31

Vrijdag 3 augustus.

Leendert en Barend reden naar Oudesluis, een rit van bijna 260 kilometer.

Hun weg voerde over de Stormvloedkering in de Oosterschelde, voorbij het voormalig werkeiland Neeltje Jans, langs Schiphol en tenslotte via de eindeloos lange A 7 tot Wieringerwerf. In het begin van de reis deed Barend verslag van zijn bevindingen. De mensen bij wie hij op bezoek was geweest hadden zonder aarzeling Joziasse herkend als de man die ze die bewuste middag op de galerij hadden gezien. “Mooi zo,” zei Leendert, “dan weten we bij wie we morgen vroeg op de koffie gaan.”

Ze namen alles wat ze over de twee zaken wisten nog eens door. Barend had van Joep gehoord dat zijn vader naast het lezen van romans nog twee hobby’s had – fotograferen en aquarelleren. Hij had er weinig aan gedaan – eigenlijk bewaarde hij dat allemaal voor na zijn pensionering, als hij over een zee van tijd zou beschikken en daar was nog steeds weinig van terechtgekomen. Voorbij Amsterdam doodden ze de tijd met luisteren naar Leenderts stokoude cassettebandjes van The Eagles, Rod Stewart en The Animals. Barend vond de meeste songs oudbakken sixties- en seventieskost, maar begon wel mee te zingen toen de intro van ‘Hotel California’ werd ingezet. Leendert Vosmeer drukte de pauzetoets in. “Doe me een lol, Barend! Bewaar dat voor je badkamer.” Barend hield beledigd zijn mond. Net voor Hoorn pakte hij zijn mentor terug. Hij drukte resoluut op de uitknop toen Leendert “There is a house in New Orleans” begon mee te galmen. Hij trok het cassettebandje uit de radio en schoof het in het handschoenenkastje. Toen trok hij zijn knieën op en plantte zijn voeten stevig tegen het dashboard, zodat zijn chef er niet bij kon.