77

De vingers van Barend vlogen langs de ruggen in de boekenkast. “Hij zal vast wel het een of andere systeem hebben gehad om zijn boeken op volgorde te plaatsen, maar dat is me niet duidelijk. Meneer Den Hartog. Jan de Hartog. Hier staan er twee.”

Hollands Glorie?

“Nee. Deze heet Stella, met Gods Geuzen ernaast.”

“Haal er maar uit.”

Barend legde de boeken op de tafel en opende Gods Geuzen. Het binnenwerk bleek er volledig uitgehaald te zijn. Het was een ordner.

Ademloos stalde Leendert Vosmeer de inhoud op de tafel uit. “Een kopie van zijn brief aan Celina. Een verslag met data van bezoeken die Duijker aan het huis van Liebermann heeft gebracht. Onuitgenodigd, neem ik aan.”

“En weer een mapje met foto’s!”

“Maak maar open.”

Het waren foto’s van vier plakboeken met vier verschillende vrouwen, netjes uitgestald op de vloer van Liebermanns huis en door Duijker gefotografeerd. Hun namen stonden in keurig gekalligrafeerde letters op de kaft, de jaartallen erbij. Uit sommige boeken had Duijker pagina’s met vakantiekiekjes gekopieerd. Leendert en Barend herkenden Liebermann op het strand, in een zwembad, voor zijn vouwwagen, met steeds verschillende vrouwen op zijn schoot of aan zijn hand. Alsof hij door een wesp in zijn arm werd gestoken veerde Leendert overeind.

“Barend, op welke dagen kun jij je informante bij Het Onderwijsblad raadplegen?”

“In de eerste helft van de week.”

“Bel haar op en vraag of die Liebermann al eerder dergelijke advertenties in dat krantje heeft gezet. Intussen bel ik Ferdi van Klaveren om te vragen hoe zijn verdwenen lerares heette!”

Hij haalde zijn notitieboekje uit zijn zak en tikte het Amsterdamse nummer in op zijn gsm. “Ferdi, met Leendert Vosmeer, je collega uit Zeeland! Die lerares die indertijd niet van haar vakantie terugkwam – hoe heette ze?”

“Berry Klanderman,” zei Ferdi van Klaveren prompt. Barend keek op de foto met de uitgestalde plakboeken. “Nummer drie,” zei hij. “Augustus 2003.” Ferdi van Klaveren riep nog iets, maar Leendert had al op ‘uit’ gedrukt.

“We nemen alles mee naar het bureau,” zei Leendert Vosmeer. “Kom mee.”

“Je vergeet je wet.”

“Wat bedoel je?”

Barend stond voor hem met een hand op de rug. “De Wet van Vosmeer. Als je gevonden hebt wat je zocht, stop dan niet met zoeken. Er kan nog meer zijn.”

“Ha, ha.”

Barend legde het andere boek van De Hartog op de tafel. “Stellet,” zei hij triomfantelijk. “Nog een doos met inhoud.” De ordner zat vol met afschriften van de Banco Hermanos Llenar in Caracas, Venezuela. “Het is een bankrekening zonder naam,” zei Barend. “Wel met een nummer van 12 cijfers. Het laatste afschrift is van maart, twee jaar terug.”

“Wat is het saldo?”

“Het zijn Amerikaanse dollars. 955.800 – dat is bijna een miljoen.”

“Een genummerde rekening in Caracas? Waarom niet gewoon in Zwitserland?”

“Hoe ver ligt Venezuela bij Curacao vandaan?”

“Uurtje vliegen, geloof ik.”