5

Tanja Maaslant bracht haar Renault Mégane met een schok tot stilstand aan de rand van het Bellamypark. De bestuurder achter haar ontweek haar auto met moeite en mepte nijdig op de claxon. Begreep ze het bericht goed? Tanja kende de codes die de politie gebruikte. De Westpoortflat – dat spuuglelijke blok huurappartementen op Boulevard De Ruyter! Daar zou een lijk gevonden zijn èn er kon sprake zijn van doodslag! Dat was maar een paar honderd meter verderop! Ze scheurde het park uit en nam de kortste weg. Met gierende banden kwam ze half op de stoep aan de achterzijde van het flatgebouw tot stilstand. Tanja griste haar camera uit het handschoenenkastje, keek naar boven, zag een groepje mensen op de galerij van de eerste etage en gokte dat het daar gebeurd was. Er was nog geen politiewagen te zien, maar die konden aan de andere kant van het gebouw staan, voor de ingang aan de boulevardzijde. Ze had geluk, er kwam juist een bewoonster met een hond naar buiten. Tanja glipte langs de vrouw naar binnen en holde de trappen op. Op de galerij hield ze haar perskaart omhoog en stapte ze langs het verblufte viertal naar binnen. Ze deed de deur van de huiskamer open en sperde haar ogen wijd open. Ze haalde diep adem en schoot zes plaatjes vanuit drie verschillende hoeken. Toen stopte ze de camera terug in de binnenzak van haar jack en ging weer naar buiten. Tanja keek de mensen aan en zei: “Heel akelig. Heeft een van jullie het lichaam ontdekt?”

“Bent u van de politie?” vroeg de oudere man. “Nee, van de pers.”

“Dan heeft u daarbinnen niets te zoeken,” zei de man fel. “Sorry, ik had er geen idee van dat ik hier eerder dan de politie zou zijn. Ik dacht dat ze al binnen waren.”

Het was een vlotte leugen. Tanja had al vroeg geleerd dat bescheiden verslaggevers nooit scoren. De deur van het trappenhuis ging open. Er naderden twee mannen. Een weeïge steek priemde door Tanja’s maag. De voorste van de twee! Vosmeer, van de recherche! Ze piekerde zich al weken lang suf hoe ze contact met hem kon leggen, hoe ze het aan zou pakken om een ontmoeting ‘spontaan’ te laten lijken. Ze was hem twee keer eerder tegengekomen, een maand geleden na de overval op een supermarkt en vorige week na een steekpartij in een disco. Daar waren steeds anderen bij geweest, collega’s van haar en van hem. De vragen die zij hem had gesteld had hij formeel kort en bondig beantwoord, echt contact kon je dat niet noemen. En nu liep hij recht op haar af! Dit is een cadeautje, flitste het door haar heen. Ze realiseerde zich meteen dat ze haar geluk had afgedwongen door in de auto steevast naar de politieband te luisteren met de bedoeling hem op een plaats delict tegen het lijf te lopen. Moest ze nu zelf het initiatief nemen – of afwachten? Afwachten, besloot ze bliksemsnel. Er is hier een moord gepleegd, Tanja Maaslant. Hij weet nog helemaal niks en jij hebt al foto’s gescoord. Vosmeer heeft werk te doen. Kom op, Maaslant, sprak ze zichzelf toe. Je gaat nu toeslaan! Jij bent hier toch ook om je werk te doen? Ze haalde adem om hem aan te spreken, maar wist ineens niet wat ze zou zeggen. Het duo had haar nu bijna bereikt. Vosmeer keek haar recht in het gezicht en haalde één wenkbrauw omhoog. Was dat spottend bedoeld? Of herkende hij haar en was het een soort groet? Hij verdween naar binnen op hetzelfde moment dat de deur bij de lift weer openging. Nu waren het vier politiemensen van de geüniformeerde dienst. Een van hen posteerde zich breed voor de deur. De anderen dromden achter hem langs naar binnen. De jongere man die de hele tijd de balustrade met twee handen had vastgehouden, draaide zich om naar de agent. “Ik ben de zoon,” zei hij dof. “Ik heb jullie gebeld. Het is mijn vader die daar in de kamer ligt.”

“Sjonge. Dat zal niet meevallen, voor u. Moment, ik draag u over aan mijn collega’s.” De politieman praatte even met een van de anderen en loodste Joep Duijker naar binnen. “Goedenavond,” zei hij daarna somber tegen de vier op de galerij. “Dat is me wat. Bent u ook familie?”

“Ik ben Alex Soeting,” zei de oudere man, “en dit is mijn vrouw Magda. Wij zijn buren. Dit is mevrouw Van Deursen, de werkster. Zij heeft de deur opengedaan. Wij hebben meneer Duijker gevonden, ja. En deze dame ken ik niet, maar ze is van de pers en ze is al binnen geweest.” Wat een lul, dacht Tanja. Hij probeert mij meteen zwart te maken. Ze beheerste haar ingeving om Alex Soeting zo vuil als ze maar kon aan te kijken. Als je hier een item van wil maken zul je hem nog nodig hebben, Maaslant. Be a professional! Dus knikte ze zo neutraal mogelijk en richtte haar ogen op de politieman. De zijne vernauwden zich. Hij keek haar strak aan en deed niet de minste moeite zijn misprijzen te verbergen.

“Ik hoop dat u niets heeft aangeraakt?”

“Nee, natuurlijk niet, agent. Alleen even gekeken.”

“Hmm, pers.” Het klonk laatdunkend. “Mag ik uw kaart even bekijken?”

Tanja toverde met een allervriendelijkste glimlach haar perskaart tevoorschijn. “Ik werk voor de landelijke bladen.”

“Dit zal geen landelijk nieuws worden.”

“Nee, maar daarom is het niet minder erg, agent. Er wordt in deze stad niet iedere dag iemand zo beestachtig vermoord.” Hij negeerde haar opmerking, gaf de perskaart terug en richtte demonstratief zijn aandacht op de anderen. “U wilt zich zeker wel even beschikbaar houden,” zei hij tegen hen, op een veel vriendelijker toon dan tegen Tanja.

Wat een klerelijer, dacht ze. Als hij me morgen door de stad ziet scheuren komt hij zeker achter me aan om een bekeuring te scoren, de smerige dienstklopper. En waarom zegt hij dat op deze manier? Ik geloof warempel dat ik me niet beschikbaar hoef te houden. Oké. Dan niet…