9

 

Door het tijdsverschil van vijf uur zette ik de volgende ochtend om zes uur voet op Braziliaanse bodem. Ik had verwacht onder de brandende Zuid-Amerikaanse zon de luchthaven uit te stappen en was dan ook teleurgesteld onder een bewolkte hemel aan te komen. Maar het was daar natuurlijk winter, en al was het er ver boven de twintig graden, van de intense tropische hitte waarop ik me had ingesteld was geen sprake. In de aankomsthal stond een man met een bord met mijn naam me op te wachten.

‘Olá, eu sou Senhorita D’Aplièse. Como você esta?’ zei ik in het Portugees terwijl ik naar hem toeliep. Ik genoot van de verbaasde blik op zijn gezicht.

Hij bracht me naar de auto, en op weg naar Rio keek ik met grote belangstelling om me heen. Dus dit was mijn geboortestad. Ik had in mijn tweede jaar aan de universiteit meegedaan aan een Braziliaans uitwisselingsprogramma, maar dat had zijn basis in São Paulo, en verder had ik alleen Salvador, de oude hoofdstad, bezocht. Door alle verhalen over Rio en zijn misdaad, zijn armoede en zijn wilde nachtleven zat ik als alleenstaande vrouw niet te springen om een bezoekje te brengen aan die stad. Maar hier zat ik, en als Pa’s informatie klopte was ik deel van het DNA van de stad en vormde Rio deel van mijn DNA.

De chauffeur, dolblij dat hij eindelijk weer een vloeiend Portugees sprekende buitenlandse passagier had, vroeg waar ik vandaan kwam.

‘Hier. Ik ben hier geboren,’ antwoordde ik.

Hij nam me via zijn achteruitkijkspiegel eens goed op.

‘Maar natuurlijk! Nu zie ik het: u bent Braziliaanse! Maar uw achternaam is D’Aplièse, dus ik dacht dat u Française was. Bent u hier op familiebezoek?’

‘Ja, ik geloof het wel,’ zei ik, terwijl de waarheid van die woorden nog naklonk in mijn hoofd.

‘Kijk,’ zei de chauffeur, en hij wees naar een hoge berg waarop een wit standbeeld van een menselijk figuur stond, die met wijd open armen de stad omarmde. ‘Dat is onze Cristo Redentor. Als ik Hem zie, weet ik dat ik weer thuis ben.’

Ik staarde omhoog naar de bleke, elegant gebeeldhouwde figuur, die als een engelachtige verschijning te midden van de wolken leek te zweven. Net als de rest van de wereld had ik dat beeld talloze keren in de media gezien, en toch was het in het echt adembenemend en verrassend ontroerend.

‘Heeft u Hem al eens bezocht?’ vroeg mijn chauffeur.

‘Nee, nog niet.’

‘Dan bent u een echte inwoner van Rio, een carioca!’ zei hij grijnzend. ‘Het mag dan een van de zeven moderne wereldwonderen zijn, wij in Rio vinden het wel best. Het zijn de toeristen die er in horden op afkomen.’

‘Ik ga er beslist een keer naartoe,’ beloofde ik, terwijl we in een tunnel verdwenen en Christus de Verlosser uit het zicht verdween.

Veertig minuten later stopten we voor Hotel Caesar Park. Aan de overkant van de brede straat lag het strand van Ipanema, nog verlaten vanwege het vroege uur, maar gewoonweg schitterend. Het strekte zich uit zo ver het oog reikte.

‘Hier hebt u mijn kaartje, Senhorita D’Aplièse. Mijn naam is Pietro en u kunt me op elk moment bellen als u in de stad moet zijn.’

Ik bedankte hem met ‘obrigada’, gaf hem een paar reals fooi en volgde de portier naar de lobby om in te checken.

Een paar minuten later nam ik mijn intrek in een prettig ruime suite met grote ramen aan de voorkant, die een prachtig uitzicht op het strand van Ipanema boden. De suite was belachelijk duur, maar op zo korte termijn was er niets anders beschikbaar. En ik gaf altijd zo weinig uit dat ik me nu totaal niet schuldig voelde. Ik wilde even afwachten wat er de komende dagen gebeurde, en als ik besloot om langer te blijven zou ik een appartement huren.

Maar wat zou er de komende dagen gebeuren?

De afgelopen vierentwintig uur waren als een wervelwind geweest, en die situatie was versterkt door mijn paniek en de noodzaak om Zwitserland zo snel mogelijk te verlaten. Ik had nog niet eens goed nagedacht over wat ik bij aankomst zou doen. Ik had in het vliegtuig slecht geslapen en was nog doodmoe van het trauma van de laatste dagen. Dus besloot ik voorlopig te volstaan met het ophangen van het bordje ‘niet storen’ aan mijn deurknop. Ik gleed tussen de frisse, heerlijk geurende lakens en viel in slaap.

Een paar uur later werd ik wakker. Ik merkte dat ik niet alleen trek had, maar ook dolgraag de stad wilde zien, dus nam ik de lift naar het restaurant op de bovenste verdieping. Op het terrasje met zijn fantastische uitzicht over zowel de zee als de bergen bestelde ik een caesarsalade en een glas witte wijn. De wolken waren als een vage herinnering verwaaid, het strand onder me lag vol gebruinde lijven die lagen te zonnen.

Na het eten begon de mist in mijn hersens langzaam maar zeker op te klaren, zodat ik kon bedenken wat ik het beste kon doen. Ik bestudeerde het adres dat de coördinaten me exact hadden opgegeven en dat ik in mijn smartphone had opgeslagen. Ik moest maar accepteren dat er geen garantie was dat mijn oorspronkelijke familie er nog woonde. Ik wist niet hoe ze heetten, ik wist helemaal niets van ze. Bij de gedachte dat ik daar op de stoep zou staan met de mededeling dat ik op zoek was naar mijn lang geleden verloren familie ontschoot me een zenuwachtig lachje.

Maar toen schoten Pa Salts woorden op het armillarium me te binnen. Wijze woorden waaraan ik me moest houden, en het ergste wat me kon overkomen was dat ze de deur in mijn gezicht zouden dichtslaan. Misschien hadden het glas wijn en de jetlag me een ongewone portie moed verschaft. Ik ging terug naar mijn suite en voordat ik misschien van gedachten zou veranderen belde ik de receptie om te vragen of chauffeur Pietro beschikbaar was.

‘Geen probleem,’ zei de receptionist. ‘Wilt u nu direct gebruikmaken van de auto?’

‘Ja.’

En zo zat ik tien minuten later weer in Pietro’s auto en reden we langzaam het centrum van de stad uit.

‘Dat huis, A Casa das Orquídeas, dat ken ik volgens mij,’ zei hij.

‘Ik niet,’ moest ik bekennen.

‘Nou, als het dat huis echt is, dan is het heel interessant. Het is heel oud en vroeger woonde er een rijke Portugese familie,’ vervolgde hij, toen we weer in een van de traag voortbewegende en volgens Pietro permanente files van Rio terechtkwamen.

‘Misschien heeft het wel een nieuwe eigenaar,’ zat ik hardop te denken.

‘Zou kunnen.’ Hij keek naar me via de achteruitkijkspiegel en voelde kennelijk aan dat ik gespannen was. ‘Bent u op zoek naar een familielid?’

‘Ja,’ antwoordde ik naar waarheid, en toen ik omhoog keek zag ik Christus de Verlosser boven me uittorenen. Ik was nooit een erg religieus type geweest, maar op dat moment gaven zijn uitgestrekte armen, die de hele wereld leken te omvatten, me een bijzonder gevoel van troost.

‘Zo, over een paar minuten komen we aan bij uw adres,’ zei Pietro een kwartier later. ‘Ik denk niet dat u vanaf de straat veel kunt zien, er staat een hoge heg omheen vanwege de privacy. Dit was vroeger een heel exclusieve buurt, maar ze hebben het hier sindsdien jammer genoeg vol gezet met nieuwbouw.’

Er stonden inderdaad allerlei industriële gebouwen en appartementengebouwen.

‘Daar is het huis, senhorita.’

Ik volgde Pietro’s wijsvinger en zag een lange verwilderde heg, waar wilde bloemen hun mooie maar destructieve kopjes doorheen staken. Ik vergeleek het beeld met onze onberispelijk verzorgde tuin in Genève en concludeerde dat zich al heel lang geen liefhebbend paar handen over deze heg had ontfermd.

Het enige wat ik boven de heg uit kon zien waren een paar ouderwetse schoorstenen, waarvan het oorspronkelijke baksteenrood met jaren aan roet was bedekt en pikzwart was geworden.

Ook Pietro had direct gezien hoe verwaarloosd de buitenkant van het huis was. ‘Misschien staat het wel leeg,’ suggereerde hij, zijn schouders ophalend.

‘Misschien, ja.’

‘Zal ik de auto hier neerzetten?’ vroeg hij. Hij minderde vaart en zette hem een paar meter voorbij het pand aan de kant.

‘Ja, graag.’

Hij stopte, zette de motor af en draaide zich naar me om. ‘Ik blijf hier op u wachten. Succes, Senhorita D’Aplièse.’

‘Dank je.’

Ik stapte uit en sloeg het portier veel te hard dicht, al helemaal gefixeerd op wat me te wachten stond. Op de stoep langs het huis zei ik tegen mezelf dat wat er in de komende minuten ging gebeuren niet echt belangrijk was, dat ik een liefhebbende vader had gehad en iemand die als een moeder voor me was, en dat ik mijn zusters had. En goedbeschouwd had de reden waarom ik hier was veel minder te maken met wat ik achter deze heg zou aantreffen dan met datgene waarvoor ik intuïtief op de vlucht was geslagen.

Die gedachte gaf me het nodige zelfvertrouwen, en ik stapte door het hoge, smeedijzeren hek de oprit op. En voor het eerst zag ik het huis waar volgens de coördinaten mijn geschiedenis was begonnen.

Het was een elegant achttiende-eeuws herenhuis, dat met zijn formele, vierkante vorm, zijn witgepleisterde muren, zijn weelderig gevormde lijstwerk en steunbalken de sfeer van het koloniale verleden van Brazilië ademde. Maar toen ik dichterbij kwam zag ik dat het pleisterwerk smoezelig en gebarsten was, en dat het schilderwerk van de tientallen openslaande vensters op veel plaatsen was gaan bladderen en het kale houtwerk blootlegde.

Ik verzamelde moed en liep naar het huis, passeerde de basis van een marmeren, gebeeldhouwde fontein, waar ooit speelse waterstraaltjes moesten hebben geklaterd. De rolluiken van de meeste ramen zaten potdicht, zodat ik me afvroeg of Pietro niet gelijk had en dat dit huis leegstond.

Ik liep het brede bordes naar de voordeur op en drukte op de ouderwetse bel. Maar die bracht binnen geen enkel geluid teweeg. Ik probeerde het nog twee keer en klopte vervolgens zo zelfverzekerd als ik maar durfde op de deur. Ik wachtte, maar hoorde geen voetstappen naderen. Ik besloot nog een keer te kloppen, dit keer harder.

Nadat ik zeker een paar minuten voor de deur had staan wachten, realiseerde ik me dat dit zinloos was en dat er niemand zou opendoen. Ik keek omhoog en zag weer die luiken voor de ramen en concludeerde dat het huis waarschijnlijk niet bewoond was.

Toen ik de trap afliep twijfelde ik even wat ik zou doen: linea recta teruggaan naar Pietro en de hele zaak vergeten, of nog even om het huis rondsnuffelen om te kijken of ik niet door een spleet van een luik kon gluren. Ik besloot tot het laatste en sloop de zijkant van het huis langs.

Het huis bleek heel wat dieper te zijn dan het breed was, en de zijmuur liep door tot wat ooit een prachtige tuin was geweest. Ik liep tot het eind van de muur, teleurgesteld dat ik geen kijkgaatje had kunnen ontdekken. Waar de muur eindigde lag een met mos bedekt terras.

Mijn blik werd onmiddellijk getrokken naar het stenen beeld van een jonge vrouw, dat in de uiterste hoek van het terras tussen een paar gebarsten terracotta bloempotten stond. De vrouw was zittend afgebeeld en staarde recht voor zich uit. Van dichtbij zag ik dat de neus was afgebrokkeld, maar dat deed niet af aan de zuivere, simpele lijnen van haar figuur en de strenge schoonheid van de vrouw.

Ik wilde net de hoek omslaan om de achterkant van het huis te inspecteren, toen ik onder een boom in de tuin die aan het terras grensde, een gestalte opmerkte.

Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik deinsde achteruit, drukte me tegen de zijmuur om niet gezien te worden en keek voorzichtig om de hoek om de persoon beter te kunnen bekijken. Vanaf die afstand was het lastig om precies te zien hoe ze eruitzag, ik wist alleen dat het een vrouw was en uit de manier waarop ze zat maakte ik op dat ze erg oud was.

Bij het zien van de vrouw schoten er duizend razendsnelle gedachten door me heen. Ik was al nooit goed in het nemen van snelle beslissingen, en daar stond ik, tegen de muur gedrukt, met een half oog gericht op een oude vrouw die misschien wel of misschien niet familie van me was.

Ik keek naar de hemel en wist instinctief dat Pa dit soort momenten altijd onverschrokken tegemoet was getreden. En voor het eerst in mijn volwassen bestaan zou ik dat ook doen.

Ik stapte in het volle zicht van de vrouw en liep naar haar toe. Ze draaide haar hoofd niet naar me toe toen ik dichterbij kwam. Toen ik dichtbij genoeg was om haar goed te kunnen zien, zag ik dat ze haar ogen dicht had en leek te slapen.

Daardoor kreeg ik de kans haar gezicht wat beter te bestuderen. Ik vroeg me af of ik trekken van mezelf zou moeten herkennen, maar ik wist dat ze net zo goed een totaal onbekende kon zijn, iemand die het huis tijdens de drieëndertig jaar dat ik er weg was had bewoond.

‘Desculpe? Kan ik u helpen, senhorita?’

Ik maakte een sprongetje van schrik toen ik de zachte stem achter me hoorde. Ik draaide me om en zag een broodmagere, oudere, donkere vrouw met grijzend kroeshaar, gekleed in een ouderwets dienstbodenuniform, die me achterdochtig aankeek.

‘Sorry,’ zei ik snel. ‘Er werd niet opengedaan…’

De vrouw legde een vinger tegen haar lippen. ‘Sst, ze slaapt. Wat komt u hier doen?’

‘Ik…’ Hoe kon ik deze vrouw in een paar gefluisterde woorden mijn verhaal uitleggen? ‘Mij is verteld dat ik iets met dit huis te maken heb en ik zou graag de eigenaar spreken.’

Ze nam me van hoofd tot voeten op, en ik zag haar ogen even oplichten toen haar blik op mijn hals bleef rusten.

‘Senhora Carvalho ontvangt niemand. Ze is erg ziek en heeft veel pijn.’

‘O, maar misschien kunt u tegen haar zeggen dat ik langs ben geweest.’ Ik haalde een visitekaartje uit mijn tas en gaf het aan de dienstbode. ‘Ik logeer in Hotel Caesar Park. Wilt u zeggen dat ik haar heel graag wil spreken?’

‘Dat wil ik wel, maar dat zal weinig uitmaken,’ zei ze kortaf.

‘Mag ik vragen hoe lang de mevrouw in de stoel hier al woont?’

‘Haar hele leven. En nu ga ik u uitlaten.’

Toen ik dat hoorde liepen de rillingen me over de rug. Ik wierp nog een laatste blik op de oude vrouw in de stoel. Als Pa Salt en zijn coördinaten het bij het juiste eind hadden, moest er op de een of andere manier een relatie bestaan tussen deze vrouw en mij. Ik draaide me om en liet me door de dienstbode terugleiden over het terras. We stonden net bij de hoek van het huis toen we achter ons een breekbare stem hoorden.

‘Wie is dat?’

We bleven staan en draaiden ons om, en ik zag een glimp van angst in de ogen van de dienstbode.

‘Vergeeft u me, Senhora Carvalho, ik wilde u niet storen,’ antwoordde ze.

‘Dat doe je niet. Ik zit al vijf minuten naar jullie te kijken. Breng haar hier. Op honderd meter van elkaar valt er geen gesprek te voeren.’

De dienstbode volgde het bevel van haar mevrouw op en leidde me met tegenzin langs het terras en de trap de tuin weer in. Ze bracht me tot vlak voor de oude vrouw en las de gegevens op mijn kaartje voor.

‘Dit is Senhorita Maia D’Aplièse en ze is vertaler.’

Nu ik vlak voor de vrouw stond zag ik hoe uitgemergeld ze was en hoe doods en grauw haar huid was, alsof haar levenskracht langzaam uit haar wegvloeide. Maar toen haar priemende blik me opnam en ik daar een flits van herkenning en schrik in zag, wist ik dat ze nog helder van geest was.

‘Wat komt u hier doen?’

‘Dat is een lang verhaal.’

‘Wat wilt u?’

‘Niets, ik…’

‘Senhorita D’Aplièse heeft me verteld dat ze een bepaalde band heeft met dit huis,’ zei de dienstbode, op naar ik meende bijna aanmoedigende toon.

‘Werkelijk? En wat voor soort band mag dat dan wel zijn?’

‘Mij is verteld dat dit het huis is waarin ik ben geboren,’ zei ik.

‘Wel, het spijt me u te moeten teleurstellen, senhorita, maar er zijn sinds de geboorte van mijn eigen kind, meer dan vijfenvijftig jaar geleden, onder dit dak geen baby’s meer geboren. Nietwaar, Yara?’ zei ze tegen de dienstbode.

‘Sim, senhora.’

‘En van wie heeft u die informatie? Ongetwijfeld van iemand die betrekkingen met mij wil aanknopen, zodat hij dit huis kan erven als ik dood ben.’

‘Nee, senhora, ik garandeer u dat dit niets met geld te maken heeft. Dat is niet de reden dat ik hier ben,’ zei ik resoluut.

‘Wilt u mij dan alstublieft vertellen waarom u hier wél bent?’

‘Omdat ik als baby ben geadopteerd. Mijn adoptievader is vorige week overleden, en hij heeft me een brief nagelaten waarin hij zegt dat dit het huis is waarin mijn familie ooit heeft gewoond.’ Ik keek haar doordringend aan, in de hoop dat ze aan mijn blik kon zien dat ik de waarheid sprak.

‘Ach zo.’ En weer bekeek ze me nauwlettend, en ze leek even te aarzelen alvorens te antwoorden. ‘Dan moet ik u zeggen dat uw vader een vreselijke vergissing heeft begaan en dat u een vergeefse reis hebt ondernomen. Goedendag.’

Toen ik me eindelijk door de dienstbode liet wegleiden, wist ik met absolute zekerheid dat de oude vrouw had gelogen.