloeg doordat hij zich aan elk levend ding kon aanpassen. Natuurlijk zouden wij die ziekte nu niet meer opmerken omdat alle soorten die hem overleefd hebben eraan zijn aangepast. Hij zou deel uitmaken van hun gewone levenspatroon. De enige manier waarop wij de ziekte zouden kunnen opmerken—’

‘Is wanneer we hem zelf zouden krijgen,’ zei de Spreker. ‘De Descolada.’

‘Ziet u nu? Alles komt terug bij de Descolada. Mijn grootouders vonden een manier om te voorkomen dat mensen er nog langer aan overleden, maar dat vergde uiterst kundige genetische manipulatie. De cabras, de waterslangen, zij vonden ook een manier om zich aan te passen en ik denk niet dat dat met een aanvulling op hun dieet gebeurde. Volgens mij houdt het allemaal verband met elkaar. De eigenaardige ongerijmdheden in de voortplanting, de leegte van het ecosystem, het komt allemaal terug bij de Descola-dalichaampjes en moeder wil me niet toestáan om die te onderzoeken. Ze wil me niet laten onderzoeken wat ze zijn, hoe ze werken, hoe ze te maken kunnen hebben met de—’

‘Met de zwijntjes.’

‘Ja, natuurlijk, maar niet alleen met hen, met alle dieren—’

De Spreker zag eruit alsof hij zich met moeite in bedwang kon houden. Alsof ze een verklaring voor iets moeilijks had gegeven. ‘De avond dat Pipo stierf, maakte ze alle bestanden met het werk waaraan ze op dat moment bezig was ontoegankelijk, en ze maakte ook de bestanden met de onderzoeksgegevens over de Descolada ontoegankelijk. Wat zij Pipo liet zien, had te maken met de Descoladalichaatnpjes en het had te maken met de zwijntjes—’

‘Heeft ze daarom de bestanden ontoegankelijk gemaakt?’ vroeg Ela.

‘Ja. Ja.’

‘Dan heb ik gelijk, niet?’

‘Ja,’ zei hij. ‘Dank je wel. Je hebt me meer geholpen dan je weet.’

‘Betekent dit dat u al gauw vaders dood zult Bespreken?’

De Spreker keek haar behoedzaam aan. ‘Jij wilt eigenlijk helemaal niet dat ik voor je vader Spreek. Jij wilt dat ik voor je moeder Spreek.’

‘Zij is niet dood.’

‘Maar je weet dat ik onmogelijk Marcão kan Bespreken zonder uit te leggen waarom hij met Novinha trouwde en waarom ze al die jaren getrouwd bleven.’

‘Dat is zo. Ik wil alle geheimen aan het licht brengen. Ik wil alle bestanden toegankelijk maken. Ik wil niet dat er iets verborgen blijft.’

‘Je weet niet wat je vraagt,’ zei de Spreker. ‘Je weet niet hoeveel pijn het zal veroorzaken als alle geheimen openbaar worden.’

‘Kijk toch eens naar ons gezin, Spreker,’ antwoordde ze. ‘Hoe kan de waarheid in godsnaam meer pijn veroorzaken dan de geheimen al veroorzaakt hebben?’

Hij lachte naar haar, maar het was geen vrolijke lach. Het was een lach vol genegenheid en zelfs medelijden. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij, ‘je hebt volkomen gelijk, maar misschien zal het je moeilijk vallen om dat te beseffen als je het hele verhaal te horen krijgt.’

‘Ik kén het hele verhaal, voor zover het gekend kan worden.’

‘Dat denkt iedereen en niemand heeft gelijk.’

‘Wanneer gaat u Spreken?’

‘Zou gauw als ik kan.’

‘Waarom dan niet nu meteen? Vandaag? Waar wacht u nog op?’

‘Ik kan niets doen tot ik met de zwijntjes gesproken heb.’

‘Dat is toch zeker een geintje, niet? Niemand mag mét de zwijntjes praten behalve de zenadors. Dat is een parlementair besluit. Niemand kan daar onderuit.’

‘Ja,’ zei de Spreker. ‘Daarom zal het moeilijk worden.’

‘Niet moeilijk, onmogelijk—’

‘Misschien,’ zei hij. Hij stond op; zij ook. ‘Ela, je hebt me geweldig geholpen. Je hebt me alles geleerd wat ik van je hoopte te leren. Net als Olhado deed. Maar het stond hem helemaal niet aan wat ik deed met de dingen die hij me leerde en nu vindt hij dat ik hem heb verraden.’

‘Hij is nog een kind, ik ben achttien.’

De Spreker knikte, legde zijn hand op haar schouder en gaf haar een kneepje. ‘Dan is alles dus in orde tussen ons. Dan zijn we dus vrienden.’

Ze was er bijna zeker van dat ze een spottende klank in zijn woorden bespeurde. Spot en nog iets, iets smekends misschien wel. ‘Ja,’ zei ze vastberaden. ‘We zijn vrienden. Voor eeuwig.’

Hij knikte weer, draaide zich om, duwde zijn boot van de kant en plaste er achteraan door de blubber en het riet. Toen de boot eenmaal goed vlot was, ging hij op het bankje zitten, legde de riemen in de dollen, begon te roeien en hief vervolgens zijn hoofd op om haar lachend aan te kijken. Ela lachte terug, maar de lach kon de opgetogenheid die ze voelde, de geweldige opluchting, niet overbrengen. Hij had naar alles geluisterd en alles begrepen en hij zou zorgen dat alles in orde kwam. Zij geloofde dat, geloofde dat zo vast dat ze niet eens merkte dat dat de bron van haar vreugde was. Ze wist alleen maar dat ze een uur met de Spreker voor de Doden had gepraat en dat ze zich nu kwieker voelde dan ze in jaren had gedaan.

Ze pakte haar schoenen, trok ze weer aan en wandelde naar huis. Moeder zou nog in de biologistapost zijn, maar Ela had vanmiddag geen zin om te werken. Ze wilde naar huis gaan en eten koken, dat was altijd werk dat ze in haar eentje moest opknappen. Ze hoopte maar dat niemand tegen haar zou praten. Ze hoopte maar dat er zich geen probleem zou voordoen dat zij zou moeten oplossen. Ze hoopte dat dit gevoel eeuwig zou duren.

Maar Ela was nog maar een paar minuten thuis toen Miro de keuken binnenstormde. ‘Ela,’ zei hij, ‘heb jij de Spreker voor de Doden gezien?’

‘Ja,’ zei ze. ‘Op de rivier.’

‘Waar op de rivier?’

Als ze hem vertelde waar ze elkaar ontmoet hadden, zou hij weten dat het geen toevallige ontmoeting was. ‘Waarom?’ vroeg ze.

‘Ela, luister, dit is geen moment om achterdochtig te zijn, alsjeblieft. We moeten hem vinden. We hebben boodschappen voor hem achtergelaten, de computer kan hem niet vinden—’

‘Hij roeide stroomafwaarts in de richting van zijn huis. Hij zal waarschijnlijk binnenkort wel thuis zijn.’

Miro rende de keuken uit naar de voorkamer. Ela hoorde hem iets intoetsen op het werkstation. Toen kwam hij de keuken weer in. ‘Bedankt,’ zei hij. ‘Reken maar niet op mij met het eten.’

‘Wat is er ineens zo dringend?’

‘Niks.’ Het was zo belachelijk om ‘niks’ te zeggen als Miro duidelijk opgewonden was en haast had, dat ze allebei onmiddellijk in lachen uitbarstten. ‘Goed,’ zei Miro, ‘het is niet niks, het is iets, maar ik kan er niet over praten, duidelijk?’

‘Duidelijk.’ Maar binnenkort zijn alle geheimen bekend, Miro.

‘Wat ik niet begrijp, is waarom hij onze boodschap niet kreeg. Ik bedoel, de computer riep hem op. Hij draagt toch een oorcontact. De computer hoort hem te kunnen bereiken. Maar ja, misschien had hij het wel uitstaan.’

‘Nee,’ zei Ela. ‘Het lampje was aan.’

Miro hield zijn hoofd schuin en keek haar met gefronste wenkbrauwen aan. ‘Jij kan nooit dat kleine rode lampje in zijn oorsieraad gezien hebben, niet als hij toevallig midden op de rivier in een roeibootje voorbij kwam.’

‘Hij kwam aan wal. We hebben zitten praten.’

‘Waarover?’

Ela lachte. ‘Niks,’ zei ze.

Hij lachte terug maar hij keek tegelijk kwaad. Ze begreep het: Jij mag wel geheimen voor mij hebben, maar ik mag geen geheimen voor jou hebben, zo is het toch, Miro?

Maar hij begon er niet over te zeuren. Hij had veel te veel haast. Moest de Spreker te pakken zien te krijgen en wel nu meteen en hij kwam niet thuis eten.

Ela had het gevoel dat de Spreker misschien wel eerder de zwijntjes te spreken zou krijgen dan zij voor mogelijk had gehouden. Even was ze opgetogen. Er zou een eind komen aan het wachten.

Toen zakte de opgetogenheid weg en kwam er iets anders voor in de plaats. Heftige angst. Een nachtmerriebeeld van China’s papai, die aardige Libo, die dood op de helling lag, verscheurd door de zwijntjes. Alleen was het niet Libo zoals zij zich altijd het gruwelijke tafereel had voorgesteld. Het was Miro. Nee, nee, het was Miro niet. Het was de Spreker. Het was de Spreker die doodgemarteld zou worden. ‘Nee,’ fluisterde ze.

Toen huiverde ze en het nachtmerriebeeld loste op. Ze ging weer verder met haar pogingen om de macaroni zo te kruiden dat hij lekkerder zou smaken dan amarantlijm.

14. Verraders

BLADETER: Mens zegt dat als jullie broeders sterven jullie hen in de aarde begraven en vervolgens met die aarde huizen bouwen. (Gelach.)

MIRO: We graven nooit waar mensen begraven liggen.

BLADETER: (staat helemaal stijf van opwinding) Dan hebben jullie dus helemaal niets aan jullie doden!

Ouanda Quenhatta Figueira Mucumbi, Opgetekende gesprekken, 105:0:1969:4:15:111

Ender had gedacht dat het misschien nog moeilijk zou worden om hem door het hek te krijgen, maar Ouanda legde haar hand tegen de controledoos, Miro duwde het hek open en ze liepen er met zijn drieën doorheen. Fluitje van een cent. Kennelijk was wat Ela hem te verstaan had gegeven waar — niemand wil buiten het hek komen, en dus was er geen serieuze bewaking nodig. Ender had er geen flauw idee van of dat nu betekende dat de mensen er heel tevreden mee waren om in Milagre te blijven of dat ze bang waren van de zwijntjes of dat ze hun opgeslotenheid zo haatten dat ze net moesten doen of het hek niet bestond.

Ouanda en Miro waren allebei erg gespannen, bijna bang. Dat was natuurlijk begrijpelijk, aangezien ze de parlementaire regels schonden door hem mee te nemen. Maar Ender vermoedde dat er wel meer achter zat. Miro’s spanning ging gepaard met opwinding, een sfeer van haast; hij was misschien wel bang, maar hij wilde zien wat er zou gebeuren, wilde opschieten. Ouanda aarzelde wat, liep met afgemeten passen en haar kille houding straalde niet alleen angst uit maar ook vijandigheid. Zij vertrouwde hem niet.

Ender was dus niet verbaasd toen ze achter de grote boom stapte die het dichtst bij het hek groeide en wachtte tot Ender en Miro zich daar bij haar voegden. Ender zag dat Miro heel even geërgerd keek en zichzelf vervolgens beheerste. Zijn neutrale masker was zo koel als een menselijk wezen het ooit kon hopen te maken. Ender merkte dat hij Miro vergeleek met de jongens die hij op de krijgsschool had gekend, dat hij hem opnam als een strijdmakker en hij bedacht dat Miro het daar lang niet slecht gedaan zou hebben. Ouanda ook niet trouwens, maar om heel andere redenen: Zij achtte zich verantwoordelijk voor wat er gebeurde, ook al was Ender een volwassene en was zij veel jonger. Ze gedroeg zich in het geheel niet nederig jegens hem. Waar ze ook bang voor was, in ieder geval niet voor gezag.

‘Hier?’ vroeg Miro minzaam.

‘Of helemaal niet,’ zei Ouanda.

Ender vouwde zich dubbel om met zijn rug tegen de stam op de grond te gaan zitten. ‘Dit is toch Wroeters boom, nietwaar?’ vroeg hij.

Ze namen het kalm op — uiteraard — maar hun korte aarzeling vertelde hem dat hij hen inderdaad verrast had met zijn kennis van iets uit een verleden dat zij vast en zeker als het hunne beschouwden. Ik mag hier dan wel een framling zijn, zei Ender zwijgend, maar dat betekent niet dat ik niets weet.

‘Ja,’ zei Ouanda. ‘Hij is de totem waar ze kennelijk de meeste — richtlijnen van krijgen. Tegenwoordig althans — de laatste zeven of acht jaar. Ze hebben ons rituelen waarin ze met hun voorouders praten nooit laten zien, maar ze schijnen erbij op de bomen te trommelen met zware gepolijste stokken. Soms kunnen we ze ’s nachts horen.’

‘Stokken? Van sprokkelhout gemaakt?’

‘Dat nemen we aan. Waarom?’

‘Omdat ze geen stenen of metalen gereedschappen hebben waarmee ze hout kunnen hakken — dat klopt toch? En bovendien, als ze de bomen vereren, kunnen ze ze toch slecht omhakken.’

‘Wij denken niet dat ze de bomen vereren. Het is een totemkwestie. Ze zijn een symbool voor hun dode voorouders. Ze — planten ze. Met de lijken.’

Ouanda had willen stoppen om te praten of om hem te ondervragen, maar Ender was niet van plan om haar in de waan te laten dat zij — of Miro trouwens — de leiding had van deze expeditie. Ender was van plan om in eigen persoon met de zwijntjes te praten. Hij had bij zijn voorbereidingen voor een Bespreking nooit door iemand anders zijn agenda laten bepalen, en hij was niet van plan daar nu mee te beginnen. Bovendien wist hij dingen die zij niet wisten. Hij kende Ela’s theorie.

‘En ergens anders?’ vroeg hij. ‘Planten ze ook op andere momenten bomen?’

Ze keken elkaar aan. ‘Niet dat wij gezien hebben,’ zei Miro.

Ender was niet gewoon maar nieuwsgierig. Hij dacht nog steeds aan wat Ela hem over de ongerijmdheden in de voortplanting had verteld. ‘En groeien de bomen ook nog uit zichzelf? Staan er ook zaailingen en jonge boompjes in het bos?’

Ouanda schudde haar hoofd. ‘We hebben in feite nergens uit kunnen afleiden dat ze ergens anders bomen planten dan in de lijken van de doden. Alle bomen die wij kennen zijn tenminste erg oud, behalve deze drie hier.’

‘Vier, als we niet opschieten,’ zei Miro.

Aha. Dat was de reden van de spanning die er tussen hen heerste. Miro’s haast was ingegeven door zijn verlangen om te voorkomen dat een zwijntje aan de voet van een nieuwe boom geplant zou worden. Terwijl Ouanda zich om heel iets anders druk maakte. Ze hadden zich genoeg aan hem blootgegeven; nu kon hij hen ondervragen. Hij ging rechtop zitten en liet zijn hoofd achteroverzakken en keek omhoog naar de bladerkroon van de boom boven hem, naar de brede takken en het bleke fotosynthesegroen dat de convergentie, de onvermijdelijkheid van de evolutie op elke wereld bevestigde. Dit was de kern van al Ela’s paradoxen: de evolutie op deze wereld lag kennelijk ruim binnen het patroon dat xenobiologen op alle Honderd Werelden hadden aangetroffen, en toch was het patroon ergens verbroken, was het ingestort. De zwijntjes waren een van de enkele tientallen soorten die die instorting overleefd hadden. Wat was de Descolada, en hoe hadden de zwijntjes zich eraan aangepast?

Hij had het gesprek een andere wending willen geven door te vragen waarom ze hier achter deze boom zaten, waarmee hij Ouanda’s vragen had willen uitlokken. Maar toen hij daar zo met zijn hoofd achterover zat en de zachte groene bladeren lichtjes zag bewegen in een bijna onmerkbaar briesje, kreeg hij ineens een sterk gevoel van dêja vu. Hij had al eerder omhooggekeken naar deze bladerkroon. Kort geleden. Maar dat was onmogelijk. Op Trondheim waren er helemaal geen grote bomen en binnen de omheining van Milagre groeide er geen. Waarom deed hem het zonlicht door de bladeren dan zo vertrouwd aan?

‘Spreker,’ zei Miro.

‘Ja,’ zei hij en hij liet zich losrukken uit zijn korte mijmering.

‘Wij wilden u eigenlijk niet hierheen brengen.’ Miro zei het met krachtige stem en hij had zich ten opzichte van Ouanda opgesteld op een manier waaruit Ender begreep dat Miro hem eigenlijk juist wél hierheen had willen halen, maar nu net deed of hij Ouanda’s tegenzin deelde om haar te laten zien dat hij naast haar stond. Jullie houden van elkaar, zei Ender in stilte. En vanavond, als ik vanavond Marcão’s dood Bespreek, zal ik jullie moeten vertellen dat jullie broer en zus zijn. Ik moet de wig van het incesttaboe tussen jullie drijven. En jullie zullen me er vast en zeker om haten.

‘U krijgt een aantal—’ Ouanda kon de woorden niet over haar lippen krijgen.

‘Wij noemen ze Twijfelachtige Bezigheden. Pipo is er per ongeluk mee begonnen. Maar Libo deed het opzettelijk en wij zetten zijn werk voort. We doen het voorzichtig en geleidelijk. We hebben niet zomaar zonder meer de parlementaire regels hierover opzij gezet. Maar er waren crises en we moesten helpen. Een paar jaar geleden, bijvoorbeeld, hadden de zwijntjes een tekort aan macios, de bastwor-men die ze toen voornamelijk aten—’

‘Ga je hem dat allemaal eerst vertellen?’ vroeg Ouanda.

Aha, dacht Ender. Zij vindt het minder belangrijk om de schijn van solidariteit op te houden dan hij.

‘Hij is hier onder andere om Libo’s dood te Bespreken,’ zei Miro. ‘En dit gebeurde daar vlak voor.’

‘We hebben geen enkel bewijs van een oorzakelijk verband—’

‘Laat mij de oorzakelijke verbanden maar ontdekken,’ zei Ender rustig. ‘Vertel me wat er gebeurde toen de zwijntjes honger kregen.’

‘Het waren de vrouwen die honger leden, zeiden ze.’ Miro lette niet op Ouanda’s onrustige gedrag. ‘Ziet u, de mannen verzamelen voedsel voor de vrouwen en de jongen en er was dus niet genoeg voor iedereen. Ze hadden het er telkens maar over dat ze ten oorlog zouden moeten trekken. En dat ze waarschijnlijk allemaal zouden sterven.’ Miro schudde zijn hoofd. ‘Het leek wel of ze er gelukkig mee waren.’

Ouanda stond op. ‘Hij heeft nog niet eens iets beloofd. Heeft helemaal niets beloofd.’

‘Wat wil je dat ik beloof?’ vroeg Ender.

‘Om hiervan… niks te—’

‘Om niet te klikken?’ vroeg Ender.

Ze knikte, hoewel ze duidelijk de pest in had over de kinderlijke term.

‘Zoiets wil ik niet beloven,’ zei Ender. ‘Het is mijn werk om alles te vertellen.’

Ze keek Miro vlug aan. ‘Zie je nou!’

Nu keek Miro ook bang. ‘Maar u mag het niet vertellen. Dan sluiten ze het hek af. Ze laten ons er nooit meer door!’

‘En dan zouden jullie ander werk moeten zoeken?’ vroeg Ender.

Ouanda keek hem minachtend aan. ‘Denkt u soms dat xenologie niet meer is? Alleen maar werk. Daar in het bos woont een ander intelligent volk. Ramen, geen varelse en wij moeten hen leren kennen.’

Endet gaf geen antwoord, maar zijn blik week niet van haar gezicht.

‘Het is net als in De zwermkoningin en de hegemoon,’ zei Miro. ‘De zwijntjes zijn net als de kruiperds. Alleen kleiner en zwakker, primitiever. We moeten hen bestuderen, ja, maar dat is niet genoeg. Je kunt beesten bestuderen zonder je er ook maar enigszins om te bekommeren of er een dood neervalt of opgevreten wordt, maar deze schepsels zijn… ze zijn net als wij. We kunnen hun honger toch niet bestuderen of waarnemen hoe ze elkaar in een oorlog vernietigen! We kennen ze, we—’

‘Houden van ze,’ zei Ender.

‘Ja!’ zei Ouanda uitdagend.

‘Maar als jullie hen zouden verlaten, als jullie hier helemaal niet waren, dan zouden ze niet verdwijnen, toch?’

‘Nee,’ zei Miro.

‘Ik zei toch al dat hij net zo zou reageren als de commissie,’ zei Ouanda.

Ender negeerde haar. ‘Wat zou het hun kosten als jullie de planeet zouden verlaten?’

‘Het zou net zijn of—’ Miro zocht naar woorden. ‘Stel dat je terug kon gaan, naar de oude Aarde, naar voor de Anderlingenmoord, voor de ruimtevaart, en je zei tegen hen: Jullie kunnen naar de sterren reizen, jullie kunnen op andere werelden leven. En dan liet je hun wel duizend kleine wondertjes zien. Licht dat je met een schakelaar aan kan doen. Staal. Zelfs heel eenvoudige dingen: potten om water in te bewaren, landbouw. Ze zien jou, ze weten wat je bent, ze weten dat zij kunnen worden wat jij bent, dat ze alle dingen kunnen leren doen die jij doet. Wat zeggen ze dan: Doe dat weg, laat het ons niet zien, laat ons onze ellendige, korte, wrede levens leven, laat de evolutie zijn loop hebben? Nee. Ze zeggen: Geef ons, leer ons, help ons.’

‘En jullie zeggen, dat kan ik niet, en dan ga je weg.’

‘Het is te laat!’ zei Miro. ‘Begrijpt u het niet? Ze hebben de wonderen al gezien! Ze hebben ons hier al zien vliegen. Ze hebben gezien dat wij groot en sterk zijn en dat wij magische gereedschappen hebben en kennis van dingen waarvan zij nog nooit gedroomd hebben. Het is te laat om goeiedag tegen hen te zeggen en te vertrekken. Ze weten wat er mogelijk is. En hoe langer we blijven, des te meer zij proberen te leren, en hoe meer zij leren, des te meer zien wij hoe leren hen helpt, en als je ook maar een greintje erbarmen bezit, als je begrijpt dat ze… dat ze—’

‘Mensen zijn.’

‘Mensen zijn.’

‘Nou in ieder geval ramen. Ze zijn onze kinderen, begrijpt u dat?’

Ender glimlachte. ‘Of wat mensch is er onder u, zoo zijn zoon hem zoude bidden om brood, die hem eene steen zal geven?’

Ouanda knikte. ‘Zo is het precies. De parlementaire regels zeggen dat wij hun stenen moeten geven. Al hebben we nog zoveel brood.’

Ender stond op. ‘Kom, laten we gaan.’

Ouanda was nog niet zover. ‘U hebt niet beloofd—’

‘Heb je De zwermkoningin en de hegemoon gelezen?’

‘Ik wel,’ zei Miro.

‘Kan jij je voorstellen dat iemand die verkiest om zich Spreker voor de Doden te noemen vervolgens iets doet dat deze kleine schepsels, deze pequeninos, zal schaden?’

Ouanda’s bezorgdheid nam duidelijk af, maar haar vijandigheid was nog even groot. ‘U bent een gladde, Senhor Andrew, Spreker voor de Doden, u bent ontzettend slim. U herinnert hem aan de zwermkoningin en tegen mij citeert u even terloops uit de bijbel.’

‘Ik spreek tegen iedereen in de taal die hij verstaat,’ zei Ender. ‘Dat heeft niets te maken met glad zijn, maar alles met duidelijk zijn.’

‘Dus u gaat gewoon doen wat u wilt.’

‘Zolang het de zwijntjes niet zal schaden.’

‘Ja, naar úw oordeel,’ hoonde Ouanda.

‘Ik kan nu eenmaal niet op een anders oordeel afgaan.’ Hij liep bij haar vandaan, onder de schaduw van de brede bladerkroon van de boom uit, en ging op weg naar het bos dat hem boven op de heuvel wachtte. Ze volgden hem, hollend om hem in te halen.

‘Ik moet u nog iets vertellen,’ zei Miro. ‘De zwijntjes hebben naar u gevraagd. Zij geloven dat u de Spreker bent die De zwermkoningin en de hegemoon heeft geschreven.’

‘Hebben zij het gelezen?’

‘Ze hebben het zelfs bij hun religie ingelijfd. Ze behandelen de uitgeprinte versie die wij hun gegeven hebben als een heilig boek. En nu beweren ze ook nog dat de zwermkoningin in eigen persoon tegen hen praat.’

Ender keek hem aan. ‘Wat zei ze dan?’ vroeg hij.

‘Dat u de echte Spreker bent. En dat u de zwermkoningin hebt meegenomen. En dat u haar hierheen zal brengen om bij hen te leven en hun alles over metaal te leren en — het is allemaal malligheid, hoor. Dat is nog het ergste, ze hebben zulke onmogelijke verwachtingen van u.’

Het kon natuurlijk eenvoudig een gevat van de wens is de vader van de gedachte zijn, zoals Miro kennelijk meende, maar Ender wist dat de zwermkoningin vanuit haar cocon met iemand had gepraat. ‘Wat zeggen ze over de manier waarop de zwermkoningin met hen praat?’

Nu liep Ouanda aan de andere kant naast hem. ‘Niet met hen, alleen met Wroeter. En Wroeter praat tegen hen. Het maakt allemaal deel uit van hun totemstelsel. Wij zijn daar altijd in meegegaan en hebben net gedaan of we het geloofden.’

‘Wat neerbuigend van jullie,’ zei Ender.

‘Het is de standaard antropologenpraktijk,’ zei Miro.

‘Jullie hebben het zo druk met net doen alsof jullie hen geloven, dat er geen kijk op is dat jullie echt iets van hen kunnen leren.’

Even bleven ze achter, zodat hij daadwerkelijk in zijn eentje het bos inliep. Toen renden ze hem achterna om hem in te halen. ‘We hebben er ons hele leven aan gewijd om kennis over hen te vergaren!’ riep Miro.

‘Maar niet van hen.’ Ze bevonden zich nog vlak bij de bosrand; het vlekkerige licht dat door de bladeren viel maakte hun gezichten onleesbaar. Maar hij wist wat er op hun gezichten te zien zou zijn. Ergernis, verontwaardiging, minachting — hoe durfde deze onbevoegde vreemdeling hun beroepsmatige opstelling ter discussie te stellen? Nou gewoon zo: ‘Jullie zijn doorgewinterde cultuurchauvinisten. Jullie voeren je Twijfelachtige Bezigheden uit om de arme kleine zwijntjes te helpen, maar reken maar niet dat jullie het zullen merken als jullie iets van hén kunnen leren!’

‘Wat dan bijvoorbeeld?’ wilde Ouanda weten. ‘Hoe ze hun grootste weldoener vermoordden door hem dood te martelen nadat hij de levens van tientallen vrouwen en kinderen had gered?’

‘Waarom laten jullie dat dan toe? Waarom blijven jullie hen gewoon helpen na wat ze gedaan hebben?’

Miro glipte tussen Ender en Ouanda in. Om haar te beschermen, dacht Ender; of anders om te verhinderen dat ze haar zwakke kanten blootgeeft. ‘Wij zijn vaklui. Wij begrijpen dat cultuurverschillen die wij niet kunnen verklaren—’

‘Jullie begrijpen dat de zwijntjes dieren zijn en jullie veroordelen hen dus net zo min voor het vermoorden van Libo en Pipo als jullie een cabra zouden veroordelen voor het vermalen van capim.’

‘Zo is het,’ zei Miro.

Ender glimlachte. ‘En dat is precies de reden dat jullie nooit iets van hen zullen leren. Omdat jullie hen als dieren beschouwen.’

‘Wij beschouwen hen als ramen!’ zei Ouanda, die Miro opzij duwde. Kennelijk had ze helemaal geen zin zich te laten beschermen.

‘Jullie behandelen hen alsof ze niet verantwoordelijk zijn voor hun eigen daden,’ zei Ender. ‘Ramen zijn verantwoordelijk voor wat ze doen.’

‘Wat bent ú dan van plan?’ vroeg Ouanda spottend. ‘Hier binnenstormen en ze voor het gerecht slepen?

‘Ik zal je één ding vertellen. De zwijntjes zijn meer over mij te weten gekomen van de dode Wroeter dan jullie, die mij in levende lijve naast jullie hebben.’

‘Wat moet dat nu weer betekenen? Dat u inderdaad de oorspronkelijke Spreker bent?’ Miro beschouwde dat denkbeeld kennelijk als het toppunt van belachelijkheid. ‘En ik neem aan dat u ook werkelijk een stelletje kruiperds in uw schip in de parkeerbaan hebt zitten, om die straks naar beneden te kunnen brengen en—’

‘Wat het betekent,’ zei Ouanda, ‘is dat deze amateur denkt dat hij beter is toegerust om met de zwijntjes om te gaan dan wij. En wat mij betreft vind ik dat voldoende bewijs van het feit dat we nooit hadden moeten toezeggen om hem mee te nemen naar—’

Op dat moment hield Ouanda haar mond, want er was een zwijntje uit het kreupelhout te voorschijn gekomen. Kleiner dan Ender had verwacht. Zijn geur, die weliswaar niet echt onaangenaam was, was veel sterker dan Jane met haar computersimulatie ooit had kunnen overbrengen. ‘Te laat,’ mompelde Ender. ‘Volgens mij vindt de kennismaking al plaats.’

De gelaatsuitdrukking van het zwijntje, zo hij die al had, was voor Ender volkomen onleesbaar. Maar Miro en Ouanda konden een deel van zijn lichaamstaal verstaan. ‘Hij is verbaasd,’ mompelde Ouanda. Door Ender te vertellen dat zij begreep wat hij niet begreep, zette ze hem op zijn plaats. Dat was prima. Ender wist dat hij hier een nieuweling was. Toch hoopte hij dat hij hen een beetje had losgeschud uit hun gewone, onbetwijfelde manier van denken. Het was duidelijk dat ze vastgeroeste denkpatronen volgden. Wilde hij echt iets aan hen hebben, dan moesten ze zich uit die oude patronen losrukken en nieuwe gevolgtrekkingen leren maken.

‘Bladeter,’ zei Miro.

Bladeter hield zijn ogen strak op Ender gericht. ‘Spreker voor de Doden,’ zei hij.

‘We hebben hem meegebracht,’ zei Ouanda.

Bladeter draaide zich om en verdween tussen de struiken.

‘Wat betekent dat?’ vroeg Ender. ‘Dat hij wegloopt?’

‘Bedoelt u dat u dat zelf nog niet hebt kunnen uitmaken?’ vroeg Ouanda.

‘Of je het nu prettig vindt of niet,’ zei Ender, ‘de zwijntjes willen met mij praten en ik ga met hen praten. Ik denk dat het allemaal beter zal lukken als jullie me helpen begrijpen wat er gaande is. Of begrijpen jullie het ook niet?’

Hij zag hoe ze met hun ergernis worstelden. En toen nam Miro tot Enders grote opluchting een beslissing. In plaats van uit de hoogte te antwoorden, zei hij eenvoudig: ‘Nee, wij begrijpen het ook niet. We spelen nog steeds raadspelletjes met de zwijntjes. Zij stellen ons vragen, wij stellen hun vragen en zowel zij als wij hebben ons uiterste best gedaan om nooit opzettelijk iets te onthullen. We stellen hun zelfs de vragen niet waarop we dringend antwoord moeten hebben, omdat we bang zijn dat ze te veel zouden kunnen afleiden uit onze vragen.’

Ouanda was niet bereid om zich neer te leggen bij Miro’s beslissing om mee te werken. ‘Wij weten meer dan ú in twintig jaar te weten kunt komen,’ zei ze. ‘En u bent totaal getikt als u denkt dat u zich in een kort voorgesprekje van tien minuten alles wat wij weten eigen kunt maken.’

‘Ik hoef me niet eigen te maken wat jullie weten,’ zei Ender.

‘O, vindt u dat?’ zei Ouanda.

‘Omdat ik jullie bij me heb.’ Ender lachte.

Miro begreep het en vatte het op als een compliment. Hij lachte terug. ‘Wat wij weten is het volgende en veel is het niet. Bladeter was mogelijk niet al te blij om u te zien. Er is een geschil tussen hem en een zwijntje dat Mens heet. Toen ze dachten dat we u niet zouden meenemen, was Bladeter ervan overtuigd dat hij had gewonnen. Nu is zijn overwinning hem ontnomen. Misschien hebben we Mens het leven gered.’

‘En kost dat Bladeter het zijne?’ vroeg Ender.

‘Wie weet. Als ik op mijn gevoel afga, zeg ik dat de toekomst van Mens op het spel staat, maar die van Bladeter niet. Bladeter probeert alleen Mens te laten falen, niet om zelf succes te behalen.’

‘Maar jullie weten het niet zeker.’

‘Dat is nu precies zoiets waar we nooit naar vragen,’ zei Miro en hij lachte weer. ‘En u hebt gelijk. Het is zo’n gewoonte geworden dat we meestal niet eens meer merken dat we er niet naar vragen.’

Ouanda was woedend. ‘Hij heeft gelijk? Hij heeft ons zelfs nog nooit aan het werk gezien en toch denkt hij ons te kunnen bekritiseren—’

Maar Ender stelde geen enkel belang in hun onderling gekibbel. Hij beende weg in de richting waarin Bladeter was verdwenen en liet het aan hen over om hem achterna te komen of niet. En natuurlijk kwamen ze hem achterna en lieten hun ruzie rusten voor later. Zodra Ender merkte dat ze weer met hem meeliepen, begon hij weer vragen te stellen. ‘Die Twijfelachtige Bezigheden van jullie,’ zei hij onder het lopen. ‘Hebben jullie nieuw voedsel aan hun dieet toegevoegd?’

‘We hebben hun geleerd om merdonawortels eetbaar te maken,’ zei Ouanda. Ze was kortaf en zakelijk, maar ze deed tenminste haar mond tegen hem open. Ze was niet van plan om zich door haar boosheid te laten weerhouden deel te nemen aan wat duidelijk een beslissende ontmoeting met de zwijntjes zou worden. ‘Hoe ze de cyanide konden verwijderen door de wortels te weken en in de zon te drogen. Dat was de korte-termijnoplossing.’

‘De lange-termijnoplossing was een paar van moeders afgekeurde amarantmutaties,’ zei Miro. ‘Ze maakte een amarantsoort die zo goed aan Lusitania was aangepast dat hij voor mensen niet zo best was. De eiwitstructuur was te Lusitaans en niet aards genoeg. Maar dat klonk voor de zwijntjes net goed. Ik wist Ela over te halen me een paar afgekeurde plantjes toe te spelen zonder haar te laten weten dat het belangrijk was.’

Maak je maar geen illusies over wat Ela weet en wat ze niet weet, zei Ender zwijgend in zichzelf.

‘Libo gaf hun de amarant, leerde hun hoe ze hem moesten planten. En vervolgens leerde hij hun hoe ze van de zaden meel konden malen en daar brood van bakken. Smerig smakend spul, maar het verschafte hun voor het allereerst een dieet dat ze tenminste regelrecht konden beheersen. Sindsdien zijn ze constant dik en energiek geweest.’

Ouanda’s stem klonk verbitterd. ‘Maar meteen nadat de eerste broden naar de vrouwen gebracht waren, vermoordden ze mijn vader.’

Ender liep enkele ogenblikken zwijgend voort en probeerde daar iets van te snappen. De zwijntjes doodden Libo dus onmiddellijk nadat hij hen van de hongerdood had gered? Onvoorstelbaar, en toch was het gebeurd. Hoe kon zo’n samenleving, die degenen die het meest aan het overleven ervan bijdroegen ombracht, zich in godsnaam ontwikkeld hebben? Ze zouden juist het omgekeerde moeten doen — ze zouden de waardevolle personen moeten belonen door hun mogelijkheden om zich voort te planten te vergroten. Zo verbeteren gemeenschappen hun kansen om als groep te overleven. Hoe konden de zwijntjes het in godsnaam overleven als ze de personen doodden die het meest aan hun overleven bijdroegen?

En toch waren er ook menselijke precedenten. Deze kinderen, Miro en Ouanda, met hun Twijfelachtige Bezigheden — zij waren op de lange duur beter en wijzer dan de Gesterntecommissie die de regels had opgesteld. Maar als ze betrapt werden, zouden ze uit hun huizen naar een andere wereld overgebracht worden — wat op zich al een soort doodvonnis was, aangezien iedereen die zij kenden dood zou zijn voor zij ooit konden terugkeren — en daar zouden ze berecht en gestraft worden, mogelijk wel gevangen gezet worden. Hun denkbeelden noch hun genen zouden zich vermenigvuldigen en de gemeenschap zou er armer door worden.

Toch maakte het feit dat mensen iets ook deden het nog niet begrijpelijk. Bovendien zou eventuele arrestátie en gevangenisstraf van Miro en Ouanda wel degelijk begrijpelijk zijn als je mensen beschouwde als een enkele gemeenschap en de zwijntjes als hun vijanden; als je meende dat alles wat de zwijntjes hielp om in leven te blijven op een of andere manier een bedreiging voor de mensheid vormde. Dan zou het bestraffen van mensen die de zwijntjescultuur vooruithielpen niet bedoeld zijn om de zwijntjes te beschermen, maar om te voorkomen dat de zwijntjes zich verder ontwikkelden.

Op dat moment zag Ender zonneklaar dat de regels die het contact tussen mensen en zwijntjes regelden helemaal niet functioneerden om de zwijntjes te beschermen. Ze functioneerden om de superioriteit en de oppermacht van de mens te waarborgen. Uit dat oogpunt waren Miro en Ouanda door het uitvoeren van hun Twijfelachtige Bezigheden verraders van het eigenbelang van hun eigen soort.

‘Verraders,’ zei hij hardop.

‘Wat?’ zei Miro. ‘Wat zei u?’

‘Verraders. Mensen die hun eigen volk niet meer willen kennen en zich bij de vijand aansluiten.’

‘Aha,’ zei Miro.

‘Dat zijn wij niet,’ zei Ouanda.

‘Ja, dat zijn we wel,’ zei Miro.

‘Ik heb mijn menselijkheid niet afgezworen!’

‘Zoals bisschop Peregrino die definieert, hebben wij onze menselijkheid al lang geleden afgezworen,’ zei Miro.

‘Maar zoals ik hem definieer—’ begon ze.

‘Zoals jij hem definieert,’ zei Ender, ‘zijn de zwijntjes ook mensen. Dat maakt je juist een verrader.’

‘Ik dacht dat u zei dat wij de zwijntjes als dieren behandelden!’ zei Ouanda.

‘Als jullie hen niet verantwoordelijk stellen voor hun daden, als jullie hun geen rechtstreekse vragen stellen, als jullie hen om de tuin proberen te leiden, dan behandelen jullie hen als dieren.’

‘Met andere woorden,’ zei Miro, ‘als we ons wél aan de regels van de commissie houden.’

‘Ja,’ zei Ouanda, ‘ja, dan klopt het, dan zijn we verraders.’

‘En u?’ vroeg Miro. ‘Waarom bent u een verrader?’

‘O, de menselijke soort heeft mij er al heel lang geleden uitgeschopt. Zo ben ik ook Spreker voor de Doden geworden.’

En met die woorden bereikten ze de open plek van de zwijntjes.

Moeder kwam niet eten en Miro ook niet. Ela vond het best. Als een van hen tweeën thuis was, had Ela geen gezag meer; dan kon ze de jongere kinderen niet onder de duim houden. En toch nam noch Miro noch moeder Ela’s taak over. Niemand deed wat Ela zei en niemand anders probeerde orde te houden. Het was dus rustiger en makkelijker als ze weg bleven.

Niet dat de kleintjes nu wel erg gehoorzaam waren. Ze verzetten zich gewoon minder tegen haar. Ze hoefde maar een paar maal tegen Grego te schreeuwen om hem te laten ophouden met onder tafel Quara te schoppen en te stompen. En vandaag hielden Quim en Olhado zich nogal kalm en zaten ze niet zoals gewoonlijk te kiften.

Tot ze klaar met eten waren.

Quim leunde achterover in zijn stoel en grijnsde gemeen tegen Olhado. ‘Dus jij hebt die spion geleerd om in moeders bestanden in te breken.’

Olhado zei tegen Ela: ‘Je hebt Quims gezicht weer open laten staan, Ela. Je moet toch eens wat netter leren worden.’ Het was Olhado’s manier om door middel van een grapje Ela om hulp te vragen.

Quim wilde niet dat Olhado hulp kreeg. ‘Dit keer staat Ela niet aan jouw kant, Olhado. Niemand staat aan jouw kant. Jij hebt die gluiperige spion helpen inbreken in moeders bestanden en dat maakt jou net zo schuldig als hij. Hij is een duivelsknecht en dat ben jij ook.’

Ela zag de woede in Olhado’s lijf en even zag ze Olhado’s bord al door de lucht vliegen naar Quims hoofd. Maar dat was zo weer over. Olhado dwong zichzelf tot kalmte. ‘Het spijt me,’ zei Olhado. ‘Het was niet mijn bedoeling.’

Hij week voor Quim. Hij gaf Quim gelijk.

‘Ik hoop,’ zei Ela, ‘dat je bedoelt dat het je spijt dat het niet je bedoeling was. Ik hoop niet dat je je verontschuldigt voor hulp aan de Spreker voor de Doden.’

‘Natuurlijk verontschuldigt hij zich voor zijn hulp aan de spion,’ zei Quim.

‘Omdat,’ zei Ela, ‘we allemaal de Spreker zoveel mogelijk moeten helpen.’

Quim sprong overeind, leunde over de tafel en schreeuwde haar vlak in haar gezicht: ‘Hoe kun je dat zeggen? Hij schendt moeders privacy, hij probeert haar geheimen uit te vissen, hij—’

Tot haar eigen verbazing sprong Ela ook overeind, duwde hem achteruit over tafel en schreeuwde terug, alleen harder. ‘Moeders geheimen zijn de oorzaak van de helft van het vergif in dit huis! Moeders geheimen maken ons allemaal doodziek, haar incluis! Dus misschien is de enige manier om de boel hier goed te maken wel om al haar geheimen te stelen en ze aan het licht te brengen waar we ze kunnen doden!’ Ze hield op met schreeuwen. Zowel Quim als Olhado stonden voor haar, tegen de verste muur gedrukt alsof haar woorden kogels waren en zij geëxecuteerd werden. Kalm en nadrukkelijk ging Ela verder. ‘Voor zover ik het kan bekijken, is de Spreker voor de Doden de enige kans die wij hebben om ooit weer een gezin te worden. En moeders geheimen zijn de enige hindernis die hem nog in de weg staat. Ik heb hem dus vandaag alles verteld wat ik over moeders bestanden weet, want ik wil hem elk flardje waarheid geven dat ik kan vinden.’

‘Dan ben jij de ergste verrader van allemaal,’ zei Quim. Zijn stem trilde. Hij stond op het punt om in tranen uit te barsten.

‘Ik zeg dat het juist een daad van trouw is om de Spreker voor de Doden te helpen,’ antwoordde Ela. ‘Moeder gehoorzamen, dat is pas verraad, want wat zij wil en waar zij haar hele leven naar toe heeft gewerkt, is haar eigen zelfvernietiging en de vernietiging van dit gezin.’

Tot Ela’s verbazing was het niet Quim, maar Olhado die begon te huilen. Hij had natuurlijk geen werkende traanklieren meer, die waren verwijderd toen zijn ogen geïnstalleerd werden. Zijn ogen werden dus niet nat, zodat je niet kon zien dat hij zou gaan huilen. Hij boog ineens snikkend voorover en liet zich vervolgens langs de muur omlaagzakken tot hij op de grond zat, waar hij met zijn hoofd tussen zijn knieën heftig bleef zitten snikken. Ela begreep waarom. Omdat ze hem had verteld dat het niet disloyaal was dat hij van de Spreker hield, dat hij niet gezondigd had, en hij geloofde haar toen ze hem dat vertelde, hij wist dat het waar was.

Toen keek ze op van Olhado en zag moeder in de deuropening staan. Ela voelde zich vanbinnen helemaal week worden en beefde bij de gedachte aan wat moeder gehoord moest hebben.

Maar moeder zag er niet boos uit. Alleen een beetje treurig en ontzettend moe. Ze keek naar Olhado.

Quims verontwaardiging vond zijn stem. ‘Heb je gehoord wat Ela zei?’ vroeg hij.

‘Ja,’ zei moeder zonder haar ogen van Olhado af te wenden. ‘En voor zover ik weet heeft ze misschien wel gelijk ook.’

Ela was niet minder geschokt dan Quim.

‘Ga naar jullie kamer, kinderen,’ zei moeder zacht. ‘Ik moet even met Olhado praten.’

Ela wenkte Grego en Quara, die zich van hun stoel lieten glijden en vlug naast Ela kwamen staan, waar ze met grote ogen de ongewone gebeurtenissen bekeken. Tenslotte had zelfs vader Olhado nooit aan het huilen kunnen brengen. Ze nam hen mee de keuken uit en bracht hen naar hun slaapkamer. Ze hoorde Quim door de gang lopen en naar zijn eigen kamer gaan, waar hij met een knal de deur dichtsloeg en zich op zijn bed liet vallen. En in de keuken begonnen Olhado’s snikken langzaam te bedaren en hielden uiteindelijk helemaal op toen moeder hem, voor het eerst sinds hij zijn ogen had verloren, in haar armen hield en hem troostte en haar eigen stille tranen in zijn haar liet glijden terwijl ze hem zachtjes heen en weer wiegde.

Miro wist niet wat hij van de Spreker voor de Doden moest denken. Op een of andere manier had hij zich altijd voorgesteld dat een Spreker erg op een priester zou lijken — of liever gezegd, op hoe een priester hoorde te zijn. Kalm, bedachtzaam, teruggetrokken van de wereld, zorgvuldig daden en beslissingen aan anderen overlatend. Miro had verwacht dat hij wijs zou zijn.

Hij had niet verwacht dat hij zo’n gevaarlijke bemoeial zou zijn. Wijs was hij wel, hij keek dwars door alle schijn heen en zei ofi deed telkens weer schandalige dingen die, als je er over nadacht, precies goed waren. Het leek wel of hij zo vertrouwd was met de menselijke geest dat hij de verlangens zo diep, de waarheden zo goed vermomd dat je zelf niet eens wist dat je ze in je had, van je gezicht af kon lezen.

Hoe vaak had Miro hier samen met Ouanda niet precies zo gestaan om te kijken hoe Libo met de zwijntjes omging. Toch hadden ze bij Libo altijd begrepen wat hij deed; ze kenden zijn techniek, wisten wat zijn doel was. Maar de Spreker volgde gedachtenpatronen die Miro volkomen vreemd waren. Miro vroeg zich af of Ender ondanks zijn menselijke gestalte eigenlijk wel een framling was — hij kon je net zo voor raadsels plaatsen als de zwijntjes. Hij was net zogoed raman als zij, anders, maar geen dier.

Wat zou de Spreker opvallen? De boog die Pijl meedroeg? De in de zon gedroogde kleipot waarin merdonawortels stinkend lagen te weken? Hoeveel van de Twijfelachtige Bezigheden zou hij herkennen en hoeveel zou hij voor inheemse gebruiken houden?

De zwijntjes ontvouwden De zwermkoningin en de hegemoon. ‘Jij,’ zei Pijl, ‘jij hebt dit geschreven?’

‘Ja,’ zei de Spreker voor de Doden.

Miro keek Ouanda aan. In haar ogen schitterde rechtvaardiging. De Spreker is dus een leugenaar.

Mens kwam ertussen. ‘De andere twee, Miro en Ouanda, denken dat je een leugenaar bent.’

Miro keek de Spreker onmiddellijk aan, maar hij keek helemaal niet naar hen. ‘Natuurlijk denken ze dat,’ zei hij. ‘Het is nooit bij hen opgekomen dat Wroeter jullie de waarheid zou kunnen hebben verteld.’

De kalme woorden van de Spreker verontrustten Miro. Kon het dan toch waar zijn? Tenslotte sloegen mensen die tussen sterrenstelsels reisden tientallen, soms wel honderden jaren over als ze zich van het ene stelsel naar het andere begaven. Soms wel een half millennium op één reis. Er waren niet eens zo erg veel reizen voor( nodig om een persoon drieduizend jaar te laten overleven. Maar het zou een veel te ongelooflijk toeval zijn dat de oorspronkelijke Spreker voor de Doden hier zou komen. Behalve dan natuurlijk dat de oorspronkelijke Spreker voor de Doden inderdaad de schrijver van De zwermkoningin en de hegemoon was; hij zou natuurlijk erg veel belang stellen in het eerste volk van ramen na de kruiperds. Ik geloof het niet, hield Miro zichzelf voor, maar hij moest toch toegeven dat het niet onmogelijk was dat het waar was.

‘Waarom zijn ze zo stom?’ vroeg Mens. ‘Dat ze de waarheid niet herkennen als ze hem horen?’

‘Ze zijn niet stom,’ zei de Spreker. ‘Zo zijn mensen nu eenmaal; wij twijfelen aan alles wat we geloven, behalve aan wat we écht geloven en daar twijfelen we nimmer aan. Het kwam nooit bij hen op om te twijfelen aan de gedachte dat de oorspronkelijke Spreker voor de Doden drieduizend jaar geleden stierf, ook al weten ze dat reizen tussen de sterren het leven verlengt.’

‘Maar wij hebben het hun verteld.’

‘Nee — jullie vertelden hun dat de zwermkoningin aan Wroeter had verteld dat ik dit boek heb geschreven.’

‘Daarom hadden ze ook moeten weten dat het waar was,’ zei Mens. ‘Wroeter is wijs, hij is een vader; hij zou nooit een vergissing maken.’

Miro lachte niet, maar hij wilde het eigenlijk wel. De Spreker dacht dat hij zo handig was, maar nu was hijzelf ook aangeland bij het punt waarop alle belangrijke vragen strandden, gedwarsboomd door het hardnekkige volhouden van de zwijntjes dat hun totembomen tegen hen konden praten.

‘Ach,’ zei de Spreker, ‘er is zoveel dat wij niet begrijpen. En zoveel dat jullie niet begrijpen. We zouden elkaar veel meer moeten vertellen.’

Mens ging naast Pijl zitten zodat hij de ereplaats met hem deelde. Kennelijk vond Pijl het niet erg. ‘Spreker voor de Doden,’ zei Mens, ‘breng je ons de zwermkoningin?’

‘Daar heb ik nog geen besluit over genomen,’ zei de Spreker.

Weer keek Miro Ouanda aan. Was de Spreker krankzinnig om de indruk te wekken dat hij iets kon doen dat helemaal niet uitvoerbaar was?

Toen herinnerde hij zich wat de Spreker had gezegd over het twijfelen aan alles wat we geloofden behalve aan wat we echt geloofden. Miro had altijd voor waar gehouden wat iedereen wist — dat de kruiperds allemaal vernietigd waren. Maar stel nu dat een zwermkoningin het had overleefd? Stel dat dat ook mogelijk had gemaakt dat de Spreker voor de Doden zijn boek schreef, omdat hij een kruiperd had waarmee hij kon praten? Het was uiterst onwaarschijnlijk, maar het was niet onmogelijk. Miro wist niet zeker dat alle kruiperds gedood waren. Hij wist alleen maar dat iedereen dat geloofde en dat er in drieduizend jaar door niemand ooit een greintje bewijs voor het tegendeel was aangevoerd.

Maar al was het waar, hoe kon Mens het dan geweten hebben? De eenvoudigste verklaring was dat de zwijntjes het krachtige verhaal van De zwermkoningin en de hegemoon helemaal in hun religie hadden opgenomen en dat ze de gedachte niet konden bevatten dat er vele Sprekers voor de Doden waren en dat die geen van allen het boek geschreven hadden, dat alle kruiperds dood waren en dat er nooit een zwermkoningin kon komen. Dat was de eenvoudigste verklaring die het makkelijkst te aanvaarden was. Elke andere verklaring zou hem dwingen om de mogelijkheid toe te geven dat Wroeters totemboom op een of andere manier tegen de zwijntjes praatte.

‘Wat zal je doen besluiten?’ vroeg Mens. ‘We geven gaven aan de vrouwen om hun aanzien te winnen, maar jij bent de wijste van alle mensen en we hebben niets dat jij nodig hebt.’

‘Jullie hebben vele dingen die ik nodig heb,’ zei de Spreker.

‘Wat? Kan jij dan geen betere potten maken dan deze? Rechtere pijlen? De cape die ik draag is van cabrawol — maar jouw kleren zijn fijner.’

‘Aan dat soort dingen heb ik geen behoefte,’ zei de Spreker. ‘Wat ik nodig heb zijn ware verhalen.’

Mens boog dichter naar de Spreker toe, liet zijn lijf verstrakken van opwinding en verwachting. ‘O, Spreker,’ zei hij, en zijn stem klonk krachtig door het belang van de woorden die hij sprak, ‘ga je ons verhaal toevoegen aan het verhaal van De zwermkoningin en de hegemoon?’

‘Ik ken jullie verhaal niet,’ zei de Spreker.

‘Vraag ons maarl Vraag ons alles!’

‘Hoe kan ik jullie verhaal vertellen? Ik vertel alleen verhalen over de doden.’

‘Wij zijn dood!’ schreeuwde Mens. Miro had hem nog nooit zo bewogen gezien. ‘Wij worden elke dag vermoord. Mensen vullen alle werelden. De schepen reizen door het duister van de nacht van ster naar ster en vullen elk leeg hoekje. Hier zij wij, op onze ene kleine wereld, waar we moeten toekijken terwijl de hele hemel zich met mensen vult. De mensen bouwen hun stomme hek om ons buiten te sluiten, maar dat stelt niets voor. De hemel is ons hek!’ Mens sprong omhoog — verbazingwekkend hoog, want hij had sterke benen. ‘Kijk maar hoe het hek me weer op de grond gooit!’

Hij rende naar de dichtstbijzijnde boom, klom met grote sprongen tegen de stam op, hoger dan Miro hem ooit had zien klimmen; hij klauterde naar het uiteinde van een dikke tak en deed een wilde sprong omhoog in de lucht. Daar bleef hij een angstig ogenblik op het hoogste punt van zijn sprong hangen voor hij door de zwaartekracht met een klap op de grond werd gesmeten.

Miro kon door de kracht van de klap de lucht uit zijn longen horen persen. Met Miro op zijn hielen snelde de Spreker naar Mens toe. Mens ademde niet.

‘Is hij dood?’ vroeg Ouanda achter zijn rug.

‘Neel’ riep een zwijntje in de mannentaal. ‘Je mag niet doodgaan! Nee nee nee!’ Miro keek op; tot zijn verbazing was het Bladeter. ‘Je mag niet doodgaan!’

Toen hief Mens zwakjes een hand op en raakte het gezicht van de Spreker aan. Hij ademde in, een diepe zucht. En toen begon hij te praten: ‘Zie je nu, Spreker? Ik wil er mijn leven voor geven om die muur die ons van de sterren gescheiden houdt te kunnen beklimmen.’

In alle jaren dat Miro de zwijntjes nu kende, en in alle jaren daarvoor, hadden ze nooit met één woord over ruimtevaart gesproken, hadden ze er nooit iets over gevraagd. En toch besefte Miro nu dat alle vragen die ze wel stelden uiteindelijk gericht waren op het ontdekken van het geheim van de ruimtevaart. De xenologen hadden dat nooit beseft omdat ze wisten — wisten zonder twijfelen — dat de zwijntjes zo ver verwijderd waren van het niveau van een cultuur die sterschepen kon bouwen, dat het minstens nog wel duizend jaar zou duren voor zoiets zelfs maar binnen hun bereik kwam. Maar hun verlangen naar kennis over metaal, over motoren, over boven de grond vliegen, maakte allemaal deel uit van hun manier om te proberen het geheim van de ruimtevaart te doorgronden.

De handen van de Spreker vasthoudend krabbelde Mens langzaam overeind. Miro besefte dat in alle jaren dat hij de zwijntjes kende nog nooit een zwijntje hem bij de hand had genomen. Dat speet hem vreselijk. En het maakte hem ook jaloers.

Nu Mens blijkbaar niet gewond was, kwamen de andere zwijntjes dicht om de Spreker heen staan. Ze drongen niet, maar ze wilden wel dicht bij hem zijn.

‘Wroeter zegt dat de zwermkoningin weet hoe je sterschepen moet bouwen,’ zei Pijl.

‘Wroeter zegt dat de zwermkoningin ons alles zal leren,’ zei Kommetje. ‘Metaal, vuur uit stenen, huizen uit zwart water, alles.’

De Spreker hief zijn handen op om hun gebabbel te bezweren. ‘Als jullie allemaal erge dorst hadden en zagen dat ik water had, dan zouden jullie me allemaal om drinken vragen. Maar stel nu dat ik wist dat het water dat ik had vergiftig was?’

‘De schepen die naar de sterren vliegen zijn niet vergiftig,’ zei Mens.

‘Er leiden vele paden naar de ruimtevaart,’ zei de Spreker. ‘Sommige zijn beter dan andere. Ik zal jullie alles geven wat ik kan dat jullie niet zal vernietigen.’

‘De zwermkoningin heeft het beloofd!’ zei Mens.

‘Ik ook.’

Mens sprong voorwaarts, greep de Spreker bij zijn haar en zijn oren en trok zijn gezicht tot vlak voor het zijne. Miro had nooit zo’n gewelddadige daad gezien; hier was hij al bang voor geweest, het besluit om de Spreker te vermoorden—

‘Als wij ramen zijn,’ schreeuwde Mens de Spreker in zijn gezicht, ‘dan is het aan óns om daarover te beslissen en niet aan jou! En als wij varelse zijn, dan kan je ons beter nu meteen maar allemaal doden, zoals je ook alle zusters van de zwermkoningin hebt gedood!’

Miro stond verbijsterd. Dat de zwijntjes tot de conclusie kwamen dat dit de Spreker was die het boek had geschreven was tot daaraan toe. Maar hoe kwamen ze in godsnaam aan de ongelooflijke mening dat hij op een of andere manier schuldig was aan de anderlingenmoord? Wie dachten ze eigenlijk dat hij was, het monster Ender soms?

En toch zat daar de Spreker voor de Doden met zijn ogen dicht terwijl de tranen hem over zijn wangen stroomden alsof de beschuldiging van Mens de kracht van de waarheid bezat.

Mens draaide zijn hoofd om en zei tegen Miro. ‘Wat is dit voor water?’ fluisterde hij. Toen raakte hij de tranen van de Spreker aan.

‘Zo tonen wij pijn of verdriet of lijden,’ antwoordde Miro.

Ineens slaakte Mandachuva een kreet, een afschuwelijke gil die Miro nooit eerder had gehoord, als van een stervend dier.

‘Zo tonen wij pijn,’ fluisterde Mens.

‘Ah! Ah!’ schreeuwde Mandachuva. ‘Ik heb dat water eerder gezien! In de ogen van Libo en Pipo heb ik dat water gezien!’

Een voor een en toen allemaal tegelijk hieven de zwijntjes dezelfde kreet aan. Miro voelde tegelijk doodsangst, ontzag en opwinding. Hij had er geen idee van wat het betekende, maar de zwijntjes toonden gevoelens die ze zevenenveertig jaar voor de xenologen verborgen hadden weten te houden.

‘Rouwen ze om papa?’ fluisterde Ouanda. Haar ogen glinsterden ook van opwinding en haar haar was dof van het angstzweet.

Miro zei het zodra het bij hem opkwam: ‘Ze wisten tot daarnet niet dat Pipo en Libo huilden toen ze stierven.’

Miro had er geen idee van wat er door Ouanda’s hoofd ging; hij zag alleen dat ze zich afwendde, een paar struikelende passen deed, zich op handen en voeten liet vallen en bittere tranen schreide.

De komst van de Spreker had al met al bepaalde dingen behoorlijk in beweging gebracht.

Miro knielde naast de Spreker, die nu met gebogen hoofd zat en zijn kin tegen zijn borst klemde. ‘Spreker,’ zei Miro. ‘Como pode ser? Hoe is het mogelijk dat u de eerste Spreker bent en dat u tegelijk ook Ender bent? Não pode ser.’

‘Ze vertelde hun meer dan ik ooit had gedacht dat ze zou doen,’ fluisterde hij.

‘Maar de Spreker voor de Doden, de man die dit boek heeft geschreven, is de wijste man die ooit heeft geleefd in dit tijdperk van reizen naar de sterren. Terwijl Ender een moordenaar was die een heel volk uitmoordde, een schitterend volk van ramen dat ons alles had kunnen leren—’

‘Toch waren ze beide menselijk,’ fluisterde de Spreker.

Mens kwam nu bij hen staan en haalde een stukje uit De hegemoon aan: ‘Ziekte en genezing liggen in elk hart besloten. Dood en verlossing rusten in elke hand.’

‘Mens,’ zei de Spreker, ‘zeg tegen je volk dat ze geen verdriet moeten hebben om wat ze in onwetendheid deden.’

‘Het was iets vreselijks,’ zei Mens. ‘Het was onze grootste gave.’

‘Zeg tegen je mensen dat ze stil moeten zijn en dat ze naar me moeten luisteren.’

Mens riep een paar woorden, niet in de mannentaal, maar in de vrouwentaal, de gezaghebbende taal. Ze vielen stil en gingen toen zitten om te horen wat de Spreker te zeggen had.

‘Ik zal alles doen wat ik kan,’ zei de Spreker, ‘maar eerst moet ik jullie leren kennen, want hoe kan ik anders jullie verhaal vertellen? Ik moet jullie kennen, anders kan ik niet weten of het water vergiftig is of niet. En het allermoeilijkste probleem blijft bestaan. De mensheid kan de kruiperds vrijelijk liefhebben omdat ze denken dat ze allemaal dood zijn. Jullie leven nog en van jullie zijn ze dus nog bang.’

Mens stond tussen hen in en wees naar zijn lijf alsof het een zwak en broos ding was. ‘Van ons!’

‘Ze vrezen hetzelfde dat jullie vrezen als jullie naar de lucht kijken en de sterrenhemel zich met mensen zien vullen. Ze zijn bang dat ze op zekere dag bij een planeet zullen komen om te bemerken dat jullie daar het eerst waren.’

‘Wij willen er helemaal niet het eerst zijn,’ zei Mens. ‘Wij willen er óók zijn.’

‘Gun mij dan wat tijd,’ zei de Spreker. ‘Leer me wie jullie zijn zodat ik het aan hen kan leren.’

‘Alles,’ zei Mens. Hij keek rond naar de anderen. ‘We zullen je alles leren.’

Bladeter stond op. Hij sprak in mannentaal, maar Miro begreep hem heel goed. ‘Over sommige dingen is het niet aan ons om te beslissen of we ze kunnen vertellen.’

Mens gaf hem een scherp antwoord in het Stark. ‘Wat Pipo en Libo en Ouanda en Miro ons leerden mochten ze ook niet vertellen. Maar ze leerden het ons toch.’

‘Hun dwaasheid hoeft onze dwaasheid niet te zijn.’ Bladeter sprak nog steeds in de mannentaal.

‘Maar hun wijsheid is ook niet per se de onze,’ was het weerwoord van Mens.

Toen zei Bladeter iets in boomtaal dat Miro niet kon verstaan. Mens gaf geen antwoord en Bladeter liep weg.

Toen hij vertrok, kwam Ouanda terug met rode ogen van het huilen.

Mens keek de Spreker weer aan. ‘Wat wil je weten?’ vroeg hij. ‘We zullen het je vertellen, zullen het je laten zien als het kan.’

Nu keek de Spreker op zijn beurt naar Miro en Ouanda. ‘Wat moet ik hun vragen? Ik weet zo weinig dat ik niet weet wat we moeten weten.’

Miro keek naar Ouanda.

‘Jullie hebben geen stenen of metalen werktuigen,’ zei ze. ‘Maar jullie huis is van hout net als jullie pijlen en bogen.’

Mens bleef afwachtend staan kijken. De stilte duurde voort. ‘Maar wat is nu je vraag?’ vroeg Mens uiteindelijk.

Hoe kon hij in godsnaam het verband niet zien? dacht Miro.

‘Wij mensen,’ zei de Spreker, ‘gebruiken gereedschappen van steen of metaal om bomen om te hakken, als we daar huizen van willen maken of pijlen of knuppels zoals ik sommige van jullie zie dragen.’

Het duurde even voor de woorden van de Spreker tot hen doordrongen. Toen stonden plotseling alle zwijntjes overeind. Ze begonnen als razenden in het wilde weg rond te hollen waarbij ze af toe tegen elkaar of tegen bomen of tegen de blokhut op botsten. De meesten waren stil, maar af en toe slaakte er een een kreet, precies zoals ze die een paar minuten geleden hadden geslaakt. Het was griezelig, deze bijna zwijgende waanzin van de zwijntjes, alsof ze ineens de beheersing over hun lichamen hadden verloren. Al die jaren van zorgvuldige non-communicatie en nu de Spreker die tactiek brak, had dat deze waanzin tot gevolg.

Mens dook op uit de wanorde en wierp zich voor de Spreker op de grond. ‘O, Spreker,’ riep hij met luide stem, ‘beloof dat je hen nooit mijn vader Wroeter zult laten omhakken met hun stenen en metalen werktuigen! Als jullie iemand willen vermoorden dan zijn er oude broeders die zich wel willen opofferen en anders zal ikzelf met liefde sterven, maar laat hen mijn vader niet doden!’

‘Of mijn vader!’ riepen andere zwijntjes. ‘Of de mijne!’

‘We zouden Wroeter nooit zo dicht bij het hek geplant hebben,’ zei Mandachuva, ‘als we hadden geweten dat jullie — varelse waren!’

De Spreker hief zijn handen weer op. ‘Heeft er op Lusitania ooit een mens een boom omgehakt? Nooit. De wet hier verbiedt dat. Jullie hebben van ons niets te vrezen.’

Er viel een stilte toen de zwijntjes tot rust kwamen. Tenslotte kwam Mens weer overeind van de grond. ‘Jullie hebben onze angst voor de mensen alleen maar doen toenemen,’ zei hij tegen de Spreker. ‘Ik wilde wel dat jullie nooit naar ons bos waren gekomen.’

Ouanda’s stem klonk boven de zijne uit. ‘Hoe kun je dat zeggen na mijn vader op zo’n manier vermoord te hebben!’

Mens keek haar verbaasd aan en wist geen antwoord te geven. Miro sloeg zijn arm om Ouanda’s schouders. En de Spreker voor de Doden zei in de stilte: ‘Jullie beloofden me dat jullie al mijn vragen zouden beantwoorden. Ik vraag jullie nu: Hoe bouwen jullie een huis van hout en hoe maken jullie de boog en de pijlen die deze bij zich draagt, en die knuppels? Wij hebben jullie de enige manier die wij kennen verteld; vertellen jullie mij nu een andere manier, de manier waarop jullie het doen.’

‘De broeder offert zich op,’ zei Mens. ‘Dat zei ik toch al. Wij delen onze behoefte aan de oude broeder mee en we laten hem de vorm zien en hij geeft zichzelf.’

‘Kunnen we zien hoe dat gaat?’ vroeg Ender.

Mens keek de kring van andere zwijntjes rond. ‘Willen jullie dat we een broeder vragen zich op te offeren alleen maar om het jullie te laten zien? We hebben helemaal geen nieuw huis nodig, nog in geen jaren, en we hebben alle pijlen die we nodig hebben—’

‘Laat het hem zien!’

Miro draaide zich om, samen met de anderen, en zag Bladeter weer uit het bos opduiken. Hij liep doelbewust naar het midden van de open plek. Daar aangekomen keek hij niet naar hen maar begon te spreken of hij een heraut was, een dorpsomroeper, en of het hem niet kon schelen of er iemand naar hem luisterde of niet. Hij sprak in de vrouwentaal en Miro begreep er maar kleine stukjes van.

‘Wat zegt hij?’ fluisterde de Spreker.

Miro, die nog steeds op zijn knieën naast hem zat, vertaalde het zo goed mogelijk. ‘Hij is kennelijk naar de vrouwen geweest en die zeiden dat ze alles moesten doen wat u vroeg. Maar het is niet eenvoudig, hij vertelt hun dat — deze woorden ken ik niet — iets over dat ze allemaal zullen sterven. Iets over broeders die doodgaan in elk geval. Maar moet u hen eens zien — ze zijn helemaal niet bang, geen van allen.’

‘Ik weet niet hoe hun angst eruitziet,’ zei de Spreker. ‘Ik ken dit volk helemaal niet.’

‘Ik ook niet,’ zei Miro. ‘Ik moet u nageven — u hebt hier in een halfuur meer opwindig teweeggebracht dan ik in al die jaren die ik hier al kom bij elkaar heb gezien.’

‘Dat is een gave waarmee ik geboren werd,’ zei de Spreker. ‘Ik zal een afspraak met je maken. Ik zal niemand iets over jullie Twijfelachtige Bezigheden vertellen als jullie tegen niemand vertellen wie ik ben.’

‘Dat is makkelijk zat,’ zei Miro. ‘Dat geloof ik toch niet.’

Bladeter was uitgesproken. Hij liep onmiddellijk naar het huis en ging naar binnen.

‘We zullen een oude broeder vragen om zich te geven,’ zei Mens. ‘De vrouwen hebben gezegd dat het moet.’

En zo kwam het dat Miro met zijn arm om Ouanda’s schouders en met aan zijn andere zij de Spreker stond toe te kijken terwijl de zwijntjes een wonder tot stand brachten dat veel overtuigender was dan alle wonderen die Gusto en Cida hun titel van Os Venerados hadden opgeleverd bij elkaar.

De zwijntjes gingen in een kring rond een dikke oude boom aan de rand van de open plek staan. Een voor een klommen de zwijntjes vervolgens in de boom en begonnen er met een knuppel tegen te slaan. Al gauw zaten ze allemaal in de boom te zingen en ingewikkelde ritmes te trommelen. ‘Boomtaal,’ fluisterde Ouanda.

Al na een paar minuten begon de boom merkbaar te hellen. Onmiddellijk sprong ongeveer de helft van de zwijntjes op de grond en begon tegen de boom te duwen zodat hij op het open terrein van de open plek zou vallen. De rest begon nog veel feller te trommelen en nog harder te zingen.

Een voor een begonnen de grote takken van de boom af te vallen. Meteen renden de zwijntjes erheen, raapten de takken op en sleepten ze weg van de plaats waar straks de boom zou moeten vallen. Mens sleepte er een naar de Spreker toe, die hem behoedzaam aannam en hem aan Miro en Ouanda liet zien. Het kale uiteinde waar de tak aan de boom vastgezeten had, was volkomen glad. Het was niet plat — het oppervlak vertoonde een schuine, lichte golving. Maar het was niet rafelig, er stroomde geen sap uit, kortom er was niets te zien dat erop wees dat er ook maar in de geringste mate geweld was gebruikt om hem van de boom te scheiden. Miro streek erlangs met zijn vinger: het voelde koel en glad aan als marmer.

Tenslotte was de boom nog slechts een gladde, rechte stam, kaal en koninklijk; de bleke plekken waar vroeger de takken gezeten hadden werden helder verlicht door de middagzon. Het gezang bereikte een hoogtepunt en viel toen plotseling stil. De boom begon te hellen en begon vervolgens gestádig en gracieus om te vallen. De grond dreunde en gromde toen hij neerkwam, en daarna was alles stil.

Mens liep naar de gevallen boom en begon zacht zingend de buitenkant te strelen. De bast spleet onder zijn handen geleidelijk open; de barst verlengde zich naar twee kanten tot de bast volledig in twee helften was gespleten. Toen grepen vele zwijntjes de randen en begonnen hem los te trekken van de stam; de bast kwam eerst aan de ene kant los en vervolgens aan de andere kant, in twee gave vellen. De bast werd weggedragen.

‘Heb je hen ooit de bast zien gebruiken?’ vroeg de Spreker aan Miro.

Miro schudde zijn hoofd. Hij kon geen woord uit zijn keel krijgen.

Nu kwam Pijl naar voren en begon zacht te zingen. Hij streek met zijn vingers langs de stam heen en weer alsof hij de precieze lengte en dikte van een enkele boog aangaf. Miro zag lijnen verschijnen, zag het naakte hout rimpelen, splijten en kruimelen tot alleen de boog overbleef; volmaakt van vorm en gaaf en glad afgewerkt lag hij in een diepe voor in het hout.

Andere zwijntjes kwamen naar voren om zingend vormen op de stam te tekenen. Zij vertrokken met knuppels, met bogen en pijlen, met scherpe, smalle messen en met duizenden repen mandenspaan. Toen tenslotte de halve stam was opgebruikt, stapten ze achteruit en zongen allemaal samen. De stam huiverde en spleet uiteen in een tiental lange palen. De hele boom was opgebruikt.

Mens liep langzaam naar voren, liet zich naast de palen op zijn knieën zakken en legde zijn handen lichtjes op de meest nabije paal. Hij boog zijn hoofd achterover en begon te zingen, een woordeloze melodie die het droevigste geluid was dat Miro ooit had gehoord. Het lied duurde maar voort en alleen de stem van Mens was te horen; pas langzamerhand besefte Miro dat de andere zwijntjes allemaal naar hem keken alsof ze ergens op zaten te wachten.

Ten slotte kwam Mandachuva naar hem toe en begon zacht tegen hem te praten. ‘Alsjeblieft,’ zei hij, ‘het is toch niet meer dan passend dat je voor de broeder zingt.’

‘Ik weet niet hoe,’ zei Miro, die zich hulpeloos en bang voelde.

‘Hij heeft zijn leven gegeven,’ zei Mandachuva, ‘om jouw vraag te beantwoorden.’

Om mijn vraag te beantwoorden en er nog eens duizend bij te maken, zei Miro in stilte. Maar hij liep naar voren, liet zich naast Mens op zijn knieën zakken, kromde zijn vingers om dezelfde koele, gladde paal die Mens vasthield, liet zijn hoofd in zijn nek zakken en liet zijn stem horen. Eerst aarzelend en zwak, omdat hij niet wist welke melodie hij moest zingen; maar al gauw begreep hij de reden voor het lied zonder melodie, voelde hij de dood van de boom onder zijn handen en zijn stem werd luid en krachtig en maakte treurige wanklanken met de stem van Mens, die rouwde over de dood van de boom en hem bedankte voor zijn offer en hem beloofde om zijn dood ten gunste van de stam te gebruiken, ten gunste van de broeders en de vrouwen en de kinderen, zodat ze allemaal sterk en gezond zouden worden. Dat was de betekenis van het lied, en de betekenis van de dood van de boom, en toen het lied eindelijk was afgelopen, boog Miro voorover tot zijn voorhoofd het hout raakte en sprak hij de woorden van het Heilig Oliesel, dezelfde woorden die hij vijf jaar tevoren boven Libo’s lijk op de helling had gefluisterd.

15. Bespreking

MENS: Waarom komt niemand van de andere mensen ons ooit opzoeken?

MIRO: Wij zijn de enigen die door het hek mogen.

MENS: Waarom klimmen ze er dan niet gewoon overheen?

MIRO: Heeft niemand van jullie ooit het hek aangeraakt? (Mens geeft geen antwoord.) Het is ontzettend pijnlijk om het hek aan te raken. Over het hek klimmen zou betekenen dat je in alle delen van je lijf de ergst mogelijke pijn zal voelen, en overal tegelijk.

MENS: Dat is stom. Er groeit toch gras aan beide kanten?

Ouanda Quenhatta Figueira Mucumbi, Opgetekende gesprekken, 103:0:1970:1:1:5

De zon was nog maar een uur van de horizon verwijderd toen burgemeester Bosquinha de trap opliep naar het privé-kantoor van bisschop Peregrino in de kathedraal. Dom en Dona Cristães waren er al en zaten met ernstige gezichten te kijken. Maar bisschop Peregrino leek nogal in zijn sas. Hij genoot er altijd van als de voltallige politieke en geestelijke leiding van Milagre onder zijn dak bijeen was. Het gaf niets dat de vergadering door Bosquinha bijeen was geroepen en dat ze had aangeboden om die in de kathedraal te houden omdat zij degene was met de wagen. Peregrino vond het heerlijk om op een of andere manier het gevoel te hebben dat hij de baas van de Lusitaniakolonie was. Nu ja, aan het eind van de vergadering zou het hun allemaal duidelijk zijn dat niemand in dit vertrek baas van wat dan ook was.

Bosquinha begroette hen allemaal. Maar ze ging niet op de haar aangeboden stoel zitten. In plaats daarvan nam ze plaats achter het werkstation van de bisschop, identificeerde zich en startte het programma dat ze had voorbereid. In de lucht boven het werkstation verschenen verscheidene lagen van kleine kubussen. De hoogste laag bevatte maar een paar kubussen; de meeste lagen hadden er een heleboel, vele in ieder geval meer. Meer dan de helft van de lagen, te beginnen met de hoogste, waren rood van kleur; de rest was blauw.

‘Erg mooi,’ zei bisschop Peregrino.

Bosquinha keek naar Dom Cristão. ‘Herkent u het model?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Maar ik denk wel dat ik weet waar deze vergadering over gaat.’

Dona Cristã leunde naar voren in haar stoel. ‘Is er ergens een veilige plek waar we de dingen die we willen bewaren kunnen verstoppen?’

Bisschop Peregrino’s uitdrukking van afstandelijke geamuseerdheid verdween van zijn gezicht. ‘Ik weet niet waar deze bijeenkomst over gaat.’

Bosquinha draaide zich om op haar stoel om hem aan te kunnen kijken. ‘Ik was nog heel jong toen ik werd benoemd tot landvoogd van de nieuwe Lusitaniakolonie. Het was een grote eer om uitgekozen te worden en een blijk van groot vertrouwen. Ik had al sinds mijn jeugd het besturen van gemeenschappen en maatschappelijke stelsels bestudeerd en ik had het tijdens mijn korte loopbaan in Oporto heel goed gedaan. Wat de commissie blijkbaar over het hoofd zag, was het feit dat ik toen al achterdochtig, listig en chauvinistisch was.’

‘Welke deugden wij in de loop der tijd allemaal hebben leren bewonderen,’ zei bisschop Peregrino.

Bosquinha glimlachte. ‘Mijn chauvinisme hield in dat, zodra ik de Lusitaniakolonie toegewezen had gekregen, mijn loyaliteit aan de belangen van Lusitania groter was dan die aan de belangen van de Honderd Werelden of van het Gesternteparlement. Mijn listigheid stelde me in staat om tegen de commissie voor te wenden dat ik in tegendeel altijd de belangen van het Parlement voorop had staan. En mijn achterdocht gaf me de overtuiging in dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat het Parlement Lusitania iets zou geven dat ook maar in de verte leek op een onafhankelijke en gelijkwaardige status te midden van de Honderd Werelden.’

‘Uiteraard niet,’ zei bisschop Peregrino. ‘We zijn een kolonie.’

‘We zijn helemaal geen kolonie,’ zei Bosquinha. ‘We zijn een experiment. Ik heb ons handvest en onze vergunning bestudeerd en alle parlementaire besluiten die op ons betrekking hebben, en ik ontdekte dat de normale privacy-wetgeving op ons niet van toepassing is. Ik ontdekte dat de commissie een onbegrensde volmacht had om zich toegang te verschaffen tot alle geheugenbestanden van elk persoon en elk instituut op Lusitania.’

De bisschop begon boos te kijken. ‘Bedoel je dat de commissie het recht heeft om in de vertrouwelijke bestanden van de kerk te kijken?’

‘Aha,’ zei Bosquinha. ‘Een mede-chauvinist.’

‘Het Gesterntereglement geeft de kerk anders bepaalde rechten.’

‘U hoeft op mij niet kwaad te worden hoor.’

‘U hebt het mij nooit verteld.’

‘Als ik het u verteld had, had u bezwaar aangetekend en dan zouden zij net gedaan hebben of ze een stapje terug deden en dan had ik niet kunnen doen wat ik gedaan heb.’

‘En dat is?’

‘Dit programma maken. Het registreert alle gevallen waarin via de weerwort een bestand van de Lusitaniakolonie wordt geopend.’

Dom Cristão grinnikte. ‘Dat mag u helemaal niet doen.’

‘Dat weet ik. Zoals ik al zei, heb ik heel wat verborgen gebreken. Maar mijn programma bespeurde nimmer een grootschalige inbreuk — o, de keren dat de zwijntjes een van onze xenologen doodden werden er natuurlijk wel een paar bestanden geopend, dat was te verwachten — maar niets grootschaligs. Tot vier dagen geleden.’

‘Toen de Spreker voor de Doden arriveerde,’ zei bisschop Peregrino.

Bosquinha vond het wel vermakelijk dat de bisschop kennelijk de komst van de Spreker als zo’n belangrijke gebeurtenis beschouwde dat hij onmiddellijk dat verband legde. ‘Drie dagen geleden,’ zei Bosquinha, ‘werd er via de weerwort een alleen-lezen zoekprogramma uitgevoerd. Dat volgde een interessant patroon.’ Ze draaide haar gezicht weer naar het werkstation en veranderde het beeld. Nu bevonden de bestanden die geopend waren zich in de bovenste lagen van het beeld en waren beperkt tot een bepaald deel. ‘Het las alles wat met de xenologen en de xenobiologen van Milagre te maken had. Het negeerde alle beveiligingsroutines alsof ze niet bestonden. Alles wat ze ontdekten en alles wat met hun privé-levens te maken had. En ja, bisschop Peregrino, op dat moment en ook vandaag nog was ik van mening dat dit met de Spreker te maken had.’

‘Maar hij heeft bij het Gesternteparlement toch geen gezag,’ zei de bisschop.

Dom Cristão knikte wijs. ‘San Angelo schreef eens — in zijn eigen dagboeken die niemand leest behalve de Geesteskinderen—’

De bisschop viel hem met verve aan. ‘Dus de Geesteskinderen hebben wél geheime geschriften van San Angelo!’

‘Niet geheim,’ zei Dona Cristã. ‘Alleen maar saai. Iedereen kan de dagboeken lezen, maar wij zijn de enigen die de moeite nemen.’

‘Wat hij schreef,’ zei Dom Cristão, ‘was dat Spreker Andrew ouder is dan wij weten. Ouder dan het Gesternteparlement en op zijn eigen manier misschien wel machtiger.’

Bisschop Peregrino snoof luidruchtig. ‘Hij is nog een jongen. Kan nog geen veertig zijn.’

‘Jullie zitten de tijd te verdoen met jullie domme rivaliteit,’ zei Bosquinha bits. ‘Ik heb deze vergadering bijeengeroepen vanwege een noodsituatie. Als beleefd gebaar naar jullie toe, omdat ik ten behoeve van de regering van Lusitania uiteraard alle maatregelen al heb genomen.’

De anderen vielen stil.

Bosquinha liet het oorspronkelijke beeld weer boven het werkstation verschijnen. ‘Hedenmorgen waarschuwde mijn programma me voor de tweede keer. Opnieuw was er via de weerwort toegang gezocht tot ons systeem, maar dit keer was het niet het selectieve alleen-lezen zoekprogramma van drie dagen geleden. Dit keer werd alles uitgelezen op gegevens-overdrachtsnelheid en dat houdt in dat al onze bestanden naar computers op andere werelden worden gekopieerd. Daarna wordt de directory-indeling herschreven om het mogelijk te maken om met één enkele, via de weerwort gegeven opdracht al onze bestanden in al onze computergeheugens volledig te vernietigen.’

Bosquinha zag duidelijk dat bisschop Peregrino verbaasd was — en de Geesteskinderen niet.

‘Maar waarom?’ zei bisschop Peregrino. ‘Al onze bestanden vernietigen — dat doe je met een land of een wereld die — in opstand is, die je wilt vernietigen, die je—’

‘Ik zie,’ zei Bosquinha tegen de Geesteskinderen, ‘dat jullie ook chauvinistisch en achterdochtig zijn geweest.’

‘Maar veel kortzichtiger dan u, helaas,’ zei Dom Cristão. ‘Maar wij ontdekten de inbreuk ook. Wij hebben natuurlijk — met enorme kosten — al onze bestanden gekopieerd naar de kloosters van de Geesteskinderen op andere werelden en zij zullen proberen onze bestanden te herstellen nadat ze vernietigd zijn. Maar als wij als een opstandige kolonie behandeld worden, dan betwijfel ik of een dergelijk herstel wel toegestaan zal worden. En dus zijn we ook bezig op papier kopieën te maken van de allerbelangrijkste gegevens. Er is geen kijk op dat we alles zullen kunnen uitprinten, maar we denken misschien wel genoeg te kunnen uitprinten om het ermee te kunnen redden. Zodat ons werk niet volledig verloren zal gaan.’

‘Wisten jullie dit?’ vroeg de bisschop. ‘En jullie hebben het me niet verteld?’

‘Vergeef me, bisschop Peregrino, maar het kwam niet bij ons op dat u dit niet zelf ontdekt zou hebben.’

‘En jullie zijn bovendien van mening dat wij toch geen werk doen dat belangrijk genoeg is om een uitdraai van te maken om te voorkomen dat het verloren gaat!’

‘Genoeg!’ zei burgemeester Bosquinha. ‘Je kunt niet meer dan een klein percentage uitprinten — er zijn gewoon niet genoeg printers in Lusitania om zelfs maar een deukje in het probleem te maken. We zouden de volledige dienstverlening moeten staken. Volgens mij hebben zij over een uur of zo al het kopieerwerk klaar en kunnen ze ons geheugen wissen. Maar zelfs al waren we vanmorgen begonnen, toen de inbreuk begon, dan hadden we nog niet meer dan een honderste van één procent van de bestanden die we dagelijks gebruiken kunnen uitprinten. We zijn zo broos en zo kwetsbaar als wat.’

‘Dus we staan hulpeloos,’ zei de bisschop.

‘Nee. Maar ik wilde jullie het uitzonderlijke van onze toestánd goed duidelijk maken, zodat jullie het enige alternatief zouden aanvaarden. Het zal jullie zeer tegen de borst stuiten’.’

‘Daar twijfel ik niet aan,’ zei bisschop Peregrino.

‘Toen ik een uur geleden met dit probleem zat te worstelen en probeerde uit te vissen of er misschien een klasse bestanden was die immuun was voor deze behandeling, ontdekte ik dat er in feite een persoon was wiens bestanden volledig over het hoofd werden gezien. Aanvankelijk dacht ik dat het kwam omdat hij een framling is, maar de reden is veel subtieler. De Spreker voor de Doden hééft helemaal geen bestanden in een Lusitaans geheugen.’

‘Niet één? Onmogelijk,’ zei Dona Cristã.

‘Al zijn bestanden worden vla de weerwort bijgehouden. Bevinden zich elders. Al zijn archiefmateriaal, zijn financiële zaken, alles. Elke boodschap die hem wordt gestuurd. Begrijpen jullie het?’

‘En evengoed kan hij ze bereiken—’ zei Dom Cristão.

‘Hij is voor het Gesternteparlement onzichtbaar. Als ze alle gegevensoverdracht naar en van Lusitania gaan verbieden, blijven zijn bestanden gewoon toegankelijk omdat de computers het openen van zijn bestanden niet als gegevensoverdracht beschouwen. Het is gewoon eerste opslag — en toch zitten ze niet in een Lusitaans geheugen.’

‘Stel je soms voor,’ zei bisschop Peregrino, ‘om onze meest vertrouwelijke en meest belangrijke bestanden als boodschappen te versturen naar die — die verfoeilijke heiden?’

‘Ik probeer alleen maar te vertellen dat ik dat inderdaad al heb gedaan. De overdracht van de belangrijkste en meest vertrouwelijke regeringsbestanden is bijna afgerond. Het was een overdracht met hoge prioriteit, op lokale snelheid, en hij verloopt dus veel sneller dan het parlementaire kopiëren. Ik bied jullie de kans om een soortgelijke overdracht te doen, gebruikmakend van mijn hoogste prioriteit zodat je voorrang krijgt boven al het andere plaatselijke computergebruik. Als jullie er geen gebruik van wensen te maken — mooi, dan gebruik ik mijn prioriteit om de op een na belangrijkste regeringsbestanden over te dragen.’

‘Maar dan kan hij zo in onze bestanden kijken,’ zei de bisschop.

‘Ja, dat is zo.’

Dom Cristão schudde zijn hoofd. ‘Als we hem vragen om dat niet te doen, doet hij dat niet.’

‘U bent zo naïef als een kind,’ zei bisschop Peregrino. ‘We zouden hem niet eens kunnen dwingen ons de gegevens terug te geven.’

Bosquinha knikte. ‘Dat is zo. Hij zal alles bezitten wat voor ons van levensbelang is en hij kan het houden of teruggeven naar eigen goeddunken. Maar ik ben er net als Dom Cristão van overtuigd dat hij een goed mens is die ons zal helpen in onze nood.’

Dona Cristã stond op. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze. ‘Ik zou graag onmiddellijk met de overdracht van de belangrijkste dingen beginnen.’

Bosquinha ging weer achter de toetsen zitten en schakelde haar eigen hoogste-prioriteitprocedure in. ‘Voer gewoon de klassen van bestanden in die u wilt kopiëren naar het inkomende-berichtenbe-stand van Spreker Andrew. Ik neem aan dat u al een prioriteitsindeling hebt als u al bezig was met uitprinten.’

‘Hoeveel tijd hebben we?’ vroeg Dom Cristão. Dona Cristã zat al driftig te tikken.

‘De tijd staat hier, bovenaan.’ Bosquinha stak haar hand in het holografische beeld en tipte met haar vinger de aftelcijfers aan.

‘Dingen die we al uitgeprint hebben hoef je niet meer over te hevelen,’ zei Dom Cristão. ‘Die kunnen we altijd opnieuw intikken. Het is trouwens toch maar verschrikkelijk weinig.’

Bosquinha keek de bisschop aan. ‘Ik wist dat dit moeilijk zou worden.’

De bisschop lachte smalend. ‘Moeilijk!’

‘Ik hoop wel dat u alles zorgvuldig afweegt voor u dit aanbod afwijst—’

‘Afwijzen!’ zei de bisschop. ‘Denkt u soms dat ik achterlijk ben? Ik mag dan een hekel hebben aan de pseudoreligie van deze heiligschennende Sprekers voor de Doden, maar als dit de enige manier is die God ons heeft geschonken om de belangrijke bestanden van de kerk te bewaren, dan zou ik maar een armzalig dienaar des Heren zijn als ik me door mijn trots liet weerhouden daar gebruik van te maken. Onze bestanden zijn nog niet uitgesorteerd op belangrijkheid en dat zal een paar minuten vergen, maar ik vertrouw erop dat de Geesteskinderen ons voldoende tijd zullen laten voor het overbrengen van onze gegevens.’

‘Hoeveel tijd schat u dat u nodig zult hebben?’ vroeg Dom Cristão.

‘Niet veel. Tien minuten op zijn hoogst, denk ik.’

Bosquinha was aangenaam verrast. Ze was bang geweest dat de bisschop erop zou staan om eerst al zijn bestanden te kopiëren voor hij de Geesteskinderen hun gang zou laten gaan — gewoon als de zoveelste poging om even te laten merken dat bisschoppen meer macht hadden dan kloosterlingen.

‘Dank u,’ zei Dom Cristão en hij kuste de uitgestoken hand die Peregrino hem voorhield.

De bisschop keek Bosquinha met een kille blik aan. ‘U hoeft niet zo verbaasd te kijken, burgemeester Bosquinha. De Geesteskinderen werken met wereldse kennis en dus steunen zij veel meer op wereldse machines. De moederkerk werkt met dingen van de geest en ons gebruik van openbare geheugenruimte beperkt zich dan ook voornamelijk tot administratieve zaken. En wat de bijbel betreft — wij zijn zo ouderwets en hardnekkig dat we nog steeds tientallen in leer gebonden, op papier gedrukte exemplaren in de kathedraal bewaren. Het Gesternteparlement kan ons onze exemplaren van het woord van God niet afnemen.’ Hij lachte. Kwaadaardig natuurlijk. Bosquinha lachte heel vrolijk terug.

‘Nog een kleinigheid,’ zei Dom Cristão. ‘Als we onze bestanden na vernietiging weer naar het geheugen terugkopiëren, wat zal het Parlement er dan van weerhouden om het weer te doen? En weer, en weer?’

‘Dat is nu juist het moeilijke aan deze beslissing,’ zei Bosquinha. ‘Wat wij doen is afhankelijk van wat het Parlement probeert te bereiken. Misschien zullen ze onze bestanden wel helemaal niet vernietigen. Misschien geven ze ons na deze demonstratie van hun macht onze belangrijkste bestanden meteen wel weer terug. Aangezien ik er geen idee van heb waarom ze ons straffen, kan ik ook moeilijk schatten hoever ze zullen gaan. Als ze ons nog een manier overlaten om loyaal te blijven, moeten we uiteraard ook gevoelig blijven voor verder gaande strafmaatregelen.’

‘Maar als ze om een of andere reden vastbesloten zijn ons als opstandelingen te behandelen?’

‘Tja, als het echt spaak loopt, zouden we altijd nog alles in onze eigen geheugens kunnen terugkopiëren en vervolgens — de weerwort-verbinding verbreken.’

‘God beware ons,’ zei Dona Cristã. ‘Dan zouden we volkomen alleen zijn.’

Bisschop Peregrino keek kwaad. ‘Wat een belachelijk idee, zuster Detestai o Pecado. Of denkt u soms dat Christus afhankelijk is van de weerwort? Dat het Parlement de macht heeft om de Heilige Geest het zwijgen op te leggen?’

Dona Cristã bloosde en ging verder met haar werk achter het toetsenbord.

De secretaris van de bisschop overhandigde hem een vel papier met een lijst van bestanden erop. ‘Je kunt mijn persoonlijke correspondentie wel van de lijst laten,’ zei de bisschop. ‘Ik heb mijn boodschappen al verzonden. We zullen het aan de kerk overlaten om te beslissen welke van mijn brieven de moeite van het bewaren waard is. Voor mij hebben ze geen enkele waarde.’

‘De bisschop is klaar,’ zei Dom Cristão. Zijn vrouw kwam onmiddellijk achter het werkstation vandaan en de secretaris nam haar plaats in.

‘Trouwens,’ zei Bosquinha, ‘misschien willen jullie dit wel weten. De Spreker heeft aangekondigd dat hij vanavond op het praça de dood van Marcos Maria Ribeira zal Bespreken.’ Bosquinha keek op haar horloge. ‘Dat is dus al heel gauw.’

‘Wat,’ zei de bisschop snijdend, ‘geeft u het idee dat mij dat iets zou kunnen schelen?’

‘Ik dacht dat u misschien een vertegenwoordiger zou willen sturen.’

‘Bedankt dat u het ons hebt verteld,’ zei Dom Cristão. ‘Ik denk dat ik wel ga. Ik wil wel graag een Bespreking horen van de man die de dood van San Angelo heeft Besproken.’ Hij keek de bisschop aan. ‘Ik kom u wel verslag uitbrengen over wat hij allemaal zegt, als u dat prettig vindt.’

De bisschop leunde achterover en lachte zuur. ‘Dank u, maar een van mijn mensen zal de Bespreking bijwonen.’

Bosquinha liep het kantoor van de bisschop uit, holde luidruchtig de trap af en liep door de deuren van de kathedraal naar buiten. Nu moest ze maken dat ze in haar eigen kamer terugkwam, want wat het Parlement ook voor hen in petto had, Bosquinha was degene die hun berichten zou ontvangen.

Ze had er niet met de religieuze leiders over gesproken omdat het hun eigenlijk niets aanging, maar zij wist donders goed, althans in zijn algemeenheid, waarom het Parlement dit allemaal deed. De paragrafen die het Parlement het recht gaven om Lusitania als een opstandige kolonie te behandelen, hadden allemaal te maken met de regels betreffende contact met de zwijntjes.

Kennelijk hadden de xenologen iets gedaan dat heel erg mis was. Aangezien Bosquinha niets bekend was van enige schending van de regels, moest het iets zijn dat ingrijpend genoeg was om te worden waargenomen door de satellieten; de enige verklikkerapparatuur die rechtstreeks verslag uitbracht aan de commissie zonder eerst door Bosquinha’s handen te gaan. Bosquinha had geprobeerd te bedenken wat Miro en Ouanda gedaan zouden kunnen hebben — een bosbrand veroorzaakt? Bomen gekapt? De zwijntjes onderling oorlog laten voeren? Alles wat ze bedacht klonk even belachelijk.

Ze probeerde hen te bereiken om hen te kunnen ondervragen, maar ze waren er natuurlijk niet. Door het hek, het bos in, ongetwijfeld om door te gaan met de bezigheden die mogelijk de vernietiging van de Lusitaniakolonie hadden veroorzaakt. Bosquinha hield zichzelf telkens voor dat ze jong waren, dat het allemaal een of andere belachelijke jeugdvergissing zou kunnen zijn.

Maar zó jong waren ze nu ook weer niet en ze waren twee van de knapste koppen in een kolonie die vele pientere mensen kende. Het was maar goed dat het Gesterntereglement verbood dat regeringen bestraffingsinstrumenten bezaten die ook voor martelingen gebruikt konden worden. Voor het eerst van haar leven was Bosquinha zo verschrikkelijk woedend dat ze in staat zou zijn om dergelijke instrumenten te gebruiken als ze ze bezat. Ik weet niet wat jullie dachten te doen, Miro en Ouanda, en ik weet niet wat jullie gedaan hebben; maar wat jullie bedoeling ook is geweest, deze hele gemeenschap zal ervoor moeten boeten. En als er nog gerechtigheid mogelijk was, zou ik jullie daar op een of andere manier voor laten terugbetalen.

Een heleboel mensen hadden gezegd dat ze nooit naar een Bespreking zouden gaan — ze waren immers goede katholieken? Had de bisschop hun dan niet verteld dat de Spreker met de stem van de duivel sprak?

Maar er werden ook andere dingen gefluisterd toen de Spreker eenmaal was gearriveerd. Voornamelijk geruchten, maar Milagre was een klein plaatsje waar geruchten het zout in de pap van het dagelijks leven waren; en geruchten hebben geen waarde als niemand ze gelooft. Er werd dus beweerd dat Quara, het jongste dochtertje van Marcão, dat na zijn dood geen woord meer gezegd had, nu zoveel babbelde dat ze er op school last mee kreeg. En Olhado, die slecht gemanierde jongen met zijn weerzinwekkende metalen ogen, daar zeiden ze van dat hij plotseling vrolijk en opgewonden leek. Misschien wel manisch. Misschien wel bezeten. Geruchten begonnen te laten doorschemeren dat de Spreker op een of andere manier genezende kracht had, dat hij het boze oog bezat, dat zijn zegening je weer gezond maakte, dat zijn vloek je kon doden, dat hij je door je met zijn woorden te betoveren tot gehoorzaamheid kon dwingen. Die geruchten kwamen natuurlijk niet iedereen ter ore en niet iedereen die ze hoorde, geloofde ze. Maar in de vier dagen tussen de aankomst van de Spreker en de avond dat hij de dood van Marcos Maria Ribeira zou Bespreken, nam de gemeenschap van Milagre het besluit om de Bespreking bij te wonen en aan te horen wat de Spreker te vertellen had, of de bisschop nu gezegd had dat ze weg moesten blijven of niet.

Het was de bisschops eigen schuld. Het feit dat hij van zijn verheven positie de Spreker duivels had genoemd, maakte dat de Spreker uiterst ver afstond van de bisschop zelf en van alle goede katholieken: de Spreker is onze tegenpool. Toch was voor de mensen die niet theologisch onderlegd waren de duivel wel beangstigend en machtig, maar dat was God ook. Ze begrepen het veld van goed en kwaad waarop de bisschop doelde heel goed, maar ze stelden veel meer belang in het veld van sterk en zwak — daar hadden ze uiteindelijk iedere dag mee te maken. En in dat veld waren zij zwak en waren God en de duivel en de bisschop allemaal sterk. De bisschop had de Spreker naast zich gesteld als een man met macht. En de mensen waren dus volkomen bereid om de gefluisterde verhalen over wonderen te geloven.

Ook al werd de Bespreking pas een uur van tevoren aangekondigd, het hele praça stond vol en de mensen verdrongen zich in de huizen en gebouwen rondom het plein en in de grasstegen en — straten er omheen. Burgemeester Bosquinha had — in overeenstemming met de wet — de Spreker de eenvoudige microfoon ter beschrikking gesteld die zij voor de zeldzame openbare bijeenkomsten gebruikte. De mensen stelden zich op rond het podium waarop hij zou staan en keken vervolgens om zich heen om te zien wie er allemaal waren. Iedereen was er. Marcão’s gezin natuurlijk. En natuurlijk de burgemeester. Maar ook Dom Cristão en Dona Cristã, en menig bekleder van het priesterambt uit de kathedraal. Dokter Navio. De weduwe van Pipo, de oude Conceição, de archivaris. Libo’s weduwe Bruxinha met haar kinderen. Het gerucht ging dat de Spreker ook van plan was om mettertijd de dood van Pipo en Libo te Bespreken.

En eindelijk, juist toen de Spreker op het podium stapte, ging er een gerucht door de menigte: bisschop Peregrino was er. Niet in zijn ambtskleed maar in een eenvoudige priestermantel. Hij was hier in eigen persoon om de godslasterlijke taal van de Spreker aan te horen! Menig inwoner van Milagre wachtte in verrukte spanning op wat zou komen. Zou de bisschop opstaan en op wonderbaarlijke wijze de duivel neerslaan? Zou er een strijd gevoerd gaan worden die buiten de apocalyptische visioenen van Johannes zijn gelijke niet had?

Toen kwam de Spreker voor de microfoon staan en wachtte tot ze stil waren. Hij was tamelijk lang en nog vrij jong, maar zijn witte huid deed hem er ongezond uitzien vergeleken bij al die duizenden tinten bruin van de Lusitaniërs. Spookachtig. Ze vielen stil en hij begon te Spreken.

‘Hij was bekend onder drie namen. De eerste vinden we in de officiële archieven: Marcos Maria Ribeira. Samen met zijn officiële gegevens. Geboren in 1929. Gestorven in 1970. Werkte in de metaalgieterij. Onberispelijke veiligheidsstaat. Nooit gearresteerd. Een vrouw, zes kinderen. Een modelburger omdat hij nooit iets deed dat erg genoeg was om opgetekend te worden in het archief.’

Veel toehoorders voelden een vage onrust. Ze hadden redenaarskunst verwacht. In plaats daarvan had de Spreker een heel gewone stem. En zijn woorden hadden niets van het formele van religieuze taal. Duidelijk, eenvoudig, bijna alledaags. Er waren maar een paar mensen die beseften dat juist die eenvoud zijn stem en zijn woorden zo ontzettend geloofwaardig maakte. Hij stond hier niet onder bazuingeschal de Waarheid te vertellen; hij vertelde de waarheid, het verhaal waaraan je geen seconde zou twijfelen omdat het zo vanzelf sprak. Bisschop Peregrino was een van degenen die dat merkten en het maakte hem een beetje zenuwachtig. Deze Spreker zou een formidabele vijand zijn die hij niet met vuurwerk vanaf het altaar zou kunnen neerslaan.

‘De tweede naam die hij had was Marcão. Grote Marcos. Omdat hij een reus van een kerel was. Bereikte al zeer jong zijn volwassen lengte. Hoe oud was hij toen hij de twee meter bereikte? Elf? In ieder geval was hij op zijn twaalfde al zo lang. Zijn postuur en zijn kracht maakten hem een waardevolle kracht in de gieterij, waar de porties staal zo klein zijn dat veel van het werk rechtstreeks met de hand wordt bestuurd en kracht dus uitmaakt. Er hingen mensenlevens af van Marcão’s kracht.’

Op het praça knikten de mannen van de gieterij. Ze hadden allemaal tegen elkaar opgesneden dat ze nooit een woord zouden loslaten tegen de framling atheïst. Kennelijk had een van hen toch gepraat, maar nu was het toch wel prettig dat de Spreker het goed had, dat hij begreep wat zij zich van Marcão herinnerden. Ze wilden allemaal wel dat ze zelf degene geweest waren die de Spreker over Marcão had verteld. Ze vermoedden niet dat de Spreker niet eens had geprobeerd om hen te spreken te krijgen. Na al die jaren waren er een heleboel dingen die Andrew Wiggin wist zonder ernaar te hoeven vragen.

‘Zijn derde naam was Cão. Hond.’

O ja, dachten de Lusitaniërs. Dit is wat we altijd over Sprekers voor de Doden gehoord hebben. Ze hebben geen respect voor de doden, geen gevoel voor hoe het hoort.

‘Dat was de naam waarmee jullie hem aanduidden wanneer jullie hoorden dat zijn vrouw Novinha weer eens een blauw oog had, met haar been trok of met hechtingen in haar lip rondliep. Hij was een beest om haar dat aan te doen.’

Hoe durfde hij dat te zeggen? De man is dood! Maar onder hun woede voelden de Lusitaniërs zich om een heel andere reden niet erg op hun gemak. Ze herinnerden zich bijna allemaal wel een keer dat ze exact die woorden hadden gezegd of gehoord. Het was alleen zo ongepast van de Spreker dat hij in het openbaar de woorden herhaalde die zij over Marcão hadden gesproken toen hij nog leefde.

‘Niet dat iemand van jullie Novinha graag mocht, trouwens. Niet die vrouw met haar kouwe kak die jullie geen van allen ooit gedag zei. Maar ze was kleiner dan hij en ze was de moeder van zijn kinderen, en als hij haar sloeg, verdiende hij de naam Cão.’

Ze stonden verlegen tegen elkaar te mompelen. De mensen die in de buurt van Novinha op het gras zaten keken naar haar en keken dan weer gauw de andere kant op; nieuwsgierig om te zien hoe zij zou reageren, maar zich pijnlijk bewust van het feit dat de Spreker gelijk had, dat ze haar niet mochten, dat ze tegelijk medelijden en angst voor haar voelden.

‘Vertel me eens, is dit de mens die jullie kenden? Hing meer uren in de kroeg rond dan wie dan ook, maar maakte er toch nooit vrienden. Voor hem was de kameraadschap van de alcohol niet weggelegd. Je kon zelfs niet aan hem zien hoeveel hij op had. Hij was knorrig en kort aangebonden voor hij iets te drinken had gehad en hij was knorrig en kort aangebonden voor hij buiten westen raakte — niemand kon het verschil zien. Je hoorde er nooit van dat hij met iemand bevriend was en jullie vonden het geen van allen prettig als hij ergens binnenstapte. Dat is de mens die jullie kenden, de meesten van jullie. Cão. Amper een mens, eigenlijk.’

Ja, dacht ze. Dat was de mens. Inmiddels was de aanvankelijke schrik over zijn gebrek aan wellevendheid wat bedaard. Ze waren inmiddels gewend aan het feit dat de Spreker niet van plan was om iets in dit verhaal mooier voor te stellen dan het was. En toch voelden ze zich nog niet op hun gemak. Want er kleefde iets ironisch, niet aan zijn toon, maar aan zijn woorden. ‘Amper een mens, eigenlijk,’ had hij gezegd, maar hij was natuurlijk wél een mens, en ze beseften vaag dat hoewel de Spreker heel goed begreep hoe zij over Marcão dachten, hij het niet per se met hen eens was.

‘Een paar anderen, de mannen van de metaalgieterij in Bairro das Fabricadoras, kenden hem als een sterke arm waarop ze konden vertrouwen. Je kon altijd op hem rekenen. Dus binnen de muren van de gieterij had hij hun ontzag. Maar als je de deur uitliep, behandelde je hem net als alle anderen — je negeerde hem, vond hem maar niks.’

De ironie was nu onmiskenbaar. Hoewel er aan de stem van de Spreker niets te merken was — nog steeds de eenvoudige, alledaagse manier van praten waarmee hij begonnen was — voelden de mannen die met hem gewerkt hadden het in hun binnenste: we hadden hem niet moeten negeren zoals we gedaan hebben. Als hij binnen de gieterij waarde had, hadden we hem misschien daarbuiten ook moeten waarderen.

‘Sommigen van jullie weten ook nog iets waarover jullie vaak liever niet praten. Jullie weten dat jullie hem de naam Cão al gaven lang voordat hij die verdiende. Jullie waren toen elf, twaalf jaar oud. Kleine jongens. Hij werd zo lang. Jullie schaamden je om naast hem te lopen. En jullie waren bang ook, omdat hij jullie zo’n hulpeloos gevoel gaf.’

Dom Cristão mompelde tegen zijn vrouw: ‘Ze zijn gekomen om roddel te horen en ze krijgen verantwoordelijkheid naar het hoofd geslingerd.’

‘En dus behandelden jullie hem op de manier waarop mensen altijd dingen behandelen die groter zijn dan zij,’ zei de Spreker. ‘Jullie groepten samen. Net als jagers die een grote mastodont proberen neer te leggen. Als stierenvechters die een reusachtige stier eerst proberen te verzwakken voor ze hem doden. Schelden, stompen, sarren. Laat hem kringetjes draaien. Hij kan nooit weten waar de volgende klap vandaan komt. Prik hem met weerhaken die in zijn huid blijven steken. Verzwak hem met pijn. Maak hem dol. Want hoe groot hij ook is, jullie kunnen hem van alles laten doen. Jullie kunnen hem laten schreeuwen. Jullie kunnen hem laten hollen. Jullie kunnen hem aan het huilen maken. Zie je wel? Hij is dus toch zwakker dan jullie.’

Ela was kwaad. Het was haar bedoeling geweest dat hij Marcão zou beschuldigen, niet dat hij verzachtende omstandigheden voor hem zou aanvoeren. Het feit dat hij een moeilijke jeugd had gehad, gaf hem nog niet het recht om moeder in elkaar te slaan als hij daar zin in had.

‘Jullie hoeven je daar niet schuldig over te voelen. Jullie waren toen nog kinderen en kinderen zijn wreed omdat ze niet beter weten. Dat zouden jullie nu niet meer doen. Maar nu ik jullie eraan heb herinnerd, kunnen jullie natuurlijk het verband makkelijk zien. Jullie noemden hem een hond en dus werd hij een hond. Voor de rest van zijn leven. Deed hulpeloze mensen pijn. Sloeg zijn vrouw. Schold zo gemeen tegen zijn zoon Miro dat hij de jongen zijn huis uitdreef. Hij gedroeg zich zoals jullie hem behandelden door te worden wat jullie hem hadden verteld dat hij was.’

Je bent een idioot, dacht bisschop Peregrino. Als mensen alleen maar reageren op de manier waarop anderen hen behandelen, dan is niemand ergens verantwoordelijk voor. Als je je zonden niet zelf gekozen hebt, hoe kun je er dan berouw van hebben?

Alsof hij de onuitgesproken tegenwerping van de bisschop had gehoord, hief de Spreker zijn hand op en vaagde zijn eigen woorden weg. ‘Maar het makkelijke antwoord is niet altijd waar. Jullie kwellingen maakten hem niet gewelddadig — ze maakten hem nors. En toen jullie te oud werden om hem nog langer te kwellen, groeide hij over zijn haat voor jullie heen. Hij was niet iemand die over oud zeer bleef wrokken. Zijn woede bekoelde en veranderde in achterdocht. Hij wist dat jullie hem minachtten; hij leerde te leven zonder jullie. In vrede.’

De Spreker pauzeerde een ogenblik en sprak vervolgens hardop uit wat zij zich in stilte allemaal afvroegen. ‘Hoe werd hij dan toch de wrede man die jullie kenden? Denk eens even goed na. Wie had er last van zijn wreedheid? Zijn vrouw. Zijn kinderen. Sommige mannen slaan hun vrouw en hun kinderen omdat ze naar macht hongeren maar te zwak of te dom zijn om zich die macht in de buitenwereld te verwerven. Een hulpeloze vrouw en kinderen die uit noodzaak en gewoonte en wrang genoeg ook wel uit liefde aan zo’n man gebonden zijn, zijn de enige slachtoffers die hij de baas kan.’

Ja, dacht Ela terwijl ze tersluiks naar haar moeder keek. Dit is wat ik wilde. Dit is waarom ik hem vroeg o