26

Donderdag 2 augustus.

“Alles bij elkaar geteld hebben we verdomd weinig,” beëindigde Meulmeester zijn betoog over het onderzoeksverslag van de technische recherche. “De vingerafdrukken in de Yaris zijn nieuw. We kunnen dus uitsluiten dat de moorden het werk van één persoon zijn. Deemoed is veel eerder overleden dan Duijker. Duijker is vermoord, bij Deemoed kan het een ongeval zijn geweest, maar in elk geval is zij daarna door iemand in die auto gezet. Het is absoluut twijfelachtig of beide zaken verwant zijn.”

Barend had het nieuws van de tweede dode woensdagavond laat op teletekst gelezen en ‘s-morgens de trein van vijf over zes uit Roosendaal genomen. Hij was nog maar net binnen of Leendert duwde hem de foto’s van de crematiegangers in zijn handen.

“We hebben een piepklein aanknopingspunt,” zei hij, nadat Meulmeester hem gebaarde het over te nemen. “Op de zondagmiddag dat Duijker werd vermoord liep er een man met een donker pak aan en een ringetje in zijn oor over de galerij. Precies zo’n type zat in de aula van het crematorium. Ik heb een foto van hem. Hij komt mij bekend voor, maar ik kan hem niet plaatsen.”

De foto ging de kring rond. Niemand kende hem. “Patrick Soolsma is vandaag wachtcommandant,” zei Barend. “Die kent hier de duvel en zijn ouwe moer. Als die vent op de foto hier in de stad woont dan weet hij welke naam erbij hoort.”

Even later bestudeerde Patrick Soolsma de foto. Hij had weinig tijd nodig. “Dit is Jasper Joziasse,” zei hij beslist. “Zo link als een loden deur. Hij werkt tegenwoordig als chauffeur voor Breetvelt, de directeur van de een of andere offshoremaatschappij. Hij heeft een kast van een kantoor aan de Spuistraat.”

“Je kent hem dus?” vroeg Meulmeester. “Kennen, kennen…da’s een groot woord. Hij was gokverslaafd, zat tot zijn oksels in de schulden en kwam nergens aan de bak. Breetvelt heeft hem uit de goot geraapt, zou je kunnen zeggen. Hij bleek een prima chauffeur en, denk ik, een soort waakhond. Hij hield er vroeger al van om mensen te intimideren. Nu blaft hij voor zijn baas.”

“Wat bedoel je daarmee?”

“Er gaan verhalen dat Breetvelt zijn chauffeur op dubieuze debiteuren afstuurt om een praatje te maken…”

“Laat maar. Hebben we iets over die Joziasse?”

“Dat denk ik wel. Hij heeft een keer vastgezeten. Nee – voorwaardelijk gekregen. Geweldpleging, pakweg een jaar of zes geleden. Hij betrapte een zakkenroller op de markt en toen onze wagen arriveerde had die kerel geen vingers meer over.”

“Meneer speelde eigen rechter?”

“Dat ziet u verkeerd. Hij deed zijn plicht als burger.”

“Zoek jij dat op, Stef? Geef het aan Vosmeer, dan brengt hij die meneer een bezoekje. Ik wil verrekte graag zijn vingerafdrukken hebben.”